[1]Het nachtzien is een bijzondere inrigting van het oog, waardoor men de voorwerpen in het duister ziet.
[1]Het nachtzien is een bijzondere inrigting van het oog, waardoor men de voorwerpen in het duister ziet.
De secretaris van het aardrijkskundig genootschap was zeker een beminnelijk man, want hij zeide dat alles met veel zwier. Lord Glenarvan wist nu ook zeer goed, met wien hij sprak; de naam en de verdienste van Jacques Paganel waren hem volkomen bekend; zijn aardrijkskundige werken, zijn verslagen over de jongste ontdekkingen, zijn briefwisseling met de geheele wereld, maakten hem tot een van de beroemdste geleerden van Frankrijk. Glenarvan stak dan ook zeer hartelijk zijn hand toe aan zijn onverwachten gast.
"Nu de voorstelling afgeloopen is," voegde hij er bij, "wilt gij mij zeker wel veroorlooven u een vraag te doen, mijnheer Paganel?"
"Wel twintig, mylord!" antwoordde Jacques Paganel; "het zal mij altijd een groot genoegen zijn om met u te spreken."
"Eergisteren avond zijt gij aan boord van dit schip gekomen?"
"Ja, mylord! eergisteren avond ten acht ure. Bij het verlaten van den caledonischen spoorweg ben ik in een huurrijtuig gestapt, en uit het rijtuig op deScotia, waarop ik uit Parijs de hut numero 6 voor mij besproken had. Het was donker. Ik zag niemand aan boord. Vermoeid van een reis van dertig uren, en wetende, dat het beste middel om niet zeeziek te worden is om terstond naar bed te gaan en zijn kooi gedurende de eerste dagen der reis niet te verlaten, ben ik onmiddellijk gaan liggen en heb, gij moogt het vrij gelooven, zes en dertig uren achtereen heerlijk geslapen."
De toehoorders van Jacques Paganel wisten nu, wat zij van zijn tegenwoordigheid aan boord denken moesten; de fransche reiziger was bij vergissing op het schip gekomen, terwijl de bemanning de plegtigheid in de Sint-Mungo kerk bijwoonde. Alles was nu opgehelderd; maar wat zou de geleerde aardrijkskundige wel zeggen, wanneer hij den naam en de bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevond, vernam?
"Dan hebt gij Calcutta tot het uitgangspunt uwer reizen gekozen, mijnheer Paganel?" vroeg Glenarvan.
"Ja, mylord! Indië te zien is levenslang mijn vurigste wensch geweest. Eindelijk zal mijn schoonste droom verwezenlijkt worden in het vaderland der olifanten en der Thuggs[1]."
"Dan zal het u zeker niet onverschillig zijn, mijnheer Paganel! of gij een ander land bezoekt?"
"In het geheel niet, mylord! het zou mij zelfs hoogst onaangenaam zijn; want ik heb brieven van aanbeveling voor lord Sommerset, den gouverneur-generaal van engelsch Indië, en een zending van het aardrijkskundig genootschap, die ik gaarne zou vervullen."
"Zoo! hebt gij een zending?"
"Ja! Ik moet een nuttige en belangrijke reis ondernemen, waarvan mijn geleerde vriend en ambtgenoot, de heer Vivien de Saint-Martin, het plan heeft ontworpen. Ik moet namelijk het spoor volgen der gebroeders Schlagintweit, van kolonel Waugh, van Webb, van Hodgson, van de zendelingen Huc en Gabet, van Moorcroft, van Jules Remy, en van zooveel andere vermaarde reizigers. Ik hoop te slagen in hetgeen den zendeling Krick in 1846 helaas mislukt is, met een woord, den loop van den Yarou-Dzangbo-Tchou op te sporen, die Thibet over een lengte van 270 uren gaans, langs den noordelijken voet van het Himmelaya-gebergte, bespoelt, en te onderzoeken of deze rivier zich niet in het noordoosten van Assam met de Bramapoetra vereenigt. De gouden medaille, mylord! is uitgeloofd voor den reiziger, wien het mag gelukken om een der gewigtigste vraagstukken van de aardrijkskunde van Oost-Indië op te lossen."
Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift. Hij liet zich mededragen op de snelle wieken der verbeelding. Het zou even onmogelijk geweest zijn om hem te stuiten als men dit den Rijn te Schaffhausen doen kan.
Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift.Paganel was vol vuur. Hij sprak met de grootste geestdrift.
"Mijnheer Jacques Paganel!" zeide lord Glenarvan na een oogenblik stilte, "dat is zeker een schoone reis en waarvoor de wetenschap u zeer dankbaar zal zijn; maar ik wil u niet langer in de dwaling laten, en voorloopig althans moet gij afzien van het genoegen om Indië te bezoeken."
"Er van afzien! En waarom?"
"Omdat gij den rug toekeert aan dat schiereiland."
"Hoe! kapitein Burton...."
"Ik ben kapitein Burton niet," antwoordde John Mangles.
"Maar deScotia?"
"Dit schip is deScotianiet!"
Het is onmogelijk om de verbazing van Paganel te beschrijven. Hij zag beurtelings lord Glenarvan, die even ernstig bleef, lady Helena en miss Grant, wier trekken medelijden en leedwezen uitdrukten, John Mangles, die glimlachte, en den majoor, die zich niet verroerde, aan; daarna riep hij, de schouders ophalende en zijn bril van het voorhoofd voor zijn oogen plaatsende: "Welk een scherts!"
Maar nu viel zijn oog op het stuurrad, waarop dit opschrift stond:
DUNCAN GLASGOW
"DeDuncan! deDuncan!" riep hij wanhopend uit.
Daarop tuimelde hij den trap van de kampanje af en stormde zijn hut binnen.
Zoodra de arme geleerde verdwenen was, kon niemand aan boord, uitgenomen de majoor, zich langer goed houden, en zelfs de matrozen schaterden van lagchen. Zich in den spoorweg vergissen! Dat kan! Den trein van Edinburg voor dien van Dumbarton aanzien! Dat kan er ook nog door! Maar zich te vergissen in het schip en naar Chili te zeilen, wanneer men naar Indië gaan wil, dat is wel een bewijs van verregaande verstrooidheid.
