X.

De "muskieten-vlakte."De "muskieten-vlakte."

Tegen den avond werd de vlakte opgevrolijkt door eenige groene acacia-hagen; hier en daar vertoonden zich boschjes witte gomboomen; ginds een versch wagenspoor, elders uit Europa afkomstige boomen, olijfboomen, citroenboomen en groene eiken; eindelijk goed onderhouden rasters. Ten acht ure bereikten de ossen, die door Ayrton aangezet hun tred verhaastten, het station van Red-Gum.

De naam "station" wordt aan alle nederzettingen in het binnenland gegeven, waar men zich met de veeteelt bezighoudt, den hoofdrijkdom van Australië. Die veefokkers zijn de "squatters," dat is de lieden, die op den grond gaan zitten,[2]hetgeen inderdaad de eerste houding is, welke iedere kolonist, afgemat door zijn zwerftogten door die eindelooze streken, aanneemt.

Red-Gumstation was een onbeduidende nederzetting. Maar Glenarvan vond er de hartelijkste gastvrijheid. De reiziger kan er stellig op rekenen, dat het hem onder het dak dier afgezonderde woningen aan niets zal ontbreken, en in een australisch kolonist vindt men altijd een vriendelijken gastheer.

Red-Gumstation.Red-Gumstation.

's Anderendaags spande Ayrton reeds bij zonsopgang de ossen voor den wagen. Dienzelfden avond nog wilde hij op de grenzen van Victoria komen. Allengs werd de bodem oneffener. Een golvende reeks van kleine heuvelen strekte zich onafzienbaar ver uit, geheel bestoven met scharlakenrood zand. Het scheen alsof er een onmetelijk rood laken over de vlakte was uitgespreid, welks plooijen door den adem des winds opwoeijen. Eenige "malleys", soorten van witgevlokte dennen, met een regten en gladden stam, breidden hun takken en donkergroene bladeren over vette weiden uit, waarin vrolijke troepen springhazen zeer sterk vermenigvuldigden. Verderop ontwaarde men uitgestrekte gronden met kreupelhout en jonge gomboomen bezet; vervolgens weken de groepen uiteen, de alleenstaande struiken werden boomen, en leverden het eerste staaltje op van de wouden van Australië.

Intusschen veranderde het voorkomen des lands merkelijk, hoe nader zij bij de grenzen van Victoria kwamen. De reizigers bespeurden, dat zij een nieuwen bodem betraden. Onveranderlijk gingen zij in een regte lijn voort, zonder dat eenige hinderpaal, meer of berg hen noodzaakte ze in een kromme of gebrokene lijn te veranderen. Zij bragten steeds de eerste stelling der meetkunst in praktijk, en volgden zonder afwijking den kortsten weg van het eene punt tot het andere. Vermoeijenis en bezwaren voelden zij niet. Hun marsch regelde zich naar den tragen gang der ossen, en al vorderden die bedaarde dieren niet snel, zij stonden ten minste ook niet stil.

Na een afstand van zestig mijlen op die wijze in twee dagen te hebben afgelegd, bereikte de karavaan in den avond van den 23stenhet kerspel Aspley, de eerste stad der provincie Victoria, op honderd en een graad lengte in het district Wimerra gelegen.

Ayrton stalde den wagen in Crown's Inn, een herberg die bij gebrek aan beter pronkte met den naam van hethotel de Kroon. Het avondeten, alleen bestaande uit schapenvleesch op allerlei wijzen toebereid, dampte op de tafel.

Er werd veel gegeten, maar nog meer gepraat. Vol begeerte om onderrigt te worden van al het vreemde, dat het vastland van Australië oplevert, ondervroeg elk om strijd den aardrijkskundige. Paganel liet zich niet lang noodigen, en vertelde het volgende van de provincie Victoria, ook Gelukkig Australië genoemd.

"Een verkeerde benaming" zeide hij; "men had beter gedaan haar Rijk Australië te noemen; want het gaat met de landen als met de menschen; het geluk zit niet in den rijkdom. Door zijn goudmijnen is Australië de prooi geworden van de verwoestende en woeste bende fortuinzoekers. Dat zult gij zien, wanneer wij de goudstreken doortrekken."

"Is de kolonie Victoria niet eerst onlangs ontstaan?" vroeg lady Helena.

"Ja, mevrouw! ze telt nog geen dertig jaar. Den 6denJunij 1835, een dingsdag...."

"'s Avonds ten kwart over zevenen," voegde de majoor er bij, die Paganel gaarne in het vaarwater zat met diens juiste opgave der datums.

"Neen, tien minuten over zevenen," hernam de aardrijkskundige in ernst, "stichtten Batman en Falckner een nederzetting te Port-Philip, aan de baai, waaraan thans de groote stad Melbourne zich uitstrekt. Vijftien jaren lang maakte de nieuwe kolonie een deel uit van Nieuw-Zuid-Wales, en behoorde ze onder deszelfs hoofdstad Sidney. Maar in 1851 werd ze onafhankelijk verklaard en nam ze den naam Victoria aan."

"En is zij sedert dien tijd sterk vooruitgegaan?" vroeg Glenarvan.

"Oordeel zelf, hooggeachte vriend!" antwoordde Paganel. "De laatste statistiek levert de volgende cijfers op, en Mac Nabbs mag zeggen wat hij wil, ik ken niets welsprekender dan de cijfers."

"Laat hooren!" zeide de majoor.

"Ik begin al. In 1836 had de kolonie Port-Philip twee honderd vier en veertig inwoners. Thans telt de provincie Victoria er vijf honderd vijftig duizend. Zeven millioen wijnstokken leveren jaarlijks honderd een en twintig duizend gallons[3]wijn. Honderd drie duizend paarden galoppeeren over haar vlakten, en zes honderd vijf en zeventig duizend twee honderd twee en zeventig stuks hoornvee grazen op haar onmetelijke weiden."

"Heeft ze ook niet een zeker aantal varkens?" vroeg Mac Nabbs.

"Ja, majoor! negen en zeventig duizend zes honderd vijf en twintig, met uw welnemen."

"En hoeveel schapen, Paganel?"

"Zeven millioen honderd vijftien duizend negenhonderd drie en veertig, Mac Nabbs!"

"Met inbegrip van het schaap, dat wij thans eten, Paganel?"

"Neen! daarenbuiten, want het is voor drie vierden op."

"Bravo! mijnheer Paganel!" riep lady Helena, hartelijk lagchende; "het moet gezegd worden, dat gij bij zulke aardrijkskundige vragen goed beslagen ten ijs komt, en mijn neef Mac Nabbs zal u, hoe hij zijn best ook doet, nooit op een vergissing betrappen."

