... dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken...... dikwijls raakte de top der ra de takken van de beuken der zuidpoolgewesten aan, die over de golven uitstaken...
Hier had de Spanjaard Sarmiento zich in 1581 met vier honderd uitgewekenen neergezet; hij stichtte er de stad San-Felipe; een verschrikkelijke koude teisterde de kolonie, de hongersnood doodde degenen, die de winter had gespaard, en in 1587 vond de kaper Cavendish den laatste dier vier honderd ongelukkigen, die van honger stierf op de puinhoopen eener stad, die wel zes eeuwen oud scheen en toch maar zes jaren bestaan had.
DeDuncanstevende voorbij die woeste oevers; bij zonsopgang bevond zij zich in het midden der naauwe kanalen, tusschen wouden van beuken, esschen en berken, waarboven groene koepels, heuveltjes met weelderige hulst begroeid en scherpe rotspunten uitstaken, waaronder de obelisk van Buckland zich tot een aanzienlijke hoogte verhief. Men voer voorbij den ingang der St.-Nicolaasbaai, vroeger door Bougainville de baai der Franschen genoemd; in de verte dartelden kudden groote robben en walvisschen, althans naar de waterstralen te oordeelen, die op een afstand van vier mijlen zigtbaar waren. Eindelijk voer men om kaap Froward, die nog geheel bedekt was met het ijs van den vorigen winter. Aan de overzijde der straat verhief zich op Vuurland de berg Sarmiento ter hoogte van zes duizend voet, een verbazende opeenhooping van rotsen door stapels wolken gescheiden, die als het ware een archipel van in de lucht drijvende eilandjes vormden.
Het eigenlijke vastland van Amerika eindigt bij kaap Froward; want kaap Hoorn is slechts een afgezonderde rots in zee op zes en vijftig graden breedte.
Voorbij dit punt wordt de straat ingeklemd tusschen het schiereiland Brunswijk en het Desolations-eiland, dat zich in de lengte tusschen duizend eilandjes uitstrekt, als een ontzaggelijke walvisch, die op strandkeitjes is aangespoeld. Welk een verschil tusschen dit verbrokkelde uiteinde van Amerika, en de sierlijke en nette punten van Afrika, Australië of Indië! Door welke onbekende overstrooming zou toch wel dat ontzaggelijke voorgebergte zoo tusschen twee zeeën geklemd en tot stof vergruisd zijn?
Nu volgde op de vruchtbare oevers een naakte kuststrook, met een woest voorkomen, ingevreten door de duizenden stroompjes van dezen verwarden doolhof. Zonder zich te vergissen noch te aarzelen volgde deDuncande grillige kronkelingen, terwijl zij de door de rotsen gescheurde nevels met haar rookwolken vermengde. Zonder haar vaart te vertragen stoomde zij voorbij eenige spaansche factorijen, die op deze verlatene oevers waren opgerigt. Bij kaap Tamar werd de straat breeder; het jagt had nu de noodige ruimte om de steile kust der Narborough eilanden om te varen, en naderde den zuidelijken oever. Zes en dertig uren eindelijk nadat het de straat was ingestoomd, ontdekte men de rots van kaap Pilares op de uiterste punt van Desolations-eiland. Een onmetelijke, opene, fonkelende zee breidde zich voor den steven uit, en terwijl Jacques Paganel haar met een gebaar van geestdrift begroette, voelde hij zich even aangedaan als Ferdinand Magellaan zelf was, toen deTrinitad[3]zich boog onder de koelte van de Stille Zuidzee.
[1]De onverschrokken reizigers moesten hun onderneming duur boeten. Op Java komende, werd hun door den gouverneur-generaal aangezegd, dat zij tegen het octrooi, aan de Oost-Indische maatschappij verleend, gezondigd hadden, en hij hen als zeeroovers moest beschouwen en hun schepen verbeurd verklaren. De V.
[1]De onverschrokken reizigers moesten hun onderneming duur boeten. Op Java komende, werd hun door den gouverneur-generaal aangezegd, dat zij tegen het octrooi, aan de Oost-Indische maatschappij verleend, gezondigd hadden, en hij hen als zeeroovers moest beschouwen en hun schepen verbeurd verklaren. De V.
[2]130 uren.
[2]130 uren.
[3]Het schip, waarop Magellaan zich bevond.
[3]Het schip, waarop Magellaan zich bevond.
Acht dagen na het omvaren van kaap Pilares, stoomde deDuncande baai van Talcahuano binnen, een prachtige inham van twaalf mijlen lang en negen breed. Het was heerlijk weder. Van November tot Maart ziet men in deze streek geen wolkje aan de lucht, en waait er onafgebroken een zuidewind langs deze, door de keten der Andes beschutte kust. Op bevel van Edward Glenarvan had John Mangles het digt onder den Chiloë-archipel en de tallooze brokstukken van het amerikaansche vastland gehouden. Het een of ander strandgoed, gebroken sparren, een door menschenhanden bewerkt stuk hout kon voor deDuncaneen spoor van de schipbreuk zijn, maar er was niets te zien, en het jagt zijn weg vervolgende ankerde in de haven van Talcahuano, twee en veertig dagen nadat het de mistige wateren der Clyde had verlaten.
Terstond liet Glenarvan zijn sloep in zee brengen, en door Paganel gevolgd stapte hij aan den voet van het paalwerk aan land. Van de gelegenheid gebruik makende wilde de geleerde aardrijkskundige zich van de spaansche taal bedienen; maar tot zijn groote verbazing kon hij zich niet door de inboorlingen doen verstaan.
"Ik heb den klemtoon nog niet," zeide hij.
"Kom, ga mede naar het tolkantoor," antwoordde lord Glenarvan.
Door middel van eenige engelsche woorden vereenigd met de gebarentaal vertelde men hun daar, dat de britsche consul te Concepcion woonde. Het was een rit van een uur. Glenarvan vond gemakkelijk twee vlugge paarden en spoedig waren Paganel en hij binnen de muren dier groote stad, die haar ontstaan had te danken aan den ondernemenden geest van Valdivia, den wakkeren medgezel der Pizarro's.
Hoezeer was haar oude luister getaand! Dikwijls door de inboorlingen geplunderd, in 1819 in den asch gelegd en verwoest, zoodat de muren nog zwart waren van den rook, reeds door Talcahuano overvleugeld, telde zij naauwelijks acht duizend zielen. De straten veranderden in weilanden onder de trage schreden der inwoners. Geen handel werd er meer gedreven, de nijverheid bestond niet meer, het doen van zaken was onmogelijk geworden. De luit klonk op ieder balkon; smachtende liederen drongen door de tralievensters, en Concepcion, die oude stad van mannen, was een dorp van vrouwen en kinderen geworden.
