Daar verhief zich een ware stad.Daar verhief zich een ware stad.
Begeerig om de ontginning op groote schaal van den Alexander-berg te bezoeken, liet Glenarvan Ayrton en Mulrady met den wagen vooruitrijden. Hij zou hen na verloop van eenige uren wel inhalen. Paganel was in de wolken over dat besluit, en naar zijn gewoonte wierp hij zich op tot gids en leidsman van het kleine gezelschap.
Op zijn raad ging men eerst naar de Bank. De straten waren breed, gemacadamiseerd en zorgvuldig besproeid. Reusachtige aanplakbilletten van deGolden company (limited)van deDigger's General Office, van deNuggets Uniontrokken de aandacht. De samenwerking van handen en geld was in de plaats gekomen van den afzonderlijken arbeid der goudzoekers. Overal hoorde men de machines werken, die het zand wieschen en het kostbare kwarts fijn maalden.
In den omtrek der woningen lagen de "placers" of uitgestrekte gronden, die ter ontginning waren afgestaan. Daar waren tegen hoog loon de goudzoekers aan het werk, die de compagniën in dienst hadden genomen. Ontelbaar waren de gaten die in den grond waren geboord. Het ijzer van de houweelen fonkelde in de zon en zond een onafgebrokene reeks van lichtstralen uit. Alle natiën waren onder die arbeiders vertegenwoordigd. Zij twistten niet, en volbragten zwijgend hun taak, als bezoldigde personen.
"Denkt echter niet," zeide Paganel, "dat er op den australischen bodem geen enkele van die koortsachtige zoekers meer zijn zou, die hun geluk in het mijnspel komen beproeven. Ik weet wel, dat de meesten hun armen aan de compagniën verhuren, en dat moet wel, omdat de regeering al de goudgronden verkocht of verpacht heeft. Maar wie niets heeft, wie verhuren noch koopen kan, ook hij heeft nog eenige kans om rijk te worden."
"Welke?" vroeg lady Helena.
"De kans om het "jumping" uit te oefenen," antwoordde Paganel. "Zoo zouden wij b.v., die volstrekt geen regt op deze streken hebben, toch, —als er wat veel geluk bijkomt, dat spreekt van zelf,—fortuin kunnen maken!"
"Maar hoe?" vroeg de majoor.
"Door het "jumping", zooals ik reeds de eer heb gehad u te zeggen."
"Wat is dat, het "jumping"?" vroeg de majoor weer.
"Het is een overeenkomst onder de goudzoekers, die dikwijls tot geweld en wanorde aanleiding geeft en die de regeering nog niet heeft kunnen vernietigen."
"Spreek toch duidelijker, Paganel!" zeide Mac Nabbs, "gij doet ons watertanden."
"Welnu. Het is een regel, dat elke grond in het middelpunt der werkzaamheden, waarin men in geen vier en twintig uren, de groote feestdagen uitgezonderd, heeft gewerkt, gemeen goed wordt. Wie zich er van meester maakt, kan hem doorzoeken, en als het lot hem begunstigt, rijk worden. Doe dus uw best, Robert! om een van die verlaten gaten op te sporen, en het behoort u!"
"Och, mijnheer Paganel! breng mijn broeder toch zoo iets niet in het hoofd!" zeide Mary Grant.
"Ik scherts, lieve miss!" antwoordde Paganel, "en dat weet Robert ook wel. Hij, een goudzoeker! Nooit! Den grond spitten, ploegen, bebouwen, vervolgens bezaaijen en hem een geheelen oogst tot loon voor zijn moeite vragen, goed! Maar hem evenals de mollen, even blind als zij, te doorwoelen om hem een beetje goud te ontfutselen, dat is een treurig beroep, en wel moet men van God en menschen verlaten zijn om het uit te oefenen!"
Na de voornaamste mijn bezocht en een overgangsgrond ontmoet te hebben, grootendeels bestaande uit kwarts, kleischiefer en zand, dat afkomstig was van de scheiding der steenen, kwamen de reizigers aan de Bank.
Dit was een uitgestrekt gebouw, van welks nok de nationale vlag wapperde. Lord Glenarvan werd door den inspecteur-generaal ontvangen, die de eer van zijn inrigting ophield.
Daar wordt al het uit den grond opgedolven goud door de compagniën tegen een schriftelijk bewijs van ontvangst in bewaring gegeven. De tijd was reeds lang achter den rug, toen de eerste goudzoeker door de kooplieden der kolonie werd afgezet. Dezen betaalden hem aan de mijnen drie en vijftig shillings voor het ons, dat ze te Melbourne voor vijf en zestig verkochten! Maar het is waar, de koopman had de risico van het vervoer, en daar de straatroovers sterk vermenigvuldigden, kwam de bezending niet altijd ter bestemder plaatse aan.
Aardige monsters goud werden aan de bezoekers vertoond, en de inspecteur deelde hun belangrijke bijzonderheden mede aangaande de verschillende wijzen om dit metaal op te delven.
Doorgaans treft men het in twee gedaanten aan: óf in grootere of kleinere stukken óf als stofgoud. Het komt ook voor als erts, met de aangespoelde gronden vermengd, of besloten in een gangsteen van kwarts. Daarom gaat men ook bij het delven naar den aard van den bodem te werk: men zoekt het aan de oppervlakte of in den grond.
Wanneer het in stukken voorkomt, ligt het goud op den bodem van bergstroomen, dalen en holle wegen, naar zijn grootte geschikt, eerst de korrels, dan de blaadjes en eindelijk de loovertjes.
Wanneer het integendeel stofgoud is, welks gangsteen door den invloed der lucht ontbonden is, ligt het op ééne plaats bij elkander, in hoopjes vereenigd, en vormt het wat de goudzoekers "zakjes" noemen. Er zijn er onder die zakjes, die een geheel vermogen bevatten.
Bij den Alexander-berg wordt het goud hoofdzakelijk aangetroffen in de leemlagen en in de tusschenruimten der leisteenen. Daar zijn de pepiet-nesten[3]; daar trekt de gelukkige graver dikwijls het hoogste lot uit de goudmijnen.
Na de verschillende goudsoorten bezigtigd te hebben, doorwandelden de bezoekers het delfstoffelijk museum der Bank. Daar zagen zij al de voortbrengselen van den bodem van namen voorzien en ordelijk gerangschikt. Het goud is zijn eenige rijkdom niet, hij mag teregt een groote juweelkist genoemd worden, waarin de natuur haar kostbare kleinodiën bewaart. Onder de glazen deksels schitterden de witte topaas, de mededinger der braziliaansche topazen, de karbonkel, de schorlsteen, een soort van heerlijk groenen kiezelsteen, de bleekroode robijn, vertegenwoordigd door scharlakenroode spinellen en door een allerschoonste rozenroode verscheidenheid, ligt- en donkerblaauwe saffieren, even gezocht als die van Malabar of Thibet, schitterende bruinroode tinanium-schorls en ten slotte een kleine diamant-kristal, die op de oevers van de Turon gevonden was. Niets ontbrak aan die prachtige verzameling van edelsteenen, en men behoefde het noodige goud om ze in te vatten niet ver te gaan zoeken. Als men ze althans niet geheel gezet wilde hebben, kon men niets meer verlangen.
