V.

[1]1300 uren gaans.

[1]1300 uren gaans.

[2]De voorbijgang der planeet Venus langs de zonneschijf moest in 1769 plaats hebben. Dit vrij zeldzame verschijnsel had een voor de sterrekunde zeer groot belang; het moest dienen om nauwkeurig den afstand te berekenen, die de aarde van de zon scheidt.

[2]De voorbijgang der planeet Venus langs de zonneschijf moest in 1769 plaats hebben. Dit vrij zeldzame verschijnsel had een voor de sterrekunde zeer groot belang; het moest dienen om nauwkeurig den afstand te berekenen, die de aarde van de zon scheidt.

Twee dagen na dit gesprek deelde John Mangles, die ten 12 ure het bestek had opgemaakt, mede, dat deDuncanop 113°87' lengte was. De passagiers raadpleegden de kaart en zagen tot hunne groote blijdschap dat ze naauwelijks vijf graden van Bernouilli af waren. Tusschen deze kaap en den hoek van Entrecasteaux beschrijft de australische kust een boog, dien de zeven en dertigste parallel onderspant. Als deDuncannu koers had gezet naar den evenaar, zou zij spoedig kaap Chatham bereikt hebben, die honderd twintig mijlen ten noorden van haar bleef; zij bevond zich thans in dat gedeelte der Indische zee, dat door het vastland van Australië beschut wordt. Derhalve mogt men de hoop koesteren, dat binnen vier dagen kaap Bernouilli aan den gezigteinder zou opduiken.

Tot nog toe had de westewind de vaart van het jagt begunstigd; maar sedert eenige dagen toonde hij een neiging om te minderen; langzamerhand ging hij tot windstilte over, tot hij den 18denDecember eindelijk geheel ging liggen, en de zeilen slap neerhingen. Zonder haar sterke schroef zou deDuncandoor de windstilte op dezelfde plaats van den oceaan bewegingloos zijn blijven liggen.

Deze toestand van den dampkring kon, wie weet hoe lang, aanhouden. 's Avonds sprak Glenarvan daarover met John Mangles. De jeugdige kapitein, die de kolenhokker duchtig zag minderen, scheen zeer teleurgesteld door die windstilte. Hij had alle zeilen bijgezet, zijn lij- en stagzeilen aangeslagen om van het geringste zuchtje voordeel hebben; maar, naar het zeggen der matrozen, was er geen hoedvol wind.

"En toch moeten wij niet al te sterk klagen," zeide Glenarvan; "geen wind is beter dan tegenwind."

"Uwe Edelheid heeft gelijk," antwoordde John Mangles; "maar juist die windstilten hebben doorgaans verandering van weer ten gevolge. Daarom ben ik er ook bang voor; wij bevinden ons op de grens der moussons[1], die van October tot April uit het noordoosten waaijen, en als wij ze maar een beetje tegenkrijgen, zal onze vaart daardoor zeer vertraagd worden."

"Wat zullen wij er aan doen, John? als die tegenspoed ons overviel, zouden wij ons er aan moeten onderwerpen. Het zou in allen gevallen maar een oponthoud zijn."

"Althans wanneer er geen storm bijkwam."

"Zijt gij beducht voor slecht weer?" vroeg Glenarvan, den hemel onderzoekende, die toch van den gezigteinder tot aan het toppunt geheel onbewolkt scheen.

"Ja," antwoordde de kapitein, "Uwe Edelheid wil ik het wel zeggen, maar ik zou lady Glenarvan of miss Grant geen schrik willen aanjagen."

"Daar doet gij zeer wijs aan. Wat is er gaande?"

"Er zijn stellige voorteekens van ruw weder. Vertrouw niet op het voorkomen der lucht, mylord! niets is bedriegelijker. Sedert twee dagen daalt de barometer op een verontrustende manier; thans staat hij op drie en zeventig duim[2]; het is een waarschuwing, die ik niet in den wind mag slaan. Vooral ben ik zeer bevreesd voor de woede der zuidelijke zeeën, waarmede ik reeds eens kennis heb gemaakt. De dampen, die boven de onmetelijke ijsvelden der Zuidpool verdigt worden, brengen een ontzettend geweldigen luchtstroom te weeg. Daaruit ontstaat een worsteling tusschen de poolwinden en die van den evenaar, die het aanzijn geeft aan de cyclonen, de tornado's en die talrijke verscheidenheden van stormen, een worsteling, waarin een schip het voordeel niet aan zijn zijde heeft."

"John!" antwoordde Glenarvan, "deDuncanis een stevig schip, zijn kapitein een bekwaam zeeman. Wanneer de storm komt, zullen wij ons behoorlijk verdedigen."

Toen John Mangles zijn vrees openbaarde, handelde hij in overeenstemming met zijn zeemans-instinct. Hij is een bekwaam "weerkenner," zoo noemen de Engelschen dengenen, die acht geeft op het weder. De aanhoudende daling van den barometer deed hem op zijn schip alle noodige voorzorgen nemen. Hij verwachtte een hevigen storm, al was er nog niets aan de lucht te zien, maar zijn onfeilbaar instrument kon hem niet bedriegen; de luchtstroomen komen van de plaatsen, waar de kwikzuil hoog staat, naar die waar zij daalt; hoe digter die plaatsen bij elkander liggen, hoe spoediger het evenwigt in de luchtlagen hersteld wordt en hoe grooter de snelheid van den wind is.

Den geheelen nacht bleef John op het dek. Tegen elf ure betrok de lucht in het zuiden. John liet al zijn volk boven komen en zijn kleine zeilen strijken; hij liet alleen zijn fokkezeil, zijn groote bezaan, zijn marszeil en zijn kluiver staan. Tegen middernacht wakkerde de wind aan. Het woei een gereefde marszeilskoelte, dat wil zeggen, de luchtdeeltjes werden met een snelheid van zes en dertig voet in de seconde voortgestuwd; het gekraak der masten, het slaan van het loopend want, het helder geraas, dat de killende zeilen maakten, het stenen der binnenste beschotten, verwittigden de passagiers van hetgeen zij nog niet wisten. Paganel, Glenarvan, de majoor, Robert, verschenen op het dek, de een om de handen uit de mouw te steken, de ander uit nieuwsgierigheid. Aan den hemel, dien zij kort te voren helder en met sterren bezaaid hadden gezien, dreven thans donkere wolken, van elkander gescheiden door gevlekte strepen als de huid van een luipaard.

