III.

Gedurende den nacht maakten de matrozen van de Duncan een goede jagtGedurende den nacht maakten de matrozen van de Duncan een goede jagt

De jagers ontdekten eenige wilde zwijnen. Een werd door een kogel van den majoor doodelijk getroffen. Glenarvan vergenoegde zich met verscheidene koppels zwarte patrijzen te schieten, waarvan de scheepskok een uitstekenden schotel moest opdisschen. Een menigte geiten vertoonde zich op het hooge bergvlak. En de wilde katten, moedige, vermetele en sterke dieren, de schrik der honden, vermenigvuldigden sterk en zouden weldra zeer gevreesde verscheurende dieren worden.

Ten acht ure was een ieder weer aan boord, en des nachts verliet deDuncanhet eiland Tristan d'Acunha om het nimmer weder te zien.

[1]4900 uren gaans.

[1]4900 uren gaans.

[2]4000 uren gaans.

[2]4000 uren gaans.

[3]875 uren gaans.

[3]875 uren gaans.

[4]13°4' westerlengte van Parijs. Het verschil tusschen beide middagcirkels is 2°20'.

[4]13°4' westerlengte van Parijs. Het verschil tusschen beide middagcirkels is 2°20'.

John Mangles was voornemens aan de kaap de Goede Hoop kolen in te nemen. Daarom moest hij een weinig van den zeven en dertigsten breedtegraad afwijken en twee graden noordelijker gaan. DeDuncanwas nu beneden de streek der passaatwinden en stevige westewinden begunstigden haar vaart[1]. Geen volle zes dagen had ze noodig voor de dertien honderd mijlen[2], die Tristan d'Acunha van Afrika's zuidpunt scheiden. Den 24stenNovember, 's namiddags ten drie ure, kreeg men den Tafelberg in het oog, en iets later peilde John den Seinberg, die den ingang der baai aanwijst. Hij liep ze tegen acht ure binnen, en wierp het anker in de haven der Kaapstad.

Als lid der Maatschappij van aardrijkskunde kon het Paganel niet onbekend zijn, dat het uiteinde van Afrika voor het eerst in 1486 gezien werd door den portugeeschen admiraal Bartholomeus Diaz, en dat het tot 1497 duurde, voor de beroemde Vasco de Gama het omzeilde. Hoe zou het Paganel onbekend hebben kunnen zijn, daar Camoëns in zijnLusiadeden roem van den grooten zeevaarder bezingt? Maar hij maakte hierbij een aardige opmerking en wel deze: indien Diaz in 1486, zes jaren voor de eerste reis van Christoffel Columbus, de kaap de Goede Hoop was omgezeild, zou de ontdekking van Amerika welligt wie weet hoe lang verschoven zijn. De weg om de Kaap toch was de kortste en natuurlijkste om naar Oost-Indië te komen. En het doel van den grooten genueeschen zeeman, toen hij westwaarts stevende, was immers geen ander dan de reizen naar de Specerijlanden te verkorten! Derhalve zou, zoodra de Kaap eens was omgezeild, zijn togt doelloos geweest zijn en zou hij hem waarschijnlijk niet ondernomen hebben.

De Kaapstad, achter in de Kaapbaai gelegen, werd in 1652 door den Hollander van Riebeek gesticht. Zij was de hoofdstad eener belangrijke kolonie, die door de verdragen van 1815 bepaald engelsch werd. De passagiers van deDuncanmaakten van dit oponthoud gebruik om haar te bezoeken. Zij mogten niet meer dan twaalf uren aan hun wandeling besteden; want kapitein John had maar één dag noodig om nieuwen voorraad in te nemen, en hij wilde den 26sten, 's morgens vroeg, vertrekken.

Meer tijd was er ook niet noodig om de regelmatige ruiten van dat schaakbord, dat Kaapstad heet, te doorkruisen, waarop dertig duizend inwoners, blanken en zwarten, de rol van koningen, koninginnen, paarden, pions, misschien ook van narren[3]spelen. Zoo drukte zich althans Paganel uit. Wanneer men het kasteel, dat zich ten zuidoosten van de stad verheft, het gouvernements-huis en tuin, de beurs, het museum en het steenen kruis, dat Bartholomeus Diaz bij gelegenheid van zijn ontdekking plantte, gezien, en een glas Pontai, het eerste gewas der Constantia-wijnen, gedronken heeft, kan men niets beter doen dan vertrekken. Zoo deden de reizigers dan ook den volgenden dag vroeg. DeDuncanstak in zee onder haar stagfok, haar kluiver, haar voormarszeil en haar marszeil, en eenige uren later stevende zij om die beruchte Stormkaap heen, waaraan de optimistische koning van Portugal, Johan II, zeer verkeerd den naam van Goede Hoop gaf.

Een afstand van twee duizend negen honderd mijlen[4]tusschen de Kaap en het eiland Amsterdam af te leggen was bij een schoone zee en een fiksche koelte het werk van een dag of tien. Gelukkiger dan de reizigers in de Pampa's, hadden de zeevaarders niet over weer en wind te klagen. Lucht en water, die op het vastland tegen hen hadden zaamgespannen, sloegen nu de handen ineen om hen voort te drijven.

"O, de zee! de zee!" riep Paganel telkens. "Zij is bij uitnemendheid het veld, waarop de menschelijke krachten zich kunnen oefenen, en het schip is wel het ware voertuig der beschaving! Denkt maar na, mijne vrienden! Was de aardbol maar één onmetelijk vastland, dan zouden wij er in de 19deeeuw nog het duizendste gedeelte niet van kennen! Zie maar wat er in de binnenlanden der groote landstreken voorvalt; in de steppen van Siberië, op de vlakten van Midden-Azië, op de prairiën van Amerika, op de uitgestrekte gronden van Australië, in de bevrozen poolgewesten, —naauwelijks durft de mensch zich er wagen, de stoutste deinst terug, de moedigste bezwijkt! Verder gaan is onmogelijk. De middelen van vervoer zijn ontoereikend. Hitte, ziekten, de wildheid der inboorlingen, ziedaar evenveel onoverkomelijke hinderpalen. Een woestijn van twintig mijlen is een grooter scheidsmuur tusschen de menschen dan een oceaan van vijf honderd mijlen. De bewoners van over elkander liggende oevers zijn buren; vreemden, als slechts een woud ze scheidt! Engeland grenst aan Australië, terwijl Egypte b.v. millioenen uren van St. Petersburg schijnt te liggen! De zee is thans gemakkelijker te bereizen dan de kleinste Sahara, en aan haar hebben wij het te danken, zooals een amerikaansch geleerde zeer juist gezegd heeft[5], dat er een algemeene broederband om al de werelddeelen gelegd is."