Het delfstoffelijk museum der Bank.Het delfstoffelijk museum der Bank.
Glenarvan nam afscheid van den inspecteur der Bank, na hem voor zijn vriendelijkheid bedankt te hebben, waarvan bij een ruim gebruik had gemaakt. Daarna werd het bezoek aan de goudmijnen voortgezet.
Hoe los Paganel ook mogt zijn van de goederen dezer wereld, toch deed hij geen stap zonder dien rijken bodem met zijn oogen te doorzoeken. Hij kon de verzoeking niet wederstaan, en zelfs de scherts zijner vrienden vermogt niets op hem. Telkens bukte hij, raapte een kei op of een stuk gangsteen of een brok kwarts; hij bekeek ze oplettend en wierp ze spoedig weer met verachting weg. Dat duurde zoo de geheele wandeling.
Paganel raapte een kei op.Paganel raapte een kei op.
"Hoe is het, Paganel!" vroeg de majoor, "hebt ge bij geval iets verloren?"
"Zeker," antwoordde Paganel, "in dit land van goud en edelgesteenten heeft men altijd verloren, wat men niet gevonden heeft. Ik zie niet in, waarom ik ook niet een klomp van eenige onsen, een van twintig pond is ook goed, maar meer ook niet, zou kunnen medenemen."
"En wat zoudt gij er mede doen, beste vriend?" vroeg Glenarvan.
"O, ik zou er niet verlegen mede zijn," antwoordde Paganel. "Ik zou hem aan mijn land vereeren! Ik zou hem in de fransche Bank beleggen...."
"Die hem zou aannemen?"
"Zeker, in den vorm van spoorweg-aandeelen!"
Men wenschte Paganel geluk met de wijze, waarop hij zijn klomp "aan zijn land" dacht aan te bieden, en lady Helena wenschte hem toe, dat hij het grootste stuk goud van de wereld mogt vinden.
Al schertsend doorliepen de reizigers het grootste gedeelte der ontgonnen gronden. Overal werd geregeld en werktuigelijk maar zonder opgewektheid gewerkt.
Na een wandeling van een paar uren kreeg Paganel een zeer fatsoenlijke herberg in het oog, waar hij voorstelde wat te gaan zitten, tot het tijd was den wagen weer op te gaan zoeken. Lady Helena keurde dit goed, en daar men in geen herberg kan komen zonder iets te gebruiken, vroeg Paganel den herbergier om den een of anderen hier gebruikelijken drank te brengen.
Voor iederen bezoeker werd een "nobler" gebragt. Dit is niet anders dan grog, maar omgekeerde grog. In plaats van een glaasje brandewijn in een groot glas water te doen, doet men een glaasje water in een groot glas brandewijn, daar gaat suiker in en men drinkt. Dat was wel een beetje al te australisch, en tot groote verwondering van den herbergier werd de nobler, met een groote karaf water aangelengd, de britsche grog.
Vervolgens praatte men over mijnen en mijnwerkers. Nu of nooit. Hoewel Paganel zeer in zijn schik was met hetgeen hij gezien had, meende hij toch, dat het vroeger nog bezienswaardiger moet geweest zijn, in de eerste jaren van de ontginning van den Alexander-berg.
"De grond," zeide hij, "was toen vol gaten en wemelde van legioenen werkmieren, en welke mieren! Alle landverhuizers waren even vlijtig, maar niet even voorzigtig als die diertjes! Het goud werd met handenvol weg geworpen. Het werd verdronken, en de herberg, waarin wij thans zijn, was een "hel", zooals men toen zeide. Het dobbelspel liep doorgaans op messteken uit. De politie kon er niets aan doen en dikwijls was de gouverneur der kolonie verpligt met geregelde troepen tegen de oproerige goudzoekers op te trekken. Toch gelukte het hem ze tot rede te brengen, hij legde een patent-regt op aan elken graver, dat hij niet zonder moeite liet innen, zoodat de wanorde hier minder groot was dan in Californië."
"Kan een ieder dat beroep van goudzoeker maar uitoefenen?" vroeg lady Helena.
"Ja, mevrouw! Daarvoor behoeft men geen akademischen graad te bezitten! Een paar goede armen is genoeg. Door armoede voortgejaagd kwamen de gelukzoekers aan de mijnen, meest allen zonder geld, de rijken met een houweel, de armen met een mes, en allen vatten dit werk op met een razernij, die zij bij een eerlijk ambacht wel achterwege zouden gelaten hebben. Die goudlanden leverden toen een zonderling schouwspel op! De grond was bedekt met tenten, dekkleeden, stulpen, barakken van aarde, planken en bladeren. In het midden pronkten de tent van het gouvernement, met de britsche vlag versierd, de tenten van blaauw tijk van deszelfs agenten, en de kramen der wisselaars, goudhandelaars en winkeliers, die hun voordeel wilden doen met die vermenging van rijkdom en armoede. Zoo iemand, dan zijn dezen rijk geworden. Gij hadt die goudzoekers met hun langen baard en rood hemd eens moeten zien, hoe zij daar in het water en slijk leefden. De lucht weergalmde van het onafgebroken geraas der houweelen, en was vervuld met de stinkende uitwasemingen der krengen, die op den grond lagen te rotten. Digte stofwolken omhulden die ongelukkigen, waaronder een ontzettende sterfte heerschte, en in een minder gezond land zou de typhus stellig die bevolking vreeselijk gedund hebben. En waren die gelukzoekers nog maar allen geslaagd! Maar al die ellende werd niet vergoed en bij een naauwkeurige berekening zou het blijken, dat tegen één goudzoeker, die zijn fortuin gemaakt heeft, er wel honderd, twee honderd misschien, arm en wanhopend gestorven zijn."
"Zoudt gij ons ook kunnen zeggen, Paganel!" vroeg Glenarvan, "hoe men bij dat gouddelven te werk ging?"
"Heel eenvoudig," antwoordde Paganel. "De eerste goudzoekers oefenden het beroep van goudwasscher uit, zooals dit nog gebruikelijk is in eenige deelen der Cevennen in Frankrijk. Thans gaan de compagniën anders te werk; zij klimmen tot de bron zelve op, tot de ader, die de blaadjes, de loovertjes en de klompen oplevert. Maar de goudwasschers vergenoegden zich met het goudzand uit te wasschen, ziedaar alles. Zij groeven in den grond, verzamelden de aardlagen, die zij meenden, dat goud bevatten, en spoelden ze met water uit om er den kostbaren erts uit af te zonderen. Tot dat wasschen gebruikten zij een werktuig, dat uit Amerika afkomstig was en "wieg" heette. Het was een doos van vijf tot zes voet lang, een soort van open doodkist, en in twee afdeelingen verdeeld. De eerste was voorzien van een grove zeef, waaronder andere zeven met naauwer gaatjes stonden; de tweede liep van onderen naauw toe. Het zand werd in een hoekje van de zeef gelegd, daar goot men water op, en met de hand schudde of liever wiegde men het werktuig. De steenen bleven achter in de eerste zeef, de erts en het fijne zand in de andere, naar gelang van hun grofheid, en de uitgewasschen aarde liep met het water door de onderste opening weg. Zoo was het meest gebruikelijke werktuig ingerigt."