"De orkaan?" vroeg Glenarvan bedaard aan John Mangles.

"Nog niet, maar ophanden," antwoordde de kapitein.

Nu gaf hij bevel om het onderste rif van het marszeil in te nemen. De matrozen klommen langs de weeflijnen op en niet zonder moeite verminderden zij de oppervlakte van het zeil door de rifseisings er omheen te draaijen op de gestreken ra. John Mangles wilde zooveel zeil mogelijk blijven voeren om het jagt te steunen en het stampen te verminderen.

Na het nemen van die voorzorgen gaf bij aan Austin en den schipper de noodige bevelen om den aanval van den orkaan af te weren, die weldra zou losbarsten. De krabbers van de sloepen en de sjortouwen van het waarloos rondhout werden verdubbeld, de zijtalies van het kanon versterkt, het want en de pardoens aangehaald, de luikgaten digtgespijkerd. Als een officier op de kruin van een bres, week John niet van de loefzijde, en op de kampanje staande poogde hij dien stormachtigen hemel zijn geheimen af te persen.

Op dit oogenblik was de barometer tot zeventig duim gedaald, hetgeen zelden plaats heeft en het stormglas[3]wees storm aan.

Het was één uur na middernacht. Vreeselijk in haar hut geslingerd, waagden lady Helena en miss Grant het om op het dek te komen. De wind had nu een snelheid van vier en tachtig voet in de seconde. Hij floot met ontzettend geweld door het staande want. Die metalen snaren, gelijk aan die van een instrument, klonken alsof een reusachtige strijkstok ze snel deed trillen; de blokken sloegen tegen elkander, de touwen liepen met schel geluid over de takels; de zeilen klapperden zoo hevig, alsof er een kanon werd afgevuurd; ontzettende golven liepen reeds op het jagt aan, dat als een ijsvogel op haar schuimenden rug danste.

Zoodra kapitein John de dames bespeurde, ging hij snel naar haar toe en verzocht haar weer in de kampanje te gaan; eenige zware golven stonden reeds op het dek, dat ieder oogenblik schoongeveegd kon worden. Het geweld der elementen was nu zoo hevig, dat lady Helena den jongen kapitein naauwelijks verstond.

"Er is toch geen gevaar?" kon zij hem echter nog vragen, toen het weer voor een oogenblik wat bedaarde.

"Volstrekt niet, mevrouw!" antwoordde John Mangles, "maar gij kunt evenmin als miss Mary op het dek blijven."

Lady Glenarvan en miss Grant verzetten zich niet tegen een bevel, dat op een verzoek geleek, en traden juist onder de kampanje, toen een golf, die boven het hek aan den achtersteven brak, de ruiten der kap deed schudden. Thans verdubbelde het geweld van den wind; de masten bogen onder de spanning der zeilen, en het jagt scheen op de golven te dansen.

"Geit het fokkezeil!" riep John Mangles; "strijkt het marszeil en de kluivers!"

De matrozen snelden naar hun post in het want; de vallen werden opgestoken, de geitouwen aangehaald en de kluivers gestreken met een geraas, dat het rumoer van den wind overstemde, en deDuncan, wier schoorsteen ontzaggelijke wolken zwarten rook uitbraakte, sloeg de zee onregelmatig met de bladen harer schroef, die slechts somtijds onder water waren.

Met een mengsel van bewondering en schrik sloegen Glenarvan, de majoor, Paganel en Robert die worsteling derDuncanmet de golven gade; zij klemden zich stevig vast aan de leuning der verschansing zonder een enkel woord te kunnen wisselen, en staarden naar de troepen stormvogels, die droevige boden der stormen, die in de losgelaten winden ronddartelden.

Daar deed zich op eens een oorverdoovend gefluit boven het rumoer van den storm hooren. De stoom ontsnapte met geweld, niet uit de af blaaspijp, maar uit de kleppen van den stoomketel; het alarmfluitje klonk met ongewone kracht; het jagt viel op zij en Wilson, die aan het rad stond, werd door een onvoorzienen slag van de roerpen omvergeworpen. DeDuncanlag dwars tusschen zeeën en luisterde niet meer naar stuur.

"Wat gebeurt daar?" riep John Mangles het bruggetje haastig oploopende.

"Het schip valt op zij!" antwoordde Tom Austin.

"Is het roer ontredderd?"

"Naar de machine! naar de machine!" klonk de stem van den machinist.

John ijlde naar de machine en gleed langs de ladder af; de kamer was vol damp; de zuigers zaten onbewegelijk in de cilinders; de hefboomen bragten de beweging niet tot de liggende as over. Nu sloot de machinist, ziende dat alle pogingen vergeefsch waren en voor zijn stoomketels vreezende, den toevoer af en liet de stoom ontsnappen.

"Wat is er toch gaande?" vroeg de kapitein.

"De schroef is gebroken of zit vast, en werkt niet meer," antwoordde de machinist.

"Wat? is het onmogelijk haar los te krijgen?"

"Onmogelijk."

Er was nu geen tijd om dit ongeval te herstellen, het feit stond vast; de schroef kon niet werken, en de stoom, die geen dienst meer deed, was door de kleppen ontsnapt. John moest dus tot de zeilen zijn toevlugt nemen, en een bondgenoot zoeken in denzelfden wind, die zijn gevaarlijkste vijand geworden was.

Hij ging weer naar boven en deelde in een paar woorden het voorgevallene aan lord Glenarvan mede; waarna bij er op aandrong, dat deze met de andere passagiers in de kampanje zou gaan. Glenarvan wilde op het dek blijven.