"Maar het is mijn vak, mevrouw! al die dingen te weten en ze u des noods te leeren. Gij moogt mij dan ook vrij gelooven, wanneer ik u zeg, dat ons in dit vreemde land wondere dingen wachten."

"Tot nog toe, echter...." antwoordde Mac Nabbs, die er genoegen in vond den aardrijkskundige te plagen om hem eens goed aan het praten te brengen.

"Maar wacht dan toch een beetje, ongeduldige majoor!" riep Paganel. "Pas zet gij een voet op de grenzen, of gij klaagt reeds! Welnu, ik zeg u, ik herhaal, ik houd vol, dat deze landstreek de zonderlingste van de geheele aarde is. Haar vorming, haar natuur, haar voortbrengselen, haar klimaat, ja haar aanstaande verdwijning hebben alle geleerden der wereld verwonderd, verwonderen hen nog en zullen hen altijd verwonderen. Verbeeldt u, vrienden! een vastland, welks kusten in plaats van het binnenland het eerst als een reusachtige ring boven de golven zijn opgerezen; dat misschien in het midden een half verdampte binnenzee bevat; welks rivieren van dag tot dag armer aan water worden; waar geen vochtigheid bestaat, evenmin in de lucht als in den grond; waar de boomen jaarlijks hun schors verliezen in plaats van hun bladeren; waar de bladeren hun randen en niet hun oppervlakte naar de zon wenden en geen schaduw geven; waar het hout dikwijls onbrandbaar is; waar de gehouwene steenen in den regen smelten; waar de bosschen laag en de kruiden reusachtig hoog zijn; waar de dieren allervreemdst zijn; waar de viervoetige dieren vogelbekken hebben, zooals het stekelzwijn en het vogelbekdier, waarom de natuurkundigen verpligt geweest zijn voor hen het nieuwe geslacht dermonotrematate scheppen; waar de kangoeroe op zijn ongelijke pooten springt; waar de schapen zwijnskoppen hebben; waar de vossen van den eenen boom op den anderen vliegen; waar de zwanen zwart zijn; waar de ratten nesten maken; waar de prieel-vogel zijn salons openzet voor de bezoeken zijner gevleugelde vrienden, waar de vogels ons verbaasd doen staan door de verscheidenheid hunner zangen en van hun aanleg, die alles te bovengaat, wat de stoutste verbeeldingskracht zich kan voorstellen; waar de een tot klok dient, de ander een postillonszweep doet klappen, de een den schaarslijper nabootst, de ander de seconden aangeeft, gelijk de slinger van een pendule, de een 's morgens lacht, wanneer de zon opgaat, en de ander 's avonds weent, als ze ondergaat! O, land! zoo grillig en dwaas, als er geen tweede te vinden is, o, allervreemdst en onnatuurlijk gevormd land! wel mogt de geleerde plantenkenner Grimard van u zeggen: "zoo is dat Australië een soort van bespotting der natuurwetten, of liever een uitdaging, aan de geheele overige wereld gedaan!"

Het scheen als of er geen stuiten was aan den snellen stroom van woorden van Paganel. De welsprekende secretaris der Maatschappij van aardrijkskunde was zichzelven niet meer meester; hij redeneerde maar voort onder het maken van hevige gebaren en zwaaide met zijn vork, tot geen geringen angst zijner dischgenooten. Maar eindelijk werd hij overstemd door een donderend bravo! en zweeg hij.

Na die opnoeming van de merkwaardigheden van Australië, dacht men er niet aan om nog meer te vragen. De majoor echter kon niet nalaten heel bedaard te zeggen:

"En is dat alles, Paganel?"

"Wel neen! dat is niet alles!" antwoordde de geleerde met nieuw vuur.

"Hoe?" vroeg Lady Helena, wier nieuwsgierigheid geprikkeld werd, "is er in Australië nog meer vreemds?"

"Ja, mevrouw! zijn klimaat! Dat wint het in zonderlingheid nog van zijn voortbrengselen."

"Welnu komaan!" riep men.

"Ik spreek niet van de voor de gezondheid zoo voordeelige hoedanigheden van het vastland van Australië, waar de lucht zoo rijk is aan zuurstof en zoo arm aan stikstof; er heerschen geen vochtige winden, omdat de passaatwinden evenwijdig met de kusten waaijen, en de meeste ziekten zijn er onbekend, van de typhus af tot de mazelen en de slepende ziekten toe."

"Dat is toch geen gering voordeel," meende Glenarvan.

"Toegestemd, maar daarover spreek ik niet," antwoordde Paganel. "Het klimaat heeft hier een eigenschap die ... ongeloofelijk is."

"Welke?" vroeg John Mangles.

"Gij zult mij niet willen gelooven."

"Jawel!" riepen de toehoorders, die in gespannen verwachting verkeerden.

"Welnu, het is...."

"Wat dan?"

"Het bevordert de zedelijkheid!"

"Bevordert het de zedelijkheid?"

"Ja!" antwoordde de geleerde op stelligen toon. "Ja, het bevordert de zedelijkheid! Hier roesten de metalen niet en de menschen evenmin. De zuivere en drooge lucht maakt hier alles spoedig wit, het linnen en de ziel! De bijzondere eigenschappen van dit klimaat hadden de Engelschen wel goed opgemerkt, toen zij besloten de misdadigers hierheen te zenden."

"Maar is die invloed inderdaad merkbaar?" vroeg lady Glenarvan.

"Ja, mevrouw! op dieren en menschen."

"Schertst gij soms, mijnheer Paganel?"

"Ik scherts niet. Paarden en runderen zijn hier bijzonder gedwee. Gij zult het zien."

"Het is niet mogelijk!"

"En toch is het zoo! En de misdadigers, die in deze levenwekkende en gezonde lucht worden overgebragt, bekeeren zich binnen weinige jaren. De philanthropen zijn met die uitwerking zeer goed bekend. In Australië worden alle karakters beter."

"Maar, mijnheer Paganel!" zeide Lady Helena, "gij zijt reeds zoo goed, wat zult gij dan op dit bevoorregte plekje wel worden?"

"Uitmuntend, mevrouw!" antwoordde Paganel, "heel eenvoudig uitmuntend!"

[1]24 uren gaans.

[1]24 uren gaans.

[2]Van het engelsche werkwoord "to squat", gaan zitten.

[2]Van het engelsche werkwoord "to squat", gaan zitten.

[3]Een gallon = 4,54246 ned. kan.

[3]Een gallon = 4,54246 ned. kan.

Den volgenden dag, 24 December, vertrokken zij bij het krieken van den dag. De warmte was reeds drukkend, maar dragelijk, de weg bijna effen en gunstig voor den stap der paarden. Het kleine gezelschap trok door een dun kreupelbosch. Na een goede dagreis sloeg het zich neder aan den oever van het Witte meer, welks water brak en ondrinkbaar is.

