XIX.

Een allergeweldigste hagelbui overviel de reizigers.Een allergeweldigste hagelbui overviel de reizigers.

Tegen den avond bereikte de wagen, wel zeer gehavend en op vele plaatsen losgeraakt, maar nog stevig rustende op zijn houten schijven, de laatste uitloopers der Alpen, bedekt met hooge alleenstaande pijnboomen. De engte liep uit op de vlakten van Gippsland. De Alpenketen was gelukkig overgetrokken, en de gewone toebereidselen voor het nachtverblijf werden gemaakt.

Zoodra de zon den 12denopging werd de reis met nieuwen moed hervat. Een ieder wenschte vurig het doel te bereiken, dat wil zeggen de Stille Zuidzee, op dezelfde plek, waar deBritanniavergaan was. Daar alleen kon met vrucht het spoor der schipbreukelingen gezocht worden, en niet in die woeste streken van Gippsland. Daarom drong Ayrton er ook op aan, dat lord Glenarvan bevel zou zenden aan deDuncanom aan de kust te komen, ten einde alle middelen ter opsporing bij de hand te hebben. Zijns inziens moest men van den weg van Lucknow naar Melbourne gebruik maken. Later zou dat moeijelijk gaan; want er zou volslagen gebrek komen aan regtstreeksche gemeenschap met de hoofdstad.

Die aanbevelingen van den bootsman hadden den schijn voor zich. Paganel ried aan er gevolg aan te geven. Hij meende ook, dat de aanwezigheid van het jagt in zulk een geval zeer nuttig kon zijn, en voegde er bij, dat men geen gemeenschap met Melbourne meer zou kunnen onderhouden, als men den weg van Lucknow over was.

Glenarvan was besluiteloos, en misschien zou hij die bevelen, waarop Ayrton zoo bepaald aandrong, afgezonden hebben, als de majoor zich niet krachtig tegen dat besluit had verzet. Hij toonde aan, dat Ayrton niet gemist kon worden, dat hij bekend was met de kuststreek, dat, mogt het toeval de karavaan op het spoor van Harry Grant brengen, de bootsman beter dan iemand anders in staat zijn zou het te volgen, ten laatste dat hij alleen de plaats kon aangeven, waar deBritanniawas vergaan.

Mac Nabbs stemde dus voor de voortzetting der reis, zonder iets aan het plan te veranderen. Hij vond een bondgenoot in John Mangles, die zijn gevoelen deelde. De jonge kapitein merkte zelfs op, dat de bevelen Zijner Edelheid gemakkelijker deDuncanzouden bereiken, wanneer zij uit de Twofold-baai werden afgezonden, dan wanneer zij door tusschenkomst van een bode werden overgebragt, die twee honderd mijlen van een woest land zou moeten doortrekken.

Reis rond de wereld, deel 2—Midden-Australië.Reis rond de wereld, deel 2—Midden-Australië.

Deze meening behield de overhand. Er werd besloten, dat er niet gehandeld zou worden voor de Twofold-baai bereikt was. De majoor hield Ayrton in het oog, die zeer teleurgesteld scheen. Maar hij zeide er niets van, en volgens zijn gewoonte hield hij zijn gedachten voor zich.

De vlakten, die zich aan den voet der australische Alpen uitstrekken, waren effen, met een geringe helling naar het oosten. Groote boschjes mimosa's en allerlei gomboomen braken hier en daar de eentoonige eenvormigheid af. De "gastrolobium grandiflorum" bedekte den bodem met zijn struiken met schitterende bloemen. Eenige onbeduidende stroompjes, niet meer dan beekjes met laag riet omzoomd en met standelkruiden begroeid, doorsneden dikwijls den weg. Zij werden doorwaad. In de verte vlugtten benden trapganzen en kasuarissen op de nadering der reizigers. Kangoeroes sprongen als een troep elastieke poppen boven de heesters uit. Maar de jagers onder het gezelschap dachten volstrekt niet aan de jagt, en hun paarden konden die onnoodige vermoeijenis zeer goed missen.

Ook hing er eene zwoele lucht over de landstreek. De dampkring was verzadigd met electriciteit. Dieren en menschen ondervonden zijn invloed. Zij trokken loom en lusteloos verder. De stilte werd alleen verstoord door het geschreeuw, waarmede Ayrton zijn aamechtig span aanzette.

Tusschen twaalf en twee ure trok men door een aardig bosch van varens, dat de bewondering van minder afgematte lieden zou gaande gemaakt hebben. Die boomvormige planten, welke in vollen bloei stonden, bereikten een hoogte van wel dertig voet. Paarden en ruiters trokken op hun gemak onder de afhangende takken door, en soms rammelden de radertjes der sporen, wanneer ze tegen hun houtachtigen stengel stieten. Onder die onbewegelijke zonneschermen heerschte een koelte, waarover niemand klaagde.

Een bosch van boom-varens.Een bosch van boom-varens.

Jacques Paganel, die er van hield zijn hart lucht te geven, zuchtte van tevredenheid, en deed daardoor scharen papegaaijen en kakatoes opvliegen. Het was een concert van oorverdoovend geschreeuw.

De aardrijkskundige schreeuwde en jubelde hoe langer hoe luider, toen zijn reisgenooten hem op eens op zijn paard zagen wankelen en als een klomp lood op den grond vallen. Was soms een bezwijming of erger nog een verstikking, door den hoogen warmtegraad veroorzaakt, hiervan de oorzaak?

Men snelde naar hem toe.

"Paganel! Paganel! wat scheelt u?" riep Glenarvan.

"Mij scheelt, waarde vriend! mij scheelt, dat ik geen paard meer heb," antwoordde Paganel, terwijl hij zijn voeten uit de stijgbeugels losmaakte.

"Wat! uw paard?"

"Dood, morsdood, evenals dat van Mulrady!"

Glenarvan, John Mangles, Wilson onderzochten het dier. Paganel had zich niet vergist. Zijn paard was plotseling dood gebleven.

"Dat is vreemd!" zeide John Mangles.

"Ja, wel vreemd!" mompelde de majoor.

Dit nieuwe ongeluk maakte Glenarvan zeer bekommerd. In deze woestijn waren geen andere paarden te krijgen. En ontstond er soms een besmettelijke ziekte onder hun paarden, dan zou het hem zeer moeijelijk vallen den togt voort te zetten.

De dag was nog niet om, of het woord "besmettelijke ziekte" scheen bewaarheid te zullen worden. Een derde paard, dat van Wilson viel dood, en, wat nog erger was, ook een der ossen bezweek. De trek- en rijdieren bestonden nu maar uit drie ossen en vier paarden.