"Neen, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles met vaste stem, "ik moet hier alleen met het scheepsvolk blijven. Ga naar binnen! Het schip kan overzij geworpen worden en de golven zouden u zonder genade meenemen."

"Maar wij kunnen van dienst wezen...."

"Ga heen, mylord! ga heen! gij moet! er zijn omstandigheden, waarin ik meester ben aan boord! Ga heen, ik wil het!"

Wel moest de toestand bedenkelijk zijn, anders zou John Mangles niet op zulk een toon van gezag spreken. Glenarvan begreep, dat het zijn pligt was het voorbeeld van gehoorzaamheid te geven. Hij verliet dus het dek, door zijn drie reisgenooten gevolgd, en vervoegde zich bij de beide dames, die vol angst den afloop dier worsteling met de elementen afwachtten.

"Een krachtig man, die wakkere John!" zeide Glenarvan, toen hij de hut binnentrad.

"Ja," antwoordde Paganel, "hij heeft mij doen denken aan dien hoogbootsman van uw grooten Shakespeare, die in het stuk "de storm" den koning, dien hij aan boord heeft, toeroept:

"Van hier! Stilte! Naar uwe hutten! Kunt gij dien elementen het zwijgen niet opleggen, Zwijgt gij dan! Gaat uit den weg, zeg ik u!"

Intusschen had John Mangles geen seconde verzuimd om zijn schip uit den neteligen toestand te redden, waarin het door het vastraken van de schroef verkeerde. Hij besloot bij te leggen, om zoo weinig mogelijk van zijn weg af te wijken; het kwam er dus op aan zeil te behouden en schuin te brassen, om dwars van den storm te liggen. Het marszeil werd digtgeslagen en het roer aan lij gelegd.

Het jagt, dat een uitstekend zeebouwer was, gehoorzaamde als een vlug ros, dat de sporen voelt, en bood de zijde aan de hooge golven. Zou dat weinige zeil sterk genoeg zijn? Het was wel van het beste Dundee-doek gemaakt; maar welk weefsel is tegen zulk een geweld bestand?

Dat bijleggen had het voordeel, dat het jagt zijn stevigste gedeelten aan de golven aanbood en dat het zijn oorspronkelijken koers behield. Toch was die beweging niet zonder gevaar, want het schip kon in die onmetelijke golfdalen reddeloos verloren gaan. Maar John Mangles had geen keus, en hij besloot te blijven bijleggen, zoolang masten en zeilen niet naar beneden kwamen. Het scheepsvolk was bij de hand en gereed om te gaan, waar zijn tegenwoordigheid noodig mogt zijn. John hield zich aan het want vast en wendde het oog niet van de verbolgen zee af.

In dezen toestand verliep verder de nacht. Men hoopte, dat de storm met het aanbreken van den dag verminderen zou. IJdele hoop! 's Morgens tegen acht ure woei het nog meer dan een storm en ging de wind, met een snelheid van honderd acht voeten in de seconde tot een orkaan over.

John zeide niets, maar hij beefde voor zijn schip en degenen, die er op waren. DeDuncanviel vreeselijk op zij; de berkoenen kraakten, en soms raakte de fokkezeilspieren de kruin der golven. Een oogenblik dacht de bemanning niet anders of het jagt zou niet meer overeind rijzen. Reeds stonden de matrozen met de bijl in de hand gereed om het want van den grooten mast los te hakken, toen de zeilen uit de lijken waaiden en als reusachtige albatrossen wegvlogen.

DeDuncanrees weer overeind; maar zonder steun op de golven, zonder stuur, werd zij zoo vreeselijk geslingerd, dat de masten tot in hun spoorgat dreigden te breken. Zulk een vreeselijke deining kon ze niet lang uithouden, ze stampte tot in het bovenschip toe, en weldra zouden de uitgeweken buitenhuid, de opengesprongen naden, een vrijen toegang aan de golven verleenen.

Nog een middel schoot er voor John Mangles over: een stormfok aan te slaan en het voor den wind te houden. Na een arbeid van verscheidene uren, die twintigmaal vernield werd, eer hij voltooid was, gelukte het hem. Eerst 's namiddags ten drie ure kon de stormfok op de fokkestag geheschen en aan de kracht van den wind blootgesteld worden.

Met dit stukje doek liet deDuncanzich nu voortzweepen en liep zij met onberekenbare snelheid voor den wind. De storm dreef haar thans naar het noordoosten. Het was zaak de grootst mogelijke snelheid te behouden; want daarvan alleen was redding te wachten. Soms was zij de golven vooruit, die haar droegen, sneed ze met haar spitsen voorsteven, dook onder als een ontzaggelijk walvischaardig dier en liet het geheele dek van voren naar achteren schoonvegen. Dan weer was haar snelheid aan die der golven gelijk, het roer werkeloos, en gierde ze zoo, dat het te vreezen stond, dat ze omgeworpen zou worden. Eindelijk gebeurde het ook wel, dat de golven, door den orkaan voortgezweept, sneller liepen dan het schip; dan sloegen ze over den spiegelboog en veegden het dek met onweerstaanbare kracht van achteren naar voren schoon.

Met dit stukje doek liet de Duncan zich nu voortzweepen....Met dit stukje doek liet de Duncan zich nu voortzweepen....

In dien benaauwden toestand, tusschen hoop en radeloosheid geslingerd, verliepen de dag van den 15denDecember en de volgende nacht. John Mangles week geen oogenblik van zijn post; hij nuttigde niets; hij werd door den angst gefolterd, dien zijn strak gelaat niet wilde verraden, en onvermoeid trachtte zijn blik door de nevelen, die in het noorden zamenpakten, heen te dringen.

En wel mogt hij vreezen. DeDuncanuit haar koers gedreven, stormde in ontembare vaart naar de australische kust. Alleen uit instinct gevoelde John Mangles ook, dat hij met de snelheid van den bliksem werd voortgejaagd. Ieder oogenblik duchtte hij op een klip te stooten, waarop het jagt in duizend brokken zou verbrijzeld zijn. Hij berekende, dat de kust geen twaalf mijlen lijwaarts kon verwijderd zijn. En het land is de schipbreuk, de ondergang van een vaartuig. Honderdmaal verkieslijker nog is de onmetelijke Oceaan, tegen wiens woede een schip zich ten minste verdedigen kan, al is het ook door mede te gaan. Maar werpt de storm het op de kust, dan is het verloren.

