De paarden liepen stevig door,...De paarden liepen stevig door,...
Op die effene en regte vlakten werd de reis dus gemakkelijk en snel volbragt. De natuur der pampa onderging niet de minste verandering; geen steen, geen keisteentje zelfs was er in den omtrek te zien. Nooit zag men zulk een eentoonigheid, die zoo eindeloos duurde. Geen schijn of schaduw van landschappen, merkwaardigheden of natuurlijke verrassingen was er te zien! Men moest wel een Paganel of een van die geestdrijvende geleerden zijn, die zien waar niets te zien is, om eenig belang te stellen in hetgeen de weg opleverde. Waarom deed hij het dan? Dat zou hij niet hebben kunnen zeggen. Op zijn hoogst om een struik. Misschien alleen om een grasscheutje. Dat was echter genoeg om zijn onuitputtelijken woordenvloed te doen losbreken, en leverde hem stof om Robert te onderrigten, die gaarne naar hem luisterde.
De vlakte vertoonde zich op dezen dag, den 29stenOctober, aan onze reizigers in hare eindelooze eenvormigheid. Tegen twee ure zagen zij talrijke sporen van dieren op den weg. Het was het gebeente van een ontelbare kudde rundvee, dat opeengestapeld lag en wit geworden was. Die overblijfselen lagen niet in een kromme en bogtige lijn, zooals dit het geval is, wanneer de kracht der dieren uitgeput is en zij één voor één op den weg nedervallen. Niemand was dan ook in staat om te verklaren, hoe zulk een menigte geraamten op een betrekkelijk zoo beperkte ruimte kon opeengehoopt zijn. Ook Paganel kwelde zich te vergeefs om die vraag te beantwoorden. Hij ondervroeg daarom Thalcave, die terstond met zijn antwoord gereed was.
Een "niet mogelijk" van den geleerde, en een zeer duidelijke bevestigende beweging van den Patagoniër maakten de oplettendheid hunner makkers gaande.
"Wat is het toch?" vroegen zij.
"Het vuur van den hemel," antwoordde de aardrijkskundige.
"Hoe! zou de bliksem zulk een ongeval veroorzaakt en een kudde van vijfhonderd stuks van het leven beroofd hebben!" zeide Tom Austin.
"Thalcave bevestigt het, en Thalcave weet wel wat hij zegt. Ik wil het ook wel gelooven. Want in de pampa's onderscheiden de onweders zich vooral door hun hevigheid. De hemel geve, dat wij het niet eens zelven ondervinden!"
"Het is zeer warm," zeide Wilson.
"In de schaduw zal de thermometer zeker wel op dertig graden staan," antwoordde Paganel.
"Dat verwondert mij niet," zeide Glenarvan; "ik voel, dat de electriciteit mij doordringt. Wij mogen wel wenschen, dat die warmte niet aanhoudt."
"O! o!" zeide Paganel, "er is geen weersverandering te wachten; de gezigteinder is geheel onbeneveld."
"Des te erger," antwoordde Glenarvan; "want onze paarden hebben het kwaad met de warmte. Zijt gij niet warm, mijn jongen?" voegde hij er bij, zich tot Robert wendende.
"Neen, mylord!" antwoordde de knaap. "Ik houd wel van warmte; zij is wel aangenaam."
"Vooral in den winter," merkte de majoor zeer geestig aan, terwijl hij den rook van zijn sigaar in de lucht wegblies.
Des avonds hield men stil bij een onbewoonde "rancho," vervaardigd uit in elkander gevlochten takken, die met modder digtgestopt en met riet bedekt waren; deze hut grensde aan een met half verrotte palen omslotene ruimte, die echter de paarden gedurende den nacht tegen de aanvallen der vossen beschermen kon. Zij hebben wel geen gevaar van die dieren te duchten; maar die lastige beesten bijten de halsters door, waarvan de paarden gebruik maken om te ontsnappen.
Eenige schreden van de hut af was een gat gegraven, dat tot stookplaats diende en koud geworden asch bevatte. In de hut was een bank, een slaapplaats van ossenhuiden, een kookketel, een spit en een schenkketel voor paraguay-thee. De paraguay-thee is in Zuid-Amerika een zeer gewone drank. Het is de thee der Indianen. Het is een aftreksel van op het vuur gedroogde bladeren, dat men evenals de andere amerikaansche dranken door een rietje opzuigt. Op verlangen van Paganel maakte Thalcave eenige kopjes van dien drank gereed, die zeer goed paste bij de gewone levensmiddelen en uitmuntend smaakte.
Des anderen daags, den 30stenOctober, ging de zon vuurrood op en goot zij haar heetste stralen over den grond uit. Het stond dus te vreezen, dat het dien dag smoorheet zijn zou, en ongelukkig leverde de vlakte geen beschutting op. Men ging echter moedig op weg. Meermalen ontmoetten zij ontelbare kudden, die door de verstikkende warmte te krachteloos waren om te grazen en uit loomheid bleven liggen. Van bewakers of eigenlijk gezegde herders was niets te zien. Honden, die gewoon zijn om de schapen te melken, wanneer de dorst hen kwelt, bewaakten alleen die talrijke opeenhoopingen van koeijen, stieren en ossen. Die dieren zijn overigens zeer zachtzinnig van aard, en hebben dien instinctmatigen afkeer van "rood" niet, die in Europa den dieren van dat geslacht eigen is.
"Dat komt zeker, omdat zij het gras van een republiek afeten," zeide Paganel, die deze scherts, welke misschien wat al te zeer den Franschman verried, heel geestig vond.