De toestand werd bedenkelijk. De van hun paarden beroofde ruiters konden des noods te voet gaan. Vele squatters hadden dit reeds in die onbewoonde streken gedaan. Maar wat zou er van de reizigsters worden,als men den wagen moest achterlaten? Konden die de honderd twintig mijlen, die hen nog van de Twofold-baai scheidden, te voet afleggen?

Hoogst ongerust onderzoeken John Mangles en Glenarvan de nog overgebleven paarden. Misschien kan men nieuwe ongelukken voorkomen. Uit dit onderzoek bleek, dat er geen enkel teeken van ziekte of zwakheid te bespeuren was. Deze dieren waren volkomen gezond en stonden de vermoeijenissen der reis wakker door. Glenarvan hoopte dus, dat die vreemde besmettelijke ziekte geen andere offers meer zou eischen.

Ook Ayrton was van dat gevoelen. Hij verklaarde tevens niets te begrijpen van die plotselinge sterfgevallen.

De togt werd hervat. De wagen diende tot rijtuig voor de voetgangers, die er elk op hun beurt in uitrustten. Na een marsch van slechts tien mijlen werd 's avonds het sein om halt te houden gegeven en de legerplaats in orde gebragt. De nacht ging in ongestoorde rust voorbij onder een groot bosch van boomvormige varens, waarin ontzaggelijke vleermuizen rondfladderden, die hun naam van roode vliegende maki met regt droegen.

De volgende dag, zijnde de 13deJanuarij, was bij uitstek goed. De ongelukken van den vorigen herhaalden zich niet. De gezondheidstoestand van het reisgezelschap bleef bevredigend. Paarden en ossen volbragten met lust hun werk. Het salon van lady Helena was zeer levendig, door het aantal gaande en komende bezoekers. Olbinett was druk in de weer met de ververschingen rond te laten gaan, die een warmte van dertig graden noodig maakte. Een half vaatje schotsche ale werd geheel leeggedronken. Barclay en Cie werd de grootste man van geheel Engeland genoemd, zelfs grooter dan Wellington, die nooit zulk lekker bier had gebrouwen. Een gevolg van de eigenliefde der Schotten. Jacques Paganel dronk veel en redeneerde nog meerde omni re scibili et quibusdam aliis.

Een zoo goed begin beloofde ook een goed einde van den dag. Men had ruim vijftien mijlen afgelegd in een vrij bergachtig land met een roodkleurigen bodem. Men mogt zich dus vleijen dienzelfden avond nog aan de oevers der Sneeuw-rivier, een belangrijke rivier, die zich in het zuiden van Victoria in de Stille Zuidzee werpt, de legerplaats te betrekken. Weldra maakten de wielen van den wagen hun spoor in groote vlakten van zwartachtigen aangeslibden grond, tusschen boschjes weelderig gras en nieuwe velden met gastrolobium begroeid. Het werd avond, en een nevel, die aan den gezigteinder oprees, wees duidelijk den loop der Sneeuwrivier aan. Met veel moeite kwam men nog eenige mijlen verder. Een bosch van hooge boomen verhief zich bij een hoek van den weg, achter een geringe verhevenheid van den grond. Ayrton mende zijn ossen, van wie reeds zooveel gevergd was, tusschen de groote, in de schaduw bijna niet zigtbare boomstammen door, en was reeds over den zoom van het bosch, maar een halve mijl van de rivier af, toen de wagen op eens tot aan de as in den modder zakte.

"Geeft acht!" riep hij den ruiters toe, die hem volgden.

"Wat gebeurt er dan?" vroeg Glenarvan.

"Wij zitten in den modder vast," antwoordde Ayrton.

Met de stem en den prikkel zette hij zijn ossen aan, die tot aan de knieën in den modder zittende, zich niet konden bewegen.

"Wij moesten hier van nacht maar blijven," zeide John Mangles.

"Dat is het beste wat wij doen kunnen," antwoordde Ayrton. "Morgen, wanneer het dag is, kunnen wij beter zien, hoe wij er uitkomen."

"Halt!" riep Glenarvan.

Na een korte schemering werd het volkomen duister; maar de warmte was niet met het licht geweken. De lucht was stikkend heet. Aan den gezigteinder flikkerden eenige weerlichten, de oogverblindende weerkaatsing van een verwijderd onweder.

Aan den gezigteinder flikkerden eenige weerlichten.Aan den gezigteinder flikkerden eenige weerlichten.

Het nachtverblijf werd in orde gebragt. Zoo goed en kwaad het ging, behielp men zich in den vastzittenden wagen. De donkere koepel der groote boomen beschutte de tent der reizigers. Mits het maar niet begon te regenen, hadden zij geen reden om te klagen.

Niet zonder moeite haalde Ayrton zijn drie ossen uit den drassigen bodem. Die moedige dieren zaten er tot den buik in. De bootsman joeg ze met de vier paarden in een beslotene ruimte en vertrouwde aan niemand de zorg toe om voeder voor hen uit te kiezen. Dat werk verrigtte hij met veel overleg, en Glenarvan merkte op, dat hij dien avond zijn zorg nog verdubbelde, waarvoor hij hem hartelijk bedankte, want het behoud der trekdieren was van overwegend belang.

Inmiddels gebruikten de reizigers een korten avondmaaltijd. Vermoeidheid en warmte verdreven den honger. Zij hadden geen behoefte aan voedsel, maar aan rust. Na haar reisgenooten goeden nacht te hebben gewenscht, zochten lady Helena en miss Grant haar gewone legerstede op. Wat de mannen aangaat, sommigen kropen onder de tent, anderen gingen liever aan den voet der boomen in het digte gras liggen, hetgeen men in die gezonde landen gerust kan doen.

Langzamerhand vielen allen in een diepen slaap. De duisternis nam toe onder een gordijn van dikke wolken, dat den geheelen hemel bedekte. Geen windje was er aan de lucht. De stilte van den nacht werd slechts afgebroken door het gekras van den "morepork," die met verrassende juistheid de kleine terts aangaf, evenals de treurige koekoeken van Europa.

Na een zwaren en vermoeijenden slaap werd de majoor tegen elf ure wakker. Een flaauw licht, dat zich onder de groote boomen bewoog, trof zijn half geslotene oogen. Men zou het voor een witachtig vlak, zoo spiegelend als het water van een meer, hebben kunnen houden, en Mac Nabbs geloofde eerst, dat het het schijnsel van een ontstaanden brand was, dat zich over den grond voortplantte.