Jacques Paganel moest hier toch erkennen, dat dit meer evenmin wit is, als de Zwarte zee zwart, de Roode zee rood, de Gele rivier geel en de Blaauwe bergen blaauw zijn. Toch dreef hem zijn eigenliefde als aardrijkskundige om lang te redetwisten; maar zijn bewijzen werden niet aangenomen.

Olbinett maakte met zijn gewone stiptheid het avondeten gereed; spoedig daarop vielen de reizigers, eenigen in den wagen, anderen onder de tent in slaap, in weerwil van het akelig gehuil der "dingo's", de sjakals van Australië.

Een heerlijke vlakte, geheel met goudsbloemen bezaaid, strekte zich aan gene zijde van het Witte meer uit. Toen Glenarvan en zijn reisgenooten den volgenden morgen ontwaakten, hadden zij zich gaarne verlustigd in het prachtige schouwspel, dat zich aan hun oog vertoonde. Zij vertrokken. Alleen in de verte verrieden eenige oneffenheden de rijzing van den grond; zoo ver het oog reikte was alles gras en bloemen in hun lentedos. De blaauwe weerschijn van het fijn gebladerde vlas smolt ineen met het scharlakenrood van een hier te huis behoorenden beerenklaauw. Talrijke verscheidenheden van eremophila's verlevendigden dit groen, en de zout bevattende gronden verdwenen onder de ganzevoeten, de melde, de bieten, dezen grijsgroen, die roodachtig van kleur, behoorende tot de snel voortwoekerende familie der sodaplanten. Die planten zijn zeer nuttig voor de nijverheid; want zij geven een uitmuntende soda door verbranding en het uitwasschen der asch. Paganel, die onder de bloemen een kruidkundige werd, gaf al die uiteenloopende voortbrengselen hun eigen naam, en met zijn gewone voorliefde voor cijfers verzuimde hij niet te zeggen, dat men tot nog toe in de flora van Australië vier duizend twee honderd soorten van planten telde, in honderd twintig familiën verdeeld.

Na een tiental mijlen snel afgelegd te hebben, reed de wagen tusschen hooge boschjes acacia's, mimosa's en witte gomboomen, wier bloemen op zoo verschillende wijzen geschikt zijn. Het plantenrijk toonde zich in dit gewest der "spring plains"[1], niet ondankbaar jegens de dagvorstin, en gaf haar in geuren en kleuren terug wat de zon in stralen gaf.

Het dierenrijk was kariger in zijne voortbrengselen. Eenige kasuarissen sprongen in de vlakte rond, zonder dat het mogelijk was ze te naderen. Toch was de majoor behendig genoeg een zeer vreemd dier te schieten, dat weldra uitgestorven zal zijn. Het was een "jabiru", de reusachtige kraanvogel der engelsche kolonisten. Die vogel was vijf voet hoog, en zijn zwarte, breede, kegelvormige bek met zeer spitse punt, achttien duim lang. De paarsche en purpere weerschijn van zijn kop stak sterk af bij het glanzige groen van zijn hals, de schitterende witheid van zijn krop en het heldere rood van zijn lange pooten. De natuur scheen ten zijnen behoeve haar geheele palet met hoofdkleuren te hebben uitgeput.

Het was een "jabiru", de reusachtige kraanvogel der engelsche kolonisten.Het was een "jabiru", de reusachtige kraanvogel der engelsche kolonisten.

Die vogel werd zeer bewonderd, en de majoor zou onverdeeld de eer van den dag genoten hebben, als de jonge Robert niet eenige mijlen verder een wanstaltig dier, half egel, half miereneter, een wezen, dat maar half afgewerkt was, gelijk de dieren uit de eerste tijden der schepping, ontmoet en geveld had. Een lange en kleverige tong hing uit zijn tandeloozen bek, en ving de mieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken.

"Dat is een stekelzwijn," zeide Paganel, die aan dit monotrema terstond zijn waren naam gaf. "Hebt gij ooit zulk een dier gezien?"

"Het is afschuwelijk," antwoordde Glenarvan.

"Afschuwelijk, maar vreemd," hernam Paganel; "bovendien behoort het uitsluitend in Australië te huis en zou men het te vergeefs in ieder ander werelddeel zoeken."

Natuurlijk wilde Paganel het afzigtelijke stekelzwijn medenemen en bij de bagaadje stoppen. Maar Olbinett verzette zich met zooveel verontwaardiging, dat de geleerde er van afzag om dit staaltje van de monotremata te bewaren.

Dien dag kwamen de reizigers tot honderd een en veertig en een halven graad lengte. Tot nog toe hadden zij maar weinig kolonisten en squatters aangetroffen. Het land scheen onbewoond. Van inboorlingen was geen schaduw te zien; want de wilde stammen zwerven meer noordelijk in de onmetelijke woestijnen, die de bijrivieren van de Darling en de Murray besproeijen.

Maar een zonderling schouwspel trok de aandacht van Glenarvan en zijn gezelschap. Hij had het geluk een van die tallooze kudden te ontmoeten, welke door ondernemende speculanten van de oostelijke bergen naar de provinciën Victoria en Zuid-Australië gedreven worden.

's Namiddags omstreeks vier ure berigtte John Mangles, dat er drie mijlen voor hen uit aan den gezigteinder een zware stofwolk opsteeg. Van waar dat verschijnsel? Men was zeer verlegen om er een verklaring van te geven. Paganel helde over tot de meening, dat het een luchtverheveling kon zijn, en zijn werkzame verbeeldingskracht zocht er reeds een natuurlijke oorzaak voor. Maar Ayrton sloot het wijde veld der gissingen, waarop hij zich waagde, af met te zeggen, dat al dat stof opgejaagd werd door een kudde op den weg.

De bootsman bedroog zich niet. De digte wolk kwam naderbij. Een heel concert van geblaat, gehinnik en geloei steeg er uit op. Onder den vorm van schreeuwen, fluiten en vloeken paarde zioh ook de menschelijke stem aan die herderstoonen.

Een man kwam uit die luidruchtige wolk te voorschijn. Het was de hoofdaanvoerder van dat viervoetige leger. Glenarvan ging hem te gemoet en zonder verderen omslag knoopten zij een gesprek aan. De aanvoerder of om hem zijn waren titel te geven, de veehoeder, was eigenaar van een gedeelte der kudde. Hij heette Sam Machell, kwam inderdaad uit de oostelijke provinciën en begaf zich naar de Portlandbaai.

