XVI.

De Patagoniër Thakave.De Patagoniër Thakave.

Het gelaat van dien Patagoniër was zeer schoon en zeer verstandig, in spijt van de kakelbonte kleuren, waarmede het versierd was. Hij wachtte in een waardige houding. Als men hem daar zoo onbewegelijk en deftig op zijn voetstuk van rotsen had zien staan, zou men hem voor het standbeeld der koelbloedigheid gehouden hebben.

Zoodra de majoor hem bemerkt had, wees hij hem aan Glenarvan, die naar hem toeliep. De Patagoniër deed twee schreden vooruit. Glenarvan greep zijn hand en drukte ze in de zijne. Er lag in den blik van den lord, in de opgeruimde uitdrukking van zijn gelaat, in zijn geheele houding zulk een gevoel van erkentelijkheid, zulk een uitdrukking van dankbaarheid, dat de inboorling zich er niet in kon vergissen. Hij boog zachtjes het hoofd en zeide eenige woorden, die de majoor evenmin als zijn vriend kon verstaan.

Daarop veranderde de Patagoniër, na de vreemdelingen oplettend aangezien te hebben, van taal; maar, wat hij ook deed, zij begrepen die nieuwe taal evenmin als de andere. Zekere uitdrukkingen echter, waarvan de inboorling zich bediende, troffen Glenarvan. Het kwam hem voor, dat zij tot de spaansche taal behoorden, waarvan hij eenige der meest gebruikelijke woorden kende.

"Espagñol?" zeide hij.

De Patagoniër knikte, een gebaar, dat bij alle volken dezelfde toestemmende beteekenis heeft.

"Goed!" zeide de majoor, "dat is een kolfje naar de hand van onzen vriend Paganel. Hoe gelukkig, dat hij op de gedachte gekomen is om spaansch te leeren!"

Paganel werd geroepen. Hij kwam dadelijk aanloopen, en groette den Patagoniër met echt franschen zwier, waarvan deze waarschijnlijk niets begreep. De geleerde aardrijkskundige werd aangaande den stand van zaken ingelicht.

"Zeer goed!" zeide hij.

En den mond wijd openende om de woorden des te duidelijker te kunnen uitspreken, zeide hij:

"Vos sois um homem de bem![1]"

De inboorling luisterde oplettend, maar antwoordde niet.

"Hij begrijpt mij niet," zeide de aardrijkskundige.

"Misschien legt gij den klemtoon niet goed?" antwoordde de majoor.

"Dat is het. Die duivelsche klemtoon!"

En Paganel herhaalde zijn compliment nog eens, maar met hetzelfde gevolg.

"Ik zal eens iets anders zeggen," zeide hij, en met een regterlijke langzaamheid sprekende, liet hij deze woorden hooren:

"Sem devida, um Patagdo?[2]"

De ander bleef even stom als te voren.

"Dizeime![3]" voegde Paganel er bij.

De Patagoniër gaf nog geen antwoord.

"Vos compriendeis?[4]" riep Paganel zoo driftig, dat het weinig scheelde of hij had zijn stembanden gebroken.

Het was duidelijk, dat de Indiaan hem niet begreep; want hij antwoordde, maar in het spaansch: "No comprendo.[5]."

Nu was het de beurt van Paganel om vreemd op te kijken; hij schoof driftig zijn bril van zijn voorhoofd voor zijn oogen, als iemand, wiens bloed aan het koken gaat.

"Ik laat mij hangen," zeide hij, "als ik een woord van dat helsche koeterwaalsch versta! Het is zeker araucanisch!"

"Wel neen," antwoordde Glenarvan, "die man heeft zeker in het spaansch geantwoord."

En zich tot den Patagoniër keerende, herhaalde bij: "Espagñol?"

"Si, si![6]" antwoordde de inboorling.

De verrassing van Paganel ging tot verbazing over. De majoor en Glenarvan knipoogden tegen elkander.

"Hoe is het, mijn geleerde vriend?" zeide de majoor, terwijl onwillekeurig een glimlachje zijn lippen krulde, "hebt gij misschien weder een van die buijen van verstrooidheid gehad, die gij in pacht schijnt te hebben?"

"Wat blieft!" zeide de aardrijkskundige eenigzins geraakt.

"Ja! het is zeker, dat die Patagoniër spaansch spreekt...."

"Hij!"

"Ja, hij! zoudt gij wel ligt een andere taal geleerd hebben, denkende...."

Mac Nabbs voltooide den zin niet. Een krachtig "och!" van den geleerde, vergezeld van een veelbeteekenend schouderophalen, deed hem eensklaps zwijgen.

"Majoor! gij gaat te ver," zeide Paganel op een droogen toon.

"Maar, daar gij toch niet begrijpt!" antwoordde Mac Nabbs.

"Ik begrijp niet, omdat die inboorling niet goed spreekt!" antwoordde de aardrijkskundige, die ongeduldig begon te worden.

"Dat wil zeggen, dat hij niet goed spreekt, omdat gij niet begrijpt," gaf de majoor bedaard ten antwoord.

"Dat is toch een onaannemelijke vooronderstelling, Mac Nabbs!" zeide nu Glenarvan. "Hoe verstrooid onze vriend Paganel ook zijn moge, kan men toch niet aannemen, dat dit zoover zou gegaan zijn, dat hij de eene taal voor de andere zou geleerd hebben!"

"Verklaar mij de zaak dan wat nader, waarde Edward! of liever gij, brave Paganel!"