Glenarvan had weinig lust om de oorzaken van dat verval op te sporen, hoewel Jacques Paganel het gesprek op dit onderwerp bragt, en zonder een oogenblik te verzuimen begaf hij zich naar de woning van den heer J.R. Bentock, consul van Hare Britsche Majesteit. Deze ontving hem zeer beleefd en na de geschiedenis van kapitein Grant vernomen te hebben, nam hij op zich om langs de geheele kust onderzoek te doen.
De vraag of de driemasterBritannialangs de kusten van Chili of Araucanië naar de zeven en dertigste parallel was gestevend, werd ontkennend beantwoord.
Noch deze consul noch die der andere natiën had eenig berigt betreffende een voorval van dien aard ontvangen. Glenarvan gaf den moed niet op. Hij kwam te Talcahuano terug, en tijd, moeite noch geld ontziende, zond hij agenten langs de kust uit. Die nasporingen waren te vergeefsch. Het naauwkeurigst onderzoek bij de kustbewoners in het werk gesteld leverde geen uitkomst op. Men moest hieruit besluiten, dat er geen spoor van de schipbreuk derBritanniawas overgebleven.
Nu gaf Glenarvan zijn reisgenooten kennis van den ongelukkigen uitslag zijner pogingen. Mary Grant en haar broeder konden hun droefheid niet verbergen. Het was nu zes dagen na de aankomst derDuncante Talcahuano. De passagiers waren in de bovenhut bijeen. Lady Helena troostte, niet met woorden,—want wat zou zij hebben kunnen zeggen?—maar door haar liefkozingen de beide kinderen van den kapitein. Jacques Paganel had het document weder in handen genomen, en beschouwde het zoo oplettend, alsof hij er nieuwe geheimen aan had willen ontrukken. Dit duurde reeds een uur lang, toen Glenarvan hem aansprak.
"Paganel! ik doe een beroep op uwe schranderheid. Hebben wij een verkeerde uitlegging aan dit document gegeven? Is de zin dezer woorden niet logisch?"
Paganel gaf geen antwoord. Hij dacht na.
"Vergissen wij ons in het vermoedelijk tooneel der ramp?" hernam Glenarvan. "Moet zelfs de onoplettendste hier geen Patagonië lezen?"
Paganel bleef nog altijd zwijgen.
"Eindelijk," zeide Glenarvan, "pleit het woordIndiaanook niet voor ons gevoelen?"
"Wel zeker!" antwoordde Mac Nabbs.
"En is het dan niet duidelijk, dat de sohipbreukelingen, toen zij deze regelen schreven, verwachtten gevangenen te worden door de Indianen?"
"Wacht even, waarde lord!" antwoordde Paganel eindelijk; "al zijn uwe andere gevolgtrekkingen juist, deze laatste is dunkt mij niet aannemelijk."
"Wat bedoelt gij daarmede?" vroeg lady Helena, terwijl allen hun blikken op den aardrijkskundige rigtten.
"Ik wil zeggen," antwoordde Paganel met bijzonderen nadruk, "dat kapitein Grantthans gevangen is bij de Indianen, en wat meer is, het document laat niet toe om daaraan te twijfelen."
"Verklaar u, mijnheer!" zeide miss Grant.
"Niets is gemakkelijker, lieve Mary! lees maar op het documentzijn gevangenin plaats vanzullen gevangen zijn, en alles is duidelijk."
"Maar dat is onmogelijk!" riep lord Edward.
"Onmogelijk! En waarom, mijn edele vriend?" vroeg Paganel glimlagchend.
"Omdat de flesch in zee moet geworpen zijn, toen het schip tegen de rotsen verbrijzeld werd. Daaruit volgt noodzakelijk, dat de graden lengte en breedte betrekking hebben op de plaats der schipbreuk."
"Daar is niet het minste bewijs voor," antwoordde Paganel met drift, "en ik zie niet in, waarom de schipbreukelingen, nadat de Indianen hen tot in het binnenland hadden gesleept, geen poging zouden aangewend hebben om door middel van deze flesch de plaats hunner gevangenschap te doen kennen."
"Heel eenvoudig, waarde Paganel! omdat er, als men een flesch in zee wil werpen, toch een zee moet zijn!"
"Of, als er geen zee is," gaf Paganel ten antwoord, "rivieren, die er in uitloopen!"
Dit onverwachte en toch zeer aannemelijke antwoord deed allen van verbazing zwijgen. Het vuur, dat in de oogen zijner toehoorders schitterde, bewees Paganel, dat allen zich aan een nieuwe hoop vastklemden. Lady Helena verbrak het eerst de stilte.
"Welk een gedachte!" riep zij uit.
"En welk een goede gedachte!" voegde de aardrijkskundige er droogweg bij.
"Uw gevoelen is dus?..." vroeg Glenarvan.
"Mijn gevoelen is, dat wij de zeven en dertigste parallel moeten opzoeken ter plaatse, waar zij de amerikaansche kust snijdt, en haar, zonder ook maar een halven graad af te wijken, moeten volgen tot het punt, waar zij den Atlantischen Oceaan raakt. Misschien vinden wij in haar rigting de schipbreukelingen derBritannia."
"De kans is gering!" meende de majoor.
"Zoo gering als zij is," hernam Paganel, "mogen wij haar toch niet verzuimen. Misschien heb ik gelijk, dat deze flesch door den stroom eener rivier van dit vastland naar zee is gedreven, en dan kan het niet missen, of wij moeten de gevangenen op het spoor komen. Beziet de kaart van het land maar, vrienden! en ik zal het u overtuigend bewijzen!"
Dit zeggende, ontrolde Paganel op de tafel een kaart van Chili en der argentijnsche republiek.
"Let op," zeide hij, "en volgt mij op die wandeling over het amerikaansche vastland. Wij zullen het smalle kustland Chili overstappen, de Cordillera's de los Andes overklimmen en in de Pampa's afdalen. Hebben die streken gebrek aan stroomen, rivieren of beken? Neen! Dit is de Rio Negro, dat de Rio Colorado, dat haar bijrivieren, die door de zeven en dertigste parallel worden gesneden en allen hebben kunnen dienen tot vervoer van het document. In het midden van een stam, in de handen van in dorpen wonende Indianen, aan den oever dezer weinig bekende rivieren, in de engten der Sierra's, wachten misschien degenen, die ik het regt heb onze vrienden te noemen, op de tusschenkomst van God! Moeten wij hun hoop verijdelen? Is het niet ons aller plan om door die streken de regte lijn te volgen, die ik thans met den vinger op de kaart aanwijs, en indien ik mij tegen alle verwachting bedrieg, dan blijft het immers toch onze pligt om de zeven en dertigste parallel ten einde toe te volgen, en, wanneer het noodig is met haar om de aarde te reizen om de schipbreukelingen terug te vinden!"
Deze woorden, met een edelmoedige drift uitgesproken, bragten een diepe aandoening te weeg onder de hoorders van Paganel. Allen stonden op en gaven hem de hand.
"Ja! vader is dààr," riep Robert, die de kaart met zijn blikken verslond.