Tegen den middag kwam er eenige verandering in het voorkomen van de pampa, die niet onopgemerkt kon blijven voor oogen, die hare eentoonigheid zoo lang had vermoeid. De grasgewassen werden schaarscher. Zij maakten plaats voor magere kliskruiden en voor reusachtige, negen voet hooge distels, die alle ezels in de wereld gelukkig hadden kunnen maken. Ondergebleven chañares en andere doornachtige, donkergroene heesters, planten, die gaarne op drooge gronden voortkomen, schoten hier en daar op. Tot nog toe had een zekere vochtigheid, die in de klei der pampa bewaard gebleven was, de weiden gedrenkt, en was het grastapijt dik en mollig. Maar nu schemerde het weefsel door het versleten en op vele plaatsen afgescheurde bekleedsel heen, en werd de dorheid van den grond zigtbaar. Het was onmogelijk om die kenmerken eener toenemende droogte over het hoofd te zien, en Thalcave vestigde er de opmerkzaamheid op.
"Ik ben niet verdrietig over die verandering," zeide Tom Austin; "altijd gras, en niets anders dan gras, dat wordt op den duur vervelend."
"Ja! maar zoo lang er gras is, is er water," antwoordde de majoor.
"O! wij hebben nog geen gebrek," zeide Wilson, "en zullen onderweg wel een riviertje aantreffen."
Als Paganel dat antwoord gehoord had, zou hij zeker gezegd hebben, dat er bijna geen rivieren tusschen de Colorado en de gebergten der argentijnsche republiek zijn; maar hij was juist bezig met aan Glenarvan een verschijnsel uit te leggen, waarop deze zijn aandacht gevestigd had.
Sedert eenigen tijd scheen de dampkring doortrokken te zijn met een rooklucht. En toch was er aan den gesigteinder geen vuur te zien, toch verried geen rook een verwijderden brand. Derhalve kon men dat verschijnsel aan geen gewone oorzaak toeschrijven. De geur van brandend gras werd weldra zoo sterk, dat hij alle reizigers verbaasde, uitgenomen Paganel en Thalcave. De aardrijkskundige, voor wien geen enkel verschijnsel onverklaarbaar was, gaf zijn vrienden het volgend antwoord:
"Wij zien het vuur niet," zeide hij, "en ruiken den rook. Nu is er geen rook zonder vuur; dat spreekwoord is even waar in Amerika als in Europa. Er is dus ergens brand. De pampa's zijn echter zoo effen, dat de luchtstroom door niets in zijn loop wordt gehinderd; vandaar dat men er dikwijls den geur van gras ruikt, dat op een afstand van bijna vijf en zeventig mijlen[2]brandt."
"Vijf en zeventig mijlen?" antwoordde de majoor op een ongeloovigen toon.
"Stellig," verzekerde Paganel. "Ik voeg hier nog bij, dat zulke branden op een groote schaal plaats hebben en zich dikwijls over een grooten omtrek verspreiden."
"Wie steekt het gras in brand?" vroeg Robert.
"Soms de bliksem, wanneer het door de warmte verdroogd is; soms ook de hand der Indianen."
"En waarom?"
"Zij beweren,—ik weet niet in hoeverre die meening gegrond is, dat na een brand in de pampa's het gras er beter groeit. Dat zou dus een middel zijn om den grond door de kracht van de asch nieuwe vruchtbaarheid te schenken. Ik voor mij geloof veeleer, dat die branden moeten dienen om millioenen runderluizen te verdelgen, een soort van woeker-insecten, die voor de kudden zeer lastig zijn."
"Maar dat krachtige middel moet het leven kosten aan enkele der beesten, die in de vlakte rondzwerven," meende de majoor.
"Ja! er verbranden soms eenige; maar er zijn er zooveel, dat men het niet eens bemerkt."
"Ik trek ook geen partij voor hen," hernam Mac Nabbs, "zij moeten maar voor zich zelven zorgen, maar voor de reizigers, die de pampa doortrekken. Kan het niet gebeuren dat zij door de vlammen overvallen en omsingeld worden?"
"Wel zeker!" riep Paganel, met een van blijdschap stralend gezigt "dat gebeurt wel eens, en het zou mij groot genoegen doen, als ik zulk een tooneel eens mogt bijwonen."
"Daar kan men den geleerde uit proeven," antwoordde Glenarvan; "hij zou de liefde voor de wetenschap zoo ver drijven, dat hij zich levend zou laten verbranden."
"Dat niet, waarde Glenarvan! maar men heeft Cooper gelezen, en Lederen Kous heeft ons het middel aan de hand gedaan om den voortgang der vlammen te stuiten door eenige vademen om zich heen het gras uit te halen. Niets is eenvoudiger dan dat. Ik vrees daarom ook geenszins een brand, integendeel, ik verlang er zeer naar."
Maar de wensch van Paganel zou niet vervuld worden, en werd hij al half gebraden, zoo was het toch maar in de zonnestralen, die een verschroeiende hitte opwekten. De paarden hijgden onder den invloed dier keerkringswarmte. Men kon geen andere schaduw verwachten, dan van een der zeldzame wolkjes, die de vurige schijf omsluijerden; dan zweefde de schaduw over den effen grond en poogden de ruiters, hun paard aanzettende, het koele plekje bij te houden, dat de westewinden voor hen uitjaagden. Maar de paarden moesten weldra achterblijven, en het ongesluijerde gesternte goot een nieuwen vuurregen uit over den kalkgrond der pampa's.
Toen Wilson zeide, dat de watervoorraad wel zou toereiken, had hij echter niet op den onleschbaren dorst gerekend, die zijn makkers op dien dag kwelde; toen hij er bijvoegde, dat men onderweg wel een riviertje zou ontmoeten, had hij te veel gezegd. Want niet alleen waren er geen riviertjes te zien, omdat de effenheid van den grond hun geen geschikte bedding opleverde, maar zelfs waren de kunstmatige plassen, door de hand der Indianen gegraven, ook uitgedroogd. Toen hij de kenmerken der droogte van mijl tot mijl zag toenemen, maakte Paganel eenige aanmerkingen aan Thalcave, en vroeg hem, waar hij water dacht te vinden.