Paganel sprak met vuur, en de majoor zelfs had op geen enkel woord van dezen lofzang aan den oceaan een aanmerking te maken. Had men om Harry Grant terug te vinden den zeven en dertigsten breedtegraad over land moeten volgen, dan zou de onderneming niet op touw zijn gezet; maar de zee was er om de moedige zoekers van het eene land naar het andere te brengen, en den 6denDecember liet ze bij het eerste krieken van den dag een nieuwen berg uit den schoot harer golven oprijzen.

Het was het eiland Amsterdam, op 37°47' breedte en 77°24'[6]lengte, welks hooge kegel bij helder weder vijftig mijlen in het rond zigtbaar is. Ten acht ure geleek zijn nog onbepaalde gedaante vrij naauwkeurig op Teneriffe.

"En bij gevolg gelijkt het op Tristan d'Acunha," zeide Glenarvan.

"Een zeer juiste gevolgtrekking," antwoordde Paganel, "overeenkomstig dit wis- en aardrijkskundig axioma, dat, wanneer twee eilanden elk aan een derde gelijk zijn, zij ook onderling op elkander gelijken. Ik voeg hier nog bij, dat het eiland Amsterdam even als Tristan d'Acunha rijk aan robben en Robinsons is en geweest is."

"Zijn er dan overal Robinsons geweest?" vroeg lady Helena.

"Op mijn eer, mevrouw!" antwoordde Paganel, "ik ken weinig eilanden, waar niets van dien aard is voorgevallen, en het toeval had reeds lang te voren den roman van uw onsterfelijken landgenoot, Daniël de Foe, uitgewerkt."

"Mag ik zoo vrij zijn u iets te vragen, mijnheer Paganel?" zeide Mary Grant.

"Zooveel gij wilt, lieve miss! ik beloof u, dat ik er op antwoorden zal."

"Welnu," hernam het meisje, "zou de gedachte van op een onbewoond eiland achtergelaten te worden u veel vrees aanjagen?"

"Mij!" riep Paganel.

"Maak ons maar niet wijs, dat gij niets vuriger wenschen zoudt, mijn vriend!" zeide de majoor.

"Dat beweer ik niet," antwoordde de aardrijkskundige; "maar ik zou het toch niet zoo heel onaangenaam vinden. Ik zou een nieuw leven aanvangen. Ik zou jagen, visschen, 's winters in een grot, 's zomers op een boom wonen; ik zou pakhuizen voor mijn oogst aanleggen; met een woord, ik zou mijn eiland koloniseeren."

"Gij alleen?"

"Ik alleen, als het moest. Maar is men wel ooit alleen in de wereld? Kan men geen vrienden onder de dieren kiezen, een geitje, een praatzieken papegaai, een aardigen aap temmen? En zendt het toeval u een medgezel, zooals de getrouwe Vrijdag, wat is er dan meer noodig om gelukkig te zijn? Twee vrienden op een rots, dat is eerst het ware geluk! Vooronderstel de majoor en ik...."

"Hartelijk dank!" antwoordde de majoor. "Ik heb geen zin in de rol van een Robinson en ik zou haar heel slecht spelen."

"Mijn waarde heer Paganel," sprak lady Helena, "uw verbeelding sleept u weer mede op het gebied der droomen. Maar ik geloof, dat er een groot verschil bestaat tusschen den droom en de werkelijkheid. Gij denkt alleen aan denkbeeldige Robinsons, die voorzigtig op een met beleid gekozen eiland worden geworpen, en die de natuur als bedorven kinderen behandelt; gij beziet de zaken alleen van den schoonsten kant."

"Gelooft gij dan niet, mevrouw! dat men op een onbewoond eiland gelukkig kan zijn?"

"Ik denk het niet. De mensch is voor de gezelligheid, niet voor de eenzaamheid bestemd. Afzondering moet noodzakelijk tot wanhoop leiden. Het is een zaak van tijd. Welligt zullen in het begin de eischen van het stoffelijke leven, de zorgen voor het levensonderhoud den ongelukkige, die pas uit de golven is gered, afleiding geven, de behoeften van het oogenblik hem de gevaren, die hem in de toekomst wachten, uit het oog doen verliezen! Maar daarna, als hij zich alleen gevoelt, ver van zijn medemenschen, zonder hoop van ooit zijn land en wie hem dierbaar zijn terug te zien, welke gedachten zullen dan niet bij hem oprijzen, wat zal hij dan niet moeten lijden? Zijn eilandje is voor hem de geheele wereld. Het geheele menschdom is hij, en wanneer de dood nadert, de dood, die in zulk een verlatenheid zoo vreeselijk is, dan ligt hij daar als de laatste mensch op den laatsten dag der wereld. Geloof mij, mijnheer Paganel! het is beter die man niet te zijn!"

Paganel gaf zich, niet zonder tegenkanting, gewonnen door de bewijzen van lady Helena, en het gesprek over het voor en tegen van de eenzaamheid werd zoo voortgezet tot het oogenblik, waarop deDuncaneen mijl van de kust van het eiland Amsterdam het anker liet vallen.

Deze eenzame groep in den Indischen oceaan bestaat uit twee afzonderlijke eilanden, die omstreeks drie en dertig mijlen van elkander en juist onder den middagcirkel van Voor-Indië liggen; het noordelijke heet Amsterdam of St. Pieter, het zuidelijke St. Paul; maar wij moeten zeggen, dat aardrijkskundigen en zeevaarders ze vaak verward hebben.

Deze eilanden werden in de maand December van het jaar 1796 door den Hollander Vlaming ontdekt, en vervolgens onderzocht door d'Entrecasteaux, toen hij met deEspéranceen deRechercheLa Péronse opspoorde.

Van deze reis dagteekent de verwarring der beide eilanden. De zeevaarder Barrow, Beautemps-Beaupré in den atlas van d'Entrecasteaux, later Horsburg, Pinkeston en andere aardrijkskundigen hebben telkens het eiland St. Pieter voor het eiland St. Paul beschreven en omgekeerd. In 1859 wachtten de officieren van het oostenrijksche fregat deNovaraop hun reis om de wereld zich wel die dwaling te begaan, en ook Paganel was er zeer op gesteld ze te verhelpen.

