IV.

"Ik ben Miss Grant, mevrouw!""Ik ben Miss Grant, mevrouw!"

"Wat weet gij van de schipbreuk mijns vaders, mevrouw?" hernam het meisje. "Leeft hij nog? Zullen wij hem ooit terugzien? Spreek, ik smeek het u!"

"Lief kind!" zeide lady Helena, "de Hemel beware mij, dat ik u in zulk een omstandigheid een onberaden antwoord zou geven; ik wil u met geen bedriegelijke hoop vleijen...."

"Spreek, mevrouw! spreek! ik ben sterk genoeg en kan alles hooren."

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "de hoop is zeer gering; maar met de hulp van den almagtigen God is het mogelijk, dat gij uw vader eens terug zult zien."

"Mijn God! mijn God!" riep miss Grant, die hare tranen niet kon bedwingen, terwijl Robert de handen van lady Glenarvan met kussen bedekte.

Toen de eerste vlaag dier droevige vreugde een weinig bedaard was, stapelde het meisje tallooze vragen opeen; lady Helena vertelde haar de geschiedenis van het document, hoe deBritanniaop de kusten van Patagonië vergaan was, hoe na de schipbreuk de kapitein en twee matrozen, de eenigen die de ramp overleefd hadden, het vaste land bereikt hadden; eindelijk hoe zij de hulp hunner medemenschen inriepen in dat document, dat in drie talen geschreven en aan de genade der golven overgegeven was.

Gedurende dit verhaal wendde Robert Grant het oog niet van lady Helena af; zijn leven hing aan hare lippen; zijn kinderlijke verbeelding schetste hem de verschrikkelijke tooneelen, waarvan zijn vader welligt het offer geweest was; hij zag hem op het dek derBritanniastaan; hij volgde hem in den schoot der golven; hij klemde zich met hem aan de rotsen op de kust; hijgende kroop hij over het zand buiten het bereik der baren. Bij herhaling uitte hij eenige woorden gedurende het verhaal.

"O, vader! arme vader!" riep hij, terwijl hij zich digt aan zijn zuster drong.

Miss Grant daarentegen luisterde met gevouwen handen toe, en sprak geen woord, vóór het verhaal uit was. Toen zeide zij: "O, mevrouw! het document, het document!"

"Ik heb het niet meer, lief kind!" antwoordde lady Helena.

"Hebt gij het niet meer?"

"Neen! Lord Glenarvan heeft het naar Londen mede moeten nemen om uws vaders belang te bevorderen; maar ik heb u dezelfde inhoud woord voor woord medegedeeld, en ook hoe het ons gelukt is den zin geheel terug te vinden; onder die brokstukken van zinnen, welke de golven bijna uitgewischt hadden, zijn eenige cijfers gespaard gebleven; ongelukkig de lengte...."

"Dat is niets!" riep de knaap.

"O neen! jongeheer Robert!" antwoordde Helena, die om zijn vastberadenheid moest glimlagchen. "Zooals gij ziet, miss Grant! zijn de geringste bijzonderheden van dat document u nu even goed bekend als mij."

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje; "maar ik zou gaarne het schrift mijns vaders gezien hebben."

"Welnu! lord Glenarvan komt welligt morgen terug. Van dit onwraakbaar bewijs voorzien, heeft mijn man het aan de commissarissen der Admiraliteit willen vertoonen, ten einde te bewerken, dat er onmiddellijk een schip worde uitgezonden om kapitein Grant op te sporen."

"Is het mogelijk, mevrouw! hebt gij dat voor ons gedaan?" riep het meisje.

"Ja, lieve miss! en ik verwacht lord Glenarvan ieder oogenblik."

"Mevrouw!" sprak het meisje op een toon van ongeveinsde dankbaarheid en godsvrucht, "de Hemel zegene lord Glenarvan en u!"

"Lief kind!" antwoordde lady Helena, "wij verdienen geen dankbetuigingen; ieder ander zou in onze plaats hetzelfde gedaan hebben. Mogt de hoop, die ik bij u opgewekt heb, verwezenlijkt worden! Tot de terugkomst van lord Glenarvan blijft gij op het kasteel...."

"Mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik zou vreezen misbruik te maken van de toegenegenheid, die gij aan vreemden betoont...."

"Vreemden, lief kind! gij noch uw broeder zijt in dit huis vreemdelingen, en ik verlang, dat lord Glenarvan bij zijn tehuiskomst aan de kinderen van kapitein Grant zal mededeelen, wat men beproeven wil om hun vader te redden."

Een zoo hartelijk aanbod mogt niet afgeslagen worden. Men kwam dus overeen, dat miss Grant en haar broeder de terugkomst van lord Glenarvan ten zijnent zouden afwachten.

In den loop van dit gesprek had lady Helena geen woord gesproken van de vrees, die in de brieven van lord Glenarvan doorschemerde, voor het onthaal, dat zijn aanzoek gevonden had bij de commissarissen der Admiraliteit. Evenmin maakte zij melding van de vermoedelijke gevangenschap van kapitein Grant bij de Indianen van Zuid-Amerika. Waartoe zou het ook dienen om die arme kinderen bedroefd te maken over den toestand huns vaders en om de hoop te verminderen, die zij pas hadden opgevat? Dat bragt toch geen verandering in den stand van zaken te weeg. Lady Helena had er dus over gezwegen, en na al de vragen van miss Grant beantwoord te hebben, ondervroeg zij deze op hare beurt over haar leven en over haar toestand, nu zij de eenige beschermster haars broeders op deze wereld scheen te zijn.

Het was een treffende en eenvoudige geschiedenis, waardoor de belangstelling van lady Glenarvan in het meisje nog toenam.

Miss Mary en Robert Grant waren de eenige kinderen van den kapitein. De geboorte van Robert had der echtgenoote van Harry Grant het leven gekost, en gedurende zijn lange zeereizen liet hij zijn kinderen onder de hoede eener goede oude nicht. Kapitein Grant was een stout zeeman, grondig ervaren in zijn beroep, tegelijk een goed zeevaarder en een goed handelaar, zoodat hij een dubbele geschiktheid bezat, die van zooveel belang is voor de schippers der koopvaardijvloot. Hij bewoonde met zijn gezin de stad Dundee, in het graafschap Perth, in Schotland. Kapitein Grant was dus een landgenoot; zijn vader, een geestelijke bij de St. Catharina-Kerk, had hem een goede opvoeding laten geven, denkende dat dit niemand benadeelen kan, zelfs geen zeekapitein.

