"Ik ben werkelijk Tom Ayrton...."Ik ben werkelijk Tom Ayrton....
"Van Australië," zoo viel de majoor Ayrton in de rede, "dan hebt gij bij gevolg deBritanniaverlaten, voor zij Callao heeft aangedaan, vanwaar de laatste tijdingen gedagteekend zijn?"
"Ja," antwoordde de bootsman; "want zoo lang ik aan boord was, is deBritannianooit te Callao geweest. Dat ik op de hoeve van Paddy O'Moore van Callao sprak, kwam daar vandaan, dat ik die omstandigheid uit uw verhaal had vernomen."
"Ga voort, Ayrton!" zeide Glenarvan.
"Daar stond ik nu verlaten op een bijna woeste kust; doch slechts twintig mijlen van de strafgevangenis van Perth af, de hoofdstad van West-Australië. Langs de kust zwervende ontmoette ik een bende gedeporteerden, die pas ontsnapt waren. Ik voegde mij bij hen. Gij zult mij, mylord! wel het verhaal schenken van het leven, dat ik derdehalf jaar leidde. Weet alleen, dat ik onder den naam van Ben Joyce het hoofd der vlugtelingen werd. In de maand September 1864 vervoegde ik mij op de iersche hoeve. Daar werd ik als knecht in dienst genomen onder mijn waren naam Ayrton. Ik wachtte daar op een gelegenheid om een schip te bemagtigen. Dat was mijn hoogste doel. Twee maanden later kwam deDuncan. Bij uw bezoek op de hoeve, mylord! vertelde gij de geheele geschiedenis van kapitein Grant. Ik vernam toen, wat ik nog niet wist, het verblijf derBritanniate Callao, de laatste berigten van Junij 1862, twee maanden na mijn ontscheping, het voorval met het document, de stranding van het schip ergens op zeven en dertig graden, en eindelijk de gewigtige redenen, die gij hadt, om Harry Grant op het vastland van Australië te zoeken. Ik weifelde niet. Ik besloot deDuncante bemagtigen, een uitstekend schip, dat de snelste zeilers der engelsche oorlogsvloot ontkomen kon. Maar ze had zware averij geleden, die hersteld moest worden. Ik liet ze dus naar Melbourne vertrekken, en deed mij bij u voor in mijn ware betrekking van bootsman, terwijl ik aanbood u naar het tooneel eener schipbreuk te geleiden, die naar ik u voorloog op de oostkust van Australië zou plaats gehad hebben. Zoo leidde ik, nu eens gevolgd dan weder voorafgegaan door mijn rooverbende, uw gezelschap door de provincie Victoria. Mijn manschappen begingen aan de Camdenbrug een noodelooze misdaad; want was deDuncanaan de kust dan kon ze mij niet ontgaan, en met dat jagt was ik meester op zee. Zoo voerde ik u, zonder uw wantrouwen op te wekken, tot aan de Sneeuw-rivier. Paarden en ossen werden één voor één met gastrolobium vergeven. Ik liet den wagen wegzakken in de moerassen der Sneeuw-rivier. Op mijn aandringen.... Maar gij weet het overige, mylord! en kunt er zeker van zijn, dat ik zonder de verstrooidheid van mijnbeer Paganel thans het bevel zou voeren op deDuncan. Ziedaar mijn geschiedenis, mylord! Mijne mededeelingen kunnen u helaas! niet op het spoor van Harry Grant brengen, en gij ziet, dat gij een slechten ruil gedaan hebt, door met mij te onderhandelen."
De bootsman zweeg, sloeg als naar gewoonte de armen over elkaar en wachtte. Glenarvan en zijn vrienden bewaarden het stilzwijgen. Zij gevoelden, dat die vreemde boosdoener de volle waarheid had gesproken. De overrompeling derDuncanwas alleen mislukt door een omstandigheid onafhankelijk van zijn wil. Zijn medepligtigen waren aan de oevers der Twofold-baai gekomen, zooals het gevangenisbuis bewees, dat Glenarvan had gevonden. Daar hadden zij naar het bevel van hun aanvoerder op het jagt geloerd, en het wachten moede hadden zij zeker in de velden van Nieuw-Zuid-Wales hun bedrijf van plunderaars en brandstichters weder opgevat.
De majoor begon weder het verhoor om van de datums, die op deBritanniabetrekking hadden, zeker te zijn.
"Dus," vroeg hij den bootsman, "zijt gij bepaald op den 8stenApril 1862 op de westkust van Australië aan land gezet?"
"Juist," antwoordde Ayrton.
"En weet gij, welke voornemens Harry Grant toen had?"
"Ten naastebij."
"Spreek op, Ayrton!" zeide Glenarvan. "De geringste aanwijzing kan ons op den weg brengen."
"Ik kan niets anders zeggen dan dit, mylord!" antwoordde de bootsman, "Kapitein Grant was voornemens Nieuw-Zeeland te bezoeken. Dit gedeelte van zijn reisplan nu is niet uitgevoerd, terwijl ik aan boord was. Het zou dus niet onmogelijk zijn, dat deBritanniana haar vertrek van Callao Nieuw-Zeeland had aangedaan. Dat zou overeenkomen met den datum van 27 Junij 1862, waarop, volgens het document, de driemaster schipbreuk heeft geleden."
"Dat is zoo," zeide Paganel.
"Maar," hernam Glenarvan, "geen enkel woord, dat op het document bewaard is gebleven, is op Nieuw-Zeeland toepasselijk."
"Daarop kan ik niet antwoorden," zeide de bootsman.
"Goed, Ayrton!" zeide nu Glenarvan. "Gij hebt uw woord gehouden, ik zal het mijne houden. Wij zullen bepalen op welk eiland der Stille Zuidzee gij aan land zult gezet worden."
"O, dat komt er niet op aan, mylord!" antwoordde Ayrton.
"Keer naar uw hut terug," zeide Glenarvan, "en wacht ons besluit af."
De bootsman ging heen onder geleide van twee matrozen.
"Die schurk had een man kunnen zijn," zeide de majoor.
"Ja!" antwoordde Glenarvan. "Het is een sterke en schrandere kerel! Waarom heeft hij zijn vermogens misbruikt om kwaad te doen!"
"Maar Harry Grant?"
"Ik vrees zeer, dat hij reddeloos verloren is! Arme kinderen! wie zou hun kunnen zeggen waar hun vader is?"
"Ik!" antwoordde Paganel. "Ja, ik!"
Het zal wel niemand ontgaan zijn, dat de anders zoo praatzieke en ongeduldige aardrijkskundige naauwelijks een mond had opengedaan, zoo lang het verhoor van Ayrton duurde. Hij luisterde met den mond digt. Maar dat laatste woord, dat hij sprak, woog tegen vele andere op, en deed Glenarvan driftig opspringen.
"Gij!" riep hij, "weet gij, Paganel! waar kapitein Grant is!"
"Ja, voor zooverre men dat althans weten kan," antwoordde de aardrijkskundige.