Zijn kudde bestond uit twaalf duizend vijf en zeventig stuks, te weten duizend runderen, elf duizend schapen en vijf en zeventig paarden. Al die dieren, welke slechts vel en been waren, toen hij ze in de vlakten der Blaauwe bergen kocht, zouden vet worden op de heerlijke weiden van Zuid-Australië, waar zij met groote winst afgezet worden. Zoo zou Sam Machell, twee pond per rund en een half pond per schaap winnende, een voordeel hebben van negentig duizend gulden. Het was dus een goede zaak. Maar wat al geduld, wat al inspanning was er niet noodig om die weerbarstige kudde ter bestemder plaatse te brengen, wat al vermoeijenis moest hij er niet voor uitstaan! De winst, welke dat zware beroep oplevert, is zuur verdiend!

Sam Machell vertelde met weinige woorden zijn geschiedenis, terwijl de kudde haar weg vervolgde tusschen de mimosa struiken. Lady Helena, Mary Grant, de ruiters waren allen afgestegen en in de schaduw van een grooten gomboom gezeten, luisterden zij naar het verhaal van den herder.

Sam Machell was al zeven maanden op weg; hij legde per dag tien mijlen af en zijn lange reis moest nog drie maanden duren. Om hem in zijn moeijelijke taak bij te staan had bij twintig honden en dertig menschen, waaronder vijf zwarten, die zeer bedreven waren in het terugvinden van het spoor der afgedwaalde dieren. Zes karren volgden het leger. De drijvers met "stockwipps" gewapend, zweepen, waarvan de steel achttien duim en de riem negen voet lang is, liepen tusschen de rijen door, om de orde, die vaak gestoord werd, te handhaven, terwijl de ligte ruiterij der honden op de vleugels draafde.

De reizigers bewonderden de tucht, die onder de kudde heerschte. De verschillende diersoorten waren van elkander afgezonderd, want runderen en wilde schapen verstaan elkander niet goed; de eersten willen nooit grazen waar de anderen hun voor geweest zijn. Vandaar dat het noodig was de runderen voorop te plaatsen, die in twee bataillons verdeeld, vooruitgingen. Daarop volgden vijf regimenten schapen onder bevel van twintig drijvers, en het peloton paarden maakte de achterhoede uit.

Sam Machell maakte zijn toehoorders opmerkzaam, dat de guides van het leger geen honden of menschen, maar wel runderen, verstandige gidsen waren, wier meerderheid hun natuurgenooten erkenden. Zij liepen in het eerste gelid, spreidden veel deftigheid ten toon, namen uit instinct den regten weg, en waren stellig overtuigd, dat zij regt hadden op een goede behandeling. Zij werden dan ook ontzien; want de kudde gehoorzaamde hun zonder tegenspraak. Vonden zij goed om niet op te houden, dan moest men zich aan die gril onderwerpen, en te vergeefs zou men beproeven na een halt weder op weg te gaan, als zij niet zelven het sein om te vertrekken gaven.

Met nog eenige bijzonderheden, die de veehoeder er bijvoegde, was de geschiedenis van dien togt volledig, die wel waard was door Xenophon beschreven, ja aangevoerd te worden. Zoolang het leger door de vlakte trok ging alles goed. Weinig last, weinig vermoeidheid. De beesten graasden langs den weg, dronken uit de talrijke greppels in de weiden, sliepen 's nachts, reisden over dag, en voegden zich gedwee bijeen op het geblaf der honden. Maar in de groote bosschen van het vastland, tusschen de lage mirte- en mimosa-struiken, namen de moeijelijkheden toe. Pelotons, bataillons en regimenten liepen dooreen of dwaalden af, en dan was er heel wat tijd noodig om ze weer bijeen te krijgen. Verdwaalde er soms bij ongeluk een gids, dan moest hij, wat het ook kosten mogt, terug gevonden worden, wilde men niet alles weg zien loopen, en dan bragten de zwarten soms verscheidene dagen met die moeijelijke nasporingen door. Vielen er zware regenbuijen, dan weigerden de luije dieren verder te gaan, en bij hevige onweders maakte zich een onbeschrijfelijke angst van de razende dieren meester.

Met inspanning van alle krachten en door onafgebrokene werkzaamheid mogt de veehoeder toch zegevieren over die telkens terugkeerende moeijelijkheden. Hij liep maar door, de eene mijl na de andere werd afgelegd, vlakten, bosschen, bergen, alles geraakte eindelijk achter den rug. Maar soms moest hij bij zooveel vereischten ook nog die hoofdeigenschap voegen, die geduld heet, een onwankelbaar geduld, een geduld, dat niet alleen de uren, niet alleen de dagen, maar geheele weken niet konden uitputten, en dat was bij den overtogt der rivieren. Daar werd de veehoeder voor een stroom opgehouden, niet omdat hij onoverkomelijk was, maar omdat de dieren er niet over wilden; de koppigheid van het vee was de eenige hinderpaal. Zoodra de runderen het water opgesnoven hadden, keerden zij terug. De schapen liepen naar alle kanten weg, liever dan zich te water te begeven. De nacht werd afgewacht om de dieren naar de rivier te lokken, niets baatte. Met geweld wierp men de rammen er in, de ooijen wilden hen niet volgen. Men beproefde de kudde door dorst te dwingen en onthield haar onderscheidene dagen lang het noodige water, het vee deed het zonder drinken en waagde zich niet. De lammeren werden naar de overzijde gebragt, in de hoop, dat hun moeders op hun geschreeuw zouden overkomen; de lammeren blaatten, maar de moeders bewogen zich niet. Dat duurde soms een maand, en de veehoeder wist niet meer, wat hij moest beginnen met zijn blatend, hinnikend en loeijend leger. Daar stak op eens, zonder reden, uit een gril, men weet niet waarom noch hoe, een afdeeling de rivier over, en nu had men weer de handen vol om te beletten, dat de heele kudde zich in wanorde in het water stortte. Er kwam verwarring in de gelederen, en vele dieren verdronken in den snellen stroom.

Dat alles vertelde Sam Machell. Intusschen was een groot deel der kudde in goede orde voorbij getrokken. Het was tijd, dat hij zich weder aan het hoofd van zijn leger stelde om de beste weiden op te zoeken. Hij nam dus afscheid van lord Glenarvan, besteeg een uitmuntend inlandsch paard, dat een zijner knechts aan den teugel hield, en ontving van allen een hartelijken handdruk tot afscheid. Weinige oogenblikken daarna was hij in de stofwolk verdwenen.

De wagen hervatte zijn een oogenblik gestaakten togt in de tegenovergestelde rigting, en hield eerst 's avonds aan den voet van den berg Talbot stil.