John Mangles ging lord Glenarvan opzoeken en sprak met hem onder vier oogen: hij legde hem het gevaar van hun toestand onbewimpeld bloot, dien hij met de koelbloedigheid van een zeeman, die op alles voorbereid is, onder de oogen zag, en besloot met te zeggen, dat hij misschien deDuncanop het strand zou moeten zetten.

"Om degenen, die aan boord zijn, te redden, als het mogelijk is, mylord!"

"Ga uw gang, John!" antwoordde Glenarvan.

"En lady Helena? miss Grant?"

"Ik zal ze eerst in het laatste oogenblik er van verwittigen, wanneer alle hoop vervlogen is van zee te houwen. Gij zult mij waarschuwen."

"Ik zal u waarschuwen, mylord!"

Glenarvan keerde terug naar de dames, die, al kenden zij den geheelen omvang van het gevaar niet, toch wel gevoelden, dat het dreigend was. Zij legden grooten moed aan den dag, althans niet minder dan haar reisgenooten. Paganel had het druk met thans zeer ongelegen komende theoriën over de rigting der luchtstroomingen, en hield voor Robert, die naar hem luisterde, belangrijke vergelijkingen tusschen de tornado's, de cyclonen en de regtlijnige stormen. Wat den majoor betreft, deze wachtte met al de bedaardheid van een Muzelman het einde af.

Tegen elf ure scheen de orkaan wat te bedaren; de vochtige nevelen verdeelden zich en bij een kortstondigen lichtstraal kon John zes mijlen te lijwaart een lage kust zien, waarop hij regt aanhield. Monsterachtige golven braken op een ontzettende hoogte, van wel vijftig voeten en meer. John begreep, dat zij daar een steunpunt vonden, anders konden zij zoo hoog niet op elkander stapelen.

"Daar zijn zandbanken," zeide bij tot Austin.

"Dat geloof ik ook," antwoordde de stuurman.

"Wij zijn in Gods hand," hernam John; "wanneer Hij deDuncangeen toegankelijke doorvaart opent en ze er zelf niet invoert, zijn wij verloren."

"Het is juist vloed, kapitein! welligt zullen wij over die banken heen kunnen komen."

"Maar zie toch eens, Austin! hoe groot de woede der golven is! Welk schip zou daartegen bestand zijn! Laten wij God om zijn bijstand smeeken, mijn vriend!"

Intusschen liep deDuncanonder haar stormfok met ontzettende vaart op de kust aan. Weldra was ze nog maar twee mijlen van den buitenrand der baai. Toch meende John aan gene zijde van dien schuimenden rand een bedaarder bekken te ontwaren. Daar zou deDuncanbetrekkelijk veilig geweest zijn. Maar hoe daar te komen?

John liet zijn passagiers op het dek komen; hij wilde niet, dat zij, nu de schipbreuk ophanden was, in de kampanje opgesloten zouden blijven. Glenarvan en zijne reisgenooten lieten het oog over de verbolgen zee gaan. Mary Grant verbleekte.

"John!" fluisterde Glenarvan den jeugdigen kapitein in, "ik zal pogen mijn vrouw te redden of met haar omkomen. Zorg gij voor miss Grant."

"Ja, Uwe Edelheid!" antwoordde John Mangles, terwijl hij de hand van den lord aan zijn vochtige oogen bragt.

DeDuncanwas nog maar eenige kabellengten van den voet der banken af. Daar het juist vloed was, zou de zee ongetwijfeld genoeg water onder de kiel van het jagt hebben gelaten om het over die gevaarlijke ondiepte heen te tillen. Maar de hemelhooge golven, het zoo beurtelings opligtende en wegvloeijende, zouden het onfeilbaar met het achtereind op den grond doen stooten. Bestond er dan geen middel om de beweging dier baren te verminderen, het over elkander glijden harer vloeibare deeltjes gemakkelijk te maken, in een woord om die onstuimige zee te doen bedaren?

Daar viel John Mangles nog een laatste gedachte in.

"De traan!" riep hij; "kinderen! giet traan! giet traan!"

Al het scheepsvolk begreep terstond wat hij wilde. Hij wilde een middel beproeven, dat soms slaagt; de woede der golven bedaart, als men ze met een laag olie bedekt; die laag drijft boven en vernietigt den schok van het water, dat ze glad maakt. Het middel werkt onmiddellijk, maar kort; zoodra een schip die kunstmatige zee achter zich heeft, verdubbelt haar woede, en ongelukkig het vaartuig, dat het volgen wil![4].

De vaten met den voorraad robbentraan werden door de matrozen, wier krachten het gevaar verhonderdvoudigde, op de voorplecht geheschen; daar werden zij met bijlen stukgeslagen en aan stuur- en bakboord boven de verschansing opgehangen.

"Houdt ze goed vast!" riep John Mangles, die het gunstige oogenblik afwachtte.

In twintig seconden was het jagt aan den ingang van het vaarwater, dat door een brullenden voorvloed werd versperd. Nu was het tijd om te handelen.

"Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein.

De vaten werden omgekanteld, en stroomen traan vloeiden er uit. Oogenblikkelijk maakte de olielaag de schuimende oppervlakte der zee om zoo te zeggen effen. DeDuncanvloog over het stille water, en was weldra in een rustig bekken, aan gene zijde der geduchte banken, terwijl de oceaan, van zijn boeijen ontslagen, achter haar met onbeschrijfelijke woede raasde.

"Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein."Een, twee, drie! in Gods naam!" riep de jeugdige kapitein.

[1]Winden, die met buitengewone hevigheid in den Indischen oceaan heerschen. Hun rigting is niet bestendig; zij wisselt af met de jaargetijden, en de zomermoussons zijn in het algemeen aan de wintermoussons tegengesteld.