"En door wien weet gij det?"
"Door dat eeuwige document."
"Zoo!" riep de majoor op een toon van volslagen ongeloof.
"Luister eerst, Mac Nabbs!" zeide Paganel, "later moogt gij de schouders ophalen. Ik heb vroeger niet gesproken, omdat gij mij toch niet geloofd zoudt hebben. Later was het onnoodig. Maar dat ik nu er toe besluit is, omdat Ayrtons meening juist de mijne ondersteunt."
"Dus Nieuw-Zeeland?..." vroeg Glenarvan.
"Luistert en oordeelt," antwoordde Paganel. "Het is niet zonder reden, of liever het is niet zonder "eene reden," dat ik de dwaling beging, die ons gered heeft. Toen ik dien brief schreef, welken Glenarvan mij voorzeide, maalde het woord "Zeeland" mij door het hoofd. Ziehier waarom. Gij herinnert u, dat wij in den wagen waren. Mac Nabbs had aan lady Helena de geschiedenis der roovers verteld; hij had haar het nummer derAustralische en Nieuw-Zeelandsche courantter hand gesteld, die het verhaal bevatte van de ramp aan de Camdenbrug. Terwijl ik schreef, lag het dagblad op den grond, zoo gevouwen, dat er maar twee lettergrepen van den titel zigtbaar waren. Die twee lettergrepen warenaland. Daar ging een licht voor mij op!Alandwas juist een woord uit het engelsche document, een woord, dat wij altijd vertaald hadden dooraan land, en dat de uitgang zijn moest van den eigennaamZealand."
"Wat ge zegt!" riep Glenarvan.
"Ja!" hernam Paganel innig overtuigd, "die uitlegging was mij ontgaan, en weet gij waarom? omdat mijn onderzoek natuurlijk het fransche document betrof, dat vollediger is dan de andere, en waarin dit belangrijke woord ontbreekt."
"Ho! ho!" zeide de majoor, "nu gaat uw verbeeldingskracht wat te ver, Paganel! en vergeet gij al te gemakkelijk uw vroegere afleidingen."
"Ga voort, majoor! ik ben bereid u te antwoorden."
"Waar blijft dan uw woordaustra?" hernam Mac Nabbs.
"Dat verandert niet. Het beteekent eenvoudig de zuidelijke streken."
"Goed. En die lettergreepindi, die eerst de wortel vanindianenen later de wortel vaninboorlingengeweest is?"
"Welnu! voor de derde en laatste maal," antwoordde Paganel, "zal zij de eerste lettergreep zijn van het woordindigence(nood)!"
"Encontin!" riep Mac Nabbs, "beteekent dat nogcontinent(vastland)?"
"Neen! omdat Nieuw-Zeeland maar een eiland is."
"Bij gevolg?..." vroeg Mac Nabbs.
"Waarde lord!" antwoordde Paganel, "ik zal het document vertalen volgens mijn derde uitlegging, dan kunt gij oordeelen. Maar twee opmerkingen vooraf: 1°. vergeet zooveel mogelijk de vroegere uitleggingen en maakt uw geest los van elke vroeger opgevatte meening; 2°. sommige gedeelten zult gij "gewrongen" vinden, en het is mogelijk, dat ik ze slecht vertaal; maar zij zijn van geen belang, onder anderen het woordagonie, waarmee ik verlegen zit, maar dat ik niet anders verklaren kan. Ook is het 't fransche document, dat tot grondslag dient voor mijn vertolking, en vergeet niet, dat het door een Engelschman is geschreven, die welligt niet goed bekend was met het fransche taaleigen. Na deze voorafspraak begin ik."
En Paganel las langzaam en met nadruk het volgende:
"Den 27Junij1864 is dedriemaster Britannia, vanGlasgow, na een langendoodstrijdin dezuidelijkezeeën op de kusten van Nieuw-Zeeland vergaan,—in het engelschZealand.—Twee matrozenen dekapitein Grantzijnaan landgespoeld. Daar,steedsterprooi aan eennijpenden nood, hebben zijdit documentin zeegeworpenop ...lengte en37°11'breedte. Komt hun tehulp of zij zijnverloren."
Paganel zweeg. Zijn vertaling was aannemelijk. Maar juist omdat zij even waarschijnlijk scheen als de vorige, kon zij ook verkeerd wezen. Glenarvan en de majoor legden er dus niets tegen in. Daar echter het spoor derBritanniaevenmin teruggevonden was op de kust van Patagonië als op die van Australië, ter plaatse waar de zeven en dertigste graad die twee landen snijdt, waren de kansen voor Nieuw-Zeeland gunstig.
Deze opmerking, welke Paganel maakte, trof vooral zijn vrienden.
"Zeg mij nu eens, Paganel!" sprak Glenarvan, "waarom gij deze verklaring omtrent twee maanden voor u hebt gehouden?"
"Omdat ik u met geen ijdele hoop vleijen wilde. Ook gingen wij naar Auckland, dat juist op de breedte ligt, welke het document aangeeft."
"Maar waarom hebt gij later niet gesproken, toen wij van dien weg afgeraakt waren?"
"Omdat die vertolking, hoe juist zij ook moge zijn, niets kan bijdragen tot redding van den kapitein."
"Om welke reden, Paganel?"
"Omdat, aangenomen dat kapitein Harry Grant op Nieuw-Zeeland gestrand is, hij na de schipbreuk of door de handen der Zeelanders omgekomen is, omdat hij in het tijdsverloop van twee jaren nog niet is komen opdagen."
"Dus houdt gij het er voor?..." vroeg Glenarvan.
"Dat men misschien eenige wrakken van de schipbreuk zou kunnen terugvinden; maar dat de schipbreukelingen derBritanniaonherroepelijk verloren zijn!"
"Zwijgt over dit alles, vrienden!" zeide Glenarvan, "en laat mij het oogenblik kiezen om deze treurige tijding aan de kinderen van kapitein Grant mede te doelen!"
Weldra was het ruchtbaar onder het scheepsvolk, dat het geheim van het verblijf van kapitein Grant niet opgehelderd was door de mededeelingen van Ayrton. Er heerschte een diepe verslagenheid aan boord; want men had op den bootsman gerekend, en de bootsman wist niets, dat deDuncanop het spoor derBritanniahad kunnen brengen.
Het jagt stevende dus in dezelfde rigting voort. Alleen moest nog het eiland uitgekozen worden, dat voortaan het verblijf van Ayrton zijn zou.
Paganel en John Mangles gingen de scheepskaarten na. Op zeven en dertig graden breedte troffen zij juist een eenzaam eilandje aan, bekend onder den naam van Maria Theresa, een verlaten rots in het midden der Stille Zuidzee, drie duizend vijf honderd mijlen van de amerikaansche kust en vijftien honderd van Nieuw-Zeeland gelegen. Ten noorden was het naaste land de Pomotoe-eilanden, onder fransche bescherming staande. Ten zuiden lag niets dan de onbewegelijk vaste ijsbanken aan de zuidpool. Geen enkel schip deed ooit dat eenzame eiland aan. Geen berigt ter wereld drong ooit zoo ver door. Alleen de stormvogels rustten er op hun lange togten uit, en vele kaarten vermeldden die rots niet eens, waartegen de golven der Zuidzee klotsen.