Paganel maakte nu de gegronde opmerking, dat het de 25steDecember was, het Kersfeest, de groote feestdag in de engelsche huisgezinnen. Maar de hofmeester had het niet vergeten, en een lekker maal, onder de tent aangerigt, verschafte hem den welgemeenden lof der gasten. Om de waarheid te zeggen had Olbinett zichzelven overtroffen. Uit zijn voorraadkamer had hij een aantal europeesche spijzen gehaald, die men zelden zal aantreffen in de woestijnen van Australië. Een rendierham, eenige sneden pekelvleesch, gerookte zalm, een gerste- en haverkoek, thee, zooveel men lustte, whisky in overvloed en eenige flesschen portwijn vormden dit onverwachte maal. Men kon zich bijna verbeelden in de groote eetzaal van het kasteel Malcolm, in het midden der Hooglanden, in het hartje van Schotland te zijn.

Niets toch ontbrak aan dit feestmaal, van de gembersoep af tot de minced-pies van het dessert toe. Paganel oordeelde echter goed te doen, wanneer hij er de vruchten bijvoegde van een wilden oranjeboom, die aan den voet der heuvelen groeide. Het was de "moccaly" der inboorlingen; zijn vruchten zijn vrij smakeloos; maar zijn verpletterde pitten verbranden den mond als cayennepeper. De aardrijkskundige at ze uit liefde tot de wetenschap zoo overdadig, dat ze zijn gehemelte verschroeiden, en hij de vragen, die de majoor over de eigenaardigheden der australische bosschen tot hem rigtte, niet kon beantwoorden.

Den volgenden dag, 26 December, viel er niets voor, dat vermelding verdient. Men trof de bronnen der Norton-kreek, en later de uitgedroogde Mackensie-rivier aan. Het weder bleef zeer schoon, de warmte dragelijk; de wind bleef zuid en verkoelde den dampkring, gelijk op het noordelijk halfrond de noordewind zou gedaan hebben. Paganel deed dit zijn vriendje Robert Grant opmerken.

"Een gelukkige omstandigheid," voegde hij er bij; "want de gemiddelde warmte is grooter op het zuidelijk dan op het noordelijk halfrond."

"Hoe komt dat?" vroeg de knaap.

"Hoe dat komt?" antwoordde Paganel. "Hebt gij dan nooit gehoord, dat de aarde 's winters digter bij de zon is?"

"Ja, mijnheer Paganel!"

"En dat de koude van den winter alleen een gevolg is van de schuine rigting der zonnestralen?"

"Jawel."

"Welnu, mijn jongen! om diezelfde reden is het warmer op het zuidelijk halfrond."

"Dat begrijp ik niet," antwoordde Robert, groote oogen opzettende.

"Denk maar eens na," hernam Paganel. "Wanneer het bij ons, in Europa, winter is, welk jaargetijde heeft men dan hier in Australië, bij onze tegenvoeters?"

"Zomer," zeide Robert.

"Welnu, omdat de aarde dan juist digter bij de zon is ... begrijpt gij?"

"Ik begrijp...."

"Daaruit volgt, dat de zomer in de zuidelijke streken door die nabijheid warmer is dan de zomer der noordelijke landen."

"Dat is zoo, mijnheer Paganel!"

"Zegt men dus, dat de zon "in den winter" digter bij de aarde is, dan geldt dit alleen voor ons, die het noordelijk gedeelte van den aardbol bewonen."

"Daaraan had ik nooit gedacht," antwoordde Robert.

"Zorg dan maar, dat gij dat nooit vergeet, mijn jongen!"

Robert was dankbaar voor dit lesje in de wereldbeschrijving, en vernam ten slotte nog, dat de gemiddelde warmte der provincie Victoria vier en zeventig graden Fahrenheit bedroeg.

's Avonds sloeg het gezelschap zich vijf mijlen aan gene zijde van het Lonsdale-meer neder, tusschen den berg Drummond ten noorden, en den berg Dryden, wiens niet zeer hooge top in het zuiden den gezigteinder voor een gedeelte bedekte.

Den volgenden morgen ten elf ure bereikte de wagen de oevers der Wimerra, onder den honderd drie en veertigsten graad lengte.

De een halve mijl breede rivier stuwde haar helder water tusschen twee hooge rijen gomboomen en acacia's voort. Eenige prachtige mirtplanten, o.a. de "Metrosideros speciosa," verhieven hun lange en neerhangende takken, versierd met roode bloemen, wel vijftien voet hoog. Duizend vogels, wielewalen, vinken, duiven met goudkleurige vleugels, zonder nog te spreken van de snaterende papegaaijen, fladderden in de groene takjes rond. Beneden, op de oppervlakte des waters, zwommen een paar schuwe en ongenaakbare zwarte zwanen. Die vreemde vogel der australische rivieren verdween weldra op de kronkelende Wimerra, die met tallooze bogten die liefelijke streek bespoelde.

Inmiddels had de wagen stilgehouden op een grastapijt, welks franjes over het snelvlietende water hingen. Vlot noch brug was hier te zien. En toch moest men er over. Ayrton was bezig een doorwaadbare plaats te zoeken. Een kwartmijl stroomopwaarts dacht hij, dat de rivier minder diep was, en op die plek besloot hij te beproeven of hij den anderen oever bereiken kon. Een aantal peilingen gaven slechts vier voet water. Zonder veel gevaar kon de wagen zich dus over die ondiepte wagen.

"Is er geen ander middel om de rivier over te trekken?" vroeg Glenarvan den bootsman.

"Neen, mylord!" antwoordde Ayrton; "maar dien overtogt houd ik niet voor gevaarlijk. Wij zullen er wel doorsukkelen."

"Moeten lady Glenarvan en miss Grant den wagen verlaten?"

"Volstrekt niet. Mijn ossen staan vast en ik zal wel zorgen, dat zij op den regten weg blijven."

"Vooruit dan maar, Ayrton! ik vertrouw op u," antwoordde Glenarvan.

De ruiters omringden het lompe voertuig en allen gingen vol moed te water. Gewoonlijk zijn de wagens, wanneer zij die doorwaadbare plaatsen overtrekken, omringd met een gordel van ledige tonnen, die ze boven water houdt. Maar hier miste men dien zwemgordel; men moest het dus laten aankomen op de schranderheid der ossen, die de voorzigtige Ayrton bestuurde. Op den bok gezeten mende deze het span, de majoor en de twee matrozen kliefden den snellen stroom een eind weegs vooruit; Glenarvan en John Mangles hielden zich links en regts van den wagen gereed om de reizigsters bijstand te verleenen. Paganel en Robert sloten den trein.

Alles ging goed tot in het midden der Wimerra. Maar nu werd de gleuf dieper en kwam het water tot boven de velgen. Van de ondiepte afgeraakt, konden de ossen grond verliezen en het wankele rijtuig medeslepen. Ayrton stelde moedig zijn leven bloot; hij sprong in het water, en zich vastklemmende aan de horens der ossen, gelukte het hem ze op den regten weg terug te brengen.