[1]Winden, die met buitengewone hevigheid in den Indischen oceaan heerschen. Hun rigting is niet bestendig; zij wisselt af met de jaargetijden, en de zomermoussons zijn in het algemeen aan de wintermoussons tegengesteld.

[2]De gewone hoogte der kwikkolom is 76 duim.

[2]De gewone hoogte der kwikkolom is 76 duim.

[3]Glazen met een scheikundig mengsel gevuld, welks voorkomen verandert volgens de rigting van den wind en de elektrieke spankracht van den dampkring. De beste worden vervaardigd door Negretti en Zambra, optische instrumentmakers der britsche marine.

[3]Glazen met een scheikundig mengsel gevuld, welks voorkomen verandert volgens de rigting van den wind en de elektrieke spankracht van den dampkring. De beste worden vervaardigd door Negretti en Zambra, optische instrumentmakers der britsche marine.

[4]Daarom verbieden de reglementen den kapiteins het gebruik van dit wanhopige middel, wanneer een ander vaartuig hen onmiddellijk volgt.

[4]Daarom verbieden de reglementen den kapiteins het gebruik van dit wanhopige middel, wanneer een ander vaartuig hen onmiddellijk volgt.

Het eerste werk van John Mangles was zijn schip stevig voor twee ankers te leggen. Hij ankerde op vijf vademen water. De grond was goed en bestond uit hard keizand, waarin het anker goed vasthield. Derhalve behoefde hij niet te vreezen, dat het schip doordrijven of bij laag water op het strand raken zou. Na zooveel uren achtereen in dreigende gevaren verkeerd te hebben, lag deDuncanthans in een soort van kreek, die door een hooge cirkelvormige landspits tegen de zeewinden beschut was.

Lord Glenarvan had den jeugdigen kapitein de hand gedrukt met de woorden: "John! ik dank u!"

En John gevoelde zich rijkelijk door die eenvoudige woorden beloond. Glenarvan hield het geheim van den angst, dien hij uitgestaan had, in zijn boezem besloten, en lady Helena noch miss Grant, zelfs Robert niet, gisten aan welke vreeselijke gevaren zij ontkomen waren.

Een zeer gewigtige zaak moest nog opgehelderd worden. Op welk punt van de kust had die ontzettende storm deDuncangeworpen? Waar zou ze weer op den regten weg komen? Hoever ten zuidwesten lag kaap Bernouilli wel van hen af? Dat waren de eerste vragen, die John Mangles gedaan werden. Deze nam terstond hoogte, en teekende zijn waarnemingen op de scheepskaart aan.

Daaruit bleek, dat deDuncanniet heel veel uit haar koers was geslagen: naauwelijks twee graden. Zij lag op 136°12' lengte en 35°7' breedte, bij kaap Onheil, een der landpunten van Zuid-Australië, drie honderd mijlen van kaap Bernouilli af.

Kaap Onheil, een onheilspellende naam! ligt tegenover kaap Borda, door een voorgebergte van het Kangoeroe-eiland gevormd. Tusschen die twee kapen ligt de ingang der Investigator-straat, die naar twee vrij diepe golven voert, waarvan de noordelijke de Spencer-golf, de zuidelijke de golf van St. Vincent heet. Op de oostkust dezer laatste is de haven van Adelaïde gegraven, de hoofdplaats der provincie Zuid-Australië. Deze stad, in 1836 gesticht, telt veertig duizend inwoners, en levert tamelijk voldoende hulpmiddelen op. Maar zij houdt zich meer bezig met het bebouwen van den vruchtbaren bodem, het aankweeken van druiven en oranje-appelen, en met landbouw ondernemingen dan met groote fabrieken. Haar bevolking telt minder fabriekanten dan landbouwers, en heeft weinig op met handelszaken of ambachten en kunsten.

Kon deDuncanhaar averij hier herstellen? Dit moest uitgemaakt worden. John Mangles wilde weten hoe de zaken stonden. Hij liet onder den achtersteven van het jagt duiken; de duikers berigtten hem, dat een der bladen van de schroef omgebogen was en tegen den achtersteven aanzat: daaruit vloeide voort, dat zij onmogelijk kon omdraaijen. Die averij werd zoo belangrijk geoordeeld, dat het herstel werktuigen zou vorderen, die te Adelaïde niet te vinden zouden zijn.

Na rijp overleg namen Glenarvan en kapitein John het volgende besluit: deDuncanzou de australiscbe kust langs zeilen en tevens deBritanniaopsporen; zij zou bij kaap Bernouilli aanleggen, waar men de laatste inlichtingen zou inwinnen, en van daar zuidwaarts tot Melbourne stevenen, waar de geledene schade gemakkelijk hersteld kon worden. Zoodra de schroef weer in orde was, zou deDuncanop de oostkust gaan kruisen om haar nasporingen te eindigen.

Dit voorstel werd goedgekeurd. John Mangles besloot van den eersten gunstigen wind gebruik te maken om onder zeil te gaan. Deze liet zich niet lang wachten. Tegen den avond was de orkaan geheel bedaard. Een vaarbare zuidweste-wind verving hem. De noodige maatregelen werden genomen om zee te kunnen bouwen. Nieuwe zeilen werden aangeslagen. 's Morgens ten vier ure liepen de matrozen in het spil. Weldra stond het anker loodregt, het slipte, en onder haar fokkezeil, haar marszeil, haar bramzeil, haar kluivers, haar groote bezaan en haar driehoekzeil, zeilde deDuncanmet stuurboordshalzen scherp bij den wind langs de australiscbe kust.