"Bij het Zoutmeer," antwoordde de Indiaan.
"En wanneer zullen wij daar komen?"
"Morgen avond."
Gewoonlijk graven de Argentijnen, wanneer zij door de pampa reizen, putten en vinden dan eenige vademen onder den grond water. Maar de reizigers konden bij gebrek aan de noodige werktuigen zich hiermede niet redden; zij moesten zich dus op rantsoen stellen, en al had men juist geen volslagen gebrek aan water, toch kon niemand zijn dorst geheel lesschen.
Na een togt van dertig mijlen hield men des avonds halt. Allen rekenden op een goeden nacht om van de vermoeienissen van den dag zich te herstellen; en hij werd juist gestoord door een zeer lastige zwerm muskieten en muggen. Derzelver tegenwoordigheid voorspelde een verandering van wind, die inderdaad een streek draaide en noordelijk werd. Die hatelijke insecten verdwijnen doorgaans bij zuide- of zuidwestewinden.
Zoo de majoor zijn kalmte al bewaarde bij de kleine ongemakken des levens, Paganel integendeel werd boos om de plagerijen van het lot. Hij wenschte muskieten en muggen naar den duivel, en het speet hem, dat hij geen zuur water had om de brandende pijn zijner duizenden wonden te verzachten. De majoor trachtte hem, maar te vergeefs, te troosten met de opmerking, dat men zich gelukkig moest achten van maar met twee van de driemaal honderd duizend insecten te doen te hebben, die de natuurkundigen tellen,—hij werd toch in een zeer kwade luim wakker.
Hij liet zich echter niet lang bidden om met het krieken van den dag te vertrekken; want het kwam er nu op aan om dienzelfden dag het Zoutmeer te bereiken. De paarden waren doodmoede; zij stierven van dorst en hoewel hun ruiters zich om hunnentwil ontbering hadden getroost, was hun rantsoen van water toch zeer gering geweest. De droogte was nog sterker en de warmte niet minder ondragelijk door de stofwolken, welke de noordewind, die samoem[3]der pampa's, opjoeg.
Op dezen dag werd de eentoonigheid der reis een oogenblik afgebroken. Mulrady, die vooruit reed, kwam terug om kennis te geven van de nadering van een bende Indianen. Die ontmoeting werd verschillend beoordeeld. Glenarvan dacht aan de inlichtingen, welke die inboorlingen hem misschien aangaande de schipbreukelingen derBritanniakonden verschaffen. Thalcave weder was er geenszins mede ingenomen, dat hij de zwervende Indianen der pampa's op zijn weg aantrof; hij hield ze voor plunderaars en dieven, en deed zijn best om hen te ontwijken. Op zijn bevel sloot de kleine troep zich digt aaneen en werden de wapens in gereedheid gebragt. Men moest op alles voorbereid zijn.
Spoedig kreeg men de indiaansche afdeeling in het oog. Zij bestond slechts uit een tiental inboorlingen, hetgeen den Patagoniër gerust stelde. De Indianen naderden tot op honderd passen. Men kon hen gemakkelijk onderscheiden. Het waren inboorlingen, die tot het pampa-ras behoorden, dat in 1888 door generaal Rosas verdreven was. Hun hoog, gewelfd en niet terugwijkend voorhoofd, hun slanke gestalte en hun olijfkleur maakten hen tot schoone typen van het indiaansche ras. Zij waren gekleed met vellen van guanacha's en stinkdieren, en droegen behalve een twintig voet lange lans, messen, slingers, bola's en lasso's. Hun handigheid in het besturen hunner paarden bewees, dat zij bekwame ruiters waren.
Op een afstand van honderd schreden hielden zij stil en schenen raad te houden, daarbij luid schreeuwende en gebaren makende. Glenarvan ging naar hen toe. Maar hij was nog geen twee vademen ver, of de afdeeling maakte regtsomkeert en verdween met ongeloofelijke snelheid. De afgematte paarden der reizigers konden hen onmogelijk inhalen.
"Die lafaards!" riep Paganel.
"Waren zij eerlijke lieden, dan zouden zij zoo hard niet wegloopen," zeide Mac Nabbs.
"Wat zijn dat voor Indianen?" vroeg Paganel aan Thalcave.
"Gaucho's," antwoordde de Patagoniër.
"Gaucho's!" herhaalde Paganel, zich tot zijn makkers rigtende, "Gaucho's! Dan hadden wij waarlijk zooveel voorzorgen niet behoeven te nemen! Er was niets te vreezen!"
"Waarom niet?" vroeg de majoor.
"Omdat de Gaucho's weerlooze landlieden zijn."
"Denkt gij dat, Paganel?"
"Zeker. Zij hebben ons voor roovers aangezien en zijn gevlugt."
"Ik geloof veeleer, dat zij ons niet hebben durven aanvallen," antwoordde Glenarvan, die zeer verstoord was, omdat hij met die inboorlingen, zij mogten zijn wie zij wilden, geen gesprek had kunnen aanknoopen.
"Zoo denk ik er ook over," zeide de majoor; "want, als ik mij niet vergis, zijn de Gaucho's in plaats van weerloos, wel degelijk openbare en geduchte roovers."
"Welnu komaan!" riep Paganel.
En hij begon levendig over die stelling uit de volkenkunde te redetwisten, zoo levendig zelfs, dat het hem gelukte om den majoor boos te maken, hetgeen hem den volgenden uitval van Mac Nabbs op den hals haalde, die anders zoo iets niet gewoon was bij de zeldzame twisten:
"Ik geloof, dat gij ongelijk hebt, Paganel!"
"Ongelijk!" herhaalde de geleerde.