"Zoo iets verwondert mij echter volstrekt niet in Jacques Paganel," zeide Glenarvan, "hij is bekend voor zulke ongelukken. Eens heeft hij een beroemde kaart van Amerika uitgegeven, waar hij Japan op geplaatst heeft. Dat neemt echter niet weg, dat hij een groot geleerde en een der beste aardrijkskundigen van Frankrijk is."
"Maar wat moeten wij met dien armen man aanvangen?" vroeg lady Helena. "Wij kunnen hem toch niet medenemen naar Patagonië."
"Waarom niet?" antwoordde Mac Nabbs heel deftig, "wij zijn niet verantwoordelijk voor zijn verstrooidheid. Vooronderstel dat hij op een spoortrein zat, zou hij dien laten stilstaan?"
"Neen! maar hij zou aan het eerste station afstappen," hernam lady Helena.
"Welnu," zeide Glenarvan, "dat kan hij des verkiezende doen in de eerste haven, die wij aandoen."
Juist kwam Paganel verdrietig en beschaamd op de kampanje terug, na zich verzekerd te hebben, dat zijn goed aan boord was. Onophoudelijk herhaalde hij die ongelukkige woorden: deDuncan! deDuncan! Het scheen, dat hij geen andere meer kon vinden. Hij liep heen en weer, onderzocht de tuigaadje van het jagt, en ondervroeg den zwijgenden gezigteinder der volle zee. Eindelijk kwam hij bij lord Glenarvan terug en zeide: "En dieDuncangaat?..."
"Naar Amerika, mijnheer Paganel!"
"En meer bepaald?..."
"Naar Concepcion."
"Naar Chili! Naar Chili!" riep de ongelukkige aardrijkskundige. "En mijn zending naar Oost-Indië! Maar wat zal de heer de Quatrefages, de president der hoofd-commissie, wel zeggen! En de heer d'Avezac! En de heer Cortambert! En de heer Vivien de Saint-Martin! Zal ik ooit weder de vergaderingen van het genootschap durven bijwonen!"
"Komaan, mijnheer Paganel!" antwoordde Glenarvan, "wanhoop maar niet. Alles kan nog te regt komen, en gij zult een betrekkelijk onbeteekenend oponthoud ondervonden hebben. De Yarou-Dzangbo-Tchou zal in het gebergte van Thibet wel op u blijven wachten. Wij loopen weldra te Madera binnen, en daar zult gij wel een schip vinden, dat u naar Europa terugbrengt."
"Ik dank u, mylord! ik zal mij wel moeten onderwerpen. Maar men mag zeggen, dat het een vreemd geval is, en ik ben de eenige, wien ooit zoo iets overkomt. En mijn hut, die aan boord derScotiabesteld is."
"O, ik raad u om voorloopig niet meer aan deScotiate denken."
"Maar," zeide Paganel, nadat hij het vaartuig op nieuw bezien had, "is deDuncangeen pleizierjagt?"
"Ja, mijnheer!" antwoordde John Mangles, "en zij is het eigendom van Zijn Edelheid lord Glenarvan."
"Die u verzoekt om een ruim gebruik van zijn gastvrijheid te maken," zeide Glenarvan.
"Duizendmaal dank, mylord!" antwoordde Paganel; "ik ben waarlijk getroffen door uw heuschheid; maar veroorloof mij een kleine opmerking: Indië is een schoon land; het levert voor de reizigers vreemde bijzonderheden op; deze dames zijn er zeker onbekend mede.... Welnu! de stuurman behoeft maar even het rad om te draaijen, en het jagt deDuncanzou even gemakkelijk naar Calcutta als naar Concepcion stevenen; en daar het toch maar een pleizierreisje is...."
Het hoofdschudden, waarmede het voorstel van Paganel ontvangen werd, liet hem niet toe om voort te gaan. Hij bleef eensklaps steken.
"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ware het slechts een pleizierreisje, dan zou ik u antwoorden: Wij gaan gezamenlijk naar de Oost, en lord Glenarvan zou het stellig goed vinden. Maar deDuncangaat schipbreukelingen opzoeken, die op de kusten van Patagonië geworpen zijn, en kan zulk een menschlievende bestemming niet veranderen...."
Weldra was de fransche reiziger met de geheele zaak bekend; hij vernam, niet zonder aandoening, de zonderlinge wijze, waarop de documenten gevonden waren, de geschiedenis van kapitein Grant en het edelmoedige voorstel van lady Helena.
"Sta mij toe, mevrouw!" zeide hij, "om uw gedrag bij deze gelegenheid te bewonderen, en wel zonder eenig voorbehoud. Laat uw jagt zijn weg vervolgen; het zou mij spijten, als het om mijnentwil een dag verloor."
"Wilt gij ons dan helpen bij onze nasporingen?" vroeg lady Helena.
"Dat is onmogelijk, mevrouw! ik moet mijn zending volbrengen. Ik zal in de eerste haven de beste aan land gaan...."
"Te Madera dus," zeide John Mangles.
"Te Madera, het zij zoo. Daar ben ik maar honderd tachtig mijlen van Lissabon af, en zal er scheepsgelegenheid afwachten."
"Welnu, mijnheer Paganel!" zeide Glenarvan, "uw wensch zal vervuld worden, en ik voor mij ben verheugd, dat ik u voor eenige dagen een verblijf hier aan boord mag aanbieden. Als gij u maar niet te sterk in ons gezelschap verveelt!"
"O, mylord!" riep de geleerde, "ik mag nog blijde zijn, dat ik mij op zulk een aangename wijze vergist heb! Niettemin is het een zeer belagchelijke toestand, als men op reis gaat naar Indië en men naar Amerika onder zeil is!"