"Ik verklaar niet," antwoordde Paganel, "ik bevestig. Hier is het boek, waarin ik mij dagelijks in de moeijelijkheden der spaansche taal oefen! Bezie het maar, majoor! en gij zult zien of ik u om den tuin leid!"

Dit zeggende tastte Paganel in zijne zakken; na eenige minuten gezocht te hebben, haalde hij er een zeer gehavend boek uit en bood het met een zeker voorkomen aan. De majoor nam het boek en zag hem aan:

"Wat is dat voor een werk?" vroeg hij.

"Het is deLusiade," antwoordde Paganel, "een heerlijk heldendicht, dat...."

"DeLusiade!" riep Glenarvan.

"Ja, mijn vriend! deLusiadevan den grooten Camoëns, niets meer en niets minder!"

"Camoëns!" herhaalde lord Edward; "maar, ongelukkige vriend! Camoëns is een Portugees. Dus leert gij reeds zes weken lang het portugeesch!"

"Camoëns!Lusiade! portugeesch!..."

Paganel wist niet meer, wat hij er van zeggen moest. Zijn oogen werden vochtig onder zijn bril, terwijl een luid gelach in zijn ooren klonk; want al zijn reismakkers stonden om hem heen.

De Patagoniër vertrok zijn gezigt niet; hij wachtte geduldig op de verklaring van een voorval, dat voor hem geheel onbegrijpelijk was.

"Ach! zinnelooze! dwaas, die ik ben!" zeide Paganel eindelijk. "Hoe is het mogelijk! Dat is geen moedwillig verzinsel! Ik zelf heb het gedaan! Maar, dat is een spraakverwarring, evenals te Babel! Ach! vrienden! vrienden! naar Indië te vertrekken en in Chili aan te komen! het spaansch te leeren en portugeesch te spreken! dat is te sterk, en als het zoo voortgaat, zal ik nog eens zelf uit het raam springen in plaats van mijn sigaar naar buiten te werpen!"

Als men Paganel zoo over zijn misvatting hoorde spreken en zijn grappige wanhoop zag, was het onmogelijk om ernstig te blijven. Hij zelf gaf er dan ook trouwens het voorbeeld van.

"Lacht, mijne vrienden!" zeide hij, "lacht, zooveel gij wilt! Gij zult niet zooveel om mij lagchen, als ik zelf er om lach!" En hij barstte in het luidste gelach uit, dat ooit uit den mond van een geleerde kwam.

"Het is niettemin waar, dat wij nu zonder tolk zijn," zeide de majoor.

"O, troost u maar!" antwoordde Paganel; "het portugeesch en het spaansch gelijken zoo zeer op elkander, dat ik mij er in vergist heb; maar diezelfde overeenkomst zal mij in staat stellen om mijn dwaling spoedig te herstellen, en binnen kort wil ik dien waardigen Patagoniër bedanken in de taal, die hij zoo goed spreekt."

Paganel had gelijk; want hij kon weldra eenige woorden met den inboorling wisselen; hij vernam zelfs, dat de Patagoniër Thalcave heette, een woord, dat in de araucanische taal "Donderaar" beteekent.

Dien bijnaam had hij ongetwijfeld gekregen om zijn bedrevenheid in het hanteeren der vuurwapenen.

Maar wat Glenarvan vooral aanstond was de mededeeling, dat de Patagoniër gids van beroep, en wel gids door de pampa's was. De vinger Gods was zoo duidelijk in die ontmoeting, dat de goede uitslag der onderneming reeds den vorm van een voldongen feit aannam, en niemand twijfelde nu meer aan de redding van kapitein Grant.

Intusschen waren de reizigers en de Patagoniër naar Robert teruggekeerd. Deze breidde zijn armen naar den inboorling uit, die, zonder een woord te spreken, hem de hand op het hoofd legde. Hij onderzocht het kind en betastte zijn pijnlijke leden. Glimlagchende ging hij nu aan de oevers der beek eenige handen vol wilde selderie plukken, waarmede hij het ligchaam van den zieke wreef. Onder dit wrijven, dat zeer zacht verrigt werd, voelde het kind zijn krachten terugkomen, en het bleek ras, dat hij slechts eenige uren rust behoefde om geheel te herstellen.

Er werd dus besloten, dat deze dag en de volgende nacht in de legerplaats doorgebragt zouden worden. Er waren ook nog twee gewigtige vragen op te lossen betreffende het voedsel en het vervoer. Men had gebrek aan levensmiddelen en muilezels beiden. Gelukkig, dat Thalcave er was. Die gids, gewoon om de reizigers langs de patagonische grenzen te geleiden, en een der schranderste baqueano's van het land, nam op zich om Glenarvan van al het ontbrekende te voorzien. Hij bood aan om hem naar een "tolderia" van Indianen, hoogstens vier mijlen verder, te brengen, waar hij alles vinden zou, wat noodig was voor den togt. Dit voorstel werd half in de gebarentaal, half in spaansche woorden gedaan, die het Paganel gelukte om te verstaan. Het werd aangenomen. Na afscheid van hun reismakkers genomen te hebben, gingen Glenarvan en zijn geleerde vriend terstond opwaarts langs het riviertje onder geleide van den Patagoniër.