Wanneer er ergens een volstrekte afzondering op aarde te vinden is, dan moest het wel op dat eiland zijn, dat zoover buiten de wegen ligt, die de menschen bezoeken. Men gaf Ayrton hiervan kennis. Ayrton bewilligde er in om daar ver van de menschen verwijderd te leven, en de steven werd naar Maria Theresa gerigt. Thans zou een zuiver regte lijn door de as derDuncan, het eiland en de baai van Talcahuano gegaan zijn.
Twee dagen later, ten twee ure, seinde de uitkijk land aan den gezigteinder. Het was Maria Theresa, dat in de lengte uitgestrekt en zoo laag, dat het naauwelijks boven water uitstak, veel had van een ontzaggelijken walvisch. Dertig mijlen scheidden het nog van het jagt, welks steven de golven kliefde met een vaart van zestien knoopen in het uur.
Langzamerhand werd het eilandje duidelijker zigtbaar. De zon, die naar het westen neigde, bescheen het helder, waardoor het een onregelmatige schaduw wierp. Eenige lage toppen vertoonden zich hier en daar, naarmate de stralen der dagvorstin er op vielen.
Ten vijf ure meende Mangles een ligten rook te bespeuren, die omhoog steeg.
"Is dat een vulkaan?" vroeg hij aan Paganel, die met den kijker voor de oogen dat nieuwe land beschouwde.
"Ik weet niet, wat ik er van denken moet," antwoordde de aardrijkskundige. "Maria Therera is een weinig bekende plek. Echter zou het niet te verwonderen zijn, wanneer het zijn ontstaan te danken had aan een opheffing van den zeebodem en het bijgevolg vulkanisch was."
"Maar," zeide Glenarvan, "wanneer een uitbarsting het heeft voortgebragt, staat het dan niet te vreezen, dat een uitbarsting het ook weer vernietigt?"
"Dat is niet zeer waarschijnlijk," antwoordde Paganel. "Sedert eenwen is men reeds met zijn bestaan bekend, en dat is een waarborg. Wanneer een nieuw eiland, bij voorbeeld het eiland Julia, uit de Middellandsche zee oprees, bleef het niet lang boven water en verdween weinige maanden na zijn ontstaan."
"Goed," zeide Glenarvan. "Denkt gij, dat wij voor den nacht aan wal kunnen gaan, John?"
"Neen, Uwe Edelheid! Ik mag deDuncanniet in de duisternis op een mij onbekende kust wagen. Ik zal zachtjes aan op en neer blijven houden, en morgen zenden wij met het krieken van den dag een boot naar den wal."
's Avonds ten acht ure scheen Maria Theresa, hoewel op vijf mijlen onder den wind, nog maar een lange, pas zigtbare schaduw. DeDuncankwam steeds nader.
Ten negen ure verdreef een vrij helder schijnsel, een vuur, de duisternis. Het bleef op dezelfde plaats en brandde voort.
"Daaruit zou haast volgen, dat het een vuurspuwende berg is," zeide Paganel, die het aandachtig gadesloeg.
"Maar dan moesten wij," antwoordde John Mangles, "op dezen afstand het leven hooren, dat altijd met een uitbarsting gepaard gaat, en de oostewind voert niet het minste geraas naar ons toe."
"Inderdaad," zeide Paganel, "die vulkaan flikkert maar spreekt niet. Ook zou men zeggen, dat hij tusschenpoozen heeft gelijk een draailicht.
"Gij hebt gelijk," hernam John Mangles, "en toch zijn het geen vuurtorens op deze kust. Ha!" riep hij uit, "weer een licht! En nu op het strand! Zie eens! Het beweegt zich! het verandert van plaats!"
John bedroog zich niet. Er was een nieuw vuur bijgekomen, dat soms scheen uit te gaan en dan weer aanwakkerde.
"Is het eiland dan bewoond?" vroeg Glenarvan.
"Zeker door wilden," antwoordde Paganel.
"Maar dan kunnen wij den bootsman hier niet afzetten."
"Neen!" antwoordde de majoor; "dat zou een al te leelijk geschenk zijn, zelfs voor wilden."
"Wij zullen een ander onbewoond eiland zoeken," zeide Glenarvan, die een glimlach niet kon onderdrukken over "de teerhartigheid" van Mac Nabbs. "Ik heb beloofd, dat Ayrtons leven zou gespaard worden, en wil mijn belofte houden."
"Wij moeten althans op onze hoede zijn," voegde Paganel er bij. "De Zeelanders hebben de barbaarsche gewoonte de schepen in den val te lokken met beweegbare vuren, evenals voorheen de bewoners van Cornwallis. De inlanders op Maria Theresa kennen misschien ook dat kunstje."
"Houd een streek af!" beval John den matroos aan het roer. "Zoodra morgen de zon opgaat, zullen wij de zaak onderzoeken."
Ten elf ure keerden de passagiers en John Mangles in hun hutten terug. Op het voorschip ging de wacht op en neer. Op het achterschip was alleen de roerganger op zijn post.
Nu beklommen Mary Grant en Robert de kampanje.
Over het hek leunende zagen de beide kinderen van den kapitein bedroefd naar de lichtgevende zee en het fonkelende zog derDuncan. Mary dacht aan de toekomst van Robert; Robert dacht aan de toekomst zijner zuster. Beiden dachten aan hun vader. Leefde die aangebeden vader nog? moest men de hoop opgeven?... Maar neen, wat zou het leven zijn zonder hem? Wat zou er van hen geworden zijn zonder lord Glenarvan, zonder lady Helena?
De beide kinderen van den kapitein keken bedroefd naar de lichtgevende zee....De beide kinderen van den kapitein keken bedroefd naar de lichtgevende zee....
De knaap, door den tegenspoed gerijpt, giste welke gedachten zijn zuster verontrustten. Hij legde haar hand in de zijne.
"Mary!" zoo sprak hij haar aan, "wij moeten nooit wanhopen. Herinner u de lessen, die vader ons gaf: "De moed vervangt op aarde alles," zeide hij. Laten wij dan ook dien onwankelbaren moed hebben, die hem boven alles verheven maakte. Tot nog toe hebt gij voor mij gewerkt, zusterlief! ik wil op mijn beurt voor u werken."
"Lieve Robert!" antwoordde het meisje.
"Ik moet u wat zeggen," hernam Robert. "Maar zult gij niet boos worden, Mary?"
"Waarom zou ik boos worden, lieve?"
"En solt gij mij laten begaan?"
"Wat bedoelt gij?" vroeg Mary angstig.
"Zuster! Ik wil zeeman worden...."
"Wilt gij mij verlaten, Robert!" riep het meisje, terwijl zij de hand haars broeders drukte.