Hij rees op en liep naar het bosch. Hij stond zeer verbaasd, toen hij daar een zuiver natuurverschijnsel voor zich zag. Een onafzienbaar veld met paddestoelen, die dat licht gaven, strekte zich voor hem uit. De lichtgevende kiemkorrels dier bedekt bloeijende planten straalden met zekere kracht in de duisternis[1].

De majoor, die geen egoïst was, wilde Paganel wekken, opdat de geleerde dit verschijnsel met eigen oogen mogt waarnemen, toen een zeker voorval hem hiervan deed afzien.

Het phosphorisch licht bescheen het bosch over een ruimte van een halve mijl, en Mac Nabbs verbeeldde zich, dat hij snel eenige schaduwen langs den verlichten zoom zag glijden. Bedrogen hem zijn oogen? Was hij de speelbal van een gezigtsbedrog?

Mac Nabbs ging op den grond liggen, en oplettend rondziende bemerkte bij duidelijk verscheidene menschen, die beurtelings bukkende en opstaande nog versche sporen op den grond schenen te zoeken.

Hij moest en zou weten, wat die menschen zochten.

De majoor aarzelde niet, en zonder zijn reisgenooten wakker te maken, kroop hij als een wilde uit de prairiën over den grond en verdween in het hooge gras.

De majoor verdween in het hooge gras.De majoor verdween in het hooge gras.

[1]Dit feit was reeds door Drummond in Australië waargenomen, en wel bij paddestoelen, die tot de familie van deAgaricus olearicusschijnen te behooren.

[1]Dit feit was reeds door Drummond in Australië waargenomen, en wel bij paddestoelen, die tot de familie van deAgaricus olearicusschijnen te behooren.

Het was een vreeselijke nacht. 's Morgens ten twee ure begon er een regenbui te vallen, een stortbui, die de onstuimige wolken tot het aanbreken van den dag toe uitgoten. De tent was niet langer een voldoende beschutting. Glenarvan en zijne reisgenooten vlugtten in den wagen. Niemand sliep. Men praatte over koetjes en kalfjes. De majoor alleen, wiens korte afwezigheid niemand opgemerkt had, vergenoegde zich met te luisteren, maar sprak geen woord. Nog kwam er geen einde aan de ontzettende bui. Het stond te vreesen, dat ze de Sneeuw-rivier buiten haar oevers zou doen treden, hetgeen zeer leelijk zou geweest zijn voor den wagen, die in den weeken grond vast zat.

Bij herhaling gingen daarom Mulrady, Ayrton, zelfs John Mangles den waterstand waarnemen, en kwamen dan van het hoofd tot de voeten doornat terug.

Eindelijk werd het dag. De regen hield op; maar de zonnestralen konden den digten wolkensluijer niet doorboren. Groote plassen geelachtig water, echte troebele en slijkerige vijvers, maakten den grond morsig. Een warme damp steeg uit die doorweekte gronden op en vervulde den dampkring met een voor de gezondheid schadelijke vochtigheid.

Allereerst hield Glenarvan zich met den wagen bezig. Dat was in zijn oog de hoofdzaak. Het lompe voertuig werd naauwkeurig bekeken. Het zat vast in taaije klei in het midden van een groote verzakking van den grond. Het voorstel was bijna geheel verdwenen, en het achterstel tot aan de stootplaat van de as. Het zou heel wat moeite kosten om dat zware ligchaam er uit te halen, en de vereenigde krachten van mannen, ossen en paarden zouden er wel toe noodig zijn.

"Wij moeten ons in allen gevalle haasten," zeide John Mangles. "Wanneer die klei opdroogt, wordt het werk nog moeijelijker."

"Ja, wij moeten ons haasten," antwoordde Ayrton.

Glenarvan, de beide matrozen, John Mangles en Ayrton drongen in het bosch, waar de dieren den nacht hadden doorgebragt.

Het was een hoog bosch van akelige gomboomen. Niets dan doode, ver uiteenstaande boomen, sedert eeuwen van hun bast beroofd, of liever gelijk de kurkeiken, wanneer de oogsttijd daar is. Hun dunne, bladerlooze takken staken twee honderd voet hoog in de lucht. Geen enkele vogel nestelde in die dorre geraamten, geen blaadje trilde aan die drooge en als doodsbeenderen klepperende takken. Aan welke omwenteling moet dat in Australië nog al veel voorkomende verschijnsel van geheele als door een besmettelijke ziekte gestorven bosschen toegeschreven worden? Men weet het niet. Noch de oudste inboorlingen, noch hun voorvaderen, die reeds lang in de doodenboschjes rusten, hebben ze ooit groen gezien.

Onder het gaan beschouwde Glenarvan den graauwen hemel, waartegen de kleinste takjes der gomboomen zich als fijne lijntjes afteekenden. Ayrton verwonderde zich, dat hij de paarden en ossen niet meer vond ter plaatse, waar hij ze gebragt had. De gekluisterde dieren konden echter niet ver weg zijn.

Men zocht ze in het bosch, maar zonder ze te vinden. Hoogst verbaasd ging Ayrton nu naar de Sneeuw-rivier, wier oevers met prachtige mimosa's begroeid zijn. Hij liet het bij zijn span welbekend geluid hooren; maar kreeg geen antwoord. De bootsman scheen zeer ongerust, en zijn reisgenooten zagen elkander met een teleurgesteld gezigt aan.

Zoo werd er nu een uur met vergeefsche nasporingen doorgebragt, en Glenarvan wilde reeds naar den wagen terugkeeren, daar hij ruim een mijl van af was, toen een gehinnik zijn oor trof. Bijna gelijktijdig liet zich ook gebulk hooren.

"Daar zijn ze!" riep John Mangles, en kroop tusschen de hooge gastrolobiums door, die hoog genoeg waren om een kudde te verbergen.

Glenarvan, Mulrady en Ayrton ijlden hem achterna en deelden spoedig in zijn ontsteltenis.

Twee ossen en drie paarden lagen op den grond; de dood had hen even onverwacht overvallen als de anderen. Hun lijken waren reeds koud, en een troep magere raven, die in de mimosa's krasten, beloerde die onverwachte prooi.

Glenarvan en de anderen zagen elkander aan en Wilson kon een vloek niet terughouden, die hem op de tong lag.

"Het is niet anders, Wilson!" zeide lord Glenarvan, die moeite had om bedaard te blijven, "wij kunnen er niets aan doen. Breng den os en het paard weg, Ayrton! Wij moeten maar zien, hoe wij het met hen redden."

