een paar kasuarissen, wier kop vertrouwelijk tusschen de heesters uitstak...een paar kasuarissen, wier kop vertrouwelijk tusschen de heesters uitstak...
"Hebt gij in dit uur niets gezien noch gehoord?" vroeg Glenarvan aan zijn beide matrozen.
"Niets, Uwe Edelheid!" antwoordde Wilson. "De roovers zijn mijlen van hier."
"Zij zijn zeker niet sterk genoeg geweest om ons aan te tasten," voegde Mulrady er bij. "Die Ben Joyce heeft zeker eenige bandieten van zijn slag willen werven onder de woudloopers, die aan den voet der Alpen zwerven."
"Wel waarschijnlijk, Mulrady!" antwoordde Glenarvan. "Die schurken zijn lafaards. Zij weten, dat wij gewapend en goed gewapend zijn. Misschien wachten zij den nacht af om hun aanval te vernieuwen. Tegen het vallen van den avond moeten wij onze waakzaamheid verdubbelen. Ach! konden wij maar deze moerassige vlakte verlaten en onzen weg naar de kust vervolgen! Maar de gezwollen waterstand sluit ons den weg af. Ik zou wel zijn zwaarte aan goud willen betalen voor een vlot, dat ons op den anderen oever kon brengen!"
"Waarom beveelt Uwe Edelheid ons niet dat vlot te vervaardigen? Aan hout geen gebrek," zeide Wilson.
"Neen, Wilson!" antwoordde Glenarvan. "Die Sneeuw-rivier is geen rivier, maar een bruischende bergstroom."
Thans voegden John Mangles, de majoor en Paganel zich bij Glenarvan. Zij hadden pas de Sneeuw-rivier onderzocht. Het water was door de laatste regens een voet boven de gewone hoogte gerezen. Het was een onstuimige stroom, gelijk aan de stroomvallen van Amerika. Het was dolzinnig zich op die schuimende watervlakte en die wilde golven te wagen, waarin duizend draaikolken wielden, die ijselijke afgronden vormden.
John Mangles verklaarde den overtogt voor onmogelijk.
"Maar," vervolgde hij, "wij moeten hier niet werkeloos blijven staan. Wat wij voor het verraad van Ayrton wilden doen is nu nog noodzakelijker."
"Wat bedoelt gij, John?" vroeg Glenarvan.
"Ik bedoel, dat hulp hoog noodig is, en nu wij niet naar de Twofold-baai kunnen gaan, moeten wij naar Melbourne. Een paard hebben wij nog. Geef het mij, mylord! en ik ga naar Melbourne."
"Maar dat is een gewaagde onderneming, John!" zeide Glenarvan. "Nog gezwegen van de gevaren verbonden aan een reis van twee honderd mijlen door een onbekend land, maar de handlangers van Ben Joyce zullen thans wel al de paden en den grooten weg bewaken!"
"Ik weet het, mylord! maar ik weet ook, dat het zoo niet kan blijven. Ayrton verlangde slechts acht dagen om manschappen van deDuncanhier te brengen. Ik wil in zes dagen aan den oever der Sneeuw-rivier terug zijn. Welnu! wat beveelt Uwe Edelheid?"
"Voor dat Glenarvan zijn gevoelen te kennen geeft," zeide Paganel, "moet ik een opmerking maken. Naar Melbourne gaan, goed, maar John Mangles mag aan dat gevaar niet blootgesteld worden. Hij is kapitein van deDuncan, en als zoodanig mag hij zijn leven niet wagen. Ik zal in zijne plaats gaan."
"Goed gesproken," antwoordde de majoor. "Maar waarom juist gij, Paganel?"
"Zijn wij er dan ook niet!" riepen Mulrady en Wilson.
"Of denkt gij soms, dat ik bang ben voor een rid van twee honderd mijlen!" hernam Mac Nabbs.
"Vrienden!" zeide Glenarvan, "wanneer een onzer naar Melbourne gaan moet, laat het lot hem dan aanwijzen. Paganel! schrijf onze namen op...."
"Maar den uwen althans niet, mylord!" zeide John Mangles.
"Waarom niet?" vroeg Glenarvan.
"Zoudt gij u van lady Helena scheiden! Gij, en uw wond is nog niet eens gesloten!"
"Glenarvan! gij moogt het gezelschap niet verlaten," zeide Paganel.
"Neen," sprak de majoor. "Uwe plaats is hier, Edward! gij moogt niet vertrekken."
"Er zijn gevaren aan verbonden," antwoordde Glenarvan, "en daaraan wil ik mij niet onttrekken. Schrijf op, Paganel! Mijn naam worde onder die mijner makkers gemengd, en geve de Hemel, dat hij er het eerst uitkomt!"
Men bukte voor dien wil. Glenarvan's naam werd bij dien der anderen gevoegd. Men ging tot de trekking over, en het lot viel op Mulrady. De moedige matroos juichte van blijdschap.