"Maar men moest het toch hebben," zeide John Mangles.
"Men kocht het van de rijkgeworden of wel geruïneerde goudzoekers, naar het uitkwam, of men deed het er buiten," antwoordde Paganel.
"Wat nam men er dan voor in de plaats?" vroeg Mary Grant.
"Een schotel, lieve Mary! een eenvoudigen ijzeren schotel; de aarde werd uitgewand gelijk het koren; alleen oogstte men in plaats van tarwekorrels soms goudkorrels. In het eerste jaar heeft meer dan een goudzoeker fortuin gemaakt zonder andere onkosten. Ziet gij, vrienden! het was toen nog de goede tijd, hoewel de laarzen zeventig gulden het paar kostten en men voor een glas limonade zes gulden betaalde! Die het eerste komt het eerste maalt. Het goud lag overal in overvloed op den grond; de beken stroomden over een bedding van metaal; men vond het tot op de straten van Melbourne; met stofgoud werden de wegen gemacadamiseerd. De hoeveelheid edel metaal, die van 26 Januarij tot 24 Februarij 1852 onder geleide van het gouvernement van den Alexander-berg naar Melbourne overgebragt werd, had een waarde van vier millioen gulden. Dat bedraagt gemiddeld ruim tachtig duizend gulden daags!"
"Dat is ongeveer de civiele lijst van den keizer van Rusland," zeide Glenarvan.
"Arme man!" antwoordde de majoor.
"Werden er soms op eens rijk?" vroeg lady Helena.
"Ja, dat gebeurde wel eens, mevrouw!"
"Zijn u die gevallen bekend?" vroeg Glenarvan.
"Dat zou ik denken!" antwoordde Paganel. "In 1852 werd er in het district Ballarat een klomp gevonden, die vijf honderd drie en zeventig ons woog, in Gippsland een ander van zeven honderd twee en tachtig ons, en in 1861 een staaf van acht honderd vier en dertig ons. In datzelfde Ballara ontdekte een goudzoeker een klomp, die vijf en zestig nederlandsche ponden woog, hetgeen tegen zeventien honderd gulden het pond berekend honderd tien duizend gulden bedraagt! Een mooije slag met het houweel, die zesdehalf duizend gulden intrest opbrengt!"
"In welke mate is de opbrengst van het goud toegenomen sedert de ontdekking dezer mijnen?" vroeg John Mangles.
"In een ontzettende mate, waarde John! In het begin dezer eeuw bedroeg die opbrengst jaarlijks slechts drie en twintig millioen guldens, en thans berekent men ze met inbegrip van de opbrengst der mijnen van Europa, Azië en Amerika op vier tot vijf honderd millioen guldens.
"Dan is er, mijnheer Paganel!" zeide de jonge Robert, "op de plek, waar wij ons thans bevinden, onder onze voeten, misschien veel goud!"
"Ja, beste jongen! millioenen! wij loopen er op! Maar wij loopen er op, omdat wij het versmaden!"
"Dan is Australië wel een bevoorregt land!"
"Neen, Robert!" antwoordde de aardrijkskundige. "De goudlanden zijn niet bevoorregt. Zij geven slechts het aanzijn aan luije dagdieven en nooit aan sterke en werkzame menschen-geslachten. Zie maar op Brazilië, Mexico, Californië, Australië! Hoe ver zijn ze in de negentiende eeuw! Het land bij uitnemendheid, mijn jongen, is niet het goudland, maar het ijzerland!"
[1]Ruim 757 millioen guldens.
[1]Ruim 757 millioen guldens.
[2]Het zou echter kunnen zijn, dat de landverhuizers zich bedrogen hadden. De goudlagen toch zijn volstrekt niet uitgeput. Volgens de laatste berigten uit Australië rekent men, dat de goudmijnen van Victoria en Nieuw-Wales een uitgestrektheid hebben van vijf millioen bunders, de vermoedelijke zwaarte van het kwarts, dat goudaderen bevat, zou 20 billioen 650000 millioen nederlandsche ponden zijn, en bij de tegenwoordige wijze van bewerking zouden honderd duizend werklieden drie eeuwen noodig hebben om die mijnen uit te putten. De rijkdom aan goud in Australië wordt geschat op 330000 millioen guldens.
[2]Het zou echter kunnen zijn, dat de landverhuizers zich bedrogen hadden. De goudlagen toch zijn volstrekt niet uitgeput. Volgens de laatste berigten uit Australië rekent men, dat de goudmijnen van Victoria en Nieuw-Wales een uitgestrektheid hebben van vijf millioen bunders, de vermoedelijke zwaarte van het kwarts, dat goudaderen bevat, zou 20 billioen 650000 millioen nederlandsche ponden zijn, en bij de tegenwoordige wijze van bewerking zouden honderd duizend werklieden drie eeuwen noodig hebben om die mijnen uit te putten. De rijkdom aan goud in Australië wordt geschat op 330000 millioen guldens.
[3]Pepiet, een klomp gedegen goud.
[3]Pepiet, een klomp gedegen goud.
Toen de zon den 2denJanuari opging, overschreden de reizigers de grens van het goudland en van het graafschap Talbot. Onder de hoeven hunner paarden steeg het stof der wegen van het graafschap Dalhousie omhoog. Eenige uren later doorwaadden zij de Colban en de Campaspe, op 144°35' en 144°45' lengte. De helft der reis was afgelegd. Bleef het geluk hun nog een paar weken getrouw, dan zouden zij de oevers der Twofold-baai bereiken. De gezondheidstoestand der reizigers liet niets te wenschen over. De beloften van Paganel, ten aanzien van het gezonde klimaat, werden vervuld. Weinig of geen vochtigheid, en een zeer dragelijke warmte. De paarden en ossen klaagden niet. De menschen evenmin.
Van de Camden-brug af was er een kleine wijziging gekomen in de marschorde. De misdadige spoorwegramp had Ayrton, zoodra hij er kennis van droeg, bewogen om eenige voorzorgen te nemen, die vroeger onnoodig waren geweest. De jagers mogten den wagen niet uit het oog verliezen. Wanneer zij een legerplaats betrokken, was er altijd een op wacht. 's Morgens en 's avonds werden de wapens goed nagezien. Het was zeker, dat een bende boosdoeners het land afliep, en ofschoon er geen dadelijk gevaar te vreezen was, diende men toch op alles voorbereid te zijn.
Het zal wel niet noodig zijn te zeggen, dat al die voorzorgen genomen werden buiten weten van lady Helena en Mary Grant, wie Glenarvan geen angst wilde aanjagen.
En inderdaad had men reden om zoo te handelen. Een onvoorzigtigheid, een verzuim zelfs kon duur te staan komen. Ook was Glenarvan niet de eenige, wien deze stand van zaken bezorgd maakte. In de afgelegene gehuchten, op de stations namen de bewoners en de squatters voorzorgen tegen een mogelijken aanval of overrompeling. Tegen het vallen van den avond werden de huizen gesloten. De honden, die binnen de omheining losliepen, blaften bij het minste gerucht. Geen herder te paard zou 's avonds zijn talrijke kudden verzamelen om ze huiswaarts te drijven, zonder dat een karabijn aan den zadelknop hing. Het gerucht van de misdaad te Camden-brug begaan wettigde die buitengewone voorzigtigheid, en menige kolonist, die vroeger met open vensters en deuren sliep, grendelde ze nu stevig, wanneer de schemering begon.