In weerwil van die droevige opmerking schikte Paganel zich in een oponthoud, dat hij toch niet kon voorkomen. Hij toonde zich beminnelijk, vrolijk en zelfs verstrooid; hij betooverde de dames door zijn opgeruimdheid, en de dag was nog niet ten einde of hij was met allen bevriend; op zijn verzoek werd het bekende document aan hem medegedeeld. Hij overwoog het lang en zorgvuldig, en tot in de geringste bijzonderheden. Het kwam hem ook voor, dat er geen andere verklaring mogelijk was. Mary Grant en haar broeder boezemden hem de levendigste belangstelling in. Hij sprak hun goeden moed in. De eigenaardige wijze, waarop hij de gebeurtenissen beschouwde, en de ontwijfelbare goede uitslag, dien hij deDuncanvoorspelde, deden het meisje onwillekeurig glimlagchen. En had zijn zending het niet belet, dan zou hij deel genomen hebben aan het opsporen van kapitein Grant!
Maar toen hij hoorde, dat lady Helena een dochter was van William Tuffnel, kwam er geen einde aan zijn uitroepen van bewondering. Hij had haar vader gekend. Wat was hij een stout geleerde! Wat al brieven hadden zij gewisseld, toen William Tuffnel correspondeerend lid van het genootschap was! Hij en niemand anders had hem aan den heer Malte-Brun voorgesteld! Hoe toevallig en hoe genoegelijk, dat hij met de dochter van William Tuffnel mogt reizen!
Ten slotte vroeg hij aan Helena verlof om haar te omhelzen.
Lady Glenarvan stond het toe, hoewel het misschien een beetje "onbetamelijk" was.
[1]De leden eener indische secte, die ter eere der Godheid de menschen wurgen en tot hun eigen voordeel ze plunderen.
[1]De leden eener indische secte, die ter eere der Godheid de menschen wurgen en tot hun eigen voordeel ze plunderen.
Intusschen liep het jagt, door den noordewind voortgedreven, snel naar de linie. Den 30stenAugustus kreeg men de groep van Madera in het gezigt. Getrouw aan zijn belofte bood Glenarvan zijn nieuwen gast aan om binnen te loopen en hem aan wal te zetten.
"Waarde lord!" antwoordde Paganel, "ik wil eens rondborstig met u spreken. Waart gij, vóór mijn komst aan boord, voornemens om Madera aan te doen?"
"Neen!" zeide Glenarvan.
"Welnu! vergun mij dan, dat ik mijn voordeel doe met de gevolgen mijner ongelukkige verstrooidheid. Het eiland Madera is reeds te bekend. Het levert niets belangrijks meer voor een aardrijkskundige op. Men heeft over die groep reeds al het mogelijke gezegd en geschreven, bovendien is de druiventeelt deerlijk in verval. Verbeeld u, er zijn geen wijngaarden meer op Madera! De wijnoogst, die in 1813 twee en twintig duizend pijpen[1]opleverde, is in 1845 gedaald tot twee duizend zes honderd negen en zestig. Tegenwoordig is de opbrengst slechts vijf honderd! Het is een droevig schouwspel. Als gij er dus niets tegen hebt om de Kanarische eilanden aan te doen!..."
"Och neen!" antwoordde Glenarvan. "Dat is niet uit onzen weg."
"Ik weet het, waarde lord! Op de Kanarische eilanden, ziet gij, zijn drie groepen te onderzoeken, gezwegen nog van de piek van Teneriffe, die ik altijd gehoopt heb te zien. De gelegenheid doet zich nu op. Ik maak er gebruik van, en in afwachting van een schip, dat mij naar Europa terugbrengt, zal ik dien vermaarden berg beklimmen."
"Zooals gij wilt, geachte Paganel!" antwoordde lord Glenarvan, die niet nalaten kon even te glimlagchen.
En hij had regt om te glimlagchen.
De Kanarische eilanden liggen niet ver van Madera. Slechts twee honderd vijftig mijlen[2]liggen tusschen de beide groepen, en die afstand beteekende niet veel voor zulk een goed zeiler als deDuncan.
Den 31stenAugustus, des namiddags ten twee ure, wandelden John Mangles en Paganel op de kampanje. De Franschman bestormde zijn makker met vragen over Chili; eensklaps viel de kapitein hem in de rede, en zeide, terwijl hij in het zuiden een stip aan den gezigteinder aanwees: "Mijnheer Paganel?"
"Waarde kapitein!" antwoordde de geleerde.
"Zie eens dezen kant uit. Bespeurt gij niets?..."
"Niets."
"Gij ziet een verkeerden kant uit. Gij moet niet naar den gezigteinder zien, maar daarboven, in de wolken."
"In de wolken? Of ik al zoek...."
"Zie maar langs de buitenste punt van den boegspriet."
"Ik zie niets."
"Omdat gij niet zien wilt. In allen gevalle, gij begrijpt mij, en hoewel wij er nog veertig mijlen van af zijn, is de piek van Teneriffe duidelijk zigtbaar boven den gezigteinder."
Of nu Paganel zien wilde of niet, moest hij het toch eenige uren later wel toegeven, als hij zich ten minste niet voor blind wilde uitgeven.
"Ziet gij ze eindelijk?" vroeg hem John Mangles.
"Ja, ja! heel goed!" antwoordde Paganel. "En is dat nu," voegde hij er op een toon van minachting bij, "is dat nu die beroemde piek van Teneriffe!"
"Dezelfde."
"Zij schijnt niet heel hoog te zijn."
"En toch is zij elf duizend voet boven den spiegel der zee verheven."
"Dan is de Mont-Blanc toch hooger."
"Dat kan wel zijn; maar als het op klimmen aankomt, zult gij haar misschien hoog genoeg vinden."
"O! welk nut zou er in steken om haar te beklimmen na Von Humboldt en Beauplan? Een groot genie, die Von Humboldt! Hij heeft dezen berg bestegen; hij heeft er een beschrijving van gegeven, die niets te wenschen overlaat; hij heeft zijn vijf gordels onderzocht: den gordel der wijnstokken, den gordel der laurierboomen, den gordel der pijnboomen, den gordel der alpenkruiden, en eindelijk den gordel der onvruchtbaarheid. Hij heeft den voet gezet op het bovenste puntje der bergspits, waar niet eens ruimte genoeg was om te gaan zitten. Van den top des bergs omvatte zijn blik een ruimte, gelijk aan het vierde gedeelte van Spanje. Vervolgens heeft hij den vulkaan tot in zijn binnenste doorzocht en den bodem van den uitgebranden krater betreden. Nu vraag ik maar, wat er na dien grooten man voor mij nog te doen is?"
