Stuart heesch de australische vlag in top.Stuart heesch de australische vlag in top.
"En wanneer eenmaal een reiziger op de aangeduide plaats in den grond graaft, zal hij een blikken doos vinden en daarin een document, welks inhoud in mijn geheugen gegrift is:
Groote ontdekkingsreis en togt van het zuiden naar het noorden van Australië.
"De reizigers, onder bevel van John Mac Doual Stuart zijn hier den 25stenJulij 1862 aangekomen, na geheel Australië van de Zuidzee tot aan de oevers van den Indischen oceaan, door het binnenland heen, bereisd te hebben. Zij hadden Adelaïde den 21stenJanuarij 1861 verlaten en den 26stenOctober 1861 vertrokken zij noordwaarts uit het laatste station der kolonie. Ter gedachtenis aan dit gelukkige voorval, hebben zij hier de australische vlag met den naam van den aanvoerder der expeditie ontplooid. Alles is wel. God bescherme de koningin!"
"Daarop volgen de onderteekeningen van Stuart en zijn reisgenooten.
"Zoo werd die groote gebeurtenis aan de vergetelheid ontrukt, die door de geheele wereld met verbazing werd vernomen."
"En hebben al die moedige mannen hun vrienden in het zuiden teruggezien?" vroeg lady Helena.
"Ja, mevrouw!" antwoordde Paganel; "allen, maar niet zonder vreeselijke vermoeijenissen. Stuart had het meest te lijden; zijn leven werd door de scheurbuik bedreigd, toen hij op de terugreis naar Adelaïde was. In het begin van September verergerde zijn kwaal zoo, dat hij niet anders dacht, of hij zou de bewoonde streken niet meer terugzien. Hij kon niet meer in den zadel blijven zitten; hij moest in een draagkoets liggende, die tusschen twee paarden inhing, verder reizen. Tegen het einde van October bragten bloedspuwingen hem aan den rand des grafs. Er werd een paard gedood om bouillon voor hem te koken; den 28stenOctober dacht hij te sterven, toen een heilzame crisis hem redde, en den 10denDecember bereikte het geheele gezelschap de eerste nederzettingen.
"Den 17denDecember deed Stuart te Adelaïde zijn intogt onder het vreugdegejuich der opgetogen menigte. Maar hij bleef sukkelend, en kort daarop scheepte hij zich, na de groote gouden medaille der Maatschappij van aardrijkskunde verkregen te hebben, op deIndusnaar zijn geliefd Schotland, zijn vaderland, in, waar wij hem bij onze terugkomst zullen wederzien[1]."
"Hij was een man met buitengewoon veel geestkracht begaafd," zeide Glenarvan, "en beter dan ligchaamskracht stelt zij in staat om groote dingen te verrigten. Schotland is er teregt trotsch op hem onder zijn zonen te mogen tellen."
"En heeft na Stuart geen reiziger meer nieuwe ontdekkingstogten ondernomen?" vroeg lady Helena.
"Jawel, mevrouw!" antwoordde Paganel. "Ik heb reeds dikwijls van Leichardt gesproken. Deze reiziger had reeds in 1844 een merkwaardigen togt door Noord-Australië gedaan. In 1848 ondernam hij een nieuwe reis naar het noord-oosten. In geen zeventien jaar heeft men iets meer van hem gehoord. Verleden jaar heeft de vermaarde plantenkenner, docter Muller, te Melbourne een openbare inschrijving geopend om de kosten eener expeditie te dekken. Spoedig was de lijst volgeteekend, en den 21stenJunij 1864 heeft een troep moedige squatters onder bevel van den bekwamen en moedigen Mac Intyre de grasrijke oevers der Paroo verlaten. Op dit oogenblik moeten zij ter opsporing van Leichardt reeds diep in het binnenland doorgedrongen zijn. Mogen zij slagen en mogen ook wij, even als zij, de vrienden, die ons dierbaar zijn, terug vinden!"
Hier eindigde het verhaal van den aardrijkskundige. Het uur was reeds vergevorderd. Allen bedankten Paganel en weinige oogenblikken daarna sliepen zij gerust, terwijl de klok vogel, in het gebladerte der witte gomboomen verborgen, in de stilte van den nacht geregeld de minuten aangaf.
[1]Jacques Paganel heeft Stuart na zijn terugkomst in Schotland kunnen wederzien; maar hij heeft zich niet lang in den omgang met dien vermaarden reiziger mogen verheugen. Stuart is den 5deJuny 1866 in een geringe woning te Nottingham-Hill overleden.
[1]Jacques Paganel heeft Stuart na zijn terugkomst in Schotland kunnen wederzien; maar hij heeft zich niet lang in den omgang met dien vermaarden reiziger mogen verheugen. Stuart is den 5deJuny 1866 in een geringe woning te Nottingham-Hill overleden.
Niet zonder eenigen angst had de majoor Ayrton de legerplaats aan de Wimerra zien verlaten om in het station te Black-Point een hoefsmid te gaan halen. Maar hij liet zich geen woord ontvallen van zijn persoonlijk wantrouwen, en vergenoegde zich met op de omstreken der rivier een wakend oog te houden. De rust dier vreedzame velden werd in het geheel niet gestoord, en na eenige uren verrees de zon weder boven de kimmen.
Glenarvan daarentegen vreesde alleen, dat Ayrton onverrigter zake terug mogt keeren. Bij gebrek aan werkvolk kon de wagen niet verder. Het oponthoud zou misschien verscheidene dagen duren, en ongeduldig om te slagen, vurig verlangend zijn doel te bereiken, kon Glenarvan geen uitstel dulden.
Gelukkig had Ayrton zijn tijd niet verspild noch vergeefsche moeite gedaan: 's anderen daags kwam hij met zonsopgang terug. Er was iemand bij hem, die zich voor een hoefsmid uit het station Black-Point uitgaf. Het was een stevige lange kerel, maar zijn gemeen en beestachtig gezigt nam niet gunstig voor hem in. Maar dat kwam er niet veel op aan, als hij zijn vak maar verstond. In allen gevalle praatte hij weinig en hij versleet zijn tong niet met noodeloos gebabbel.
"Is het een bekwaam werkman?" vroeg John Mangles den bootsman.
"Ik ken hem evenmin als gij, kapitein!" antwoordde Ayrton, "wij zullen zien."
De hoefsmid ging aan het werk. Het was een man van het vak, dat kon men wel zien aan de manier, waarop hij het voorstel van den wagen herstelde. Hij werkte handig en legde daarbij buitengewone ligchaamskracht aan den dag. De majoor merkte op, dat het vleesch van zijn handgewrichten sterk weggevreten was en een zwartachtigen ring van uitgestort bloed vertoonde. Dit was het teeken van een versche wond, die slechts ten halve verborgen werd door de mouwen van een slecht wollen hemd. Mac Nabbs vroeg den hoefsmid naar de oorzaak van dat ongemak, dat zeer pijnlijk moest zijn. Maar hij gaf geen antwoord en ging voort met zijn werk. Na verloop van een paar uur was de schade aan den wagen hersteld. Het paard van Glenarvan was ook spoedig gereed. De hoefsmid had gezorgd de hoefijzers kant en klaar mee te brengen. Die ijzers hadden iets bijzonders, dat den majoor niet ontging. Het was een klaverblad, dat van voren ruw afgehakt was. Mac Nabbs liet het aan Ayrton zien.