Het bestuur der provincie legde ook veel ijver en overleg aan den dag. Afdeelingen inlandsche gendarmes werden allerwegen uitgezonden. Bijzondere zorg werd gedragen voor het brieven-vervoer. Vroeger reed de postkar zonder geleide over de groote wegen. Dienzelfden dag, juist op het oogenblik dat het gezelschap van Glenarvan den weg van Kilmore naar Heatcote overstak, reed de postwagen voorbij, zoo hard als de paarden maar loopen konden, die een wolk van stof deden oprijzen. Maar pas was hij voorbij, toen Glenarvan de karabijnen der politieagenten zag flikkeren, die er naast reden. Men kon haast denken weder in dien noodlottigen tijd te zijn, toen de ontdekking der goudmijnen het schuim der volkeren van Europa op het vastland van Australië uitstortte.
Een mijl nadat de wagen den weg naar Kilmore was overgestoken, kwam hij in een reuzenwoud, en voor de eerste maal sedert kaap Bernouilli drongen de reizigers in een van die bosschen door, die zich verscheidene graden ver uitstrekken.
Een kreet van bewondering ontsnapte hun op het gezigt der twee honderd voet hooge gomboomen, wier sponsige schors wel vijf duim dik was. De stammen, die twintig voet omtrek hadden en een welriekende hars uitzweetten, verhieven zich honderden voeten boven den grond. Geen tak, geen takje, geen wilde loot, geen knoest zelfs brak hun loodregten stand af. Zij konden niet gladder uit de hand van den draaijer komen. Zij waren gelijk aan evenveel zuiver afgewerkte zuilen, en bij honderden te tellen. Hoog in de lucht liepen zij uit in kapiteelen van dooreengeslingerde takken, aan het uiteinde voorzien met om den andere geplaatste bladeren, aan den oksel dier bladeren hingen enkele bloemen, wier kelk op een omgekeerde urn geleek.
De lucht stroomde ongehinderd onder deze altijd groene zoldering door; een onafgebroken luchtstroom nam de vochtigheid van den grond op; de paarden, de kudden rundvee, de wagens konden onbelemmerd tusschen die wijd uiteenstaande boomen doorkomen, die veel hadden van de bakenstokken, waarmede een kreupelbosch, dat men wil uitdunnen, wordt afgepaald. Het was geen ondoordringbaar en met distelen en doornen begroeid bosch, evenmin het ongerepte bosch met omgevallen stammen versperd en met digt ineengegroeide slingerplanten behangen, waarin de landverhuizer zich alleen met de bijl en het vuur een weg kan banen. Een grastapijt aan den voet der boomen, een groen kleed aan hun top, lange lanen van stoute pilaren, weinig schaduw, weinig koelte, verder een eigenaardig licht gelijkende op het schijnsel, dat door een dun weefsel heendringt, een regelmatige terugkaatsing, een zuivere spiegeling op den grond, dat alles te zamen maakte een vreemd schouwspel uit, dat rijk was aan ongewone effecten. Een bosch op het vastland van Oceanië gelijkt in geenen deele op de bosschen der nieuwe wereld, en de gomboom, de "Tara" der inboorlingen, behoorende tot de familie der myrthen, wier verschillende soorten bijna ontelbaar zijn, is de boom bij uitnemendheid der australische plantenwereld.
Het woud van gombomen.Het woud van gombomen.
De omstandigheid, dat onder die groene koepels de schaduw niet digt en de duisternis niet groot is, wordt veroorzaakt door een wetenswaardige afwijking in de plaatsing van de bladeren dier boomen. Niet een wendt zijn vlakken kant naar de zon, maar wel zijn spits toeloopende randen. Het oog ontdekt in dat vreemde gebladerte niets dan de zijden. De zonnestralen schieten dan ook tot op den bodem, alsof zij tusschen de opstaande latjes van een zonneblind doorvielen.
Allen maakten die opmerking en allen schenen verrast. Waartoe toch die zonderlinge plaatsing? Die vraag werd natuurlijk tot Paganel gerigt. Hij antwoordde als iemand, die van zessen klaar is.
"Wat mij hier verwondert," zeide hij, "is niet de grilligheid der natuur; de natuur weet wel wat ze doet, maar de plantenkenners weten niet altijd, wat zij zeggen. De natuur heeft zich niet vergist, toen zij aan deze boomen dat eigenaardige gebladerte gaf; maar de menschen dwaalden, toen zij hen "eucalyptus" noemden.
"Wat beteekent dat woord?" vroeg Mary Grant.
"Het komt van εὖ καλὺπτω en beteekentik dek goed. Men heeft gezorgd die dwaling in het grieksch te begaan om ze minder in het oog te doen loopen, maar het is duidelijk, dat de "eucalyptus" slecht dekt."
"Toegestaan, waarde Paganel!" antwoordde Glenarvan; "zeg ons nu eens, waarom de bladeren zoo groeijen."
"Om een zuiver natuurkundige reden, vrienden!" antwoordde Paganel, "die gij gemakkelijk kunt begrijpen. In dit land, waar de lucht droog, de regen zeldzaam, de bodem uitgedroogd is, hebben de boomen aan wind noch zon behoefte. Waar geen vocht is, is ook geen sap. Vandaar die smalle bladeren, die zichzelven trachten te beschermen tegen den zonneschijn om een al te sterke uitdamping te voorkomen. Daarom keeren zij hun randen en niet de oppervlakte naar de zon. Niets is slimmer dan een blad."
"En niets baatzuchtiger!" sprak de majoor. "Dezen hebben alleen aan zichzelven gedacht en volstrekt niet aan de reizigers."
Allen waren het met Mac Nabbs eens, op Paganel na, die, terwijl hij zich het voorhoofd afwischte, blijde was onder boomen zonder lommer te kunnen rijden. Toch was die plaatsing der bladeren jammer; de wegen door die bosschen zijn soms zeer lang, en bij gevolg lastig, omdat de reiziger volstrekt niet beschermd wordt tegen de zonnehitte.
Den ganschen dag rolde de wagen tusschen die eindelooze rijen gomboomen. Geen viervoetig dier, geen inboorling was er te zien. Eenige kaketoes bewoonden de kruinen der boomen; maar op die hoogte waren ze naauwelijks zigtbaar en ging hun gebabbel in een onhoorbaar gefluister over. Soms vloog een zwerm papegaaien in de verte en vervrolijkte het geboomte voor een oogenblik door hun bonte kleuren. Maar over het geheel heerschte er een diepe stilte in dien uitgestrekten tempel van groen, en waren de stappen der paarden, eenige woorden van een onsamenhangend gesprek, de knarsende raderen van den wagen, en van tijd tot tijd een geroep van Ayrton, om zijn traag span wat aan te zetten, de eenige geluiden, die in deze ontzettende woestenijen gehoord werden.
