[1]De rivier, die Schotland van Engeland scheidt.
[1]De rivier, die Schotland van Engeland scheidt.
[2]Een acre is 40 vierkante roeden ruim.
[2]Een acre is 40 vierkante roeden ruim.
[3]fl960.
[3]fl960.
Onbeschrijfelijk was de verbazing, door deze woorden gewekt. Glenarvan was ijlings opgerezen en riep, terwijl hij zijn zitplaats op zijde schoof: "wie spreekt daar?"
"Ik," antwoordde een der knechts van Paddy O'Moore, die aan het lagereind der tafel zat.
"Gij, Ayrton!" zeide de kolonist, niet minder verbaasd dan Glenarvan.
"Ik!" herhaalde Ayrton, met aangedane doch vaste stem "ik, een Schot, gelijk gij, mylord! ik, een van de schipbreukelingen derBritannia!"
Deze verklaring bragt een onbeschrijfelijke uitwerking teweeg. Mary Grant, die bijna stierf half van ontroering, maar ditmaal ook half van geluk, zonk in de armen van lady Helena. John Mangles, Robert, Paganel stonden van hun plaats op en liepen naar den man, dien Paddy O'Moore Ayrton genoemd had.
Het was iemand van vijf en veertig jaar, met een ruw uiterlijk en een fonkelend oog, dat bijna verborgen werd door de zware wenkbraauwen. Zijn kracht was zeker buitengemeen, ondanks de magerheid van zijn ligchaam. Hij was grof gebouwd en sterk gespierd, en volgens een schotsche uitdrukking verbeuzelde hij zijn tijd niet met zich vet te mesten. Een middelmatige gestalte, breede schouders, een vaste gang, een gelaat, waarop schranderheid en geestkracht te lezen stonden, ofschoon de trekken grof waren, dit alles nam de aanwezigen gunstig voor hem in. De belangstelling, die hij inboezemde, werd nog vergroot door de versche sporen van uitgestaan lijden, die zijn gezigt vertoonde. Men zag dat hij veel geleden had, ofschoon hij wel de man er naar scheen te wezen, die lijden kon verdragen, trotseeren en overwinnen.
Het was iemand van vijf en veertig jaar,...Het was iemand van vijf en veertig jaar,...
Glenarvan en zijn vrienden hadden dit bij den eersten oogopslag gevoeld. De persoonlijkheid van Ayrton maakte onmiddellijk een sterken indruk. Glenarvan, zich tot aller tolk makende, overstelpte hem met vragen, die Ayrton beantwoordde. De ontmoeting van Glenarvan en Ayrton had bij beiden, het was duidelijk, een wederzijdsche aandoening opgewekt.
Vandaar dat Glenarvan's eerste vragen zonder orde en als het ware onwillekeurig van zijn lippen vloeiden.
"Zijt gij een van de schipbreukelingen derBritannia?" vroeg hij.
"Ja, mylord, de bootsman van kapitein Grant," antwoordde Ayrton.
"Met hem na de schipbreuk gered?"
"Neen, mylord! neen! Op dat verschrikkelijk oogenblik werd ik van hem gescheiden, van het dek geslingerd, op de kust geworpen."
"Dus zijt gij niet een der beide matrozen, waarvan het document spreekt?"
"Neen. Ik wist niets van het bestaan van dat document. De kapitein heeft het in zee geworpen, toen ik niet meer aan boord was."
"Maar de kapitein, de kapitein!"
"Ik dacht, dat hij verdronken, verdwenen, met de geheele bemanning derBritanniate gronde gegaan was. Ik meende, dat ik alleen die ramp overleefd had."
"Maar gij hebt gezegd, dat kapitein Grant in leven was!"
"Neen. Ik heb gezegd: indien de kapitein leeft...."
"Gij hebt er bijgevoegd: dan is hij hier op het vastland van Australië."
"Hij kan nergens anders zijn."
"Weet gij dan niet, waar hij is?"
"Neen, mylord ik zeg u nog eens, ik meende, dat hij in de golven begraven of tegen de rotsen verbrijzeld was. Door u hoor ik eerst, dat hij misschien nog leeft."
"Door mij? maar wat weet gij dan toch?" vroeg Glenarvan gejaagd.
"Niets anders dan dit: indien kapitein Grant in leven is, is hij in Australië."
"Waar heeft de schipbreuk dan plaats gehad?" vroeg nu majoor Mac Nabbs.
Dit had de eerste vraag moeten zijn; maar in de verwarring door dit voorval teweeggebragt, had Glenarvan, die vóór alles weten wilde, waar kapitein Grant zich bevond, niet gevraagd naar de plaats, waar deBritanniavergaan was. Het gesprek, dat tot nu toe onbepaald en onzamenhangend geweest was, van den hak op den tak sprong, de onderwerpen vlugtig aanroerde zonder ze geheel te doorgronden, de feiten dooreenhaspelde, de datums verschikte, nam nu een betere wending, en weldra stonden al de bijzonderheden dezer duistere geschiedenis den hoorders duidelijk voor den geest.
Op de vraag door Mac Nabbs gedaan, antwoordde Ayrton in dezer voege:
"Toen ik van de voorplecht werd geslingerd, waar ik den vliegenden kluiver naar beneden haalde, liep deBritanniaop de australische kust aan. Zij was er nog geen twee kabellengten van af. De schipbreuk heeft dus op diezelfde plek plaats gehad."
"Op zeven en dertig graden breedte?" vroeg John Mangles.
"Op zeven en dertig graden," antwoordde Ayrton. "Op de westkust?"
"Wel neen! Op de oostkust," gaf de bootsman haastig ten antwoord.
"En wanneer?"
"In den nacht van den 27stenJunij 1862."
"Zoo is het! zoo is het!" riep Glenarvan.
"Dus ziet gij wel, mylord!" voegde Ayrton er bij, "dat ik met regt mogt zeggen: indien kapitein Grant nog leeft, moet gij hem op het vastland van Australië zoeken, en nergens anders."