"Ja, zuster! ik wil zeeman worden zooals vader, zeeman zooals kapitein John! Mary! lieve Mary! kapitein John heeft nog niet alle hoop verloren! Gij zult evenveel vertrouwen stellen in zijn verkleefdheid als ik! Hij heeft mij beloofd van mij een goed, misschien een groot zeeman te maken, en dan gaan wij vader samen zoeken! Zeg, dat gij het goed vindt, zuster! Wat vader voor ons gedaan zou hebben, zijn wij, ik ten minste, verpligt voor hem te doen! Mijn leven is geheel aan een doel gewijd: hem, die ons nooit een van beiden verlaten zou hebben, te zoeken, altijd te zoeken! Lieve Mary! wat was vader toch goed!"
"En zoo edelaardig, zoo grootmoedig!" hernam Mary. "Weet gij, Robert! dat ons land reeds roem op hem droeg en hem onder zijn groote mannen zou gesteld hebben, indien het lot hem niet in zijn voortgang had gestuit?"
"Of ik het weet!" zeide Robert.
Mary Grant drukte Robert aan haar hart. De knaap voelde haar tranen over zijn voorhoofd vloeijen.
"Mary! Mary!" riep hij uit, "of onze vrienden zwijgen of spreken, ik hoop nog en zal altijd hopen! Een man zooals vader sterft niet voor hij zijn taak heeft volbragt!"
Mary Grant kon niet spreken. Tranen verstikten haar stem. Duizenderlei gevoelens kruisten elkander in haar ziel bij de gedachte, dat er nieuwe pogingen gedaan zouden worden om Harry Grant terug te vinden, en dat de verknochtheid van den jongen kapitein grenzeloos was!
"Hoopt mijnheer John nog altijd?" vroeg zij.
"Ja!" antwoordde Robert. "Hij is een broeder, die ons nooit zal verlaten. Ik zal zeeman worden, niet waar, zuster? een zeeman, om vader met hem te zoeken! Wilt gij dat wel!"
"Of ik het wil!" antwoordde Mary. "Maar scheiden!" mompelde het meisje.
"Gij zult niet alleen zijn, Mary! Dat weet ik! Vriend John heeft het mij gezegd. Mevrouw Helena zal u niet laten vertrekken. Gij zijt een vrouw; dus kunt en moet gij haar weldaden aannemen. Ze te weigeren zou ondankbaarheid wezen! Maar een man, dat heeft vader mij honderdmaal gezegd, een man moet zich door de wereld heenslaan!"
"Maar hoe zal het dan met ons lief huis te Dundee gaan, waaraan zooveel herinneringen verbonden zijn?"
"Dat houden we, zusje! Dat alles is geschikt en goed geschikt ook door vriend John en ook door lord Glenarvan. Hij zal u op het kasteel Malcolm houden, alsof gij zijn dochter waart! Dat heeft de lord aan vriend John gezegd, en vriend John heeft het mij verteld. Daar zult gij te huis zijn, en iemand hebben om over vader te spreken, in afwachting dat John en ik hem eens terugbrengen! Ach! wat een blijde dag zal dat zijn!" riep Robert, wiens gelaat van geestdrift blonk.
"Mijn broeder! mijn jongen!" antwoordde Mary, "wat zou vader gelukkig zijn, als hij u hooren kon! Wat gelijkt gij toch, lieve Robert! op dien teergeliefden vader! Wanneer gij een man zijt, zult gij even zoo zijn als hij!"
"Dat geve God, Mary!" zeide Robert, die schaamrood werd van heiligen en kinderlijken trots.
"Maar hoe zullen wij onze schuld jegens lord en lady Glenarvan voldoen?" hernam Mary Grant.
"O, dat zal niet moeijelijk vallen!" riep Robert in zijn kinderlijk vertrouwen. "Men bemint ze, men eert ze, dat vertelt men hun, men omhelst ze teeder, en bij de eerste gelegenheid de beste laat men zich voor hen doodschieten!"
"Leef liever voor hen!" riep het meisje, terwijl zij het voorhoofd haars broeders met kussen bedekte. "Dat zullen zij liever hebben—en ik ook!"
In gepeins verzonken keken de twee kinderen van den kapitein elkander zwijgend aan bij het flaauwe licht der sterren. In gedachten spraken, vroegen en antwoordden zij elkander toch nog. De kalme zee golfde zacht, en de schroef deed de lichtende golven uiteenspatten.
Nu had er iets vreemds en inderdaad bovennatuurlijks plaats. Broeder en zuster ondervonden door die aantrekkingskracht, die op geheimzinnige wijze de zielen met elkander verbindt, tegelijk en op eens hetzelfde zinsbedrog.
Mary en Robert verbeeldden zich uit die afwisselend donkere en schitterende golven een stem te hooren opgaan, wier doffe en klagende toon al de vezelen van hun hart deed trillen.
"Help! help!" riep die stem.
"Hebt gij het gehoord?" zeide Robert, "gij hebt het gehoord!"
En over de verschansing leunende zagen beiden zoekend rond in den duisteren nacht.
Maar zij zagen niet dan de eindeloose schaduw, die zich voor hen uitstrekte.
"Robert!" zeide Mary, bleek van ontsteltenis, "ik heb gemeend.... Ja, ik heb gemeend evenals gij.... Wij hebben beiden de koorts, beste Robert!..."
Maar daar trof een nieuw geroep hun oor, en thans was de begoocheling zoo sterk, dat beiden te gelijk uitriepen:
"Vader! vader!..."
Dat was te veel voor Mary Grant. Door de aandoening geschokt, viel zij bewusteloos in Roberts armen.
"Help!" riep Robert. "Zuster! vader! help!"
De man aan het roer kwam aanloopen om het meisje op te helpen. De wachthebbende matrozen kwamen erbij, vervolgens John Mangles, lady Helena en Glenarvan, die verschrikt ontwaakt waren.
"Mijn zuster sterft en daar is vader!" riep Robert op de golven wijzende.
Men begreep niets van hetgeen hij zeide.
"Zeker!" herhaalde hij. "Daar is vader! Ik heb vaders stem gehoord! Mary heeft ze ook gehoord!"
Mary, die weer bijgekomen was, riep nu ook radeloos en waanzinnig uit:
"Vader! daar is vader!"
Het ongelukkige meisje stond op, bukte over de leuning en wilde in zee springen.
"Mylord! mevrouw Helena!" herhaalde zij met gevouwen handen, "ik zeg u dat vader daar is! Ik verzeker u, dat ik zijn stem uit de golven heb hooren opstijgen als een jammerklagt, als een laatst vaarwel!"
Nu overvielen het arme kind weder kramp en stuiptrekkingen. Zij sloeg wild in het rond. Zij moest naar haar hut worden gebragt, en lady Helena volgde haar om haar te verplegen, terwijl Robert altijd maar riep:
"Vader! daar is vader! Ik ben er zeker van, mylord!"