Anderhalf uur lang liepen zij stevig en met groote schreden door om den reus Thalcave bij te houden. Deze geheele streek der Andes was liefelijk en hoogst vruchtbaar. Het was een onafgebroken reeks van vette weiden, die gemakkelijk een leger van honderd duizend herkaauwende dieren hadden kunnen voeden. Groote vijvers, die met elkander in verband stonden door een doolhof van beekjes, schonken aan die vlakten het noodige vocht. Zwartkoppige zwanen vermaakten er zich naar welgevallen en betwistten het gebied over het water aan talrijke struisvogels, die door de llano's huppelden. De vogelwereld was zeer schitterend, ook zeer luidruchtig, maar ook vol afwisseling. De isaca's, bevallige grijsachtige tortelduifjes, met wit gestreepte vederen, en de gele kardinalen versierden de boomtakken als met levende bloemen; de trekduiven doorkruisten den omtrek, terwijl het geheele musschengeslacht, de "chingolo's," de "hilguero's" en de "monjita's" elkander pijlsnel vervolgden, en de lucht met hun getjilp vervulden.

Jacques Paganel vond telkens nieuwe stof van bewondering, allerlei uitroepen volgden elkander op, tot verbazing van den Patagoniër, die het heel natuurlijk vond, dat er vogels in de lucht, zwanen in de vijvers en gras op de weiden was. De geleerde had geen reden om zich over de wandeling of over haar langen duur te beklagen. Het kwam hem voor, alsof hij pas vertrokken was, toen de legerplaats der Indianen reeds zigtbaar werd.

Die tolderia was aangelegd op den bodem eener naauwe vallei tusschen de voorbergen der Andes. Daar woonden in hutten van boomtakken een dertigtal zwervende inboorlingen, die groote kudden melkkoeijen, schapen, ossen en paarden weidden. Zij trokken zoo van de eene weide naar de andere, en vonden overal de tafel gedekt voor hun viervoetige gasten.

De type zijnde van een gemengd ras van Araucaniërs, Pehuenchen en Auca's, zouden die Ando-Peruanen met hun olijfkleur, hun middelmatige gestalte, hun gespierde vormen, hun laag voorhoofd, hun bijna cirkelrond gelaat, hun dunne lippen, hun uitstekende wangbeenderen, hun verwijfde trekken en hun onbeteekenend gelaat, in de oogen van den natuurkenner het karakter der zuivere rassen niet gedragen hebben. In het kort, het waren inboorlingen, die niets belangwekkends hadden. Glenarvan had ook wel een oog voor hun kudden, maar niet voor hen. Zij hadden runderen en paarden, en dat was alles, wat Glenarvan verlangde.

Thalcave belastte zich met de onderhandelingen, die niet lang duurden. In ruil voor zeven kleine paarden van argentijnsch ras met hun tuig, voor een honderdtal ponden "charqui" of gedroogd vleesch, voor eenige maten rijst en eenige lederen waterzakken, namen de Indianen, bij gebrek aan wijn of rum, die zij liever gehad zouden hebben, twintig onsen goud[7]aan, waarvan zij de waarde zeer goed kenden. Glenarvan wilde nog een paard voor den Patagoniër koopen; maar deze gaf hem te kennen, dat dit niet noodig was.

Toen de koop gesloten was, nam Glenarvan afscheid van zijn nieuwe "leveranciers," zooals Paganel hen noemde, en was binnen een half uur in de legerplaats terug. Zijn aankomst werd met gejuich begroet, hetgeen hij echter niet op zich zelven toepaste, maar, zooals ook het geval was, op rekening van de levensmiddelen en de rijpaarden stelde. Allen aten met graagte. Robert gebruikte eenig voedsel; zijn krachten waren bijna geheel teruggekomen.

Het overige van den dag verliep in een ongestoorde rust. Men sprak een weinig over koetjes en kalfjes, over de lieve afwezigen, over deDuncan, over kapitein John Mangles, over zijn wakker scheepsvolk, over Harry Grant, die misschien niet veraf was.

Wat Paganel aangaat, deze verliet den Indiaan niet: hij volgde Thalcave als diens schaduw. Hij was uitgelaten van vreugde, dat hij nu een echten Patagoniër zag, met wien vergeleken hij wel een dwerg scheen; een Patagoniër, die bijna kon wedijveren met dien keizer Maximinus en dien neger uit Congo, dien de geleerde van der Broek had gezien, welke beiden acht voet lang waren! Dan overstelpte hij den deftigen Indiaan met spaansche spreekwijzen, hetgeen deze gewillig toeliet. Ditmaal studeerde de aardrijkskundige zonder boek. Met behulp van keel, tong en tanden hoorde men hem allerlei klanken uitbrengen.

"Als ik den klemtoon niet vat," voegde hij den majoor telkens toe, "dan is het mijn schuld niet. Maar had ik ooit kunnen denken, dat een Patagoniër mij eens spaansch zou leren!"

[1]Gij zijt een braaf man.

[1]Gij zijt een braaf man.

[2]Zeker een Patagoniër?

[2]Zeker een Patagoniër?

[3]Geef antwoord!

[3]Geef antwoord!

[4]begrijpt gij?

[4]begrijpt gij?

[5]Ik begrijp het niet.

[5]Ik begrijp het niet.

[6]Ja! ja!

[6]Ja! ja!

[7]Omtrent acht honderd gulden.

[7]Omtrent acht honderd gulden.

Des anderen daags, den 22stenOctober, gaf Thalcave ten acht ure het sein tot het vertrek. Tusschen den twee en twintigsten en den twee en veertigsten graad helt de bodem der argentijnsche republiek zachtjes van het westen naar het oosten af; de reizigers behoefden dus alleen een zachte glooijing tot aan zee toe te volgen.