Het eiland St. Paul, ten zuiden van het eiland Amsterdam gelegen, is slechts een onbewoond eilandje, bestaande uit een kegelvormigen berg, die oudtijds een vulkaan moet geweest zijn. Het eiland Amsterdam daarentegen, waarheen de sloep de passagiers van deDuncanbragt, heeft wel twaalf mijlen in omtrek. Het wordt door eenige vrijwillige ballingen bewoond, die zich dat zoo treurige leven getroosten. Het zijn de opzigters over de visscherij, die evenals het eiland een eigendom is van een handelaar op Réunion, den heer Otovan. Die souverein, dien de groote mogendheden van Europa nog niet erkend hebben, verschaft zich daar een civiele lijst van vijf en zeventig tot tachtig duizend franken, door het visschen, zouten en verzenden van een cheilodactylus, meer algemeen bekend onder den naam van kabeljaauw.

Overigens was dit eiland Amsterdam bestemd om fransch te worden en te blijven. Zoo behoorde het allereerst door het regt van eerste inbezitneming aan den heer Camin, een kaper van St. Denis op Bourbon; vervolgens werd het bij een of ander verdrag aan een Pool afgestaan, die het door slaven liet bebouwen. Maar een Pool en een Franschman is hetzelfde, en het poolsche eiland werd in handen van den heer Otovan weder fransch.

Toen deDuncaner aanlandde, den 6denDecember 1864, bestond de bevolking uit drie hoofden, een Franschman en twee Mulatten, alle drie bedienden van den koopman-eigenaar. Paganel had dus het genoegen een landgenoot de hand te drukken in den persoon van den eerwaardigen, toen zeer bejaarden heer Viot. Die "verstandige grijsaard" hield met veel beleefdheid de eer van het eiland op. Het was voor hem een gelukkige dag, nu hij zulke innemende vreemdelingen mogt ontvangen. St. Pieter wordt slechts bezocht door robbenvangers en enkele walvischvaarders, lieden, die over het geheel zeer ruw zijn en niet veel gewonnen hebben door den omgang met de zeehonden.

De heer Viot stelde zijn onderdanen, de beide Mulatten, voor; zij vormden de geheele levende bevolking van het eiland, met eenige wilde zwijnen, die zich in het binnenland ophielden en vele duizenden domme vetganzen. Het huisje, dat de drie eilanders bewoonden, stond aan het uiteinde eener natuurlijke haven in het zuidwesten des eilands, gevormd door de instorting van een gedeelte van den berg.

Het huisje ... stond aan het uiteinde eener natuurlijke haven ...Het huisje ... stond aan het uiteinde eener natuurlijke haven ...

Lang voor de regering van Otovan I strekte het eiland St. Pieter tot toevlugtsoord voor schipbreukelingen. Paganel maakte de belangstelling zijner hoorders gaande door zijn eerste verhaal met deze woorden te beginnen:

Het was in 1827. Het engelsche schipPalmirabemerkte onder het voorbijvaren van het eiland, dat er een rookwolk omhoog steeg. De kapitein naderde de kust en zag weldra twee mannen, die noodseinen gaven. Hij zond de sloep aan land, die James Paine, een jongeling van twee en twintig jaren, en Robert Proudfoot, oud acht en veertig jaar, opnam. Die beide ongelukkigen waren onkenbaar. Sedert achttien maanden bijna geheel van voedsel en zoet water verstoken, van schelpdieren levende, met een slechten omgebogen spijker visschende, soms een jong wild zwijn in den loop vangende, dikwijls drie dagen lang zonder eten doorbrengende, als vestaalsche maagden wakende bij een vuur, dat zij met hun laatste stuk zwam hadden aangelegd, het nooit latende uitgaan, het op hun togten als een voorwerp van de hoogste waarde medenemende, leidden zij een leven vol gebrek, ontbering en lijden. Paine en Proudfoot waren door een schoener aan land gezet, die op de robbenvangst was. Volgens de gewoonte der visschers moesten zij een maand lang een voorraad huiden en traan opleggen, tot aan de terugkomst van den schoener. De schoener verscheen niet weer. Vijf maanden later deed deHope, op haar reis naar Van Diemen het eiland aan; maar ten gevolge van een onverklaarbare wreede luim weigerde de kapitein de twee Schotten mede te nemen; hij zeilde weer weg zonder hun een beschuit of een vuursteen te geven, en zekerlijk zouden de twee ongelukkigen weldra bezweken zijn, indien dePalmirahen niet aan boord had genomen, toen ze in het gezigt van het eiland Amsterdam kwam.

Het tweede voorval, waarvan de geschiedenis van het eiland Amsterdam melding maakt,—indien zulk een rots een geschiedenis hebben kan,—betreft thans een Franschman, kapitein Péron. Dit voorval begint en eindigt ook weer als dat van de twee Schotten: een vrijwillig verblijf op het eiland, een schip, dat niet terugkomt, en een vreemd vaartuig, dat de grillige winden naar die groep drijven, na een verlatenheid van veertig maanden. Het verblijf van kapitein Péron werd echter gekenmerkt door een bloedig drama, en levert treffende punten van overeenkomst op met de verdichte voorvallen, die den held van Daniel de Foe bij zijn terugkomst op zijn eiland wachtten.

Kapitein Péron had zich aan wal laten zetten met vier matrozen, twee Engelschen en twee Franschen; vijftien maanden lang zou hij zich met de jagt op zeeleeuwen bezig houden. De jagt was gelukkig; maar toen de vijftien maanden om waren en het schip niet terug kwam, toen de levensmiddelen langzamerhand op raakten, werden de betrekkingen tusschen de beide volken gespannen. De twee Engelschen sloegen aan het muiten en kapitein Péron zou door hen omgebragt zijn, als zijn landgenooten hem niet hadden bijgestaan. Van dit oogenblik af leidden de beide partijen, die elkaar dag en nacht in het oog hielden, altijd de wapens in de hand hadden, nu eens overwinnaars, dan weer overwonnenen waren, een vreeselijk leven vol ellende en angst. En zeker zouden zij elkander eindelijk vernietigd hebben, als niet een engelsch schip die rampzaligen verzoend had, tusschen welke een nietswaardige volkshaat op een rots in den Indischen oceaan verdeeldheid veroorzaakte.