"Gij hebt gelijk," antwoordde John Mangles, "de nalezing is zeer schraal. Het is jammer; want gij zult u deerlijk vervelen, als gij in de haven van Teneriffe op een schip moet wachten. Gij moet niet op verstrooijing rekenen."
"Behalve op mijn eigen verstrooidheid," zeide Paganel lagchende. "Maar, waarde Mangles! leveren de Kaap-Verdische eilanden geen belangrijke ankerplaatsen op?"
"Wel zeker. Niets is gemakkelijker dan te Villa da Praïa een schip te vinden."
"Om nog niet eens te spreken van een ander voordeel, dat ook niet te versmaden is," antwoordde Paganel, "namelijk, dat de Kaap-Verdische eilanden digt bij den Senegal liggen, waar ik landgenooten zal aantreffen. Ik weet wel, dat men die groep niet zeer belangrijk, woest en ongezond noemt; maar in het oog van den aardrijkskundige is alles wetenswaardig. Zien is ook een wetenschap. Er zijn menschen, die niet kunnen zien, en die met evenveel verstand als een schaaldier rondreizen. Maar gij moogt vrij gelooven, dat ik niet tot die soort behoor."
"Gij kunt doen, zooals gij verkiest, mijnheer Paganel!" antwoordde John Mangles; "ik ben zeker, dat de aardrijkskunde veel winnen zal bij uw verblijf op de Kaap-Verdische eilanden. Wij moeten er toch binnenloopen om kolen in te nemen. Uw ontscheping zal ons dus geen oponthoud veroorzaken."
Nu gaf de kapitein de noodige bevelen om bewesten de Kanarische eilanden te varen; de beroemde piek liet men aan bakboordszijde liggen, en haar snellen loop voortzettende sneed deDuncanden 2denSeptember, des morgens ten vijf ure, den kreeftskeerkring. Nu begon het weder te veranderen. Het was de vochtige en drukkende lucht van den regentijd, "le tempo das aguas", zooals de Spanjaarden zeggen; een jaargetijde, dat wel lastig is voor de reizigers, maar zeer welkom voor de bewoners der afrikaansche eilanden, die geen boomen en bij gevolg ook gebrek aan water hebben. De holle zee verhinderde de passagiers om op het dek te komen; maar de gesprekken in de algemeene kamer waren er niet minder levendig om.
Den 3denSeptember begon Paganel zijn goed bijeen te zoeken; want zijn ontscheping was op til. DeDuncanmanoeuvreerde tusschen de Kaap-Verdische eilanden; zij voer voorbij het Zout-eiland, een waren zandheuvel, onvruchtbaar en verlaten; na groote koraalbanken voorbij gestevend te zijn, had zij het eiland San Jago dwars van zich af, dat van het noorden naar het zuiden doorsneden wordt door een keten basaltbergen, die in twee hooge toppen uitloopen. Vervolgens liep John Mangles de baai van Villa-Praïa in, en ankerde weldra voor de stad op acht vademen diepte. Het was een verschrikkelijk weer en de branding was zeer hevig, hoewel de baai tegen den zeewind beschut was. Het stortregende, zoodat men ter naauwernood de stad zien kon, die op een rijzende vlakte gebouwd is, die tegen drie honderd voet hooge vulkanische voorbergen leunt. Het eiland leverde door die dikke gordijn van regen heen een akelig gezigt op.
Lady Helena kon haar plan om de stad te bezoeken niet volvoeren; het innemen van de kolen had met de grootste moeite plaats. De passagiers derDuncanmoesten dus onder de kampanje blijven, terwijl lucht en zee haar water in een onuitsprekelijke verwarring met elkaar vermengden. Het weder was natuurlijk het eenige onderwerp der gesprekken aan boord. Ieder zeide er het zijne van, behalve de majoor, die met volkomene onverschilligheid zelfs een algemeenen zondvloed zou bijgewoond hebben. Paganel liep het hoofd schuddende heen en weer.
Het eiland leverde door die dikke gordijn van regen heen een akelig gezigt op.Het eiland leverde door die dikke gordijn van regen heen een akelig gezigt op.
"Het wordt er om gedaan, geloof ik," zeide hij.
"Het is zeker" antwoordde Glenarvan, "dat de elementen zich tegen ons verklaren."
"Ik zal er mij toch niet aan storen."
"Gij kunt toch niet in zulk een regenbui aan land gaan," zeide lady Helena.
"Voor mij is het niets, mevrouw! Ik ben alleen bang voor mijn bagage en mijn instrumenten. Alles zal bedorven worden."
"Er is alleen maar gevaar bij het ontschepen," hernam Glenarvan. "Eens te Villa-Praïa zijnde, kunt gij wel onder dak komen. De zindelijkheid laat zeker wel wat te wenschen over en het gezelschap van apen en zwijnen is juist niet bijzonder aangenaam. Maar een reiziger moet daar niet op zien. Bovendien moogt gij verwachten, dat gij binnen zeven of acht maanden wel een schip zult vinden, dat u naar Europa brengt."
"Zeven of acht maanden!" riep Paganel.
"Op zijn allerminst. De Kaap-Verdische eilanden worden in den regentijd niet druk door schepen bezocht. Maar gij zult uw tijd nuttig kunnen besteden. Deze archipel is nog weinig bekend. Er is nog niet veel gedaan aan de plaatsbeschrijving, aan het onderzoek van het klimaat en de bewoners en aan de hoogtemeting."
"Gij zult den loop der stroomen kunnen nagaan," zeide lady Helena.
"Er zijn geen stroomen, mevrouw!" antwoordde Paganel.
"Van de rivieren dan!"
"Die zijn er evenmin."
"Van de beken dan?"
"Die zijn er ook niet."
"Goed!" sprak de majoor, "dan kunt gij de wouden doorkruisen."
"Om bosschen te maken, moeten er boomen zijn; maar die zijn er niet."