"Dat is het merk van Black-Point," antwoordde de bootsman. "Daardoor kan men de paarden nagaan, die van het station wegloopen, zonder ze met andere te verwarren."
De ijzers zaten weldra aan den hoef van het paard. Daarna vorderde de hoefsmid zijn loon en ging heen zonder vier woorden gesproken te hebben.
Een half uur later waren de reizigers op weg. Achter de gordijn van mimosa's strekte zich een opene ruimte uit, die haar naam "open plein" teregt droeg. Eenige kwarts- en ijzerhoudende steenblokken lagen tusschen de struiken, het hooge gras en de palissaden, binnen welke talrijke kudden graasden. Eenige mijlen verder maakten de wielen van den wagen diepe sporen in den drassigen bodem, door kreeken doorsneden, die half verscholen waren onder een kleed van reusachtig riet. Daarop kwam men door uitgestrekte zoutsteppen, wier verdamping in vollen gang was. De reis leverde geen moeijelijkheden op en om de waarheid te zeggen, niemand verveelde zich.
Lady Helena noodigde de ruiters uit haar ieder op zijn beurt te komen bezoeken, want haar salon was zeer bekrompen. Maar zoo verpoosde ieder zich van de vermoeienissen van het paardrijden, en ontspande zich in het gesprek met die beminnelijke vrouw. Met behulp van miss Mary hield lady Helena met de grootste bevalligheid de eer van haar verplaatsbaar salon op. John Mangles werd bij die dagelijksche uitnoodigingen niet vergeten, en de ernstiger toon van zijn gesprek mishaagde niet. Integendeel.
Zoo sneed men dwars den postweg van Crowland naar Horsham, een zeer stoffigen weg, waarvan de voetgangers weinig gebruik maakten. Op de grens van het graafschap Talbot ging men digt voorbij eenige lage heuvelklingen, en 's avonds kwam het gezelschap tot drie mijlen boven Maryborough. Er viel een fijne regen, die in ieder ander land den grond doornat zou gemaakt hebben; maar hier nam de lucht de vochtigheid zoo volkomen en zoo spoedig op, dat zij er geen last van hadden.
Den volgenden dag, den 29stenDecember, werd de reis eenigsins vertraagd door een aaneenschakeling van bergjes, die een klein Zwitserland vormden. Het ging onophoudelijk bergop bergaf, en menige onzachte schok bleef niet uit. De reizigers gingen een eind weegs te voet, en gevoelden er geen spijt over.
Ten elf ure kwamen zij te Carlsbrook, een vrij aanzienlijke gemeente. Ayrton wilde de stad om-, niet doorrijden, om tijd te winnen, naar hij zeide. Glenarvan was het met hem eens; maar de altijd nieuwsgierige Paganel wenschte Carlsbrook te bezigtigen. Men liet hem begaan, terwijl de wagen zachtjes voortreed.
Naar gewoonte nam Paganel Robert mede. Zijn bezoek aan de gemeente duurde maar kort, maar toch lang genoeg om hem een naauwkeurig overzigt van de australische steden te geven. Er was een bank, een geregtshof, een markt, een school, een kerk, en een honderdtal huizen, allen naar hetzelfde model van baksteenen opgetrokken. Alles was naar den engelschen bouwtrant in den vorm van een regelmatigen vierhoek, met evenwijdig loopende straten doorsneden, aangelegd. Niets is eenvoudiger, maar ook niets onbevalliger. Wanneer de stad uitgebreider wordt, verlengt men de straten, evenals men den broek van een kind uitlegt, dat grooter wordt, zoodat de oorspronkelijke evenredigheid niet in het minst verbroken wordt.
Er heerscht veel bedrijvigheid te Carlsbrook, een opmerkelijk verschijnsel in die steden, welke eerst van gisteren dagteekenen. In Australië schijnen de steden als boomen door de zonnewarmte uit den grond op te schieten. De straten waren vol menschen, die het allen even druk hadden; goudverzenders verdrongen elkander aan de bureaux, waar het aankwam; onder geleide van een inlandsche politiemagt kwam het kostbare metaal uit de mijnen van Bendigo en den Alexander-berg. Al die lieden, welke het eigenbelang voortjoeg, dachten alleen aan hun zaken, en de vreemdelingen werden in die woelige menigte niet eens opgemerkt.
Na een uur doorgebragt te hebben met Carlsbrook te doorloopen, voegden de beide bezoekers zich bij hun reisgenooten, die een zorgvuldig bebouwde vlakte doortrokken. Daaraan grensden groote weiden, bekend onder den naam van "Low Level plains," met tallooze kudden en herdershutten bedekt. Daarop vertoonde zich zonder eenigen overgang de woestijn, met het onverwachte, dat aan de natuur in Australië eigen is. De heuvelen van Simpson en de Tarrangower-berg wezen de plaats aan, waar het district Loddo in het zuiden den honderd vier en veertigsten graad lengte aanraakt.
Intusschen had men tot nog toe geen enkelen stam van in den Wilden staat verkeerende inboorlingen aangetroffen. Glenarvan vroeg zich af, of er in Australië geen Australiërs waren, evenals de Indianen in de argentijnsche pampa's ontbroken hadden. Maar Paganel zeide hem, dat de wilden op deze breedte de vlakten van de Murray bezochten, die honderd mijlen oostelijker liggen.
"Wij naderen het goudland," zeide hij; "binnen twee dagen zullen wij het rijke gewest van den Alexanderberg doortrekken. Daar is in 1852 de wolk van goudzoekers neergestreken. De inboorlingen hebben de wijk moeten nemen naar de woestijnen in het binnenland. Wij zijn in een beschaafd land, al zou men het niet zeggen, en voor den avond nog zal onze weg den spoorweg gesneden hebben, die de Murray met de zee verbindt. Ik mag het niet zwijgen, vrienden! een spoorweg in Australe is in mijn oog iets heel vreemds."
"Waarom dat, Paganel?" vroeg Glenarvan.
"Waarom? wel, omdat mijn verstand daar niet bij kan. O, ik weet wel, dat gij Engelschen, gewoon uw afgelegene bezittingen te koloniseeren, die electrische telegrafen en wereldtentoonstellingen op Nieuw-Zeeland hebt, dat alles heel eenvoudig zult vinden! Maar dat brengt een Franschman, zooals ik ben, van de wijs en verwart al zijn denkbeelden over Australiën."
"Omdat gij aan het verledene denkt en het tegenwoordige over het hoofd ziet," antwoordde John Mangles.
"Toegestemd," hernam Paganel; "maar snuivende locomotieven in de woestijn, stoom, die om de takken der mimosa's heen krinkelend omhoog stijgt, miereneters, vogelbekdieren en kasuarissen, die voor de sneltreinen vlugten, wilden, die den trein van drie uren dertig minuten nemen om van Melbourne naar Kyneton, naar Castlemaine, Sandhurst of naar Echuca te gaan, dat alles zal wel de verwondering wekken van een ieder, die geen Engelschman of Amerikaan is. Met uw spoorwegen verdwijnt de poëzie der woestijn."