De getuigen van dit droevig tooneel begrepen eindelijk, dat de twee kinderen van den kapitein de speelbal waren geweest van een verstandsverbijstering. Maar hoe kon men hun zoo fel geschokte zinnen weder tot rust brengen?
Glenarvan beproefde het echter. Hij vatte Robert bij de hand en zeide:
"Hebt gij uwe vaders stem gehoord, beste jongen?"
"Ja, mylord! Daar, in het midden der golven! Hij riep: Help! help!"
"En hebt gij die stem herkend?"
"Dat zou ik denken, mylord! O, ja! ik zweer het u! Mijn zuster heeft ze ook gehoord, ook herkend evenals ik! Hoe kunt gij zeggen, dat wij ons beiden bedrogen hebben? Mylord! laat ons vader gaan helpen! Een boot! een boot!"
Glenarvan zag wel, dat hij het den armen knaap niet uit het hoofd kon praten. Toch deed hij nog een laatste poging en riep den man aan het roer.
"Hawkins!" vroeg hij hem, "stondt gij aan het roer, toen miss Mary dat vreemde toeval kreeg?"
"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde Hawkins.
"En hebt gij niets gezien, niets gehoord?"
"Niets."
"Gij ziet het, Robert!"
"Als het de vader van Hawkins geweest was," antwoordde de knaap met ontembaar vuur, "zou Hawkins niet zeggen, dat hij niets gehoord had. Het was mijn vader, mylord! mijn vader! mijn vader!..."
Roberts stem werd door snikken gesmoord. Ook hij viel bleek en sprakeloos in zwijm.
Glenarvan liet Robert in zijn bed leggen, waar het kind, door aandoening uitgeput, in een diepe sluimering verzonk.
"Arme weezen!" zeide John Mangles, "God beproeft ben vreeselijk!"
"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de overmaat van smart zal bij beiden op hetzelfde oogenblik een gelijke verstandsverbijstering teweeg gebragt hebben."
"Bij beiden?" mompelde Paganel, "dat is vreemd! De zuivere wetenschap zou dat niet erkennen."
Vervolgens bukte Paganel op zijn beurt over de verschansing, en luisterde scherp toe, na allen een teeken gegeven te hebben om te zwijgen.
In het rond heerschte een ongestoorde stilte. Paganel praaide met luider stem. Hij kreeg geen antwoord.
"Dat is vreemd!" herhaalde de aardrijkskundige, terwijl hij naar zijn hut ging. "Een innige overeenstemming van gevoelens en smarten is niet voldoende om een natuurverschijnsel te verklaren!"
Den volgenden morgen, den 8stenMaart, waren ten vijf ure, toen de zon opging, al de passagiers, ook Robert en Mary, die men niet had kunnen tegenhouden, op het dek van deDuncanbijeen. Ieder wilde dat land onderzoeken, dat men den vorigen dag maar even gezien had.
De kijkers werden nieuwsgierig op de voornaamste punten des eilands gerigt. Het jagt stevende er op een mijl afstands langs. De geringste bijzonderheden waren zigtbaar.
Daar slaakte Robert op eens een kreet. De knaap beweerde twee mannen te zien heen en weer loopen en wenken, terwijl een derde een vlag zwaaide.
"De engelsche vlag!" riep John Mangles, die zijn kijker had genomen.
"Dat is waar!" riep Paganel zich driftig naar Robert wendende.
"Mylord!" zeide Robert bevend van aandoening, "mylord! indien gij niet wilt, dat ik naar het eiland zwem, zult gij een boot laten uitzetten. Ach, mylord! ik smeek u op mijn knieën, laat ik de eerste zijn, die aan land stap."
Niemand op het schip durfde spreken. Hoe! op dit eilandje onder dien zeven en dertigsten graad, drie mannen, schipbreukelingen, Engelschen! En elk herinnerde zich het gebeurde op den vorigen avond en die stem, welke Robert en Mary 's nachts gehoord hadden!... Hadden de kinderen zich misschien maar in één opzigt vergist? hadden zij werkelijk een stem gehoord, maar kon het de stem huns vaders zijn? neen, duizendmaal neen, helaas! En allen dachten aan de vreeselijke teleurstelling, die hen wachtte, vreesden, dat die nieuwe beproeving hun krachten zou te boven gaan! maar hoe hen te weerhouden? Lord Glenarvan had er den moed niet toe.
"In de boot!" beval hij.
In een minuut was de boot in zee. De twee kinderen van den kapitein, Glenarvan, John Mangles en Paganel stapten er in, en ze stak snel van boord door zes matrozen voortbewogen, die hard roeiden.
Tien vademen van den oever af uitte Mary een hartverscheurenden kreet:
"Vader!"
Op de kust stond iemand tusschen twee andere mannen in. Zijn groote en sterke gestalte, zijn tegelijk zachtmoedig en vermetel gelaat, een duidelijk mengsel van de trekken van Mary en Robert Grant, bewezen genoeg, dat hij de man zijn moest, dien de twee kinderen zoo dikwijls hadden afgeschilderd. Hun hart had hen niet bedrogen! Het was hun vader, het was kapitein Grant.
Op de kust stond iemand....Op de kust stond iemand....
De kapitein hoorde den uitroep van Mary, breidde de armen uit en viel als door den bliksem getroffen op het zand.
Men sterft niet van vreugde; want vader en kinderen waren reeds bijgekomen, nog voor men hen op het jagt had opgenomen. Wie zou dat tooneel kunnen schetsen? Woorden zijn daartoe onvermogend. De geheele bemanning weende op het gezigt dier drie wezens, die elkander sprakeloos omhelsden.
Zoodra Harry Grant het dek betrad, boog hij zijn knie. De vrome Schot wilde, nu hij als het ware op vaderlandschen bodem stond, voor alles God voor zijn verlossing danken.
Daarop wendde hij zich tot lady Helena, tot lord Glenarvan en allen, die hem omringden, om hen met een door aandoening gesmoorde stem te danken. In weinige woorden hadden zijn kinderen hem op den korten togt van het eiland naar het jagt de geheele geschiedenis derDuncanverhaald.
Welk een ontzettende schuld had hij aangegaan jegens die edele vrouw en haar reisgenooten! Hadden niet allen, van lord Glenarvan af tot den geringsten matroos toe, voor hem gestreden en geleden? Harry Grant uitte de gevoelens van dankbaarheid, waarmede zijn hart vervuld was, met zooveel eenvoudigheid en zielegrootheid; zijn mannelijk gelaat toonde zulk een zuivere en zachte ontroering, dat de geheele bemanning zich ruimschoots beloond achtte voor het doorgestane lijden. Zelfs in het oog van den koelen majoor welde een traan, dien hij niet kon wegdringen. En de waardige Paganel weende als een kind, dat er niet eens aan denkt om zijn tranen te verbergen.