"Een mooi land!" riep de majoor.
"Troost u, waarde Paganel!" zeide nu Glenarvan, "de bergen blijven toch nog over."
"O! die zijn maar laag en leveren niets belangrijks op, mylord! En bovendien, dat werk is reeds verrigt."
"Reeds verrigt!" zeide Glenarvan.
"Ja! zoo gaat het mij meestal. Stond ik op de Kanarische eilanden voor het werk van Von Humboldt, hier heb ik een anderen voorganger gehad, den geoloog Charles Sainte-Claire-Deville!"
"Maar dat is onmogelijk!"
"En toch is het zoo," antwoordde Paganel op een verdrietigen toon. "Deze geleerde was aan boord der oorlogskorvetla Décidée, toen zij de Kaap-Verdische eilanden aandeed; hij heeft den belangrijksten top der geheele groep, den vulkaan van het eiland Fogo, bezocht. Wat blijft er nu voor mij over?"
"Maar dat is toch wat te zeggen," antwoordde lady Helena. "Wat zult gij nu doen, mijnheer Paganel?"
Paganel zweeg eenige oogenblikken stil.
"Gij hadt zeker beter gedaan met te Madera aan land te gaan, al is er geen wijn meer!" hernam Glenarvan.
De geleerde secretaris van het aardrijkskundig genootschap zeide hier niets op.
"Ik zou maar wachten," zeide de majoor op een toon, alsof hij wilde zeggen: "ik zou niet wachten."
"Waarde Glenarvan!" hernam nu Paganel, "waar denkt gij nu binnen te loopen?"
"O, eerst te Concepcion"
"Drommels! dat is een heel eind uit de buurt van Indië."
"Wel neen! zoodra gij voorbij kaap Hoorn zijt, komt gij er hoe langer hoe digter bij."
"Dat zou nog te bezien staan."
"Bovendien," hernam Glenarvan met een ernstig gezigt, "als men naar Indië gaat, komt het er niet op aan of het Oost- of West-Indië is."
"Nu nog mooijer."
"Zonder nog te rekenen, dat de bewoners der pampa's van Patagonië even goed Indianen zijn als de inboorlingen van Pendsjaub."
"Drommels, mylord!" riep Paganel, "zulk een redeneering zou nooit in mij opgekomen zijn!"
"En dan, waarde Paganel! men kan de gouden medaille overal verdienen; er is overal wat te doen, wat te zoeken, wat te ontdekken, op de Cordillera's zoowel als in het gebergte van Thibet."
"Maar de loop van den Yarou-Dzangbo-Tchou?"
"Wel, neem de Rio Colorado in zijn plaats! Dat is een weinig bekende rivier, die op de kaart wel wat al te willekeurig door de aardrijkskundigen wordt aangewezen."
"Ik weet het, waarde lord! er is een fout in van verscheidene graden. O! ik twijfel niet of het aardrijkskundig genootschap zou mij, als ik er om gevraagd had, even gaarne naar Patagonië als naar Indië gezonden hebben. Maar daaraan heb ik niet gedacht!"
"Het gevolg van uw gewone verstrooidheid."
"Kom, mijnheer Paganel! ga maar met ons mede!" zeide lady Helena op een vleijenden toon.
"En mijn zending dan, mevrouw!"
"Ik waarschuw u, dat wij door de straat van Magellaan zullen varen," hernam Glenarvan.
"Mylord! gij zijt een verzoeker."
"Ik voeg er bij, dat wij Hongerhaven zullen bezoeken."
"Hongerhaven!" riep de Franschman, die aan alle kanten bestormd werd, "die haven, welke zoo beroemd is in de jaarboeken der aardrijkskunde!"
"Bedenk ook eens, mijnheer Paganel!" hervatte lady Helena, "dat gij het regt zult hebben om bij deze onderneming den naam van Frankrijk te paren aan dien van Schotland!"
"Ja, zonder twijfel!"
"Een aardrijkskundige kan ons van dienst zijn op onzen togt, en is er iets schooners, dan de wetenschap dienstbaar te maken aan de menschlievendheid?"
"Goed gezegd, mevrouw!"
"Geloof mij. Laat het toeval of liever de Voorzienigheid begaan. Doe gelijk wij. Zij heeft ons dit document toegezonden; wij zijn vertrokken. Zij werpt u op deDuncan, verlaat ze niet meer."
"Mag ik u eens iets zeggen, mijne vrienden?" hernam nu Paganel, "gij hebt grooten lust om mij hier te houden!"
"En gij om hier te blijven, Paganel!" antwoordde Glenarvan.
"Juist geraden!" riep de geleerde aardrijkskundige; "maar ik vreesde onbescheiden te zijn!"
[1]Een pijp is gelijk aan vijftig vaten.
[1]Een pijp is gelijk aan vijftig vaten.
[2]Omtrent negentig uren.
[2]Omtrent negentig uren.
Er heerschte een algemeene vreugde aan boord, toen men het besluit van Paganel vernam. De jonge Robert vloog hem met een veelzeggende levendigheid om den hals. Het scheelde weinig, of de waardige secretaris was achterover gevallen. "Een ruwe knaap," zeide hij, "ik zal hem aardrijkskunde leeren."
Daar John Mangles op zich nam om een zeeman, Glenarvan om een moedig man, de majoor om een koelbloedigen jongen, Helena om een goed en edelmoedig mensch, Mary Grant om een dankbaren kweekeling van zulke meesters van hem te maken, kon het niet anders of hij moest eenmaal een volmaakt "gentleman" worden.
DeDuncanhad spoedig den noodigen voorraad kolen aan boord, waarna zij die treurige streken verliet, den koers westwaarts naar de kust van Brazilië rigtte, en den 7denSeptember, na met een frissche koelte uit het noorden de linie gepasseerd te zijn, in het zuidelijk halfrond kwam.
De reis ging dus tot nog toe zeer goed; iedereen had goeden moed. Op dezen togt ter opsporing van kapitein Grant scheen de kans op een goeden uitslag dagelijks grooter te worden. De kapitein koesterde wel het meeste vertrouwen. Maar zijn vertrouwen vloeide vooral voort uit zijn hartewensch om miss Mary gelukkig en getroost te zien. Hij had een bijzondere belangstelling voor dat meisje opgevat, en verborg dat gevoel zoo goed, dat behalve Mary Grant en hij zelf, iedereen aan boord van deDuncanhet bemerkte.