"En wij zullen hem zoeken, en hem vinden, en hem redden, mijn vriend!" riep Paganel. "Ach! kostbaar document!" voegde hij er hoogst naïf bij, "men moet zeggen, dat gij in handen van heel slimme menschen gevallen zijt."
Er was zeker niemand, die de vleijende woorden van Paganel verstond. Glenarvan en lady Helena, Mary en Robert stonden om Ayrton heen. Allen drukten hem de hand. Het scheen, alsof de tegenwoordigheid van dien man een zeker onderpand was van de redding van Harry Grant. Was de matroos aan de gevaren der schipbreuk ontkomen, waarom zou dan de kapitein niet evengoed ongedeerd aan het onheil ontsnapt zijn? Ayrton herhaalde telkens, dat kapitein Grant ongetwijfeld in leven was, evenals bij zelf. Waar? dat kon hij niet zeggen, maar zeker op dit vastland. Op de duizend vragen, waarmee hij bestormd werd, antwoordde hij met groote kennis van zaken en beknoptheid. Terwijl hij sprak, hield miss Mary zijn hand in de hare. Hij was een reisgenoot haars vaders, die matroos, een der zeelieden van deBritannia! Hij had Harry Grant vergezeld, met hem de zee bevaren, dezelfde gevaren getart! Mary kon haar oog van dat ruwe gelaat niet afwenden, en weende van geluk.
Nog was het niemand in de gedachte gekomen om de waarheidsliefde en identiteit van den bootsman te betwijfelen. De majoor en misschien ook John Mangles, die niet zoo ligtgeloovig waren, waren de eenigen die zich afvroegen, of de woorden van Ayrton wel volkomen vertrouwen verdienden. Zijn onverwachte ontmoeting kon aanleiding geven tot twijfel, zooal niet tot eenige achterdocht. Zeker had Ayrton overeenstemmende feiten en datums en treffende bijzonderheden opgegeven. Maar hoe naauwkeurig de omstandigheden ook zijn, zij maken nog geen zekerheid uit, en doorgaans, de ondervinding leert het, verschuilt zich de leugen achter de opgave van de geringste bijzonderheden. Mac Nabbs hield dus zijn meening voor zich en liet zich voor noch tegen uit.
De twijfelingen van Mac Nabbs waren niet lang bestand tegen de woorden van den zeeman, en hij hield hem inderdaad voor een reisgenoot van kapitein Grant, toen hij gehoord had, hoe deze tot het jonge meisje over haar vader sprak. Ayrton kende Mary en Robert opperbest. Hij had ze te Glasgow gezien bij de afvaart derBritannia. Hij herinnerde hun, hoe ze tegenwoordig waren geweest bij het afscheidsmaal, dat de kapitein zijn vrienden aan boord had gegeven. De sherif, Mac Intyre, was er bij. Men had Robert,—die toen pas tien jaar was,—toevertrouwd aan de zorg van Dick Turner, den schipper, en hij was dezen ontloopen om in de bramsalingen te klauteren.
"Dat is waar, dat is waar!" zeide Robert Grant.
En zoo haalde Ayrton duizend kleinigheden aan, schijnbaar zonder er zooveel gewigt aan te hechten als John Mangles deed. En toen hij zweeg, zeide Mary met haar zoete stem:
"Toe, mijnheer Ayrton! vertel ons nog wat van onzen armen vader!"
De bootsman deed zijn best om aan het verlangen van het meisje te voldoen. Glenarvan wilde hem niet in de rede vallen, en toch verdrongen wel twintig gewigtiger vragen zich in zijn hoofd; maar wijzende op de blijde ontroering van Mary, legde lady Helena hem het zwijgen op.
Zoo pratende vertelde Ayrton de geschiedenis derBritanniaen haar reis over de Stille Zuidzee. Mary Grant wist er reeds veel van, daar de berigten van het schip tot de maand Mei van het jaar 1862 liepen. In dat tijdverloop van een jaar deed Harry Grant de voornaamste eilanden van Oceanië aan. Hij bezocht de Hebriden, Nieuw-Guinea, Nieuw-Zeeland, Nieuw-Caledonië, vond dikwijls, dat anderen te regt of ten onregte beweerden den grond in bezit te hebben genomen, en had te kampen met den onwil der engelsche overheden; want zijn schip werd in de britsche koloniën streng in het oog gehouden. Echter had hij een belangrijk punt gevonden op de westkust van de Papoea-eilanden; hij oordeelde, dat het daar gemakkelijk zou zijn een schotsche volkplanting te vestigen, die stellig tot bloei zou geraken; een goede en rijk voorziene ververschingsplaats toch op den weg naar de Molukken en de Philippijnen moest de schepen lokken, vooral wanneer de doorgraving der landengte van Suez de weg om de kaap de Goede Hoop in onbruik had doen geraken. Harry Grant was een der Engelschen, die veel ophadden met het werk van den heer de Lesseps, en die geen staatkundigen naijver bij een groot wereldbelang in het spel bragten.
Weldra liep het schip op het strand.Weldra liep het schip op het strand.
Na dit onderzoek der Papoea-eilanden ging deBritanniate Callao nieuwen voorraad innemen, en verliet die haven den 30stenMei 1862, om door den Indischen Oceaan en om de Kaap naar Europa terug te keeren. Drie weken na zijn vertrek werd het schip door een geweldigen storm ontredderd. Het werd op zijde geworpen. De masten moesten gekapt worden. Er kwam een lek, dat men niet kon stoppen. De bemanning was weldra geheel uitgeput. Men kon de pompen niet vrij houden. Acht dagen lang was deBritanniade speelbal der orkanen. Binnen kort stond er zes voet water in het ruim. Ze verkeerde in zinkenden toestand. De booten waren gedurende den storm weggeslagen. Men moest op het schip omkomen, toen men, zooals Paganel juist gezien had, in den nacht van den 27stenJunij de oostkust van Australië ontdekte. Weldra liep het schip op het strand. Een hevige schok had er plaats. Ayrton werd op dat oogenblik door een golf opgenomen, midden in de branding geslingerd, en verloor zijn bewustzijn. Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der inboorlingen, die hem naar het binnenland sleepten. Van nu af hoorde hij niet meer van deBritanniaspreken, en dus vooronderstelde hij, niet zonder grond, dat ze op de gevaarlijke riffen der Twofold-baai met man en muis was vergaan.
Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der inboorlingen,...Toen hij weer bijkwam, was hij in de handen der inboorlingen,...
Hier eindigde het verhaal betreffende kapitein Grant; meer dan eens ontlokte het uitroepen van droefheid aan zijn hoorders. Zonder onbillijk te zijn mogt de majoor niet aan de waarheid er van twijfelen. Maar na de geschiedenis derBritanniamoest de eigene geschiedenis van Ayrton voor het oogenblik nog belangrijker zijn.
Afgaande op het document twijfelde men niet, of Grant had met twee zijner matrozen, evenzeer als Ayrton zelf, de schipbreuk overleefd. Uit het lot van den een mogt men met grond tot dat van den ander besluiten. Derhalve werd Ayrton uitgenoodigd zijn lotgevallen mede te deelen. Het was een zeer eenvoudig en zeer kort verhaal.
De arme schipbreukeling, de gevangene van een inlandschen volksstam, werd naar het binnenland gevoerd, dat de Darling besproeit, dat wil zeggen tot vier honderd mijlen benoorden den zeven en dertigsten breedtegraad. Daar leefde hij hoogst ellendig, omdat die stam het zelf heel naar had; maar hij werd niet mishandeld. Die harde slavernij duurde twee lange jaren. Maar hij gaf de hoop niet op om zijn vrijheid nog eenmaal te herkrijgen. Hij loerde op de eerste gelegenheid de beste om te ontsnappen, hoewel zijn vlugt hem aan tallooze gevaren moest blootstellen.
In zekeren nacht, het was in de maand October 1864, verschalkte hij de waakzaamheid van de inboorlingen en verdween in het digtst der ontzaggelijke wouden. Een maand lang zwierf hij, het leven rekkende met wortels, met eetbare varens, met gom der mimosa's, in die uitgestrekte woestenijen rond, zich des daags naar de zon, des nachts naar de sterren rigtende, en vaak aan wanhoop ter prooi: zoo trok hij door moerassen, over bergen en rivieren, en doorkruiste dat onbewoonde gedeelte van het vastland, waar slechts weinige reizigers zich gewaagd hebben. Stervend en verhongerd kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy O'Moore, waar hij tot loon voor zijn arbeid een onbekommerd leven vond.
... kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy O'Moore,...... kwam hij eindelijk aan de gastvrije woning van Paddy O'Moore,...
"Prijst Ayrton mij," zeide de iersche kolonist, toen dit verhaal uit was, "ik voor mij kan ook niets anders doen dan hem prijzen. Hij is een wakker, braaf en goed man, een arbeider in den volsten zin des woords, en als ze hem bevalt, zal de woning van Paddy O'Moore lang de zijne wezen."
Ayrton dankte den Ier met een tamelijk norsch gebaar, en wachtte af of men hem nog iets te vragen mogt hebben. Hij hield het er echter voor, dat de billijke nieuwsgierigheid zijner hoorders nu wel bevredigd zou zijn. Kon hij nog wel op iets antwoorden, wat niet reeds honderdmaal gezegd was? Glenarvan was dan ook op het punt om de beraadslagingen te openen over een nieuw plan, dat nu met behulp van de ontmoeting van Ayrton en diens inlichtingen moest opgemaakt worden, toen de majoor den matroos aldus aansprak:
"Gij waart bootsman aan boord derBritannia?"
"Ja," antwoordde Ayrton zonder aarzelen.
Maar begrijpende, dat een zeker gevoel van wantrouwen, een twijfel, hoe gering ook, den majoor die vraag had ingegeven, voegde hij er bij:
"Ik heb mijn aanstelling nog uit de schipbreuk gered."
En terstond verliet hij de huishoudkamer om dit stuk te halen. Hij bleef geen minuut weg. Maar Paddy O'Moore had toch tijd om te zeggen:
"Mylord! ik verzeker u, dat die Ayrton een brave kerel is; hij dient mij nu twee maanden, maar ik heb niet het geringste op hem aan te merken. Ik kende de geschiedenis zijner schipbreuk en zijner gevangenschap. Hij is een opregt man en uw volle vertrouwen waardig."
Glenarvan wilde juist antwoorden, dat hij nooit aan de goede trouw van Ayrton had getwijfeld, toen deze binnenkwam en zijn aanstelling in behoorlijke orde overgaf. Het was een papier, geteekend door de reeders van deBritanniaen door kapitein Grant, wiens hand Mary duidelijk herkende. Het behelsde, dat: "Tom Ayrton, matroos van de eerste klasse, als bootsman aangenomen was op den driemasterBritannia, van Glasgow." Er bleef dus geen twijfel over, of Ayrton was degene, voor wien hij zich uitgaf; want het was moeijelijk te gelooven, dat die aanstelling in zijn handen zou zijn, wanneer ze hem niet toekwam.
"En nu," sprak Glenarvan, "vraag ik u allen om raad, en wensch ik onmiddellijk te bespreken, wat ons te doen staat. Uw raad, Ayrton! zal ons vooral aangenaam zijn, en ik verzoek u dringend ons dien niet te onthouden."
Ayrton dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen het volgende:
"Ik dank u, mylord! voor het vertrouwen, dat gij in mij stelt, en ik hoop het mij waardig te maken. Ik heb eenige kennis van dit land, van de zeden der inboorlingen, en kan ik u van dienst wezen...."
"Wel zeker," verklaarde Glenarvan.
"Ik ben evenals gij van gevoelen," hernam Ayrton, "dat kapitein Grant en zijn beide matrozen uit de schipbreuk gered zijn; maar daar zij de engelsche bezittingen niet hebben bereikt, omdat zij niet meer voor den dag zijn gekomen, twijfel ik niet of zij hebben hetzelfde lot ondergaan als ik, en zijn gevangen bij een inlandschen volksstam."
"Gij haalt daar dezelfde bewijzen aan, die ik vroeger reeds opsomde, Ayrton!" zeide Paganel; "de schipbreukelingen zijn zeker gevangen bij de inboorlingen, zooals zij vreesden. Maar moeten wij denken, dat zij, evenals gij benoorden den zeven en dertigsten graad gesleept zijn?"
