XIX.

[4]Brandewijn van gegiste gerst.

[4]Brandewijn van gegiste gerst.

Het werd nacht. Het was juist nieuwe maan, zoodat de nachtvorstin onzigtbaar zou blijven voor al de aardbewoners. Het flaauwe sterrelicht alleen bescheen de vlakte. Aan den gezigteinder werd het licht van de sterrebeelden der dierenriems onderschept door een zware mist. Het water van de Guamini stroomde zonder gemurmel verder, gelijk een lange streep olie, die over marmer loopt. Vogelen, viervoetige en kruipende dieren rustten uit van de vermoeijenissen van den dag, en eene stilte, gelijk aan die eener woestijn, daalde op het onmetelijk gebied der pampa's neder.

Glenarvan, Robert en Thalcave hadden zich aan de natuurwet moeten onderwerpen. Op het digte spurriebed uitgestrekt, sliepen zij rustig door. De paarden, die doodaf waren van vermoeidheid, lagen op den grond; alleen Thaouka sliep, als een paard van echt ras, staande, met de vier pooten loodregt op den grond; even fier in de rust als in de beweging, en gereed om op het eerste teeken naar zijn meester heen te snellen. Een doodsche stilte heerschte binnen de omheining, en de kolen van het nachtelijk vuur, dat langzamerhand uitging, verspreidden een laatste flikkering in de stille duisternis.

Tegen tien ure echter werd de Indiaan na een korten slaap wakker. Zijn oog fonkelde onder zijn nedergeslagen wenkbraauwen, en met het oor naar de vlakte gewend luisterde hij scherp toe. Het was duidelijk, dat hij het een of ander flaauw geluid trachtte op te vangen. Weldra teekende zijn gelaat, hoe strak het gewoonlijk ook zijn mogt, een onbestemde onrust. Had hij de nadering bespeurd van op roof rondzwervende Indianen, of de komst der jaguars, der watertijgers en van andere vreeselijke dieren, die in de nabijheid der rivieren zoo talrijk zijn? Zonder twijfel kwam deze laatste vooronderstelling hem waarschijnlijk voor; hij wierp althans een vlugtigen blik op de brandstoffen, die binnen de omheining opeengehoopt waren, en zijn onrust nam nog toe. Dat drooge voeder van alfafares zou dan ook spoedig verbrand zijn en kon stoutmoedige dieren niet lang tegenhouden.

Nu de zaken zoo stonden, kon Thalcave niet anders doen dan de gebeurtenissen afwachten, en nam hij half liggende, half zittende, met het hoofd op de handen rustende, de ellebogen op de knieën leunende en met strakken blik, de houding van een man aan, die door een plotselingen angst in zijn slaap is gestoord.

Een uur verliep. Ieder ander dan Thalcave zou, door de stilte daar buiten gerust gesteld, zich weder op zijn legerstede hebben nedergevlijd. Maar waar een vreemdeling geen achterdocht zou gekoesterd hebben, daar hadden de geprikkelde zintuigen en het natuurlijk instinct van den Indiaan een voorgevoel van een ophanden zijnd gevaar.

Terwijl hij zoo luisterde en loerend rond zag, liet Thaouka een dof gehinnik hooren; snuivende rigtte hij den kop naar den ingang der hut. Terstond rees de Patagoniër overeind.

"Thaouka heeft een vijand geroken," zeide hij.

Hij stond op en ging oplettend de vlakte overzien.

Het was er nog stil, maar niet rustig. Thalcave zag onduidelijke schaduwen, die zich zonder gedruisch te maken tusschen de bosjes curra-mammel bewogen. Hier en daar glinsterden lichtgevende punten, die elkaar in alle rigtingen kruisten, en beurtelings uitdoofden en weder ontstoken werden. Een vreemdeling zou zonder twijfel die zwevende vonken voor de Johanneskevers[1]gehouden hebben, die des nachts op menige plek van de pampa's schitteren. Maar Thalcave vergiste zich er niet in. Hij begreep, met welke vijanden hij te doen had; hij laadde zijn karabijn en ging bij de eerste palen der omheining op den uitkijk staan.

Hij behoefde niet lang te wachten. Een vreemd geschreeuw, een verward geluid van geblaf en gehuil weergalmde over de pampa. Het werd met een losbranding van de karabijn beantwoord, en door honderd schrikaanjagende geluiden gevolgd.

Glenarvan en Robert schrikten wakker en vlogen op.

"Wat is er gaande?" vroeg de jonge Grant.

"Indianen?" vroeg Glenarvan.

"Neen!" antwoordde Thalcave, "aguara's."

Robert zag Glenarvan aan en vroeg: "aguara's?"

"Ja!" antwoordde Glenarvan, "de roode wolven der pampa."

Beiden grepen hun wapenen en voegden zich bij den Indiaan. Deze wees hun de vlakte, waaruit een verschrikkelijk concert, een akelig gehuil opging.

Robert deed onwillekeurig een schrede achterwaarts.

"Zijt gij bang voor de wolven, mijn jongen?" vroeg hem Glenarvan.

"Neen, mylord!" antwoordde Robert met een vaste stem. "Bij u ben ik voor niets bevreesd."

"Des te beter. Die roode wolven zijn geen bijzonder geduchte dieren, en waren zij zoo talrijk niet, dan zou ik mij volstrekt niet om hen bekommeren."

"Wat komt dat er op aan?" antwoordde Robert. "Wij zijn goed gewapend, zij mogen vrij komen!"

"En zullen goed ontvangen worden!"

Glenarvan sprak zoo om het kind gerust te stellen; maar hij dacht niet zonder heimelijken schrik aan dat legioen verscheurende dieren, die in het holst van den nacht op hen los gelaten werden. Misschien waren er wel honderden, en drie mannen, hoe goed zij gewapend mogten zijn, konden niet met voordeel strijden tegen zulk een aantal dieren.