"Zat onze wagen maar niet vast," sprak John Mangles, "dan zouden die twee dieren hem langzaam aan wel naar de kust kunnen brengen. Dat vervloekte voertuig moet er dus uitgehaald worden, het gaat hoe het gaat."

"Wij zullen het beproeven, John!" antwoordde Glenarvan. "Thans willen wij naar de legerplaats terugkeeren, waar men reeds ongerust zal zijn over ons lang uitblijven."

Ayrton nam de kluisters van den os af, Mulrady van het paard, en zoo keerde men langs de bogtige oevers der rivier terug.

Een half uur later waren Paganel, Mac Nabbs, lady Helena en miss Grant van alles onderrigt.

"Het is waarlijk jammer, Ayrton! dat niet al onze beesten bij den overtogt der Wimerra beslagen moesten worden," kon de majoor niet nalaten te zeggen.

"Hoe dat zoo, mijnheer?" vroeg Ayrton.

"Omdat van al onze paarden alleen dat, hetwelk uw hoefsmid onder handen heeft gehad, aan de algemeene ramp ontkomen is!"

"Dat is waar, en heel toevallig!" zeide John Mangles.

"Toeval, anders niet," antwoordde de bootsman, terwijl bij den majoor stijf in het gezigt zag.

Mac Nabbs beet zich op de lippen, alsof hij vreesde te veel te zeggen. Glenarvan, Mangles en lady Helena schenen te verwachten, dat hij zijn gedachte geheel zou mededeelen; maar de majoor zweeg en ging naar den wagen, waarmede Ayrton zich bezig hield.

"Wat heeft hij willen zeggen?" vroeg Glenarvan aan John Mangles.

"Ik weet het niet," antwoordde de jonge kapitein.

"De majoor is er anders de man niet naar om zonder grond te spreken."

"Neen, John!" zeide lady Helena. "Mac Nabbs heeft zeker kwaad vermoeden ten opzigte van Ayrton."

"Kwaad vermoeden?" sprak Paganel de schouders ophalende.

"Welk?" vroeg Glenarvan. "Zou hij hem in staat achten onze paarden en ossen te dooden? Maar waarom? Is het belang van Ayrton niet hetzelfde als het onze?"

"Gij hebt gelijk, lieve Edward!" zeide lady Helena, "en ik voeg er nog bij, dat de bootsman ons van het begin der reis af onweersprekelijke bewijzen van verknochtheid gegeven heeft."

"Zonder twijfel," antwoordde John Mangles. "Maar wat beteekent dan de opmerking van den majoor? Daar moet ik het mijne van hebben."

"Gelooft hij, dat hij met die gedeporteerden onder éénen hoed speelt?..." riep Paganel onvoorzigtig uit.

"Welke gedeporteerden?" vroeg miss Grant.

"Mijnheer Paganel verspreekt zich," antwoordde John Mangles driftig. "Hij weet wel, dat er geen gedeporteerden zijn in de provincie Victoria."

"Drommels! dat is waar ook!" zeide Paganel, die zijn woorden wel had willen inhalen. "Waar waren mijn gedachten? Gedeporteerden! Wie heeft ooit van gedeporteerden hooren spreken in Australië? Bovendien, pas zijn ze aan land, of ze worden brave menschen! Het klimaat gij weet wel, miss Mary! het zedelijk makend! klimaat...."

Het ging den armen geleerde, die zijn dwaasheid wilde herstellen, evenals den wagen, hij zakte er hoe langer hoe dieper in. Lady Helena zag hem aan, waardoor hij alle bezinning verloor. Maar hem niet verlegener willende maken, nam zij miss Mary mede naar de tent, waar Olbinett het ontbijt naar al de regelen der kunst gereed maakte.

"Ik verdiende zelf gedeporteerd te worden!" jammerde Paganel.

"Dat geloof ik ook," antwoordde Glenarvan.

Dit met een ernst gezegd hebbende, die den waardigen aardrijkskundige geheel in den war bragt, ging Glenarvan met John Mangles naar den wagen.

Ayrton en de twee matrozen waren juist bezig om hem uit den diepen kuil te trekken. De os en het paard naast elkander gespannen, trokken met alle kracht; de strengen stonden zoo strak, dat zij bijna braken, de hamen stonden op het punt van te scheuren. Wilson en Mulrady draaiden aan de wielen, terwijl de bootsman met stem en zweep het zwakke voorspan aanzette. Het zware voertuig bewoog zich niet. De reeds drooge klei hield het span tegen, alsof het in tras vastgemetseld was.

Het zware voertuig bewoog zich niet.Het zware voertuig bewoog zich niet.

John Mangles liet de klei nat maken, opdat ze minder zou houden. Het was te vergeefsch. De wagen bleef onbewegelijk vastzitten. Na nieuwe krachtsinspanning gaven menschen en dieren het op. Wilde men den wagen niet uit elkander nemen, dan moest men hem in den kuil achterlaten. Uit gebrek aan werktuigen kon zulk een arbeid niet ondernomen worden.

Ayrton, die wat het ook kosten mogt, dit beletsel uit den weg wilde ruimen, stond gereed een nieuwe poging aan te wenden, toen lord Glenarvan hem tegenhield.

"Genoeg, Ayrton! genoeg," zeide hij. "Wij moeten den os en het paard ontzien. Als wij onze reis te voet moeten voortzetten, zal het een de beide dames, de andere de levensmiddelen dragen. Dan kunnen zij ons nog goede diensten bewijzen."

"Goed, mylord! antwoordde de bootsman, terwijl hij de uitgeputte dieren uitspande.

"Laten wij nu naar de legerplaats terugkeeren, vrienden!" voegde Glenarvan er bij, "dan kunnen wij beraadslagen, onzen toestand onderzoeken, de goede en kwade kansen opsporen, en een besluit nemen."

Eenige oogenblikken later verkwikten de reizigers zich met een degelijk ontbijt van hun slechten nacht, en werden de beraadslagingen geopend. Een ieder werd verzocht zijn meening te zeggen.

In de allereerste plaats was het noodig met volkomene juistheid te weten, waar men zich bevond. Paganel, wien die taak werd opgedragen, volbragt ze met de noodige naauwkeurigheid. Volgens zijne berekening bevond het gezelschap zich thans op 37° graden breedte en 147° 53' lengte, aan den oever der Sneeuw-rivier.

"Wat is de juiste ligging der Twofold-baai?" vroeg Glenarvan.