's Avonds legerde men zich aan den voet van gomboomen, die de sporen droegen, dat er eerst onlangs een vuur had gebrand. Zij vormden om zoo te zeggen hooge fabriekschoorsteenen; want de vlam had ze inwendig over hun geheele lengte uitgehold. Zij hadden er echter geen hinder van, dat alleen de schors nog maar was overgebleven. Echter zal die verkeerde gewoonte der squatters en inboorlingen die prachtige boomen ten laatste geheel vernielen, en zij zullen verdwijnen gelijk die vier eeuwen oude cederen van den Libanon, welke de onnadenkende vlam der legerplaatsen verteert.
's Avonds legerde men zich aan den voet van gomboomen....'s Avonds legerde men zich aan den voet van gomboomen....
Op raad van Paganel legde Olbinett het vuur voor het avondeten aan in een van die buisvormige stammen; hij verkreeg terstond een aanzienlijke trekking en de rook verdween in het donkere loof. De noodige voorzorgen voor den nacht werden genomen, en Ayrton, Mulrady, Wilson en John Mangles losten elkander geregeld af om tot zonsopgang te waken.
Den ganschen dag van den 3denJanuarij volgde in dit eindelooze bosch die eene regelmatige laan op de andere. Het scheen, dat er geen einde aan was. Maar tegen den avond werd het bosch wat dunner, en in een kleine vlakte, eenige mijlen voor hen uit, kregen de reizigers een aantal regelmatige huizen in het oog.
"Seymour!" riep Paganel. "Het is de laatste stad die we zullen ontmoeten, voor wij de provincie Victoria verlaten."
"Is zij van aanbelang?" vroeg Lady Helena.
"Mevrouw!" antwoordde Paganel "het is een eenvoudige kerspel, dat op weg is om een gemeente te worden."
"Zullen wij er een fatsoenlijk logement vinden?" vroeg Glenarvan.
"Ik hoop van ja," antwoordde de aardrijkskundige.
"Welnu! dan zullen wij de stad binnenrijden; want ik denk, dat onze wakkere reizigsters er niets tegen zullen hebben om er een nacht te slapen.
"Lieve Edward!" antwoordde lady Helena, "Mary en ik nemen het aan, maar op voorwaarde, dat het geen stoornis noch oponthoud zal veroorzaken."
"Volstrekt niet," antwoordde lord Glenarvan; "ook ons span is vermoeid; morgen vertrekken wij weder met het krieken van den dag."
Het was nu negen ure. De maan neigde ten ondergang en schoot slechts schuine stralen, die de nevel belette door te dringen. Het werd allengs donker. Het geheele gezelschap reed de breede straten van Seymour in, onder geleide van Paganel, die altijd goed bekend scheen met hetgeen hij nooit had gezien. Maar zijn instinct geleidde hem en hij kwam regt voor Campbells North British hotel.
Paarden en ossen werden op stal, de wagen in het koetshuis, en de reizigers naar vrij goede kamers gebragt. Ten tien ure namen de gasten plaats aan een tafel, die Olbinett met het oog van een kenner had gemonsterd. Paganel had met Robert de stad doorloopen, en vertelde heel kort zijn nachtelijken togt. Hij had volstrekt niets gezien.
Toch zou iemand, die minder afgetrokken was, een zekere onrust op de straten van Seymour opgemerkt hebben; hier en daar stonden hoopjes menschen, die langzamerhand grooter werden; men stond aan de deur te praten; men ondervroeg elkander met wezenlijke bezorgdheid, eenige dagbladen werden overluid voorgelezen, opgehelderd en besproken. Die verschijnselen konden den onoplettendsten waarnemer niet ontgaan. Doch Paganel had niets gemerkt.
De majoor daarentegen stelde zich zonder zoo ver te gaan, zelfs zonder het logement te verlaten, op de hoogte van den angst, die het stadje en te regt verontrustte. Een gesprek van tien minuten met den praatzieken logementhouder Dickson gaf hem alle noodige inlichtingen. Maar hij repte er niet van.
Eerst toen het maal afgeloopen was en lady Glenarvan, Mary en Robert Grant naar hun kamers gegaan waren, hield de majoor zijn reisgenooten even bij zich en zeide:
"De bewerkers van de misdaad op den spoorweg van Sandhurst gepleegd zijn bekend."
"En zijn zij gevat?" vroeg Ayrton driftig.
"Neen!" antwoordde Mac Nabbs, schijnbaar zonder acht te geven op de gejaagdheid van den bootsman, een gejaagdheid trouwens, die in deze omstandigheid zeer verklaarbaar was.
"Zooveel te erger!" voegde Ayrton er bij.
"Welnu! wie verdenkt men van die misdaad?" vroeg Glenarvan.
"Lees!" antwoordde de majoor, terwijl hij Glenarvan een nummer van deAustralian and New-Zealand Gazetteaanbood, "en gij zult zien, dat de inspecteur van politie zich niet vergist heeft!"
Glenarvan las hardop het volgende:
"Sydney, 2 Januarij 1866.—Men zal zich herinneren, dat er in den nacht van den 29stenop den 30stenDecember ll. een ongeluk plaats had te Camden-brug, vijf mijlen van het station Castlemaine, op den spoorweg van Melbourne naar Sandhurst. De sneltrein van 11 ure 45 minuten is in volle vaart in de Lutton gestort.
"De Camden-brug stond open, toen de trein aankwam.
"Talrijke diefstallen, na de ramp gepleegd, en het lijk van den brugwachter, dat een halve mijl van Camden-brug terug is gevonden, bewezen, dat dit onheil het gevolg was van een misdaad.
"Het blijkt dan ook uit het onderzoek van den regter-commissaris, dat deze misdaad moet toegeschreven worden aan de bende gedeporteerden, die voor een half jaar uit de strafgevangenis van Perth, in West-Australië, ontsnapt zijn, toen zij naar het eiland Norfolk zouden overgebragt worden[1].
"Die gedeporteerden zijn ten getale van negen en twintig; hun aanvoerder is zekere Ben Joyce, een boosdoener van de ergste soort, die voor weinige maanden, met welk vaartuig is onbekend, in Australië is gekomen, en dien de justitie niet in handen heeft kunnen krijgen.
"De bewoners der steden, de kolonisten en de squatters der stations worden gewaarschuwd op hunne hoede te zijn, en verzocht den inspecteur-generaal alle inlichtingen te doen toekomen, die zijn nasporingen kunnen bevorderen.
"J.P. Mitchell, Insp.-Gen."
Toen Glenarvan ophield met lezen, wendde Mac Nabbs zich naar den aardrijkskundige en zeide:
"Gij ziet, Paganel! dat er gedeporteerden in Australië kunnen zijn."
"Ontvlugte! dat blijkt!" antwoordde Paganel, "maar geen toegelaten gedeporteerden. Die lieden hebben het regt niet hier te zijn."
"Zij zijn er toch," hernam Glenarvan; "maar naar mijn inzien mag hun tegenwoordigheid geen verandering in onze plannen brengen en ons onze reis doen staken. Wat denkt gij er van, John?"