Toen de Patagoniër het woord "aguara" uitsprak, herinnerde Glenarvan zich terstond, dat die naam door de Indianen uit de pampa aan den rooden wolf gegeven wordt. Dit vleeschetend dier, de "canis jubatus" der natuurkundigen, heeft het lijf van een grooten hond en den kop van een vos; zijn haar is kaneelkleurig, en op zijn rug golven zwarte manen, die langs zijn geheele ruggegraat loopen. Dit dier is zeer vlug en zeer sterk; het bewoont meestal moerassige streken en vervolgt al zwemmende de waterdieren; de nacht jaagt het uit het hol, waarin het des daags slaapt; vooral is men er zeer bevreesd voor in de "estancia's[2]" waarin het vee wordt opgebragt; want zoodra de honger het prikkelt, tast het het groot vee aan en rigt aanmerkelijke verwoestingen aan. Wanneer hij alleen is, behoeft men den rooden wolf niet te vreezen; maar het is geheel wat anders, wanneer een groot aantal van die uitgehongerde beesten bij elkander is, dan mag men nog liever met een rooden tijger of tijgerkat te doen hebben, dien men ten minste behoorlijk kan aanvallen.

Afgaande op het gehuil, dat over de pampa klonk, en op de menigte schaduwen, die over de vlakte zweefden, besloot Glenarvan te regt, dat er een menigte roode wolven aan den oever der Guamini bijeen was; zij hadden daar een wisse prooi geroken, paardenvleesch of menschenvleesch, en geen hunner zou naar zijn hol terugkeeren, zonder er zijn deel van te hebben gehad. De toestand was dus zeer onrustbarend.

Inmiddels werd de kring der dieren allengs naauwer. De paarden waren ontwaakt en gaven teekens van den levendigsten angst. Thaouka alleen trappelde, trachtte zijn halster los te rukken en op de wolven in te stormen. Zijn meester kon hem alleen door een aanhoudend gefluit tot bedaren brengen.

Glenarvan en Robert hadden zich zoo geplaatst, dat zij den ingang der hut verdedigden. Hun karabijnen waren geladen, en zij wilden op de eerste rij der roode wolven losbranden, toen Thalcave met de hand hun wapen omhoog sloeg, dat zij reeds aangelegd hadden.

"Wat wil Thalcave?" vroeg Robert.

"Hij verbiedt ons te schieten," antwoordde Glenarvan.

"Waarom?"

"Misschien oordeelt hij, dat het geschikte oogenblik nog niet gekomen is."

De Indiaan had echter een veel ernstiger reden voor zijn handelwijze, zooals Glenarvan zag, toen Thalcave, zijn kruidhoorn optillende en omkeerende, wees, dat hij bijna ledig was.

"Wat nu gedaan?" vroeg Robert.

"Wel, wij moeten ons kruid wat sparen. Onze jagt van dezen namiddag is ons duur te staan gekomen, en wij hebben gebrek aan kruid en lood. Wij kunnen geen twintig schoten meer doen!"

Het kind antwoordde niets.

"Gij zijt toch niet bang, Robert?"

"Neen, mylord!"

"Goed, mijn jongen!"

Op dat oogenblik weerklonk een nieuwe losbranding. Thalcave had een te stouten vijand nedergelegd; de wolven, die in digte rijen naderden, weken en sloten zich digt aaneen op een afstand van honderd schreden van de omheining.

Terstond nam Glenarvan op een teeken van den Indiaan diens plaats in; deze raapte het stroo, het gras, in een woord al de brandbare stoffen bijeen, wierp ze aan den ingang der omheining op een hoop en slingerde er een gloeijende kool in. Weldra werd er een gordijn van vlammen voor den zwarten achtergrond des hemels gespannen, en door de scheuren heen kon men zien, dat de vlakte helder verlicht was door groote, heen en weder zwevende schijnsels. Nu kon Glenarvan ook oordeelen over de tallooze menigte dieren, waartegen zij zich moesten verdedigen. Nooit heeft iemand zooveel wolven bijeen gezien en die zoo door moordlust bezield waren. De slagboom van vuur, dien Thalcave tegen hen had opgeworpen, had hun woede verdubbeld, daar zij zich nu plotseling gestuit zagen. Eenigen waagden zich echter, door de achtersten opgedrongen, tot vlak voor den vuurgloed, en brandden er hunne pooten aan.

Soms was er nog een geweerschot noodig om die huilende schare tegen te houden, en na verloop van een uur bedekten reeds een vijftiental lijken den grond.

De belegerden waren nu betrekkelijk veilig; zoo lang zij kruid hadden, zoo lang de slagboom van vuur de omheining afsloot, was er geen overrompeling te vreezen. Maar wat zouden zij beginnen, wanneer al die middelen om de bende wolven te keeren hun te gelijk zouden ontvallen?

Glenarvan zag Robert aan en voelde zijn hart vol worden. Hij vergat zich zelven om alleen aan dat arme kind te denken, dat een moed toonde verre boven zijne jaren. Robert was bleek; maar zijn hand omklemde vast het geweer, en hij wachtte koelbloedig den aanval der verbitterde wolven af.

Intusschen besloot Glenarvan, na den stand van zaken bedaard overzien te hebben, om er een einde aan te maken.

"Binnen een uur," zeide hij, "zullen wij kruid, lood noch vuur meer hebben. Wij moeten derhalve niet zoo lang wachten met het nemen van een besluit."

Hij begaf zich naar Thalcave, en de weinige spaansche woorden, die hij zich herinneren kon, bijeen rapende, begon hij met den Indiaan een gesprek, dat telkens door geweerschoten werd afgebroken.

Niet zonder moeite gelukte het dien beiden mannen om zich te doen verstaan. Gelukkig was Glenarvan met de gewoonten van den rooden wolf bekend. Anders zou hij de woorden en gebaren des Patagoniërs niet begrepen hebben.

Er verliep echter een kwartier, voor hij het antwoord van Thalcave aan Robert kon overbrengen. Glenarvan had den Indiaan gevraagd, wat hij over hun bijkans wanhopigen toestand dacht.

"En wat heeft hij geantwoord?" vroeg Robert.

"Hij heeft geantwoord, dat wij, het moge kosten wat het wil, het tot zonsopgang moeten uithouden. De roode wolf gaat alleen des nachts uit, en keert, zoodra het dag wordt, naar zijn schuilhoek terug. Hij is de wolf der duisternis, een laf beest, dat bang is voor het heldere daglicht, een uil op vier pooten!"