"Honderd vijftig graden," antwoordde Paganel.

"En die twee graden zeven minuten zijn gelijk aan?..."

"Vijf en zeventig mijlen[1]."

"En Melbourne ligt?..."

"Minstens twee honderd mijlen van hier."

"Goed. Wat staat ons thans te doen, nu wij dit weten?" zeide Glenarvan.

Allen gaven eenparig ten antwoord: zonder verwijl naar de kust gaan. Lady Helena en Mary Grant verbonden zich om vijf mijlen per dag af te leggen. De moedige vrouwen vreesden niet om des noods te voet den afstand af te leggen, die de Sneeuw-rivier van de Twofold-baai scheidt.

"Gij zijt de wakkere gezellin van den reiziger, lieve Helena!" zeide lord Glenarvan. "Maar kunnen wij er staat op maken, dat wij aan de baai al de hulpmiddelen zullen vinden, die wij bij onze komst noodig hebben?"

"Ongetwijfeld," antwoordde Paganel. "Eden is een gemeente, die reeds verscheidene jaren oud is. Haar haven moet veel verkeer hebben met Melbourne. Ik vooronderstel zelfs, dat wij vijf en dertig mijlen van hier, in het kerspel Delegete, op de grenzen van Victoria, versche levensmiddelen en reisgelegenheid zullen vinden."

"En deDuncan?" vroeg Ayrton; "acht gij het niet geraden, mylord, ze in de baai te ontbieden?"

"Wat denkt gij er van, John?" vroeg Glenarvan.

"Ik geloof niet, dat Uwe Edelheid zich daarmede behoeft te haasten," antwoordde de jonge kapitein na eenig nadenken. "Het is altijd nog tijde genoeg uw bevelen aan Tom Austin te doen toekomen en hem aan de kust te roepen."

"Dat is waar," zeide Paganel.

"Bedenk," voegde John Mangles er bij, "dat wij in vier of vijf dagen te Eden zullen zijn."

"Vier of vijf dagen!" hervatte Ayrton hoofdschuddende; "reken maar vijftien of twintig, kapitein! als gij u later niet over uw dwaling wilt beklagen."

"Vijftien of twintig dagen om vijf en twintig mijlen af te leggen!" riep Glenarvan.

"Op zijn minst mylord! Gij moet het moeijelijkste gedeelte van Victoria door, een woestijn, waarin aan alles gebrek is, zoo als de squatters zeggen, kreupelhout zonder gebaande wegen, waarin nog geen stations zich hebben kunnen vestigen. Gij zult er door moeten met den bijl of de toorts in de hand, en geloof mij, gij zult niet snel vorderen."

Ayrton had op stelligen toon gesproken. Paganel, op wien vragende blikken werden geslagen, bevestigde met een hoofdknikje de woorden van den bootsman.

"Ik neem die bezwaren aan," hernam nu John Mangles. "Welnu! binnen veertien dagen kan Uwe Edelheid zijn bevelen aan deDuncanzenden."

"Ik wil er nog bijvoegen," hervatte Ayrton, "dat de moeijelijkheden van den weg niet de zwaarste zullen zijn. Maar gij moet de Sneeuw-rivier over, en zeer waarschijnlijk wachten, tot het water valt."

"Wachten!" riep de jonge kapitein, "Zou er geen doorwaadbare plek te vinden zijn?"

"Dat denk ik niet," antwoordde Ayrton. "Heden morgen heb ik te vergeefs naar een ondiepte gezocht. Zelden zal men in dit jaargetijde zulk een onstuimige rivier aantreffen, en dat is een hinderpaal, waartegen ik niets vermag."

"Is die Sneeuw-rivier dan zoo breed?" vroeg lady Glenarvan.

"Breed en diep, mevrouw!" antwoordde Ayrton. "Wel een mijl breed en zeer snelvlietend. Een goed zwemmer kan ze niet zonder gevaar overzwemmen."

"Welnu! dan zullen we een boot bouwen!" riep Robert, die voor niets terugdeinsde, "Men velt een boom, holt hem uit, gaat er in zitten, en daarmee uit."

"Hij houdt zich goed, die zoon van kapitein Grant!" zeide Paganel.

"En hij heeft gelijk," hernam John Mangles. "Wij zullen er wel toe moeten overgaan. Daarom acht ik het onnoodig onzen tijd met nuttelooze praatjes te verspillen."

"Wat denkt gij er van, Ayrton?" vroeg Glenarvan.

"Ik denk, mylord! dat wij over een maand, als er geen hulp opdaagt, nog aan de oevers der Sneeuw-rivier zullen staan!"

"Laat hooren, hebt gij dan soms een beter plan?" vroeg John Mangles met eenig ongeduld.

"Ja, wanneer deDuncanMelbourne verlaat en naar de oostkust stevent!"

"Och! altijd dieDuncan! En hoe kan haar tegenwoordigheid in de baai ons den togt daarheen gemakkelijker maken?"

Alvorens te antwoorden dacht Ayrton een poosje na en zeide toen vrij ontwijkend:

"Ik wil niemand mijn gevoelen opdringen. Wat ik doe, is in aller belang, en ik ben bereid om te vertrekken, zoodra Zijne Edelheid het sein geeft om op te breken."

Daarop sloeg hij de armen over elkaar.

"Dat is geen antwoord, Ayrton!" hernam Glenarvan. "Deel ons uw plan mede, dan zullen wij het bespreken. Wat stelt gij voor?"

Nu sprak Ayrton met een bedaarde en vaste stem aldus:

"Ik stel voor, dat wij ons in den berooiden toestand, waarin wij thans verkeeren, niet aan gene zijde van de Sneeuw-rivier moeten wagen. Op deze plaats moeten wij hulp wachten, en die hulp kan alleen van deDuncankomen. Hier moeten wij ons legeren, waar geen gebrek aan levensmiddelen is, terwijl een onzer aan Tom Austin het bevel moet brengen om naar de Twofold-baai te stoomen."

Dit onverwachte voorstel werd met geen geringe verbazing aangehoord, en John Mangles ontveinsde zijn tegenzin er in niet.

"Intusschen," hernam Ayrton, "zal of het water der Sneeuwrivier zakken, zoodat wij een doorwaadbare plaats kunnen vinden, of wij zullen tot een boot onze toevlugt moeten nemen, die wij dan tijd genoeg zullen hebben om te bouwen. Ziedaar, mylord! het plan, dat ik aan uw goedkeuring onderwerp."