Harry Grant werd niet moede zijn dochter aan te zien. Hij vond haar schoon, bekoorlijk! hij zeide het haar en herhaalde het luide, tevens lady Helena tot getuige nemende, als om zich te verzekeren, dat zijn vaderliefde hem niet misleidde. Daarop rigtte hij zich tot zijn zoon en riep verrukt uit:
"Wat is hij gegroeid! Hij is een heele kerel geworden!"
En hij deelde aan die twee dierbare wezens mildelijk de duizend kussen uit, die een afzijn van twee jaren in zijn hart had opgehoopt.
Robert stelde hem één voor één al zijn vrienden voor, en wist telkens zijn uitdrukkingen af te wisselen, hoewel hij van allen hetzelfde te zeggen had! Want de een zoowel als de andere, allen waren goed geweest voor de twee weezen. Toen de beurt aan John Mangles kwam om voorgesteld te worden, bloosde de kapitein als een meisje, en zijn stem beefde, toen hij den vader van Mary beantwoordde.
Lady Helena vertelde nu aan kapitein Grant de geheele reis en maakte hem trotsch op zijn zoon, trotsch op zijn dochter.
Harry Grant vernam de moedige daden van den jongen held, en hoe dit kind reeds een gedeelte der vaderlijke schuld bij lord Glenarvan had afbetaald. John Mangles sprak op zijn beurt over Mary op zulk een wijze, dat Harry Grant, die reeds van lady Helena vernomen had, hoe de zaken stonden, de band zijner dochter in de forsche hand van den jeugdigen kapitein legde, en zich tot lord en lady Glenarvan wendde met de woorden:
"Mylord! en gij, mevrouw! laten wij onze kinderen zegenen!"
Toen alles wel voor de duizendste maal verteld was, deelde Glenarvan aan Harry Grant de geheele toedragt van het gebeurde met Ayrton mede. Grant bevestigde de bekentenis van den bootsman betreffende diens ontscheping op de australische kust.
"Het is een schrandere en vermetele kerel," voegde hij er bij, "dien zijn hartstogten op een verkeerden weg hebben gebragt. Mogten nadenken en berouw hem tot betere inzigten leiden!"
Maar voor Ayrton naar het eiland Tabor werd overgebragt, wilde Harry Grant de eer zijner rots bij zijn nieuwe vrienden ophouden. Hij noodigde hen uit om zijn houten huis te bezoeken en zich neer te zetten aan de tafel van den oceanischen Robinson.
Glenarvan en zijn gasten namen dit verzoek bereidwillig aan. Robert en Mary Grant brandden van begeerte om die eenzame plekken te zien, waar de kapitein hen zoo menigmaal had beschreid.
Er werd een boot bemand, en de vader, de twee kinderen, lord en lady Glenarvan, de majoor, John Mangles en Paganel landden weldra op de kust des eilands.
In eenige uren had men het geheele gebied van Harry Grant doorkruist. Het was eigenlijk slechts de kruin van een klip, een vlak, bezaaid met basaltblokken en vulkanische uitwerpselen. Bij de wording der aarde was die berg door de werking van het onderaardsche vuur langzaam opgerezen uit de afgronden van de Stille Zuidzee; maar sedert eeuwen reeds was de vulkaan een rustige berg en zijn gedempte krater een door de golven bespoeld eiland geworden. Daarop ontstond er teelaarde; het plantenrijk maakte zich van dien nieuwen bodem meester; eenige walvischvaarders bragten er zeker huisdieren, geiten en varkens die in verwilderden toestand vermenigvuldigden, en de natuur werd door haar drie rijken vertegenwoordigd op dit eenzame eiland in het midden van den oceaan.
Toen de schipbreukelingen derBritanniaer een toevlugtsoord hadden gevonden, bragt de hand des menschen orde en regelmaat in de pogingen der natuur. In derdehalf jaar veroorzaakten Harry Grant en zijn matrozen een geheele omkeering op hun eiland. Verscheidene zorgvuldig bebouwde akkers land bragten uitstekende groenten voort.
De bezoekers bereikten het door groene gomboomen beschaduwde huis; voor zijn vensters lag de prachtige zee, die in de stralen der zon schitterde. Harry Grant liet de tafel aanrigten in de schaduw der schoone boomen en allen plaatsten zich er om heen. Een geitebout, nardoibrood, melkspijs, twee of drie schotels wilde chicorei, zuiver en frisch water, ziedaar de geregten, waaruit dit eenvoudige echt herderlijk maal bestond.
Paganel was in de wolken. Zijn oude voorliefde om den Robinson te spelen kwam weer bij hem boven.
"Die schurk van een Ayrton zal niet te beklagen zijn!" riep hij in vervoering uit. "Dit eilandje is een paradijs."
"Ja!" antwoordde Harry Grant, "een paradijs voor drie arme schipbreukelingen, die de Hemel er in het leven houdt! maar het spijt mij, dat Maria Theresa niet een groot en vruchtbaar eiland is, met een rivier in plaats van een beek, en een haven in plaats van een inham, aan de zeewinden blootgesteld."
"Dit eilandje is een paradijs.""Dit eilandje is een paradijs."
"En waarom, kapitein?" vroeg Glenarvan.
"Omdat ik er dan de volkplanting zou aangelegd hebben, waarmede ik Schotland in de Stille Zuidzee wil begiftigen."
"Ha, kapitein Grant!" zeide Glenarvan, "hebt gij dan bet denkbeeld niet opgegeven, dat u zoo geliefd heeft gemaakt in ons Oud-Schotland?"
"Neen, mylord! en God heeft mij door uwe hand alleen gered om mij gelegenheid te geven het uit te voeren. Onze arme broederen in Caledonië, allen die lijden, moeten op een nieuwen grond een schuilplaats vinden tegen de ellende! Ons dierbaar vaderland moet in deze zeeën een eigene kolonie bezitten, die het alleen toebehoort, waar het die onafhankelijkheid en die welvaart, welke het in Europa mist, eenigzins terugvindt!"
"Dat is goed gezegd, kapitein Grant!" antwoordde lady Helena. "Het is een mooi plan en een groot hart waardig! Maar dit eilandje?..."
"Neen, mevrouw! het is een rots, die hoogstens goed is om eenige kolonisten te voeden, terwijl wij een groot land noodig hebben, dat nog in het volle bezit zijner natuurschatten is!"
"Welnu, kapitein!" riep Glenarvan "de toekomst behoort ons, en dat land zullen wij zamen zoeken!"
Harry Grant en Glenarvan wisselden een warmen handdruk, als om die belofte te bezegelen.
Nu wilden allen nog op dit eiland, in dit nederige huis de geschiedenis van de schipbreukelingen derBritanniagedurende die twee lange jaren van verlatenheid hooren.
Harry Grant haastte zich om aan het verlangen zijner nieuwe vrienden te voldoen en verhaalde het volgende:
"Mijn geschiedenis is die van alle Robinsons, welke op een eiland worden geworpen, en die alleen op God en zichzelven kunnende rekenen, gevoelen, dat zij verpligt zijn hun leven aan de elementen te betwisten.