"Welnu! dan zullen wij ons tot aan den morgen verdedigen!"

"Ja, mijn jongen! en kunnen wij ons niet langer met schieten verdedigen, dan zullen wij onze messen nemen."

Thalcave had het voorbeeld reeds gegeven: wanneer een wolf den vuurgloed naderde, stak de Patagoniër zijn langen gewapenden arm door de vlam en haalde hem er rood van bloed weder uit.

Inmiddels liepen de verdedigingsmiddelen ten einde. Tegen twee ure wierp Thalcave den laatsten armvol brandstoffen in het vuur, en hadden de belegerden nog maar vijf schoten over.

Glenarvan sloeg een wanhopigen blik in het rond.

Hij dacht aan dat kind naast hem, aan zijn makkers, aan allen, die hij lief had. Robert sprak geen woord. Welligt kon hij zich nog niet voorstellen, dat het gevaar zoo dreigend was. Maar Glenarvan dacht er in zijne plaats aan, en stelde zich het verschrikkelijke, maar toch onvermijdelijke vooruitzigt voor, van levend verslonden te zullen worden! Hij kon zijn aandoening niet bedwingen; hij trok het kind aan zijn borst, drukte hem aan zijn hart, kuste hem innig op het voorhoofd, terwijl zijns ondanks de tranen uit zijn oogen vloeiden.

Robert zag hem glimlagchend aan en zeide: "Ik ben niet bang!"

"Neen, mijn kind! neen!" antwoordde Glenarvan, "en gij hebt gelijk. Binnen twee uren wordt het dag, dan zijn wij gered!—Goed, Thalcave! goed, dappere Patagoniër!" riep hij, ziende dat de Indiaan met den kolf van zijn geweer twee groote dieren doodsloeg, die over den brandenden slagboom trachtten te springen.

Maar te gelijk kon hij bij het wegstervende schijnsel van het vuur zien, hoe de bende wolven in digte rijen oprukte om de omheining te bestormen.

Dit bloedig tooneel naderde zijn ontknooping; het vuur ging uit gebrek aan brandstof allengs uit; de vlam daalde; de vlakte, die tot nu toe helder verlicht was geweest, werd in de schaduw gehuld, en in die schaduw glinsterden ook weder de lichtgevende oogen der roode wolven. Nog eenige minuten, en de geheele schare zou de omheining binnenstormen.

Thalcave loste voor de laatste maal zijn karabijn, doodde nog één vijand, en sloeg de armen over elkander, want zijn kruid was op. Hij liet het hoofd op de borst zakken. Hij scheen in stilte over iets na te denken. Zocht hij soms naar het een of ander stout, onmogelijk, zinneloos middel om dien woedenden troep af te slaan? Glenarvan durfde het hem niet vragen.

Juist had er een verandering in den aanval der wolven plaats. Zij schenen zich te verwijderen, en hun gehuil, dat tot nu toe zoo oorverdoovend geweest was, hield plotseling op. Een doodsche stilte begon op de vlakte te heerschen.

"Zij gaan heen!" riep Robert.

"Misschien," antwoordde Glenarvan, die oplettend naar het gedruisch luisterde.

Maar Thalcave, die zijne gedachte raadde, schudde het hoofd. Hij wist wel, dat die beesten geen wisse prooi zouden laten varen, voor het daglicht hen naar hun sombere holen had gedreven.

Echter was het duidelijk, dat de vijand zijn plan van aanval gewijzigd had.

Hij beproefde niet langer om met geweld in de omheining door te dringen; maar een nog dreigender gevaar zou het gevolg van zijn nieuwe bewegingen zijn.

De roode wolven zagen er van af om binnen te dringen door den ingang, die zoo hardnekkig door staal en vuur verdedigd werd, liepen de omheining om, en trachtten haar gezamenlijk aan de andere zijde te bestormen.

Weldra hoorde men, hoe zij hun klaauwen sloegen in het half verrotte hout. Reeds staken zij sterke pooten en bloedige muilen door de reten der palen heen. De verschrikte paarden verbraken hun halster en liepen binnen de omheining rond, bevangen als zij waren door een onoverwinnelijken angst.

Glenarvan nam den knaap in zijn armen om hem tot het uiterste te verdedigen. Misschien zou hij zelfs een nuttelooze vlugt beproefd hebben en naar buiten gestormd zijn, toen zijn oog op den Indiaan viel.

Na als een wild dier in de omheining rondgeloopen te hebben, was Thalcave plotseling naar zijn paard gegaan, dat van ongeduld sidderde, en begon hij het zorgvuldig te zadelen, zonder een riem of gesp te vergeten. Hij scheen zich niet langer om het gehuil te bekommeren, dat steeds toenam. Glenarvan zag met droevige ontsteltenis wat hij deed.

"Hij verlaat ons!" riep hij uit, toen hij zag, dat Thalcave de teugels greep, als een ruiter die te paard wil stijgen.

"Hij! nooit!" zeide Robert.

Inderdaad wilde de Indiaan beproeven, niet zijne vrienden te verlaten, maar hen te redden, door zich voor hen op te offeren.

Thaouka was gereed; hij knabbelde op zijn gebit; hij sprong; zijne oogen, vol vuur en kracht, schoten bliksemstralen; hij had zijn meester begrepen.

Juist toen de Indiaan de manen van zijn paard greep, vatte Glenarvan hem met een krampachtige hand bij den arm.

"Vertrekt gij?" zeide hij op de nu vrije vlakte wijzende.

"Ja!" antwoordde de Indiaan, die het gebaar van zijn medgezel begreep.

Vervolgens voegde hij er eenige spaansche woorden bij, die beteekenden:

"Thaouka. Goed paard. Vlug. Het zal door de wolven vervolgd worden!"

"Ach, Thalcave!" riep Glenarvan.