De geleerde aardrijkskundige was waarschijnlijk de gelukkigste mensch op het zuidelijk halfrond; hij bragt den geheel en dag door met de kaarten te bestudeeren, die hij op de tafel in de algemeene kamer uitspreidde, waaruit dagelijks geschil ontstond met Olbinett, die de tafel niet kon dekken. Maar Paganel had al de bewoners der kampanje op zijn hand, behalve den majoor, die zeer onverschillig was voor aardrijkskundige vraagstukken, vooral tegen etenstijd. Ook had hij een heelen hoop zeer geschonden boeken in de koffers van den eersten stuurman gevonden, en daaronder eenige spaansche werken, hetgeen hem op den inval bragt om de taal van Cervantes, welke niemand aan boord magtig was, te gaan leeren. Dat zou zijn nasporingen op de chilische kust gemakkelijk maken. Wegens zijn aanleg voor het leeren van talen, twijfelde hij geenszins of hij zou die nieuwe taal vloeijend kunnen spreken bij zijn komst te Concepcion. Hij leerde dan ook met veel ijver, en onophoudelijk hoorde men hem allerlei onzamenhangende lettergrepen mompelen.
In zijn uren van uitspanning verzuimde hij niet om den jongen Robert praktisch te onderrigten, en vertelde hij hem de geschiedenis van die kusten, welke deDuncanzoo snel naderde.
Het was den 10denSeptember, en men bevond zich toen op 5°37' breedte en 31°15' lengte. Op dien dag vernam Glenarvan iets, dat zelfs geleerder menschen misschien niet weten. Paganel vertelde de geschiedenis van Amerika, en om op de groote zeevaarders te komen, wier spoor het jagt nu volgde, begon hij bij Christophorus Columbus; hij eindigde met te zeggen, dat de beroemde Genuees gestorven was, zonder te weten, dat hij een nieuwe wereld ontdekt had.
Niemand zijner hoorders wilde dit gelooven. Paganel bleef het echter volhouden.
"Niets is zekerder," voegde hij er bij. "Ik wil den roem van Columbus niet verminderen; maar het feit is bewezen. Tegen het einde der vijftiende eeuw hield slechts ééne gedachte alle geleerden bezig: de gemeenschap met Azië gemakkelijker te maken, en het Oosten te zoeken langs westelijke wegen; in een woord, om langs den kortsten weg naar "het land der specerijen" te gaan. Columbus beproefde het. Hij deed vier reizen; hij deed Amerika aan op de kusten van Cumana, Honduras, Mosquitos, Nicaragua, Veragua, Costa-Rica en Panama, zag dat alles aan voor Japan en China, en stierf zonder kennis te dragen van het groote vastland, dat niet eens zijn naam zou dragen!"
"Ik wil u wel gelooven, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan; "maar gij zult mij toch zeker mijn verwondering niet ten kwade duiden, evenmin als mijn verlangen om te weten, welke zeevaarders dan wel de waarheid aangaande de ontdekkingen van Columbus aan den dag hebben gebragt."
"Zijne opvolgers: Ojeda, die hem reeds op zijne reizen vergezeld had, zoowel als Vincentius Pinzon, Vespucius, Mendoza, Bastidas, Cabral, Solis, Balboa. Deze zeevaarders zeilden langs de oostkust van Amerika; zij bepaalden haar zuidelijke grenzen en werden, nu reeds drie honderd zestig jaar geleden, door dezelfde strooming medegevoerd, die ons voortdrijft! Ziet, mijne vrienden! wij zijn de linie gepasseerd op dezelfde plaats, waar Pinzon haar in het laatst der vijftiende eeuw passeerde, en wij naderen den achtsten graad zuiderbreedte, waaronder hij de braziliaansche kust aantrof. Een jaar later kwam de Portugees Cabral tot aan de haven Seguro. Vespucius ging later op zijn derden togt in 1502 nog verder zuidwaarts. In 1508 verbonden zich Vincentius Pinzon en Solis om de kusten van Amerika te onderzoeken, en in 1514 ontdekte Solis den mond der Rio de la Plata, waar hij door de inboorlingen verslonden werd, zoodat aan Magellaan de eer te beurt viel van de aarde rond te reizen. Die groote zeevaarder vertrok in 1519 met vijf vaartuigen, volgde de kusten van Patagonië, ontdekte de haven Désiré, de haven San-Julian, waar hij een geruimen tijd bleef liggen, vond op twee en vijftig graden breedte de straat der Elf duizend Maagden, die naar hem zou genoemd worden, en kwam den 28stenNovember 1520 in de Stille Zuidzee. O! welk een blijdschap moest hij gevoelen, en welke ontroering zal zijn hart hebben doen kloppen, toen hij aan den gezigteinder een nieuwe zee zag fonkelen onder de stralen der zon!"
"Ja, mijnheer Paganel!" riep Robert Grant uit, die opgetogen was van geestdrift door de woorden van den aardrijkskundige, "daar zou ik gaarne bij geweest zijn!"
"Ik ook, mijn jongen! en ik zou zulk een gelegenheid niet hebben laten ontglippen, als de hemel mij drie honderd jaar vroeger had laten geboren worden!"
"Dat zou jammer voor ons geweest zijn, mijnheer Paganel!" antwoordde lady Helena; "want dan zoudt gij ons nu op de kampanje derDuncandie geschiedenis niet vertellen."
"Een ander zou het in mijne plaats gedaan hebben, mevrouw! en hij zou er bijgevoegd hebben, dat de kennismaking met de westkust te danken is aan de gebroeders Pizarro. Deze stoutmoedige gelukzoekers waren groote stedenstichters. Cusco, Quito, Lima, Santiago, Villarica, Valparaiso en Concepcion, waar deDuncanons heenbrengt, zijn hun werk. Te dien tijde sloten de ontdekkingen van Pizarro zich aan bij die van Magellaan, en de geheele amerikaansche kust kwam op de kaarten voor, tot groot genoegen van de geleerden der oude wereld."