Op zijne eerste reizen over zee, aanvankelijk als eerste stuurman, later als schipper, was hij zeer gelukkig in zijne zaken, en eenige jaren na de geboorte van Robert Harry was hij in het bezit van een klein vermogen.

Toen vatte hij een groot plan op, dat zijn naam in geheel Schotland bekend maakte. Even als de Glenarvans en eenige aanzienlijke geslachten uit de Laaglanden, had hij zich, zoo al niet feitelijk dan toch in de gedachte, van het overheerschende Engeland gescheiden. De belangen van zijn land konden in zijn oog niet die der Angelsaksers zijn, en om ze zelfstandig te doen ontwikkelen besloot hij in Australië een groote schotsche kolonie te stichten. Droomde hij van een toekomstige onafhankelijkheid, waarvan de Vereenigde Staten het voorbeeld hadden gegeven, een onafhankelijkheid, die Indië en de andere koloniën in Australië niet missen kunnen ook eenmaal te verwerven? Misschien. Welligt liet hij ook die stille hoop doorschemeren. Het is dus ligt te begrijpen, dat het gouvernement weigerde de hand te leenen aan zijn kolonisatie-plan; het legde kapitein Grant zelfs moeijelijkheden in den weg, die in ieder ander land den ontwerper van verdriet zouden hebben doen omkomen. Maar Harry liet zich niet ontmoedigen; hij deed een beroep op de vaderlandsliefde zijner landgenoten, waagde zijn vermogen aan de uitvoering van zijn plan, bouwde een schip, en door een uitgelezene bemanning ondersteund, vertrok hij, na zijn kinderen aan de zorgen zijner oude nicht te hebben toevertrouwd, om de groote eilanden der Stille Zuidzee te onderzoeken. Dat geschiedde in 1861. Een jaar lang, tot in Mei 1862, kreeg men berigten van hem; maar sedert zijn vertrek van Callao, in de maand Junij, hoorde niemand meer spreken van deBritannia, en de zeetijdingen zwegen over het lot van den kapitein.

In die omstandigheden stierf de oude nicht van Harry Grant en de beide kinderen bleven alleen op deze wereld.

Mary Grant was toen veertien jaar; haar moedige ziel deinsde niet terug voor het lot, dat haar te beurt viel, en zij wijdde zich geheel aan haar nog jeugdigen broeder. Hij had opvoeding en onderwijs noodig. Door zuinigheid, voorzigtigheid en schranderheid, door dag en nacht te arbeiden, door hem alles te geven en zich zelve alles te onthouden, voorzag de zuster in haars broeders opvoeding en vervulde zij moedig haar moederlijke pligten.

Zoo leefden de beide kinderen te Dundee in dien treffenden toestand eener met waardigheid aangenomen, maar dapper bestreden armoede. Mary dacht alleen aan haar broeder, en droomde voor hem van de eene of andere gelukkige toekomst. Voor haar was deBritanniahelaas voor altijd weg, en haar vader dood, ja dood. Wij wagen het daarom niet haar aandoening te schilderen, toen het berigt in deTimes, dat haar toevallig in het oog viel, haar plotseling uit haar wanhoop opwekte.

Zij aarzelde niet; haar besluit was onmiddellijk genomen. Al moest zij ook vernemen, dat het lijk van kapitein Grant op een woeste kust of op een ontredderd schip terug gevonden was, dan was dat toch nog beter dan die onophoudelijke twijfel, die eeuwige kwelling der onzekerheid.

Zij zeide alles aan haar broeder; dienzelfden dag gingen de beide kinderen op den trein van Perth, en des avonds kwamen zij te Malcolm-Castle aan, waar voor Mary, na zooveel angst, eindelijk weer een straal van hoop opging.

Mary Grant vertelde die droevige geschiedenis aan lady Glenarvan op een eenvoudige wijze, en zonder te bedenken, dat zij in die lange jaren van beproeving als een heldhaftig meisje zich had gedragen; maar lady Helena dacht er in hare plaats aan, en bij herhaling drukte zij de beide kinderen van kapitein Grant weenend in hare armen.

Het scheen, alsof Robert die geschiedenis voor de eerste maal vernam; hij zette groote oogen op, toen hij zijn zuster zoo hoorde spreken; hij begreep alles, wat zij gedaan, alles wat zij geleden had, en haar omhelzende, riep hij eindelijk uit:

"Ach! moeder! lieve moeder!" zonder dat hij dien kreet, die uit den grond van zijn hart kwam, kon bedwingen.

Gedurende dit gesprek was het geheel en al donker geworden. Lady Helena, die wel kon begrijpen, dat de beide kinderen vermoeid zonden zijn, wilde het onderhoud niet langer voortzetten. Mary Grant en Robert werden naar hun kamers gebragt en sliepen in, droomende van een betere toekomst.

Na hun vertrek liet lady Helena den majoor roepen en deelde hem al het gebeurde van dien avond mede.

"Een braaf meisje, die Mary Grant," zeide Mac Nabbs, toen hij het verhaal zijner nicht had aangehoord.

"De Hemel geve, dat mijn man in zijn onderneming slage!" antwoordde lady Helena, "anders zou de toestand dezer beide kinderen allerverschrikkelijkst worden."

"Hij zal slagen," hervatte Mac Nabbs, "of de lords der Admiraliteit zouden een hart moeten hebben harder dan portlandsche steen."

In weerwil van deze verzekering van den majoor bragt lady Helena den nacht in de hevigste onrust door en kon geen oogenblik slapen.

Den volgenden morgen wandelden Mary Grant en haar broeder, die met het krieken van den dag opgestaan waren, op het plein vóór het kasteel, toen het geraas van een naderend rijtuig zich liet hooren. Het was lord Glenarvan, die zoo snel als zijn paarden maar loopen konden, op Malcolm-Castle terugkwam. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen lady Helena, door den majoor vergezeld, op het plein, en snelde haar man te gemoet.

Deze scheen treurig, teleurgesteld, verstoord. Hij drukte zijn vrouw aan zijn borst en zweeg.

"Welnu, Edward! Edward!" riep lady Helena.

"Welnu, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan, "die menschen hebben geen hart!"

"Hebben zij dan geweigerd?..."