"Wat maakt dat uit, als de vooruitgang er maar in doordringt!" antwoordde de majoor.
Een schel fluitje maakte een einde aan het gesprek. De reizigers waren geen mijl van den spoorweg af. Een locomotief, die uit het zuiden kwam en stopte, bleef juist staan op het punt, waar de ijzerbaan en den weg, dien de wagen bereed, elkander kruisten.
Die spoorweg verbond, zooals Paganel gezegd had, de hoofdstad van Victoria met de Murray, de grootste rivier van Australië. Die ontzaggelijke stroom, welken Stuart in 1828 ontdekte, komt uit de australiscbe Alpen, neemt de Lachlan en de Darling op, maakt de noordelijke grens der provincie Victoria uit, en valt bij Adelaïde in de Encounter-baai. Hij loopt door rijke en vruchtbare streken, en de stations der squatters nemen in zijn stroomgebied sterk toe, ten gevolge van de gemakkelijke gemeenschap met Melbourne, die de spoorweg tot stand heeft gebragt.
Die spoorweg was nu over een lengte van honderd en vijf mijlen tusschen Melbourne en Sandhurst geopend, en liep voorbij Kyneton en Castlemaine. In aanleg was nog een lengte van zeventig mijlen tot Echuca, de hoofdplaats der Riverine-kolonie, die in ditzelfde jaar aan de Murray gesticht was.
De zeven en dertigste parallel sneed den spoorweg eenige mijlen boven Castlemaine, juist bij de Camden-brug, die over de Lutton, een der talrijke zijtakken van de Murray, was gelegd.
Naar dit punt rigtte Ayrton zijn wagen; de ruiters galoppeerden een poosje vooruit tot aan de Camden-brug. Een levendig gevoel van nieuwsgierigheid lokte hen daarheen.
Een talrijke menigte toch begaf zich naar de spoorbrug. De bewoners der omliggende stations verlieten hun huizen, de herders hun kudden, en allen verdrongen zich op de toegangen tot den weg. Duidelijk hoorde men het herhaald geroep:
"Naar den spoorweg! naar den spoorweg!"
Zeker had er een ernstig voorval plaats gehad, dat al die opschudding veroorzaakte. Misschien een groote ramp.
Glenarvan en zijn reisgenooten zetten hun paarden aan. In weinige minuten kwamen zij bij de Camden-brug. Daar werd hun de oorzaak dier zamenscholing weldra duidelijk.
Een vreeselijk ongeluk had er plaats gehad, dat de toeschouwers aan de ergste rampen op de amerikaansche spoorwegen deed denken: de trein had wel geen anderen ontmoet, maar was uit het spoor geraakt en in de diepte gestort. De rivier, over welke de spoorweg liep, was gedempt met brokken van de wagens en de locomotief. Hetzij de brug onder den last van den trein was bezweken, hetzij de wagens uit het spoor waren geraakt, vijf van de zes rijtuigen waren met de locomotief in de bedding der Lutton neergestort. Alleen de laatste waggon, die wonderdadig behouden was gebleven door het breken van den ketting, was een paar voet van den afgrond blijven staan. Beneden was het een akelige opeenhooping van zwarte en gebroken assen, vernielde wagens, omgebogen spoorstaven en verkoolde dwarsbalken. De stoomketel, die door den schok gesprongen was, had de ijzeren platen tot op ontzettende afstanden geslingerd. Uit dien verwarden hoop onkenbare voorwerpen stegen nog eenige vlammen en stoom met een zwarten rook vermengd omhoog. Op den vreeselijken val was de nog vreeselijker brand gevolgd! Hier en daar lagen groote plassen bloed, verstrooide ledematen en verkoolde lijken, en niemand kon berekenen hoeveel offers onder die overblijfselen opgehoopt waren.
Een vreeselijk ongeluk had er plaats gehad....Een vreeselijk ongeluk had er plaats gehad....
Glenarvan, Paganel, de majoor en Mangles mengden zich onder het volk en luisterden naar de verschillende gesprekken. Een ieder zocht een oorzaak van de ramp, terwijl zij vlijtig werkten om nog iemand te redden.
"De brug is gebroken," zeide de een.
"Gebroken? het mogt wat!" zeiden de anderen. "Zij is zoo weinig gebroken, dat ze nog onbeschadigd is. Men heeft vergeten ze bij de nadering van den trein te sluiten. Dat is alles."
Het was inderdaad een draaibrug, die ten behoeve van de scheepvaart geopend werd. Had dan de brugwachter door een onvergetelijke achteloosheid vergeten ze te sluiten, en was zoo de trein, die in volle vaart kwam aanstoomen, nu de grond hem eensklaps ontviel, in de Lutton gestort? Dit gevoelen scheen zeer aannemelijk; want terwijl de eene helft van de brug onder de gebroken wagens lag, hing de andere aan de overzijde nog onbeschadigd aan haar kettingen. Er viel niet aan te twijfelen! De achteloosheid van den wachter had dit onheil veroorzaakt.
Het ongeluk was 's nachts gebeurd met den trein N° 37, die kwart voor twaalven van Melbourne was vertrokken. Het moet omstreeks kwart over drieën geweest zijn, toen de trein, vijf en twintig minuten na het station Castlemaine verlaten te hebben, aan de Camden-brug kwam en dit ongeluk kreeg. Dadelijk gingen de reizigers en beambten uit den laatsten wagen hulp zoeken; maar de telegraaf, welks palen op den grond lagen, werkte niet meer. Er verliepen drie uren voor de autoriteiten van Castlemaine, op de plaats des onheils aankwamen. Het was dus 's morgens zes ure voor er orde werd gesteld op de maatregelen tot redding onder toezigt van den heer Mitchell, inspecteur-generaal der kolonie, en van een afdeeling politie-agenten onder bevel van een commissaris van politie. De squatters en hun knechts waren hun te hulp gekomen en deden eerst pogingen om den brand te blusschen, die met onweerstaanbaar geweld die overblijfselen verteerde. Eenige onkenbare lijken lagen tegen de glooijing van den weg. Maar men moest het opgeven om een levend wezen uit dien vuurgloed te redden. De vlammen hadden het werk der verwoesting spoedig voltooid. Van al de passagiers, wier aantal men niet kende, waren er maar tien over, die in den laatsten wagen zaten. Het bestuur van de spoorwegmaatschappij had een hulp-locomotief gezonden om hen naar Castlemaine terug te brengen.
Inmiddels stond lord Glenarvan, die met den inspecteur kennis had gemaakt, met dezen en den commissaris te praten. Deze was een lang en mager man, van een onverstoorbare koelbloedigheid, en die, schuilde er misschien nog een greintje gevoel in zijn hart, er op zijn onbewegelijk gelaat althans niets van liet merken. Hij stond voor een ramp gelijk een wiskundige voor een vraagstuk; hij trachtte ze op te lossen en de onbekende er uit te berekenen. Toen dan ook Glenarvan zeide: "Welk een groot ongeluk!" antwoordde hij heel bedaard:
"Het lijkt er niet naar, mylord!"
"Lijkt het er niet naar!" riep Glenarvan, wien dat gezegde niet aanstond, "noemt gij dat dan geen ongeluk?"