"En ik," zeide Robert, "zou nog niet tevreden geweest zijn."
"Waarom niet?" vroeg Mary, terwijl zij haar broeder aanzag, die opgewonden werd bij het verhaal van die groote ontdekkingen.
"Ja, jongenlief! waarom niet?" vroeg lord Glenarvan met een bemoedigend glimlachje.
"Omdat ik had willen weten, wat er aan gene zijde der straat van Magellaan lag."
"Bravo, vriendje!" antwoordde Paganel, "en ik had ook willen weten of het vastland tot aan de pool liep, dan wel of er een opene zee bestond, zooals Drake, een uwer landgenooten, mylord! vooronderstelde. Het is dus stellig zeker, dat als Robert Grant en Jacques Paganel in de zeventiende eeuw geleefd hadden, zij zich met Schouten en Lemaire ingescheept zouden hebben, twee Nederlanders, die zeer begeerig waren om de oplossing van dat aardrijkskundig raadsel te vinden."
"Waren het geleerden?" vroeg lady Helena.
"Neen! maar stoute handelaars, die zich weinig bekommerden om de wetenschappelijke zijde der ontdekkingen. Er bestond toen in Holland een Oost-Indische Compagnie, die alleen het regt had om door de straat van Magellaan handel te drijven. Daar nu te dien tijde geen andere doortogt bekend was om langs de wegen van het westen naar Azië te komen, was de alleenhandel het gevolg van dat voorregt. Menige handelaren wilden daarom dat monopolie nutteloos maken door een andere straat te ontdekken, en daaronder behoorde een zekere Isaac Lemaire, een schrander en bekwaam man. Hij rustte met eenige burgers van Hoorn twee schepen uit onder bevel van zijn neef, Jacob Lemaire, en van Schouten, een goed zeeman, te Hoorn geboren. Die stoute zeereizigers zeilden in de maand Junij van het jaar 1615 uit, bijna een eeuw na Magellaan; zij ontdekten de straat van Lemaire, tusschen het Vuurland en het Stateneiland, en den 12denFebruarij 1616 zeilden zij om kaap Hoorn, die met meer regt dan haar zuster, de kaap de Goede Hoop, den naam van Stormkaap verdiend zou hebben."[1]
"Ja zeker, daar had ik wel bij willen zijn!" riep Robert.
"En gij zoudt uit de bron der levendigste aandoeningen geput hebben, mijn jongen!" hernam Paganel, die hoe langer hoe opgewondener werd. "Bestaat er wel een echter genoegen, een wezenlijker vermaak dan dat van den zeevaarder, die zijne ontdekkingen op de scheepskaart aanteekent? Hij ziet de landen allengs onder zijn oog ontstaan, eiland na eiland, voorgebergte na voorgebergte, ja, om zoo te zeggen uit den schoot der golven oprijzen! Eerst zijn de grenslijnen onduidelijk, afgebroken, onzamenhangend! Hier een eenzame kaap, daar een afgelegen baai, verder een golf, die zich in de ruimte verliest. Langzamerhand worden de ontdekkingen volledig, de lijnen sluiten aan elkander, de punten op de kaart maken plaats voor een streep; de baaijen dringen boogvormig in bepaalde kusten, de kapen rusten op vaste oevers; eindelijk ontvouwt zich het nieuwe vastland met zijn meren, rivieren en stroomen, zijn bergen, dalen en vlakten, zijn dorpen, steden en hoofdsteden, in al zijn schitterende pracht op de globe! Ach, mijne vrienden! een landontdekker is waarlijk een uitvinder! Hij gevoelt al diens aandoeningen en verrassingen! Maar nu is die mijn bijna uitgeput! Men heeft ten aanzien van vastlanden of nieuwe werelden alles gezien, alles onderzocht, alles uitgevonden, en wij, die zoo achteraan komen in de wetenschap der aardrijkskunde, wij hebben niets meer te doen!"
"Gij vergist u, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan.
"En wat dan?"
"Wat wij doen!"
Intusschen vorderde deDuncangoed op den weg der Vespuciussen en Magellaans. Op den 15denSeptember passeerde zij den steenbokskeerkring, en werd de steven naar den ingang der beroemde straat gerigt; verscheidene malen bemerkte men de lage kusten van Patagonië, maar als een lijn, die ter naauwernood aan den gezigteinder zigtbaar was; men schatte den afstand op meer dan tien mijlen, en de sterke kijker van Paganel gaf hem slechts een onduidelijk beeld van die amerikaansche oevers.
Den 25stenSeptember was deDuncanop de hoogte der straat van Magellaan. Zij stevende haar onbeschroomd in; de stoomschepen, die naar de Stille Zuidzee gaan, geven meestal de voorkeur aan dezen weg, die slechts drie honderd zes en zeventig mijlen[2]lang is; de de grootste schepen vinden overal diep water, zelfs op de ondiepten aan de oevers, een uitmuntenden ankergrond, talrijke waterplaatsen, vischrijke rivieren, een overvloed van wild in de bosschen, op twintig plaatsen veilige en gemakkelijke havens, kortom duizend hulpmiddelen, die men te vergeefs zoekt in de straat van Lemaire en bij de verschrikkelijke rotsen van kaap Hoorn, waar onafgebroken orkanen en stormen heerschen.
Gedurende de eerste uren van den togt, dat is te zeggen over een lengte van zestig a tachtig mijlen, tot aan kaap Gregorius, zijn de kusten laag en zandig. Jacques Paganel wilde geen enkel gezigtspunt of bijzonderheid van de straat over het hoofd zien; de togt zou ter naauwernood zes en dertig uren duren, en dat bewegelijk panorama van de beide oevers was wel de moeite waard, die de geleerde nam, om het bij het heldere licht der zuiderzon te bewonderen. Geen inwoner was op de noordelijke kust te zien; alleen doolden eenige ellendige Vuurlanders op de kale rotsen van het Vuurland.