"Schielijk, schielijk!" antwoordde de Indiaan, terwijl Glenarvan met een door aandoening gesmoorde stem tot Robert zeide:

"Robert! mijn kind! gij hoort het! hij wil zich voor ons opofferen! hij wil de pampa inrijden en de woede der wolven afleiden, door ze naar zich toe te lokken!"

"Vriend Thalcave!" antwoordde Robert, terwijl hij voor den Patagoniër op de knieën viel, "vriend Thalcave! verlaat ons niet!"

"Neen!" zeide Glenarvan, "hij zal ons niet verlaten!"

En zich tot den Indiaan wendende zeide hij:

"Laten wij te zamen vertrekken!" Dit zeggende, wees hij op de verschrikte paarden, die zich digt tegen de palen aandrongen.

"Neen!" zeide de Indiaan, die zich niet in den zin dier woorden vergiste. "Slechte paarden. Verschrikt. Thaouka. Goed paard."

"Welnu, het zij zoo!" zeide Glenarvan. "Thalcave zal u niet verlaten, Robert! Hij leert mij, wat ik doen moet! Ik moet vertrekken! Hij moet bij u blijven!"

Daarop greep hij Thaouka bij den teugel en sprak:

"Ik zal vertrekken."

"Neen!" antwoordde de Patagoniër bedaard.

"Ik, zeg ik u!" riep Glenarvan, hem den teugel uit de hand rukkende, "ik! Red dit kind! Ik vertrouw hem aan u toe, Thalcave!"

In zijn overspanning haspelde Glenarvan engelsche en spaansche woorden door elkander. Maar wat komt de taal er op aan! In zulke verschrikkelijke omstandigheden drukken de gebaren alles uit en begrijpen de menschen elkander spoedig.

Thalcave bleef zich echter verzetten. De twist duurde steeds voort en het gevaar groeide iedere seconde; reeds bezweken de doorgeknaagde palen voor de tanden en klaauwen der verbitterde wolven.

Glenarvan scheen evenmin te willen toegeven als Thalcave. De Indiaan had Glenarvan medegetrokken naar den ingang der omheining; hij wees hem de vlakte, die vrij was van wolven; met levendige uitdrukkingen gaf hij hem te kennen, dat er geen tijd te verliezen was; dat het gevaar, indien de proef niet gelukte, grooter zou zijn voor degenen die achterbleven; eindelijk dat hij alleen Thaouka genoeg kende om diens buitengewone vlugheid en snelheid voor aller redding aan te wenden. In zijn verblinding volhardde Glenarvan bij zijn plan om zich op te offeren, toen hij onverwachts op eens ter zijde werd geschoven. Thaouka steigerde, hij ging op zijn achterste pooten staan, en sprong eensklaps in vollen ren over den slagboom van vuur en de rij van lijken, terwijl een kinderstem uitriep:

"God redde u, mylord!"

Ter naauwernood hadden Glenarvan en Thalcave den tijd om te zien, hoe Robert, die zich stevig aan de manen van Thaouka vasthield, in de duisternis verdween.

"Robert! ongelukkige!" riep Glenarvan.

Maar zelfs de Indiaan kon die woorden niet verstaan. Er ontstond een vreeselijk gehuil. De roode wolven volgden het spoor van het paard en ijlden met bliksemsnelheid in een westelijke rigting voort.

De roode wolven volgden het spoor van het paard.De roode wolven volgden het spoor van het paard.

Thalcave en Glenarvan verlieten haastig de omheining. Reeds was het doodstil op de vlakte geworden, en met moeite konden zij in de schaduwen van den nacht in de verte een voortgolvende lijn onderscheiden.

Door verdriet overstelpt, geheel wanhopend, viel Glenarvan met gevouwen handen op den grond neder. Hij zag Thalcave aan. De Indiaan glimlachte met zijn gewone bedaardheid.

"Thaouka, goed paard! Moedig kind! Hij zal zich redden!" herhaalde hij met een goedkeurend hoofdknikje.

"Wanneer hij eens viel?" zeide Glenarvan.

"Hij zal niet vallen!"

Ondanks het vertrouwen van Thalcave bragt de arme lord den nacht in den vreeselijksten angst door. Hij had zelfs geen bewustheid meer van het gevaar, dat te gelijk met de bende wolven verdwenen was. Hij wilde Robert gaan opzoeken, maar de Indiaan hield hem tegen, overreedde hem, dat de paarden hem toch niet konden inhalen; dat Thaouka zijn vijanden vooruit moest zijn; dat men hem in de duisternis niet terug zou kunnen vinden, en dat men den dag moest afwachten om het spoor van Robert te volgen.

Ten vier ure begon de morgenschemering. De verdigte nevels aan den gezigteinder werden weldra door een bleek schijnsel gekleurd. Een heldere dauw viel op de vlakte, en het hooge gras werd door het morgenkoeltje bewogen.

Het oogenblik van het vertrek was gekomen.

"Op weg!" zeide de Indiaan.

Glenarvan gaf geen antwoord, maar sprong op het paard van Robert. Weldra galoppeerden de beide ruiters in een westelijke rigting voort, langs dezelfde regte lijn, waarvan hun makkers niet moesten afwijken.

Een uur lang reden zij met verbazende snelheid voort, overal rondziende om Robert te zoeken, bij iedere schrede vreezende zijn bebloed lijk te zullen vinden. Glenarvan reet de zijden van zijn paard met zijn sporen open. Eindelijk vernamen zij geweerschoten, die met geregelde tusschenpoozen afgevuurd werden, als een herkenningsteeken.

"Zij zijn het!" riep Glenarvan.

Thalcave en hij zetten hun paarden tot nog sneller vaart aan en eenige oogenblikken later bereikten zij de afdeeling onder aanvoering van Paganel. Door een kreet gaf Glenarvan zijn boezem lucht. Robert stond daar levend en ongedeerd voor hem, gedragen door den edelen Thaouka, die van blijdschap hinnikte, zoodra hij zijn meester wederzag.

"Ach! mijn kind! mijn kind!" riep Glenarvan met een onnavolgbare uitdrukking van teederheid.

En Robert en hij, van hun paard springende, vielen in elkanders armen. Nu was het de beurt van den Indiaan om den moedigen zoon van kapitein Grant aan zijn hart te drukken.