"Wel neen! Ik noem het een misdaad!" antwoordde de commissaris van politie op een bedaarden toon.
Zonder verder bij die uitdrukking stil te staan, wendde Glenarvan zich tot den heer Mitchell en zag hem vragend aan.
"Ja, mylord!" antwoordde de inspecteur-generaal, "ons onderzoek heeft ons zekerheid gegeven, dat die ramp het gevolg is van een misdaad. De laatste goederenwagen is geplunderd; de geredde reizigers zijn door een bende van vijf of zes booswichten aangevallen. De brug is met opzet, niet uit achteloosheid, geopend, en brengt men dit feit in verband met de verdwijning van den brugwachter, dan mag men daaruit afleiden, dat die ellendeling de medepligtige der booswichten is geweest."
Bij deze gevolgtrekking van den inspecteur-generaal schudde de commissaris zachtjes het hoofd.
"Zijt gij niet van mijn gevoelen?" vroeg hem de heer Mitchell.
"Neen, wat de medepligtigheid van den brugwachter aangaat."
"Die medepligtigheid aangenomen zijnde," hernam de inspecteur-generaal, "mogen wij de misdaad toeschrijven aan de wilden, die in den omtrek van de Murray rondzwerven. Zonder den wachter hebben die inboorlingen de draaibrug niet kunnen openen, welker inrigting hun onbekend is."
"Juist," antwoordde de commissaris van politie.
"Uit de verklaring van een schipper," vervolgde de heer Mitchell, "die gisteren avond tien minuten over half elf met zijn vaartuig door de Camden-brug gekomen is, blijkt verder, dat de brug, toen hij er door was, behoorlijk gesloten is."
"Zeer waar."
"Bij gevolg is mijns inziens de medepligtigheid van den wachter voldoende bewezen."
De commissaris van politie ging voort met het hoofd te schudden.
"Schrijft gij den de misdaad niet aan de wilden toe, mijnheer?" vroeg hem Glenarvan.
"In het geheel niet."
"Maar aan wie dan?"
Juist ontstond er een vrij hevig rumoer een halve mijl stroomopwaarts. Daar was een hoop menschen bijeen, die telkens aangroeide. Spoedig waren zij bij het station. In het midden van de menigte droegen twee mannen een lijk. Het was het reeds ijskoude lijk van den wachter. Een dolkstoot had hem in het hart getroffen. Het doel der moordenaars, toen zij het ligchaam vrij ver van de Camden-brug afsleepten, was zeker geweest de vermoedens der politie bij de eerste nasporingen af te leiden.
Het was het reeds ijskoude lijk van den wachter.Het was het reeds ijskoude lijk van den wachter.
Deze ontdekking nu regtvaardigde ten volle den twijfel van den commissaris. De wilden hadden volstrekt geen deel aan de misdaad.
"De moordenaars," zeide hij, "zijn reeds lang bekend met het gebruik van dit kleine instrument."
Dit zeggende, liet hij een paar "darbies" zien, een soort van handboeijen, bestaande uit een dubbelen ijzeren ring voorzien van een slot.
"Binnen kort zal ik het genoegen hebben," voegde hij er bij, "hun deezen armband voor hun nieuwejaar aan te bieden."
"Maar wie verdenkt gij dan?..."
"Lieden, die gratis met Harer Majesteits schepen gereisd hebben."
"Wat! gedeporteerden!" riep Paganel, die bekend was met deze in de australische koloniën gebruikelijke spreekwijze.
"Ik dacht," merkte Glenarvan aan, "dat de gedeporteerden zich niet mogten ophouden in de provincie Victoria?"
"Ba!" antwoordde de commissaris van politie, "al hebben zij dat regt niet, zij nemen het toch! Soms gebeurt het wel, dat die gedeporteerden ontsnappen, en ik zou mij zeer vergissen, als dezen niet regelregt van Perth kwamen. Gij moogt mij vrij gelooven, zij zullen er weer heen."
De heer Mitchell gaf door een gebaar te kennen, dat hij het met den commissaris van politie eens was. In dit oogenblik kwam de wagen digt bij den spoorweg. Glenarvan wilde de dames het vreeselijke schouwspel, dat de Camden-brug opleverde, besparen. Hij groette den inspecteur-generaal, nam afscheid van hem, en wenkte zijn vrienden om hem te volgen.
"Dat is geen reden om onze reis niet voort te zetten," zeide hij.
Bij den wagen gekomen, vertelde Glenarvan aan lady Helena alleen, dat er een spoorweg-ongeluk had plaats gehad, zonder te reppen van het aandeel, dat de misdaad aan die ramp had; evenmin maakte hij gewag van de tegenwoordigheid in dien omtrek van een bende gedeporteerden, daar hij plan had om Ayrton hiervan onder vier oogen kennis te geven. Daarop trok het kleine gezelschap eenige honderden ellen beneden de brug over den spoorweg en zette het de reis in oostelijke rigting voort.
Aan den gezigteinder vertoonden zich eenige heerlijke heuvels, die twee mijlen van den spoorweg af de vlakte begrensden. Weldra was de wagen in een doolhof van naauwe en grillig door elkander geslingerde engten. Zij liepen op een liefelijke landstreek uit, waar schoone boomen, die geen bosch vormden, maar in afzonderlijke groepjes bijeenstonden, met echt tropische weelderigheid opschoten. Het meest liepen de "casuarina's" in het oog, die aan den eik den stevigen bouw van zijn stam, aan de acacia haar geurige schillen, en aan den denneboom de hardheid zijner naar het grijsgroene zweemende bladeren schijnen ontleend te hebben. Tusschen hun takken vertoonden zich de aardige kegels van den "banksia latifolia," bekend om zijn allersierlijkste slankheid. Groote heesters met overhangende twijgen maakten te midden van het zware geboomte een uitwerking, alsof een groen water over den rand van al te volle bekkens liep. Het oog dwaalde onzeker rond over al die wonderen der natuur en wist niet, wat het eerst te bewonderen.
Het kleine gezelschap had een oogenblik stilgehouden. Op bevel van lady Helena had Ayrton de ossen stil laten staan. Het knarsen van de lompe wielen op het kwartshoudende zand hield op. Onder de boomgroepen strekten zich groote grastapijten uit, die alleen door eenige oneffenheden en regelmatige verheffingen van den bodem in vrij duidelijke ruiten verdeeld werden, alsof zij een groot schaakbord vormden.
Paganel vergiste zich niet, toen hij die groene eenzame vlakten zag, die zoo bij uitstek geschikt zijn voor de eeuwige rust; hij herkende die vierkante grafgestichten, waarvan het gras thans de laatste sporen uitwischt, en die de reiziger nog zoo zelden in Australië aantreft.
"De boschjes van den dood," zeide hij.