"Dat is wel te denken, mijnheer!" antwoordde Ayrton; "de vijandelijke stammen blijven niet lang in de nabijheid der aan de Engelschen onderworpen streken."
"Dat zal onze nasporingen veel moeijelijker maken," zeide Glenarvan met een teleurgesteld gezigt. "Hoe zullen wij in zoo'n uitgestrekt vastland het spoor der gevangenen terugvinden?"
Een langdurig stilzwijgen volgde op die aanmerking. Lady Helena zag beurtelings al haar reisgenooten vragend aan zonder antwoord te krijgen. Tegen zijn gewoonte zweeg zelfs Paganel, dien zijn gewone schranderheid in den steek liet. John Mangles liep met groote stappen de huishoudkamer op en neer, alsof hij op het dek van zijn schip in verlegenheid zat.
"En gij, mijnheer Ayrton!" zeide nu lady Helena tot den matroos, "wat zoudt gij doen?"
"Mevrouw!" antwoordde Ayrton tamelijk driftig, "ik zou weer aan boord van deDuncangaan en regelregt naar het tooneel van de schipbreuk stevenen. Daar zou ik naar bevind van zaken en naar de aanwijzingen handelen, die het toeval welligt mogt verschaffen."
"Dat is goed," zeide Glenarvan; "maar wij dienen te wachten tot deDuncanhersteld is."
"Zoo! hebt gij averij gehad?" vroeg Ayrton.
"Ja," antwoordde John Mangles.
"Zware?"
"Neen! maar er zijn toch gereedschappen noodig, die wij niet aan boord hebben. Een der schroefbladen zit vast, en dat kan alleen te Melbourne verholpen worden."
"Maar kunt gij niet zeilen?" vroeg de bootsman.
"Jawel; maar als de wind wat tegen is, zou deDuncanveel tijd noodig hebben om de Twofold-baai te bereiken, en hoe het ook gaat, naar Melbourne moet ze toch."
"Welnu! laat ze naar Melbourne gaan!" riep Paganel; "wij zullen zonder haar wel aan de Twofold-baai komen."
"Maar hoe?"
"Wel, door Australië langs den zeven en dertigsten breedtegraad door te trekken, zooals wij Amerika gedaan hebben."
"Maar deDuncandan?" hernam Ayrton met bijzonder veel nadruk.
"DeDuncanzal ons afhalen of wij zullen deDuncanafhalen, naardat het uitkomt. Vinden wij kapitein Grant op onzen togt terug, dan gaan wij gezamenlijk naar Melbourne. Zetten wij daarentegen onze nasporingen tot aan de kust voort, dan komt deDuncanons daar opzoeken. Wie heeft wat tegen dat plan? De majoor misschien?"
"Neen," antwoordde Mac Nabbs, "als de reis door Australië ten minste mogelijk is."
"Zoo goed mogelijk," antwoordde Paganel, "dat ik voornemens ben lady Helena en miss Grant uit te noodigen om met ons te gaan."
"Meent gij dat inderdaad, Paganel?" vroeg Glenarvan.
"Wat anders, waarde lord? Het is een reis van drie honderd vijftig mijlen[1], meer niet, en tegen twaalf mijlen daags zal ze pas een maand duren, dat is te zeggen zoo veel tijd als noodig is voor de herstellingen van deDuncan. Het zou wat anders zijn, als wij het vastland van Australië op eene lagere breedte moesten doortrekken, als wij het in zijn grootste breedte moesten doorreizen, als wij die onmetelijke woestijnen moesten doorkruisen, waar gebrek aan water is, waar een verstikkende warmte heerscht, kortom, wanneer we doen moesten, wat de stoutste reizigers nog niet gewaagd hebben! Maar die zeven en dertigste graad loopt over de provincie Victoria, een echt engelsch land, met gebaande wegen, met spoorwegen, en bijna over die geheele lengte bevolkt. Het is een reis, die men des verkiezende in een kales, of liever nog op een kar doen kan. Het is een ridje van Londen naar Edinburg. Anders niet."
"Maar de wilde dieren!" zeide Glenarvan, die alle mogelijke bezwaren wilde opperen.
"Er zijn geen wilde dieren in Australië."
"Maar de wilden?"
"Er zijn op die breedte geen wilden, en in allen gevalle zijn ze niet zoo wreed als de Nieuw-Zeelanders."
"Maar de gedeporteerden?"
"Er zijn geen gedeporteerden in de zuidelijke provinciën van Australië, maar alleen in de oostelijke koloniën. De provincie Victoria heeft ze niet alleen verjaagd, maar ook een wet gemaakt om de vrijgelaten veroordeelden uit de andere provinciën van haar gebied uit te sluiten. De regeering van Victoria heeft dit jaar zelfs de compagnie van het Schiereiland gedreigd haar subsidie in te trekken, wanneer haar schepen voortgingen kolen in te nemen in de havens van West-Australië, waar de gedeporteerden toegelaten worden. Hoe! weet gij dat niet! en zijt gij nog al een Engelschman!"
"Maar ik ben geen Engelschman," antwoordde Glenarvan.
"Wat mijnheer Paganel daar zegt is volkomen waar," zeide nu Paddy O'Moore. "Niet alleen de provincie Victoria, maar ook Zuid-Australië, Koninginneland, zelfs Tasmanië slaan de handen ineen om de gedeporteerden niet binnen hun grenzen toe te laten. Sedert ik deze hoeve bewoon, heb ik van geen enkelen gedeporteerde hooren spreken."
"En ik heb er nooit een ontmoet," voegde Ayrton er bij.
"Gij ziet, vrienden!" hernam Jacques Paganel, "zeer weinig wilden, geen wilde dieren, geen gedeporteerden! Er zijn weinig streken in Europa, waarvan men hetzelfde kan zeggen! Hoe is het, blijft het er bij?"
"Wat denkt gij er van, Helena?" vroeg Glenarvan.