Thans had er een schok plaats, dien niemand had kunnen voorzien; een gekraak liet zich horen; de wagen helde vreeselijk over; het water kwam tot aan de voeten der reizigsters; de geheele toestel dreef af, hoezeer Glenarvan en John Mangles zich aan de kap vastklemden om den wagen overeind te houden. Het was een ontzettend oogenblik.

... de wagen helde vreeselijk over....... de wagen helde vreeselijk over....

Zeer gelukkig bragt een forsche ruk aan het gareel het voertuig digter bij den anderen oever. De bedding der rivier verschafte aan de ossen en paarden een stijgenden weg, en spoedig waren menschen en dieren tot hun groote vreugde hoewel doornat in veiligheid aan den overkant.

Het voorstel van den wagen echter was door den schok gebroken en het paard van Glenarvan had de ijzers van zijn voorpooten verloren.

Dit ongemak moest ten spoedigste hersteld worden. De reizigers keken elkaar zeer verlegen aan, toen Ayrton voorstelde naar het station van Black-Point te gaan, dat twintig mijlen noordelijker lag, en er een hoefsmid vandaan te halen.

"Ga, beste Ayrton! ga!" zeide Glenarvan. "Hoeveel tijd hebt gij noodig voor de heen- en weerreis?"

"Misschien vijftien uren," antwoordde Ayrton, "maar meer niet."

"Vertrek dan, en wij zullen, tot gij terugkomt, aan den oever der Wimerra uitrusten."

Eenige minuten later verdween de bootsman op het paard van Wilson achter een digte gordijn van mimosa 's.

[1]Vlakten door talrijke bronnen besproeid.

[1]Vlakten door talrijke bronnen besproeid.

Het overige van den dag werd met gesprekken en wandelingen doorgebragt. Al pratende en bewonderende liepen de reizigers langs de oevers der Wimerra. De aschgraauwe kraanvogels en de ibissen vlugtten met luid geschreeuw bij hun aannadering. De prachtmees verschool zich in de hooge takken van den wilden vijgenboom, de wielewalen, de zwartkeeltjes, de kraaghoppen fladderden tusschen de trotsche stengels der leliën, de ijsvogels staakten hun gewone vischvangst, terwijl de geheele beschaafder familie der papegaaijen, de "blue-mountain" pronkende met de zeven kleuren van den regenboog, de kleine "roschill" met zijn scharlaken rood kopje en geele keel, en de "lori" met zijn rood en blaauw gevederte, hun oorverdoovend gekakel op den top der bloeijende gomboomen voortzetten.

Nu eens op het gras aan den oever van het murmelende water uitgestrekt, dan weer rondslenterende tusschen de mimosa-struiken, bewonderden de wandelaars tot het vallen van den avond toe die schoone natuur. De nacht, die slechts door een kortstondige schemering voorafgegaan werd, overviel hen een halve mijl van de legerplaats af. Bij hun terugtogt rigtten zij zich niet naar de poolster, die op het zuidelijk halfrond onzigtbaar is, maar naar het zuiderkruis, dat halverwege den gezigteinder en het toppunt schitterde.

... de nacht overviel hen een halve mijl van de legerplaats af.... de nacht overviel hen een halve mijl van de legerplaats af.

Olbinett had het avondeten onder de tent opgedischt. Allen zetten zich aan tafel. De hoofdschotel was een zeker gebraad van papegaaijen, die Wilson heel handig geschoten en de hofmeester lekker klaar gemaakt had.

Toen het avondeten afgeloopen was, zocht elk om strijd naar een voorwendsel om de eerste uren van zulk een schoonen nacht niet slapend door te brengen.

Lady Helena stelde allen tevreden door Paganel te verzoeken de geschiedenis der groote australische reizigers te vertellen, een geschiedenis, die hij hun reeds voor lang beloofd had.

Dat was koren op den molen van Paganel. Zijn toehoorders zetten zich neer aan den voet van een prachtigen banksia; de rook der sigaren steeg weldra omhoog tot aan het gebladerte, dat in de schaduw wegschool, en in het vertrouwen op zijn ijzersterk geheugen nam de aardrijkskundige terstond het woord.

"Gij herinnert u, vrienden! en de majoor althans zal het nog wel weten, de lijst van reizigers, die ik u aan boord van deDuncanopgaf. Van al degenen, die in het binnenland trachtten door te dringen, mogt het er slechts aan vier gelukken het van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden te doorkruisen. Het zijn: Burke, in 1860 en 61; Mac Kinlay, in 1861 en 62; Landsborough in 1862, en Stuart, ook in 1862. Van Mac Kinlay en Landsborough heb ik maar weinig te vertellen. De eerste ging van Adelaïde naar de golf van Carpentaria, de tweede van de golf van Carpentaria naar Melbourne; beiden waren door australische vereenigingen uitgezonden om Burke op te sporen, die niet meer te voorschijn kwam en ook nooit terug zal komen.

"Burke en Stuart, dat zijn de twee stoute reizigers, over wie ik zal spreken, en ik begin nu zonder verdere voorafspraak.

"Den 20stenAugustus 1860 vertrok op last van de koninklijke Maatschappij te Melbourne, een gewezen iersch officier en oud-inspecteur van politie te Castlemaine, Robert O'Hara Burke geheeten. Elf personen vergezelden hem: William John Wills, een jeugdig veelbelovend sterrekundige, doktor Beckler, een kruidkundige, Gray, King, een jeugdig militair uit het indische leger, Landells, Brahe, en verscheidene cipayers. Vijf en twintig paarden en evenveel kameelen droegen de reizigers, hun bagaadje en levensmiddelen voor achttien maanden.

"De reizigers moesten zich langs de Cooper-rivier naar de golf van Carpentaria op de noordkust begeven. Zij kwamen zonder ongeval over de Murray en de Darling en bereikten het station van Menindie, op de uiterste grens der koloniën.

"Daar zag men in, dat de menigte bagaadje zeer lastig was. Dit bezwaar en een zekere ruwheid van karakter van Burke zaaiden oneenigheid in het gezelschap. Landells, de opzigter over de kameelen, scheidde zich met eenige hindoesche bedienden van de overigen, en keerde naar de oevers der Darling terug; Burke zette den togt voort. Nu eens door heerlijke, rijk bewaterde weiden, dan weer over steenachtige en waterlooze wegen, zakte hij naar de Cooper's kreek af. Den 20stenNovember, drie maanden na zijn vertrek, legde hij de eerste bewaarplaats van levensmiddelen op den oever der rivier aan.