"Hij leeft! hij leeft!" riep Glenarvan.

"Ja!" antwoordde Robert, "dat heb ik aan Thaouka te danken!"

De Indiaan had op dat dankbaar gezegde niet gewacht om zijn paard te bedanken. Hij sprak er mede, hij omhelsde het, alsof er menschelijk bloed in de aderen van het fiere dier stroomde.

Zich vervolgens tot Paganel wendende en op den jongen Robert wijzende, zeide hij: "Een dappere!"

En een indiaansche leenspreuk gebruikende, die dient om moed te kennen te geven, voegde hij er bij:

"Zijne sporen hebben niet gebeefd!"

Intusschen zeide Glenarvan tot Robert met de armen om diens hals geslagen:

"Waarom, mijn zoon! waarom hebt gij Thalcave of mij die laatste kans om u te redden niet laten beproeven?"

"Mylord!" antwoordde de knaap op den toon der levendigste dankbaarheid, "Was het mijn beurt niet om mij op te offeren? Thalcave heeft reeds mijn leven gered! En gij gaat immers mijn vader redden!"

[1]lichtgevende insekten.

[1]lichtgevende insekten.

[2]Estancia's is de naam der groote veefokkerijen in de argentijnsche vlakte.

[2]Estancia's is de naam der groote veefokkerijen in de argentijnsche vlakte.

Nadat de eerste vreugde over het behouden wedervinden wat bedaard was, bespeurden Paganel, Austin, Wilson, Mulrady, allen die achtergebleven waren, behalve misschien de majoor Mac Nabbs, dat zij van dorst stierven. Gelukkig was de Guamini niet veraf. De kleine troep ging dus weder op weg en bereikte des morgens omstreeks zeven ure de omheining. Een enkele blik op de in het rond liggende lijken der wolven was genoeg om over het geweld van den aanval te oordeelen. Zoodra de reizigers hun dorst behoorlijk gelescht hadden, zetten zij zich aan hun vreemd ontbijt, binnen de omheining. De repen struisvogelvleesch smaakten uitmuntend en het in zijn schild gebraden gordeldier leverde een voortreffelijk geregt op.

"Wie er matig van eet," zeide Paganel, "zou zich ondankbaar voor zulk een lekkernij betoonen; men moet er te veel van eten."

En hij at er te veel van, zonder er echter nadeelige gevolgen van te ondervinden, hetgeen hij te danken had aan het heldere water der Guamini, dat in zijn oog zeer bevorderlijk was voor de spijsvertering.

Glenarvan, die niet in de fout van Hannibal te Capua wilde vervallen, gaf des morgens ten tien ure last om te vertrekken. Eerst werden nog de waterzakken gevuld. De geheel verkwikte paarden legden veel vuur aan den dag en bleven bijna onafgebroken in den kleinen galop van de jagt. Het beter bevochtigde land werd ook vruchtbaarder, maar bleef nog altijd even eenzaam. De dagen van den 2denen 3dennovember leverden niets bijzonders op, en des avonds legerden de reizigers, die reeds gewoon waren aan de vermoeijenis van lange togten, zich op de grenzen der pampa's, in de nabijheid van de provincie Buenos-Ayres. Den 14denoctober hadden zij de baai van Talcahuano verlaten; derhalve hadden zij in twee en twintig dagen vier honderd vijftig mijlen[1], dat wil zeggen bijna twee derden van den weg gelukkig afgelegd.

Den volgenden morgen trokken zij de lijn over, die tot grensscheiding tusschen de pampa's en de argentijnsche vlakten is aangenomen. Daar hoopte Thalcave de stamhoofden aan te treffen, in wier handen hij vooronderstelde, dat Harry Grant en zijne beide lotgenooten zijn zouden.

Van de veertien gewesten, waaruit de argentijnsche republiek bestaat, is Buenos-Ayres het grootste en tevens het best bevolkt. Het grenst ten zuiden aan het gebied der Indianen, tusschen den vier en vijf en zestigsten graad. De landstreek is verbazend vruchtbaar. Deze vlakte, met grasgewassen en boomvormige peulgewassen bedekt, en die bijna volkomen vlak is tot aan den voet der sierra's Tandil en Tapalquem, is met een hoogst gezond klimaat bedeeld.

Sedert hun vertrek van de Guamini namen de reizigers tot hun groote vreugde een aanzienlijke vermindering van warmte waar. Zij steeg gemiddeld niet hooger dan zeventien graden van den honderdgradigen thermometer, een gevolg van de hevige en koude winden van Patagonië, die de luchtgolven onophoudelijk in beweging brengen. Dieren en menschen hadden dus geen reden van klagen, nadat zij zooveel van de droogte en warmte geleden hadden. De reis werd met moed en vertrouwen voortgezet. Maar in weerwil van de vroegere verzekering van Thalcave, scheen het land geheel onbewoond, of om het juister uit te drukken "door de inwoners verlaten te zijn."

Dikwijls ging de oostelijke lijn langs of door kleine meren, nu eens van zoet, dan weder van brak water. Op hun oevers en onder beschutting van de struiken huppelden kleine winterkoningjes en zongen vrolijke leeuwerikken, in gezelschap van prachtmeezen, die in kleurenpracht met de schitterende kolibri's wedijveren. Die fraaije vogeltjes klapwiekten vrolijk, zonder acht te slaan op de strijdlustige spreeuwen, die met hun roode epauletten en borst op de stille oevers heen en weer liepen. Aan de doornstruiken wiegelde, als de hangmat van een kreool, het bewegelijke nest der "annubi's," en op den oever der meren pronkten prachtige flamingo's, die als een geregelde troep voortliepen, met hunne uitgespreide vuurroode vleugels. Ook zag men hun nesten, in de gedaante van een voet hooge afgeknotte kegels, die bij duizenden bijeen stonden, zoodat zij als het ware eene kleine stad vormden. De flamingo's stoorden zich niet veel aan de nadering der reizigers. Dat was niet naar den zin van den geleerden Paganel.

"Reeds lang," zeide hij tot den majoor, "heb ik gewenscht een flamingo te zien vliegen."