"Wat wij allen denken, lieve Edward!" antwoordde lady Helena tot haar reisgenooten gerigt, "op weg! op weg!"
[1]Omtrent 200 uren gaans.
[1]Omtrent 200 uren gaans.
Lord Glenarvan was niet gewoon veel tijd te laten verloopen tusschen de opvatting en de uitvoering van een plan. Zoodra het voorstel van Paganel was aangenomen, gaf hij onmiddellijk de noodige bevelen om binnen den kortst mogelijken tijd de toebereidselen tot de reis te maken. Er werd bepaald, dat zij twee dagen later, den 22stenDecember, vertrekken zouden.
Welke uitkomsten zou die togt door Australië opleveren? Nu de aanwezigheid van Harry Grant eenmaal stellig vast stond, kon die onderneming groote gevolgen hebben. Zij deed de som der voordeelige kansen grooter worden. Wel vleide zich niemand den kapitein juist te zullen vinden op die lijn van den zeven en dertigsten breedtegraad, die men zonder afwijken volgen wilde; maar misschien zou men hem langs die lijn op het spoor komen, en in allen gevalle leidde zij regelregt naar het tooneel der schipbreuk. En dat was de hoofdzaak.
Wanneer nu Ayrton bovendien nog genegen was de reizigers te vergezellen, hen tot gids te strekken door de wouden der provincie Victoria, hen tot aan de oostkust te geleiden, dan was dit een kans te meer om wel te slagen. Glenarvan gevoelde dit ook; er was hem veel aan gelegen om zich van de medewerking van den reisgenoot van Harry Grant te verzekeren, en terstond vroeg hij zijn gastheer, of deze goedvond, dat hij Ayrton voorstelde hem te vergezellen.
Paddy O'Moore gaf zijn toestemming, hoewel het hem speet, dat hij zulk een voortreffelijken knecht zou moeten missen.
"Hoe is het, Ayrton! wilt gij den togt ter opsporing van de schipbreukelingen derBritanniamedemaken?"
Ayrton antwoordde niet terstond op die vraag; hij scheen zelfs eenige oogenblikken te aarzelen, maar na een kort overleg zeide hij:
"Ja, mylord! ik zal met u gaan, en breng ik u al niet op het spoor van kapitein Grant, dan zal ik u tenminste op de plaats brengen, waar zijn schip verbrijzeld is."
"Ik dank u, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.
"Maar ééne vraag nog, mylord!"
"Spreek op, vriend!"
"Waar zult gij deDuncanterugvinden?"
"Te Melbourne, wanneer wij Australië niet van de eene kust tot de andere doortrekken. Op de oostkust, wanneer wij ons onderzoek zoo ver uitstrekken."
"En haar kapitein dan?..."
"Haar kapitein zal mijn bevelen in de haven van Melbourne afwachten."
"Goed, mylord!" zeide Ayrton, "gij kunt op mij rekenen."
"Ik reken op u, Ayrton!" antwoordde Glenarvan.
De passagiers van deDuncanbetuigden den bootsman derBritanniahun hartelijken dank. De kinderen van zijn kapitein waren onuitputtelijk in hun liefkozingen. Allen waren blijde over zijn besluit, behalve de Ier, die in hem een knap en getrouw werkman verloor! Maar Paddy begreep, welk gewigt lord Glenarvan hechten moest aan het bijzijn van den bootsman, en berustte er in. Glenarvan droeg hem op om de noodige middelen van vervoer voor die reis door Australië bijeen te brengen, en toen die zaak in orde en met Ayrton afgesproken was, waar zij elkander vinden zouden, keerden de passagiers naar boord terug.
... de passagiers keerden naar boord terug.... de passagiers keerden naar boord terug.
Allen waren vrolijk gestemd. Alles was veranderd. Alle aarzeling hield op. Niet langer zouden de moedige spoorzoekers als blinden op die lijn van den zeven en dertigsten breedtegraad voorttrekken. Geen twijfel meer of Harry Grant had een schuilplaats op het vastland gevonden, en ieders hart was vol van die tevredenheid, welke men gevoelt, wanneer het vermoeden plaats maakt voor zekerheid.
Als de omstandigheden gunstig waren, kon deDuncanbinnen twee maanden Harry Grant op de schotsche kust aan land zetten!
Toen John Mangles het voorstel ondersteunde om met de reizigers den togt door Australië te ondernemen, vleide hij zich wel, dat hij ditmaal met het gezelschap zou medegaan. Hij sprak er dan ook over met lord Glenarvan. Hij bragt allerlei redenen te berde, zijn genegenheid voor lady Helena, voor Zijne Edelheid, de dienst, die hij kon bewijzen als opzigter over de karavaan, zijn nutteloosheid als kapitein aan boord van deDuncan, kortom duizend geldige redenen, maar de beste verzweeg hij, die Glenarvan echter gemakkelijk kon raden.
"Eene vraag nog, John!" zeide Glenarvan. "Stelt gij het volste vertrouwen in uw eersten stuurman?"
"Het volste vertrouwen," antwoordde John Mangles. "Tom Austin is een goed zeeman; hij zal deDuncannaar de plaats harer bestemming brengen, ze behoorlijk herstellen en op den bepaalden tijd terug zijn. Tom is de slaaf van zijn pligt en van de tucht; nooit zal hij het op zich nemen de uitvoering van een bevel te wijzigen of uit te stellen. Uwe Edelheid kan dus op hem even goed rekenen als op mij."
"Dan blijft het er bij, John!" antwoordde Glenarvan, "gij zult ons vergezellen; want," voegde hij er glimlagchend bij, "het zal goed zijn, dat gij er bij zijt wanneer wij den vader van Mary Grant terugvinden."
"O, Uwe Edelheid!..." stotterde John Mangles.
Meer kon hij niet zeggen. Hij verbleekte even, en greep de hand, die lord Glenarvan hem toereikte.
's Anderen daags keerde John Mangles met den timmerman en met matrozen, die levensmiddelen droegen, naar de nederzetting van Paddy O'Moore terug. Hij moest in overleg met den Ier de vervoermiddelen in gereedheid brengen.