John Mangles antwoordde niet terstond; hij weifelde tusschen de smart, welke het opgeven van de aangevangen nasporingen den beiden kinderen zou veroorzaken, en de vrees om het gezelschap in gevaar te brengen.
"Waren lady Glenarvan en miss Grant niet bij ons," zeide hij, "dan zou ik mij weinig om die bende ellendelingen bekommeren."
Glenarvan begreep hem en voegde er bij:
"Het spreekt van zelf, dat wij er niet aan kunnen denken om van de voltooijing onzer taak af te zien; maar zou het niet goed zijn om den wil onzer reisgenooten deDuncante Melbourne op te zoeken en van het oosten uit het spoor van Harry Grant te volgen? Wat denkt gij er van, Mac Nabbs?"
"Voor ik mijn gevoelen zeg," antwoordde de majoor, "zou ik gaarne de meening van Ayrton weten."
Zoo op den man af aangesproken, zag de bootsman Glenarvan aan.
"Ik denk," zeide hij, "dat wij twee honderd mijlen van Melbourne af zijn, en dat het gevaar, wanneer het bestaat, even groot is in het zuiden als in het oosten. Beide wegen worden weinig bezocht, de een is net als de andere. Ook geloof ik niet, dat een dertigtal boosdoeners acht goed gewapende en vastberadene mannen schrik kunnen aanjagen. Ik voor mij zou dus voortgaan. Wie het beter weet, spreke!"
"Goed gezegd, Ayrton!" antwoordde Paganel. "Zetten wij onzen togt voort, dan kunnen wij het spoor van kapitein Grant snijden. Keeren wij naar het zuiden terug, dan verwijderen wij ons er van. Ik denk dus evenals gij, en geef niet om die ontsnapten uit Perth, die niet waard zijn dat een man van moed zich om hen bekommert!"
Nu werd het voorstel om niets aan het reisplan te veranderen in omvraag gebragt en met algemeene stemmen aangenomen.
"Nog ééne opmerking, mylord!" zeide Ayrton, toen het gezelschap op het punt stond uiteen te gaan.
"En die is, Ayrton?"
"Zou het niet goed zijn deDuncanbevel te geven om de kust te naderen?"
"Waartoe zou dat dienen?" sprak John Mangles. "Wanneer wij in de Twofold-baai gekomen zijn, is het nog vroeg genoeg om dat bevel te verzenden. Mogt het een of ander onvoorzien voorval ons dwingen naar Melbourne te gaan, dan kon het ons ligt spijten deDuncanaldaar niet te vinden. Ook kan haar averij nog niet hersteld zijn. Om al die redenen acht ik het dus beter te wachten."
"Goed," antwoordde Ayrton, die er niet verder op aandrong.
Den volgenden morgen vertrok het kleine reisgezelschap gewapend en op alles voorbereid uit Seymour. Een half uur later betrad het weder het gomboomenbosch, dat op nieuw in het oosten zich vertoonde. Glenarvan had liever in het open veld gereisd. Een vlakte is minder geschikt voor hinderlagen en verraderlijke overvallen dan een digt bosch; maar men had geen keus, en den geheelen dag hotste de wagen tusschen de groote eentoonige boomen voort. Na de noordelijke grens van het graafschap Anglesey langs gereden te zijn, trok hij 's avonds over den honderd zes en veertigsten breedtegraad, en sloeg men zich neder op de grens van het district Murray.
[1]Het eiland Norfolk is een eiland ten oosten van Australië gelegen, waar het gouvernement de weerspannige en onverbeterlijke gedeporteerden opsluit. Zij zijn daar aan strenger toezigt onderworpen.
[1]Het eiland Norfolk is een eiland ten oosten van Australië gelegen, waar het gouvernement de weerspannige en onverbeterlijke gedeporteerden opsluit. Zij zijn daar aan strenger toezigt onderworpen.
Den volgenden morgen, den 5denJanuarij, zetteden de reizigers den voet op het uitgestrekte stroomgebied van de Murray. Dit woeste en onbewoonde district strekt zich uit tot aan den hoogen scheidsmuur der australische Alpen. De beschaving heeft het nog niet in afzonderlijke graafschappen gesplitst. Het is een weinig bekend en weinig bezocht gedeelte der provincie. Zijn bosschen zullen eens vallen onder den bijl van den houthakker, zijn weiden zullen overgeleverd worden aan de kudden van den squatter, maar tot nog toe is het een ongerepte bodem, zooals hij uit den Indischen oceaan oprees, het is de woestijn.
Al die gronden te zamen dragen een veelbeteekenenden naam op de engelsche kaarten: afgezonderd voor de zwarten. Tot hiertoe hebben de kolonisten de inboorlingen verdreven. In de afgelegene vlakten, onder de ongenaakbare bosschen, heeft men hun eenige bepaalde plekken overgelaten, waar het inlandsche ras binnen kort geheel zal uitsterven. Elke blanke kolonist, landverhuizer, squatter, houthakker, mag de grenzen dier afgezonderde streken overschrijden. De zwarte alleen mag ze niet verlaten.
Onder het rijden behandelde Paganel die gewigtige vraag der inlandsche rassen. Er was slechts ééne meening dienaangaande, namelijk dat het britsche stelsel uitliep op de vernietiging der overwonnen stammen, op hun verdrijving uit de streken, waar hun voorvaderen leefden. Die verderfelijke strekking was overal waar te nemen, wel het meest in Australië. In de eerste tijden der kolonie beschouwden de gedeporteerden, zelfs de kolonisten, de zwarten als wilde dieren. Zij maakten jagt op hen en schoten ze dood. Zij vermoordden hen. Het gezag der regtsgeleerden werd ingeroepen om te bewijzen, dat de Australiër buiten de natuurwet stond, en de moord dier ongelukkigen dus geen misdaad was. De dagbladen van Sidney stelden zelfs een krachtig middel voor om zich van de stammen aan het meer Hunter te ontdoen: namelijk ze in massa te vergeven.
Zooals men ziet, riepen de Engelschen bij het begin hunner verovering den moord te hulp ten behoeve van de kolonisatie. Hun wreedheden waren afschuwelijk. Zij gedroegen zich in Australië evenals in Indië, waar vijf millioen Hindoes verdwenen zijn, evenals aan de Kaap, waar een bevolking van een millioen Hottentotten tot honderd duizend is gedaald. De inlandsche bevolking, door mishandeling en dronkenschap gedund, dreigt dan ook voor een menschenmoordende beschaving van het vastland te verdwijnen. Wel is waar hebben sommige gouverneurs wetten tegen de bloeddorstige houthakkers uitgevaardigd! Zij straften met eenige zweepslagen den blanke, die een zwarte neus of ooren afsneed, of hem den pink afhakte, "om er een pijpuithaalder van te maken!" IJdele dreigementen! De moorden werden op groote schaal ingerigt, en geheele stammen verdwenen. Om maar één voorbeeld aan te halen: in het begin dezer eeuw telde het eiland Van Diemen vijf duizend inboorlingen, in 1868 slechts zeven! En onlangs melddede Mercuriuste Hobarttown de aankomst van den laatsten Tasmaniër.