"Ja! zij hebben mij een schip geweigerd! zij hebben gesproken van de millioenen, die met het opsporen van Franklin verspild zijn! zij hebben gezegd, dat die ongelukkigen reeds sedert meer dan twee jaren aan zich zelven overgelaten zijn en dat er dus weinig kans was om hen terug te vinden! Zij hebben beweerd, dat zij, bij de Indianen gevangen zijnde, stellig naar het binnenland gesleept zijn; dat men geheel Patagonië niet kon doorzoeken om drie mannen—drie Schotten!—terug te vinden! dat die nasporingen vergeefsch en gevaarlijk zijn, en meer slagtoffers kosten dan redden zouden! kortom, zij hebben al de schijngronden opgegeven van lieden, die iets weigeren willen. Zij herinnerden zich de plannen van den kapitein, en de arme Grant is reddeloos verloren!"

"Mijn vader! mijn arme vader!" riep Mary Grant, voor lord Glenarvan op de knieën vallende.

"Uw vader! hoe, miss!..." zeide hij, zeer verwonderd zijnde dit meisje voor zich te zien knielen.

"Mijn vader! Mijn arme vader!" riep Mary Grant..."Mijn vader! Mijn arme vader!" riep Mary Grant...

"Ja, Edward! miss Mary en haar broeder," antwoordde nu lady Helena, "de beide kinderen van kapitein Grant, die de Admiraliteit veroordeeld heeft om weezen te blijven!"

"Ach! miss! als ik geweten had, dat gij hier waart!..." hernam lord Glenarvan, terwijl hij het meisje hielp opstaan.

Verder zeide hij niets meer! Een pijnlijke stilte, door snikken afgebroken, heerschte op het plein; niemand sprak een woord, noch lord Glenarvan, noch lady Helena, noch de majoor, noch de bedienden van het kasteel, die zwijgende om hun meesters geschaard stonden. Maar door hun houding protesteerden al die Schotten tegen het gedrag van het engelsche gouvernement.

Na eenige oogenblikken vatte de majoor het woord op en sprak, zich tot lord Glenarvan wendende:

"Alzoo hebt gij geen hoop meer?"

"Niet de geringste."

"Welnu!" riep de jonge Robert, "ik zal die lieden gaan opzoeken en ... dan zullen wij zien...."

Robert voltooide zijn bedreiging niet, want zijn zuster hield hem tegen; maar zijn gebalde vuist gaf geen zeer vredelievende plannen te kennen.

"Neen, Robert!" zeide Mary Grant, "neen! wij willen liever die brave heeren bedanken voor hetgene zij voor ons gedaan hebben; wij zullen ons levenslang erkentelijk jegens hen betoonen, en nu willen wij beiden vertrekken."

"Mary!" riep lady Helena.

"Miss! waar wilt gij heen gaan?" zeide lord Glenarvan.

"Ik ga een voetval voor de koningin doen," antwoordde het meisje, "en dan zullen wij zien of zij doof zal zijn voor de smeekingen van twee kinderen, die om het leven huns vaders vragen."

Lord Glenarvan schudde het hoofd; niet omdat hij aan het hart Harer Genadige Majesteit twijfelde, maar hij wist, dat Mary Grant nooit tot haar zou kunnen doordringen. De smeekelingen komen maar al te zelden tot de trappen van den troon, en het schijnt, dat men op de deur der koninklijke paleizen geschreven heeft, wat de Engelschen op het stuurrad hunner schepen zetten:

"Passengers are requested not to speak to the man at the wheel."[1]

Lady Helena had de bedoeling van haar man gevat: zij wist, dat het meisje een nuttelooze poging zou doen; zij zag, hoe die beide kinderen voortaan een allerellendigst leven zouden leiden. Nu vatte zij een groote en verhevene gedachte op.

"Mary Grant!" riep zij, "wacht, mijn kind! en hoor, wat ik u zeggen wil."

Het meisje, dat haar broeder bij de hand hield en zich gereed maakte om te vertrekken, bleef nu staan.

Nu naderde lady Helena met betraande oogen, maar met een vaste stem en levendige trekken, haar man en zeide:

"Edward! Toen kapitein Grant dezen brief schreef en in zee wierp, vertrouwde hij hem aan de zorg van God zelven toe. God heeft hem in onze handen doen komen! zonder twijfel heeft God ons de redding dier ongelukkigen willen opdragen."

"Wat bedoelt gij daarmede, Helena?" vroeg lord Glenarvan.

Een diepe stilte heerschte in den geheelen kring.

"Ik bedoel," hernam lady Helena, "dat men zich gelukkig moet achten, als men het huwelijksleven met een goede daad mag beginnen. Welnu! om mij genoegen te doen hebt gij, lieve man! het plan tot een pleizierreisje ontworpen! Maar kan er een wezenlijker, nuttiger vermaak zijn dan ongelukkigen te redden, die door hun land verlaten worden?"

"Helena!" riep lord Glenarvan.

"Ja, gij begrijpt mij, Edward! DeDuncanis een goed en stevig schip! het kan de zuidelijke zeeën bevaren! het kan een reis om de wereld doen, en zal het doen, als het noodig is! Laten wij vertrekken, Edward! Laten wij kapitein Grant gaan opzoeken!"

Die moedige taal hoorende had lord Glenarvan de armen naar zijn jeugdige gade uitgebreid; zij glimlachte, hij drukte haar aan zijn hart, terwijl Mary en Robert hare handen kusten.

En gedurende dit aandoenlijk tooneel klonk uit den mond der bewogen en opgetogen bedienden van het kasteel deze kreet van ongeveinsde dankbaarheid:

"Hoera voor de edelvrouwe van Luss! hoera! driewerf hoera voor lord en lady Glenarvan!"

[1]Den passagiers wordt verzocht om niet met den stuurman te spreken.

[1]Den passagiers wordt verzocht om niet met den stuurman te spreken.

Lady Helena bezat, zooals wij reeds gezegd hebben, een sterke en edelmoedige ziel. Wat zij daar deed, was er een onwederlegbaar bewijs van. Lord Glenarvan was te regt trotsch op die edele vrouw, die in staat was om hem te begrijpen en te volgen. De gedachte om kapitein Grant te hulp te snellen was reeds bij hem opgekomen, toen te Londen zijn aanvraag van de hand gewezen werd; dat hij lady Helena niet voorgekomen was, kwam daar vandaan, dat hij zich niet kon gewennen aan de gedachte om van haar te scheiden. Maar nu lady Helena zelve vroeg om te vertrekken, hield alle aarzeling op; de bedienden van het kasteel hadden dat voorstel met hun gejuich begroet; het kwam er op aan om broeders, Schotten evenals zij, te redden, en lord Glenarvan stemde van harte in met het hoera, dat ter eere der vrouwe van Luss werd aangeheven.