Zoo droegen die gebeurtenissen zich toe. Tweemaal werd zoo het eiland Amsterdam het verblijf van verlaten matrozen, die de Voorzienigheid tweemaal van ellende en dood redde. Maar na dien tijd was er geen schip meer op die kust vergaan. Een schipbreuk zou het wrak op het strand hebben geworpen; schipbreukelingen zouden de visscherijen van den heer Viot bereikt hebben. Maar de grijsaard bewoonde het eiland reeds jaren lang en nooit had hij gelegenheid gehad gastvrijheid te bewijzen aan slagtoffers der zee. Van deBritanniaen van kapitein Grant wist hij niets. Noch het eiland Amsterdam, noch het eilandje St. Paul, dat de walvischvaarders en visschers dikwijls bezochten, was het tooneel dier ramp geweest.

Dit antwoord verbaasde Glenarvan evenmin als het hem bedroefde. Op die aanlegplaatsen zochten Glenarvan en zijn reisgenooten, waar kapitein Grant niet was, niet waar hij wel was. Zij wilden alleen het bewijs leveren, dat hij op die verschillende punten der parallel niet was, anders niet. Het vertrek derDuncanwerd dus op den volgenden dag bepaald.

Tot den avond bleven de passagiers op het eiland, dat een zeer vriendelijk voorkomen heeft. Maar de wijdloopigste aller natuurkenners zou geen kans gezien hebben om een deeltje in octavo te vullen met de beschrijving van de aldaar te huis behoorende dieren en planten. De orde der viervoetige dieren, der vogels, der visschen en der walvischaardige dieren bevatte slechts eenige wilde zwijnen, stormvogels, sneeuwvogels, albatrossen, baarzen en robben. Warme en ijzerhoudende bronnen ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava, en haar digte dampen zweefden over den vulkanischen bodem. Eenige van die bronnen bezaten een zeer hoogen warmtegraad. John Mangles dompelde er een thermometer van Fahrenheit in, die honderd zes en zeventig graden aanwees. De visch, die eenige schreden van daar in zee werd gevangen, was in vijf minuten gaar in dat bijna kokend heete water. Paganel oordeelde het daarom ook geraden zich er niet in te baden.

Warme en ijzerhoudende bronnen ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava ...Warme en ijzerhoudende bronnen ontsprongen hier en daar uit de zwarte lava ...

Tegen den avond nam Glenarvan na een stevige wandeling afscheid van den vriendelijken heer Viot. Elk wenschte hem alle mogelijke geluk op zijn eenzaam eilandje. De grijsaard op zijne beurt uitte de beste wenschen voor het welslagen der onderneming, en de boot van deDuncanbragt de passagiers aan boord terug.

[1]De dertigste graad breedte schijnt de grens dezer winden te zijn.

[1]De dertigste graad breedte schijnt de grens dezer winden te zijn.

[2]Omtrent 600 uren gaans.

[2]Omtrent 600 uren gaans.

[3]De woordspeling is hier niet te vertalen. Het fransche woord "fou" beteekent in het schaakspel den "raadsheer," maar wil ook "nar" zeggen. VERT.

[3]De woordspeling is hier niet te vertalen. Het fransche woord "fou" beteekent in het schaakspel den "raadsheer," maar wil ook "nar" zeggen. VERT.

[4]Twaalf honderd uren gaans.

[4]Twaalf honderd uren gaans.

[5]Luitenant Maury.

[5]Luitenant Maury.

[6]76°4' oosterlengte van Parijs.

[6]76°4' oosterlengte van Parijs.

Ten drie ure in den morgen van den 7denDecember had deDuncanreeds stoom op; de manschappen liepen in het spil; het anker kwam regt onder het schip, verliet den zandgrond der kleine haven en werd naar den ankerbalk opgeheschen; de schroef raakte in beweging en het jagt stak in zee. Toen de passagiers ten acht ure op het dek kwamen, verdween het eiland Amsterdam in de nevelen van den gezigteinder. Het was de laatste pleisterplaats op den weg van de zeven en dertigste parallel, en niet meer dan drie duizend mijlen[1]scheidden het van de australische kust. Als de westewind nog een dag of twaalf aanhield en de zee gunstig bleef, zou deDuncanhet doel harer reis bereiken.

Mary Grant en Robert zagen niet zonder aandoening die golven, welke deBritanniaongetwijfeld weinige dagen voor zij verging kliefde. Welligt worstelde daar kapitein Grant met een reeds ontredderd schip en gedunde bemanning tegen de vreeselijke orkanen der Indische zee, en werd hij met onweerstaanbare kracht naar de kust gedreven. John Mangles wees het meisje de stroomen, die op de zeekaart aangeteekend staan, en verklaarde haar hun bestendige rigting. Zoo voert er o.a. een, de zijdelingsche strooming van den Indischen oceaan, naar het vastland van Australië, en haar werking doet zich van het westen naar het oosten niet minder in de Stille Zuidzee voelen dan in den Atlantischen oceaan. Dus moest deBritannia, masteloos en niet meer naar het roer luisterende, dat wil zeggen weerloos tegen het geweld van water en wind, wel op de kust loopen en er vergaan.

Hier deed zich echter een zwarigheid op. De laatste berigten van kapitein Grant waren, volgens deMercantile and Shipping Gazette, uit Callao, van den 30stenMei 1862. Hoe kon nu deBritanniaden 7denJunij, acht dagen na het verlaten van de kust van Peru, in de Indische zee zijn? Toen men Paganel hierover raadpleegde, gaf hij een zeer aannemelijk antwoord, waarmede de ongeloovigsten genoegen hadden kunnen nemen.

Het was in den avond van den 12denDecember, zes dagen na het vertrek van het eiland Amsterdam. Lord en lady Glenarvan, Robert en Mary Grant, kapitein John, Mac Nabbs en Paganel praatten op de kampanje. Als gewoonlijk sprak men over deBritannia, want men dacht aan niets anders. Nu werd juist de bovengenoemde zwarigheid toevallig geopperd, waarvan het onmiddellijk gevolg was, dat de hoop, dien allen op dezen weg gevestigd hadden, verminderde.

Bij deze onverwachte opmerking van Glenarvan zag Paganel driftig op. Zonder een woord te spreken ging hij nu het document halen. Toen hij terugkwam, vergenoegde hij zich met de schouders op te halen, als iemand die zich schaamt, dat hij een oogenblik voor "zulk een beuzeling" gestaan heeft.