"Zoo!" antwoordde de majoor.

"En daar ik nu in de gelegenheid ben, wil ik er gebruik van maken."

"Doe dat, Paganel!"

"Ga mede, majoor! Gij ook, Robert! Ik heb getuigen noodig."

Zijne makkers vooruit latende gaan, begaf zich Paganel, door Robert Grant en den majoor gevolgd, naar den troep breedsnavelige steltloopers.

Toen hij er digt genoeg bij was, deed hij een schot met los kruid, want hij wilde het bloed van een vogel niet onnoodig vergieten; terstond vlogen alle flamingo's te gelijk op, terwijl Paganel hen oplettend door zijn bril waarnam.

De jacht op flamingo's.De jacht op flamingo's.

"Welnu!" zeide hij tegen den majoor, toen de troep verdwenen was, "hebt gij ze zien vliegen?"

"Wel zeker!" antwoordde Mac Nabbs. Een blinde alleen zou die vraag dan ook ontkennend hebben kunnen beantwoorden.

"Vindt gij, dat zij onder het vliegen op gevederde pijlen geleken?"

"Volstrekt niet!"

"Het lijkt er niet naar!" voegde Robert er bij.

"Dat dacht ik wel!" hernam de geleerde met een vergenoegd gezigt. "En toch heeft de trotschste van alle bescheidene menschen, mijn vermaarde landgenoot Chateaubriand, die onnaauwkeurige vergelijking tusschen de flamingo's en de pijlen gemaakt! Zoo ziet gij, Robert! dat de vergelijking de gevaarlijkste redekunstige figuur is, die ik ken. Wees er altijd tegen op uwe hoede, en gebruik haar slechts in den hoogsten nood."

"Gij zijt dus tevreden over uw proefneming?" vroeg de majoor.

"Hoogst tevreden."

"En ik ook; maar nu mogen wij onze paarden wel wat aanzetten, want uw vermaarde Chateaubriand heeft ons wel een mijl doen achterblijven."

Toen hij zijn makkers weder had ingehaald, vond Paganel Glenarvan in druk gesprek met den Indiaan, dien hij niet scheen te begrijpen. Thalcave was dikwijls blijven staan om naar den gezigteinder te zien, en telkens had zijn gelaat een vrij groote verwondering te kennen gegeven.

Daar Glenarvan zijn gewonen tolk miste, trachtte hij, maar te vergeefs, den Indiaan te ondervragen. Zoodra hij den geleerde in de verte zag aankomen, riep hij hem toe:

"Kom toch, vriend Paganel! Thalcave en ik kunnen elkander maar niet verstaan!"

Paganel sprak eenige oogenblikken met den Patagoniër, keerde toen naar Glenarvan terug en zeide:

"Thalcave verwondert zich over iets, dat waarlijk vreemd is."

"Waarover dan?"

"Dat hij evenmin Indianen als sporen van Indianen in deze vlakten aantreft, die zij anders meestal doorkruisen, hetzij om het vee in veiligheid te brengen, dat zij uit de stallen gestolen hebben, hetzij om tot aan de Andes toe hun tapijten van het haar van het stinkdier, en hun zweepen van gevlochten lederen riemen te gaan verkoopen."

"En wat houdt Thalcave voor de oorzaak van die eenzaamheid?"

"Hij kan het niet zeggen, hij verwondert zich er over, dat is alles."

"Maar welke Indianen dacht hij dan in dit gedeelte der pampa's te vinden?"

"Juist degenen, die vreemde gevangenen in hunne magt hebben gehad, de inboorlingen onder de hoofden Calfoucoura, Catriel of Yauchetruz."

"Wat zijn dat voor menschen?"

"Hoofden van stammen, die vóór een dertig jaren zeer magtig waren, eer zij tot over de gebergten teruggedreven werden. Sedert dien tijd hebben zij zich onderworpen, in zooverre althans een Indiaan zich kan onderwerpen, en nu loopen zij de pampa's even goed af als de provincie Buenos-Ayres. Ik verwonder mij dus met Thalcave, dat wij geen spoor van hen vinden in een land, waarin zij doorgaans het beroep van "salteadores" (plunderaars) uitoefenen."

"Maar wat moeten wij dan doen?" vroeg Glenarvan.

"Dat zal ik u aanstonds zeggen," antwoordde Paganel.

Na eenigen tijd met Thalcave geraadpleegd te hebben, zeide hij:

"Mijns inziens is zijn raad zeer verstandig. Hij meent, dat wij in onze oostelijke rigting moeten voortgaan tot aan het fort Independencia,—dat op onzen weg ligt,—en kunnen wij daar al geen berigten aangaande kapitein Grant krijgen, dan zullen wij ten minste vernemen, waar de Indianen uit de argentijnsche vlakte gebleven zijn."

"En ligt dat fort Independencia hier ver vandaan?" vroeg Glenarvan.

"Neen! het ligt in het Tandil-gebergte, een zestig mijlen van hier."

"En wanneer komen wij er?"

"Overmorgen avond."

Glenarvan gevoelde zich door dit voorval zeer teleurgesteld. Geenszins had hij verwacht, dat er geen Indiaan in de pampa's te vinden zou zijn. Er zijn er meestal te veel. Een zeer bijzondere oorzaak moest hen van daar verdreven hebben. Maar, en dit was vooral van belang, was Harry Grant, voorondersteld, dat hij bij den een of anderen stam gevangen was, naar het noorden of naar het zuiden medegesleept? Die twijfel verontrustte Glenarvan. Het mogt kosten wat het wilde, men moest trachten het spoor van den kapitein niet te verliezen. Alles wel beschouwd was het best om den raad van Thalcave te volgen en het dorp Tandil te bereiken. Daar zou men ten minste menschen vinden, met wie men kon spreken.

Tegen vier ure in den namiddag vertoonde zich aan den gezigteinder een heuvel, die in een zoo vlak land wel voor een berg kon doorgaan. Het was het gebergte Tapalquem, aan welks voet de reizigers den volgenden nacht doorbragten.