Glenarvan, de majoor, noch John Mangles spraken Paganel tegen. Al waren zij Engelschen geweest, dan zouden zij nog hun landgenooten niet verdedigd hebben. De feiten waren zoo klaar als de dag, onwederlegbaar.
"Voor vijftig jaar," voegde Paganel er bij, "zouden wij op onzen weg menigen stam inboorlingen ontmoet hebben, en tot nog toe heeft zich geen enkele inlander vertoond. Binnen een eeuw zal de zwarte bevolking van dit vastland geheel uitgestorven zijn."
De afgezonderde streken schenen inderdaad geheel ontvolkt. Nergens was een spoor van legerplaatsen of hutten te zien. Vlakten en hoog kreupelhout wisselden elkander af, en langzamerhand kreeg de landstreek een woest voorkomen. Het scheen zelfs, alsof geen enkel levend wezen, mensch of dier, deze afgelegene gewesten bezocht, toen Robert voor een boschje gomboomen blijvende staan uitriep:
"Een aap! daar is een aap!"
En hij wees op een groot zwart ligchaam, dat met verbazende snelheid van tak tot tak glijdende, van den eenen boomtop op den anderen sprong, alsof een vliegtoestel hem op de lucht deed drijven. Vlogen soms in dit vreemde land de apen gelijk sommige vossen, wien de natuur even als de vleermuis een vlieghuid heeft gegeven?
Inmiddels was ook de wagen blijven staan, en elk zag naar het dier, dat langzamerhand in de verte tusschen de bladeren verdween. Weldra zag men het bliksemsnel van den boom glijden, met duizend bogten en sprongen over den grond loopen en vervolgens zijn lange armen om den gladden stam van een ontzaggelijken gomboom slaan. Men vroeg zich af, hoe het in dien regten en gladden boom zou klimmen, dien het niet kon omvatten.
Maar de aap gaf met een soort van bijl eenige slagen tegen den boom, maakte eenige kleine inkervingen, en bereikte met behulp van die op regelmatige afstanden aangebragte steunpunten de takken van den gomboom. Binnen weinige seconden verdween hij in het digte gebladerte.
"Wat is dat toch voor een aap?" vroeg de majoor.
"Die aap is een volbloed Australiër!" antwoordde Paganel.
De makkers van den aardrijkskundige hadden nog geen tijd gehad om hun schouders op te halen, toen een geschreeuw, dat men op deze wijze zou kunnen voorstellen: "coo-eeh! coo-eeh!" in hun nabijheid werd aangeheven. Ayrton dreef zijn ossen aan, en honderd schreden verder kwaamen de reizigers op eens aan een legerplaats van inboorlingen.
Welk een treurig schouwspel! Een tiental tenten stonden op den kalen bodem. Die "gunyo's," van bast-repen, die als dakpannen op elkander lagen, gemaakt, beschutten hun ellendige bewoners slechts aan eene zijde. Die door het gebrek diep gezonken wezens waren terugstootend. Er waren er omtrent dertig, mannen, vrouwen en kinderen, gekleed met kangoeroe-vellen, die hun aan flarden aan het lijf hingen. Zoodra de wagen naderde, was hun eerste beweging te vlugten. Maar eenige woorden, die Ayrton in een onverstaanbare brabbeltaal sprak, schenen hen gerust te stellen. Zij kwamen althans terug, half vertrouwelijk half bevreesd, als dieren, wien men een lekker stuk voorhoudt.
Er waren er omtrent dertig, mannen, vrouwen en kinderen....Er waren er omtrent dertig, mannen, vrouwen en kinderen....
Die inboorlingen, wier lengte tusschen vijf voet vier duim en vijf voet zeven duim afwisselde, waren niet zwart, maar hadden meer de kleur van oud roet, hun haren waren vlokkig, hun armen lang, hun onderbuik stak vooruit, hun ligchaam was ruig en geheel doorkorven van de litteekens van het tatoeëeren en de wonden, die zij zich bij lijkplegtigheden toebragten. Allerafschuwelijkst was hun monsterachtig gelaat, hun vreeselijk groote mond, hun breede en platte neus, hun uitstekende onderkaak, gewapend met witte maar voorovergebogen tanden. Geen ander menschelijk schepsel naderde zoozeer het dier.
"Robert had het niet mis!" zeide de majoor, "het zijn apen,—volbloed, als men wil,—maar het zijn apen."
"Mac Nabbs!" antwoordde lady Helena op medelijdenden toon, "zoudt gij dan dengenen, die jagt op hen maakten als op wilde dieren, gelijk geven! Die arme schepsels zijn menschen!"
"Menschen!" riep Mac Nabbs. "Hoogstens de schakel tusschen den mensch en den oerang-oetang! En wanneer ik hun gezigtshoek mat, zou ik vinden, dat hij even scherp was als die van den aap!"
Hierin had Mac Nabbs gelijk; de gezigtshoek van den inboorling van Australië is zeer scherp, en ongeveer gelijk aan dien van den oerang-oetang, d.i. van zestig tot twee en zestig graden. Ook stelde De Rienzi niet zonder grond voor om die ongelukkigen in een afzonderlijke klasse te plaatsen, die bij "pithecomorphen" noemde; dat wil zeggen menschen met het ligchaam van een aap.
Maar lady Helena had nog meer grond dan Mac Nabbs, toen zij die inboorlingen, welke op de laagste sport der menschelijke ladder staan, voor wezens hield, die met een ziel zijn begaafd. Tusschen het redelooze dier en den Australiër ligt de ondempbare kloof, die de geslachten scheidt. Pascal heeft teregt gezegd, dat de mensch nergens een redeloos dier is. Wel is waar voegt hij er niet minder verstandig bij, "evenmin een engel."
Lady Helena en Mary Grant nu weerspraken het laatste lid van dit gezegde van den grooten denker. Beide liefderijke vrouwen hadden den wagen verlaten; zij reikten de vriendenhand aan die rampzalige schepsels; zij boden hun spijzen aan, welke die wilden met terugstootende gulzigheid verslonden. De inboorlingen konden lady Helena des te eerder voor een godheid houden, omdat volgens hun geloof de blanken gewezen zwarten zijn, die na hun dood blank geworden zijn.
Maar vooral de vrouwen maakten het medelijden der reizigsters gaande. De toestand der australische vrouw is eenig: de stiefmoederlijke natuur heeft haar alle bekoorlijkheid ontzegd; zij is een slavin, die met brutaal geweld opgeligt is en geen ander bruidsgeschenk gekregen heeft dan slagen met de "waddie," een soort van omgebogen stok in de hand van haar heer. Van dat oogenblik af tot een vroegen en akeligen ouderdom vervallen, is zij belast met al de zware bezigheden van het zwervende leven; bij haar kinderen, die in een pak bissen gerold zijn, draagt zij het jagt- en vischtuig en den voorraad nieuw-zeelandsch vlas, waarvan zij netten vervaardigt. Zij moet levensmiddelen aan haar gezin bezorgen; zij maakt jagt op hagedissen, buidelratten en slangen, tot in den top der boomen; zij hakt het brandhout, schilt boombast voor de tenten; als een arm lastdier weet zij niet wat rust is, en eet slechts de walgelijke overblijfselen van het maal van haar heer.