"Dat is nu goed en wel, waarde vriend!" zeide Glenarvan, "maar geef ons ten minste een antwoord."

"Neen!" antwoordde Paganel, "ik zal liever een vraag doen en wel aan kapitein John."

"Spreek op, mijnheer Paganel!" zeide John Mangles.

"Kan een goed zeiler in een maand het gedeelte van de Stille Zuidzee oversteken, dat tusschen Amerika en Australië ligt?"

"Ja, als hij in een etmaal twee honderd mijlen aflegt."

"Is dat buitengewoon snel?"

"Volstrekt niet. De zeilclippers bereiken dikwijls een nog aanzienlijker snelheid."

"Welnu," hernam Paganel, "vooronderstel, in plaats van "7 Junij" op het document te lezen, dat de zee een cijfer van die dagteekening heeft uitgewischt en lees "17 Junij" of "27 Junij," en alles is opgehelderd."

"Inderdaad," sprak lady Helena, "van den 31stenMei tot den 27stenJunij...."

"Heeft kapitein Grant de Stille Zuidzee kunnen oversteken en in den Indischen oceaan zijn!"

Dit besluit, dat Paganel daaruit opmaakte, werd met een levendig gevoel van tevredenheid begroet.

"Nu is er, dank zij onzen vriend, alweer iets opgehelderd!" zeide Glenarvan. "Wij behoeven dus eenvoudig Australië te bereiken en het spoor van deBritanniaop de westkust te zoeken."

"Of op de oostkust," meende John Mangles.

"Ja waarlijk, gij hebt gelijk, John! Het document bevat niet de geringste aanwijzing, dat de ramp veeleer op de west- dan op de oostkust heeft plaatsgehad. Wij zullen derhalve onze nasporingen moeten uitstrekken tot die beide punten, waar de zeven en dertigste parallel Australië snijdt."

"Bestaat er dan eenige twijfel dienaangaande, mylord?" vroeg het meisje.

"O neen, miss!" haastte John Mangles zich te antwoorden, die deze vrees van Mary Grant wenschte te verdrijven. "Zijn Lordschap zal wel willen toestemmen dat, wanneer kapitein Grant op de oostkust van Australië aan land was gekomen, hij bijna terstond hulp en bijstand zou gevonden hebben. Die geheele kust is om zoo te zeggen engelsch en met kolonisten bevolkt. De bemanning derBritanniabehoefde geen tien mijlen landwaarts in te gaan om landgenooten te vinden."

"Juist zoo, kapitein John!" sprak Paganel. "Ik ben het met u eens. Op de oostkust, in de Twofold-baai, in het stadje Eden, zou Harry Grant niet alleen een toevlugtsoord in een engelsche kolonie gevonden hebben; maar het zou hem ook niet aan vervoermiddelen ontbroken hebben om naar Europa terug te keeren."

"Hebben dan," vroeg lady Helena, "de schipbreukelingen niet dezelfde hulpmiddelen kunnen vinden in dat gedeelte van Australië, waarheen deDuncanons brengt?"

"Neen, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Die kust is onbewoond. Zij heeft niet de minste gemeenschap met Melbourne of Adelaïde. Als deBritanniaop de riffen, die haar omzoomen, vergaan is, heeft het der bemanning even goed aan hulp ontbroken, alsof ze verbrijzeld was op de onherbergzame stranden van Afrika."

"Maar wat is er dan in die twee jaren van mijn vader geworden?" vroeg Mary Grant.

"Lieve Mary!" antwoordde Paganel, "gij houdt u toch zeker overtuigd, dat kapitein Grant na zijn schipbreuk de australische kust bereikt heeft?"

"Ja, mijnheer Paganel!" verzekerde het meisje.

"Welnu, wat kan er met kapitein Grant, eenmaal aan land zijnde, gebeurd wezen? Hier is geen ruim veld voor gissingen. Zij bepalen zich tot een drietal. Harry Grant en zijn makkers hebben òf de engelsche koloniën bereikt, òf zij zijn in de handen der inboorlingen gevallen, òf eindelijk ze zijn verdwaald in de onmetelijke woestenijen van Australië."

Paganel zweeg, en trachtte in de oogen zijner toehoorders een goedkeuring van zijn stelsel te lezen.

"Ga voort, Paganel!" zeide lord Glenarvan.

"Vooreerst dan," vervolgde hij, "verwerp ik de eerste gissing. Harry Grant heeft de engelsche koloniën niet kunnen bereiken, want dan was zijn redding zeker en zou hij reeds sedert lang bij zijn kinderen in zijn goede stad Dundee geweest zijn."

"Arme vader!" jammerde Mary Grant, "nu is hij reeds twee jaren van ons gescheiden!"

"Laat mijnheer Paganel toch uitspreken, zuster!" zeide Robert, "hij zal ons zeggen...."

"Helaas, neen! mijn jongen! al wat ik stellig kan zeggen is, dat kapitein Grant gevangen is bij de Australiërs of...."

"Maar die inboorlingen?" vroeg lady Glenarvan driftig, "zij zijn...?"

"Stel u gerust, mevrouw!" antwoordde de geleerde, die de bedoeling van lady Helena vatte, "die inboorlingen zijn wild, verdierlijkt, op het laagste standpunt van menschelijke ontwikkeling; maar hun zeden zijn zacht, en niet bloeddorstig gelijk die hunner buren op Nieuw-Zeeland. Wanneer zij de schipbreukelingen derBritanniagevangen hebben genomen, kunt gij mij op mijn woord gelooven, dat zij hun leven nooit bedreigd hebben. Alle reizigers zijn het hierover eens, dat de Australiërs een afkeer hebben van bloedvergieten en menigmaal hebben zij in hen getrouwe bondgenooten gevonden om den aanval af te slaan van heel wat wreeder benden gedeporteerden."

"Gij hoort, wat mijnheer Paganel zegt," hernam lady Helena zich tot Mary Grant wendende. "Ingeval uw vader, en het document geeft aanleiding om het te denken, in handen der inboorlingen is, zullen wij hem terugvinden...."

"En wanneer hij in dat onmetelijke land verdwaald is?" sprak het meisje, Paganel met haar blikken ondervragende.

"Ook dan," riep de aardrijkskundige vol vertrouwen uit, "zullen wij hem terugvinden! Niet waar, vrienden?"

"Zonder twijfel," antwoordde Glenarvan, die een vrolijker wending aan het gesprek wilde geven. "Ik geef niet toe, dat men verdwalen kan...."