"En waar hij is," antwoordde lord Edward, "zullen wij hem weten terug te vinden, mijn kind! De uitlegging van onzen vriend Paganel is juist, en wij moeten zonder aarzelen den weg volgen, dien hij ons voorschrijft. Of kapitein Grant is in handen van talrijke Indianen, of hij is gevangen bij een zwakken stam. In het laatste geval bevrijden wij hem. In het andere gaan wij, na zijn toestand onderzocht te hebben, weder naar de oostkust aan boord van deDuncan, varen naar Buenos-Ayres, en daar zal een afdeeling soldaten onder aanvoering van den majoor Mac Nabbs wel al de Indianen in de argentijnsche republiek teregt zetten!"
"Goed, goed! Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, "en ik voeg er nog bij, dat die togt over het amerikaansche vastland zonder gevaar kan volbragt worden."
"Zonder gevaar en zonder vermoeijenis," hernam Paganel. "Hoevelen hebben hem reeds volbragt, die op verre na zoo goed niet uitgerust waren als wij, en wier moed niet werd staande gehouden door de grootheid der onderneming! Is een zekere Basilio Villarmo niet in 1782 van Carmen naar de Cordillera's gegaan? Heeft in 1806 een Chiliaan, de alcade (regter) der provincie Concepcion, don Luiz de la Cruz, uit Antuco niet diezelfde zeven en dertigste parallel gevolgd, en is hij, de Andes overgetrokken zijnde, niet te Buenos-Ayres aangekomen, na een reis van zeven en veertig dagen? Hebben eindelijk de kolonel Garcia, de heer Alcide d'Orbigny en mijn geëerde ambtgenoot, doctor Martin de Moussy, dit land niet in alle rigtingen doorkruist en voor de wetenschap gedaan, wat wij uit menschlievendheid gaan doen?"
"Mijnheer! mijnheer!" zeide Mary Grant, wier stem door aandoening verstikt werd, "hoe zullen wij ooit een opoffering vergelden, die u aan zooveel gevaren blootstelt?"
"Gevaren!" riep Paganel. "Wie heeft het woord gevaar uitgesproken?"
"Ik althans niet!" antwoordde Robert Grant met een fonkelend oog en een vasten blik.
"Gevaren!" hernam Paganel, "bestaan er wel gevaren? Bovendien, wat is de heele zaak? Een reis van ter naauwernood drie honderd vijftig uren, daar wij in een regte lijn zullen gaan; een reis, die volbragt zal worden onder dezelfde breedte als die van Spanje, Sicilië en Griekenland op het andere halfrond en bijgevolg onder een luchtstreek, die ten naastenbij dezelfde is; een reis, die hoogstens een maand zal duren! Het is een wandeling!"
"Mijnheer Paganel!" vroeg nu lady Helena, "denkt gij dan, dat het leven der schipbreukelingen gespaard zal zijn, wanneer zij in de magt der Indianen gevallen zijn?"
"Wel zeker denk ik dat, mevrouw! Die Indianen zijn geen menscheneters! Verre van daar. Een mijner landgenooten, de heer Guinnard, dien ik in het genootschap voor de aardrijkskunde heb leeren kennen, is drie jaren lang gevangen geweest bij de Indianen der pampa's. Hij heeft geleden, hij is zeer slecht behandeld, maar toch heeft hij die beproeving doorgestaan. Een Europeaan is een nuttig wezen in die streken; de Indianen kennen zijne waarde, en verplegen hem als een kostbaar dier."
"Wij moeten dus niet langer aarzelen," zeide Glenarvan, "wij moeten vertrekken en wel zonder uitstel. Welken weg moeten wij nemen?"
"Een gemakkelijken en aangenamen weg," antwoordde Paganel. "Wat bergen in het begin, dan een zachte glooijing op de oostelijke helling der Andes, en eindelijk een effene, grasrijke, zandige vlakte, een ware tuin."
"Laat mij de kaart eens zien," zeide de majoor.
"Hier is zij, waarde Mac Nabbs! Ons uitgangspunt is de zeven en dertigste parellel op de chilische kust tusschen kaap Rumena en de baai van Carnero. Na de hoofdstad van Araucanië bezocht te hebben, trekken wij door den bergpas van Antuco over de Cordillera's en laten den vulkaan ten zuiden van ons liggen; daarna dalen wij de zachte hellingen der bergen af, trekken de Neuquem en de Rio Colorado over, en bereiken zoo de pampa's, het Zoutmeer, de rivier Guamini en de sierra (gebergte) Tapalquem. Daar zijn de grenzen der provincie Buenos-Ayres. Wij trekken ze over, beklimmen de sierra Tandil, en zetten onze nasporingen voort tot aan kaap Medano, aan de kusten van den Atlantischen Oceaan."
Terwijl hij sprak en het plan van de onderneming ontvouwde, nam Paganel niet eens de moeite om naar de kaart, die voor hem lag, te zien. Hij had het ook niet noodig. Grondig bekend met de werken van Frésier, Molina, Humboldt, Miers en d'Orbigny, en met een ijzervast geheugen begaafd, vergiste noch verwonderde hij zich ooit. Na die aardrijkskundige naamlijst opgenoemd te hebben, voegde hij er bij:
"Gij ziet het, mijne vrienden! het is een regte weg. In dertig dagen hebben wij hem afgelegd, en wij zullen nog vóór deDuncanop de oostkust zijn, als de tegenwind haar vaart maar een weinig belemmert."
"Dan moet deDuncantusschen kaap Corrientes en kaap St.-Antonius blijven kruisen?" zeide John Mangles.
"Juist."
"En waar zult gij de noodige personen voor zulk een onderneming vandaan halen?" vroeg lord Edward.
"Niets gemakkelijker dan dat. Het is ons alleen te doen om onderzoek te doen naar den toestand van kapitein Grant en niet om geweerschoten met de Indianen te wisselen. Ik geloof, dat lord Glenarvan, ons natuurlijk opperhoofd, de majoor, die zijn plaats aan niemand zal willen afstaan, uw dienaar, Jacques Paganel...."
"En ik!" riep de jonge Grant.
"Robert! Robert!" zeide Mary.
"En waarom niet?" antwoordde Paganel. "De jeugd wordt door reizen gevormd. Wij met ons vieren dus en drie man van deDuncan...."
"Denkt Uwe Edelheid niet aan mij?" zeide John Mangles zich tot zijn heer wendende.
"Waarde John!" antwoordde Glenarvan, "wij laten de dames aan boord, dat is te zeggen het liefste, wat wij op aarde hebben! Wie zou voor haar waken, als de verknochte kapitein derDuncanhet niet deed?"
"Mogen wij u dan niet vergezellen?" vroeg lady Helena met tranen in de oogen.
"Lieve Helena!" antwoordde Glenarvan, "wij moeten met buitengewonen spoed reizen; onze scheiding zal van korten duur zijn, en...."
"Ja, mijn vriend! ik begrijp u," antwoordde lady Helena; "ga dan en moge uw onderneming met een gewenschten uitslag bekroond worden!"