En werkelijk lag er een inlandsche begraafplaats voor hem, maar zoo frisch, zoo lommerrijk, zoo vervrolijkt door uitgelatene zwermen vogels, zoo aanlokkelijk, dat het volstrekt geen droevige denkbeelden opwekte. Zoo moeten de tuinen van het paradijs er hebben uitgezien, voor de dood op aarde heerschte. Zij scheen voor de levenden aangelegd te zijn. Maar die grafteekens, welke de wilde met vrome zorg onderhield, verdwenen reeds onder den weelderigen plantengroei. De verovering had den Australiër verre verjaagd van het land, waarin zijn voorvaderen rustten, en de kolonisatie zou die velden weldra overgeven aan de tand der kudden. Die boschjes zijn dan ook zeldzaam geworden, en hoevele, die een pas verdwenen menschengeslacht bedekken, zijn reeds vertreden onder de voeten van den onverschilligen reiziger.
Inmiddels reden Paganel en Robert de anderen vooruit en doorkruisten kleine lommerrijke lanen tusschen de grasheuveltjes. Zij praatten met en leerden van elkander; want de aardrijkskundige beweerde, dat hij veel nut trok uit den omgang met den jongen Grant. Maar zij waren nog geen kwartmijl ver, toen lord Glenarvan hen zag stilstaan, toen afstijgen en eindelijk zich vooroverbuigen. Naar hun levendige gebaren te oordeelen, beschouwden zij een zeer buitengewoon voorwerp.
Ayrton dreef zijn ossen aan, zoodat de wagen spoedig de beide vrienden inhaalde. Nu bleek terstond, waarom zij stilstonden en wat hun verwondering gaande maakte. Een inlandsch kind, een knaap van een jaar of acht, op zijn europeesch gekleed, lag rustig te slapen in de schaduw van een prachtigen banksia. Men kon zich niet vergissen in de duidelijke kenmerken van zijn ras: zijn kroeskop, zijn bijna zwarte kleur, zijn platte neus, zijn dikke lippen, zijn buitengemeen lange armen, alles bewees, dat hij bij de inboorlingen in het binnenland te huis behoorde. Maar zijn gelaat teekende schranderheid, en het was zeker, dat de opvoeding den jongen wilde reeds eenigzins had ontwikkeld.
Een inlandsch kind lag rustig te slapen.Een inlandsch kind lag rustig te slapen.
Lady Helena, die op het eerste gezigt zeer met hem ingenomen was, steeg af, en weldra omringde het geheele gezelschap den kleinen inboorling, die nog gerust sliep.
"Arm kind!" zeide Mary Grant; "zou hij in deze woestijn verdwaald zijn?"
"Ik gis," antwoordde lady Helena, "dat hij ver van hier is gekomen om deze boschjes van den dood te bezoeken! Hier rusten zonder twijfel degenen, die hij liefhad!"
"Maar wij kunnen hem hier niet laten liggen," zeide Robert. "Hij is alleen!... en...."
Robert werd in het midden van zijn liefderijken volzin gestoord door een beweging van den jongen inboorling, die zich omkeerde zonder wakker te worden; maar hoe vreemd keken nu allen op, toen zij op zijn rug een papier zagen en daarop de volgende woorden lazen:
Toliné.Te bezorgen te Echuca.Adres: Jeffriss Smith, spoorwegbeambte.Franco.
"Zoo zijn de Engelschen!" riep Paganel. "Zij verzenden een kind als een baal! zij adresseeren hem als een pak! Ik had het vroeger wel gehoord, maar ik wilde het niet gelooven."
"Arme kleine!" zeide lady Helena. "Was hij in den trein, die bij de Camden-brug uit het spoor is geraakt? Misschien zijn de ouders omgekomen en staat hij nu alleen op de wereld!"
"Ik geloof het niet, mevrouw!" antwoordde John Mangles. "Dit papier bewijst veeleer, dat hij alleen reisde."
"Hij wordt wakker," zeide Mary Grant.
Het kind ontwaakte inderdaad. Langzaam opende bij zijn oogen, maar hij sloot ze terstond weder, wegens den fellen zonneschijn. Maar lady Helena vatte zijn hand; hij stond op en sloeg een verwonderden blik op de hem omringende reizigers. Eenige vrees vertoonde zich eerst op zijn gelaat, maar lady Glenarvan ziende, stelde hij zich weer gerust.
"Verstaat gij engelsch, vriendje?" vroeg hem de dame.
"Ik versta en spreek het," antwoordde het kind in de taal der reizigers, maar met een zeer sterk accent.
Zijn uitspraak kwam bijna overeen met die van de Franschen, die zich in de taal van het Vereenigd Koningrijk uitdrukken.
"Hoe heet gij?" vroeg lady Helena.
"Toliné," antwoordde de jonge inboorling.
"Zoo, Toliné!" riep Paganel. "Vergis ik mij niet, dan beteekent dat woord in het australisch "boomschors"?"
Toliné knikte van ja, en zag weer naar de reizigsters.
"Vanwaar komt gij, vriendje?" hernam lady Helena.
"Van Melbourne, met den trein van Sandhurst."
"Waart gij dan in den trein, die bij de Camden-brug uit het spoor is geraakt?" vroeg Glenarvan.
"Ja, mijnheer!" antwoordde Toliné; "maar de Heere heeft mij bewaard."
"Reisdet gij alleen?"
"Alleen. De eerwaarde Paxton had mij toevertrouwd aan het opzigt van Jeffries Smith. Ongelukkig heeft de arme beambte bij die ramp het leven ingeschoten."
"En kendet gij niemand op den trein?"
"Niemand, mijnheer! maar God waakt over de kinderen en verlaat ze nooit!"
Toliné sprak deze woorden met zachte, roerende stem. Toen hij van God sprak, werd zijn toon deftiger, zijn oogen schitterden, en het was duidelijk, dat die kinderlijke ziel opregt vroom was.
Die godsdienstige geestdrift op zoo jeugdigen leeftijd is gemakkelijk te verklaren. Dit kind was een van de jonge inboorlingen, die door engelsche zendelingen gedoopt en door hen volgens de strenge regelen der Methodisten opgevoed waren. Zijn kalme antwoorden, zijn zindelijk voorkomen, zijn donkere kleeren gaven hem reeds het uitzigt van een kleinen predikant.
Maar waar ging hij toch heen in die woeste streken en waarom had hij de Camden-brug verlaten? Lady Helena ondervroeg hem dienaangaande.
"Ik keerde naar mijn stam, in Lachlan, terug," antwoordde hij. "Ik wil mijn famielje terugzien."
"Australiërs?" vroeg John Mangles.
"Australiërs uit Lachlan," antwoordde Toliné.
"En hebt gij een vader, een moeder?" zeide Robert Grant.
"Ja, broeder!" antwoordde Toliné, terwijl hij den jongen Grant, wien de broedernaam gevoelig trof, de hand toereikte. Hij omhelsde den kleinen inboorling, en meer was er niet noodig om hen vrienden te doen worden.
Intusschen waren de reizigers, die veel belang begonnen te stellen in de antwoorden van dien jongen wilde, de een voor en de ander na bij den banksia gaan zitten om naar hem te luisteren. Reeds ging de zon onder achter de groote boomen. Daar de plaats geschikt scheen voor een nachtverblijf en het weinig uitmaakte, of zij voor den nacht nog eenige mijlen verder kwamen, gaf Glenarvan bevel om de legerplaats in gereedheid te brengen. Ayrton spande de ossen uit; met behulp van Mulrady en Wilson kluisterde hij ze en liet ze naar hartelust grazen. De tent werd opgeslagen. Olbinett maakte het avondeten klaar. Toliné nam na eenige aarzeling, hoewel hij honger had, de uitnoodiging aan om mede te eten. Men ging dus aan tafel; de beide kinderen zaten naast elkander. Robert zocht de lekkerste beetjes voor zijn nieuwen makker uit, en Toliné nam ze met een bedeesde en innemende bevalligheid aan.