"Goed, Ayrton!" antwoordde Glenarvan; "uw denkbeeld verdient in ernstige overweging te worden genomen. Zijn grootste nadeel is, dat het een oponthoud veroorzaakt; maar het bespaart zware vermoeijenis en misschien groote gevaren. Wat denkt gij er van, vrienden?"

"Spreek, waarde Mac Nabbs!" zeide nu lady Helena. "Van het begin der beraadslaging af, vergenoegt gij u met luisteren; gij zijt zeer karig met uw woorden."

"Dewijl gij mijn gevoelen vraagt," antwoordde de majoor, "zal ik het openhartig zeggen. Mij dunkt, dat Ayrton als een verstandig en bedachtzaam man gesproken heeft, en ik keur zijn voorstel goed."

Zulk een antwoord had niemand verwacht; want Mac Nabbs had steeds de denkbeelden van Ayrton betreffende deze zaak bestreden. Ayrton zelf was er dan ook verbaasd over en sloeg een vlugtigen blik op den majoor. Paganel, lady Helena en de matrozen, die reeds zeer geneigd waren om het voorstel van den bootsman te ondersteunen, aarzelden volstrekt niet meer na de woorden van Mac Nabbs.

Derhalve verklaarde Glenarvan, dat het plan van Ayrton in beginsel was aangenomen.

"En denkt gij nu ook niet, John!" ging hij voort, "dat de voorzigtigheid gebiedt aldus te handelen, en aan de oevers der rivier te blijven om de vervoermiddelen af te wachten?"

"Ja!" antwoordde John Mangles, "wanneer het althans onzen bode gelukt de Sneeuwrivier over te komen, die wij zelven niet over kunnen komen!"

Men zag den bootsman aan, die glimlachte als iemand, die zeker is van zijn zaak.

"De bode behoeft de rivier niet over!" zeide hij.

"Wat!" riep John Mangles.

"Hij moet eenvoudig den weg van Lucknow opzoeken, die hem regel regt naar Melbourne zal brengen."

"Twee honderd vijftig mijlen te voet af te leggen!" riep de jonge kapitein.

"Te paard!" verbeterde Ayrton. "Nog één goed paard is er over. Het is het werk van een dag of vier. Voeg daarbij twee dagen voor den togt van deDuncannaar de baai, vier en twintig uren om in de legerplaats terug te komen, en binnen een week is de bode met de matrozen terug."

De majoor keurde met een hoofdknik het gezegde van Ayrton goed, tot groote verwondering van John Mangles. Maar het voorstel van den bootsman was met algemeene stemmen aangenomen, en alleen de uitvoering ontbrak nog aan dit waarlijk goed beraamde plan.

"En nu, vrienden!" zeide Glenarvan, "moeten wij nog maar onzen bode kiezen. Ik wil niet ontveinzen, dat hij een moeijelijke en gevaarlijke zending zal hebben. Wie zal zich voor zijn reisgenooten opofferen en onze bevelen naar Melbourne overbrengen?"

Wilson, Mulrady, John Mangles, Paganel, zelfs Robert, boden zich terstond aan. John drong er vooral sterk op aan, dat die zending hem zou toevertrouwd worden. Maar Ayrton, die tot nog toe gezwegen had, vatte nu het woord op en zeide:

"Met uw welnemen, Uwe Edelheid! ik zal vertrekken. Ik ben met deze streken bekend. Meermalen heb ik moeijelijker gewesten doorkruist. Ik weet mij te redden, waar een ander zou blijven steken. In het algemeen belang eisch ik dus het regt om mij naar Melbourne te begeven. Een enkel woord zal mij bij uw eersten stuurman geloof doen vinden, en ik maak mij sterk deDuncanbinnen zes dagen in de Twofold-baai te brengen."

Ayrton: "Met uw welnemen, Uwe Edelheid! ik zal vertrekken...."Ayrton: "Met uw welnemen, Uwe Edelheid! ik zal vertrekken...."

"Goed gesproken," antwoordde Glenarvan. "Gij zijt een schrander en moedig man, Ayrton! en zult slagen."

De bootsman was buiten kijf geschikter dan iemand anders om die moeijelijke zending te vervullen. Allen begrepen dit en zwegen. John Mangles alleen kwam nog met een tegenwerping voor den dag, zeggende: dat de tegenwoordigheid van Ayrton noodig was om de sporen van deBritanniaof van Harry Grant terug te vinden. Maar de majoor merkte aan, dat het gezelschap tot de terugkomst van Ayrton aan de oevers der Sneeuwrivier zou wachten, dat de bedoeling niet was zonder hem die gewigtige nasporingen te hervatten, en dat bij gevolg zijn afwezigheid de belangen van den kapitein volstrekt niet zou benadeelen.

"Welnu, vertrek, Ayrton!" zeide Glenarvan; "haast u en kom over Eden in onze legerplaats aan de Sneeuwrivier terug."

Een glans van tevredenheid schitterde in de oogen van den bootsman. Hij wendde het hoofd om, maar hoe snel die beweging ook plaats had, toch had John Mangles dien glans opgemerkt. Alleen uit instinct voelde John zijn wantrouwen tegen Ayrton toenemen.

De bootsman maakte dan zijn toebereidselen voor zijn vertrek met behulp van de twee matrozen, waarvan de eene voor zijn paard en de ander voor zijn levensmiddelen zorgde. Intusschen schreef Glenarvan den brief voor Tom Austin.

Hij beval den eersten stuurman zich onverwijld naar de Twofold-baai te begeven. Hij beval hem den bootsman aan als iemand, dien hij volkomen kon vertrouwen. Aan de kust gekomen moest Austin een afdeeling der matrozen van het jagt onder bevel van Ayrton stellen....

Zoover was Glenarvan met zijn brief gekomen, toen Mac Nabbs, die hem over zijn schouders las, op een vreemden toon vroeg, hoe hij den naam van Ayrton schreef.

"Wel, zooals hij uitgesproken wordt," antwoordde Glenarvan.

"Dat is verkeerd," hernam de majoor bedaard; "hij wordt Ayrton uitgesproken, maar Ben Joyce geschreven!"

[1]37 uren gaans.

[1]37 uren gaans.

Allen stonden als door den donder getroffen op het hooren van dien naam Ben Joyce. Ayrton had zich plotseling overeind gerigt. In de hand had hij een revolver. Een schot viel. Glenarvan werd door een kogel getroffen. Buiten vielen geweerschoten.

Een schot viel.Een schot viel.