"Bovendien is het geen reis," zeide Paganel.
"Niet? wat is het dan?" vroeg lady Helena.
"Een doortogt, anders niet. Wij zullen doortrekken, ziedaar alles, gelijk de brave man op aarde, zooveel goed doende als in onze magt staat.Transire benefaciendo, is onze leus."
Dit gezegde van Paganel maakte een einde aan de redetwist, als men een gesprek zoo mag noemen, waarin allen van dezelfde meening waren. Dienzelfden dag nog maakte men een begin met de toebereidselen. Men besloot den togt geheim te houden om de Indianen niet wakker te maken.
Het vertrek werd op den 14denOctober bepaald. Toen het er op aankwam om de matrozen te kiezen, die bestemd waren om mede te gaan, boden allen hun diensten aan, en Glenarvan was alleen verlegen in de keus. Hij besloot dus zijn toevlugt te nemen tot het lot om zulken wakkeren mannen geen verdriet aan te doen. Zoo gebeurde het ook, en de eerste stuurman, Tom Austin, Wilson, een stevige klant, en Mulrady, die Tom Sayers[1]zelven wel tot een bokspartij had durven uitdagen, hadden geene reden om over het lot te klagen.
Tom Austin, Wilson, en Mulrady...Tom Austin, Wilson, en Mulrady...
Lord Edward had een buitengewonen spoed met zijn toebereidselen gemaakt. Hij wilde op den bepaalden dag gereed zijn, en was het ook. John Mangles wedijverde met hem om kolen in te nemen, ten einde oogenblikkelijk zee te kunnen kiezen. Hij wilde nog vóór de reizigers de argentijnsche kust bereiken. Daaruit ontstond een ware wedstrijd tusschen Glenarvan en den jongen kapitein, die voor allen voordeelig was.
Inderdaad was op den 14denOctober op het bepaalde uur alles gereed. Toen het oogenblik van het vertrek gekomen was, kwamen al de passagiers van het jagt in de algemeene kamer bijeen. DeDuncanwas gereed om uit te loopen en de armen van haar schroef bragten reeds het heldere water van Talcahuano in een golvende beweging. Glenarvan, Paganel, Mac Nabbs, Robert Grant, Tom Austin, Wilson en Mulrady, met karabijnen en revolvers Colt gewapend, maakten zich gereed om van boord te gaan. Gidsen en muilezels wachtten hen aan het staketsel.
"Het is tijd!" zeide lord Edward eindelijk.
"Ga dan, mijn vriend!" antwoordde lady Helena, die haar aandoening trachtte te bedwingen.
Lord Glenarvan drukte haar aan zijn hart, terwijl Robert Mary Grant omhelsde.
"En nu, waarde reisgenooten!" zeide Jacques Paganel, "nog een handdruk waaraan wij genoeg hebben tot aan de kusten van den Atlantischen Oceaan!"
Het was wel wat veel gevraagd, maar de omarmingen, die nu volgden, waren vurig genoeg om de wenschen van den waardigen geleerde te vervullen.
Men begaf zich weder naar het dek, en de zeven reizigers verlieten deDuncan. Weldra bereikten zij de kaai, die het jagt al manoeuvreerende op een halve kabellengte naderde.
Op de kampanje staande, riep lady Helena nog eens: "Mijne vrienden! God sta u bij!"
"En Hij zal ons bijstaan, mevrouw!" antwoordde Jacques Paganel; "want, gij moogt het vrij gelooven, wij zullen ons zelven helpen."
"Vooruit!" riep John Mangles den machinist toe.
"Voorwaarts!" antwoordde lord Glenarvan.
En op hetzelfde oogenblik dat de reizigers, hun rijdier den teugel vierende, zich langs den oever verwijderden, stoomde deDuncanonder de werking harer schroef, met volle kracht den oceaan op.
[1]een vermaard londensch bokser.
[1]een vermaard londensch bokser.
De inlanders, die lord Glenarvan had bijeengebragt, bestonden uit drie mannen en een kind. De aanvoerder der muilezeldrijvers was een Engelschman, die zich reeds vóór twintig jaar in dit land had gevestigd. Hij maakte een beroep van het verhuren van muilezels aan de reizigers, die hij over de verschillende wegen der Cordillera's geleidde. Vervolgens bezorgde hij hun een "baqueano," een argentijnschen gids, die met den weg door de pampa's goed bekend was. Deze Engelschman had in het gezelschap van muilezels en Indianen zijn moedertaal nog niet geheel verleerd, en kon nog met de reizigers spreken. Dit was voor Glenarvan een groot gemak, daar hij nu zijn verlangen kon te kennen geven en zijn bevelen doen uitvoeren. Hij meende die gelegenheid niet te mogen laten voorbijgaan, vooral omdat Jacques Paganel zich nog niet verstaanbaar kon uitdrukken.
Die aanvoerder der muilezeldrijvers, die "catapaz," zooals hij in de landtaal genoemd wordt, had twee inlanders te voet en een twaalfjarig kind medegenomen. De inlanders waakten voor de muilezels, die de bagage droegen, en het kind geleidde de "madrina," een kleine merrie, die met belletjes en een klokje behangen, vooruit ging en door tien muilezels gevolgd werd. Zeven hunner waren voor de reizigers, een voor den catapaz; de beide andere droegen de levensmiddelen en eenige stokken stof, die dienen moesten om de medewerking van de kaziken (hoofden der vrije volksstammen in Amerika) der vlakte te verwerven. De inlanders gingen als naar gewoonte te voet. Deze togt door Zuid-Amerika scheen dus ten opzigte van de veiligheid en den spoed niets te wenschen over te zullen laten.
Een togt over de keten der Andes is geenszins een gewone reis. Men kan hem niet ondernemen zonder die sterke muilezels, waarvan het argentijnsche ras het meest gezocht is. Die uitmuntende dieren hebben in dat land een ontwikkeling verkregen, verre boven die van het oorspronkelijke ras.
Zij zijn niet keurig op hun voedsel. Zij drinken maar eens per dag, leggen gemakkelijk tien mijlen in acht uren af, en dragen zonder zich te verzetten een last van veertien arroba's. (Een arroba is gelijk aan 11 1/2 nederl. pond).
Op den geheelen weg van den éénen Oceaan tot den anderen treft men geen enkele herberg aan. Men eet gedroogd vleesch, rijst met spaansche peper, en het wild, dat zich onderweg wel wil laten doodschieten. Men drinkt op de bergen het water van de bergstroomen, in de vlakte dat der beken, met eenige droppels rum er door, waarvan ieder eenigen voorraad bij zich draagt in een ossehoren, "chiffle" genoemd. Vooral moet men waken tegen het misbruik van geestrijke dranken, die schadelijk zijn in een land, waarin het zenuwgestel van den mensch bijzonder overspannen is. Het beddegoed bestaat alleen uit den inlandschen zadel, "recado" genoemd. Die zadel is gemaakt van "pelions," schapenhuiden, die aan de eene zijde gelooid en aan de andere met wol bekleed zijn, alles bijeengehouden door breede en met borduursel overladen riemen. Heeft de reiziger zich in die warme dekens gerold, dan trotseert hij ongestraft de vochtige nachten en slaapt heerlijk.
