Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand, dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten bereikt hadden.Des morgens ten vijf ure bewees de waarneming van den barometerstand, dat de reizigers een hoogte van zeven duizend vijf honderd voeten bereikt hadden.
"Het is nog geen vogel," zeide Paganel; "maar het is toch geen viervoetig dier meer."
En toch waren die dieren nog geenszins de laatste bewoners van het gebergte. Ter hoogte van negen duizend voeten, op de grens der eeuwige sneeuw, leefden nog onvergelijkelijk schoone herkaauwende dieren gezellig bijeen: de alpaca met zijn lang en zijdeachtig haar, ook die soort van geiten zonder horens, sierlijke en fiere dieren met fijne wol, die de natuurkundigen vicunna's noemen. Maar men behoefde er niet aan te denken om ze te naderen, ter naauwernood lieten ze zich even zien; ze vloden ijlings weg en gleden zonder geraas over het schitterend witte tapijt.
Op deze hoogte was het voorkomen der streek geheel veranderd. Groote en glinsterende ijsblokken, hier en daar met een blaauwachtige tint, verrezen aan alle kanten en weerkaatsten de eerste stralen der opgaande zon. Nu werd de beklimming zeer gevaarvol. Men durfde geen voet meer verzetten zonder den grond naauwkeurig te onderzoeken, ten einde de kloven te ontdekken. Wilson had zich aan het hoofd van het gezelschap gesteld, en onderzocht met den voet de oppervlakte der gletschers. Zijn makkers drukten naauwkeurig zijn voetstappen en vermeden luide gesprekken; want het geringste geraas, dat de luchtlagen in beweging bragt, kon den val der sneeuwmassa's veroorzaken, die zeven a acht honderd voet boven hun hoofd hingen.
Zij waren nu in het gewest der heesters gekomen, die, twee honderd vijftig vademen hooger hun plaats moesten afstaan aan de grasgewassen en de cactussen. Ter hoogte van elf duizend voet hielden ook deze planten op den naakten bodem te bedekken, en ieder spoor van plantengroei verdween. De reizigers hadden maar eens, ten acht ure, stil gehouden om hun krachten door een korten maaltijd te herstellen, en met bovenmenschelijken moed begonnen zij weder te klimmen, daarbij steeds toenemende gevaren trotseerende. Zij moesten over scherpe rotspunten en onpeilbare afgronden heen. Op vele plaatsen waren houten kruisen langs den weg opgerigt, ter aanduiding van de plekken, waar talrijke ongelukken plaats hadden gehad. Tegen twee ure bereikten zij een onmetelijk bergvlak, zonder eenig spoor van plantengroei, een soort van woestijn, die zich tusschen kale rotsen uitstrekte. De lucht was droog, de hemel had een hard blaauwe kleur; op deze hoogten regent het nooit, en de dampen worden alleen in sneeuw of in hagel opgelost. Hier en daar boorden eenige porfier- of basaltspitsen door het witte lijklaken, gelijk de beenderen van een geraamte, en van tijd tot tijd vielen brokken kwarts of gneis, door den invloed der lucht verweerd, in gruis met een zwak geraas, dat door de ijlheid van den dampkring bijna onhoorbaar was.
Intusschen waren de krachten van den kleinen troep, hoe moedig ook, geheel uitgeput. Toen lord Edward de uitputting zijner reisgenooten bemerkte, speet het hem, dat hij zich zoover op den berg had gewaagd. De kleine Robert verzette zich tegen de vermoeijenis, maar kon niet verder.
Ten drie ure bleef Glenarvan staan.
"Wij moeten rust nemen," zeide hij; want hij zag wel, dat niemand dit voorstel zou doen.
"Rust nemen?" antwoordde Paganel, "maar wij hebben geen dak."
"Het moet toch, al was het alleen ter wille van Robert."
"Wel neen, mylord!" antwoordde de moedige knaap, "ik kan nog verder gaan ... houdt u niet o....""
"Wij zullen u dragen, mijn jongen!" antwoordde Paganel; "maar wij moeten, wat het ook kosten moge, de oostelijke helling bereiken. Daar zullen wij misschien een nachtverblijf in een hut vinden. Ik vraag nog een togt van twee uren."
"Vindt gij dat allen goed?" vroeg Glenarvan.
"Ja!" antwoordden zijn reisgenooten.
Mulrady voegde er bij:
"Ik belast mij met het kind."
En men ging weder in een oostelijke rigting verder; de beklimming werd nog gedurende twee vreeselijke uren voortgezet. Men klom maar altijd door om de hoogste bergtoppen te bereiken. De verdunning der lucht veroorzaakte die pijnlijke beklemdheid, bekend onder den naam van "puna." Het bloed zijpelde uit het tandvleesch en de lippen ten gevolge van het verbroken evenwicht der lucht, en misschien ook onder den invloed der sneeuw, die op een aanzienlijke hoogte den dampkring, zooals bewezen is, bederft. Door een versnelde inademing moest men het gebrek aan digtheid vergoeden om den bloedsomloop gaande te houden, hetgeen niet minder vermoeijend was dan de weerkaatsing der zonnestralen op de sneeuwhoopen. Hoe sterk ook de wilskracht dier moedige mannen ware, toch kwam het oogenblik, waarop de krachtigsten bezweken, en de duizeligheid, die verschrikkelijke plaag op de bergen, vernietigde niet alleen hun ligchaamskrachten, maar ook hun zedelijke kracht. Niet straffeloos kan men tegen vermoeijenissen van dien aard worstelen. Weldra vielen zij telkens, en degenen die vielen konden slechts verder gaan door op hun knieën voort te kruipen.
De uitputting zou dus weldra een eind gemaakt hebben aan deze te lang voortgezette beklimming, en Glenarvan overzag niet zonder schrik het eindelooze sneeuwkleed, de koude, die het op dit noodlottige gewest deed nederdalen, de schaduw, die naar die woeste toppen opsteeg, het gebrek aan een nachtverblijf, toen de majoor hem tegenhield en op een kalmen toon zeide: "Eene hut."