Het gesprek kwijnde echter niet. Elk stelde belang in het kind en had hem iets te vragen. Men was nieuwsgierig naar zijn geschiedenis. Deze was zeer eenvoudig. Reeds zeer vroeg was hij, naar de gewoonte der arme inboorlingen, die in de nabijheid der kolonie zich ophouden, aan de zorg van liefdadige inrigtingen toevertrouwd. De Australiërs zijn zacht van aard. Zij leggen jegens hun overheerschers dien woesten haat niet aan den dag, die het kenmerk is van de Nieuw-Zeelanders en misschien ook van eenige stammen van Noord-Australië. Zij bezoeken de groote steden, Adelaïde, Sydney, Melbourne, waar men ze bijna in paradijs-kostuum ziet rondloopen. Zij brengen er de geringe voortbrengselen hunner nijverheid, zooals jagt- en vischtuig en wapenen, ter markt, en sommige stamhoofden laten, zeker uit zuinigheid, gaarne toe, dat hun kinderen deelen in de voorregten eener engelsche opvoeding.
Zoo hadden ook de ouders van Toliné, echte wilden uit Lachlan, een uitgestrekte landstreek aan gene zijde van de Murray, gedaan. Reeds vijf jaren woonde hij te Melbourne, en in al dien tijd had hij niemand van zijn famielje gezien. En toch, het bloed kruipt waar het niet gaan kan; om zijn stam, die welligt verstrooid, zijn famielje, waarvan zeker deze of gene overleden was, terug te zien, had hij de moeijelijke reis door de woestijn ondernomen.
"En keert gij naar Melbourne terug, mijn kind! wanneer gij uw bloedverwanten omhelsd hebt?" vroeg hem lady Glenarvan.
"Ja, mevrouw!" antwoordde Toliné, terwijl hij de jonge dame met een blik vol ongeveinsde liefde aanzag.
"En wat wilt gij eenmaal doen?"
"Ik wil mijn broeders van ellende en onwetendheid verlossen! Ik wil hen onderwijzen, hen opleiden tot de kennis en liefde Gods! Ik wil zendeling worden!"
Ligtzinnigen en spotters zouden misschien gelagchen hebben, toen de achtjarige knaap vol geestdrift zoo sprak; maar die gemoedelijke Schotten begrepen en eerbiedigden hem; zij bewonderden den godsdienstzin van dien jeugdigen discipel, die zich reeds ten strijde had aangegord. Paganel was tot in het diepst zijner ziel bewogen en gevoelde inderdaad genegenheid voor den kleinen inlander.
Zoo was het eerst niet. Die wilde in europeesche kleederen stond hem in den beginne volstrekt niet aan. Hij kwam niet in Australië om Australiërs met een jas te zien! Hij zag ze liever getatoeëerd. Die "fatsoenlijke" kleeding bragt hem in de war. Maar zoodra Toliné zoo vol vuur sprak, veranderde hij van gedachten, en bewonderde hij hem.
Het slot van dit gesprek zou verder den braven aardrijkskundige de beste vrienden met den kleinen Australiër doen worden.
Op een vraag van lady Helena antwoordde Toliné, dat hij te Melbourne "op de normaalschool" was, die onder het bestuur van den Wel Eerwaarden Heer Paxton stond.
"En wat leert gij alzoo op die school?" vroeg lady Glenarvan.
"Daar lees ik in den Bijbel, leer wiskunde, aardrijkskunde...."
"Zoo! aardrijkskunde!" riep Paganel, in zijn zwak getast.
"Ja, mijnheer!" antwoordde Toliné. "Ik heb zelfs voor de Januarij-vacantie een eersten prijs voor de aardrijkskunde behaald."
"Hebt gij een prijs voor de aardrijkskunde behaald, mijn jongen?"
"Hier is hij, mijnheer!" zeide Toliné een boek uit zijn zak halende.
Het was een netjes ingebonden bijbeltje in-82°. Op de keerzijde van de eerste pagina stond: "Normaalschool te Melbourne, 1steprijs voor de aardrijkskunde, Toliné van Lachlan."
Paganel kon het zoo waar niet langer uithouden! Een Australiër, die sterk was in de aardrijkskunde, dat verbaasde hem, en hij drukte een kus op Toliné's beide wangen, alsof hij de eerwaarde Paxton in persoon geweest was, op den dag van een prijsuitdeeling. Evenwel had Paganel moeten weten, dat zoo iets geen zeldzaamheid is op de australische scholen. De jonge wilden hebben veel aanleg voor de aardrijkskundige studiën; zij leggen zich er met lust op toe, maar zijn daarentegen zeer onvatbaar, als het op rekenen aankomt.
Toliné begreep niets van de onverwachte liefkozingen van den geleerde. Lady Helena moest het hem duidelijk maken, dat hij een beroemd aardrijkskundige, en als het moest een knap onderwijzer was.
"Een onderwijzer in de aardrijkskunde!" antwoordde Toliné. "Och, mijnheer! ondervraag mij, als het u belieft!"
"U ondervragen, mijn jongen!" zeide Paganel, "niets liever dan dat! Al hadt ge 't niet gevraagd, zou ik het toch gedaan hebben. Ik wil graag eens zien, hoe de aardrijkskunde op de normaalschool te Melbourne onderwezen wordt!"
"Pas maar op, dat Toliné u niet in het naauw brengt, Paganel!" zeide Mac Nabbs lagchend.
"Een secretaris der fransche Maatschappij van aardrijkskunde in het naauw brengen! dat zou wat moois zijn!" riep de aardrijkskundige.
Daarop zette hij zijn bril goed, rigtte zich in zijne volle lengte op en nam een deftigen toon aan, zooals het een onderwijzer voegt. Hij begon zijn onderzoek met te zeggen:
"Leerling Toliné! sta op!"
Toliné, die reeds stond, kon niet aan dit bevel gehoorzamen. Hij wachtte dus in een zedige houding op de vragen van den aardrijkskundige.
"Leerling Toliné! sta op!""Leerling Toliné! sta op!"
"Leerling Toliné!" hernam Paganel, "welke zijn de vijf werelddeelen?"
"Oceanië, Azië, Afrika, Amerika en Europa," antwoordde Toliné.
"Goed. Wij zullen eerst over Oceanië spreken, waar wij ons thans bevinden. Hoe wordt het verdeeld?"
"Het wordt verdeeld in Polynesië, Mikronesië en Megalesië. De voornaamste eilanden zijn: Australië, dat aan de Engelschen behoort, Tasmanië, dat aan de Engelschen behoort, de eilanden Chattam, Auckland, Macquarie, Kermadec, Makin, Maraki, enz., die aan de Engelschen behooren."
"Goed," antwoordde Paganel; "maar Nieuw-Caledonië, de Sandwicheilanden, de Mendana-archipel, de Pomotoe-eilanden?"