Het geheele gezin wachtte hem reeds om onder zijn leiding aan het werk te gaan. Ayrton was er bij en was hun dikwijls behulpzaam met goeden raad, dien zijn rijke ondervinding hem aan de hand deed.
Paddy en hij waren het eens, dat de reizigsters den weg in een ossenwagen en de reizigers te paard moesten afleggen. Paddy kon de ossen en den wagen verschaffen.
Het voertuig was een van die wagens, die twintig voet lang en met een kap overdekt zijn en op vier lompe wielen rusten, zonder spaken, velgen of ijzeren band, kortom eenvoudige houten schijven. Het voorstel, dat zeer ver van het achterstel af zat, was op een kunstelooze wijze daarmede verbonden, zoodat het voertuig geen korten draai nemen kon. Aan den wagen was een dissel van vijf en dertig voet, langs welken drie paar ossen geplaatst werden. Zoo geschikt trokken die dieren met den kop en den hals door de dubbele zamenvoeging van een juk over hun nek en van een halsband, die met een ijzeren spil aan het juk vastzat. Er was veel behendigheid noodig om dat smalle, lange, slingerende en ligt omvallende voertuig te besturen en om dat span met den prikkel voort te drijven. Maar Ayrton was op de iersche hoeve in de leer geweest en Paddy stond voor zijn bekwaamheid in. Hem werd dus de rol van voerman toebedeeld.
Het inrichten van het voertuig.Het inrichten van het voertuig.
Niet op veeren rustende, bood het voertuig geen gemakken aan; maar men moest het nemen zooals het was. John Mangles kon aan het ruwe zamenstel niets veranderen; maar van binnen liet hij het zoo geriefelijk mogelijk inrigten. Vooreerst verdeelde hij het door een houten beschot in twee afdeelingen. De achterste werd bestemd om de levensmiddelen, de bagaadje en de draagbare keuken van Olbinett op te nemen. De voorste zou uitsluitend ten dienste van de reizigsters zijn. Onder de handen van den timmerman veranderde die eerste afdeeling in een gemakkelijke kamer, bedekt met een dik tapijt, en voorzien van een kaptafel en twee afzonderlijke slaapplaatsen voor lady Helena en Mary Grant. Desverkiesende kon dit voorvertrek met zware lederen gordijnen gesloten en tegen de koelte van den nacht beschermd worden. Zoo noodig, konden de mannen er bij zware regenbuijen ook een schuilplaats in vinden; maar in den regel moest een tent hen beschutten, wanneer zij rust hielden. John Mangles spande zich in om alle voorwerpen, die twee vrouwen noodig hebben, in die beperkte ruimte bijeen te brengen, en het gelukte hem. Lady Helena en Mary Grant behoefden in die rollende kamer de gemakkelijke hutten derDuncanniet te betreuren.
Met de reizigers ging alles veel gemakkelijker: zeven sterke paarden waren bestemd voor lord Glenarvan, Paganel, Robert Grant, Mac Nabbs, John Mangles, en de beide matrozen Wilson en Mulrady, die hun heer op dezen nieuwen togt vergezelden. Ayrton kreeg natuurlijk zijn plaats op den bok van de kar, en Olbinett, die volstrekt geen zin had in paardrijden, zou het wel voor lief nemen om in den goederenwagen te reizen.
Paarden en ossen graasden in de nabijheid der woning, en konden gemakkelijk bijeengedreven worden, wanneer het tijd was om te vertrekken.
Toen John Mangles de noodige beschikkingen gemaakt en den baas-timmerman zijn bevelen gegeven had, keerde hij met de iersche famielje, die lord Glenarvan een bezoek brengen wilde, naar boord terug. Ayrton had lust om mee te gaan, en tegen vier ure waren John en zijn gezelschap op het dek derDuncan.
Zij werden met open armen ontvangen. Glenarvan noodigde hen uit om bij hem te blijven eten. Hij wilde niet voor hen onderdoen in beleefdheid, en zijn gasten namen gaarne de vergelding voor hun australische gastvrijheid in delongroomvan het jagt aan. Paddy O'Moore sloeg de handen ineen van verbazing. De meubeleering der hutten, de behangsels, de tapijten, al het houtwerk van ahorn- en palissanderhout maakte zijn bewondering gaande. Ayrton daarentegen verwaardigde die dure overtolligheden naauwelijks met een blik.
Maar de bootsman derBritanniabeschouwde daarentegen het jagt meer met een zeemansoog; hij doorliep het van boven tot onder; hij onderzocht de schroef, bezigtigde de machine, vroeg naar haar werkelijke kracht, en hoeveel brandstof ze verbruikte; hij bezocht de kolenhokken, de kombuis, en stelde vooral belang in den voorraad kruid, de wapenkamer, het kanon op de voorplecht en deszelfs draagkracht. Glenarvan had met een deskundige te doen; dat bleek hem genoeg uit de tot de kleinste bijzonderheden afdalende vragen van Ayrton. Eindelijk besloot deze zijn rondgang met het onderzoek van de masten en het tuig.
"Gij hebt daar een mooi schip, mylord!" zeide hij.
"Maar ook een goed schip," antwoordde Glenarvan.
"En wat is zijn inhoud?"
"Het meet twee honderd en tien ton."
"Vergis ik mij," voegde Ayrton er bij, "of loopt deDuncanniet gemakkelijk vijftien knoopen met volle kracht?"
"Zeg maar zeventien," sprak John Mangles, "dan zijt gij er beter achter."
"Zeventien!" riep de bootsman; "maar dan is er geen enkel oorlogschip, ik bedoel van de beste, die er zijn, dat er jagt op kan maken?"
"Niet een!" antwoordde John Mangles; "deDuncanis een echte snelzeiler, die door geen enkel vaartuig overtroffen kan worden."
"Ook niet onder zeil?" vroeg Ayrton.
"Ook niet onder zeil."
"Welnu, mylord! en gij, kapitein!" antwoordde Ayrton, "ontvangt de complimenten van een zeeman, die weet wat een schip is."
"Goed, Ayrton!" antwoordde Glenarvan, "blijf dan bij ons aan boord, en het zal alleen aan u staan of dit schip het uwe wordt."