Ieder ander dan Mac Nabbs zou honderdmaal voorbij, om, ja zelfs over die hut gegaan zijn, zonder haar bestaan te vermoeden. Een verhevenheid van het sneeuwtapijt onderscheidde haar naauwelijks van de omringende rotsen. Eerst moest men de sneeuw wegruimen. Na een half uur onafgebroken doorgewerkt te hebben, hadden Wilson en Mulrady eindelijk den ingang der "casucha" vrij gemaakt, en het kleine gezelschap haastte zich om er bezit van te nemen.
Die hut, door de Indianen gebouwd, was gemaakt van "adobes," een soort van in de zon gebakken steenen; zij had de gedaante van een kubus van twaalf voet lang, en verhief zich op den top van een basaltblok. Een steenen trap voerde naar de deur, de eenige opening van het stulpje, en hoe naauw zij ook ware, wisten de orkanen, de sneeuw of de hagel zich er toch wel een weg door te banen, wanneer de storm in het gebergte was losgelaten.
Tien menschen konden er gemakkelijk plaats in vinden, en waren haar wanden al niet waterdigt genoeg in den regentijd, nu beschermden zij althans eenigzins tegen de snerpende koude, die volgens den thermometer tien graden onder nul bedroeg. Ook verschafte een soort van haard met een pijp van zeer slecht zamengevoegde steenen gelegenheid om vuur aan te leggen, en zich behoorlijk tegen de koude der buitenlucht te beschermen.
"Dit verblijf is voldoende," zeide lord Edward, "al is het juist niet gemakkelijk ingerigt. De Voorzienigheid heeft ons hierheen geleid, en het eerste wat wij doen moeten, is Haar er voor te danken."
"Maar het is een paleis," antwoordde Paganel. "Er ontbreken slechts schildwachten en hovelingen aan. Wij zijn hier bijzonder goed gehuisvest."
"Vooral wanneer er een goed vuur aan den haard zal knetteren," zeide Tom Austin; "want wij hebben niet alleen honger, maar zijn ook verschrikkelijk koud, geloof ik, en wat mij aangaat, een flinke takkebos zou mij meer opvrolijken dan een stuk wildbraad."
"Als dat zoo is, Tom!" antwoordde Paganel, "zullen wij ons best doen om brandstoffen te vinden."
"Brandstoffen op den top der Cordillera's!" zeide Mulrady, terwijl hij met een ongeloovig gezigt het hoofd schudde.
"Dat men een schoorsteen in deze hut gemaakt heeft," antwoordde de majoor, "is waarschijnlijk, omdat men hier wel iets te branden vindt."
"Onze vriend Mac Nabbs heeft gelijk," zeide Glenarvan; "maakt alles voor het avondeten gereed; ik zal houthakker zijn."
"Wilson en ik gaan met u mede," antwoordde Paganel.
"Als ik soms van dienst kan zijn?..." zeide Robert opstaande.
"Neen! rust maar uit, wakkere knaap!" antwoordde Glenarvan. "Gij zult een man zijn op een leeftijd, waarop anderen nog maar kinderen zijn!"
Glenarvan, Paganel en Wilson verlieten de hut. Het was zes ure des avonds. De koude was doordringend, ofschoon het doodstil was. De blaauwe kleur der lucht werd reeds donker, en de laatste zonnestralen beschenen nog maar even de hooge punten van de bergvlakken der Andes. Paganel, die zijn barometer had mede genomen, raadpleegde hem, en zag, dat het kwik op 49.5 duim staan bleef. De stand der kwikkolom kwam overeen met een hoogte van elf duizend zeven honderd voet. Dit gedeelte der Cordillera's was dus slechts negen honderd ellen lager dan de Mont-Blanc. Hadden deze bergen dezelfde moeijelijkheden opgeleverd als die fransche reus, of waren slechts de orkanen en wervelwinden tegen hen losgelaten, dan zou geen enkele onzer reizigers de groote keten der Nieuwe Wereld overgekomen zijn.
Op een porfierbergje gekomen, wendden Glenarvan en Paganel hun blikken naar alle punten van den gezigteinder.
Zij bevonden zich nu op den top van de sneeuwvelden der Cordillera, en overzagen een ruimte van vijftig vierkante mijlen. Ten oosten gingen de hellingen in een zachte glooijing over, langs welke de inlanders zich honderden vademen ver laten afglijden. Overlangsche strooken steenen en zwerfblokken, die door het voortschuiven der gletschers verplaatst waren, vormden in de verte onmetelijke strepen van kleiachtig puin. Reeds werd het dal van de Colorado hoe langer hoe meer in de schaduw, door de ondergaande zon veroorzaakt, gehuld; de verhevenheden van den grond, de uitstekende punten, de naalden en spitsen, door haar stralen beschenen, werden langzamerhand onzigtbaar, en allengs strekte de duisternis zich over de geheele oostelijke helling der Andes uit. In het westen bescheen het licht de voorbergen nog, die den loodregten wand der westelijke zijden schragen. Het oog werd verblind, als het op de rotsen en gletschers staarde, die zich baadden in de stralen van de zon. Ten noorden golfde een rij van toppen, die onmerkbaar ineensmolten en als het ware een lijn vormden, die door een bevende en onbedrevene hand was getrokken. Het oog kon ze niet van elkander onderscheiden. Maar ten zuiden werd het tooneel daarentegen prachtig, en bij het vallen der duisternis nam het grootsche afmetingen aan. Wanneer men in het woeste dal van de Torbido nederzag, kon men den Antuco overzien, wiens ontzaggelijke krater zich twee mijlen verder opende. De vulkaan loeide als een ontzaggelijk monster, gelijk aan de Leviathans van den voortijd, en braakte vurige rookzuilen uit, vermengd met stroomen van roetachtige vlammen. De geheele kring van omringende bergen scheen in brand te staan; hagelbuijen van witgloeijende steenen, wolken van roodachtige dampen, vuurpijlen van lava, vereenigden zich tot vonkelende schoven. Een ontzaggelijke glans, die ieder oogenblik helderder werd, een verblindende vlam, vervulde dien wijden omtrek met zijn sterken weerschijn, terwijl de zon, langzamerhand van haar schemerlicht beroofd, als een uitgedoofde ster in de schaduwen aan den gezigteinder verdween.