Toen de Patagoniër het paard weigerde, dat Glenarvan hem aanbood, meende deze, dat hij liever te voet wilde gaan, zooals de gewoonte van vele gidsen is, en voorzeker zouden zijn lange beenen hem het loopen zeer gemakkelijk gemaakt hebben.

Maar Glenarvan bedroog zich.

Toen zij zouden vertrekken, floot Thalcave op een bijzondere manier. Terstond kwam uit een naburig boschje een prachtig argentijnsch paard van een heerlijke gestalte op de roepstem zijns meesters te voorschijn. Het paard was zonder eenig gebrek; zijn bruine kleur was het bewijs, dat het een onvermoeid, fier, moedig en levendig dier was; het had een fijnen kop en een sierlijken hals, wijd geopende neusgaten, een vurigen blik, stevige pooten, een goed gevulde schoft, een hooge borst, lange pooten, d.i. al de hoedanigheden, die een paard sterk en vlug maken. Als een volleerd kenner bewonderde de majoor zonder eenig voorbehoud dit staaltje van het ras der pampa's, dat in zijn oog eenige overeenkomst had met het engelsche jagtpaard. Dit schoone dier heette "Thaouka," dat in het patagonisch "vogel" wil zeggen, en verdiende dien naam ten volle.

Zoodra Thalcave in den zadel zat, begon zijn paard allerlei sprongen te maken. Het was heerlijk om den Patagoniër, die een bedreven ruiter was, te zien; het jagttuig, dat in de argentijnsche vlakte in gebruik is, de "bola's" en de "lasso", voltooide zijn uitrusting. De bola's bestaan uit drie kogels, die door een lederen riem verbonden en vooraan den zadel gehecht zijn. De Indiaan slingert ze dikwijls op een afstand van honderd schreden naar het dier of den vijand, dien hij vervolgt, en wel met zulk een juistheid, dat zij zich om diens beenen draaijen en hem terstond doen vallen. Zij zijn dus in zijn handen een vreeselijk werktuig, dat hij met een verbazende bekwaamheid behandelt. De lasso integendeel verlaat de hand niet, die hem slingert. Dit is niets anders dan een dertig voet lange koord, bestaande uit de vereeniging van twee goed gevlochten lederen riemen, die in een lus uitloopen, welke door een ijzeren ring gaat. Met de regterhand werpt hij de lus, met de linker houdt hij het andere gedeelte van den lasso vast, die stevig aan den zadel is bevestigd. Een lange karabijn aan een riem voltooide eindelijk de aanvallende bewapening van den Patagoniër.

Zonder acht te geven op de bewondering, die zijn natuurlijke bevalligheid, zijn losheid en fiere ongedwongenheid opwekten, stelde Thalcave zich aan het hoofd van den troep, en men reed nu eens in galop, dan weder in den gewonen pas van paarden, die niet afgerigt schenen te zijn voor den draf. Robert legde veel moed aan den dag, en stelde Glenarvan spoedig gerust ten aanzien van zijn bekwaamheid om in den zadel te blijven.

De vlakte der pampa's begint onmiddellijk aan den voet der Cordillera. Men kan haar in drie deelen verdeelen: het eerste strekt zich van de Andes-keten over een lengte van twee honderd vijftig mijlen uit en is bedekt met niet zeer hooge boomen en struiken. Het tweede, vier honderd vijftig mijlen breed, is met prachtig gras begroeid, en eindigt op een afstand van honderd tachtig mijlen van Buenos-Ayres. Van hier af tot aan de zee toe betreedt de voet des reizigers slechts onmetelijke weilanden met spurrie en distels. Dit is het derde gedeelte der pampa's.

Het eerst wat het gezelschap van Glenarvan ontmoette na het verlaten van de engten der Cordillera was een menigte zandheuvels, "medano's" geheeten, echte golven, die onophoudelijk door den wind worden opgejaagd, wanneer de wortels der planten ze niet op den bodem bevestigd houden. Dit zand is uiterst fijn; vandaar dat men het bij het geringste windje in ligte wolkjes opvliegen of echte hoozen vormen zag, die zich tot een aanmerkelijke hoogte verhieven. Dit schouwspel was vermakelijk en lastig tevens voor de oogen: vermakelijk, want niets was bezienswaardiger dan die hoozen, welke over de vlakte rond dwarrelden, met elkander worstelden, zich met elkander vermengden, nedervielen en weder in een onuitsprekelijke verwarring opstegen; lastig, want onzigtbaar stof maakte zich van de tallooze zandheuvels los, en drong tusschen de oogleden, hoe vast zij ook gesloten waren.

Ten gevolge van den noordewind hield dit verschijnsel een groot gedeelte van den dag aan. Men trok echter snel voort, en tegen zes ure had men de Cordillera's reeds veertig mijlen achter zich, zoodat zij een zwartachtig voorkomen opleverden, dat reeds in de avonddampen verdween.

De reizigers waren min of meer vermoeid van een togt, die op acht en dertig mijlen kon berekend worden. Zij zagen dan ook met vreugde het uur naderen, waarop zij zich ter ruste zouden begeven. Zij legerden zich aan de oevers van den snelvlietenden Neuquem, een onstuimig riviertje met troebel water, dat tusschen hooge en steile roodkleurige oevers stroomt. De Neuquem wordt door sommige aardrijkskundigen Ramid of Comoë genoemd, en komt uit meren, die alleen aan de Indianen bekend zijn.