Als iemand, die weet wat reizen is en zich naar de gebruiken der verschillende landen weet te schikken, had Glenarvan voor zich en zijn gezelschap de chilische kleederdragt aangenomen. Paganel en Robert, twee kinderen,—een groot en een klein kind,—waren buiten zich zelven van vreugde, toen zij hun hoofd door den nationalen "poncho" staken, een groote wollen zak of mantel met een gat in het midden, en hun beenen in lederen laarzen, gemaakt van den achterpoot van een jong paard. Hun rijk getuigde muilezel leverde ook een schoon gezigt op, met het arabisch gebit in den bek, met den langen teugel van gevlochten leder, die tot zweep diende, met zijn hoofdstel, dat met metalen sieraden pronkte, en met de "alforja's," dubbele linnen zakken van schitterende kleur, die levensmiddelen voor één dag bevatten. Ten gevolge van zijn verstrooidheid scheelde het weinig of Paganel kreeg drie of vier schoppen van zijn voortreffelijk rijdier, toen hij er op wilde gaan zitten. Toen hij eindelijk stevig in den zadel zat, met zijn onafsoheidelijken kijker aan een riem bij zich en met de voeten in de stijgbeugels, vertrouwde hij zich toe aan de schranderheid van zijn dier, en had geen reden om daarover spijt te gevoelen. De jonge Robert toonde reeds van den beginne af grooten aanleg om een uitmuntend ruiter te worden.
De stoet zette zich in beweging. Het was prachtig weder, de lucht volkomen helder, en de dampkring door den zeewind genoegzaam afgekoeld in weerwil van de zonnehitte. De kleine troep volgde met snellen tred de bogtige oevers der baai van Talcahuano, ten einde dertig mijlen zuidelijker het uiteinde der parallel te bereiken. Dien eersten dag trok men haastig tusschen het riet van voormalige uitgedroogde moerassen heen, maar men sprak weinig. De afscheidsgroeten hadden een diepen indruk achtergelaten in het gemoed der reizigers. Zij konden nog den rook derDuncanzien, die reeds bijna uit het gezigt was. Allen zwegen, behalve Paganel; die leergierige aardrijkskundige deed zich zelven vragen in het spaansch, en beantwoordde ze in dezelfde taal.
Ook de gids was vrij stil van aard, en zijn beroep had geen babbelaar van hem gemaakt. Hij sprak naauwelijks tot de inlanders. Als menschen van het vak verstonden dezen hun werk zeer goed. Als een muildier staan bleef, zetten zij het aan met een keelgeluid, en als dit niet hielp met een fermen steen, die met vaste hand geworpen zijn koppigheid wel overwon. Raakte er een riem los of brak er een teugel, dan trok de inlander zijn mantel uit, en wikkelde den kop van het dier er in, dat, zoodra het ongemak hersteld was, terstond weder voortging.
De muilezeldrijvers zijn gewoon om ten acht ure na het ontbijt te vertrekken en tot des namiddags ten vier ure door te rijden, waarna zij hun nachtverblijf in gereedheid brengen. Edward Glenarvan hield zich aan dit gebruik. Toen de gids het sein gaf om te rusten, kwamen de reizigers juist aan de stad Arauco, liggende aan de zuidpunt der baai, zonder dat zij van den schuimenden kant der zee afgeweken waren. Van hier zouden zij een twintigtal mijlen westwaarts hebben moeten gaan tot aan de baai Carnero, om er het uiteinde van den zeven en dertigsten graad te vinden. Maar de agenten van Glenarvan hadden dit gedeelte der kust reeds doorzocht, zonder eenig spoor van de schipbreuk aan te treffen. Een nieuw onderzoek was dus onnoodig, en men besloot de stad Arauco tot uitgangspunt te nemen. Van daar zou men in een zuivere regte lijn oostwaarts opgaan.
Het kleine gezelschap trok de stad binnen om er den nacht door te brengen, en sloeg zich op de binnenplaats eener herberg in de open lucht neder, daar deze, wat de gemakkelijke inrigting betreft, nog in een allerellendigsten toestand verkeerde.
Arauco is de hoofdstad van Araucanië, een staat, honderd vijftig mijlen lang en dertig breed, bewoond door de Molouchen, die oudste zonen van het chilische ras, door den dichter Ercilla bezongen. Het is een fier en forsch ras, het eenige in de beide Amerika's, dat nooit door vreemden overheerscht is. Heeft Arauco ook al vroeger aan de Spanjaarden behoord, zoo onderwierpen de inwoners zich toch niet; zij verzetteden zich toen, zooals zij zich nu nog verzetten tegen de ondernemingen van Chili, en hun vrije vlag,—een witte ster op een azuren veld,—wappert nog van den top van den versterkten heuvel, die de stad beschermt.
Terwijl het avondeten gereed werd gemaakt, gingen Glenarvan, Paganel en de gids een wandeling doen tusschen de met riet gedekte huizen. Behalve een kerk en de overblijfselen van een franciscaner klooster, leverde Arauco niets bezienswaardigs op. Glenarvan trachtte eenige inlichtingen te verkrijgen, maar te vergeefs. Paganel was wanhopend, omdat hij zich niet door de inwoners kon doen verstaan; maar, daar dezen het araucanisch spreken,—een bijzondere taal, die tot aan de straat van Magellaan gesproken wordt,—had Paganel evenveel aan het spaansch als aan het hebreeuwsch. Hij hield dus zijne oogen bezig in plaats van zijn ooren, en vermaakte zich, als een echt geleerde, met de beschouwing van de verschillende typen van het molouchsche ras, die hij ontmoette. De mannen hadden een rijzige gestalte, een plat gezigt, een koperkleurige huid, een baardelooze kin, een schuwen blik en een breed hoofd, dat met lang zwart haar was bedekt. Zij schenen verzot op die bijzondere soort van lediggang van krijgslieden, die in vredestijd niet weten, wat zij doen zullen. Hunne vrouwen, die er ongelukkig en moedig uitzagen, hielden zich bezig met het zware huiswerk, verzorgden de paarden, maakten de wapens schoon, bebouwden het land, gingen voor haar heeren op de jagt, en vonden toch nog tijd om die donkerblaauwe mantels te maken, waaraan zij twee jaren besteden, en die minstens honderd dollars[1]kosten.
Kortom, die Molouchen zijn een vrij onbeduidend volk, welks zeden nog tamelijk ruw zijn. Zij hebben bijna alle menschelijke ondeugden en maar ééne deugd, liefde voor de onafhankelijkheid.
"Echte Spartanen," herhaalde Paganel, toen hij na geëindigde wandeling aan den avondmaaltijd deel kwam nemen.