"Ja! Thalcave zelf heeft die Indianen voor roovers aangezien, en Thalcave weet wel, wat hij van hen denken moet."
"Welnu! Thalcave heeft zich ditmaal vergist," gaf Paganel met eenige bitterheid ten antwoord. "De Gaucho's zijn landbouwers, herders, anders niet, en ik heb het zelf geschreven in een goed ontvangen vlugschrift over de inboorlingen der pampa's."
"Dan hebt gij eene dwaling begaan, mijnheer Paganel!"
"Ik! een dwaling! mijnheer Mac Nabbs?"
"Uit verstrooidheid, wanneer gij wilt," antwoordde de majoor, die het niet opgaf; "gij kunt dus niet beter doen dan een volgenden druk te herzien!"
Paganel was zeer beleedigd, nu hij moest hooren, dat men zijn aardrijkskundige kennis in twijfel trok, ja, er den gek mede scheerde, en voelde, dat hij boos werd.
"Wees overtuigd, mijnheer!" zeide hij, "dat in mijn werken dergelijke feilen niet voorkomen."
"Bij deze gelegenheid toch wel," antwoordde Mac Nabbs, die op zijne beurt koppig werd.
"Mijnheer! ik vind u van daag zeer plaagziek!" riep Paganel.
"En ik vind u zeer scherp!" gaf de majoor ten antwoord.
De twist liep, zooals men ziet, zeer hoog, en dat over een onderwerp, dat zooveel drukte niet waard was. Glenarvan achtte het geraden om tusschen beiden te komen.
"Het is zeker," zeide hij, "dat er bij den een plaagzucht en bij den ander scherpte in het spel is, hetgeen mij van beiden zeer verwondert."
De Patagoniër had de aanleiding tot den twist wel niet begrepen, maar kon ligt gissen, dat de beide vrienden het oneens waren. Hij begon te glimlagchen en zeide zachtjes:
"Het is de noordewind!"
"De noordewind!" riep Paganel, "wat heeft de noordewind met dit alles te maken?"
"Wel zeker!" antwoordde Glenarvan; "de noordewind is de oorzaak van uw kwade luim! Ik heb hooren zeggen, dat hij in het zuiden van Amerika het zenuwgestel bijzonder prikkelt."
"Bij St Patrick! Edward! gij slaat den spijker op den kop!" zeide de majoor, die het uitschaterde van lagchen.
Maar Paganel, die waarlijk boos was, wilde den strijd niet opgeven, en klampte nu Glenarvan aan, wiens tusschenkomst in zijn oog wat al te spottend was.
"Ei zoo, mylord!" zeide hij, "is mijn zenuwgestel waarlijk geprikkeld?"
"Ja, Paganel! het is de noordewind, die het doet; een wind, die in de pampa veel misdaden doet begaan, evenals in den omtrek van Rome!"
"Misdaden!" antwoordde de geleerde; "zie ik er uit als iemand, die misdaden begaan wil?"
"Dat zeg ik niet."
"Zeg maar ronduit, dat ik u wil vermoorden!"
"Daar zou ik haast bang voor worden!" antwoordde Glenarvan, die zijn lachlust niet kon bedwingen. "Gelukkig waait de noordewind nooit langer dan één dag!"
Op dit gezegde lachten allen met Glenarvan mede. Nu maakte Paganel zich haastig uit de voeten en ging hij naar het hoofd van het gezelschap om zijn drift wat te laten bedaren. Een kwartier later dacht hij er niet meer aan.
Zoo was de goede luim van den geleerde een oogenblik verstoord geweest; maar, zooals Glenarvan teregt had gezegd, die zwakheid had een geheel uitwendige reden.
Ten acht ure des avonds gaf Thalcave, die wat vooruit gereden was, een sein, dat men digt bij het zoo gewenschte meer was. Een kwartier daarna daalde de kleine troep de steile oevers van het Zoutmeer af. Maar daar wachtte hem een erge teleurstelling. Het meer was opgedroogd.
[1]Om deze reden zijn de winters op IJsland zachter dan in Lombardije.
[1]Om deze reden zijn de winters op IJsland zachter dan in Lombardije.
[2]Dertig uren.
[2]Dertig uren.
[3]Een schier verstikkend heete, dikwijls doodelijke wind in Afrika en in Zuid-Azië.
[3]Een schier verstikkend heete, dikwijls doodelijke wind in Afrika en in Zuid-Azië.
Het Zoutmeer besluit de reeks van kleine meren, die in verband staan met de sierra's Ventana en Guamini. Voorheen ging men uit Buenos-Ayres veel daarheen om zout te halen; want zijn water bevat een aanzienlijke hoeveelheid chloorsodium. Maar nu had het water, door de buitensporige hitte verdampt, al het zout, dat er in opgelost was, achtergelaten en het meer was niets anders meer dan een ontzaggelijk groote heldere spiegel.
Toen Thalcave vertelde, dat het Zoutmeer drinkbaar water opleverde, bedoelde hij daarmede de zoetwaterstroompjes, die er in menigte in uitloopen. Maar op dit oogenblik waren deze zoowel uitgedroogd als het meer. De brandende zon had alles opgedronken. Dit veroorzaakte een algemeene ontsteltenis, toen het dorstige gezelschap op de uitgedroogde oevers van het Zoutmeer aankwam.
Goede raad was duur. Het geringe overschot van water in de lederen zakken was bedorven. Het was onbruikbaar. De dorst begon verschrikkelijk te kwellen. Honger en vermoeijenis verdwenen voor die gebiedende behoefte. Een "roukah," een soort van tent, die, in een bogt aan den oever, van huiden opgeslagen en door de inboorlingen verlaten was, diende den uitgeputten reizigers tot schuilplaats, terwijl hunne paarden, op de slijkerige oevers van het meer uitgestrekt, met tegenzin knabbelden aan de zoutwaterplanten en het drooge riet.