Paganel en Glenarvan zouden welligt lang verdiept zijn gebleven in de beschouwing van die prachtige worsteling tusschen het vuur des hemels en het vuur der aarde; de geimproviseerde houthakkers maakten plaats voor de kunstenaars; maar Wilson, die minder met al dat schoon ophad, riep hen tot de werkelijkheid terug. Hout was er wel niet, maar gelukkig waren de rotsen met dun en droog korstmos bekleed; zij verzamelden een aanzienlijken voorraad daarvan, alsmede van een zekere plant, "llaretta" geheeten, welker wortel redelijk wel kon branden. Zoodra die kostelijke brandstof in de hut was gebragt, wierp men ze op den haard. Het kostte vrij wat moeite om het vuur aan te maken, maar nog meer om het aan te houden. De zeer verdunde lucht leverde niet genoeg zuurstof meer aan de vlam; althans de majoor gaf die reden op.
"Tot vergoeding," voegde hij er bij, "zal het water niet tot honderd graden verwarmd behoeven te worden om te koken; wie hun koffij gaarne zetten met water van honderd graden zullen het er buiten moeten doen; want op deze hoogte kookt het water reeds onder de negentig graden."[1]
Mac Nabbs vergiste zich niet; toen men den thermometer, zoodra het water kookte, in den ketel dompelde, wees hij slechts zeven en tachtig graden. Met smaak dronk elk eenige teugen kokend heete koffij; maar het gedroogde vleesch vond men wel wat ontoereikend, hetgeen Paganel aanleiding gaf om de volgende even gegronde als nuttelooze opmerking te maken.
"Drommels!" zeide hij, "ik moet bekennen, dat een stuk geroosterd lamavleesch niet te versmaden zou zijn. Men zegt, dat dit dier het rund en het schaap vervangt, en nu zou ik wel willen weten, of men daarmede bedoelt als voedingsmiddel."
"Wat!" riep de majoor, "zijt gij niet tevreden met ons avondeten, geleerde Paganel?..."
"Ik ben in de wolken, dappere majoor! maar toch houd ik vol, dat een schotel wildbraad welkom zou zijn.
"Gij zijt een Sybariet," zeide Mac Nabbs.
"Dat spreek ik niet tegen, majoor! maar gij moogt zeggen wat gij wilt, gij zoudt ook niet zuur kijken, als er een biefstuk vóór u stond!"
"Dat geloof ik ook niet!" antwoordde de majoor.
"En als men u verzocht om, in weerwil van de koude en de duisternis, op den loer te gaan staan, zoudt gij dan zonder bedenken gaan?"
"Ongetwijfeld, en als gij het verlangt...."
De makkers van Mac Nabbs hadden niet eens tijd gehad om hem te bedanken en zijn al te driftige voorkomendheid wat te beteugelen, toen zich in de verte een gehuil deed hooren, dat lang aangehouden werd. Het waren geen kreten van enkele dieren, maar van een geheele kudde, die met snelheid naderde. Zou de Voorzienigheid soms, na eerst een nachtverblijf bezorgd te hebben, ook nog in het avondeten willen voorzien? Die gedachte kwam bij den aardrijkskundige op. Maar Glenarvan bragt zijn vreugde een weinig tot bedaren door de opmerking, dat men op die hoogte geen viervoetige dieren op de Cordillera aantreft.
"Waar komt dat geraas dan vandaan?" vroeg Tom Austin. "Hoort gij wel, hoe nabij het komt?"
"Zou het een lawine zijn?" vroeg Mulrady.
"Dat is onmogelijk! Het is niets anders dan gehuil," antwoordde Paganel.
"Laten wij eens gaan zien!" zeide Glenarvan.
"En laten wij als jagers gaan zien!" voegde de majoor er bij, die zijn karabijn reeds greep.
Allen stormden de hut uit. De duisternis van den nacht werd alleen verminderd door het licht der sterren. De maan, die in het laatste kwartier was, was nog niet op. De noordelijke en oostelijke toppen verdwenen in de duisternis, en alleen het tooverachtig schaduwbeeld van eenige zeer hooge rotsen kon het oog nog waarnemen. Het gehuil,—een gehuil van ontstelde dieren,—werd hoe langer hoe sterker. Zij kwamen van het donkere gedeelte der Cordillera's. Wat ging daar om? Plotseling naderde een woedende lawine, maar een lawine van levende en van schrik waanzinnige wezens. Het geheele bergvlak scheen te dreunen. Er kwamen honderden, duizenden misschien van die dieren, welke in weerwil van de ijlheid der lucht een oorverdoovend geraas maakten. Was het rood wild uit de pampa's of eenvoudig een troep lama's en vicunna's? Glenarvan, Mac Nabbs, Robert, Austin en de beide matrozen hadden naauwelijks den tijd om zich ter aarde te werpen, terwijl die levende wervelwind eenige voeten boven bun hoofd voorttrok. Paganel, die als nachtziende was blijven staan om beter te zien, werd in een oogwenk omvergeworpen.
Tegelijk hoorde men een vuurwapen losbranden. De majoor had op de gis geschoten. Het kwam hem voor, alsof er een dier digt bij hem nederviel, terwijl de geheele troep door zijn onweerstaanbare vaart medegesleept en nog veel sterker huilende, op de hellingen verdween, die door den weerschijn van den vulkaan verlicht werden.
"Ha! ik heb hem!" zeide een stem,—die van Paganel.
"Wat hebt gij?" vroeg Glenarvan.
"Wel, mijn bril! Men mag zich gelukkig achten, als men in zulk een verwarring alleen zijn bril verliest!"
"Gij zijt toch niet gekwetst?..."
"Neen! alleen heb ik een trap gehad. Maar van wien?"
"Hiervan," antwoordde de majoor, die het beest, dat hij geveld had, voortsleepte.