De waardige geleerde overdreef, en men begreep hem nog minder, toen hij er bijvoegde, dat, daar hij een Franschman was, zijn hart sterk klopte bij zijn bezoek aan de stad Arauco. Toen de majoor hem naar de reden van die onverwachte "hartklopping" vroeg, antwoordde hij, dat zijn aandoening zeer natuurlijk was, omdat een zijner landgenooten voorheen op den troon van Araucanië had gezeten. De majoor verzocht hem zoo goed te zijn om den naam van dien vorst te noemen. Jacques Paganel noemde trotsch den braven De Tonneins, een uitstekend man, vroeger procureur te Périgueux, wiens baard wat al te zwaar was, en die ondergaan had, wat de onttroonde koningen zoo gaarne "de ondankbaarheid hunner onderdanen" noemen. Toen de majoor even glimlachte bij de gedachte, dat een gewezen procureur van den troon was gejaagd, antwoordde Paganel zeer ernstig, dat het voor een procureur misschien gemakkelijker was om een goed koning te worden, dan voor een koning om een goed procureur te worden. Op dat gezegde barstten allen in lagchen uit, en dronken eenige teugen "chicha"[2]op de gezondheid van Orellie-Antoine I, ex-koning van Araucanië. In hun mantels gewikkeld vielen de reizigers eenige minuten daarna in een gerusten slaap.
Des anderen daags ten acht ure ging de kleine troep, met de merrie in de voor- en de inlanders in de achterhoede, oostwaarts op weg naar de zeven en dertigste parallel. Hij trok nu door het vruchtbare gebied van Araucanië, rijk aan wijngaarden en kudden. Maar gaandeweg werd de streek woester. Ter naauwernood trof men, mijlen van elkander verwijderd, een hut van "rastreadores" aan, indiaansche paardentemmers, die in geheel Amerika beroemd zijn. Soms ook een verlaten posthuis, dat tot schuilplaats diende voor den zwervenden bewoner der vlakte. Op dezen dag versperden twee rivieren, de Rio de Raque en de Rio de Tubal, den weg voor de reizigers. Maar de gids ontdekte een doorwaadbare plaats, welke hen aan de overzijde bragt. Aan den gezigteinder vertoonde zich de keten der Andes, wier kruinen naar het noorden oprezen en wier pieken in aantal toenamen. Het waren nog maar de onderste wervels van de ontzaggelijke ruggegraat, waarop het geheele gebeente der Nieuwe Wereld rust.
... de doorwaadbare plaats aan de Rio de Tubal...... de doorwaadbare plaats aan de Rio de Tubal...
Des namiddags ten vier ure hield men, na een togt van vijf en dertig mijlen, in het open veld stil onder een boschje van reusachtige myrteboomen. De muilezels werden onttoomd, en gingen in vrijheid grazen in het digte gras der weide. De knapzakken leverden de gewone hoeveelheden vleesch en rijst. De schapenhuiden werden op den grond gelegd en dienden tot dekens, de zadels tot kussens, en allen vonden op deze zonderlinge bedden een verkwikkende rust, terwijl de inlanders en de gids ieder op hun beurt de wacht hielden.
Daar het weder zoo gunstig bleef, daar alle reizigers, ook Robert, goed gezond waren, daar eindelijk die reis onder zulke gelukkige voorteekens begonnen werd, moest men er gebruik van maken en voortgaan, evenals een speler "die op zijn dreef komt." Dat was aller gevoelen. Den volgenden dag reisde men stevig door, trok zonder ongelukken de snelstroomende Bell over, en toen zij zich des avonds aan de oevers der Rio Biobio, die spaansch Chili van onafhankelijk Chili scheidt, legerden, kon Glenarvan nogmaals berekenen, dat zij weder vijf en dertig mijlen hadden afgelegd. Het land was niet veranderd. Het was nog altijd vruchtbaar en rijk aan narcisleliën, boomvormige vioolplanten, japansche leliën der dalen, gemeene doornappels en cactussen met goudgele bloemen. Eenige dieren, onder anderen de katpardel, hielden zich schuil in de digte struiken. Een reiger, een eenzame moerasuil, lijsters en zilverduikers, die voor de klaauwen van den valk vlugtten, waren de eenige vertegenwoordigers der vogelsoorten. Maar inboorlingen zag men weinig, ter naauwernood eenige "guasso's", bastaardkinderen van Indianen en Europeanen, die voortrenden op paarden, welken zij tot bloedens toe de reusachtige sporen gaven, waarvan hun naakte voet voorzien was, en die als schaduwen voorbij-ijlden. Men kon onderweg met niemand spreken, en dus ook geen inlichtingen verkrijgen. Glenarvan schikte zich er in. Hij zeide bij zich zelven, dat kapitein Grant, door Indianen gevangen genomen zijnde, door hen over de Andes-keten moest medegesleept zijn.
In de pampa's, en niet aan deze zijde, konden derhalve de nasporingen tot eenige uitkomst leiden. Er zat dus niets anders op dan geduld te oefenen en snel en onafgebroken vooruit te gaan.
Den 17denvertrok men weder op het gewone uur en in dezelfde orde. Robert kon zich met moeite bedwingen om de orde niet te verbreken; want zijn ijver zette hem aan om de merrie voor te komen, tot groot verdriet van zijn muildier. Er was zelfs een strenge terugroeping van lord Glenarvan noodig om den knaap op zijn post in de marschlinie te houden.
Er kwam nu meer afwisseling in het voorkomen van het land; het rijzen van den bodem was het voorteeken van de nabijheid van bergen; het aantal riviertjes nam toe, en zij stroomden met veel gedruisch van de hellingen. Paganel raadpleegde dikwijls zijn kaarten; wanneer een van die beken er niet op voorkwam, hetgeen dikwijls gebeurde, kookte den aardrijkskundige het bloed in de aderen, en was het grappig om te zien, hoe driftig hij werd.
"Een beek, die geen naam heeft!" zeide hij, "het is alsof er geen burgerlijke stand is! zij bestaat niet in het oog der aardrijkskundige wet!"
Ook zag hij er geen bezwaar in om die onbenoemde riviertjes te doopen; hij tekende ze aan op zijn kaart en overlaadde ze met de sierlijkste benamingen in de spaansche taal.
"Welk een taal!" herhaalde hij, "welk een rijke en welluidende taal zij is van metaal, en ik ben zeker, dat zij uit acht en zeventig deelen koper en twee en twintig deelen tin bestaat, evenals klokspijs!"
"Maar maakt gij vorderingen?" antwoordde hem Glenarvan.
"Zeker! waarde lord! Als die klemtoon er maar niet was! Maar die klemtoon! die klemtoon!"