Nu eenmaal tot het vertrek besloten was, was er geen uur meer te verliezen. Dienzelfden dag zond lord Glenarvan aan John Mangles bevel om met deDuncannaar Glasgow te gaan en alles in gereedheid te brengen voor een reis door de zuidelijke zeeën, die wel een reis om de aarde worden kon. Bij het doen van haar voorstel had lady Helena niet te veel gezegd van de hoedanigheden derDuncan; zeer sterk gebouwd en zeer snelvarend kon zij gerust een langen zeetogt ondernemen.

Het was een stoomjagt van het schoonste model; het mat twee honderd en tien ton, en de eerste schepen, die in de Nieuwe Wereld aankwamen, die van Columbus, Vespucius, Pinson en Magellaan waren veel kleiner[1].

DeDuncanhad twee masten, een fokkemast met fok, schoonerfok, voormarszeil en klein bramzeil; een grooten mast met groote bezaan en vlieger; daarenboven een stormfok, een buitenkluiver, een voorstagzeil en stagzeilen. Zij voerde genoeg zeil, en kon als een gewone clipper van den wind gebruik maken; maar boven alles rekende zij op de mechanische kracht in haar binnenste. Haar machine van honderd zestig paardenkrachten en naar een nieuw stelsel vervaardigd, bezat verhittingstoestellen, die meer spankracht aan den stoom gaven; zij was van hooge drukking en bragt een dubbele schroef in beweging. Als deDuncanonder vollen stoom was, overtrof haar snelheid alle tot nu toe bekende snelheden. Op haar proeftogtjes in de golf van de Clyde had zij volgens de patent-log[2]zeventien mijlen in het uur afgelegd[3]. Haar inrigting veroorloofde haar dus om te vertrekken en een reis om de aarde te doen. John Mangles behoefde dus alleen voor de inwendige inrigting te zorgen.

Zijn eerste werk was om de bergplaatsen te vergrooten, ten einde zooveel kolen mede te nemen als maar mogelijk was; want het is moeijelijk om onderweg nieuwen voorraad van brandstof in te nemen. Dezelfde voorzorg werd voor de bottelarij genomen, en John Mangles nam voor twee jaar levensmiddelen aan boord; hij had geen gebrek aan geld, ja zelfs genoeg om een draaibas te koopen, die op de voorplecht van het jagt geplaatst werd; men wist niet wat er gebeuren kon, en het is altijd goed op een afstand van vier mijlen een achtponder te kunnen toezenden.

En John Mangles had er verstand van; al kommandeerde hij maar een pleizierjagt, hij werd toch onder de beste schippers van Glasgow gerekend; hij was dertig jaar en had eenigzins harde trekken, maar die toch moed en goedheid uitdrukten. Hij was op het kasteel geboren, door de familie Glenarvan groot gebragt en tot een uitmuntend zeeman opgegroeid; menigmaal gaf John Mangles op zijn lange zeereizen blijken van bekwaamheid, geestkracht en koelbloedigheid. Toen lord Glenarvan hem het bevel over deDuncanaanbood, nam hij dit gaarne aan; want hij beminde den heer van Malcolm-Castle als een vriend, en had tot nu toe te vergeefs naar een gelegenheid gezocht om hem van dienst te zijn.

De eerste stuurman, Tom Austin, was een oud zeeman, die alle vertrouwen verdiende; de bemanning derDuncanbestond uit vijf en twintig koppen met inbegrip van den kapitein en den eersten stuurman; allen behoorden in het graafschap Dumbarton te huis; allen, beproefde matrozen, waren zonen van pachters der familie, en vormden aan boord een ware clan van dappere mannen, bij wie zelfs de vaderlandsche "piperbag"[4]niet gemist werd. Lord Glenarvan had in hen een troep flinke gasten, die smaak vonden in hun beroep, verknocht, moedig en bekwaam waren in het hanteeren der wapens zoowel als in het bestuur van een schip, en die genegen waren om hem op de gevaarlijkste togten te volgen. Toen de bemanning derDuncanhet deel der reis vernam, konden pij hun blijde ontroering niet bedwingen, en de echo's der rotsen, van Dumbarton weerkaatsten hun opgewonden hoera.

Te midden van de werkzaamheden van het laden en proviandeeren van het schip vergat John Mangles niet om de vertrekken van lord en lady Glenarvan voor een lange zeereis in te rigten. Hij moest ook de hutten der kinderen van kapitein Grant in orde brengen; want lady Helena had aan Mary het verlof niet kunnen weigeren om haar aan boord derDuncante volgen.

Wat haar broeder aangaat, deze zou zich veeleer in het ruim van het jagt verborgen hebben dan niet mede te gaan; al had hij als scheepsjongen dienst moeten doen, zooals Nelson en Franklin, dan zou hij zich nog op deDuncaningescheept hebben. Hoe zou men zulk een knaap iets hebben kunnen weigeren? Men beproefde het dan ook niet eens. Zelfs moest men er in bewilligen om hem "niet mede te nemen" als passagier; want hij wilde dienen als scheepsjongen, ligt matroos of matroos. John Mangles kreeg last om hem het zeemansberoep te leeren.

"Goed!" zeide Robert, "en spaar de zweep niet, als ik niet goed oppas!"

"Wees maar gerust, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan met een ernstig gelaat, zonder er echter bij te voegen, dat het gebruik der kat met negen staarten[5]aan boord derDuncanverboden en ook geheel noodeloos was.

Om de rol der passagiers vol te maken, moet alleen nog de majoor Mac Nabbs genoemd worden. De majoor was vijftig jaar oud, had een kalm en regelmatig gelaat, ging waarheen een bevel hem riep, en had een uitmuntend en volmaakt karakter, altijd bescheiden, stilzwijgend, vredelievend en zachtzinnig; hij was het altijd met een ieder en over alles eens, hij sprak niets tegen, twistte niet, werd niet boos; hij beklom even bedaard de helling van een tusschenwal, waarin bres was geschoten, als de trap naar zijn slaapkamer; niets ter wereld deed hem ontroeren, hij ging nooit uit den weg, zelfs niet voor een kanonskogel, en zonder twijfel zal hij sterven zonder ooit gelegenheid te hebben gehad om boos te worden. Die man bezat in den hoogsten graad niet maar alleen den gewonen moed der slagvelden, die physieke dapperheid, welke alleen het gevolg der spierkracht is, maar iets beters, zedelijken moed, dat wil zeggen zielskracht. Het eenige gebrek, dat hij had, indien het een gebrek is, was dat hij door merg en been een Schot was, een volbloed Caledoniër, die stijfhoofdig vast bleef houden aan de oude gewoonten van zijn land. Daarom had hij ook nooit Engeland willen dienen, en zijn majoorsrang had hij verworven in het 42steregiment der Highland-Black-Watch, de zwarte garde, welker compagniën alleen uit schotsche edellieden bestonden. In hoedanigheid van neef der Glenarvans bewoonde Mac Nabbs het kasteel Malcolm, en in hoedanigheid van majoor vond hij het heel natuurlijk om als passagier met deDuncanmede te gaan.