Een ieder haastte zich om de hut weder te bereiken, en bij het schijnsel van het vuur onderzocht men het "schot" van Mac Nabbs.
Het was een mooi dier, dat op een kleinen kameel zonder bult geleek; het had een fijnen kop, een plat ligchaam, lange en tengere pooten, fijn, geel haar, en witte vlekken onder aan den buik. Naauwelijks had Paganel het gezien, of hij riep:
"Het is een guanacha!"
"Wat is een guanacha?" vroeg Glenarvan.
"Een dier, dat men eten kan," antwoordde Paganel.
"En smaakt het goed?"
"Dat geloof ik. Het is godenspijs. Ik wist wel, dat wij versch vleesch voor ons avondeten zouden hebben. En welk vleesch! Maar wie zal het dier slagten?"
"Dat zal ik wel doen," zeide Wilson.
"Goed, en ik zal het roosteren," antwoordde Paganel.
"Zijt gij dan een kok, mijnheer Paganel?" vroeg Robert.
"Dat zou ik haast denken, mijn jongen! ik ben immers een Franschman! In een Franschman steekt altijd een kok!"
Vijf minuten later leide Paganel breede sneden wildbraad op de kolen van den wortel der llaretta. Tien minuten daarna diende hij aan zijn reisgenooten dat zeer smakelijk uitziende vleesch voor onder den naam van "reepen van guanacha." Niemand liet zich lang noodigen, en allen zetten er met graagte de tanden in.
Maar tot groote verbazing van den aardrijkskundige werd de eerste mondvol ontvangen met een leelijk gezigt en een eenstemmig "ba!"
"Het is afschuwelijk!" zeide de een.
"Het is niet eetbaar!" riep de ander.
Hoezeer het hem ook speet, moest de arme geleerde toch bekennen, dat dit geroosterd vleesch niet gebruikt kon worden, zelfs niet door uitgehongerden. Men begon dan ook den draak met hem te steken, hetgeen hij zich goedwillig liet aanleunen, en zijn "godenspijs" te beschimpen; hij zelf echter zocht naar de oorzaak, waarom dat guanacha-vleesch, dat werkelijk goed en zeer geacht is, onder zijne handen zoo afschuwelijk was geworden, toen hem een onverwachte opmerking te binnen schoot.
"Ik ben er achter!" riep hij. "Voor den drommel! ik ben er achter! ik heb het gevonden!"
"Was het vleesch misschien te veel aangestoken?" vroeg Mac Nabbs zeer bedaard.
"Neen! onverdragelijke majoor! maar het was vleesch, dat te veel geloopen had! Dat ik daaraan niet gedacht heb!"
"Wat bedoelt gij daarmede, mijnheer Paganel?" vroeg Tom Austin.
"Ik bedoel, dat de guanacha alleen dan goed is, wanneer hij in den slaap gedood is; als men hem lang jaagt, als hij lang achtereen loopt, is zijn vleesch niet eetbaar meer. Uit den smaak blijkt dus, dat dit dier, en bij gevolg de geheele kudde, van verre kwam."
"Zijt gij daarvan zeker?" zeide Glenarvan.
"Ik ben er stellig zeker van."
"Maar welk voorval, welk natuurverschijnsel heeft die dieren zoo kunnen verschrikken en hen opjagen op een uur, dat zij rustig in hun leger moesten slapen?"
"Op die vraag, waarde Glenarvan!" zeide Paganel, "moet ik u het antwoord schuldig blijven; en mij dunkt, dat wij niet beter kunnen doen, dan er ons hoofd niet mede te breken en te gaan slapen. Ik kan de oogen niet langer open houden. Keurt gij het ook niet goed, majoor?"
"Ja, Paganel! laten wij gaan slapen."
Hierop wikkelden allen zich in hun mantel, het vuur werd goed voorzien, en spoedig ging er in alle toonen en in allerlei maat een geducht gesnork op, waar tusschen de bas van den geleerden aardrijkskundige de harmonie bewaarde.
Edward Glenarvan alleen sliep niet. Een heimelijke onrust hield hem in een staat van vermoeijende slapeloosheid. Hij dacht onwillekeurig aan die kudde, welke in ééne rigting voortvlugtte, aan haar onverklaarbaren schrik. De guanacha's konden niet door rood wild vervolgd worden. Op deze hoogte is het niet, en nog veel minder zijn er jagers. Welke angst dreef hen dan naar de afgronden van den Antuco, en wat was er de oorzaak van? Glenarvan had een voorgevoel van een naderend gevaar.
Onder den invloed eener halve slaperigheid werden zijn denkbeelden echter langzamerhand gewijzigd, en de vrees maakte plaats voor hoop. Hij zag, hoe hij des anderen daags in de vlakte der Andes zou zijn. Daar zouden de nasporingen eerst regt beginnen, en was de goede uitslag misschien niet ver af. Hij dacht aan kapitein Grant, aan diens beide matrozen, die uit een harde slavernij verlost zouden worden. Die beelden gingen snel in zijn geest voorbij, daar zij telkens verstrooid werden door het geknetter van het vuur, door een vonk, die knappend omhoog steeg, door een heldere vlam, die het gelaat zijner slapende makkers verlichtte en een schaduw langs de wanden der hut deed gaan. Daarna keerde zijn voorgevoel met meer kracht terug. Hij hoorde een onduidelijk geraas daar buiten, dat hij op die eenzame toppen moeijelijk kon verklaren.
Eens meende hij in de verte een dof en dreigend gerommel op te vangen, gelijk aan het ratelen van een donder, die niet uit de lucht kwam. Dat gerommel nu kon alleen veroorzaakt worden door een storm, die op de zijden des bergs, eenige duizenden voeten onder zijn top woedde. Glenarvan wilde het onderzoeken en verliet de hut.