In afwachting van beter, deed Paganel onderweg zijn best om zijn keel te gewennen aan de moeijelijkheden der uitspraak, zonder daarom zijn aardrijkskundige waarnemingen te verwaarloozen. Daarin was hij verbazend sterk en zou hij niet ligt zijn meester vinden. Wanneer Edward Glenarvan den gids over de een of andere bijzonderheid van het land ondervroeg, antwoordde zijn geleerde reisgenoot altijd nog eer dan de gids, die hem dan ook geheel verbluft aanstaarde.
Dienzelfden dag kwam men tegen twee ure aan een weg, die den tot nu toe gevolgden sneed. Glenarvan vroeg natuurlijk naar den naam, en even natuurlijk ook was het Paganel, die antwoordde:
"Het is de weg van Yumbel naar los Angeles."
Glenarvan zag den gids aan.
"Juist!" antwoordde deze.
Zich vervolgens naar den aardrijkskundige wendende, zeide hij:
"Gij hebt zeker dit land reeds doorreisd?"
"Dat zou ik denken!" antwoordde Paganel zeer ernstig.
"Op een muilezel?"
"Neen! in mijn armstoel."
De gids begreep er niets van, hij haalde althans de schouders op en stelde zich weder aan het hoofd van den troep.
Des namiddags ten vijf ure hield hij stil in een diepe kloof, eenige mijlen boven het stadje Loja.
Dien nacht bragten de reizigers door aan den voet der sierra's, de voorloopers der groote Cordillera.
[1]Twee honderd vijftig gulden.
[1]Twee honderd vijftig gulden.
[2]Brandewijn van gegiste turksche tarwe.
[2]Brandewijn van gegiste turksche tarwe.
De togt door Chili had tot nog toe geen noemenswaardig bezwaar opgeleverd. Maar nu kwamen de hindernissen en bezwaren, aan een togt door het gebergte onvermijdelijk verbonden, allen tegelijk. Nu zou de worsteling met den tegenstand der natuur eerst regt beginnen.
Vóór het vertrek moest een vraag van gewigt opgelost worden. Langs welken pas kon men over de keten der Andes komen, zonder van den aangenomen weg af te wijken? De gids, hierover ondervraagd zijnde, antwoordde:
"Ik ken maar twee bruikbare wegen in dit gedeelte der Cordillera's."
"Den weg van Arica zonder twijfel," zeide Paganel, "die door Valdivia Mendoza ontdekt is."
"Juist."
"En dien van Villarica, ten zuiden van den Nevado van dien naam."
"Juist."
"Die beide wegen, mijn vriend! hebben maar één gebrek, namelijk dat zij voor ons te noordelijk of te zuidelijk zijn."
"Zoudt gij misschien een anderen pas willen voorstellen?" vroeg de majoor.
"Ja!" antwoordde Paganel, "den pas van Antuco, op de helling van den vulkaan gelegen op zeven en dertig graden dertig minuten, dat is maar een halve graad bezijden onzen weg. Hij is slechts duizend vademen hoog en door Zamudio de Cruz ontdekt."
"Goed!" zeide Glenarvan, "maar kent onze gids dien pas van Antuco?"
"Ja, mylord! ik heb hem bereisd, en zoo ik hem niet voorstelde, dan is het alleen, omdat het op zijn hoogst een weg is voor het vee, die alleen door de indiaansche herders van de oostelijke helling gebruikt wordt."
"Welnu, mijn vriend!" antwoordde Glenarvan, "waar de kudden merriën, schapen en ossen der Pehuenchen over kunnen, kunnen wij ook over. En daar wij op dien weg in de regte lijn blijven, stem ik voor den pas van Antuco."
Het sein tot vertrek werd aanstonds gegeven, en men drong in het dal van las Lajas, tusschen groote massa's gekristalliseerde kalk. Men steeg langs een bijna onmerkbare helling. Tegen elf ure moest men de oevers van een klein meer omrijden, een door de natuur gevormden vergaderbak en het schilderachtig vereenigingspunt van al de riviertjes uit den omtrek; zij vielen er murmelend in en vermengden hun rustig en kristalhelder water. Boven het meer strekten zich groote "llano's" uit, hooge grasvlakten, waarop de kudden der Indianen weidden. Vervolgens stiet men op een moeras, dat zuid en noord liep, en dat men, geholpen door het instinct der muilezels, gelukkig doorwaadde. Ten één ure, kwam men bij het fort Ballenare, op een hooge rots gelegen, die het met zijn vervallene wallen beheerschte. Men ging er voorbij. De hellingen werden reeds steil en steenachtig, en de steentjes, die de hoef der muildieren losmaakte, rolden onder hun pooten weg en vormden gedruisch makende steenvallen. Tegen drie ure zag men weder andere schilderachtige puinhoopen van een fort, dat bij den opstand van 1770 verwoest was.
"De bergen zijn zeker nog niet voldoende om de menschen te scheiden," zeide Paganel, "dat men ze nog versterkt heeft!"
Van dit punt af werd de weg moeijelijk, zelfs gevaarlijk, de hellingen werden hoe langer hoe steiler, de bergwanden naderden elkander hoe langer hoe meer, de afgronden werden verschrikkelijk diep. De muilezels gingen voorzigtig voort met den neus op den grond om den weg te beruiken. Men reed achter elkander. Bij een onverwachte kromming van het pad verdween de merrie, en dan rigtte de kleine karavaan zich naar het verwijderde geklingel van het klokje. Dikwijls gebeurde het ook door de grillige kronkelingen van den weg, dat de reizigers in twee evenwijdige lijnen voorttrokken, en dat de gids met de inlanders kon spreken, terwijl een kloof, die naauwelijks twee vademen breed maar wel twee honderd diep was, een onoverkomelijken afgrond tusschen hen vormde.
Het gras worstelde nog wel met de overheersching van den steen; maar de strijd tusschen het delfstoffen- en het plantenrijk was reeds duidelijk zigtbaar. De nabijheid van den vulkaan Antuco was reeds merkbaar aan eenige strepen ijzerkleurige lava, bedekt met gele naaldvormige kristallen. De opeengestapelde en overhellende rotsen bleven staan tegen de wetten van het evenwigt in. Het was duidelijk, dat de aardbevingen haar voorkomen ligt konden veranderen, en een enkele blik op die wankele spitsen, die scheve koepels, die slecht bevestigde ronde bergtoppen, was voldoende om het besluit te wettigen, dat voor die bergachtige streek het uur nog niet geslagen was om onder haar eigene zwaarte te bezwijken.
In deze omstandigheden werd het moeijelijk om den weg te herkennen. De bijna onafgebrokene schudding van het berggevaarte doet menigmaal het spoor verdwijnen, en de herkenningsteekens blijven niet op dezelfde plaats. De gids aarzelde dan ook; hij hield stil; hij zag in het rond; hij onderzocht de gedaante der rotsen; hij zocht op den weeken steen naar voetstappen van Indianen. Het was geheel onmogelijk om zich te oriënteeren.