Des anderen daags werd de togt over dit gebergte zonder eenige moeite volbragt. Men volgde de zandige golvingen van een zacht glooijenden grond. Zulk een gebergte kon geen bezwaar opleveren voor lieden, die de Cordillera de los Andes bestegen hadden, de paarden zelfs vertraagden naauwelijks hun snellen gang. Ten twaalf ure trok men voorbij het verlatene fort Tapalquem, de eerste schakel van die keten van kleine sterkten, die de zuidelijke grens tegen de plunderzieke inboorlingen moet beschermen.

Maar geen schaduw zelfs van Indianen was er te zien, tot steeds toenemende verbazing van Thalcave. Omstreeks het midden van den dag echter sloegen drie goed bereden en goed gewapende roovers den kleinen troep een oogenblik gade; maar zij wachtten niet tot men hen naderde en vlugtten met ongeloofelijke snelheid. Glenarvan was razend.

"Gaucho's!" zeide de Patagoniër, aan die inboorlingen den naam gevende, die een twist tusschen Paganel en den majoor veroorzaakt had.

"Ei! Gaucho's!" antwoordde Mac Nabbs. "Welnu, Paganel! thans waait er geen noordewind. Zeg mij nu eens uw gedachten over die beesten."

"Ik denk, dat zij er als echte roovers uitzien," antwoordde Paganel.

"En van den schijn tot het wezen, waarde geleerde?"

"Is maar ééne schrede, waarde majoor!"

De bekentenis van Paganel veroorzaakte een algemeen gelach, dat hem volstrekt niet in de war bragt, zelfs maakte hij betreffende die Indianen een zeer aardige opmerking.

"Ik heb ergens gelezen," zeide bij, "dat bij den Arabier de mond een buitengewone uitdrukking van woestheid heeft, terwijl in zijn oog menschlievendheid is te lezen. Welnu! bij den amerikaanschen wilde heeft juist het tegendeel plaats. Die lieden hebben een bij uitstek boos oog."

Een gelaatkundige van beroep zou geen juister woorden hebben kunnen vinden om het indiaansche ras te kenschetsen.

Op bevel van Thalcave reed men intusschen digt bij elkander voort; hoe eenzaam het land ook was, men moest toch op zijn hoede zijn tegen een onverhoedschen overval; maar de voorzorg was onnoodig, en dienzelfden avond nog betrok men een groote verlaten hut, waar het stamhoofd Catriel doorgaans zijn benden inboorlingen vereenigde. Het onderzoek van den grond en het gemis van versche sporen bewees den Patagoniër, dat de hut sedert lang niet bewoond was.

Den volgenden morgen bevonden Glenarvan en zijn makkers zich weder in de vlakte; zij ontdekten de eerste veestallen in de nabijheid van het Tandil-gebergte; maar Thalcave besloot zich er niet op te houden en regelregt op het fort Independencia af te gaan, waar hij voornamelijk inlichtingen hoopte te verkrijgen betreffende het zonderlinge voorkomen van dat verlaten land.

De boomen, die na het verlaten der Cordillera zoo schaarsch waren, werden weder talrijker; de meesten waren eerst na de aankomst der Europeanen op het amerikaansche grondgebied geplant. Daar stonden paternosterhoornen, perzikboomen, populieren, wilgen en acacia's, die snel en goed in het wild opgroeiden. Zij omringden gewoonlijk de "corrales," groote omheiningen voor het vee, omzet met palen. Daar weidden duizenden ossen, schapen, koeijen en paarden, allen door een gloeijend ijzer met het merk van hun eigenaar geteekend, en werden er vet, terwijl groote, waakzame en talrijke honden in den omtrek waakten. De min of meer zoutachtige bodem, die zich aan den voet van het gebergte uitstrekt, is bij uitstek voor het vee geschikt en levert uitmuntend voeder op. Bij voorkeur kiest men hem dan ook voor de vetweiderijen, die door een hofmeester en een opzigter bestuurd worden, welke voor iedere duizend stuks vee vier inlanders onder hun bevelen hebben.

Het leven dier lieden gelijkt op dat der groote herdersvorsten, waarvan de Bijbel spreekt; hunne kudden zijn even talrijk, ja misschien nog talrijker dan die, welke de groote vlakten van Mesopotamië bedekten; maar de herder mist hier zijn huisgezin, en de groote "estancero's" (vetweiders) der pampa gelijken volkomen op den ruwen veekooper, maar in het geheel niet op den aartsvader uit de bijbelsche verhalen.

Paganel zette dit voor zijn reisgenooten zeer duidelijk uiteen, en hield naar aanleiding daarvan een zeer belangrijke menschnatuurkundige voordragt over de vergelijking der rassen. Het mogt hem zelfs gelukken den majoor te boeijen, die daarvan geen geheim maakte.

Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling te laten opmerken, dat in die effene vlakten zeer gewoon is; van verre geleken de vetweiderijen op groote eilanden; de populieren en wilgen, die er omheen stonden, schenen te weerkaatsen in een kristalhelder water, dat voor de schreden der reizigers vlugtte; maar het zinsbedrog was zoo volkomen, dat het oog er niet aan kon gelooven.

Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling te laten opmerken.Paganel had ook gelegenheid om een aardig uitwerksel der luchtspiegeling te laten opmerken.

Dien dag, den 6denNovember, trof men verscheidene vetweiderijen aan, en ook een of twee "saladero's". Daar wordt het vee, nadat het op de sappige weiden vetgemest is, door het mes van den slagter gekeeld. De "saladero" is, zooals de naam reeds aanduidt, de plaats waar het vleesch gezouten wordt. Tegen het einde der lente begint dat walgelijk werk. De "saladores" gaan dan de dieren uit den "corral" halen; zij vangen ze met het lasso, dat zij goed hanteeren en brengen ze naar den "saladero;" daar worden ossen, stieren, koeijen en schapen bij honderden gedood, gevild en ontvleeschd. Maar dikwijls laten de stieren zich niet gewillig grijpen. Dan verandert de viller in een stierendooder, en oefent dit gevaarlijk beroep met buitengewone behendigheid maar ook met ongewone wreedheid uit. Over het geheel levert die slagting een verschrikkelijk schouwspel op: niets is walgelijker dan de omtrek van een zouterij; uit die afschuwelijke slagterijen stijgen tegelijk met een dampkring, die met stinkende uitwasemingen bezwangerd is, de woeste kreten der villers, het akelig geblaf der honden, het gerogchel der stervende dieren op, terwijl de "urubu's" en de "aura's", groote gieren van de argentijnsche vlakte, die bij duizenden wel twintig uren ver uit den omtrek bijeen gekomen zijn, den slagters de nog lillende overblijfselen hunner slagtoffers betwisten.