"In den nacht van den 26stenop den 27stenJunij 1862 verging deBritannia, door een zesdaagschen storm zwaar gehavend, op de rotsen van Maria Theresa. De zee was hoogst onstuimig, redding onmogelijk, en mijn geheele bemanning kwam ellendig om. Ik en mijn beide matrozen Bob Learce en Joe Bell waren de eenigen, die na twintig vruchtelooze pogingen de kust mogten bereiken!
"Het land, waar wij aanspoelden, was slechts een verlaten eilandje; twee mijlen breed en vijf lang, met een dertigtal boomen in het midden, eenige weiden en een bron van frisch water, die gelukkig nooit uitdroogde. Met mijn twee matrozen alleen in dezen uithoek der aarde, wanhoopte ik niet. Ik stelde mijn vertrouwen op God en maakte mij gereed tot een hardnekkige worsteling. Bob en Joe, mijn wakkere deelgenooten in het ongeluk, stonden mij krachtdadig bij.
"Wij begonnen, evenals de denkbeeldige Robinson van Daniel De Foe, ons voorbeeld, met het hout, dat van het schip aan den wal dreef, werktuigen, wat kruid, wapens en een zak kostbare zaden te verzamelen. De eerste dagen waren moeijelijk; maar weldra voorzagen jagt en vischvangst overvloedig in ons voedsel: want in het binnenland hielden zich een menigte wilde geiten op en de kusten wemelden van zeedieren. Langzamerhand rigtten wij ons behoorlijk in.
"Ik was naauwkeurig bekend met de ligging des eilands door mijn instrumenten, die ik uit de schipbreuk gered had. Daaruit bleek het ons, dat geen schepen hier zouden komen, en dat wij alleen door een goddelijke bestiering gered konden worden. Ofschoon denkende aan degenen, die mij dierbaar waren en die ik nooit terug meende te zien, onderwierp ik mij moedig aan die beproeving, en dagelijks sloot ik den naam mijner twee kinderen in mijn gebeden in.
"Intusschen werkten wij stevig door. Weldra waren verscheidene akkers lands met de zaden derBritanniabezaaid; aardappelen, chicorei en zuring leverden ons een gezond voedsel; later nog andere groenten. Wij vingen eenige geiten, die spoedig tam werden. Wij hadden melk en boter. De nardoi, die in de uitgedroogde kreken groeide, verschafte ons een vrij stevig brood, en de zorg voor onze ligchamelijke behoeften verontrustte ons niet.
"Wij hadden van het wrak derBritanniaeen houten huis gebouwd; het werd met goedgeteerde zeilen belegd, en onder dat stevige dak verliep de regentijd gelukkig. Daar werden heel wat plannen, heel wat droomen besproken, waarvan de beste verwezenlijkt is!
"Eerst dacht ik er aan om de zee te trotseeren met een boot, van het wrak van het schip gemaakt; maar vijftien honderd mijlen scheidden ons van het naaste land, dat is te zeggen van de Pomotoe-eilanden. Geen boot was tegen zulk een langen togt bestand. Ik zag er daarom van af en wachtte mijn redding alleen nog van goddelijke tusschenkomst.
"Ach, lieve kinderen! hoe menigmaal hebben wij op de rotsen staande naar schepen uitgezien! Zoo lang onze ballingschap duurde, vertoonden zich maar twee of drie zeilen aan den gezigteinder, die terstond weder verdwenen. Zoo verliepen derdehalf jaar. Wij hoopten niet meer, maar wanhoopten nog niet.
"Gisteren eindelijk had ik den hoogsten top des eilands beklommen, toen ik in het westen een ligten rook zag opstijgen. Hij werd al zwaarder. Weldra ontwaarde mijn oog een schip. Het scheen op ons aan te houden. Maar zou het dit eilandje niet vermijden, dat geen ankerplaats aanbood?
"Ach, welk een angstvolle dag! Het is te verwonderen dat mijn hart niet in mijn borst verpletterd is! Mijn makkers legden een vuur aan op een der rotstoppen van Maria Theresa. Het werd nacht, maar het jagt gaf geen enkel bewijs, dat het ons had opgemerkt! Toch lag onze redding daar! Zouden wij weder onze hoop zien verijdelen?"
"Ik aarzelde niet langer. De duisternis nam toe. Het vaartuig kon in den nacht het eiland omvaren. Ik sprong in zee en zwom er heen. De hoop verdriedubbelde mijne krachten. Met bovenmenschelijke inspanning kliefde ik de golven! Ik naderde het jagt en was er nog maar dertig vademen van af, toen het wendde!
"Toen hief ik dat noodgeschrei aan, dat mijn twee kinderen alleen konden hooren, en dat geen inbeelding is geweest.
"Daarop kwam ik weer aan land, uitgeput en krachteloos door aandoening en vermoeidheid. Mijn twee matrozen namen mij half dood op. Die laatste nacht, welken wij op het eiland doorbragten, was allervreeselijkst, en wij achtten ons reeds voor altijd verlaten, toen ik bij het aanbreken van den dag het jagt langzaam op en neer zag stoomen. Uw boot werd uitgezet.... Wij waren gered, en door Gods goedheid waren mijn kinderen er bij, die mij de armen toestaken!"
Het slot van het verhaal van Harry Grant werd door de kussen en liefkozingen van Mary en Robert telkens afgebroken. En nu eerst vernam de kapitein, dat hij zijn redding te danken had aan het tamelijk raadselachtig document, dat hij acht dagen na zijn schipbreuk in een flesch gedaan en aan de genade der golven toevertrouwd had.
Maar wat dacht Paganel wel bij dat verhaal van kapitein Grant? De waardige aardrijkskundige zette wel voor de duizendste maal de woorden van bet document in gedachten om! Hij peinsde weder over die drie opeenvolgende, alle drie valsche verklaringen! Hoe was het eiland Maria Theresa dan toch aangeduid op die door het zeewater beschadigde papieren?
Paganel kon het niet langer uithouden. Hij greep de hand van Harry Grant en riep:
"Zeg mij toch eens, kapitein! wat er wel op uw onleesbaar papier stond?"
Door deze vraag van den aardrijkskundige werd de algemeene nieuwsgierigheid opgewekt; want nu zou het raadsel, waartoe zij reeds negen maanden lang den sleutel zoekten, opgelost worden!
"Welnu, kapitein!" vroeg Paganel, "herinnert gij u den juisten inhoud van het document?"
"Zeker," antwoordde Harry Grant. "Geen dag verliep, zonder dat ik mij die woorden te binnen bragt, waarop al onze hoop was gevestigd."
"En welke waren het, kapitein?" vroeg Glenarvan. "Spreek! want onze eigenliefde is gekwetst."
"Ik ben gereed aan uw verlangen te voldoen," antwoordde Harry Grant; "maar gij weet, dat ik om de kansen op redding te vermeerderen, drie documenten in drie talen geschreven in de flesch heb gedaan. Welk verlangt gij nu te kennen?"