"Ik ook niet," voegde Paganel er bij.

"Is Australië groot?" vroeg Robert.

"Australië, mijn jongen! is zoo wat zeven honderd vijf en zeventig millioenen bunders groot, dat is vier vijfden van Europa."

"Zoo groot?" vroeg de majoor.

"Ja, Mac Nabbs! tot op een el na naauwkeurig. Gelooft gij nu, dat zulk een land aanspraak heeft op de benaming van "vastland," die het document er aan geeft?"

"Zeker, Paganel!"

"Ik voeg hier nog bij," ging de geleerde voort, "dat er weinig reizigers bekend zijn, die in dat uitgestrekte land verdwaald zijn. Ik geloof zelfs, dat Leichardt de eenige is, wiens lot onbekend is, en kort voor mijn vertrek heb ik nog in de Maatschappij van aardrijkskunde gehoord, dat Mac Intyre meende hem op het spoor te zijn."

"Is Australië niet in alle rigtingen doorkruist?" vroeg lady Glenarvan.

"Neen, mevrouw! daar scheelt heel wat aan!" antwoordde Paganel. "Dit vastland is even weinig bekend als de binnenlanden van Afrika, en toch niet uit gebrek aan ondernemende reizigers. Van 1606 tot 1862 hebben zich meer dan vijftig, zoowel in het binnenland als aan de kusten, met het onderzoek van Australië bezig gehouden."

"O, vijftig!" zeide de majoor met een twijfelende houding.

"Ja, Mac Nabbs! zooveel. Ik bedoel daarmede zoowel de zeelieden, die de australische kusten onder al de gevaren eener onbekende zeevaart hebben opgenomen, als de reizigers, die landwaarts ingetrokken zijn."

"Maar vijftig is toch wel wat veelgezegd," beweerde de majoor.

"Ik zal nog verder gaan, Mac Nabbs!" hernam de aardrijkskundige, dien tegenspraak altijd driftig maakte.

"Ga verder, Paganel!"

"Als gij mij uitdaagt, zal ik u die vijftig namen zonder aarzelen opnoemen."

"Ho! ho!" zeide de majoor heel bedaard. "Zoo zijn de geleerden! zij twijfelen aan niets."

"Majoor!" zeide Paganel, "verwedt gij uw karabijn van Purdey Moore en Dickson tegen mijn verrekijker van Secretan?"

"Majoor, verwedt gij uw karabijn...?""Majoor, verwedt gij uw karabijn...?"

"Waarom niet, Paganel! als gij daarop gesteld zijt?" antwoordde Mac Nabbs.

"Goed, majoor!" riep de geleerde. "Met die karabijn zult gij geen ganzen of vossen meer schieten, of ik moest ze u leenen, dat ik altijd met genoegen zal doen!"

"Paganel!" antwoordde de majoor ernstig, "wanneer gij mijn verrekijker noodig hebt, zal hij altijd te uwer beschikking zijn."

"Dan zal ik maar beginnen," sprak Paganel. "Dames en Heeren! gij zult uitspraak doen. En gij, Robert! zult de punten tellen."

Lord en lady Glenarvan, Mary en Robert, de majoor en John Mangles, die zich met die twist vermaakten, zetten zich er toe om naar den aardrijkskundige te luisteren. Er was immers sprake van Australië, waarheen deDuncanstevende, en die geschiedenis kon nooit beter gelegen komen. Paganel werd derhalve uitgenoodigd om zonder verwijl de beloofde proeven van zijn sterk geheugen te geven.

"Mnemosyne!" riep hij uit, "godin van het geheugen, moeder der kuische Muzen, wees met uw getrouwen en vurigen aanbidder! Voor twee honderd acht en vijftig jaar, mijne vrienden! was Australië nog onbekend. Wel giste men, dat er in het zuiden een groot vastland bestond; twee kaarten, die in de bibliotheek van uw britsch museum bewaard worden, waarde Glenarvan! en het jaartal 1550 dragen, vermelden een land ten zuiden van Azië en noemen het het Groot Java der Portugeezen. Maar de echtheid dier kaarten is niet voldoende bewezen. Ik kom dus tot de 17deeeuw, tot 1606; in dat jaar ontdekte een spaansch zeeman, Quiros, een land, dat hij Australia de Espiritu Santo noemde. Eenige schrijvers hebben beweerd, dat het de groep der Nieuwe Hebriden was, en niet Australië. Ik wil hierover thans niet uitweiden. Tel dien Quiros, Robert! dan gaan wij tot een ander over."

"Een!" riep Robert.

"In hetzelfde jaar zette de onderbevelhebber der vloot van Quiros, Luiz Vaz de Torres, meer zuidelijk de ontdekking van nieuwe landen voort. Maar den Hollander Theodoor Hertogh komt de eer der groote ontdekking toe. Hij landde op de westkust van Australië op 25° breedte, en gaf haar naar zijn schip den naam vanEendrachtsland. Na hem neemt het aantal zeevaarders toe. In 1618 ontdekt Zeachen op de noordkustArnhems-enVan Diemensland. In 1619 vaart Jan Edels langs een deel der westkust en geeft daaraan zijn eigen naam. In 1622 komt de Leeuwin tot de naar haar genoemde kaap. In 1627 voltooijen Nuitz en de Witt, de een ten westen, de andere ten zuiden, de ontdekkingen hunner voorgangers, en worden door den vlootvoogd Carpentier gevolgd, die met zijn schepen in den diepen inham doordringt, welke nog de golf van Carpentaria heet. Eindelijk zeilt in 1642 de vermaarde Tasman om het eiland Van Diemen, dat hij aan het vastland verbonden acht, en geeft het den naam van den gouverneur-generaal te Batavia, een naam, dien de nakomelingschap met volle regt in dien vanTasmaniaveranderd heeft. Nu was het vastland van Australië omgezeild; men wist dat de golven van den Indischen oceaan en de Stille Zuidzee het geheel insloten, en in 1665 kreeg dit groote zuidelijke eiland den naam vanNieuw-Holland, een naam, dien het niet zou behouden, en dus juist op het tijdstip, dat de rol der hollandsche zeelieden uitgespeeld was. Hoeveel hebben wij er nu?"

"Tien!" antwoordde Robert.