"Die eilanden staan onder bescherming van Groot-Brittanje!"
"Onder bescherming van Groot-Brittanje!" riep Paganel. "Ik dacht, dat veeleer Frankrijk...."
"Frankrijk!" zeide het knaapje met een verwonderd gezigt.
"Ei, ei! leert men zoo op de normaalschool te Melbourne?" vroeg Paganel.
"Ja mijnheer! Is het dan zoo niet?"
"Wel zeker! wel zeker! Goed zoo!" antwoordde Paganel. "Geheel Oceanië behoort aan de Engelschen! Dat is afgepraat! verder."
De majoor had schik in het half booze, half verbaasde gezigt, dat Paganel zette.
Hij ging met vragen voort.
"Wat weet gij van Azië?" vroeg de aardrijkskundige.
"Azië is een onmetelijk groot land," antwoordde Toliné, "Calcutta is de hoofdstad. Verdere voorname steden: Bombay, Madras, Calicoet, Aden, Malakka, Singapoor, Pegoe, Colombo; de Lakediven, de Malediven, de Chagos-eilanden, enz., enz. Behoort aan de Engelschen."
"Goed! goed! leerling Toliné! En Afrika?"
"Afrika bevat twee voorname koloniën: de Kaapkolonie met de Kaapstad, en in het westen de engelsche nederzettingen, voornaamste stad Sierra Leona."
"Goed geantwoord!" zeide Paganel, die vrede kreeg met die bijzondere, engelsche aardrijkskunde, "knapjes onderwezen! Algiers, Marokko, Egypte ... van de engelsche atlassen geschrapt! Nu wil ik nog wel een beetje over Amerika spreken!"
"Het wordt verdeeld in Noord- en Zuid-Amerika," hernam Toliné. "Het eerste behoort den Engelschen door Canada, Nieuw-Brunswijk, Nieuw-Schotland en de Vereenigde Staten, bestuurd door den gouverneur Johnson."
"Gouverneur Johnson!" riep Paganel, "de opvolger van den grooten en goeden Lincoln, gevallen onder het staal van een krankzinnigen dweeper met de slavernij! Opperbest! Het kan niet beter! En wat Zuid-Amerika aangaat, met zijn Guiana, zijn Maloeïnen, zijn Shetland-archipel, zijn Georgië, zijn Jamaica, zijn Trinidad, enz. enz., dat behoort ook aan de Engelschen! Ik wil hierover volstrekt niet twisten! Maar, Toliné! ik zou wel eens willen weten, hoe gij, of liever uw onderwijzers, over Europa denkt?"
"Europa?" vroeg Toliné, die volstrekt niets begreep van de opgewondenheid van den aardrijkskundige.
"Ja! Europa! Aan wien behoort Europa?"
"Wel, Europa behoort aan de Engelschen," antwoordde het kind op stelligen toon.
"Ik dacht het wel!" hernam Paganel. "Maar hoe? Dat zou ik wel eens willen hooren."
"Door Schotland, Ierland, Engeland, Malta, de eilanden Jersey en Guernsey, de Jonische eilanden, de Hebriden, de Shetlands-eilanden, de Orkaden...."
"Goed! goed! Toliné! maar er zijn andere staten, die gij vergeet op te noemen, mijn jongen!"
"Welke, mijnheer?" vroeg het kind, dat zich niet in den war liet brengen.
"Spanje, Rusland, Oostenrijk, Pruisen, Frankrijk!"
"Dat zijn geen staten, maar provinciën," zeide Toliné.
"Hoe heb ik het nu!" riep Paganel, terwijl hij den bril van zijn neus nam.
"Wel zeker! Spanje, hoofdstad Gibraltar."
"Bewonderenswaardig! juist! verheven! En Frankrijk dan, want ik ben een Franschman, en zou gaarne weten, aan wie ik toebehoor!"
"Frankrijk, een engelsche provincie, hoofdplaats Calais!" antwoordde Toliné bedaard.
"Calais!" riep Paganel. "Denkt gij, dat Calais nog van Engeland is?"
"Zonder twijfel."
"En dat het de hoofdplaats is van Frankrijk?"
"Ja, mijnheer! en de residentie van den gouverneur, lord Napoleon...."
Op die laatste woorden schaterde Paganel het uit. Toliné wist niet, hoe hij het had. Men had hem ondervraagd en hij had zoo goed mogelijk geantwoord. Maar de vreemdheid van zijn antwoord was zijn schuld niet; hij had er geen erg in. Toch scheen hij niet van zijn stuk gebragt, en hij wachtte bedaard, tot die onverklaarbare lachbui over was.
"Nu ziet gij het," zeide eindelijk de majoor tot Paganel. "Heb ik het u niet gezegd, dat de leerling Toliné u in het naauw zou brengen?"
"Zeker, geachte majoor!" antwoordde de aardrijkskundige. "Ha! zoo onderwijst men te Melbourne de aardrijkskunde! Mooi zoo, heeren onderwijzers aan de normaalschool! Europa, Azië, Afrika, Amerika, Oceanië, de geheele wereld, alles is van de Engelschen! Drommels! met zoo'n slimme opvoeding begrijp ik, dat de inboorlingen zich onderwerpen! Zeg eens, Toliné! is de maan soms ook een engelsche bezitting, mijn jongen?"
"Ze zal het eenmaal zijn," antwoordde de jonge wilde in vollen ernst.
Nu stond Paganel op. Hij kon het niet langer uithouden. Hij moest op zijn gemak uitlagchen en ging een kwartmijl buiten de legerplaats om zijn lachlust bot te vieren.
Inmiddels was Glenarvan een boekje uit de reisbibliotheek gaan halen. Het was een schets van de aardrijkskunde van Samuel Richardson, een werkje, dat in Engeland zeer gezocht en beter op de hoogte is dan de onderwijzers te Melbourne.
"Ziedaar, mijn kind!" zeide hij tot Toliné, "neem en bewaar dit boek. Gij hebt eenige verkeerde denkbeelden over de aardrijkskunde, die gij moet wijzigen. Ik geef het u als eene gedachtenis aan onze ontmoeting."
Toliné nam het boek aan zonder een woord te spreken, hij beschouwde het oplettend, en schudde met een ongeloovig gezigt het hoofd, maar kon niet besluiten het in zijn zak te steken.
Intusschen was het geheel duister geworden. Het was tien ure. Men moest aan slapen denken om den volgenden morgen vroeg op te staan. Robert bood zijn vriendje Toliné de helft van sijn slaapplaats aan. De kleine inlander nam dit aan.
Eenige oogenblikken later keerden lady Helena en Mary Grant naar den wagen terug, en strekten de reizigers zich onder de tent uit, terwijl het gelach van Paganel nog zamensmolt met het liefelijk en zacht gezaag der wilde eksters.
Maar toen een zonnestraal de slapers den volgenden morgen om zes ure wekte, zochten zij te vergeefs het australische kind. Toliné was verdwenen. Wilde hij zonder oponthoud Lachlan bereiken? Had het gelach van Paganel hem gehinderd? Men wist het niet.
Maar toen lady Helena ontwaakte, vond zij op haar borst een frisschen ruiker vergeetmijnietjes met enkelvoudige bladeren, en Paganel in den zak van zijn jas "de aardrijkskunde van Samuel Richardson."