Toen allen in de roukah bijeen waren, vroeg Paganel aan Thalcave, wat hun nu te doen stond. Dit gaf aanleiding tot een vlugtig gesprek tusschen den aardrijkskundige en den Indiaan, waarvan Glenarvan eenige woorden opving. Thalcave sprak zeer bedaard. Paganel maakte gebaren voor twee. Deze zamenspraak duurde eenige minuten, waarna de Patagoniër de armen over elkander sloeg.
"Wat heeft hij gezegd?" vroeg Glenarvan. "Ik meen begrepen te hebben, dat hij een scheiding aanraadden."
"Ja. In twee afdeelingen," antwoordde Paganel. "Diegenen onzer, wier paarden door vermoeijenis en dorst uitgeput, naauwelijks een voet meer kunnen verzetten, zullen zoo goed en kwaad als het gaan kan langs de zeven en dertigste parallel voorttrekken. De beter beredenen daarentegen zullen hun op dien weg vooruitgaan en de rivier Guamini opzoeken, die een en dertig mijlen[1]van hier in het meer San Lucas valt. Vinden zij er genoeg water, dan zullen zij hun makkers op de oevers der Guamini afwachten. Is er geen water, dan zullen zij terugkeeren om hun een vergeefsche reis te besparen."
"En dan?" vroeg Tom Austin.
"Dan zullen wij moeten besluiten om vijf en zeventig mijlen verder zuidwaarts te trekken, tot aan de eerste vertakkingen der sierra Ventana, waar de rivieren talrijk zijn."
"Die raad is goed," antwoordde Glenarvan, "en wij zullen hem zonder uitstel opvolgen. Mijn paard heeft nog niet veel van het gebrek aan water geleden, en ik bied aan om Thalcave te vergezellen."
"O, neem mij mede, mylord!" zeide Robert, alsof er sprake was van een rijtoertje.
"Maar zult gij ons kunnen volgen, mijn jongen?"
"Ja! ik heb een goed dier, dat niet liever dan vooruit wil. Wilt gij ... mylord?... ik smeek u er om."
"Ga dan maar mede, mijn jongen!" zeide Glenarvan, die blijde was, dat hij niet van Robert behoefde te scheiden. "Wij zouden wel heel lomp moeten zijn," voegde hij er bij, "wanneer wij met ons drieën geen versch en helder water ontdekten."
"En ik dan?" zeide Paganel.
"O, gij, waarde Paganel!" antwoordde de majoor, "gij zult bij de reserve blijven. Gij kent de zeven en dertigste parallel en de rivier Guamini en de geheele pampa te goed om ons te verlaten. Noch Mulrady, noch Wilson, noch ik zijn in staat om Thalcave op de plaats van bijeenkomst te vinden, terwijl wij vol vertrouwen zullen oprukken onder de banier van den dapperen Jacques Paganel."
"Ik onderwerp mij," antwoordde de aardrijkskundige, wiens eigenliefde gestreeld werd door het verkrijgen van een opperbevel.
"Maar pas op voor verstrooidheid!" voegde de majoor er bij. "Breng ons niet, waar wij niet zijn moeten, b.v. aan de oevers der Stille Zuidzee!"
"Gij zoudt het anders wel verdienen, onuitstaanbare majoor!" antwoordde Paganel lagchende. "Maar zeg eens, waarde Glenarvan! hoe zult gij de taal van Thalcave verstaan?"
"Ik vooronderstel," antwoordde Glenarvan, "dat de Patagoniër en ik niet veel te praten zullen hebben. Bovendien zou ik met eenige spaansche woorden, die ik magtig ben, in een dringende omstandigheid wel in staat zijn om hem mijne gedachte mede te deelen en de zijne te begrijpen."
"Ga dan, waardige vriend!" antwoordde Paganel.
"Laten wij eerst ons avondeten gebruiken," zeide Glenarvan, "en, als het kan, slapen tot het uur van vertrek."
Men hield een muizenmaaltijd, hetgeen niet zeer verkwikkend was, en sliep, om zijn dorst te vergeten.
Paganel droomde van bergstroomen, van watervallen, van rivieren, van stroomen, van vijvers, van beken, ja zelfs van volle karaffen, in één woord van alles, wat doorgaans drinkbaar water bevat. Hij had waarlijk de nachtmerrie.
Den volgenden morgen ten zes ure werden de paarden van Thalcave, Glenarvan en Robert gezadeld; men gaf hun het laatste rantsoen water, dat zij met meer gretigheid dan smaak uitdronken, want het was zeer walgelijk.
Vervolgens sprongen de drie ruiters in den zadel. "Tot weerziens!" riepen de majoor, Austin, Wilson en Mulrady.
"En doet vooral uw best om weg te blijven!" voegde Paganel er bij.
Weldra verloren de Patagoniër, Glenarvan en Robert, niet zonder eenige benaauwdheid, de afdeeling uit het oog, die aan de schranderheid van den geleerden aardrijkskundige was toevertrouwd.
De "desertio de las Salinas," die zij nu doorreisden, is een kleiachtige vlakte, bedekt met tien voet hooge ondergeblevene heesters, met mimosaplanten, die de Indianen "curra-mammel" noemen, en met de "jume," een struikachtig gewas, rijk aan soda. Hier en daar weerkaatsten breede strooken zout de zonnestralen met verbazende kracht. Het oog zou ligt die "barrero's"[2]aangezien hebben voor ijskorsten; maar de zonnehitte zou het weldra uit den droom hebben geholpen. Niettemin gaf die tegenstelling van een dorren en verschroeiden bodem met die fonkelende vlakken aan deze woestijn een zeer buitengewoon voorkomen, dat de opmerkzaamheid gaande maakte.