Twee uren later verloor men kaap Onheil uit het oog, en bevond men zich dwars voor de Investigator-straat. 's Avonds zeilden ze om kaap Borda, en stevende men op eenige kabelslengten afstand voorbij het Kangoeroe-eiland. Dit is het grootste der australiscbe eilandjes en dient tot schuilplaats voor de ontvlugte gedeporteerden. Het had een uitlokkend voorkomen; onmetelijke grastapijten bedekten de vlotgebergten langs de kusten. Evenals ten tijde der ontdekking, in 1802, zag men tallooze kudden kangoeroes door de bosschen en over de vlakten huppelen. 's Anderendaags, terwijl deDuncanin den wind opwerkte, werden de sloepen aan land gezonden met last om den kustzoom te onderzoeken. Van zes en dertig tot acht en dertig graden breedte wilde Glenarvan geen punt ondoorzocht laten.

De sloepen werden aan land gezonden....De sloepen werden aan land gezonden....

Den 18denDecember liep het jagt, dat als ware het een clipper met volle zeilen bij den wind voer, zeer digt langs den oever der Encounter-baai. Daar kwam in 1828 de reiziger Sturt, nadat hij de Murray, de grootste rivier van Zuid-Australië ontdekt had, aan. Het waren niet meer de lagchende oevers van het Kangoeroe-eiland, maar dorre heuvels, die van tijd tot tijd de eentoonigheid van een vlakke en ingekorven kust afbraken, hier en daar een graauwe steile rots, of voorgebergten van zand, kortom al de naaktheid van een poolland.

Op dien togt hadden de booten een moeijelijk werk. De zeelieden klaagden er echter niet over. Meestal werden zij door Glenarvan, diens onafscheidelijken Paganel en den jongen Robert vergezeld. Met eigene oogen wilden zij eenig overblijfsel van deBritanniaopzoeken. Maar dat naauwlettend onderzoek bragt niets van de schipbreuk aan het licht. De australische oevers vertelden dienaangaande evenmin iets als Patagonië. Intusschen mogt men niet alle hoop opgeven, zoolang het juiste punt, dat het document aangaf, niet bereikt was. Dat men zoo handelde, was alleen uit overmaat van voorzigtigheid, en om niets aan het toeval over te laten. 's Nachts braste deDuncanop, om zooveel mogelijk op dezelfde plaats te blijven, en overdag werd de kust zorgvuldig onderzocht.

Zoo kwam men den 20stenDecember voor kaap Bernouilli, het uiteinde der Lacépède-baai, zonder het geringste overblijfsel van het wrak gevonden te hebben. Maar die vergeefsche nasporingen bewezen niets tegen den kapitein derBritannia. Want in de twee jaren, die na de ramp waren verloopen, kon het niet anders of de zee moest het overschot van den driemaster verstrooid, vernield en van de klip gescheurd hebben. Ook moesten de inboorlingen, die de schipbreuken ruiken gelijk een gier een lijk ruikt, het geringste overschot opgezameld hebben. En Harry Grant en zijn beide lotgenooten, gevangen genomen op het oogenblik, dat de golven hen op de kust wierpen, waren ongetwijfeld tot diep in het binnenland meegesleept.

Maar dan verviel ook een van de schrandere gissingen van Jacques Paganel. Zoo lang er sprake was van het argentijnsche gebied, kon de aardrijkskundige met volle regt beweren, dat de cijfers van het document betrekking hadden, niet op het tooneel van de schipbreuk maar op de plaats der gevangenschap. De groote stroomen der Pampa, hun talrijke zijtakken immers waren daar om het kostbare document naar zee te voeren. Hier integendeel, in dit gedeelte van Australië, zijn maar weinig stroomen, die de zeven en dertigste parallel snijden; bovendien vloeijen de Rio-Colorado, de Rio-Negro door woeste, onbewoonbare en onbewoonde kusten naar zee, terwijl de hoofdrivieren van Australië, de Murray, de Yarra, de Torrens, de Darling, òf in elkander, òf in den Oceaan vallen met monden, die druk bezochte reeden en havens geworden zijn, die een levendige scheepvaart drijven. Hoe onwaarschijnlijk was het dus niet, dat een brooze flesch met den stroom zulke druk bevaren rivieren had kunnen afdrijven en den Indischen oceaan bereiken?

Die onmogelijkheid kon aan geen schrandere koppen ontgaan. De stelling van Paganel, die in Patagonië, in de argentijnsche provinciën aannemelijk was, zou dus in Australië onhoudbaar geweest zijn. Paganel gaf dit toe in een gesprek, dat hierover door majoor Mac Nabbs werd aangeknoopt. Het werd stellig zeker, dat de graden in het document vermeld, alleen betrekking hadden op de plaats der schipbreuk, en dat bij gevolg de flesch in zee geworpen was ter plaatse, waar deBritanniaverging, op de westkust van Australië.

En toch sloot, zooals Glenarvan teregt opmerkte, deze laatste uitlegging de gissing niet uit, dat kapitein Grant gevangen was. En liet deze het ook niet in zijn document doorschemeren in deze belangrijke woorden: "waar zij gevangenen zullen zijn van wreede inboorlingen?" Maar er bestond geen enkele reden meer om de gevangenen liever op de zeven en dertigste parallel dan op een andere te zoeken.

Nadat deze vraag lang besproken en ten laatste aldus opgelost was, kwam men tot het volgende besluit: indien er bij kaap Bernouilli geen spoor van deBritanniate vinden was, zat er voor lord Glenarvan niets anders op, dan naar Europa terug te keeren. Zijn nasporingen zouden vruchteloos geweest zijn; maar hij had zijn pligt moedig en naauwgezet betracht.

Niettemin werden de passagiers van het jagt er zeer door bedroefd, en Mary en Robert Grant sloegen tot wanhoop over. Toen zij met lord en lady Glenarvan, John Mangles, Mac Nabbs en Paganel aan land gingen, zeiden de beide kinderen van den kapitein tot elkander, dat de vraag of hun vader gered zou worden, thans onherroepelijk beslist zou worden. Onherroepelijk mag men wel zeggen; want Paganel had in een vroeger gesprek onwederlegbaar bewezen, dat de schipbreukelingen reeds sedert lang in het vaderland terug zouden geweest zijn, indien hun vaartuig op de klippen der oostkust was vergaan.