"Hier werden de reizigers eenigen tijd opgehouden, omdat zij geen bruikbaren weg naar het noorden vonden, een weg, waarop zij geen gebrek aan water behoefden te vreezen. Na groote moeijelijkheden sloegen zij zich neer op een plaats, die zij het fort Wills noemden. Zij maakten er een post van met palissaden omringd, halverwege Melbourne en de golf van Carpentaria gelegen. Daar verdeelde Burke zijn gezelschap in tweeën. Eenigen moesten onder bevel van Brahe drie maanden, en liet de voorraad het toe, nog langer in het fort Wills blijven en de terugkomst der anderen afwachten. De andere afdeeling bestond uit Burke, King, Gray en Wills. Zij namen zes kameelen mede, beladen met levensmiddelen voor drie maanden, dat is drie centenaars meel, vijftig pond rijst, vijftig pond havermeel, een centenaar gedroogd paardevleesch, honderd pond gezouten varkensvleesch en spek, en dertig pond beschuit, voldoende om heen en terug zes honderd uren af te leggen.

"Die vier mannen vertrokken. Na een moeijelijke reis door een steenachtige woestijn kwamen zij aan de rivier de Eyre, het uiterste punt, dat Sturt in 1845 bereikte, en van daar zoo naauwkeurig mogelijk den honderd veertigsten lengtegraad volgende, rigtten zij zich noordwaarts.

"Den 7denJanuarij bereikten zij onder een brandende zon den keerkring. Bedriegelijke luchtspiegelingen misleidden hen soms, dikwijls hadden zij gebrek aan water, dan weder verfrischten hen hevige regenbuijen, van tijd tot tijd troffen zij eenige zwervende inlanders aan, die hun geen leed deden; kortom, zij hadden met weinig bezwaren te kampen op een weg die door geen meren, rivieren noch bergen werd versperd."

"Den 12denJanuarij vertoonden zich in het noorden eenige zandsteenheuvels; o.a. de berg Forbes en een reeks granietketenen, "ranges" genoemd. Daar kwam de vermoeijenis eerst aan. Ter naauwernood vorderden zij. De dieren weigerden voort te gaan: "Altijd in deranges! de kameelen zweeten van angst!" schrijft Burke in zijn zakboekje. Toch komen de reizigers na ontzaggelijke inspanning aan de oevers der rivier de Turner, vervolgens aan den bovenloop der Flinders-rivier, die Stokes in 1841 zag, en die zich door palm- en gomboomen omzoomd in de golf van Carpentaria werpt.

"De nabijheid van den oceaan bleek uit een aaneenschakeling van moerassige gronden. Een der kameelen zonk er in weg. De anderen wilden niet verder gaan. King en Gray moesten er bij blijven. Burke en Wills zetten hun reis in een noordelijke rigting voort, en na groote moeijelijkheden, die in hun aanteekeningen zeer onduidelijk worden verhaald, bereikten zij een punt waar de vloed de moerassen overstroomde; maar zij zagen den oceaan niet. Dat was den 11denFebruarij 1861."

"Dus konden die stoute mannen niet verder gaan?" vroeg lady Glenarvan.

"Neen, mevrouw!" antwoordde Paganel. "De moerassige grond zonk onder hun voeten weg, en zij moesten er nu op bedacht zijn om hun reisgenooten in het fort Wills weer op te zoeken. Een treurige terugreis, dat verzeker ik u! Zwak en krachteloos sleepten Burke en zijn makker zich voort, tot zij Gray en King terugvonden. Vervolgens begaven zij zich zuidwaarts naar de Cooper's-kreek, langs denzelfden weg, dien zij gekomen waren.

"De angst, de gevaren, het lijden, dat zij op die reis uitstonden, zijn ons slechts ten deele bekend; want het zakboekje der reizigers zwijgt er van. Maar het moet verschrikkelijk geweest zijn."

"In de maand April toch, toen zij in de Cooper-vallei aankwamen, waren zij nog maar met hun drieën. Gray was onder het lijden bezweken. Vier kameelen waren dood. Gelukt het Burke nu maar het fort Wills te bereiken, waar Brahe hem met zijn voorraad levensmiddelen wacht, dan zijn hij en zijn makkers gered. Zij verdubbelen hunne pogingen; zij slepen zich nog eenige dagen voort; den 21stenApril bemerken zij de palissaden van het fort. Zij bereiken het!... Dienzelfden dag was Brahe na vijf maanden vergeefs gewacht te hebben, vertrokken."

"Vertrokken!" riep de jonge Robert.

"Ja, vertrokken! dienzelfden dag, door een jammerlijke gril van het lot! Het briefje, dat Brahe achtergelaten had, was nog geen zeven uren oud! Burke kon er niet aan denken hem in te halen. De ongelukkige verlatenen verkwikten zich een weinig met den voorraad, dien zij vonden. Maar het ontbrak hun aan middelen van vervoer, en honderd vijftig uren scheidden hen nog van de Darling.

"Nu krijgt Burke, in strijd met de meening van Wills, het in het hoofd om de australische nederzettingen te bereiken, die digt bij den berg Hopeless, zestig uren van het fort Wills, liggen. Zij gaan op weg. Van de twee overgebleven kameelen smoort er een in een modderigen zijtak van de Cooper's-kreek; de andere kan geen stap meer doen; men moet hem dooden en zich met zijn vleesch voeden. Weldra zijn de levensmiddelen op. De drie ongelukkigen zijn verpligt zich met "nardou" te voeden, een waterplant, welker kiemkorrels eetbaar zijn. Uit gebrek aan water, uit gebrek aan middelen om het te vervoeren, kunnen zij zich niet van de oevers der Cooper verwijderen. De vlammen verslinden hun hut en hun reisbenoodigdheden, zij zijn verloren! De dood grijnst hen aan!

"Burke riep King bij zich en zeide: "Mij schieten nog maar eenige uren levens over: ziedaar mijn horlogie en mijn aanteekeningen. Wanneer ik dood ben, verlang ik, dat gij mij een pistool in de regterhand geeft, en dat gij mij onbegraven in dezelfde houding laat zitten!" Dit waren Burke's laatste woorden. Den volgenden morgen ten acht ure gaf hij den geest.

De dood van Burke.De dood van Burke.

"Ontsteld en radeloos ging King een australischen volksstam opzoeken. Toen hij terug kwam, was Wills ook reeds gestorven. Wat King aangaat, deze werd door inboorlingen verpleegd en in de maand September door het gezelschap van Howitt teruggevonden, die te gelijk met Mac Kinlay en Landsborough uitgezonden was om Burke op te sporen. Van de vier reizigers overleefde er dus maar een dien togt over het vastland van Australië."

Het verhaal van Paganel had een pijnlijken indruk achtergelaten in het gemoed zijner hoorders. Allen dachten aan kapitein Grant, die misschien evenals Burke en de zijnen ronddoolde in het hart van dat noodlottige vastland. Waren de schipbreukelingen ontsnapt aan het lijden, dat die stoute baanbrekers trof? Die overpeinzing was zoo natuurlijk, dat Mary Grant er de tranen door in de oogen kwamen.