Tachtig mijlen zuidelijker integendeel leverde die sierra Ventada, waarheen de mogelijke uitdrooging der Guamini de reizigers misschien noodzaken zou zich te begeven, een geheel ander gezigt op. Dit land, dat in 1835 bezocht werd door de expeditie onder aanvoering van kapitein Fitz-Roy, bevelhebber derBeagle, is bij uitstek vruchtbaar. De beste weiden van het indiaansche grondgebied prijken daar met het heerlijkste groen; de noordwestelijke helling der sierra's is daar bedekt met het weelderigste grasgewas, en strekt zich uit tot in bosschen, die rijk zijn aan allerlei houtsoorten; daar ziet men den "algarrobo," een soort van St. Jansbroodboom, welks gedroogde en fijngemalen vrucht tot het vervaardigen van een brood dient, dat door de Indianen zeer geacht wordt; den witten "quebracho," met lange en buigzame takken, die even als de europeesche wilg treuren; den rooden "quebracho," wiens hout onvergankelijk is; den "naudubay," die zeer snel vlam vat en dikwijls verschrikkelijke branden veroorzaakt; den "viraro," wiens paarsche bloemen in de gedaante eener pyramide boven elkander staan, en eindelijk den "timbo," die zijn ontzaggelijk zonnescherm tachtig voet hoog in de lucht verheft, waaronder geheele kudden een beschutting vinden tegen de stralen der zon. De Argentijnen hebben meermalen pogingen aangewend om dit rijke land te koloniseeren, maar te vergeefs getracht de vijandige gezindheid der Indianen te overwinnen.
Voorzeker had men regt om te meenen, dat talrijke stroompjes van het gebergte afdaalden, om het water, dat voor zulk een vruchtbaarheid noodig was, te verschaffen, en inderdaad heeft de ergste droogte die rivieren nooit doen verdampen, maar om ze te bereiken moest men wel honderd dertig mijlen[3]zuidelijker trekken. Thalcave had dus wel gelijk, dat hij zich eerst naar de Guamini begaf, die, zonder hem van den weg af te leiden, veel digter bij was.
De drie paarden galoppeerden wakker voort. Die uitmuntende dieren roken zeker uit instinct, waar hun meesters hen heenbragten. Thaouka vooral legde een levendigheid aan den dag, die geen vermoeijenis noch behoefte kon verminderen; hij sprong met de snelheid van een vogel over de verdroogde cañada's en de curra-mammel-struiken heen, waarbij zijn gehinnik een goed voorteeken was. Door zijn voorbeeld aangevuurd, volgden de paarden van Glenarvan en Robert hem wel met trager schreden, maar toch vol moed. Thalcave, die regtop in den zadel zat, gaf zijn makkers het voorbeeld, dat Thaouka den zijnen gaf. De Patagoniër draaide gedurig het hoofd om, ten einde naar Robert Grant te zien.
Als hij den knaap zoo stevig en regtop, met buigzame lendenen, ingetrokken schouders, de beenen los langs het paard hangende en de knieën stijf tegen den zadel gedrukt, zag zitten, gaf hij door een aanmoedigenden uitroep aan zijn tevredenheid lucht. Robert Grant werd dan ook inderdaad een uitmuntend ruiter en verdiende de loftuigingen van den Indiaan.
"Bravo! Robert!" zeide Glenarvan; "ik geloof, dat Thalcave u gelukwenscht. Hij juicht u toe, mijn jongen!"
"En waarom, mylord?"
"Omdat gij zoo flink te paard zit."
"O! ik houd mij goed vast; dat is alles," antwoordde Robert, die van genoegen bloosde, omdat hij zich hoorde prijzen.
"Dat is het voornaamste, Robert!" antwoordde Glenarvan; "maar gij zijt te zedig, en ik voorspel u, dat gij eenmaal een volleerd paardrijder zult worden."
"Goed!" zeide Robert lagchende; "maar wat zal vader er wel van zeggen, die een zeeman van mij wil maken?"
"Het eene sluit het andere niet uit. Worden alle ruiters al geen goede zeelieden, zoo zijn toch de zeelieden geschikt om goede ruiters te worden. Als men daar zoo op de ra's zit, leert men zich wel goed vasthouden. De kunst om zijn paard te verzamelen, om schuinsche of cirkelvormige bewegingen te maken, komt van zelve, want niets is eenvoudiger."
"Arme vader!" antwoordde Robert, "ach! hoe dankbaar zal hij jegens u zijn, mylord! wanneer gij hem moogt redden!"
"Houdt gij veel van hem, Robert?"
"Ja, mylord! Hij was zoo goed voor mijn zuster en mij. Hij dacht alleen aan ons! Bij iedere reis bragt bij ons een gedachtenis mede uit alle landen, die hij bezocht, en wat nog beter was, bij zijn terugkomst liefkoosde hij ons en sprak hij ons vriendelijk toe. O! gij zult ook wel veel van hem houden, wanneer gij hem hebt leeren kennen! Mary gelijkt sprekend op hem. Hij heeft een even zachte stem als zij! Dat is zeer vreemd voor een zeeman, niet waar?"
"Ja, zeer vreemd, Robert!" antwoordde Glenarvan.
"Ik zie hem nog," vervolgde het kind, die nu tot zich zelven scheen te spreken. "Goede en brave vader! hij wiegde mij op zijn knie in slaap, toen ik klein was, en neuriede altijd een oud schotsch liedje, waarin de meren van ons land bezongen worden. De wijs herinner ik mij soms nog half en half. Mary ook. Ach, mylord! wat hielden wij veel van hem! Ik geloof waarlijk dat men klein moet zijn om veel van zijn vader te houden!"
"En groot om hem te eeren, mijn kind!" antwoordde lord Edward, die innig geroerd werd door die woorden, welke uit dat kinderhart vloeiden.