Paganel had dus het verdriet van geen Patagoniërs te zien. Dit speet hem zeer, tot groot vermaak zijner reisgenooten.
"Een Patagonië zonder Patagoniërs is geen Patagonië meer," zeide hij.
"Geduld, waarde aardrijkskundige!" antwoordde hem Glenarvan, "wij zullen Patagoniërs zien."
"Ik ben er niet zeker van."
"Maar zij bestaan toch," zeide lady Helena.
"Ik betwijfel het zeer, mevrouw! ook zie ik er niet."
"Die naam Patagoniërs, die in het spaansch "grootvoeten" beteekent, zal toch wel niet aan denkbeeldige wezens gegeven zijn."
"O! de naam doet er niets toe," antwoordde Paganel, die in zijn meening bleef volharden om het gesprek aan den gang te houden, "bovendien weet men om de waarheid te zeggen niet eens hoe zij heeten."
"Nu nog mooijer!" riep Glenarvan. "Wist gij dat, majoor?"
"Neen!" antwoordde Mac Nabbs, "en ik zou er geen schots pond voor geven om het te weten."
"En toch zult gij het hooren, onverschillige majoor!" hernam Paganel. "Heeft Magellaan de inboorlingen dezer streken Patagoniërs genoemd, de Vuurlanders noemen hen Tiremenen, de Chiliërs Cancalhues, de kolonisten van de Carmen Tehuelches, de Araucaniërs Huiliches; Bougainville geeft hun den naam van Chaouha, Falkner dien van Tehuelhets! Zich zelven geven zij den algemeenen naam van Inaken! Nu vraag ik u, hoe men daaruit wijs kan worden, en of een volk, dat zooveel namen heeft, bestaan kan!"
"Daar valt niets tegen in te brengen!" antwoordde lady Helena.
"Toegegeven!" hernam Glenarvan; "maar onze vriend Paganel zal toch, meen ik, bekennen, dat zoo er al twijfel bestaat over den naam der Patagoniërs, men het althans over hun lengte wel eens is!"
"Nooit zal ik zoo iets bekennen," antwoordde Paganel.
"Zij zijn groot," zeide Glenarvan.
"Ik weet het niet."
"Klein dan?" vroeg lady Helena.
"Dat kan niemand zeggen."
"Middelmatig dan?" zeide Mac Nabbs om alles in orde te brengen.
"Ik weet het evenmin."
"Dat gaat toch te ver!" riep Glenarvan "De reizigers, die hen gezien hebben...."
"De reizigers, die hen gezien hebben," antwoordde de aardrijkskundige, "zijn het volstrekt niet eens. Magellaan zeide, dat zijn hoofd naauwelijks tot hun gordel reikte."
"Welnu!"
"Ja maar Drake beweert, dat de Engelschen grooter zijn dan de grootste Patagoniër!"
"O! Engelschen! dat is mogelijk" antwoordde de majoor op een toon van minachting; "maar als het Schotten waren."
"Cavendish verzekert, dat zij groot en sterk zijn," hernam Paganel. "Hawkins maakt er reuzen van. Lemaire en Schouten geven hun een lengte van elf voet."
"Goed! dat zijn geloofwaardige lieden," zeide Glenarvan.
"Ja! even geloofwaardig als Wood, Narborough en Falkner, die bevonden hebben, dat zij van eene middelmatige gestalte zijn. Wel is waar verzekeren Byron, la Giraudais, Bougainville, Wallis en Carteret, dat de Patagoniërs zes voet en zes duim lang zijn; maar de geleerde d'Orbigny, die deze streken het best kent, geeft hun een gemiddelde lengte van vijf voet en vier duim."
"Maar," zeide lady Helena, "wat is nu de waarheid te midden van zooveel tegenstrijdigheden?"
"De waarheid, mevrouw!" antwoordde Paganel, "is, dat de Patagoniërs korte beenen en een groot bovenlijf hebben. Men kan dus zijn gevoelen op een grappige wijze uitdrukken door te zeggen, dat die menschen zes voet lang zijn, als zij zitten, en maar vijf, wanneer zij staan."
"Bravo! goed gezegd! mijn waarde geleerde!" antwoordde Glenarvan.
"Tenzij zij niet bestaan," hernam Paganel; "hetgeen een einde aan het verschil zou maken. Maar ten besluite, mijne Vrienden! voeg ik er deze troostrijke opmerking bij, dat de straat van Magellaan prachtig is, ook zonder Patagoniërs!"
Op hetzelfde oogenblik voer deDuncanom het schiereiland Brunswijk, tusschen twee prachtige panorama's. Zeventig mijlen voorbij kaap Gregorius zag men aan stuurboordszijde het verbeterhuis van Punta Arena. De Chilische vlag en de kerktoren vertoonden zich even tusschen de boomen. Verderop liep de straat tusschen ontzagwekkende granietmassa's; de bergen verscholen hun voet in de ontzaggelijke wouden, en verhieven hun met eeuwige sneeuw bedekte kruinen tot in de wolken; ten zuidwesten rees de berg Tarn tot een hoogte van zes duizend vijfhonderd voet op; de avond viel, voorafgegaan door een lange schemering; het licht verdween onmerkbaar met zachte schakeeringen; schitterende sterrebeelden werden aan den hemel zigtbaar en het Zuiderkruis wees den zeevaarders de rigting der zuidpool. Bij die verlichting door het schijnsel der sterren, die de vuurtorens op de kusten der beschaafde landen vervangen, zette het jagt, in weerwil van den nacht, zijn reis moedig voort, zonder het anker te werpen in een der menigvuldige baaijen op den oever; dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken; dikwijls ook bragt de schroef beweging in het water der groote rivieren, door de ganzen, eenden, snippen en talingen en de andere gevederde waterbewoners wakker te maken. Weldra vertoonden zich puinhoopen en eenige ingestorte gebouwen, waaraan de nacht een grootsch voorkomen gaf. Het waren de treurige overblijfselen eener verlatene kolonie, wier naam eeuwig verzet zal aanteekenen tegen de vruchtbaarheid dezer kusten en den rijkdom aan wild dier wouden. DeDuncanliep voorbij Hongerhaven.