"Zijn ze dan niet gelijkluidend?" riep Paganel.
"Ja, op éénen naam na."
"Welnu! zeg dan het fransche document op," hernam Glenarvan. "De golven hebben dit het meest ontzien en daarom heeft het voornamelijk den grondslag onzer uitleggingen uitgemaakt."
"Mylord! het luidde woordelijk als volgt:" antwoordde Harry Grant,
"Den 29stenJunij 1862 is de driemasterBritanniavan Glasgow vergaan op vijftien honderd uren van Patagonië, op het zuidelijk halfrond. Aan land gekomen, hebben twee matrozen en kapitein Grant bet eiland Tabor bereikt...."
"Wat blieft!" riep Paganel.
"Daar," hernam Harry Grant, "hebben zij, steeds ter prooi aan vreeselijk gebrek, dit document op 153° lengte en 37°11' breedte in zee geworpen. Kom hun te hulp of zij zijn verloren".
Op dien naam Tabor was Paganel driftig opgerezen; vervolgens riep hij, daar hij zich niet langer bedwingen kon:
"Hoe! het eiland Tabor! maar het is het eiland Maria Theresa!"
"Zeker, mijnheer Paganel!" antwoordde Harry Grant, "Maria Theresa op de engelsche en duitsche kaarten, maar Tabor op de fransche!"
Nu kreeg Paganel zoo'n geduchten vuistslag op den schouder, dat hij ineenkromp. De waarheid verpligt ons te zeggen, dat het de majoor was, die, thans voor het eerst zijn ernst en gewone wellevendheid verloochenende, hem zoo onzacht behandelde.
"Aardrijkskundige!" zeide Mac Nabbs op den toon der diepste verachting.
Maar Paganel had de hand van den majoor niet eens gevoeld. Wat beteekende dat, vergeleken bij de schande, die hem als aardrijkskundige trof!
Zoo was hij dan, gelijk hij aan kapitein Grant vertelde, langzamerhand digter bij de waarheid gekomen! Hij had het onverklaarbare document bijna geheel ontcijferd! Beurtelings waren de namen Patagonië, Australië, Nieuw-Zeeland hem als ontwijfelbaar juist voorgekomen.Contin, eerstcontinent(vastland), had allengs zijn ware beteekenis vancontinuel(steeds) gekregen.Indihad voor en na beteekendindiens(Indianen),indigènes(inboorlingen), ten slotteindigence(gebrek), zijn ware beteekenis. Alleen het beschadigde woord "abor" had de scherpzinnigheid van den aardrijkskundige te schande gemaakt! Paganel had er hardnekkig den stam van het werkwoord aborder (aanlanden) in gezien, terwijl het de eigennaam, de fransche naam was van het eiland Tabor, dat den schipbreukelingen derBritanniatot verblijfplaats strekte! Die dwaling was echter moeijelijk te vermijden; want de engelsche kaarten van deDuncangaven aan dit eilandje den naam Maria Theresa.
"Dat maakt niet uit!" riep Paganel, zich de haren uit het hoofd trekkende, "ik had die dubbele benaming niet moeten vergeten! Dit is een onvergefelijke fout, een ongehoorde dwaling voor een secretaris der Maatschappij van aardrijkskunde! Ik ben onteerd."
"Matig toch uw droefheid, mijnheer Paganel!" zeide lady Helena.
"Neen, mevrouw! neen! ik ben een ezel!"
"Een geleerde ezel!" voegde de majoor er troostend bij.
Toen het maal afgeloopen was, bragt Harry Grant alles in zijn huis in orde. Hij nam niets mee; hij wilde dat de schuldige de rijkdommen van den braven man erven zou.
Men keerde naar boord terug. Glenarvan was voornemens nog dien dag te vertrekken en gaf de noodige bevelen om den bootsman aan land te brengen. Ayrton verscheen op de kampanje en stond voor Harry Grant.
"Ik ben het, Ayrton!" zeide Grant.
"Dat zie ik, kapitein!" antwoordde Ayrton zonder eenige verbazing aan den dag te leggen over het wedervinden van Harry Grant. "Welnu! het doet mij geen leed, dat ik u in welstand terugzie."
"Het schijnt, Ayrton! dat ik een fout heb begaan, toen ik u op een bewoonde kust aan land zette."
"Dat schijnt zoo, kapitein!"
"Gij zult mij op dat onbewoonde eiland vervangen. Moge de hemel u tot inkeer brengen!"
"Dat zij zoo!" antwoordde Ayrton bedaard.
Vervolgens sprak Glenarvan den bootsman aldus aan:
"Blijft gij bij uw verlangen, Ayrton! om aan wal te worden gebragt?"
"Ja, mylord!"
"Staat het eiland Tabor u aan?"
"Volmaakt."
"Luister dan naar mijn laatste woorden, Ayrton! Hier zult gij van de geheele aarde afgezonderd en buiten aanraking zijn met uw medemenschen. Wonderen zijn zeldzaam, en gij zult dit eilandje niet kunnen ontvlugten, waar deDuncanu achterlaat. Gij zult alleen zijn, onder het oog van een God, die tot op den bodem des harten leest; maar gij zult niet verloren noch onbekend zijn, zooals kapitein Grant was. Hoe zeer gij ook onwaardig zijt, dat iemand aan u denkt, zullen de menschen u toch niet vergeten. Ik weet waar gij zijt, Ayrton! Ik weet, waar ik u terugvinden kan, ik zal u niet vergeten."
"God behoede Uwe Edelheid!" was alles wat Ayrton antwoordde.
Dat waren de laatste woorden, die tusschen Glenarvan en den bootsman gewisseld warden. De boot was gereed. Ayrton stapte er in.
John Mangles had vooraf eenige kisten met verduurzaamde levensmiddelen, kleederen, gereedschappen, wapens, kruid en lood naar het eiland laten brengen. De bootsman kon dus door den arbeid herschapen worden, niets ontbrak hem, zelfs geen boeken, o.a. de Bijbel, die zoo dierbaar is aan de harten der Engelschen.
Het scheidensuur was geslagen. De bemanning en de passagiers stonden op het dek. Meer dan één voelde zijn hart wegkrimpen. Mary Grant en lady Helena konden haar aandoening niet verbergen.
"Is er niets aan te doen?" vroeg de jeugdige gade haren echtgenoot, "moet die ongelukkige verstooten worden?"
"Er is niets aan te doen, Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Het is de boete!"
Nu stak de boot af onder bevel van John Mangles. Ayrton stond, kalm als altijd, overeind, nam den hoed af en groette deftig.
Glenarvan ontblootte met de geheele bemanning het hoofd, zooals men doet voor een stervende, en de boot voer in diepe stilte weg.
Zoodra Ayrton aan wal kwam, sprong hij op het strand, en keerde de boot naar het schip terug. Het was nu 's namiddags vier ure, en de passagiers konden op de kampanje zien, dat de bootsman met over elkander geslagen armen, zoo onbewegelijk als een standbeeld naar het schip staarde.