"Houd moed! houd moed! houd altijd moed!" herhaalde lady Helena telkens aan het meisje, dat in het bootje, waarmede zij aan land gingen, naast haar zat. "Gods hand zal ons niet loslaten!"

"Ja, miss Mary!" sprak kapitein John, "wanneer de mensch alle menschelijke hulpmiddelen heeft uitgeput, komt de Hemel tusschen beiden en opent hem, door een onvoorzien voorval, nieuwe wegen."

"God verhoore uw wensch, mijnheer John!" antwoordde Mary Grant.

De oever was nog maar een kabellengte ver; de kaap, die twee mijlen ver in zee vooruitstak, liep hier in vrij zachte hellingen uit. Het bootje voer een kleine door de natuur gevormde kreek binnen, tusschen nog aangroeijende koraalbanken, die na verloop van tijd een gordel van riffen op de zuidkust van Australië zullen vormen. Zooals zij daar lagen, waren zij reeds in staat om de kiel van een schip te vernielen, en deBritanniakon daar ligt met man en muis zijn vergaan.

Zonder moeite landden de passagiers van deDuncanop een geheel woeste kust. Steile vlotgebergten vormden een kustlijn ter hoogte van zestig tot tachtig voet. Het zou bezwaarlijk gegaan zijn om zonder ladders of haken die natuurlijke gordijn te beklauteren. Gelukkig ontdekte John Mangles zeer van pas een bres, die een halve mijl zuidelijker door een gedeeltelijke instorting der steilte teweeg gebragt was. Gedurende de hevige voor- en najaarsstormen beukte de zee ongetwijfeld dien wal van brossen tufsteen, en veroorzaakte zoo den val der hoogere gedeelten van het vaste gesteente.

Glenarvan en zijn reisgenooten drongen in de loopgraaf, en kwamen langs een vrij steile helling op den top der rots. Als een jonge kat klauterde Robert tegen een bijna loodregten rotswand op, en kwam zoo het eerst op den hoogsten kam, tot groot verdriet van Paganel, die zich schaamde, omdat zijn groote beenen van veertig jaar overwonnen werden door kleine van twaalf. Toch was hij den bedaarden majoor, die zich volstrekt niet haastte, ver vooruit.

Zoodra het gezelschap bijeen was, onderzocht men de vlakte, die zich voor hun oog uitbreidde. Het was een uitgestrekte, onbebouwde streek, met struikgewas en kreupelhout, een onvruchtbaar gewest, dat Glenarvan vergeleek met de dalen der lage landen van Schotland en Paganel met de onvruchtbare heidevelden van Bretagne. Maar, scheen die streek al langs de kust onbewoond, in de verte bleek de tegenwoordigheid van den mensch, niet van den wilde, maar van den arbeider, uit eenige gebouwen met een goed voorkomen.

"Een molen!" riep Robert.

En inderdaad, drie mijlen voor hen uit draaiden de wieken van een molen.

"Ja, het is een molen," sprak Paganel, die zijn kostelijken verrekijker op het aangewezen voorwerp gerigt had. "Het is een klein, even nederig als nuttig gedenkteeken, welks gezigt mijn oog verrukt."

"Het lijkt haast een kerktoren," zeide lady Helena.

"Ja, mevrouw! en maalt de een het brood voor het ligchaam, de andere maalt het brood voor de ziel. Uit dit oogpunt bezien, gelijken zij ook op elkander."

"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan. Men ging op weg. Na een half uur loopens zag de grond, door de hand des menschen bewerkt, er geheel anders uit, de overgang van het onvruchtbare land tot het bebouwde veld was plotseling. In plaats van kreupelhout omringden groene hagen een pas ontgonnen stuk gronds; eenige runderen en een half dozijn paarden graasden in de weiden, die omsloten waren door prachtige acacia's, welke uit de groote boomkweekerijen van het Kangoeroe-eiland gehaald waren. Allengs vertoonden zich akkers met graan bedekt, eenige roeden gronds met gele korenaren bezaaid, eenige hooischelven, als groote bijenkorven overeind gezet, boomgaarden met een frissche omheining, een schoone tuin, Horatius waardig, waarin het aangename met het nuttige vermengd was, vervolgens lootsen en behoorlijk ingerigte woningen voor de dienstboden en ten laatste een eenvoudig en geriefelijk huis, waarboven de aardige molen met zijn spitse kap uitstak, die door de vlugtige schaduw zijner groote wieken werd geliefkoosd.

"Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan."Voort, naar den molen!" antwoordde Glenarvan.

Op het geblaf van vier groote honden, die de komst der vreemdelingen meldden, trad thans een man van een vijftig jaar met een vriendelijk voorkomen uit het hoofdgebouw. Vijf flinke en sterke jongens, zijn zoons, volgden hem met hun moeder, een groote en stevige vrouw. Vergissing was hier niet mogelijk: die man, door zijn wakker gezin omringd, in het midden van dien nog nieuwen aanleg, in dit bijna maagdelijk gewest, was het volmaakte beeld van den ierschen kolonist, die om de armoede in zijn land te ontgaan fortuin en geluk aan gene zijde der zee is gaan zoeken.

Glenarvan en de zijnen hadden zich nog niet voorgesteld, zij hadden nog geen tijd gehad om hun naam en betrekking op te geven, toen zij reeds met deze hartelijke woorden begroet werden:

"Vreemdelingen! weest welkom in het huis van Paddy O'Moore."

"Zijt gij een Ier?" vroeg Glenarvan, de hand drukkende, die de kolonist hem toestak.

"Ik ben het geweest," antwoordde Paddy O'Moore; "thans ben ik een Australiër. Komt binnen, wie gij ook moogt zijn, heeren! en beschouwt dit huis als het uwe."

Die gulle uitnoodiging werd natuurlijk zonder pligtplegingen aangenomen. Lady Helena en Mary Grant volgden mistress O'Moore naar binnen, terwijl de zoons van den kolonist de bezoekers van hun wapens ontlastten.