De maan ging juist op. De dampkring was zuiver en stil. Geen wolkje was er boven noch beneden te zien. Hier en daar slechts bewoog zich de weerschijn der vlammen van den Antuco. Geen onweder, geen weerlicht was er aan de lucht. In het toppunt schitterden duizenden sterren. En toch duurde het gerommel maar altijd voort; het scheen te naderen en door de keten der Andes voort te loopen. Glenarvan ging nog ongeruster naar binnen, zich afvragende welk verband er bestond tusschen dat onderaardsche gerommel en de vlugt der guanacha's. Was er een uitwerksel en een oorzaak aanwezig? Hij zag op zijn horlogie, dat op twee uur stond.
Daar hij echter niet zeker was, dat er een gevaar naakte, wekte hij zijn makkers niet, die de vermoeidheid vast had doen inslapen, en hij verviel zelf in eene loome dommeling, die verscheidene uren aanhield.
Eensklaps deed een geweldig geraas hem overeind vliegen. Het was een oorverdoovend leven, te vergelijken met het hortend en stootend gedruisch, dat ontelbare kruidwagens, die over een helder klinkend plaveisel rijden, zouden maken. Plotseling gevoelde Glenarvan, dat de grond onder hem wegzonk; hij zag de hut slingeren en splijten.
"Op! op!" riep hij uit.
Zijne makkers werden allen wakker, over elkander heen geworpen, en langs een schrikwekkende schuinte medegesleept. De zon, die juist opging, bescheen een akelig tooneel. De gedaante der bergen veranderde in een oogwenk; de kegels werden afgeknot; de wankelende spitsen verdwenen, alsof er onder haar een luik werd geopend. Ten gevolge van een aan de Cordillera's eigen natuurverschijnsel[2], werd een geheele streek, ter breedte van verscheidene mijlen, verplaatst en gleed zij naar de vlakte.
"Een aardbeving!" riep Paganel.
Hij vergiste zich niet. Het was een van die veelvuldige omkeeringen op de bergachtige grens van Chili, en juist in dienzelfden omtrek, waarin Copiapo tweemaal verwoest en Santiago in veertien jaren viermaal het onderst boven gekeerd is. Dit gedeelte van den aardbol wordt door het inwendige vuur ondermijnd, en de vulkanen van deze nog jonge bergketen zijn slechts ontoereikende veiligheidskleppen voor de onderaardsche dampen. Dat is de oorzaak dier onophoudelijke schokken, bekend onder den naam van "temblores".
Het bergvlak, waaraan zeven mannen, verdoofd en verschrikt, hangende aan bosjes korstmossen, zich vastklemden, gleed intusschen met de vaart van een sneltrein, d.i. met een snelheid van vijftig mijlen in het uur. Het was even onmogelijk om te roepen, als om een beweging te maken ten einde te vlugten of zijn val te stuiten. Men zou elkander toch niet hebben kunnen verstaan. Het inwendig gerommel, het geraas der lawinen, de schok der graniet- en basaltmassa's, de ronddwarrelende sneeuw, zoo fijn als stof, maakten de minste woordenwisseling onmogelijk. Nu eens zakte het gesteente zonder horten of stooten; dan weder slingerende en stampende, gelijk het dek van een schip in een holle zee, langs afgronden gaande, waarin brokken van den berg nederstortten, of de eeuwenoude boomen ontwortelende, maakte het met de naauwkeurigheid eener onmetelijke zeis al de uitstekende punten der oostelijke helling effen en gelijk.
Het bergvlak, ..., gleed intusschen met de vaart van een sneltrein...Het bergvlak, ..., gleed intusschen met de vaart van een sneltrein...
Men verbeelde zich de kracht eener massa van verscheidene duizend millioenen tonnen zwaarte, met steeds toenemende snelheid voortgeschoven onder een hoek van vijftig graden!
Niemand zou kunnen berekenen hoe lang die onbeschrijfelijke val wel duurde. Niemand durfde voorzien in welken afgrond hij gestuit zou worden. Of allen nog levend bijeen waren, dan of een hunner reeds op den bodem van een afgrond lag, kon niemand nog zeggen. Door de snelheid hunner vaart verdoofd, door de koude lucht, die hen doordrong, verstijfd, door de sneeuwjagt verblind, snakten zij naar verademing, waren zij magteloos, bijna levenloos, en hielden zij zich alleen uit een instinct van zelfbehoud aan de rotsen vast.
Plotseling slingerde een allerhevigste schok hen van hun glijdend voertuig af. Zij werden vooruit geworpen en rolden op de laatste bergranden neder. Het bergvlak bleef onbewegelijk liggen.
Het duurde eenige minuten eer iemand zich bewoog. Eindelijk stond er een op, wel verdoofd door den val, maar toch nog krachtig,—de majoor. Hij schudde het stof, dat hem verblindde, van zich af en zag in het rond. Zij lagen in een kleinen kring over elkander, gelijk de hagel uit een geweer.
De majoor telde ze. Zij waren er allen, op één na. De ontbrekende was Robert Grant.
[1]De daling van het kookpunt van het water bedraagt ongeveer 1 graad voor iedere 324 ned. ellen hoogte.
[1]De daling van het kookpunt van het water bedraagt ongeveer 1 graad voor iedere 324 ned. ellen hoogte.
[2]Een verschijnsel, dat hiermede veel overeenkomst had, had in 1820 op den Mont-Blanc plaats, en veroorzaakte die verschrikkelijke ramp die het leven kostte aan drie gidsen van Chamouny.
[2]Een verschijnsel, dat hiermede veel overeenkomst had, had in 1820 op den Mont-Blanc plaats, en veroorzaakte die verschrikkelijke ramp die het leven kostte aan drie gidsen van Chamouny.
De oostelijke zijde van de Cordillera de los Andes bestaat uit zachte glooijingen, die ongemerkt in de vlakte uit loopen. Daar was een gedeelte van het vaste gesteente plotseling blijven liggen. In deze nieuwe streek met digt gras begroeid, met prachtige boomen bedekt, droegen tallooze appelboomen, die ten tijde der verovering geplant waren en geheele bosschen vormden, hun goudgele vruchten. Het was een hoek van het weelderige Normandië in het zilverland neergesmeten, en onder iedere andere omstandigheid zou het oog eens reizigers getroffen geweest zijn door dien plotselingen overgang uit de woestijn in de oasis, van de besneeuwde bergtoppen in de groene weiden, van den winter in den zomer.