In 1844 vond sir Roderick Impey Murchison, thans president der koninklijke Maatschappij voor aardrijkskunde te Londen, door de studie van haar zamenstelling een merkwaardige overeenkomst tusschen de Oeralketen en die, welke van het noorden naar het zuiden, niet ver van de zuidkust van Australië loopt.
De Oeral bevat goud, en nu vroeg de geleerde aardrijkskundige zich af, of dit kostbaar metaal ook niet aanwezig zou zijn in het australische gebergte. Hij bedroog zich niet.
Werkelijk werden hem twee jaar later eenige monsters goud uit Nieuw-Zuid-Wales gezonden, en daarop bewerkte hij de verhuizing van een groot aantal werklieden uit Cornwales naar de goudstreken van Nieuw-Holland.
Een zekere Francis Dutton had in Zuid-Australië de eerste goudklompen gevonden, terwijl Forbes en Smyth de eerste mijnen van Nieuw-Wales ontdekten.
Toen de eerste stoot gegeven was, stroomden de goudzoekers uit alle oorden der wereld toe: Engelschen, Amerikanen, Italianen, Franschen, Duitschers en Chineezen. Toch duurde het tot den 8denApril 1851 voor zekere Hargraves zeer rijke goudlagen opspoorde, welker ligging hij den gouverneur der kolonie Sydney, sir Ch. Fits-Roy, aanbood mede te deelen voor de geringe som van vijf honderd pond sterling.
Zijn aanbod werd van de hand gewezen, maar die ontdekking was ruchtbaar geworden. De goudzoekers begaven zich naar Summerhill en Leni's Pond. De stad Ophir werd gebouwd, die door den rijkdom der mijnen spoedig haar bijbelschen naam eer aandeed.
Tot nog toe was er geen sprake van de provincie Victoria, die echter weldra door den rijkdom harer lagen alle anderen overvleugelen zou.
Weinige maanden later toch, in de maand Augustus 1851, werden de eerste klompen in die provincie uitgegraven, en weldra was het werk in vier districten in vollen gang. Die vier districten waren: Ballarat, Ovens, Bendigo en van den Alexander-berg, allen zeer rijk; maar aan de rivier de Ovens belemmerde de overvloed van water dikwijls den arbeid; te Ballarat veroorzaakte een ongelijke verdeeling den goudzoekers menige misrekening; te Bendigo voldeed de grond niet aan de eischen van den werkman. Bij den Alexander-berg liep alles zamen om den goeden uitslag van den arbeid te verzekeren; voor dit kostbare metaal, dat tot dertien honderd negen en zestig gulden het nederlandsche pond opbragt, werd de hoogste prijs van alle markten der wereld gemaakt.
De weg van de zeven en dertigste parallel voerde de zoekers van kapitein Harry Grant juist naar die plaats, welke zoo vruchtbaar is in rampen en in onverwachten voorspoed.
Na den 31stenDecember den geheelen dag over een oneffen bodem gegaan te hebben, die de paarden en ossen zeer vermoeiden, bemerkten zij de ronde toppen van den Alexander-berg. Het nachtleger werd in een enge kloof van die kleine keten opgeslagen. Nadat hun de kluisters waren aangelegd, gingen de dieren hun voedsel zoeken tusschen de kwartsblokken, waarmede de grond was bezaaid. Nog hadden zij de streek der ontginningen niet bereikt. Eerst den volgenden dag, den eersten van het jaar 1866, rolde de wagen over de wegen van die rijke landstreek.
Jacques Paganel en zijn reisgenooten waren blijde, toen zij in het voorbijgaan dien beroemden berg zagen, die in de landtaal Geboor heet. Daar viel de geheele horde gelukzoekers neder, dieven en eerlijke lieden, degenen die ophangen en die zich laten ophangen. Op het eerste gerucht der groote ontdekking, in het gulden jaar 1851, werden steden, akkers, schepen, door de inwoners, de squatters en de zeelieden verlaten. De goudkoorts werd epidemisch, zoo besmettelijk als de pest, en hoevelen stierven er aan, die het geluk reeds meenden gegrepen te hebben! De milde natuur had, zeide men, over een uitgestrektheid van vijf en twintig breedtegraden millioenen in het wonderland Australië gestrooid. Het was oogsttijd, en die nieuwe maaijers gingen den oogst binnenhalen. Het beroep van "digger", graver, was het meest gezochte, en al mogten er velen van vermoeijenis uitgeput onder hun taak bezwijken, toch waren er eenigen, die zich door een enkelen slag met het houweel verrijkten. De ongelukken werden verzwegen, het geluk door de faam uitgebazuind. Die nukken van het lot vonden weerklank in de vijf werelddeelen. Weldra stroomden scharen hebzuchtigen van allerlei stand samen op de kust van Australië, en gedurende de vier laatste maanden van het jaar 1852 kwamen er alleen te Melbourne vier en vijftig duizend landverhuizers, een waar leger, maar een leger zonder aanvoerder, zonder tucht, een leger na een overwinning, die nog niet behaald was, in een woord vier en vijftig duizend plunderaars van de ergste soort.
Gedurende de eerste jaren dier krankzinnige dronkenschap heerschte er een onbeschrijfelijke wanorde. Met hun gewone geestkracht maakten de Engelschen zich echter spoedig van den toestand meester. De politie-agenten en de inlandsche gendarmes verlieten de partij der dieven voor die der eerlijke lieden. Er had een heele omkeering plaats. Ook zou Glenarvan geen enkel van de hevige tooneelen van 1852 bijwonen. Dertien jaren waren sedert dat tijdstip verloopen, en nu werden de goudgronden wetenschappelijk bewerkt volgens de regelen eener gestrenge organisatie.
Ook raakten de mijnen reeds uitgeput. Door al dat zoeken vond men eindelijk den bodem. En kan het ook anders of de schatten door de natuur opgehoopt moesten verminderen, wanneer men in aanmerking neemt dat de goudzoekers van 1852 tot 1858 alleen in Victoria drie en zestig millioen honderd zeven duizend vierhonderd acht en zeventig pond sterling[1]uit den grond hebben gehaald! Het aantal landverhuizers is dan ook werkelijk verminderd, daar velen naar de nog ondoorzochte streken vertrokken zijn. De "gold-fields," goudvelden, die onlangs te Otago en Marlborough in Nieuw-Zeeland ontdekt zijn, worden thans doorgraven door duizenden tweevoetige ongevleugelde witte mieren[2].
Tegen elf ure kwamen zij in het middelpunt der werkzaamheden aan. Daar verhief zich een ware stad, met fabrieken, een bank, een kerk, een kazerne, hutten en dagblad-bureaux. Ook logementen, boerderijen en buitenverblijven zocht men niet te vergeefs. Er was zelfs een druk bezochte schouwburg tegen zes gulden de plaats. Veel opgang maakte een stuk uit het dagelijksch leven genomen, dat tot titel hadFrancis Obadiah, of de gelukkige goudgraver. Bij de ontknooping steekt de held wanhopend zijn houweel voor de laatste maal in den grond en vindt een klomp goud van ongehoorde waarde.