Deze waren de personen aan boord van dat jagt, dat door onvoorziene omstandigheden geroepen werd om een der verbazendste reizen der nieuwere tijden te ondernemen. Sedert het te Glasgow aan de aanlegplaats der stoombooten lag, had het de algemeene nieuwsgierigheid gaande gemaakt; dagelijks werd het door een talrijke menigte bezocht; men stelde in niets anders belang, men sprak van niets anders, tot groote spijt der andere kapiteins in de haven, onder anderen van kapitein Burton derScotia, een prachtige boot, die digt bij deDuncanlag en naar Calcutta bestemd was. Om haar grootte had deScotiaregt om deDuncanals een eenvoudig adviesjagt te beschouwen! En toch werd alleen het jagt van lord Glenarvan met een belangstelling beschouwd, die nog bij den dag toenam.

Inmiddels naderde het oogenblik van vertrek met rassche schreden; John Mangles had zijn bekwaamheid en vlugheid getoond; een maand na haar proeftogten op de golf van de Clyde kon deDuncangeladen, geproviandeerd en opgetuigd zee kiezen. Het vertrek werd op den 25stenAugustus bepaald, waardoor het jagt tegen het begin der lente in de zuidelijke breedten aldaar kon aankomen.

Zoodra het plan van lord Glenarvan bekend werd, had het niet ontbroken aan bedenkingen over de vermoeijenissen en gevaren der reis; maar hij stoorde zich er niet aan, en maakte zich gereed om Malcolm-Castle te verlaten. Bovendien waren er onder de bedillers velen, die hem opregtelijk bewonderden. Ook verklaarde de openbare meening zich ronduit voor den schotschen lord, en alle dagbladen, met uitzondering der "regerings-organen", gispten eenparig het gedrag van de commissarissen der Admiraliteit in deze zaak. Maar lord Glenarvan was even ongevoelig voor blaam als voor lof: hij deed zijn pligt, en bekommerde zich weinig om het overige.

Den 24stenAugustus verlieten Glenarvan, lady Helena, de majoor Mac Nabbs, Mary en Robert Grant, Olbinett, de hofmeester van het jagt en zijn vrouw, jufvrouw Olbinett, die in dienst was van lady Glenarvan, Malcolm-Castle, na een roerend afscheid van de huisbedienden te hebben genomen. Eenige uren later waren zij aan boord. De inwoners van Glasgow begroetten met ingenomenheid en bewondering lady Helena, de jonge en moedige vrouw, die vrijwillig afstand deed van de rustige genoegens van een weelderig leven en de schipbreukelingen te hulp snelde.

De vertrekken van lord Glenarvan en zijn vrouw besloegen het geheele achterschip derDuncan; zij bestonden uit twee slaapkamers, een salon en twee kleedkamers; eindelijk was er een algemeene kamer, omringd door zes hutten, waarvan vijf bewoond werden door Mary en Robert Grant, Olbinett en zijn vrouw, en den majoor Mac Nabbs. De hutten van John Mangles en Tom Austin kwamen op het dek uit. De bemanning was tusschendeks gehuisvest, en zeer op haar gemak; want het jagt had geen andere lading dan de kolen, de levensmiddelen en de wapenen. Het had dus John Mangles niet aan plaats ontbroken voor de inwendige inrigting, en hij had er een goed gebruik van gemaakt.

DeDuncanzou in den nacht van den 24stenop den 25stenAugustus vertrekken; want des morgens ten drie ure begon de eb. Maar vooraf waren de inwoners van Glasgow getuigen van een aandoenlijke plegtigheid. Des avonds ten acht ure verlieten lord Glenarvan en zijn gasten, de geheele bemanning van de stokers af tot den kapitein toe, allen die deel zouden nemen aan de menschlievende onderneming, het jagt en gingen naar Sint-Mungo, de oude hoofdkerk van Glasgow. Die oude kerk, welke ongeschonden was gebleven bij de verwoestingen door de hervorming aangerigt, en die zoo heerlijk door Walter Scott is beschreven, ontving onder haar zware gewelven de passagiers en de matrozen derDuncan. Een ontelbare menigte volgde hen. In het groote middelschip, dat door zijn menigte graftomben wel een kerkhof gelijkt, smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af en beval hij den togt in de hoede der Voorzienigheid aan. Een oogenblik hoorde men de stem van Mary Grant in het oude kerkgebouw. Het meisje bad voor hare weldoeners en stortte voor Gods aangezigt de zachte tranen der dankbaarheid. Vervolgens ging de menigte diep bewogen uiteen.

... smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af....... smeekte de eerwaarde Morton den zegen des Hemels af....

Ten elf ure was ieder aan boord. John Mangles en de bemanning hielden zich met de laatste toebereidselen bezig.

Te middernacht werden de vuren ontstoken; de kapitein gaf last om sterk te stoken, en weldra vermengden de zwarte rookwolken zich met den nachtelijken nevel. De zeilen derDuncanwaren zorgvuldig onder het doek geborgen, dat ze tegen het vuil der kolen moest beschermen; want de wind woei uit het zuid-westen en kon de vaart van het schip niet begunstigen.

Ten twee ure begon deDuncante beven onder de schudding der stoomketels; de luchtdigtheidsmeter wees een drukking van vier dampkringen aan; de oververhitte stoom ontsnapte fluitend door de veiligheidskleppen; de zee was stil; het was reeds genoeg dag om het naauwe vaarwater der Clyde te onderscheiden tusschen de staken en "biggings"[6]; de kustlichten verbleekten allengs voor de rijzende zon. Niets verhinderde meer het vertrek.

John Mangles liet lord Glenarvan waarschuwen, die terstond op het dek kwam.