De nacht en de volgende dag leverden niets meldenswaardigs op. Men ging snel en ongehinderd voort. Een effen bodem en een dragelijke temperatuur maakten de voortzetting der reis gemakkelijk. Tegen den middag echter werd het brandend heet. Tegen den avond werd de gezigteinder in het zuidwesten met een bank van wolken bedekt, een zeker teeken, dat er verandering van weder ophanden was. De Patagoniër kon zich er niet in vergissen, en met den vinger wees hij den aardrijkskundige het westen aan.

"Goed! ik weet het!" zeide Paganel, en zich tot zijn makkers wendende, voegde hij er bij: "Er is verandering van weder op til, wij zullen kennis maken met de pampero."

En hij legde hun uit, dat die pampero, die zeer dikwijls in de argentijnsche vlakten voorkomt, een zeer drooge zuidwestewind is. Thalcave had zich niet vergist. Dien nacht, die vrij onaangenaam was voor menschen, die geen ander deksel hadden dan een eenvoudigen mantel, woei de pampero met groote kracht. De paarden gingen op den grond liggen, en de menschen kropen vlak bij hen digt bij elkander. Glenarvan vreesde voor oponthoud, wanneer die orkaan wat lang aanhield; maar Paganel stelde hem gerust, nadat hij zijn barometer had geraadpleegd.

"Gewoonlijk," zeide hij, "veroorzaakt de pampero driedaagsche stormen, die de daling van het kwik op een stellige wijze aankondigt. Maar wanneer de barometer integendeel,—zooals nu het geval is,—stijgt, is men er met een woedende bui van eenige uren van af. Stel u dus gerust, mijn waarde vriend! bij het aanbreken van den dag zal de hemel weder zoo helder zijn als altijd."

"Gij spreekt als een boek, Paganel!" antwoordde Glenarvan.

"Ik ben er ook een," antwoordde Paganel. "Ik geef u vrijheid om mij zoo dikwijls te doorbladeren als gij maar wilt."

Het boek bedroog zich niet. Te één ure na middernacht bedaarde plotseling de wind en allen konden nu in den slaap een verkwikkende rust vinden. Den volgenden morgen werden zij zoo frisch als een hoen wakker, vooral Paganel, die op een opgeruimden toon zijn lessen weder opdreunde en zich uitrekte als een jonge hond.

Men telde nu den vier en twintigsten October, den tienden dag na het vertrek van Talcahuano. Drie en negentig mijlen[1], d.i. drie dagreizen scheidden de reizigers nog van het punt, waar de Rio Colorado de zeven en dertigste parallel snijdt. Gedurende dien togt over het amerikaansche vastland zag lord Glenarvan met de uiterste oplettendheid uit of er ook inboorlingen naderden. Hij wilde hen betreffende kapitein Grant door tusschenkomst van den Patagoniër ondervragen, met wien Paganel nu reeds vrij goed spreken kon. Maar de lijn, die men volgde, werd weinig door de Indianen bezocht; want de wegen door de pampa, die uit de argentijnsche republiek naar de Cordillera's loopen, liggen noordelijker. Men trof dan ook evenmin zwervende Indianen als gevestigde stammen onder het gezag van Kaziken aan. Als er bij toeval een zwervend ruiter in de verte zich vertoonde, dan nam hij ijlings de vlugt, daar hij geen lust gevoelde om met onbekenden in aanraking te komen. Zulk een gezelschap moest wel verdacht toeschijnen aan een ieder, die zich alleen in de vlakte waagde, aan den bandiet zoowel, wiens achterdocht moest opgewekt worden door de verschijning van acht goed gewapende en goed bereden mannen, als aan den reiziger, die in deze onbewoonde streken hen voor kwaadwilligen kon aanzien. Het was derhalve even onmogelijk om met vreedzame lieden als met plunderaars te spreken. Het was jammer, dat men geen bende "rastreadores"[2]aantrof, al moest men ook het gesprek met geweerschoten aanvangen.

Had Glenarvan ook al in het belang zijner nasporingen de afwezigheid der Indianen te betreuren, zoo had er toch een voorval plaats, dat de uitlegging van het document bijzonder sterk bevestigde.

De weg, dien het reisgezelschap hield, sneed menigmaal de voetpaden der pampa, onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren, muilezels, paarden, schapen en runderen, wier overblijfselen door den snavel der roofvogels vaneengescheiden en door de ontkleurende werking van den dampkring verbleekt, langs de beide zijden van den weg lagen. Men telde ze bij duizenden, en ongetwijfeld vermengde meer dan een menschelijk geraamte zijn stof met dat der geringste dieren.

... onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren,...... onder anderen een vrij belangrijken weg,—dien van Carmen naar Mendoza,—die kenbaar was aan de beenderen van huisdieren,...

Tot nu toe had Thalcave geen aanmerking gemaakt op den weg, dien men zoo zonder afwijking bleef houden. Hij begreep echter, dat deze, zich aan geen enkelen der wegen door de pampa's aansluitende, niet kon uitloopen op de steden, de dorpen of de nederzettingen in het argentijnsche gebied. Elken morgen liep men tegen de opgaande zon in, zonder van de regte lijn af te gaan, en elken avond was de ondergaande zon aan het tegenovergestelde uiteinde van die lijn. In zijn hoedanigheid van gids mogt Thalcave zich dus teregt verwonderen, dat hij niet alleen niet geleidde, maar zelfs geleid werd. Mogt hij zich er echter al over verwonderen, dan deed hij het toch met de den Indianen eigene bescheidenheid, en maakte hij geen aanmerking over de eenvoudige voetpaden, die men tot nu toe ter zijde had laten liggen. Maar toen hij nu bij den genoemden grooten weg gekomen was, hield hij zijn paard in en zeide, zich tot Paganel wendende: "De weg van Carmen."