"Goed!" hernam Paganel, "ik zet een kruisje en ga tot de Engelschen over. In 1686 kwam een opperhoofd der Boekaniers, een broeder van de kust, een der beruchtste vrijbuiters op de zuidelijke zeeën, Williams Dampier, na het uitstaan van tallooze lotgevallen, met genoegens en ontberingen vermengd, met het schip deCygnetop de noordwestkust van Nieuw-Holland op 16°50' breedte; hij kwam met de inboorlingen in aanraking en gaf van hun zeden, hun armoede, hun verstandelijke ontwikkeling een zeer volledige beschrijving. In 1699 kwam hij in dezelfde baai terug, waar Hertogh aan land was gegaan, nu niet als kaper, maar als bevelhebber van deRoebuck, een schip van de koninklijke marine. Tot nog toe echter was de ontdekking van Australië alleen belangrijk geweest als aardrijkskundig feit. Niemand dacht er aan om het te koloniseeren, en in geen drie vierden eener eeuw, van 1699 tot 1770, werd het door een zeevaarder bezocht. Maar toen verscheen de beroemdste zeeman der geheele aarde, kapitein Cook, en nu werd het nieuwe vastland weldra geopend voor de landverhuizers uit Europa. Op zijn drie beroemde reizen betrad James Cook den grond van Nieuw-Holland, en wel het eerst den 31stenMaart 1770. Na gelukkig op Otaheite den voorbijgang van Venus langs de zon waargenomen te hebben[2], drong Cook met zijn scheepje deEndeavourin het westelijk gedeelte der Stille Zuidzee. Na Nieuw-Zeeland bezocht te hebben, kwam hij in een baai op de westkust van Australië, die hij zoo rijk aan nieuwe planten vond, dat hij haar den naam van Kruidenbaai gaf. Het is de tegenwoordige Botany-Bay. Zijn betrekkingen met half verdierlijkte inboorlingen waren van weinig belang. Hij stevende noordwaarts en op 16° breedte, bij kaap Tribulation, stiet deEndeavourop een koraalrif, acht uren van de kust. Het gevaar van te zinken was zeer groot. Levensmiddelen en kanonnen werden in zee geworpen; maar in den volgenden nacht maakte de vloed het geligte vaartuig weer vlot. Dat het niet zonk, had het te danken aan een stuk koraal, dat in het gat was geraakt en het lek behoorlijk stopte. Cook kon dus met zijn vaartuig een kleine kreek bereiken, waarin zich een rivier stortte, die de Endeavour genoemd werd. Gedurende de drie maanden, welke de herstelling van hun bodem duurde, trachtten de Engelschen nuttige betrekkingen met de inboorlingen aan te knoopen; maar met weinig gevolg, zoodat zij weer in zee staken. DeEndeavourbleef koers houden naar het noorden. Cook wilde weten of er een straat bestond tusschen Nieuw-Guinea en Nieuw-Holland; na het uitstaan van nieuwe gevaren, na twintigmaal zijn schip in de waagschaal te hebben gesteld, ontdekte hij dat de zee in het zuidwesten open was. De straat bestond en werd doorgevaren. Cook landde op een eilandje, en in naam van Engeland bezit nemende van de lange kustlijn, die hij bezocht had, gaf hij daaraan den echt britschen naam van Nieuw-Zuid-Wales. Drie jaar later voerde de stoute zeeman het bevel over deAdventureen deResolution; kapitein Furneaux ging met deAdventurede kusten van Van Diemensland opnemen, en kwam terug in de meening, dat het met Nieuw-Holland zamenhing. Eerst in 1777, op zijn derde reis, ankerde Cook met zijn schepen deResolutionen deDiscoveryin de Adventure-baai op Van Diemensland, en vertrok van daar om eenige maanden later op de Sandwich-eilanden te sterven."

De vertellingen van Paganel.De vertellingen van Paganel.

"Hij was een groot man," zeide Glenarvan.

"De beroemdste zeeman, die ooit geleefd heeft. Banks, zijn reisgenoot, bragt het engelsche gouvernement op de gedachte om een strafkolonie aan de Botany-Bay te vestigen. Zeelieden van allerlei natiën volgen hem. In den laatsten brief, dien men van La Pérouse ontving, geschreven in de Botany-Bay en gedagteekend van den 7denFebruari 1787, geeft de ongelukkige zeeman kennis van zijn voornemen om de golf van Carpentaria en de geheele kust van Nieuw-Holland tot aan Van Diemensland te bezoeken. Hij vertrekt en keert niet meer terug. In 1788 legde kapitein Philipp te Port-Jackson de eerste engelsche kolonie aan. In 1792 zeilt d'Entrecasteaux, op zijn togt ter opsporing van La Pérouse, langs de west- en zuidkust van Nieuw-Holland, en ontdekt onderweg onbekende eilanden. In 1795 en 1797 zetten twee jongelieden, Flinders en Bass, in een boot van acht voet lang, moedig het onderzoek der zuidkust voort, en in 1797 vaart Bass door de naar hem genoemde straat tusschen Van Diemensland en Nieuw-Holland. In datzelfde jaar vond Vlaming, de ontdekker van het eiland Amsterdam, op de oostkust de Zwanenrivier, waar zwarte zwanen van de schoonste soort zich verlustigden. Wat Flinders aangaat, deze hervatte in 1801 zijne belangrijke onderzoekingen, en trof op 138°58' lengte en 35°40' breedte in de Encounter-baai deGéographeen deNaturalisteaan, twee fransche schepen onder bevel van de kapiteins Baudin en Hamelin."

"Zoo! kapitein Baudin?" zeide de majoor.

"Ja! waarom vraagt gij dat zoo?" vroeg Paganel.

"O! niets. Ga voort, waarde Paganel!"

"Ik ga voort met bij de namen dier zeevaarders dien van kapitein King te voegen, die van 1817 tot 1822 het onderzoek der keerkringskusten van Nieuw-Holland voltooide."

"Dat maakt vier en twintig namen," zeide Robert.

"Goed," antwoordde Paganel, "de helft der karabijn van den majoor is reeds mijn. Nu de zeelieden afgehandeld zijn, ga ik tot de reizigers over."

"Zeer goed, mijnheer Paganel!" sprak lady Helena; "ik moet zeggen, dat gij een verbazend geheugen hebt."

"Hetgeen zeer vreemd is," voegde Glenarvan er bij, "in iemand die zoo...."

"Verstrooid is," haastte Paganel zich te zeggen. "O, ik heb alleen een geheugen voor jaartallen en feiten. Dat is alles."