De grond was weder even onbewegelijk geworden als altijd. De aardbeving was afgeloopen, en zonder twijfel oefenden de onderaardsche krachten haar verwoestende werking nu verder uit; want de Andes-keten schudt en beeft altijd hier of daar. Ditmaal was de schudding allerhevigst geweest. De berglijn was geheel gewijzigd. Een nieuw panorama van toppen, kammen en pieken teekende zich af op den blaauwen grond des hemels, en de gids uit de pampa's zou er te vergeefs naar zijn gewone herkenningspunten gezocht hebben.
De dag beloofde zeer schoon te zullen zijn; de stralen der zon, die haar vochtig bed in de Stille Zuidzee had verlaten, gleden over de argentijnsche vlakten en dompelden zich reeds in de golven van den Atlantischen Oceaan. Het was acht ure in den morgen.
Door de zorg van den majoor weder bijgebragt, kwamen Edward Glenarvan en diens makkers langzamerhand in het leven terug. Het bleek nu, dat zij met een verschrikkelijke verdooving vrij waren gekomen. Zij waren van de Cordillera afgedaald, en zouden reden gehad hebben om zich te verheugen over het snelle middel van vervoer, door de natuur bekostigd, hadden zij niet een hunner, en wel de zwakste, een kind, Robert Grant gemist.
Allen beminden dien wakkeren knaap: Paganel, die zich bijzonder aan hem gehecht had, de majoor ondanks zijn koelheid, allen, maar vooral Glenarvan. Deze was wanhopend, toen hij de verdwijning van Robert vernam. Hij stelde zich voor, hoe het arme kind in den een of anderen afgrond weggezonken zou zijn, en hoe hij te vergeefs om hem roepen zou, dien hij zijn tweeden vader noemde.
"Vrienden! vrienden!" zeide hij, met moeite zijn tranen bedwingende, "wij moeten hem zoeken, wij moeten hem terug vinden! Wij kunnen hem zoo niet aan zijn lot overlaten! Geen vallei, geen kloof, geen afgrond mogen wij ondoorzocht laten! Gij moet mij een touw om het lijf binden! Gij moet mij aflaten! Ik wil het, hoort gij? ik wil het! De Hemel geve, dat Robert nog leeft, en ik zal hem redden! Hoe zouden wij zonder hem zijn vader durven opzoeken, en welk regt hebben wij om kapitein Grant te redden, wanneer het geschieden moet ten koste van het leven zijns zoons?"
De reisgenooten van Glenarvan hoorden hem sprakeloos aan; zij gevoelden, dat hij een straal van hoop in hun blikken trachtte te vinden, en sloegen de oogen neder.
"Welnu!" hervatte lord Edward, "gij verstaat mij, en gij zwijgt! Koestert gij dan geen hoop meer, ook niet de geringste?"
Er heerschte eenige oogenblikken een diepe stilte, tot Mac Nabbs het woord opvatte en zeide:
"Wie uwer, mijne vrienden! herinnert zich, wanneer Robert verdwenen is?"
Op die vraag volgde geen antwoord.
"Gij zult mij dan toch wel kunnen zeggen," vervolgde de majoor, "wie het kind naast zich had bij de afdaling van de Cordillera?"
"Ik," antwoordde Wilson.
"Welnu, tot wanneer hebt gij hem naast u gezien? Bedenk u wel! Spreek!"
"Ik herinner mij alleen," antwoordde Wilson, "dat Robert Grant, terwijl hij met de hand krampachtig een bosje korstmos vasthield, geen twee minuten vóór den schok, die een einde aan onze afdaling maakte, nog naast mij was."
"Geen twee minuten! Bedenk u wel, Wilson! de minuten hebben u zeker wat lang toegeschenen! Vergist gij u niet?"
"Ik geloof, dat ik zeker ben van hetgeen ik zeg.... Ja, het is zoo ... geen twee minuten!"
"Goed!" zeide Mac Nabbs. "En was Robert aan uw linker- of aan uw regterzijde?"
"Aan mijn linkerzijde. Ik herinner mij, dat zijn mantel mij in het aangezigt woei."
"En in welke rigting bevondt gij u met betrekking tot ons?..."
"Ook ter linkerzijde."
"Dus heeft Robert alleen aan deze zijde kunnen verdwijnen," zeide de majoor zich naar den berg wendende en deszelfs regterzijde aanwijzende. "Ik voeg er bij, dat, den tijd in aanmerking genomen, die sedert zijn verdwijning verloopen is, het kind gevallen moet zijn op dat gedeelte van den berg, dat zich bevindt tusschen den voet en eene hoogte van twee mijlen. Daar moeten wij zoeken; wij zullen ons naar verschillende punten begeven, en dan zullen wij hem zeker terug vinden."
Geen woord werd er verder gewisseld. De zes mannen bestegen de Cordillera, plaatsten zich op haar rug op verschillende hoogten en begonnen hun nasporingen. Zij bleven steeds ter regterzijde van de lijn van nederdaling, doorzochten de geringste scheuren, daalden op den bodem der afgronden neder, die gedeeltelijk gedempt waren door de brokken van het vaste gesteente, en meer dan één hunner kwam er uit te voorschijn met gescheurde kleederen en bebloede handen en voeten, na zijn leven te hebben blootgesteld. Behalve eenige ontoegankelijke bergvlakken, werd dit gedeelte der Andes uren lang naauwkeurig onderzocht, zonder dat een van die moedige lieden er aan dacht om rust te nemen. Vergeefsche moeite. Het kind had niet alleen den dood in den berg gevonden, maar ook een graf, welks zerk, uit het een of ander ontzaggelijk rotsblok bestaande, zich voor eeuwig boven hem gesloten had.
Tegen één ure waren Glenarvan en zijne reisgezellen, uitgeput en afgemat, weder op den bodem van het dal bijeen. Lord Edward was aan een hevige smart ter prooi; hij sprak naauwelijks, en alleen deze woorden, door snikken afgebroken, kwamen over zijne lippen:
"Ik zal niet heengaan! Ik zal niet heengaan!"