"Ik weet het wel, brave Patagoniër!" antwoordde de aardrijkskundige in zijn zuiverste spaansch, "de weg van Carmen naar Mendoza."

"En slaan wij dien niet in?" hernam Thalcave.

"Neen!" antwoordde Paganel.

"En wij gaan?"

"Altijd naar het oosten."

"Dat wil zeggen, nergens."

"Dat is wel mogelijk."

Thalcave zweeg, en zag den geleerde met de grootste verbazing aan. Hij geloofde echter niet, dat Paganel den spot met hem dreef. Een Indiaan kan zich nooit verbeelden, dat men niet in vollen ernst spreekt; want hij zelf is altijd ernstig.

"Gaat gij dan niet naar Carmen?" voegde hij er bij, na een oogenblik gezwegen te hebben.

"Neen!" antwoordde Paganel.

"En ook niet naar Mendoza?"

"Evenmin."

Glenarvan, die juist bij Paganel kwam, vroeg hem, wat Thalcave zeide en waarom hij was blijven staan.

"Hij heeft mij gevraagd, of wij naar Carmen of naar Mendoza gaan," antwoordde Paganel, "en is zeer verwonderd over mijn ontkennend antwoord op zijn dubbele vraag."

"Onze weg moet hem ook inderdaad zeer vreemd voorkomen," hernam Glenarvan.

"Dat geloof ik ook. Hij zegt, dat wij nergens naar toe gaan."

"Welnu, Paganel! zoudt gij geen kans zien om hem het doel van onzen togt op te helderen, en welk belang wij er bij hebben om altijd oostwaarts te gaan?"

"Dat zal zeer moeijelijk zijn," antwoordde Paganel, "want een Indiaan begrijpt niets van graden, en de geschiedenis van het document zal voor hem een tooververtelling zijn."

"Maar zal hij de geschiedenis niet begrijpen of den verteller?" vroeg de majoor met een ernstig gezigt.

"Ach! Mac Nabbs!" antwoordde Paganel, "twijfelt gij nog al aan mijn spaansch?"

"Welnu, beproef het maar eens, mijn waarde vriend!"

"Ik zal mijn best doen."

Paganel keerde zich naar den Patagoniër, en begon een redevoering, die telkens afgebroken werd door armoede aan woorden, door de moeijelijkheid om sommige eigenaardigheden te vertalen, en om aan een half onwetenden wilde bijzonderheden uit te leggen, die tamelijk onbegrijpelijk voor hem waren. Het was aardig om den geleerde te zien. Hij zwaaide met de handen, hij sprak de woorden langzaam uit, hij tobde zich op allerlei wijzen af, en de zweetdruppels vielen als een waterval van zijn voorhoofd op zijn borst. Als de tong hem haar dienst weigerde, kwam de arm haar te hulp. Paganel steeg af en teekende op het zand een landkaart, waarop de middagcirkels en de parallellen elkander kruisten, waarop de beide oceanen voorkwamen, waarop de weg van Carmen niet vergeten was. Nooit verkeerde een onderwijzer in zulk een verlegenheid. Thalcave zag dat alles zeer bedaard aan, zonder te laten blijken of hij het al dan niet begreep.

De les van den aardrijkskundige duurde meer dan een half uur. Vervolgens zweeg hij stil, wischte zijn gelaat af, waarop het zweet parelde, en zag den Patagoniër aan.

"Heeft hij het begrepen?" vroeg Glenarvan.

"Dat zal spoedig blijken," antwoordde Paganel; "maar als hij het niet begrepen heeft, geef ik het op."

Thalcave verroerde zich niet en sprak evenmin. Hij hield zijn oog onafgewend op de in het zand geteekende figuur gevestigd, die de wind langzamerhand uitwischte.

"Welnu?" vroeg Paganel hem.

Thalcave scheen het niet te hooren. Paganel zag reeds, hoe een spotachtig glimlachje de lippen van den majoor krulde, en zijn eer willende redden, stond hij op het punt om zijn les in de aardrijkskunde met nieuwen ijver weder te beginnen, toen de Patagoniër hem door een gebaar het zwijgen oplegde.

"Gij zoekt een gevangene?" zeide hij.

"Ja!" antwoordde Paganel.

"En juist op deze lijn tusschen de opgaande en de ondergaande zon?" voegde Thalcave er bij, zoo door een vergelijking in den trant der Indianen den weg van het westen naar het oosten aanduidende.

"Ja, ja! zoo is het."

"En het is uw God," zeide de Patagoniër, "die aan de golven der eindelooze zee de geheimen van den gevangene toevertrouwd heeft?"

"God zelf."

"Dat zijn wil dan geschiede!" antwoordde Thalcave met zekere plegtigheid. "Wij zullen in het oosten opgaan, en als het noodig is tot de zon toe!"

Paganel, die zegevierde in den persoon van zijn leerling, vertaalde onmiddellijk voor zijn makkers de antwoorden van den Indiaan.

"Welk een schrander ras!" voegde hij er bij. "Van twintig boeren uit mijn land zouden er negentien niets van mijn uitlegging begrepen hebben!"

Glenarvan verzocht nu Paganel om den Patagoniër te vragen, of hij ook gehoord had, dat vreemdelingen in de handen van Indianen uit de pampa's gevallen waren.