Gedurende dit gesprek hadden de paarden hun gang vertraagd en liepen zij stapvoets.
"Wij zullen hem terugvinden, niet waar?" zeide Robert na eenige oogenblikken gezwegen te hebben.
"Ja, wij zullen hem terugvinden!" antwoordde Glenarvan. "Thalcave heeft ons hem op het spoor gebragt, en ik stel vertrouwen in hem."
"Een brave Indiaan, die Thalcave," zeide het kind.
"Zeker."
"Wil ik u eens wat zeggen, mylord?"
"Spreek eerst, dan zal ik u antwoorden."
"Het zijn allen brave lieden, die u omringen! Mevrouw Helena, van wie ik zooveel houd, de majoor met zijn bedaard voorkomen, kapitein Mangles, en de heer Paganel, en de matrozen derDuncan, die zoo moedig en zoo verknocht zijn!"
"Ja, dat weet ik, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan.
"En weet gij wel, dat gij de beste van allen zijt?"
"Neen, dat weet ik waarlijk niet!"
"Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.
Glenarvan schudde zachtjes het hoofd. Het gesprek werd echter niet voortgezet; want Thalcave wenkte de achterblijvers om wat voort te maken. Zij hadden hem vooruit laten komen. Er was echter geen tijd te verliezen, en men mogt degenen, die achtergelaten waren, niet vergeten.
"Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt."Welnu, ik zeg u, dat het zoo is, mylord!" antwoordde Robert, terwijl hij de hand van den lord vatte en aan zijn lippen bragt.
Zij zetten dus hun paarden aan; maar het bleek weldra, dat zij, met uitzondering van Thaouka, het niet lang zouden kunnen uithouden. Ten twaalf ure moest men hun een uur rust geven. Zij konden niet verder voort en weigerden de "alfafares" te eten, een soort van magere en door de zonnestralen verschroeide spurrie.
Glenarvan begon ongerust te worden. De kenteekenen der onvruchtbaarheid verminderden niet, en het gebrek aan water kon schromelijke gevolgen hebben. Thalcave zeide niets, en dacht waarschijnlijk, dat het vroeg genoeg zou zijn om te wanhopen, wanneer de Guamini uitgedroogd was; althans indien voor een indiaansch hart het uur der wanhoop ooit slaat.
Hij ging dus weder op weg, en goed- of kwaadschiks de paarden moesten, door zweep en spoor aangezet, weder vooruit, maar stapvoets. Dat was al wat zij doen konden.
Thalcave zou wel verder geweest zijn, want Thaouka kon hem in weinige uren aan de oevers van den stroom brengen. Hij dacht er zeker wel aan; maar hij wilde ongetwijfeld zijn beide makkers niet alleen in de woestijn laten, en om hun niet vooruit te komen, dwong hij Thaouka tot een langzamer gang.
Niet zonder tegenstand te bieden, zonder te steigeren, zonder luide te hinniken onderwierp het paard van Thalcave er zich aan om stapvoets te gaan; zijn meester dwong hem er echter minder toe door geweld dan door zijn stem. Thalcave praatte werkelijk met zijn paard, en al antwoordde Thaouka hem niet, hij begreep hem toch. Waarschijnlijk voerde de Patagoniër uitmuntende redenen aan; want na eenigen tijd "geredetwist" te hebben, werd Thaouka door zijn bewijsgronden overwonnen en gehoorzaamde hij, echter niet zonder hevig op zijn gebit te knabbelen.
Werd Thalcave door Thaouka begrepen, Thaouka werd evenzeer door Thalcave begrepen. Het schrandere dier rook, door zijn scherpe zintuigen geholpen, eenige vochtigheid in de lucht; het ademde ze met wellust in, en liet zijn tong klappen, alsof het die in een verkwikkend vocht had gedoopt. De Patagoniër kon zich er niet in vergissen: er was water in de nabijheid.
Hij moedigde daarom zijn makkers aan door op het ongeduld van Thaouka te wijzen, dat de beide andere paarden spoedig begrepen. Zij spanden hun laatste krachten in en galoppeerden den Indiaan achterna.
Tegen drie ure vertoonde zich in een kromming van den grond een witte streep. De zonnestralen gaven haar een bevend voorkomen.
"Water!" riep Glenarvan.
"Water! ja, water!" herhaalde Robert.
Nu behoefden zij hun beesten niet meer aan te zetten; de arme dieren, die hun krachten voelden herleven, snelden met duizelingwekkende vaart voort. Binnen weinige minuten hadden zij de Guamini bereikt, en wierpen zij zich geheel getuigd tot aan de borst in het weldadige nat.
Hoewel tegen hun zin werden zij door hun berijders gevolgd, die onwillig een bad moesten nemen, waarover zij zich echter niet beklaagden.
"O! wat smaakt dat lekker!" zeide Robert, terwijl hij in het midden der rivier zijn dorst leschte.
"Wees voorzigtig, mijn jongen!" antwoordde Glenarvan, die er evenwel zelf het voorbeeld niet van gaf.
Men hoorde thans niets anders meer dan het geluid van het drinken.
Thalcave dronk heel bedaard, zonder zich te haasten, met kleine beetjes, maar "zoo lang als een lasso," gelijk de Patagoniërs zeggen. Hij hield niet op, en het stond te vreezen, dat hij het geheele riviertje zou leegdrinken.
"Onze vrienden zullen toch niet in hun verwachting teleurgesteld worden," zeide Glenarvan; "als zij bij de Guamini komen zijn zij zeker, dat zij een overvloed van helder water zullen vinden, ten minste, wanneer Thalcave wat overlaat!"
"Maar zouden wij hun niet tegemoet kunnen gaan?" vroeg Robert. "Zoo doende zouden wij hun eenige uren van angst en lijden kunnen besparen."