"Mijn vader! mijn arme vader!" jammerde zij.

"Miss Mary! miss Mary!" riep John Mangles, "zulke rampen kunnen alleen hem treffen, die zich in de binnenlanden waagt! Maar kapitein Grant is immers evenals King in de handen der inboorlingen, en evenals King zal hij gered worden! Nooit heeft hij zich in zulk een droevigen toestand bevonden!"

"Nooit!" voegde Paganel er bij, "en ik herhaal het, lieve miss! de Australiërs zijn herbergzaam."

"God geve, dat gij de waarheid spreekt!" antwoordde het meisje.

"En Stuart?" vroeg Glenarvan, die eenige afleiding wilde geven aan den stroom dier treurige gedachten.

"Stuart?" herhaalde Paganel. "O, Stuart is gelukkiger geweest, en zijn naam prijkt met eere in de australische jaarboeken. Reeds van het jaar 1848 af bereidde zich John Mac Doual Stuart, uw landgenoot, vrienden! op zijn reizen voor, door Stuart te vergezellen in de woestijnen ten noorden van Adelaïde. In 1860 poogde hij, maar te vergeefs, door slechts twee mannen vergezeld, in het binnenland van Australië door te dringen. Hij was er echter de man niet naar om zich te laten ontmoedigen. Op Nieuwjaarsdag van het jaar 1861 verliet hij aan het hoofd van elf vastberaden makkers de Chambers-kreek, en hield eerst stil op zestig uren van de golf van Carpentaria; maar gebrek aan levensmiddelen dwong hem naar Adelaïde terug te keeren, zonder dat hij het vreeselijke vastland had doorreisd. Toch durfde hij nog een kans wagen, en ontwierp hij het plan tot een derden togt, die ditmaal het zoo vurig gewenschte doel mogt bereiken.

"Het parlement van Zuid-Australië trok zich dat nieuwe onderzoek sterk aan; het verleende een subsidie van twee duizend pond sterling. Stuart verzuimde geen van de voorzorgen, die de ondervinding op zijn vorige togten hem als noodig had doen kennen. Zijn vrienden, de natuurkundige Waterhouse, zijn vroegere medereizigers Thring en Kekwick, benevens Woodforde en Auld, in het geheel tien personen, voegden zich bij hem. Hij nam twintig zakken van amerikaansch leder mede, die elk zeven gallons konden inhouden, en den 5denApril 1862 was het gezelschap bijeen aan het New-Castle-Water, over den achttienden graad breedte, hetzelfde punt, dat Stuart niet had kunnen overschrijden. Zijn weg liep ongeveer langs den honderd een en dertigsten graad lengte en dus zeven graden westelijker dan die van Burke.

"Het New-Castle-Water zou de grondslag zijn der nieuwe onderzoekingen. Door digte bosschen omringd, poogde Stuart te vergeefs zich ten noorden en ten noordoosten een weg te banen. Evenmin gelukte het hem om in westelijke rigting de Victoria-rivier te bereiken, ondoordringbaar struikgewas sloot elken uitweg af.

"Nu besloot Stuart van legerplaats te veranderen, en het gelukte hem ze een weinig noordelijker, in de moerassen van Hower te verplaatsen. Van daar oostwaarts trekkende ontdekte hij te midden van grasrijke vlakten de beek Daily, die hij een dertig mijlen ver volgde.

"De streek werd prachtig; een squatter een met zulke weiden regt in zijn schik geweest zijn en er spoedig rijk worden, de gomboomen bereikten er een ontzettende hoogte. Vol verbazing ging Stuart steeds verder; hij bereikte de oevers der Strangway en der Roper's-kreek, die Leichardt ontdekt had; haar wateren stroomden tusschen palmboomen door, die zulk een tropische streek waardig waren; daar woonden inlandsche stammen, bij wie de reizigers goed ontvangen werden.

"Van dit punt af rigtten zij zich naar het noord-noordwesten om in een landstreek met zandsteen en ijzerhoudende rotsblokken bedekt de bronnen der Adelaïde op te sporen, een rivier, die zich in de golf van Van Diemen stort. Zij trokken nu door Arnhemsland, te midden van palmkool, bamboes, dennen en slingerplanten. De Adelaïde werd breeder, haar oevers werden moerassig; de zee was nabij.

"Dingsdag, dan 22stenJulij, was Stuart in de moerassen van Fresh-water gelegerd, waar de tallooze beken, die zijn weg doorsneden, hem zeer hinderlijk waren. Hij zond drie der zijnen uit om bruikbare wegen op te zoeken; 's anderen daags bereikten hij, na ondoorwaadbare kreeken omgetrokken en dikwijls in de slijkerige gronden weggezakt te zijn, eenige hooge met gras begroeide plekken, waar boschjes gomboomen en boomen met vezelachtige schors groeiden; daar vlogen ganzen, ibissen en zeer schuwe watervogels bij heele troepen rond. Inboorlingen waren er bijna in het geheel niet te zien. Alleen in de verte steeg de rook van eenige legerplaatsen omhoog.

"Den 24stenJulij, negen maanden na zijn vertrek uit Adelaïde, vertrok Stuart 's morgens twintig minuten over achten in een noordelijke rigting; dienzelfden dag wil hij de zee bereiken; het land glooit zachtjes en is bezaaid met ijzererts en vulkanische steenen; de boomen verschrompelen, een gevolg van den zeewind; een alluviale vallei vertoont zich, door een gordijn van struiken begrensd. Stuart hoort duidelijk het geraas der branding; maar hij zegt er zijn makkers niets van. Zij dringen in een kreupelbosch, dat loten van een wilden wijnstok ondoordringbaar maken.

"Stuart doet eenige schreden vooruit. Hij staat aan den oever van den Indischen oceaan! "De zee! de zee!" roept Thring verbaasd uit. De anderen komen aanloopen en begroeten den Indischen oceaan met een driewerf herhaald hoera!

"Het vastland was ten vierden male doorkruist!

"Overeenkomstig zijn belofte aan den gouverneur, Sir Richard Madonnell, gedaan, baadde Stuart zijn voeten en wiesch hij zijn aangezigt en handen in de golven der zee. Daarop keerde hij naar het dal terug en sneed in een boom zijn voorletters J.M.D.S. Aan een stroomend beekje sloegen zij een legerplaats op.

"'s Anderen daags ging Thring onderzoeken, of de mond der Adelaïde ook in zuidwestelijken rigting bereikt kon worden; maar de grond was te moerassig voor den voet der paarden; zij moesten het opgeven.

"Nu zoekt Stuart op een opene plaats een hoogen boom. Hij hakte er de takken van af, en heesch de australische vlag in top. In de schors van den boom werden deze woorden gesneden:zoek een voet ten zuiden in den grond.


Back to IndexNext