Paganel deed het en wachtte op antwoord.

"Misschien," zeide de Patagoniër.

Op dit woord, dat onmiddellijk vertaald werd, omringden de zeven reizigers Thalcave. Allen zagen hem met vragende blikken aan.

Vol aandoening en naauwelijks woorden vindende, hervatte Paganel dat zoo belangwekkend verhoor, terwijl zijne oogen, strak op den deftigen Indiaan gevestigd, zijn antwoord trachtten te raden vóór het over zijn lippen kwam.

Elk spaansch woord van den Patagoniër herhaalde hij in het engelsch, zoodat zijn reisgenooten hem om zoo te zeggen in hun moedertaal hoorden spreken.

"En die gevangene?" vroeg Paganel.

"Was een vreemdeling," antwoordde Thalcave, "een Europeaan."

"Hebt gij hem gezien?"

"Neen! maar de Indianen spreken van hem in hun verhalen. Hij was een dapper man! Hij had het hart van een stier!"

"Het hart van een stier!" zeide Paganel. "Ach! wat is die patagonische taal toch heerlijk! Gij begrijpt het, vrienden! hij bedoelt een moedig man!"

"Mijn vader!" riep Robert Grant.

En zich tot Paganel wendende, vroeg hij hem:

"Hoe zegt men in het spaansch:het is mijn vader?"

"Es mio padre," antwoordde de aardrijkskundige.

Terstond zeide Robert, de handen van Thalcave vattende, met een zachte stem: "Es mio padre!"

"Suo padre[3]!" antwoordde de Patagoniër, wiens gelaat geheel ophelderde.

Hij nam het kind in zijn armen, tilde hem van het paard, en beschouwde hem met nieuwsgierigheid en mededoogen. Zijn verstandig gelaat kreeg een uitdrukking van stille ontroering.

Maar Paganel was nog niet aan het einde van zijn verhoor. Waar was die gevangene? Wat deed hij? Wanneer had Thalcave van hem hooren spreken? Al deze vragen verdrongen elkander te gelijk in zijn geest.

De antwoorden bleven niet uit, en hij vernam, dat de Europeaan slaaf was bij een der indiaansche stammen, die het land tusschen de Colorado en de Rio Negro doorkruisen.

"Maar waar was hij het laatst?" vroeg Paganel.

"Bij den kazike Calfoucoura," antwoordde Thalcave.

"Op den weg, dien wij tot nu toe gevolgd zijn?"

"Ja."

"En wie is die kazike?"

"Het hoofd der Poyuche-Indianen, een man met twee tongen, een man met twee harten!"

"Dat wil zeggen, valsch in woord en valsch in daad," zeide Paganel, na dit schoone beeld der patagonische taal voor zijn makkers vertaald te hebben. "En zullen wij onzen vriend kunnen verlossen?" voegde hij er bij.

"Misschien, als hij nog in handen van de Indianen is."

"En wanneer hebt gij van hem hooren spreken?"

"Reeds lang geleden; na dien tijd heeft de zon reeds twee zomers aan den hemel der pampa's teruggebragt!"

Het is onmogelijk om de vreugde van Glenarvan te beschrijven. Dit antwoord sloot juist met den datum van het document. Maar nog ééne vraag bleef er aan Thalcave te doen. Paganel deed haar terstond.

"Gij spreekt van één gevangene," zeide hij; "waren er geen drie?"

"Dat weet ik niet," antwoordde Thalcave.

"En is u niets bekend van zijn tegenwoordigen toestand?"

"Niets."

Dit laatste woord maakte een einde aan het gesprek. Welligt waren de drie gevangenen reeds lang van elkander gescheiden. Maar de slotsom der inlichtingen door den Patagoniër gegeven was, dat de Indianen van een Europeaan spraken, die in hun magt was gevallen. De tijd zijner gevangenneming, de plaats zelfs waar hij zijn moest, alles, ook de patagonische spreekwijze, die gebezigd was om zijn moed uit te drukken, had klaarblijkelijk betrekking op kapitein Harry Grant.

Den volgenden dag, den 25stenOctober, sloegen de reizigers met nieuwe opgewektheid den weg naar het oosten in. De altijd treurige en eentoonige vlakte vormde een van die eindelooze ruimten, die in de landtaal "travesia's" genoemd worden. De kleiachtige, door den wind gedroogde bodem, was zuiver waterpas; geen steen, zelfs geen keisteentje was er te zien, behalve in eenige dorre en drooge holle wegen, of aan den kant der door kunst gevormde poelen, door de hand der Indianen gegraven. Op verre afstanden van elkander vertoonden zich lage bosschen met zwartachtige toppen, waarboven hier en daar witte St. Jansbroodboomen uitstaken, wier schil een suikerzoet, aangenaam verfrisschend vruchtvleesch bevat; verder eenige boschjes terpentijnboomen, "chañares," wilde brem, en een aantal met doornen bezette boomen, wier schraalheid reeds de onvruchtbaarheid van den bodem verried.

De 26stewas een vermoeijende dag. Het doel was de Rio Colorado te bereiken. Maar de paarden, door hun ruiters aangevuurd, maakten zulk een spoed, dat zij dienzelfden avond op 69°45' lengte den grooten stroom der pampa's bereikten. Zijn indiaansche naam, de Cobu Leubu, beteekent "groote rivier"; na een langen loop werpt hij zich in den Atlantischen Oceaan. Bij den mond heeft een opmerkelijke bijzonderheid plaats; want digt bij de zee vermindert de watermassa, hetzij door inzuiging, hetzij door verdamping; de oorzaak van dit verschijnsel is nog niet geheel duidelijk.