"Ik zal er aan denken, mylord!" gaf de bootsman droogjes ten antwoord.
Olbinett kwam thans Zijne Edelheid verwittigen, dat de tafel gereed was. Glenarvan en zijn gasten begaven zich naar de kampanje.
"Een knappe vent, die Ayrton!" zeide Paganel tot den majoor.
"Al te knap!" bromde Mac Nabbs, wien, om de waarheid te zeggen schijnbaar zonder reden, het voorkomen en de manieren van den bootsman niet aanstonden.
Onder het eten vertelde Ayrton belangrijke bijzonderheden van het australische vastland, dat hij goed kende. Hij vroeg hoeveel matrozen lord Glenarvan op zijn togt medenam. Toen hij hoorde, dat maar twee hunner, Mulrady en Wilson, hem zouden vergezellen, scheen hij verwonderd. Hij wilde Glenarvan bepraten om zijn geleide zamen te stellen uit de beste manschappen van deDuncan. Hij drong er zelfs sterk op aan, hetgeen in het voorbijgaan gezegd, allen achterdocht uit het gemoed van den majoor moest verdrijven.
"Maar onze reis door Zuid-Australië is toch niet met gevaren verbonden?" vroeg Glenarvan.
"Volstrekt niet," haastte Ayrton zich te antwoorden.
"Welnu, dan zullen wij zooveel manschappen als wij maar kunnen aan boord laten. Er zijn matrozen noodig om deDuncan, als ze onder zeil is, te bedienen, en om ze te herstellen. Vooral is het van belang, dat ze op den bepaalden tijd, die haar later zal opgegeven worden, ter bestemder plaatse is. Dus kan ik de bemanning niet verminderen."
Ayrton scheen genoegen te nemen met de opmerking van lord Glenarvan; althans hij drong er niet verder op aan.
's Avonds scheidden Schotten en Ieren. Ayrton en het gezin van Paddy O'Moore keerden naar hun woning terug. Paarden en wagen zouden den volgenden dag gereed zijn. Het vertrek werd op 's morgens acht ure bepaald.
Lady Helena en Mary Grant maakten nu haar laatste toebereidselen. Zij waren kort en vooral minder kleingeestig dan die van Jacques Paganel.
De geleerde besteedde een gedeelte van den nacht om de glazen van zijn kijker los te schroeven, schoon te maken, vast te schroeven en nog eens vast te schroeven. Hij sliep dan ook den volgenden morgen nog, toen de majoor hem bij het krieken van den dag met donderende stem wekte.
Reeds was de bagaadje door de zorg van John Mangles naar de hoeve gebragt. Een sloep lag voor de reizigers gereed, die zich niet lieten wachten. De jonge kapitein gaf zijn laatste bevelen aan Tom Austin. Hij drukte hem vooral op het hart om te Melbourne op de bevelen van lord Glenarvan te wachten, en ze naauwkeurig op te volgen, wat er ook de inhoud van mogt zijn.
De oude zeeman antwoordde John Mangles, dat hij op hem rekenen kon. Uit naam van de bemanning uitte hij de beste wenschen voor het welslagen der onderneming. De boot stak af, en een donderend hoera! werd door de matrozen aangeheven.
In tien minuten bereikte de sloep de kust; een kwartier later kwamen de reizigers aan de iersche hoeve.
Alles was gereed. Lady Helena was zeer ingenomen met haar vertrekje. De lompe wagen met zijn logge wielen en zware planken beviel haar uitstekend. Het voorspan van drie paar ossen gaf hem een aartsvaderlijk voorkomen, dat hem niet misstond. Met den prikkel in de hand wachtte Ayrton op het bevel van zijn nieuwen meester.
"Drommels!" zeide Paganel, "dat is een uitstekend rijtuig, wel zoo goed als al de post-wagens van de wereld. Ik ken geen betere manier om als een kwakzalver rond te reizen. Een verplaatsbaar huis, dat voortrijdt en stilstaat, waar gij wilt, wat kan men nog meer wenschen? Dat begrepen de oude Sarmaten ook, en daarom reisden ze niet anders."
"Mijnheer Paganel!" zeide nu lady Helena, "ik hoop het genoegen te hebben u in mijn salons te ontvangen."
"Maar mevrouw!" antwoordde de geleerde, "de eer zal aan mij zijn! Hebt gij een dag bepaald?"
"Ik ben altijd voor mijn vrienden te spreken," antwoordde lady Helena lagchend, "en gij zijt...."
"De verkleefdste van allen, mevrouw!" zeide Paganel heel hoffelijk.
Die uitwisseling van beleefdheden werd afgebroken door de komst van zeven geheel getuigde paarden, welke een der zoons van Paddy bestuurde. Lord Glenarvan regelde met den Ier den prijs van al die benoodigdheden, en voegde daarbij een magt van dankbetuigingen, die den braven kolonist even welkom waren als de guinjes.
Het sein tot het vertrek werd gegeven. Lady Helena en miss Grant plaatsten zich in haar vertrek, Ayrton op den bok, Olbinett achter in den wagen; Glenarvan, de majoor, Paganel, Robert, John Mangles, de beide matrozen, allen met karabijnen en revolvers gewapend, wierpen zich op hun paarden. Een "God zij met u!" riep Paddy O'Moore hun toe, en zijn gezin herhaalde dien afscheidsgroet in koor. Ayrton liet een bijzonder geluid hooren en dreef zijn span aan. De kar zette zich in beweging, de planken kraakten, de assen knarsten in de naaf der wielen, en weldra onttrok een kromming van de weg de gastvrije hoeve van de braven Ier aan hun blik.
Het sein tot het vertrek werd gegeven.Het sein tot het vertrek werd gegeven.
Het was de 23steDecember 1864. Die Decembermaand, zoo droevig, zoo naar, zoo vochtig op het noordelijk halfrond, mogt op dit vastland veeleer Junij heeten. Sterrekundig gesproken was het reeds twee dagen zomer; want den 21stenhad de zon den steenbokskeerkring bereikt, en reeds prijkte zij eenige minuten korter boven den gezigteinder. Derhalve moest die nieuwe reis van lord Glenarvan in het warmste jaargetijde en onder de stralen eener bijna tropische zon plaats hebben.