John Mangles en de matrozen, van hun verrassing bekomen, wilden Ben Joyce aanvallen; maar de vermetele roover was reeds verdwenen en had zich bij zijne bende gevoegd, die op den zoom van het gombosch verspreid was.

De tent leverde geen voldoende beschutting tegen de kogels op. Men moest terugtrekken. Glenarvan, die slechts ligt gewond was, was weer opgestaan.

"Naar den wagen! naar den wagen!" riep John Mangles, en hij sleepte lady Helena en miss Grant mede, die weldra in veiligheid waren achter de dikke gordijnen.

Daar grepen John, de majoor, Paganel en de matrozen hun karabijnen en hielden zij zich gereed om den rovers tegenstand te bieden. Glenarvan en Robert waren bij de dames gevlugt, terwijl Olbinett zich onder de verdedigers schaarde.

Dit alles was met bliksemsnelheid geschied. John Mangles hield naauwkeurig het oog op den zoom van het bosch. De losbrandingen hadden terstond opgehouden bij de komst van Ben Joyce. Een diepe stilte verving het knetterend geweervuur. Eenige witte rookwolkjes stegen nog omhoog tusschen de takken der gomboomen. De hooge gastrolobium-struiken bleven onbewegelijk. Niets was er te zien, wat een aanval kon doen wachten.

De majoor en John Mangles ondernamen een verkenningstogt tot aan de groote boomen. De plaats was ontruimd. Talrijke voetstappen waren er te zien, en eenige half verteerde proppen rookten op den grond. Als een voorzigtig man trapte de majoor ze uit; want een enkele vonk was genoeg om in dit bosch van drooge boomen een vreeselijken brand te doen ontstaan.

"De roovers zijn weg," zeide John Mangles.

"Ja!" antwoordde de majoor, "en die verdwijning maakt mij ongerust. Ik zag ze liever in het gezigt. Een tijger in het open veld is beter dan een slang onder het gras. Wij zullen de struiken rondom den wagen nog eens onderzoeken."

De majoor en John doorzochten den omtrek. Van den zoom van het bosch af tot aan de oevers der Sneeuwrivier troffen zij geen enkelen roover aan. De bende van Ben Joyce scheen weggevlogen te zijn als een zwerm roofvogels. Die verdwijning was te zonderling om volkomen gerustheid in te boezemen. Daarom besloot men goede wacht te houden. De wagen, een ware in den modder gezakte sterkte, werd het middelpunt der legerplaats, die twee mannen, welke elkander van uur tot uur aflosten, bewaakten.

Het eerste werk van lady Helena en Mary Grant was geweest de wond van Glenarvan te verbinden. Op het oogenblik, dat haar man onder den kogel van Ben Joyce viel, was lady Helena doodelijk ontsteld naar hem toegeloopen. Haar angst bedwingende had vervolgens de moedige vrouw Glenarvan naar den wagen gebragt. Daar werd de schouder van den gekwetste ontbloot, en nu zag de majoor, dat de kogel wel het vleesch opengereten maar geen inwendig letsel veroorzaakt had. Noch het been noch de spieren schenen geraakt. De wond bloedde sterk; maar Glenarvan bewoog de vingers van de hand en den voorarm om zijn vrienden gerust te stellen aangaande de werking van het schot. Toen hij verbonden was, wilde hij niet langer toelaten, dat men zich met hem bezig hield en kwam het tot verklaringen.

Behalve Mulrady en Wilson, die buiten de wacht hielden, hadden de reizigers zich zoo goed en kwaad als het ging in den wagen geplaatst. De majoor werd uitgenoodigd om te spreken.

Voor hij zijn verhaal begon, bragt hij lady Helena op de hoogte van hetgeen haar onbekend was, namelijk van de ontsnapping eener bende veroordeelden uit Perth, van hun verschijning in het gebied van Victoria, van hun medepligtigheid aan de spoorwegramp. Hij gaf haar het nummer derAustralische en Nieuw-Zeelandsche courant, dat hij te Seymour had gekocht, en voegde er bij, dat de politie een prijs had gezet op het hoofd van dien Ben Joyce, een geduchten struikroover, wien een misdadige loopbaan van achttien maanden een schandelijke vermaardheid had doen verkrijgen.

Maar hoe had Mac Nabbs dien Ben Joyce in den bootsman Ayrton herkend? Dat was een geheim, dat allen wenschten opgehelderd te zien, en dat de majoor ontsluijerde.

Van hun eerste ontmoeting af had Mac Nabbs Ayrton uit instinct gewantrouwd. Twee of drie bijna niets beduidende voorvallen, een blik tusschen den bootsman en den smid aan de Wimera-rivier gewisseld, de aarzeling van Ayrton om de steden en vlekken door te rijden, zijn aandrang om deDuncanaan de kust te ontbieden, de raadselachtige dood van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren, eindelijk een zeker gemis van vrijmoedigheid in zijn gangen, al die bijkomende omstandigheden hadden de achterdocht van den majoor opgewekt.

Toch zou hij tot geen regtstreeksche aanklagt hebben kunnen overgaan zonder de voorvallen, die den vorigen nacht hadden plaats gehad.

Toen Mac Nabbs tusschen de hooge struiken doorsloop, kwam hij een halve mijl van de legerplaats af in de nabijheid der verdachte schaduwen, die zijn aandacht getrokken hadden. De lichtgevende planten verspreidden een flaauw schijnsel in de duisternis.

Drie mannen zochten naar sporen op den grond en naar indruksels van versche voetstappen, en onder hen herkende Mac Nabbs den hoefsmid van Black-Point. "Zij zijn het," zeide de een.—"Ja," antwoordde de andere, "daar is het klaverblad van de hoefijzers!"—"Het is hetzelfde van de Wimera af."—"Al de paarden zijn dood."—"Het vergift is niet ver weg."—"Er is genoeg om een geheele ruiterij van paarden te berooven."—"Een nuttige plant, die gastrolobium."

Mac Nabbs vervolgde: "Daarna zwegen zij en verwijderden zich. Ik volgde ze: ik wist er niet genoeg van. Weldra begon het gesprek weder: "Een knappe kerel, die Ben Joyce!" zeide de smid, "een mooije bootsman met zijn verzinsel van een schipbreuk! Als zijn plan slaagt is het een mooi buitenkansje! Die duivelsche Ayrton!"—"Noem hem Ben Joyce, want hij verdient zijn naam wel!" Thans verlieten die schurken het gomboomenbosch. Ik wist, wat ik weten wilde, en keerde naar de legerplaats terug, overtuigd, dat niet alle gedeporteerden in Australië brave menschen worden, met het welnemen van Paganel!"