"Wel zeker, mijn jongen! maar hoe zullen wij dit water vervoeren? Wilson heeft de waterzakken bij zich gehouden. Neen, het is beter te wachten, zooals wij afgesproken hebben. Ik reken, den afstand en de vermoeidheid der paarden in aanmerking nemende, dat het wel nacht zal zijn, als onze vrienden hier komen. Laten wij dus een goed nachtverblijf en een goed avondeten voor hen gereed maken."
Thalcave had niet op een wenk van Glenarvan gewacht om een geschikte legerplaats op te zoeken. Gelukkig had hij aan de oevers der rivier een "ramada" gevonden, een soort van omheining, bestemd om de kudden in op te sluiten, die aan drie zijden digt was. Het was een gunstig plekje om den nacht in door te brengen, als men er ten minste niets tegen had om in de open lucht te slapen, en dat was iets, waarover de makkers van Thalcave zich volstrekt niet bekommerden. Zij zochten dan ook niet verder, en strekten zich in de zon uit om hun doornatte kleederen te droogen.
"Nu wij een nachtverblijf hebben," zeide Glenarvan; "moeten wij ook aan het avondeten denken. Onze vrienden moeten tevreden kunnen zijn over hun kwartiermakers en ik zou mij zeer vergissen, wanneer zij reden van klagen hadden. Ik geloof, dat een jagt van een uurtje geen tijd verspillen zal zijn. Zijt gij gereed, Robert?"
"Ja, mylord!" antwoordde de knaap, die opstond en zijn geweer greep.
Glenarvan was op die gedachte gekomen, omdat de oevers der Guamini de plaats schenen te zijn, waar al het wild uit de omliggende vlakten bijeenkwam; bij heele troepen zag men de "tinamous," een soort van steenhoen uit de pampa's, zwarte hazelhoenders, een soort van regenvogels, "teru-teru" genoemd, geelkleurige riethoenders en heerlijk groene waterhoenders opvliegen.
Viervoetige dieren waren er niet te zien; maar Thalcave wees op het hooge gras en digte kreupelhout, daarmede te kennen gevende, dat zij daarin verborgen waren. De jagers behoefden slechts weinige schreden te doen om zich in het wildrijkste land der aarde te bevinden.
De jagt begon, en het gevogelte versmadende voor de landdieren, rigtten de jagers hun eerste schoten op het grove wild der pampa. Spoedig verrezen om hen heen honderden reebokken en guanacha's, dezelfde dieren, die hen met zooveel geweld op de toppen der Cordillera aanvielen; maar die schuwe beesten vlugtten zoo snel, dat het onmogelijk was om hen onder schot te krijgen. Daarom gingen de jagers nu tot minder vlug wild over, dat bovendien als spijs niets te wenschen overliet. Zij schoten een dozijn steen- en riethoenders, en Glenarvan doodde nog zeer behendig een muskuszwijn, "tay-tetre", een zeer smakelijk, dikhuidig zoogdier met rosachtig haar, dat wel een schot waard was.
Binnen een half uur doodden de jagers zonder eenige moeite al het wild, dat zij noodig hadden; Robert maakte zich nog van een zonderling dier meester, dat tot de orde der handelooze zoogdieren behoorde, een "armadillo," een soort van gordeldier, bedekt met een schild van beenachtige en bewegelijke platen, dat anderhalf voet lang was. Het was zeer vet, en zou, naar het zeggen van den Patagoniër, een lekkeren schotel opleveren. Robert was dus trotsch op dat buitenkansje.
Thalcave van zijn kant vergastte zijn makkers op het schouwspel van een jagt op den "nandou," een soort van struisvogel uit de pampa's, wiens snelheid verbazend groot is.
De Indiaan nam geenszins zijn toevlugt tot list bij een dier, dat zoo hard kon loopen; hij galoppeerde regt op hem aan, om hem dadelijk in te halen; want als de eerste aanval mislukte, dan zou de nandou weldra paard en jager door den onontwarbaren doolhof zijner draaijingen vermoeid hebben. Zoodra Thalcave digt genoeg bij hem was, slingerde hij zijn bola's met een krachtige hand zoo behendig, dat zij om de pooten van het dier gedraaid werden en het magteloos maakten. Binnen weinige seconden lag de struisvogel op den grond.
De Indiaan maakte zich niet van hem meester, uit loutere liefhebberij voor de jagt; het vleesch van den nandou is zeer geacht, en Thalcave wilde zijn aandeel leveren aan den gemeenschappelijken maaltijd.
De hoenders, de struis van Thalcave, het muskuszwijn van Glenarvan en het gordeldier van Robert werden dadelijk toebereid, dat wil zeggen van hun taaije huid ontdaan en aan dunne repen gesneden. Wat het gordeldier aangaat, dit is een kostelijk dier, dat zijn braadpan bij zich draagt, en dat men daarom in zijn eigen schild op gloeijende kolen legde.
De drie jagers vergenoegden zich voor hun avondeten met de hoenders, en bewaarden voor hun vrienden de steviger stukken. Den maaltijd besproeiden zij met helder water, dat zij lekkerder vonden dan al den portwijn der wereld, en zelfs dan de bekende "usquebaugh"[4], die in de schotsche Hooglanden zoo hoog vereerd wordt.
De paarden werden ook niet vergeten. Een groote hoeveelheid droog voeder, dat men in de ramada vond, diende hun te gelijk tot voedsel en tot stroo.
Toen alles in gereedheid was gebragt, draaiden Glenarvan, Robert en de Indiaan zich in hun poncho, en strekten zij zich uit op een zachten hoop alfafares, het gewone bed der jagers in de pampa's.
[1]Omtrent negen uren.
[1]Omtrent negen uren.
[2]Met zout doortrokken gronden.
[2]Met zout doortrokken gronden.
[3]Meer dan honderd uren.
[3]Meer dan honderd uren.