Weldra kwam de eb opzetten; deDuncanliet een schel gefluit hooren, gooide de meertouwen los, en maakte zich vrij van de omliggende vaartuigen; de schroef kwam in beweging en stuurde het jagt in het vaarwater der rivier. John had geen loods aan boord genomen; hij kende al de gevaarlijke punten der Clyde, en geen loods zou zijn schip beter bestuurd hebben. Het jagt luisterde naar zijn wenken; met de regterhand gaf hij bevelen aan de machine, met de linker, aan het roer, alles stil en bedaard. Weldra werden de laatste fabrieken aan den oever door villa's vervangen, die hier en daar op de heuvels langs de rivier verrezen, en het gedruisch der stad stierf in de verte weg.

Een uur later stoomde deDuncantusschen de rotsen van Dumbarton door; twee uren later was zij in de ruime golf der Clyde; des morgens ten zes ure voer zij langs de zoutputten van Cantyre, verliet het Noorderkanaal en kwam in volle zee.

[1]De vierde reis van Christophorus Columbus werd met vier schepen volbragt. Het grootste, het admiraalschip, waarop Columbus zich bevond, mat 70 ton; het kleinste maar 60. Het waren echte kustvaarders.

[1]De vierde reis van Christophorus Columbus werd met vier schepen volbragt. Het grootste, het admiraalschip, waarop Columbus zich bevond, mat 70 ton; het kleinste maar 60. Het waren echte kustvaarders.

[2]De patent-log is een werktuig, dat door middel van wijzers, die op een in graden verdeelden cirkel draaijen, de snelheid van het vaartuig aanwijst.

[2]De patent-log is een werktuig, dat door middel van wijzers, die op een in graden verdeelden cirkel draaijen, de snelheid van het vaartuig aanwijst.

[3]Zeventien mijlen of knoopen. Daar de zeemijl 1852 nederlandsche ellen lang is, zijn 17 mijlen gelijk aan 7 7/10 mijlen of bijna 8 mijlen van 4000 ned. ellen.

[3]Zeventien mijlen of knoopen. Daar de zeemijl 1852 nederlandsche ellen lang is, zijn 17 mijlen gelijk aan 7 7/10 mijlen of bijna 8 mijlen van 4000 ned. ellen.

[4]De doedelzakspeler, die nog bij de regimenten Hooglanders bestaat.

[4]De doedelzakspeler, die nog bij de regimenten Hooglanders bestaat.

[5]Een zweep, bestaande uit negen lederen riemen, die zeer in zwang was op de engelsche vloot.

[5]Een zweep, bestaande uit negen lederen riemen, die zeer in zwang was op de engelsche vloot.

[6]Kleine steenhoopen, die het vaarwater der Clyde aanwijzen.

[6]Kleine steenhoopen, die het vaarwater der Clyde aanwijzen.

Gedurende den eersten dag der reis stond er nog al deining, en de wind wakkerde tegen den avond aan; deDuncanslingerde vreeselijk; de dames kwamen dan ook niet op de kampanje; zij bleven in haar hutten te bed liggen, en deden er wel aan.

Maar des anderen daags keerde de wind; kapitein John zette de fok, de bezaan en het voormarszeil bij, waardoor op deDuncan, die nu vaster lag, het slingeren en stampen minder merkbaar werd. Lady Helena en Mary Grant konden nu reeds bij het krieken van den dag lord Glenarvan, den majoor en den kapitein op het dek opzoeken. De opgaande zon leverde een prachtig gezigt op. De fakkel van den dag, gelijk aan een op de manier van Ruolz vergulde metalen schijf, verrees uit den oceaan als uit een onmetelijk galvanisch bad. DeDuncanscheen zich in het midden van een heerlijken stralengloed te bevinden, en men zou waarlijk gezegd hebben, dat haar zeilen opzwollen onder de werking der zonnestralen.

In de diepste stilte zagen de passagiers van het jagt deze verschijning van het flonkerende hemelligchaam aan.

"Welk een heerlijk schouwspel!" zeide eindelijk Helena. "Het voorspelt een schoonen dag. Ik hoop, dat de wind gunstig blijven en de vaart derDuncanniet vertragen zal."

"Wij kunnen geen beteren wenschen, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan, "en wij hebben geen reden om over dit begin onzer reis te klagen."

"Zal de togt lang duren, lieve Edward?"

"Dat zal kapitein John ons wel kunnen zeggen," sprak lord Glenarvan. "Vorderen wij goed? Zijt gij tevreden over uw schip, John?"

"Zeer tevreden, Uwe Edelheid!" antwoordde John; "het is een uitmuntend vaartuig, en het doet een zeeman goed het onder zijn voeten te voelen. Nooit waren de romp en de machine van eenig vaartuig beter met elkaar in verband; gij ziet ook, hoe effen het zog van het jagt is en hoe gemakkelijk het de golven klieft. Wij vorderen zeventien mijlen in een uur! Als deze snelheid zoo blijft, passeeren wij binnen tien dagen de linie, en zullen wij, eer wij vijf weken verder zijn, kaap Hoorn omgezeild hebben."

"Hoort gij het, Mary! eer wij vijf weken verder zijn!" hernam lady Helena.

"Ja, mevrouw!" antwoordde het meisje, "ik hoor het, en mijn hart heeft geklopt bij dat gezegde van den kapitein."

"Kunt gij nog al tegen de zee, miss Mary?" vroeg lord Glenarvan.

"Vrij wel, mylord! ik heb er niet veel hinder van. Overigens zal ik er spoedig aan gewennen."

"En de jonge Robert?"

"O! Robert!" antwoordde John Mangles, "als hij niet bij de machine is, dan zit hij op den kloot van den mast. Dat is eerst een jongen, die om geen zeeziekte geeft. Ziet maar eens!"

Op een gebaar van den kapitein wendden allen de oogen naar den fokkemast, en zagen daar Robert hangen aan de toppenanten van het klein voorboven bramzeil, wel honderd voet boven het dek. Mary kon een angstig gebaar niet weerhouden.

"O! wees maar gerust, miss!" zeide John Mangles, "ik sta voor hem in en beloof u kapitein Grant spoedig een wakkeren knaap te zullen voorstellen; want wij zullen den waardigen kapitein terugvinden!"

"Dat geve de Hemel, mijnheer John!" antwoordde het meisje.

"Lief kind!" hernam lord Glenarvan, "ik merk in dit alles den vinger Gods op, en dat moet ons goede hoop geven. Wij gaan niet, wij worden gezonden. Wij zoeken niet, wij worden geleid. En sla dan eens even het oog op al die moedige mannen in dienst van zulk eene schoone zaak. Wij zullen niet alleen in onze onderneming slagen, maar haar zelfs zonder moeite volbrengen. Ik heb lady Helena een pleizierreisje beloofd, en ik zou mij zeer bedriegen, als ik mijn woord niet hield."