Allen begrepen die stijfhoofdigheid, welke tot een vaststaand denkbeeld was geworden, en eerbiedigden ze.
"Laten wij wachten," zeide Paganel tot den majoor en tot Tom Austin. "Laten wij wat uitrusten en onze krachten herstellen. Wij hebben ze noodig, of om onze nasporingen te vernieuwen, of om onzen weg te vervolgen."
"Ja!" antwoordde Mac Nabbs, "wij zullen blijven, omdat Edward het verlangt! Hij hoopt. Maar wat hoopt hij?"
"God weet het!" zeide Tom Austin.
"Arme Robert!" antwoordde Paganel, zich de oogen afdroogende.
Er groeiden een menigte boomen in het dal; de majoor koos een groep hooge St. Jansbroodboomen, waaronder hij een voorloopige legerplaats liet opslaan. Eenige dekens, de wapens, een weinig gedroogd vleesch en rijst, was alles, wat de reizigers over hadden gehouden. Niet verre van daar stroomde een beekje, welks door de lawine nog min of meer troebel water in de eerste behoefte voorzag. Mulrady ontstak vuur op het gras, en spoedig kon hij zijn heer een warme en verkwikkende drank aanbieden. Glenarvan weigerde ze, en bleef van alle kracht beroofd op zijn mantel uitgestrekt liggen.
Zoo verstreek de dag. De volgende nacht was even kalm en stil als de voorgaande. Terwijl zijne makkers wel roerloos maar toch wakker lagen, beklom Glenarvan op nieuw de hellingen der Cordillera. Hij luisterde scherp, nog altijd hopende, dat een laatste kreet tot hem zou doordringen. Hij waagde zich, al was hij alleen, zeer ver bergop, leide zijn oor tegen den grond, luisterde en onderdrukte zelfs het kloppen van zijn hart, terwijl hij op een toon van wanhoop het kind riep.
Den geheelen nacht dwaalde de arme lord op den berg rond. Paganel en de majoor volgden hem beurtelings, gereed om hem hulp te bieden op de gladde rotspunten en aan den rand der afgronden, waarheen zijn nuttelooze onvoorzigtigheid hem voerde. Maar al zijn pogingen waren vergeefsch, en alleen de echo antwoordde op zijn duizendwerf herhaald geroep van "Robert! Robert!" door dien geliefden naam na te baauwen.
De zon ging op. Men moest Glenarvan van de verwijderde bergvlakken halen, en hem, hoewel tegen zijn zin, naar de legerplaats brengen. Zijn wanhoop was ontzettend. Wie zou tegen hem van vertrekken hebben durven spreken, en hem voorstellen om dat rampzalige dal te verlaten? Inmiddels raakten de levensmiddelen op. Digt bij zou men de argentijnsche gidsen, die de muilezeldrijver besteld had, en de paarden, die voor de reis door de pampa's noodig waren, ontmoeten. De terugtogt was met meer bezwaren verbonden dan het voortzetten der reis. Bovendien, deDuncanzou aan de kust van den Atlantischen Oceaan wachten. Al die gewigtige redenen gedoogden geen langer verwijl, en in aller belang mogt het uur van vertrek niet uitgesteld worden.
Mac Nabbs beproefde Glenarvan uit zijn smart op te beuren. Hij sprak lang, zonder dat zijn vriend hem scheen te verstaan. Glenarvan schudde het hoofd. Toch kwamen eenige woorden over zijne lippen.
"Vertrekken!" zeide hij.
"Ja! vertrekken."
"Nog één uur!" zeide lord Edward.
"Ja, nog één uur," antwoordde de waardige majoor.
En toen het uur om was, smeekte Glenarvan als een gunst om hem nog één uur toe te staan. Men zou gezegd hebben dat hij een veroordeelde was, die om verlenging zijns levens bad. Dat duurde zoo tot omstreeks twaalf ure. Toen aarzelde Mac Nabbs met aller goedkeuring niet langer, en zeide tot Glenarvan, dat zij moesten vertrekken, en dat het leven zijner reisgenooten van een snel besluit afhing.
"Ja! ja!" zeide lord Edward, "laten wij vertrekken!"
Maar terwijl hij zoo sprak, dwaalde zijn oog van Mac Nabbs af; zijn blik bleef op een zwarte stip in de lucht gevestigd. Eensklaps stak hij zijn hand omhoog, en bleef onbewegelijk staan, alsof hij versteend ware.
"Daar! daar!" zeide hij, "ziet! ziet!"
Allen wendden de oogen hemelwaarts en in de rigting, die hun zoo gebiedend werd aangewezen. Thans werd de zwarte stip zigtbaar grooter. Het was een vogel, die op een onmetelijken afstand in de lucht zweefde.
"Een condor," zeide Paganel.
"Wat zegt gij? een condor!" antwoordde Glenarvan.
"Wie weet? hij komt! hij daalt! wacht even!"
Wat hoopte lord Edward? Was zijn verstand verbijsterd? "Wie weet?" had hij gezegd! Paganel had goed gezien. De condor werd ieder oogenblik duidelijker zigtbaar. Die prachtige vogel, wien de Incas voorheen goddelijke eer bewezen, is de koning der zuidelijke Andes. In deze streken bereikt hij een buitengewone grootte. Zijn kracht is verbazend, en menigmaal stort hij runderen in den afgrond neder. Hij valt schapen, geiten en jonge kalveren, die in de vlakte rondloopen, aan, en voert ze in zijn klaauwen tot een verbazende hoogte. Niet zelden zweeft hij twintig duizend voet boven den grond, d.i. op een hoogte, die de mensch niet kan overschrijden. Van daar laat die koning der lucht, voor het beste gezigt onmerkbaar, zijn scherpen blik over de aarde weiden, en onderscheidt hij de geringste voorwerpen met een gezigtsvermogen, dat de verwondering der natuurkundigen opwekt.