Bij de Colorado gekomen, was het eerste werk van Paganel om zich "aardrijkskundig" in haar water, dat door een roodachtige klei gekleurd was, te baden. Het verwonderde hem, dat hij het zoo diep vond, een gevolg van het smelten der sneeuw door de eerste zomerzon. Bovendien was de breedte der rivier zoo aanmerkelijk, dat de paarden haar niet konden overzwemmen. Gelukkig lag er eenige honderden vademen stroomopwaarts een brug van gevlochten rijswerk, vastgehouden door smalle lederen riemen en op de indiaansche wijze opgehangen. De kleine troep kon dus den stroom overtrekken en zich op den linkeroever legeren.

Alvorens te gaan slapen wilde Paganel de Colorado naauwkeurig opnemen. Hij teekende ze met de grootste zorgvuldigheid op de kaart aan, in plaats van den Yarou-Dzangbo-Tchou, die zonder hem in het gebergte van Thibet stroomde.

De beide volgende dagen, 27 en 28 October, werd de reis zonder ongevallen voortgezet. De grond bleef even eentoonig en een onvruchtbaar. Geen landschap leverde ooit minder afwisseling op, geen panorama was ooit onbeduidender. Intusschen werd de grond vochtiger. Zij moesten "canada's" overtrekken, een soort van onder water staande lage landen, en "estero's," blijvende plassen, digt bezet met waterplanten. Des avonds hielden de paarden stil aan den oever van een groot meer met mineraalwater, het Urre Lanquem, door de Indianen "bittermeer" genoemd, dat in 1862 getuige was van een weerwraak der argentijnsche troepen. Men legerde zich op de gewone wijze, en de nacht zou goed geweest zijn zonder de aanwezigheid van apen, allouaten[4]en wilde honden. Die luidruchtige dieren voerden, zeker ter eere, maar stellig tot verdriet der europeesche ooren een van die natuurlijke simfoniën uit, die een componist der toekomstmuziek gaarne als zijn werk zou erkend hebben.

[1]150 ned. mijlen

[1]150 ned. mijlen

[2]roovers uit de vlakte.

[2]roovers uit de vlakte.

[3]Zijn vader.

[3]Zijn vader.

[4]soorten van kleine amerikaansche apen.

[4]soorten van kleine amerikaansche apen.

De argentijnsche pampa's strekken zich uit tusschen vier en dertig en veertig graden zuiderbreedte. Het woord "pampa", uit de araucanische taal overgenomen, beteekent "grasvlakte" en wordt met regt op deze landstreek toegepast. De hoornachtige mimosaplanten van haar westelijk gedeelte, de stevige grasplanten van haar oostelijk gedeelte, geven haar een bijzonder voorkomen. Deze plantenschat wortelt in een aardlaag, die den roodachtigen of gelen klei- en zandachtigen bodem bedekt. De geoloog zou hier rijke schatten vinden, wanneer hij die gronden uit het derde tijdperk van de vorming der vaste aardkorst onderzocht. Daar liggen in ontelbare menigte voorwereldlijke beenderen, die de Indianen aan uitgestorven soorten van groote gordeldieren toeschrijven, en onder dit plantaardige stof ligt de oudste geschiedenis dezer gewesten bedolven.

De amerikaansche pampa is een aardrijkskundige bijzonderheid, evenals de savannen der Groote Meren of de steppen van Siberië. De warmte en de koude van haar klimaat zijn grooter dan die der provincie Buenos-Ayres, omdat zij dieper landwaarts inligt. Want, volgens de verklaring, welke Paganel er van gaf, geeft de oceaan de door hem opgenomen en opgezamelde zomerwarmte des winters langzamerhand weder terug. Vandaar ook, dat de eilanden een gelijkmatiger klimaat hebben dan de binnenlanden[1]. Het is onderhevig aan plotselinge uitersten, aan snelle veranderingen, die het kwik in den thermometer onophoudelijk van den eenen graad op den anderen doen springen. In den herfst, dat wil zeggen in de maanden April en Mei, stortregent het er aanhoudend. Maar in dezen tijd van het jaar was het weder zeer droog en de temperatuur zeer hoog.

Zoodra men bij het opgaan der zon den weg had kunnen bepalen, vertrok men; de grond, die door de heesters en struiken bijeengehouden werd, was volkomen vast, men behoefde voor geen medano's meer te vreezen, evenmin als voor het zand, waaruit zij bestonden, en het stof, dat de wind in de lucht zwevende hield.

De paarden liepen stevig door, tusschen de bosjes "paja-brava," het pampa-gras bij uitnemendheid, waaronder de Indianen wegschuilen, wanneer het onweert. Hier en daar veroorloofden eenige vochtige laaglanden, die echter hoe langer hoe schaarscher werden, den groei van wilgen en van een zekere plant, het "gygnerium argenteum," die het weligst tiert in de nabijheid van zoet water. Daar dronken de paarden met volle teugen; zij maakten gebruik van de hun aangebodene gunstige gelegenheid, wetende, dat zij in het vervolg vaak genoeg dorst zonden lijden. Thalcave reed vooruit en trapte de struiken stuk. Daardoor verschrikte hij de "cholina's," allergevaarlijkste adders, wier beet een os binnen het uur doet sterven. De vlugge Thaouka sprong op het kreupelhout, en hielp zijn meester een weg banen voor de paarden, die hem volgden.


Back to IndexNext