"Gij zijt een allerbeste man, Edward!" zeide lady Glenarvan.

"Volstrekt niet; maar ik heb de allerbeste bemanning op het allerbeste schip. Bewondert gij onzeDuncanook niet, miss Mary?"

"Zeker, mylord!" antwoordde het meisje, "ik bewonder haar, en wel als een deskundige."

"Zoo, inderdaad!"

"Als een klein kind speelde ik op de schepen mijns vaders, hij had mij voor de zeedienst moeten opleiden, en in geval van nood zou ik misschien niet verlegen staan om een rif in te steken of een seising te draaijen."

"Wat gij zegt, miss!" riep John Mangles.

"Nu gij zoo spreekt," hernam lord Glenarvan, "zult gij wel bevriend worden met kapitein John; want hij kan maar niet toegeven, dat er een schooner beroep is dan dat van zeeman, zelfs niet voor een vrouw! Is het niet waar, John?"

"Zonder twijfel, Uwe Edelheid!" antwoordde de jonge kapitein, "en toch beken ik, dat miss Grant beter op haar plaats is op de kampanje dan in den mast om de zeilen te bergen; maar ik ben niettemin zeer gevleid door haar gezegde."

"En vooral wanneer zij deDuncanbewondert," hervatte Glenarvan.

"Die het ten volle verdient," antwoordde John.

"Gij zijt zoo trotsch op uw jagt," zeide lady Helena, "dat ik waarlijk lust krijg om het eens tot het onderste scheepsruim toe te bezigtigen en te zien, hoe onze wakkere matrozen tusschendeks gehuisvest zijn."

"Heel goed," antwoordde John; "zij zijn daar als het ware te huis."

"En zij zijn inderdaad te huis, lieve Helena!" antwoordde lord Glenarvan. "Dit jagt is een gedeelte van ons oud Caledonië! Het is een losgerukt stuk van het graafschap Dumbarton, dat door een bijzondere gunst blijft drijven, zoodat wij ons land niet verlaten hebben! DeDuncanis het kasteel Malcolm, en de oceaan is het meer Lomond."

"Als dat zoo is, lieve Edward! houd dan de eer van uw kasteel op," antwoordde lady Helena.

"Ik ben tot uw dienst, mevrouw!" zeide Glenarvan; "maar sta mij toe, dat ik vooraf Olbinett ga waarschuwen."

De hofmeester van het jagt was bij uitstek voor zijn betrekking geschikt, en zulk een man van gewigt, dat hij, hoewel een Schot, verdiend zou hebben een Franschman te zijn; overigens iemand die zijn post met ijver en overleg vervulde. Hij wachtte de bevelen van zijn heer af.

"Olbinett! wij gaan vóór het ontbijt een wandeling doen," zeide Glenarvan, alsof er sprake was van een uitstapje naar Tarbet of het meer Katrine. "Ik hoop, dat de tafel gereed zal zijn, als wij terugkomen."

Olbinett maakte een deftige buiging.

"Gaat gij mede, majoor?" vroeg lady Helena.

"Als gij het beveelt," antwoordde Mac Nabbs.

"O!" zeide lord Glenarvan, "de majoor is verdiept in het rooken van zijn sigaar; stoor hem daarin niet, want ik zeg u, hij is een stout rooker, miss Mary! Hij rookt altijd, zelfs als hij slaapt."

De majoor maakte een toestemmende beweging, en lord Glenarvan en zijn gasten gingen naar het tusschendek.

Toen Mac Nabbs alleen gebleven was, praatte hij ouder gewoonte in zich zelven, maar zonder zich ooit tegen te spreken, terwijl hij zich in nog digter rookwolken hulde; hij bleef stokstijf staan en keek op het achterschip naar het zog van het jagt. Na zoo eenige minuten uitgezien te hebben, keerde hij zich om en zag nu een ander persoon voor zich staan. Als iets zijne verbazing had kunnen opwekken, dan zou de majoor zeker over deze ontmoeting verwonderd geweest zijn; want die passagier was hem geheel onbekend.

Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud; hij geleek op een langen spijker met een grooten kop; zijn hoofd was breed en forsch, zijn voorhoofd hoog en schrander, zijn kin spits, zijn mond groot, zijn neus sterk gebogen. Zijne oogen waren verborgen achter een verbazend grooten ronden bril en zijn blik scheen die onvastheid te hebben, welke aan de nachtzienden[1]eigen is. Verstand en opgeruimdheid stonden op zijn gelaat te lezen; hij had geenszins dat terugstootend voorkomen van die deftige personen, die uit beginsel nooit lagchen, en die hun onbeduidendheid onder een ernstig masker verbergen. Verre van daar. De zorgeloosheid en de beminnelijke eenvoudigheid van dien onbekende bewezen duidelijk, dat hij gewoon was menschen en zaken van den besten kant te bezien. Maar eer hij nog gesproken had, gevoelde men, dat hij een prater en vooral zeer afgetrokken was, zooals degenen, die het voorwerp niet zien, dat zij beschouwen, en die de woorden niet verstaan, die zij hooren. Hij droeg een reispet, sterke gele laarsjes en lederen slopkousen, verder een kastanjebruine fluweelen broek en een jasje van dezelfde stof, waarvan de ontelbare zakken opgepropt vol schenen te zijn met aanteekenboekjes, zakboekjes, schrijfboekjes, brievetasschen en duizend andere voorwerpen, die even lastig als nutteloos waren, zonder nog te spreken van een kijker, dien hij aan een riem droeg.

Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud;...Die groote, dorre en magere man was misschien veertig jaren oud;...

De rusteloosheid van dien onbekende stak sterk af bij de kalmte van den majoor; hij liep om Mac Nabbs heen en zag hem vragend aan, zonder dat deze moeite deed om te weten te komen van waar hij kwam, waar hij heen ging, waarom hij aan boord van deDuncanwas.

Toen die raadselachtige persoon zag, dat al zijn pogingen verijdeld werden door de onverschilligheid van den majoor, nam hij zijn kijker, die wel vier voet lang was, en onbewegelijk, met de beenen wijd van elkander gaande staan, zoodat hij wel een wegwijzer op den grooten weg geleek, rigtte hij het werktuig op de lijn, waar lucht en water ineenliepen; na zoo vijf minuten gekeken te hebben, liet hij den kijker zakken en hem op het dek nederzettende, ging hij er op leunen, alsof het een wandelstok was; maar dadelijk schoof de kijker toe, en de nieuwe passagier, die zoo plotseling zijn steunpunt kwijt raakte, viel bijna zoo lang als hij was aan den voet van den bezaansmast.