Wat had die condor dan gezien? Een lijk! dat van Robert Grant. "Wie weet?", herhaalde Glenarvan, zonder hem uit het oog te verliezen. De ontzaggelijke vogel naderde, nu eens zwevende, dan weder met de snelheid van een vallend ligchaam nederdalende. Weldra beschreef hij, geen honderd vademen van den grond, met een grooten straal wijde cirkels. Men kon hem geheel onderscheiden. Op zijn krachtige vleugels dreef hij bijna zonder klapwieken op de lucht; want het is een eigenschap der groote vogels, dat zij met een majestueuse kalmte vliegen, terwijl de insecten om te blijven zweven wel duizendmaal in een seconde hun vlerkjes moeten uitslaan.
De majoor en Wilson hadden hun karabijn gegrepen. Glenarvan hield hen met een gebaar tegen. De condor beschreef in zijn vlugt kringen boven een soort van ontoegankelijk bergvlak, een kwartmijl hoog op de zijden der Cordillera gelegen. Hij draaide met een duizelingwekkende snelheid rond, opende en sloot zijn vreeselijke klaauwen, en schudde zijn kraakbeenigen kam.
"Daar! daar!" riep Glenarvan.
Daar schoot hem eensklaps een gedachte te binnen.
"Als Robert nog leeft!" riep hij op een toon van ontzetting, "dan zal die vogel.... Vuur! vrienden! vuur!" Maar het was te laat. De condor was reeds achter hooge, uitstekende rotspunten verdwenen. Er verliep een seconde, een seconde die wel een eeuw duurde! Daarna kwam de ontzaggelijke vogel zwaar beladen weder te voorschijn, en verhief zich langzaam in de lucht.
Een kreet van ontzetting ging er op. Men zag, hoe de condor een levenloos ligchaam, dat van Robert Grant, in zijn klaauwen heen en weer schudde. De vogel had zijn kleederen vast gegrepen, en bevond zich geen honderd vijftig voet boven de legerplaats; hij had de reizigers bemerkt en wilde met zijn zware prooi ontvlugten, waarom hij de luchtlagen hevig met zijn vleugels sloeg.
De vogel had Roberts klederen vastgegrepen...De vogel had Roberts klederen vastgegrepen...
"Ach!" riep Glenarvan, "ik zou liever zien, dat het lijk van Robert op deze rotsen verbrijzeld werd, dan dat het moest dienen...."
Hij voltooide den zin niet, en de karabijn van Wilson grijpende, wilde hij op den condor aanleggen. Maar zijn arm beefde. Hij kon zijn wapen niet stil houden. Zijn oogen werden verduisterd.
"Laat mij maar begaan," zeide de majoor.
En met een rustigen blik, een vaste hand en een onbewegelijk ligchaam mikte hij op den vogel, die reeds drie honderd voet van hem af was.
Maar hij had zijn karabijn nog niet afgedrukt, of daar klonk reeds een losbranding in het dal; tusschen twee basaltrotsen dwarrelde een witte rook, en de condor, in den kop getroffen, viel al ronddraaijende langzaam neder, door zijn grote uitgespreide vleugels opgehouden, die tot valscherm dienden. Hij had zijn prooi niet losgelaten, en viel vrij langzaam op den grond neder, op tien schreden afstands van de steile oevers der beek.
"Helpt! helpt!" riep Glenarvan.
En zonder te onderzoeken, vanwaar dat door de Voorzienigheid bestuurde schot gekomen was, snelde hij naar den condor. Zijn makkers volgden hem ijlings.
Toen zij aankwamen, was de vogel dood. Het ligchaam van Robert verdween onder zijn groote vleugels. Glenarvan wierp zich op het lijk van het kind, bevrijdde hem uit de klaauwen des vogels, strekte hem op het gras uit, en drukte zijn oor tegen de borst van dat levenloos ligchaam.
Nooit was er verschrikkelijker vreugdekreet over menschelijke lippen gekomen, dan toen lord Glenarvan opstond met den uitroep:
"Hij leeft! hij leeft nog!"
Onmiddellijk werd Robert van zijn kleederen ontdaan, en zijn aangezigt met koud water gewasschen. Hij bewoog zich even, opende zijn oogen, zag rond en sprak eindelijk de volgende woorden:
"Ach! zijt gij het, mylord!... mijn vader!..."
Glenarvan kon niet antwoorden; de aandoening verstikte zijn stem, en nederknielende weende hij bij dat zoo wonderdadig geredde kind.
Na pas aan het eene gevaar ontkomen te zijn, werd Robert door een ander, niet geringer bedreigd, dat van onder liefkozingen te bezwijken. Hoewel hij nog zeer zwak was, kon geen een van die wakkere lieden de lust wederstaan om hem te omhelzen. Die hartelijke omhelzingen zijn stellig niet schadelijk voor de zieken, want het kind stierf er niet aan. Integendeel.
Maar na den geredde dacht men aan den redder, en zooals van zelf spreekt was de majoor de eerste, die op de gedachte kwam om eens rond te zien. Vijftig schreden van het beekje af stond een zeer rijzig man onbewegelijk stil op een der laagste punten van den berg. Een lang geweer lag aan zijne voeten. Die man, die zoo plotseling was komen opdagen, had breede schouders en lange haren, die met lederen riempjes waren opgebonden. Hij was meer dan zes voet lang; zijn bronskleurig gelaat was tusschen de oogen en den mond rood, aan het onderste ooglid zwart, en op het voorhoofd wit. Op de wijze der grensbewoners van Patagonië gekleed, droeg die inboorling een prachtigen mantel met roode figuren versierd, vervaardigd uit het vel van den hals en de pooten van een guanacha, met de pezen van struisvogels vastgenaaid, en met de zijdeachtige wol naar buiten gekeerd. Onder zijn mantel droeg hij een naauwsluitende kleeding van vossevel, die van voren in een punt uitliep. Aan zijn gordel hing een zakje, dat de kleuren bevatte, die hij gebruikte om zijn aangezigt te beschilderen. Zijn laarzen waren van een stuk ossehuid vervaardigd, en om den enkel met regelmatig over elkaar gekruiste riemen vastgemaakt.