Lord Edward volgde zijn gids op den voet; hij begreep en gevoelde, dat diens verlegenheid in dezelfde mate toenam als de moeijelijkheden van den weg; hij durfde hem niets vragen en dacht, misschien niet zonder grond, dat het met het instinct der muilezeldrijvers evenzoo gelegen is als met dat der muilezels, en dat het beter is om daarop te vertrouwen.
Nog een uur lang dwaalde de gids om zoo te zeggen op goed geluk af rond, maar kwam toch hoe langer hoe hooger op den berg. Eindelijk was hij verpligt om te blijven staan. Men was op den bodem eener enge vallei; van een dier naauwe engten, welke de Indianen "quebrada's" noemen. Een loodregte muur van porfier sloot er den uitgang van. Na te vergeefs een doortogt gezocht te hebben, steeg de gids af, sloeg de armen over elkander en wachtte. Glenarvan kwam bij hem.
"Zijt gij verdwaald?" vroeg hij.
"Neen, mylord!" antwoordde de gids.
"Maar wij zijn toch niet in den pas van Antuco?"
"Wij zijn er wel in."
"Vergist gij u niet?"
"Ik vergis mij niet. Ziedaar de overblijfselen van een vuur, dat de Indianen hebben aangelegd, en ziedaar de sporen door de kudden merriën en schapen achtergelaten."
"Dan heeft men dezen weg toch begaan?"
"Ja! maar men zal hem niet meer begaan. De laatste aardbeving heeft hem onbruikbaar gemaakt."
"Voor de muilezels," antwoordde de majoor; "maar niet voor de menschen."
"Dat moet gij weten," antwoordde de gids; "ik heb gedaan, wat ik kon. Ik ben bereid om met mijn muilezels terug te keeren, als gij het verlangt, en om de andere wegen der Cordillera op te zoeken."
"En dat zal een oponthoud zijn?..."
"Van minstens drie dagen."
Zonder een woord te spreken luisterde Glenarvan naar de gezegden van den gids. Deze was ontegenzeggelijk getrouw aan de gemaakte afspraak. Zijn muilezels konden niet verder. Toen echter het voorstel gedaan werd om terug te keeren, wendde Glenarvan zich naar zijn medgezellen en sprak:
"Wilt gij trots alle gevaren verder gaan?"
"Wij willen u volgen!" antwoordde Tom Austin.
"En u zelfs voorgaan!" voegde Paganel er bij. "En wat is ook wel bezien de geheele zaak? Niets anders dan het beklimmen eener bergketen, welker andere helling onvergelijkelijk ligter af te dalen is! Als wij zoo ver zijn, zullen wij de argentijnsche gidsen vinden, die ons den weg door de pampa's zullen wijzen, en vlugge paarden, die gewoon zijn om door de vlakte te rennen. Voorwaarts dus en zonder aarzelen!"
"Voorwaarts!" riepen de reisgenooten van Glenarvan.
"Gaat gij niet met ons mede?" vroeg deze aan den gids.
"Ik ben een muilezeldrijver," antwoordde deze.
"Zooals gij wilt."
"Wij kunnen hem wel missen," zeide Paganel; "aan gene zijde van dezen muur zullen wij de paden van Antuco terugvinden, en ik maak mij sterk om u even goed aan den voet van den berg te brengen, als de beste gids der Cordillera's."
Glenarvan rekende dus af met den gids, en zond hem weg met de inlanders en de muilezels. De wapenen, de werktuigen en eenige levensmiddelen werden onder de zeven reizigers verdeeld. Met algemeene stemmen besloot men de beklimming terstond te hervatten, en zoo noodig een gedeelte van den nacht door te reizen. Ter linkerzijde van de helling kronkelde zich een steil voetpad, dat de muildieren niet hadden kunnen beklimmen. De bezwaren waren talrijk; maar na een paar vermoeijende uren en veel omwegen, waren Glenarvan en zijne reisgenooten weder in den pas van Antuco.
Nu bevonden zij zich in dat gedeelte der eigenlijke Andes, dat niet ver ligt van de hoogste kam der Cordillera's; maar er was geen schijn noch schaduw meer te vinden van een gebaand pad of een herkenbaren pas. De geheele omtrek was tijdens de laatste aardbevingen het onderst boven gekeerd, en men moest de bergruggen hoe langer hoe hooger bestijgen. Paganel was zeer teleurgesteld, nu hij den weg niet vrij vond, en rekende op zware vermoeijenissen, als zij den top der Andes moesten beklimmen; want hun gemiddelde hoogte bedraagt van elf duizend tot twaalf duizend zes honderd voeten. Het was zeer gelukkig, dat het weder bedaard, de lucht helder en het jaargetijde gunstig was; maar in den winter, van Mei tot October, zou zulk een beklimming onuitvoerbaar geweest zijn; de snerpende koude doet de reizigers weldra omkomen, en wie zij spaart, ontsnapt toch niet aan de hevigheid der "temporales" een soort van orkanen, aan deze streken eigen, en die de afgronden der Cordillera jaarlijks met lijken vullen.
Men klom den geheelen nacht door; men moest zich met de handen vasthouden om de bijna ongenaakbare bergvlakte te beklauteren; men sprong over breede en diepe kloven; in plaats van met touwen heesch men elkander met de handen op, en de schouders dienden tot ladders; die onversohrokkenen geleken op een troep paljassen, die zich aan al de dwaasheden der icarische spelen overgaven. Duizendmaal hadden nu Mulrady gelegenheid om zijn kracht, en Wilson, om zijn vlugheid ten toon te spreiden. Die beide dappere Schotten overtroffen zich zelven; menigmaal zou de kleine troep, zonder hun opoffering en hun moed, den togt hebben moeten staken. Glenarvan verloor den jongen Robert niet uit het oog, die door zijn jeugd en zijn levendigheid vaak tot onbezonnenheid oversloeg. Paganel ging met echt fransche woede vooruit. Wat den majoor betreft, deze bewoog zich slechts zooveel als noodig was, niet meer, maar ook niet minder, en zijn stijgende beweging was zoo goed als onmerkbaar. Bespeurde hij, dat hij reeds verscheidene uren achtereen aan het klimmen was? dat is niet zeker. Misschien verbeeldde hij zich wel, dat hij daalde.
Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand, dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten bereikt hadden. Zij waren nu op de voorliggende bergvlakken, de uiterste grens van den boomgroei. Er huppelden eenige dieren rond, die een jager gelukkig of rijk zouden gemaakt hebben; die vlugge dieren wisten het wel, want zij vlugtten, zoodra zij van verre menschen zagen naderen. Het was het lama, een kostbaar dier in het gebergte, dat het schaap, het rund en het paard vervangt, en leeft, waar het muildier niet leven kan. Het was de chinchilla, een zachtzinnig en vreesachtig knaagdiertje, rijk aan bont, dat het midden houdt tusschen den haas en den springhaas, en wien zijn achterpooten het voorkomen van een kangoeroe geven. Een alleraardigst gezigt levert dit vlugge diertje op, wanneer het evenals een eekhoorntje over de toppen der boomen loopt.