Ieder ander in de plaats van den majoor zou althans geglimlacht hebben. Maar de majoor vertrok geen spier van zijn gelaat. Nu kwam de onbekende op eens tot een besluit.

"Hofmeester!" riep hij met een tongval, die duidelijk den vreemdeling verried.

Hij wachtte; maar te vergeefs: er verscheen niemand.

"Hofmeester!" riep hij nog eens, maar nu wat luider.

Olbinett, die zich naar de keuken onder de voorplecht begaf, ging juist voorbij. Men kan denken, hoe verwonderd hij was, toen hij zich zoo hoorde aanspreken door dien langen man, dien hij niet kende!

"Wat is dat voor iemand?" zeide hij bij zich zelven. "Een vriend van lord Glenarvan? Dat is onmogelijk."

Hij klom toch op de kampanje en naderde den vreemdeling.

"Zijt gij de hofmeester?" vroeg deze hem.

"Ja, mijnheer!" antwoordde Olbinett; "maar ik heb de eer niet...."

"Ik ben de passagier uit de hut numero 6."

"Numero 6?" herhaalde de hofmeester.

"Zeker. En gij heet?..."

"Olbinett."

"Welnu, Olbinett! mijn vriend!" antwoordde de passagier uit de hut numero 6, "ik moet om mijn ontbijt denken, en wat gaauw ook. In geen zes en dertig uren heb ik iets gegeten, of liever, ik heb zes en dertig uren achtereen geslapen, hetgeen wel te vergeven is aan iemand, die zonder op te houden van Parijs naar Glasgow gereisd is. Wees zoo goed mij te zeggen, hoe laat men hier ontbijt."

"Ten negen ure," antwoordde Olbinett werktuigelijk.

De vreemdeling wilde op zijn horlogie zien, maar daarmede ging heel wat tijd weg, daar hij het eerst in zijn negenden zak vond.

"Goed," zeide hij. "Het is nog geen acht ure. Kom aan, Olbinett! geef mij dan intusschen een beschuit en een glas Xeres-wijn; want ik sterf van den honger."

Olbinett begreep er niets van; bovendien praatte de onbekende maar onophoudelijk door en sprong met buitengemeene radheid van het eene onderwerp op het andere.

"En waar is de kapitein?" vroeg hij. "Is de kapitein nog niet bij de hand! En de eerste stuurman? wat doet de eerste stuurman? Slaapt hij ook nog? Het is mooi weer en de wind gelukkig goed, en het schip gaat van zelf...."

Terwijl hij zoo sprak, verscheen John Mangles aan den trap van de kampanje.

"Daar is de kapitein," zeide Olbinett.

"Het doet mij groot genoegen kennis met u te mogen maken, kapitein Burton!" riep de onbekende.

Als er ooit iemand verwonderd stond te kijken, dan was het zeker John Mangles, niet minder, omdat hij zich "kapitein Burton" hoorde noemen, dan omdat hij dien vreemdeling op zijn schip zag.

De ander babbelde maar voort.

"Veroorloof mij uwe hand te drukken," zeide hij. "Dat ik het eergisteren avond niet gedaan heb, komt, omdat ik op het oogenblik van het vertrek niemand wilde hinderen. Maar nu, kapitein! ben ik waarlijk blij kennis met u te maken."

John Mangles zette groote oogen op, en zag nu eens Olbinett en dan weder den onbekende aan.

"Nu is de voorstelling afgeloopen, waarde kapitein!" hernam hij, en zijn wij oude vrienden. Laten wij nu zamen wat praten, en zeg mij eens of gij in uw schik zijt met deScotia?"

"Wat bedoelt gij met deScotia?" zeide John Mangles eindelijk.

"Wel deScotia, waarop wij thans zijn, een goed vaartuig, welks voortreffelijkheid men niet minder roemt dan het karakter van zijn gezagvoerder, den braven kapitein Burton. Zijt gij misschien verwant aan den grooten afrikaanschen reiziger van dien naam, een moedig man. Als dat zoo is, maak ik u mijn compliment!"

"Mijnheer!" hernam John Mangles, "ik ben evenmin een bloedverwant van den reiziger Burton, als ik kapitein Burton zelf ben."

"Zoo!" zeide de onbekende, "spreek ik dan op dit oogenblik met den eersten stuurman derScotia, den heer Burdness?"

"De heer Burdness," antwoordde John Mangles, die de waarheid begon te vermoeden, en niet wist of hij met een gek of met een losbol te doen had. Hij wilde juist een kort en bondig antwoord geven, toen lord Glenarvan, zijn vrouw en miss Grant weder op het dek kwamen. Zoodra de vreemdeling hen bemerkte, riep hij uit:

"Ha! passagiers! dames! Dat treft goed. Ik hoop, dat gij mij zult voorstellen, mijnheer Burdness!"

En met de grootste ongedwongenheid nader tredende, zonder de tusschenkomst van John Mangles af te wachten, sprak hij miss Grant aan als "mevrouw", lady Helena als "miss" en noemde hij lord Glenarvan "mijnheer."

"Lord Glenarvan," zeide John Mangles.

"Mylord!" hernam nu de onbekende, "vergeef mij, dat ik mij zelven zoo voorstel; maar op zee kan men alle vormen zoo niet in acht nemen; ik hoop, dat wij spoedig kennis zullen maken, en dat door het bijzijn dezer dames de reis met deScotiaevenzeer verkort als veraangenaamd zal worden."

Lady Helena en miss Grant wisten niet, wat zij zeggen moesten. Zij begrepen niets van de tegenwoordigheid van dien indringer op de kampanje derDuncan.

"Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?" vroeg eindelijk lord Glenarvan.

"Met Jacques-Eliacin-François-Marie Paganel, secretaris van het aardrijkskundig genootschap te Parijs, correspondeerend lid der genootschappen te Berlijn, Bombay, Darmstadt, Leipzig, Londen, Petersburg en New-York, honorair lid van het koninklijk instituut voor de land- en volkenkunde van Oost-Indië, die, na twintig jaren doorgebragt te hebben met de aardrijkskunde in zijn studeerkamer te beoefenen, nu tot de strijdende wetenschap overgaat en zich naar Indië begeeft om verband te brengen in den arbeid der groote reizigers."


Back to IndexNext