Een luchtige en heldere zaal besloeg de benedenverdieping van het huis, dat van sterke op elkander gestapelde balken gebouwd was. Eenige houten banken aan de met heldere kleuren beschilderde wanden vastgespijkerd, een tiental schabellen, twee eikenhouten kisten, waarop wit aardewerk en blinkende tinnen kannen pronkten, een breede en lange tafel, waaraan twintig gasten met gemak konden zitten, maakten het huisraad uit, dat volkomen overeenstemde met het stevige gebouw en de sterke bewoners.

Het middageten stond op tafel. De soepkom dampte tusschen het ossengebraad en den schapenbout, omringd door groote schotels olijven, druiven en oranje-appelen; het noodige was voorhanden en het overtollige werd niet gemist. De gastheer en zijn vrouw noodigden zoo dringend, de tafel zag er zoo uitlokkend uit, was zoo groot en zoo rijkelijk voorzien, dat het onbetamelijk zou geweest zijn niet aan te zitten. Reeds kwamen de knechts, de gelijken van hun baas, deelnemen aan den maaltijd. Paddy O'Moore wees den vreemdelingen met de hand de eereplaats aan.

"Ik wachtte u," zeide hij op een eenvoudigen toon tot lord Glenarvan.

"Gij?" antwoordde deze zeer verrast.

"Ik wacht altijd degenen, die komen," antwoordde de Ier.

Vervolgens deed hij op ernstigen toon, terwijl zijn gezin en de dienstboden eerbiedig staan bleven, het katholieke gebed vóór den eten. Lady Helena was diep geroerd door zulk een volmaakten eenvoud van zeden, en een blik van haar man gaf haar te kennen, dat hij het evenzeer bewonderde als zij.

Men deed de tafel eer aan. Het gesprek werd overal zeer levendig. Tusschen een Schot en een Ier is de kennis spoedig gemaakt. De Clyde[1], die maar eenige voeten breed is, delft een dieper gracht tusschen Schotland en Engeland, dan het twintig uren breede Noorder-kanaal, dat het oude Caledonië van het groene Erin scheidt. O'Moore vertelde zijn geschiedenis. Het was die van al de landverhuizers, welke het gebrek uit hun land jaagt. Velen komen in verre streken fortuin zoeken, die slechts misrekeningen en rampen vinden. Zij beschuldigen het lot, maar vergeten de schuld te geven aan hun onverstand, hun traagheid en hun ondeugden. Wie matig en moedig, spaarzaam en braaf is, dien gaat het goed.

Zoo ook met Paddy O'Moore. Hij verliet Dundalk, waar hij van honger stierf, trok met zijn gezin naar Australië, versmaadde het werk van den goudgraver voor de minder onzekere vermoeijenissen van den landman, kwam te Adelaïde aan wal, en begon twee maanden later zijn ontginning, die thans zulke heerlijke vruchten afwierp.

Het geheele gebied van Zuid-Australië is in stukken verdeeld, die elk tachtig acres[2]groot zijn. Die verschillende stukken worden door de regeering aan de kolonisten afgestaan, en op ieder stuk kan een vlijtig landman in zijn onderhoud voorzien en een zuiver bedrag van tachtig pond sterling[3]uit zijn overwinst besparen.

Dat wist Paddy O'Moore. Zijn kennis van den landbouw kwam hem zeer te stade. Hij leefde, hij spaarde, hij kreeg nieuwe stukken uit de overwinst van het eerste. Het ging goed met zijn gezin en zijn onderneming. De Iersche boer werd grondeigenaar, en hoewel hij er nog geen twee jaar was, bezat hij reeds vijf honderd acres grond, die door zijn zorgen vruchtbaar gemaakt waren, en vijf honderd stuks vee. Hij was zijn eigen meester, na de slaaf der Europeërs geweest te zijn, en zoo onafhankelijk als men slechts in het meest vrije land der wereld kan zijn.

Zijn gasten beantwoordden dit verhaal van den Ierschen landverhuizer met opregte en welgemeende gelukwenschingen. Paddy O'Moore wachtte zeker, toen zijn verhaal uit was, dat zijn openhartigheid met gelijke vertrouwelijkheid beantwoord zou worden, maar hij lokte ze niet uit. Hij was een van die bescheidene menschen, die zeggen: Nu weet gij, wie ik ben, maar ik vraag u niet, wie gij zijt. Glenarvan had er ook regtstreeksch belang bij om over deDuncan, over zijn tegenwoordigheid aan kaap Bernouilli, en over de nasporingen, die hij met stalen volharding voortzette, te spreken. Maar als iemand, die regt op zijn doel afgaat, ondervroeg hij eerst Paddy O'Moore betreffende de schipbreuk derBritannia.

Het antwoord van den Ier was niet gunstig. Hij had nooit van dat schip hooren spreken. Sedert twee jaren was er geen schip op de kust vergaan, noch boven noch beneden de kaap. Die ramp nu was eerst vóór twee jaren gebeurd. Hij kon dus op de stelligste wijze verzekeren, dat de schipbreukelingen niet op dit gedeelte der westkust geworpen waren.

"En nu, mylord!" voegde hij er bij, "zou ik wel willen weten welk belang gij er bij hebt om mij die vraag te doen?"

Nu vertelde Glenarvan den kolonist de geheele geschiedenis van het document, de reis van het jagt, de pogingen reeds aangewend om kapitein Grant terug te vinden; hij verzweeg niet, dat zijn vurigste hoop vernietigd werd door zulke stellige verzekeringen, en dat hij wanhoopte, ooit de schipbreukelingen derBritanniaterug te vinden.

Zulk een gezegde moest een smartelijken indruk teweegbrengen op de hoorders van Glenarvan. Robert en Mary luisterden in tranen zwemmende toe, Paganel vond geen woord om hen te troosten en hun moed in te boezemen. John Mangles leed onuitsprekelijk. Reeds maakte de wanhoop zich meester van de ziel dier wakkere mannen, welke deDuncante vergeefs naar die verre stranden gevoerd had, toen deze woorden klonken:

"Mylord! loof en dank God! Wanneer kapitein Grant nog leeft, leeft hij hier in Australië!"


Back to IndexNext