"Vier en twintig," herhaalde Robert.

"De vijf en twintigste is luitenant Daws. Het was in 1789, een jaar na de grondlegging der kolonie te Port-Jackson. Wel had men het nieuwe vastland omgevaren, maar niemand kon zeggen, wat het bevatte. Een lange bergreeks, die evenwijdig met de oostkust loopt, scheen den toegang tot het binnenland geheel te versperren. Na een togt van negen dagen moest luitenant Daws het opgeven en naar Port-Jackson terugkeeren. In hetzelfde jaar poogde kapitein Tench te vergeefs die hooge keten over te trekken. Die mislukte pogingen schrikten gedurende drie jaren de reizigers af om die moeijelijke taak te hervatten. In 1792 echter leed kolonel Paterson, een moedig afrikaansch reiziger, in dezelfde onderneming schipbreuk. In het volgende jaar kwam een eenvoudig kwartiermeester der engelsche marine, de moedige Hawkins, twintig mijlen verder dan het punt, dat zijn voorgangers niet hadden kunnen overschrijden. In een tijdsverloop van achttien jaren kan ik slechts twee namen opnoemen, die van den beroemden zeeman Base en van den heer Bareiller, een ingenieur uit de kolonie, die niet gelukkiger waren dan hun voorgangers, en zoo kom ik tot het jaar 1813, toen er eindelijk ten westen van Sydney een doortogt ontdekt werd. De gouverneur Macquarie waagde zich er in (1815), en aan gene zijde der Blaauwe bergen werd de stad Bathurst gesticht. Van dit oogenblik af verrijkten Throsby in 1819, Oxley, die een afstand van driehonderd mijlen aflegde, Howel en Hume, wier uitgangspunt de Twofold-baai was, waar de zeven en dertigste parallel over heen loopt, en kapitein Sturt, die in 1829 en 1830 den loop der Darling en der Murray onderzocht, de aardrijkskunde met nieuwe feiten en bragten het hunne toe aan de ontwikkeling der koloniën."

"Zes en dertig!" riep Robert.

"Heel goed! ik vorder!" antwoordde Paganel. "Terloops noem ik nog Eyre en Leichardt, die in 1840 en 1841 een gedeelte des lands bereisden; Sturt, in 1845; de gebroeders Gregory en Helpman in 1846 in West-Australië; Kennedy in 1847 aan de Victoria-rivier en in 1848 in Noord-Australië; Gregory in 1852; Austin in 1854; de Gregory's van 1855-58 in het noordwesten van het vastland; Babbage, van het Torrens- tot het Eyre-meer, en zoo kom ik eindelijk tot een in de australische jaarboeken met roem bekenden reiziger, tot Stuart, die vol moed tot driemaal toe een reis over het vastland deed. Zijn eerste togt naar de binnenlanden had in 1860 plaats. Wanneer gij het verlangt, zal ik u later vertellen, hoe Australië viermaal van het zuiden naar het noorden werd bereisd. Voor ditmaal wil ik die lange naamlijst besluiten en van 1860-62 voeg ik, bij de namen van zooveel stoute baanbrekers der wetenschap, nog die van de gebroeders Dempster, van Clarckson en Harper, van Berke en Wills, van Neilson, Walker, Landsborough, Mackinlay, Howit...."

"Zes en vijftig!" riep Robert.

"Goed, majoor!" hervatte Paganel, "ik zal u goede maat geven, want ik heb nog niet gesproken van Duperrey, Bougainville, Fitz Roy, Wickson, Stokes...."

"Genoeg! zeide de majoor, die van al die namen duizelde.

"Van Péron, Quoy," ging Paganel voort met de vaart van een sneltrein, "Bennett, Cuningham, Nutchell, Tiers...."

"Genade!"

"Van Dixon, Strelesky, Reid, Wilkes, Mitchell...."

"Houd op, Paganel!" zeide Glenarvan, die schudde van lagchen, "dood den ongelukkigen Mac Nabbs niet. Wees edelmoedig! hij verklaart zich overwonnen."

"En zijn karabijn?" vroeg de aardrijkskundige met een zegevierend lachje.

"Behoort u, Paganel!" antwoordde de majoor, "en het spijt mij genoeg. Maar uw geheugen is sterk genoeg om een geheel tuighuis te winnen."

"Het is zeker onmogelijk Australië beter te kennen," zeide lady Helena; "de geringste naam noch het onbeduidendste feit...."

"O, het onbeduidendste feit!" zeide de majoor hoofdschuddende.

"Wat blieft u, Mac Nabbs!" riep Paganel.

"Ik wil zeggen, dat u welligt niet alles, wat met de ontdekking van Australië in verband staat, bekend is."

"Het mogt wat!" zeide Paganel op fieren toon.

"En krijg ik mijn karabijn terug, als ik u iets opnoem, wat gij niet weet?" vroeg Mac Nabbs.

"Terstond, majoor!"

"Is de koop gesloten?"

"De koop is gesloten!"

"Goed. Weet gij wel, Paganel! waarom Australië niet aan Frankrijk behoort?"

"Wel, mij dunkt...."

"Of althans welke reden de Engelschen daarvoor opgeven?"

"Neen, majoor!" antwoordde Paganel met een droevig gezigt.

"Alleen omdat kapitein Baudin, die toch geen lafaard was, in 1802 zoo schrikte van het gekwaak der australische kikvorschen, dat hij zoo gaauw hij kon het anker ligtte en vlugtte om niet weer terug te komen."

"Wat!" riep de geleerde, "zegt men dat in Engeland? dat is een lage aardigheid!"

"Heel laag, dat geef ik toe," antwoordde de majoor, "maar zij is in het Vereenigde Koningrijk historisch geworden."

"Het is een schandaal!" riep de vaderlandslievende aardrijkskundige. "En vertelt men dat in vollen ernst?"

"Ik moet het ronduit bekennen, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan, terwijl allen proestten van lagchen.

"Maar was die bijzonderheid u onbekend?"

"Geheel en al. Maar ik teeken verzet aan! Bovendien, de Engelschen noemen ons "kikvorscheneters!" Doorgaans is men niet bang voor hetgeen men eet."

"Het wordt toch gezegd, Paganel!" antwoordde de majoor met een zedig lachje.

En zoo bleef die bekende karabijn van Purdey Moore en Dickson een eigendom van majoor Mac Nabbs.


Back to IndexNext