Juist waren eenigen dier ongelukkigen, die misschien reeds lang van voedsel verstoken waren, bezig met vogels te lokken door hun wat zaden voor te houden.
Onbewegelijk, doodstil, zag men ze daar op den brandend heeten bodem uren lang liggen om te wachten, tot een onnoozel vogeltje onder het bereik van haar hand kwam! Hun begrip van strikken spannen ging niet verder, en wel moest het een australische vogel zijn, die zich daardoor liet verschalken.
Intusschen werden de reizigers, wier vriendelijkheid de inboorlingen eenigsins gerust stelde, door dezen omringd, en nu moesten zij oppassen voor hun ontembare zucht tot diefstal. Zij spraken een sissende taal, waarbij ze met de tong klokten. Dat had veel van dierengeluiden. Toch had hun stem dikwijls zeer zachte, fleemende buigingen; het woord "noki! noki!" kwam telkens voor en de gebaren wezen duidelijk genoeg aan, wat het beteekende. Het was het "geef mij! geef mij!" dat zich tot de geringste bezittingen der reizigers uitstrekte. Olbinett had heel wat te doen om de bagaadje en vooral de levensmiddelen te beschermen. Die arme hongerlijders sloegen vreeselijke blikken op den wagen, en lieten scherpe tanden zien, die misschien gewet waren op lappen menschenvleesch. De meeste australische stammen zijn, in vredestijd althans, wel geen menscheneters; maar slechts weinige wilden ontzien zich om het vleesch van een overwonnen vijand te verslinden.
Op verzoek van Helena gaf Glenarvan intusschen last om wat spijs uit te deelen. De inboorlingen begrepen zijn bedoeling, en gaven zich over aan vreugdebetooningen, die het ongevoeligste hart zouden vermurwd hebben. Zij brulden ook gelijk wilde dieren, wanneer de oppasser hun het dagelijksch rantsoen brengt. Al wilde men den majoor geen gelijk geven, toch kon men niet loochenen, dat dit ras zeer digt bij het dier stond.
Als een hoffelijk man meende Olbinett eerst de vrouwen te moeten bedienen. Maar die arme schepsels durfden niet eten voor haar geduchte meesters. Dezen vielen op de beschuit en het gedroogde vleesch aan als op een prooi.
Bij de gedachte, dat haar vader gevangen was bij zulke ruwe inlanders, voelde Mary Grant haar oogen vochtig worden. Zij stelde zich voor, wat iemand als Harry Grant, de slaaf dier zwervende stammen, ter prooi aan ontbering, honger en mishandeling, al lijden moest. John Mangles, die haar met angstige oplettendheid gadesloeg, giste de gedachten, die haar vervulden, en kwam haar wenschen voor door den bootsman derBritanniate ondervragen.
"Zijt gij uit de handen van zulke wilden ontsnapt, Ayrton?" vroeg hij hem.
"Ja, kapitein!" antwoordde Ayrton. "Al die stammen in het binnenland gelijken op elkaar. Maar hier ziet gij slechts een handvol van die arme drommels, terwijl er aan de oevers van de Darling talrijke stammen zijn onder aanvoering van geduchte opperhoofden."
"Maar wat kan een Europeaan onder die inboorlingen uitvoeren?" vroeg John Mangles.
"Wat ik ook gedaan heb," antwoordde Ayrton; "hij gaat met hen jagen en visschen; hij neemt deel aan hun gevechten, en zooals ik u reeds heb gezegd, hij wordt behandeld naar gelang van de diensten, die hij bewijst, en als hij een schrander en dapper man is, bekleedt hij onder den stam een aanzienlijken rang."
"Maar hij is toch een gevangene," zeide Mary Grant.
"En wordt zoo streng bewaakt," voegde Ayrton er bij, "dat hij dag noch nacht een stap kan doen!"
"En toch hebt gij kunnen ontsnappen, Ayrton!" zeide de majoor, die zich in het gesprek kwam mengen.
"Ja, mijnheer Mac Nabbs! onder begunstiging van een gevecht tusschen mijn stam en een anderen. Het is mij gelukt. Goed. Het spijt mij niet. Maar moest ik het nog eens doen, dan zou ik, geloof ik, aan een levenslange gevangenschap de voorkeur geven boven de rampen, die ik op mijn togt door de woestijnen van het binnenland heb ondervonden. God geve, dat kapitein Grant zulk een kans op redding niet waagt!"
"Ja, zeker!" antwoordde John Mangles, "wij moeten wenschen, miss Mary! dat uw vader bij een inlandschen stam gevangen is. Dan zullen wij gemakkelijker zijn spoor vinden, dan wanneer hij ronddoolt in de bosschen van het vastland."
"Hoopt gij dan nog altijd?" vroeg het meisje.
"Ik hoop altijd u met Gods hulp gelukkig te zien, miss Mary!"
Het meisje kon den jongen kapitein slechts met tranen danken.
Gedurende dit gesprek was er een ongewone beweging onder de wilden ontstaan; zij hieven een schel geschreeuw aan; zij liepen overal rond, grepen naar hun wapenen, en schenen door een ontzettende woede bevangen.
Glenarvan wist niet, waar zij heen wilden, waarop de majoor Ayrton in dezer voege aansprak:
"Daar gij langen tijd onder de Australiërs verkeerd hebt, verstaat gij ook zonder twijfel de taal van dezen?"
"Zoo wat," antwoordde de bootsman; "want zooveel stammen, zooveel tongvallen. Vergis ik mij niet, dan willen zij uit dankbaarheid voor Zijne Edelheid een spiegelgevecht houden."
Dit was inderdaad de oorzaak van die opschudding. Zonder verdere voorafspraak vielen de inboorlingen elkander met zulk een meesterlijk geveinsde woede aan, dat iemand, die niet beter wist, dien kleinen strijd voor ernstig gemeend zou opgenomen hebben. Maar naar het zeggen der reizigers zijn de Australiërs uitmuntende gebarenmakers, en bij deze gelegenheid legden zij een opmerkelijke bekwaamheid aan den dag.
Hun aanvallende en verdedigende wapenen bestonden in een houten knods, die de hardste schedels verplettert, en een soort van "tomahawk," een zeer harden scherpen steen, die met een klevende gom tusschen twee stokken is vastgekleefd. Het is een vreeselijk wapentuig en een nuttig werktuig in vredestijd, dat gebruikt wordt om naar het valt takken of koppen te vellen, ligchamen of boomen te kerven.
Onder luid getier zwaaiden zij als bezetenen met al die wapenen, de strijders vielen elkander aan; hier viel er een als dood neder, daar hief een ander een zegekreet aan. De vrouwen, vooral de bejaarde, als door den boozen geest des krijgs bezeten, vielen op de gewaande lijken aan, en verminkten ze in schijn met een wreedaardigheid, die niet verschrikkelijker zou geweest zijn, als ze ongeveinsd was geweest. Telkens vreesde lady Helena, dat het spel in een ernstigen strijd mogt ontaarden. Vooral ook omdat de kinderen, die deel aan den strijd hadden genomen, het wezenlijk begonnen te meenen. De knapen en vooral de meisjes, die nog woedender waren, deelden elkaar fiksche oorvegen uit, die goed aankwamen.