Gezamenlijk dragen de engelsche bezittingen in dit gedeelte der Stille Zuidzee den naam van Australasie. Zij bestaan uit Nieuw-Holland, Tasmanië, Nieuw-Zeeland en eenige omliggende eilanden. Het vastland van Australië is verdeeld in uitgestrekte koloniën, wier grootte en rijkdom zeer uiteenloopen. Wie een blik slaat op de nieuwe kaarten, door de Heeren Peterman of Preschoell ontworpen, wordt terstond getroffen door de regelmatigheid dier afdeelingen. De Engelschen hebben de grenzen dier groote provinciën met het meetsnoer afgepast. Zij hebben geen acht geslagen op bergketenen, op den loop der rivieren, op de verscheidenheid van het klimaat, noch op het verschil van ras. Die koloniën zijn regthoekig begrensd en passen aan elkander als de stukken van een ingelegd werk. In die schikking van regte lijnen en regte hoeken herkent men het werk van den meetkundige, niet het werk van den aardrijkskundige. Alleen de kusten met haar tallooze krommingen, haar bogten, baaijen, kapen en kreeken, teekenen uit naam van de natuur verzet aan door haar liefelijke onregelmatigheid.
Dat schaakbordachtige wekte altijd en teregt den spotlust van Jacques Paganel op. Was Australië fransch geweest, dan zouden zeker de fransche aardrijkskundigen hun voorliefde voor den winkelhaak en de trekpen niet zoover gedreven hebben.
Het aantal koloniën op het groote eiland van Oceanië bedraagt thans zes: Nieuw-Zuid-Wales, hoofdstad Sidney; Koninginne-land, hoofdstad Brisbane; de provincie Victoria, hoofdstad Melbourne; Zuid-Australië, hoofdstad Adelaïde; West-Australië, hoofdstad Perth, en Noord-Australië nog zonder hoofdstad. Alleen de kusten zijn door de kolonisten bevolkt. Ter naauwernood heeft een enkele stad van belang zich twee honderd mijlen landwaarts in gewaagd. Het binnenland, dat wil zeggen een oppervlakte gelijk aan twee derden van Europa, is nog bijna geheel onbekend.
Gelukkig loopt de zeven en dertigste breedtegraad niet over die ontzaggelijke woestenijen, die ontoegankelijke streken der ellende, die der wetenschap reeds talrijke offers gekost hebben. Glenarvan had ze onmogelijk kunnen bereizen. Hij had alleen te doen met het zuidelijke deel van Australië, bestaande uit een klein stuk der provincie Adelaïde, uit de provincie Victoria in haar geheele breedte en eindelijk uit den top van den omgekeerden driehoek, dien Nieuw-Zuid-Wales vormt.
De afstand van kaap Bernouilli tot aan de grens van Victoria bedraagt ter naauwernood twee en zestig mijlen[1]. Dit waren twee dagreizen, meer niet, en Ayrton rekende er op, dat hij tegen den avond van den volgenden dag te Aspley, de westelijkste stad der provincie Victoria zou zijn.
Bij het begin eener reis verkeeren ruiters en paarden altijd in een opgewekte stemming. Op den ijver der eersten viel niets aan te merken, maar men oordeelde het raadzaam den stap der andere te matigen. Wie ver wil gaan, moet zijn rijdier ontzien. Derhalve werd er besloten gemiddeld niet meer dan vijf en twintig tot dertig mijlen per dag af te leggen.
Ook moest de stap der paarden geregeld worden naar den langzamen tred der ossen, die als echte werktuigen in snelheid verliezen wat zij in kracht winnen. De wagen met zijn reizigers en zijn levensmiddelen was de kern der karavaan, de beweegbare sterkte. De ruiters mogten wel links en regts op veldontdekking uitgaan, maar zich er niet ver van verwijderen.
Daar er geen bepaalde marschorde was aangenomen, kon elk binnen zekere grenzen doen, wat hij wilde. De jagers mogten de vlakte doorkruisen, de wellevenden met de bewoonsters van den wagen een praatje maken, de wijsgeeren met elkander philosopheeren. Paganel, die al deze verschillende hoedanigheden in zich vereenigde, moest soms overal wezen en was het ook inderdaad.
De togt door de provincie Adelaïde leverde niets bijzonders op. Een rij lage heuvels, rijk aan stof, een lange reeks onbebouwde gronden, waaruit het hier te lande zoogenaamde "bush" bestaat, eenige weiden, hier en daar met boschjes van een zoutachtigen struik met hoekige bladeren bedekt, waarop het gevogelte zeer verlekkerd is, volgden elkander over een ruimte van verscheidene mijlen op. Hier en daar vertoonden zich eenige "pig's faces," schapen met een zwijnskop, een soort, die alleen op Nieuw-Holland aangetroffen wordt, die tusschen de palen van de telegraaflijn graasden, welke onlangs van Adelaïde tot aan de kust is aangelegd.
Tot nog toe geleken die vlakten sprekend op de eentoonige streken van de argentijnsche pampa's; dezelfde grasrijke effene bodem; dezelfde scherp begrensde gezigteinder. Mac Nabbs beweerde, dat zij nog in dat land waren; maar Paganel verzekerde, dat de landstreek spoedig veranderen zou. In het vertrouwen op hem wachtte men op vreemde dingen.
Tegen drie ure reed de wagen door een onafzienbare boomlooze landstreek, bekend onder den naam van "muskieten-vlakte." De geleerde had het genoegen, dat het bleek, dat de aardrijkskundigen haar met volle regt dien naam gegeven hadden. De reizigers en hun paarden leden veel door de onophoudelijke beten dier lastige tweevleugelige insecten; het was onmogelijk hen te ontwijken; gemakkelijker was het ze te bedwelmen door de fleschjes ammoniak uit de reis-apotheek. Paganel wenschte van ganscher harte die lastige bijtvliegen naar den duivel, die zijn lange persoon met haar felle steken doorboorden.