Maar thans waren de zouterijen nog doodstil, rustig en onbewoond. Het was de tijd van die verbazende slagtingen nog niet.

Thalcave verhaastte den togt; hij wilde dien zelfden avond nog in het fort Independencia komen; door hun berijders aangevuurd en het voorbeeld van Thaouka volgende, vlogen de paarden tusschen het hooge gras door, dat den grond bedekte. Men ontmoette verscheidene hoeven, die van schietgaten voorzien en door diepe grachten verdedigd waren; het hoofdgebouw was voorzien van een terras, van waar de bewoners, die in wapenhandel zich oefenen, de plunderaars uit de vlakte beschieten kunnen. Misschien zou Glenarvan daar de verlangde inlichtingen hebben kunnen bekomen; maar het veiligste was het dorp Tandil te bereiken. Men hield zich dus niet op. Men doorwaadde het riviertje de los Huesos, en eenige mijlen verder de Chapaléofu. Weldra betraden de pooten der paarden de grasrijke helling van het Tandil-gebergte, en een uur daarna vertoonde zich het dorp achter in een engte, die beheerscht werd door de van schietgaten voorziene muren van het fort Independencia.

[1]Omtrent 180 uren.

[1]Omtrent 180 uren.

Reis rond de wereld—deel 1—Zuid-Amerika.Reis rond de wereld—deel 1—Zuid-Amerika.

Het Tandil-gebergte ligt duizend voet boven den spiegel der zee; het is een keten van de eerste orde, dat wil zeggen ouder dan de organische schepping, en aan gedaanteverwisseling onderhevig, in dien zin dat haar zamenhang en zamenstel allengs gewijzigd zijn door den invloed der inwendige warmte. Het bestaat uit een half cirkelvormige rij van met gras begroeide gneis-heuvels. Het district Tandil, dat naar dit gebergte genoemd is, bevat het geheele zuidelijke deel der provincie Buenos-Ayres, en wordt begrensd door een berghelling, die al de riviertjes, welke er op ontspringen, noordwaarts doet stroomen.

Dit district telt ongeveer vier duizend inwoners en heeft tot hoofdplaats het dorp Tandil, gelegen aan den voet der noordelijke bergruggen; het wordt door het fort Independencia beschermd en heeft een vrij gelukkige ligging aan de belangrijke beek Chapaléofu. Eene merkwaardige bijzonderheid van dit dorp, die ook aan Paganel niet onbekend kon zijn, is dat het hoofdzakelijk bevolkt is door fransche Baskiërs en italiaansche kolonisten. Van Frankrijk zijn de eerste vestigingen in dit gedeelte van la Plata uitgegaan. In 1828 bewerkte de Franschman Parchappe den bouw van het fort Independencia, dat dienen moest om het land te beveiligen tegen de herhaalde invallen der Indianen. Een groot geleerde, Alcide d'Orbigny, die de zuidelijke landen van Zuid-Amerika het best gekend, bestudeerd en beschreven heeft, stond hem in deze onderneming bij.

Dit dorp Tandil is een vrij gewigtig punt. Door middel van "galera's", groote ossenkarren, die zeer geschikt zijn om de wegen over de vlakte te berijden, komt men van hier in twaalf dagen te Buenos-Ayres; daaruit ontstaat een vrij levendige handel; het dorp zendt naar de stad het vee uit zijn vetweiderijen, het gezouten vleesch zijner zouterijen, en de zeer bezienswaardige voortbrengselen der indiaansche nijverheid zooals de katoenen stoffen, de wollen weefsels, de zoo gezochte werken der ledervlechters, enz. Ook bevat Tandil, om van een zeker aantal vrij geriefelijke woningen te zwijgen, scholen en kerken, om onderwijs te krijgen in hetgene men voor deze en de toekomende wereld dient te weten.

Paganel besloot deze mededeelingen met de aanmerking, dat er in het dorp Tandil wel inlichtingen te krijgen zouden zijn; het fort toch is altijd bezet door een afdeeling nationale troepen. Glenarvan liet daarom de paarden op stal brengen in een vrij goed uitziende "fonda"; daarop gingen Paganel, de majoor, Robert en hij, door Thalcave geleid, naar het fort Independencia.

Na eenige minuten lang tegen een der bergruggen opgeklommen te zijn, kwamen zij aan de poort, die vrij onachtzaam bewaakt werd door een argentijnschen schildwacht. Zij werden zonder bezwaar doorgelaten, een teeken van groote slordigheid of van ongestoorde veiligheid.

Er exerceerden juist eenige soldaten op het exercitieplein van het fort; maar de oudste dier soldaten telde naauwelijks twintig, de jongste maar zeven jaren. Eigenlijk waren het slechts een dozijn kinderen en knapen, die vrij aardig soldaatje speelden. Hun uniform bestond uit een gestreept hemd, om de middel vastgebonden met een lederen gordel; geen hunner had een lange of korte broek of een schotsch rokje aan. Het zachte luchtsgestel veroorloofde dan ook die ligte kleeding. Terstond kreeg Paganel een goeden dunk van een regeering, die geen geld aan goud- of zilverboordsel besteedde. Elk van die jeugdige knapen droeg een percussie-geweer en een sabel. De laatste was te lang en het eerste te zwaar voor die mannetjes. Allen hadden een taankleurig gelaat en een zekeren familietrek. De korporaal-instructeur, die hen kommandeerde, geleek ook op hen. Het vermoeden was dan ook gegrond, dat het twaalf broeders waren, die onder het bevel van den dertienden zich oefenden.


Back to IndexNext