De majoor zweeg. Zijn makkers dachten in stilte na.

"Dus heeft Ayrton," zeide Glenarvan, die bleek werd van toorn, "ons hier heen gelokt om ons te plunderen en te vermoorden!"

"Ja," antwoordde de majoor.

"En van de Wimera af volgt zijn bende ons spoor en bespiedt ons om een gunstige gelegenheid af te wachten?"

"Ja."

"Maar dan is die ellendeling geen matroos van deBritannia? Dan heeft hij zijn naam Ayrton gestolen, ook gestolen zijn aanstelling aan boord?"

Allen zagen naar Mac Nabbs, die deze vragen zeker reeds aan zichzelven had voorgelegd.

"Ziehier," antwoordde hij even bedaard als altijd, "wat men met zekerheid uit deze duistere zaak kan afleiden. Ik houd het er voor, dat die man wezenlijk Ayrton heet. Ben Joyce is zijn bijnaam. Het is ontegenzeggelijk, dat hij Harry Grant kent en dat hij bootsman op deBritanniageweest is. Die feiten, reeds bewezen door de naauwkeurige inlichtingen, welke Ayrton ons heeft gegeven, worden bovendien bevestigd door de gezegden der roovers, die ik u mededeelde. Laten wij ons dus niet in met ijdele gissingen en houden wij het voor zeker, dat Ben Joyce Ayrton en Ayrton Ben Joyce is, dat wil zeggen een matroos van deBritannia, die een rooverhoofdman is geworden."

Allen berustten in de verklaringen van Mac Nabbs.

"En kunt gij mij nu ook zeggen," vroeg Glenarvan, "hoe en waarom de bootsman van Harry Grant zich in Australië bevindt?"

"Hoe? dat weet ik niet," antwoordde Mac Nabbs, "en de politie verklaart er even weinig van te weten als ik. Waarom? dat kan ik onmogelijk zeggen. Daar schuilt een geheim achter, dat de toekomst zal ophelderen."

"De politie weet zelfs niet eens, dat Ayrton en Ben Joyce dezelfde persoon is," zeide John Mangles.

"Gij hebt gelijk, John!" antwoordde de majoor, "en zulk een bijzonderheid zou haar nasporingen veel gemakkelijker kunnen maken."

"Dan had die ongelukkige," meende lady Helena, "zich met een misdadig doel op de hoeve van Paddy O'Moore ingedrongen?"

"Dat is vrij zeker," antwoordde Mac Nabbs. "Hij had het een of ander slecht plan met den Ier, toen zich een beter gelegenheid voor hem opdeed. Het toeval heeft ons bij hem gebragt. Hij heeft het verhaal van Glenarvan gehoord, de geschiedenis van de schipbreuk, en als een vermetel man heeft hij terstond het voornemen opgevat om er zijn voordeel mede te doen. De reis werd aanvaard. Aan de Wimera heeft hij gemeenschap gehad met een der zijnen, den smid van Black-Point, en duidelijke sporen van onzen weg achtergelaten. Zijn bende is ons gevolgd. Een vergiftige plant heeft hem in staat gesteld langzaam onze ossen en paarden te dooden. Toen de tijd daar was, heeft hij ons vervolgens in de moerassen der Sneeuw-rivier doen wegzinken en aan de roovers onder zijn bevel in handen gespeeld."

Alles was van Ben Joyce gezegd. Zijn verleden was door den majoor ontsluijerd en de ellendeling verscheen in zijn ware gedaante, die van een vermetel en geducht misdadiger. Nu zijn bedoelingen duidelijk waren geworden, werd er van Glenarvan een buitengewone waakzaamheid geëischt. Gelukkig was er minder te vreezen van den ontmaskerden bandiet dan van den verrader.

Maar uit dien zuiver gestelden toestand volgde een ernstig bezwaar, waaraan nog niemand gedacht had. Alleen Mary Grant had onder het gesprek over het verledene een blik op de toekomst geslagen.

John Mangles was de eerste, die haar bleekheid en wanhoop opmerkte. Hij begreep, wat er in haar binnenste omging.

"Miss Mary! miss Mary! Weent gij?" riep hij uit

"Weent gij, mijn kind?" vroeg lady Helena.

"Mijn vader, mevrouw! mijn vader!" nokte het meisje.

Zij kon niet meer spreken. Maar een lichtstraal viel plotseling in ieders gemoed. Men begreep de smart van miss Mary, waarom de tranen langs haar wangen biggelden, waarom de naam haars vaders op haar lippen zweefde.

De ontdekking van Ayrtons verraad verijdelde alle hoop. Om Glenarvan te misleiden had de roover een schipbreuk verzonnen. In het door Mac Nabbs afgeluisterde gesprek hadden de roovers het duidelijk gezegd. Nooit was deBritanniaverbrijzeld op de rotsen der Twofold-baai! Nooit had Harry Grant een voet gezet op het vastland van Australië!

Andermaal had de verkeerde uitlegging van het document de zoekers derBritanniaop een dwaalspoor gebragt!

Allen bewaarden een doodsch stilzwijgen bij dien wanhopenden toestand, bij de smart der twee kinderen. Wie toch zou nog eenige troostende woorden hebben gevonden? Robert schreide in de armen zijner zuster. Paganel mompelde op spijtigen toon:

"Ach! rampzalig document! Gij moogt u beroemen, dat gij de hersens van een twaalftal brave lieden op een zware proef hebt gesteld!"

En waarlijk boos op zichzelven sloeg de waardige aardrijkskundige zich met de vuist voor het hoofd.

Vervolgens begaf Glenarvan zich naar Mulrady en Wilson, die buiten op wacht stonden. Een diepe stilte heerschte over de geheele vlakte tusschen den zoom van het bosch en de rivier. De groote onbewegelijke wolken verbrijzelden zich tegen het hemelgewelf. In dezen in doodslaap verzonken dampkring zou het geringste geluid zich onbelemmerd voortgeplant hebben, en niets liet zich hooren. Ben Joyce en zijn bende waren zeker vrij ver weggetrokken; want vlugten vogels, die op de lage takken neerstreken, eenige kangoeroes, die bezig waren met rustig de jonge spruitjes af te knagen, een paar kasuarissen, wier kop vertrouwelijk tusschen de heesters uitstak, bewezen, dat de rust dier vreedzame woestenij niet door de tegenwoordigheid van den mensch werd gestoord.


Back to IndexNext