"Mylord! ik ben gereed om te vertrekken," zeide hij.
Glenarvan drukte Mulrady's hand. Daarna keerde hij naar den wagen terug, en liet de bewaking van de legerplaats over aan den majoor en John Mangles.
Lady Helena kreeg terstond mededeeling van het besluit om een bode naar Melbourne te zenden en van de beslissing van het lot. Zij sprak Mulrady op hartroerende wijze aan. Hij stond bekend als dapper, schrander, sterk, tegen vermoeijenis bestand, waarlijk, het lot had op geen geschikter persoon kunnen vallen.
Het vertrek van Mulrady werd op acht ure bepaald, na de korte avondschemering. Wilson nam op zich om voor het paard te zorgen. Hij kwam op den inval om het verraderlijke ijzer, dat aan zijn linkerpoot zat, weg te nemen en te vervangen door het ijzer van een der in dien nacht gestorven paarden. De roovers konden dan het spoor van Mulrady niet herkennen en hem ook niet volgen, omdat zij onbereden waren.
Terwijl Wilson daarmede bezig was, maakte Glenarvan den brief voor Tom Austin gereed maar zijn gekwetste arm hinderde hem, en hij verzocht Paganel om voor hem te schrijven. In diep gepeins verzonken, scheen de geleerde onbewust te zijn van hetgeen om hem heen gebeurde.
Om de waarheid te zeggen dacht Paganel, bij die opeenvolging van ongelukken, alleen aan de verkeerde uitlegging van het document. Hij verplaatste de woorden om er een nieuwen zin van te maken, en bleef gedompeld in de afgronden der uitlegging.
Hij hoorde niet eens de vraag van Glenarvan, die deze genoodzaakt was te herhalen.
"Ha! heel goed! ik ben gereed!" antwoordde Paganel.
Onder het spreken kreeg Paganel werktuigelijk zijn zakboekje. Hij scheurde er een wit blaadje uit, nam het potlood in de hand en maakte zich gereed om te schrijven. Glenarvan begon den volgenden lastbrief op te geven:
"Bevel aan Tom Austin om onverwijld in zee te steken en deDuncante brengen...."
Paganel schreef deze laatste woorden juist op, toen zijn oog toevallig viel op het nommer derAustralian and New-Zealand Gazette, die op den grond lag. Alleen de laatste lettergrepen waren zigtbaar op den titel van het opgevouwen blad. Het potlood van Paganel rustte en hij scheen Glenarvan, diens brief en diens opgave glad vergeten te zijn.
"Hoe is het, Paganel?" zeide Glenarvan.
"Ha!" riep de aardrijkskundige.
"Wat scheelt u?" vroeg de majoor.
"Niets! niets!" antwoordde Paganel.
Zachtjes herhaalde hij: "aland! aland! aland!"
Hij was opgestaan. Hij had het dagblad opgeraapt. Hij schudde het heen en weer om de woorden terug te houden, die hem op de tong lagen.
Lady Helena, Mary, Robert, Glenarvan, zagen hem aan, zonder iets van die onverklaarbare ontroering te begrijpen.
Paganel geleek iemand, die plotseling waanzinnig wordt. Maar die toestand van zenuwachtige overspanning duurde niet lang. Langzamerhand kwam hij tot bedaren; de vreugde die in zijn oogen blonk, verminderde; hij ging weer zitten en zeide op bedaarden toon:
"Wanneer gij wilt, mylord! ik ben tot uw bevelen."
Glenarvan begon zijn brief weer op te geven, die den volgenden inhoud had:
"Bevel aan Tom Austin om onverwijld in zee te steken en deDuncante brengen op zeven en dertig graden op de oostkust van Australië...."
"Van Australië?" zeide Paganel. "O ja! van Australië!"
Daarop voltooide hij den brief en legde hem aan Glenarvan ter teekening voor. Door zijn versche wond gehinderd, volbragt deze zoo goed en kwaad als het ging die formaliteit. De brief werd gesloten en verzegeld. Met van ontroering bevende hand schreef Paganel er het volgende adres op:
Aan Tom Austin,eersten stuurman, aan boord van het jagtde Duncan,teMelbourne.
Daarop ging hij uit den wagen, en herhaalde met driftige gebaren de onbegrijpelijke woorden: "Aland! Aland! Zealand!"
De dag verliep verder zonder ongelukken. De laatste toebereidselen voor het vertrek van Mulrady werden gemaakt. De wakkere matroos achtte zich gelukkig, dat hij aan Zijne Edelheid dat bewijs van verknochtheid mogt geven.
Paganel had zijn koelbloedigheid en gewone manieren teruggekregen. Zijn blik bewees wel, dat hij zich sterk met iets bezig hield, maar hij scheen besloten te hebben het voor zich te houden. Hij had zeker gewigtige redenen voor die handelwijze; want de majoor hoorde hem telkens herhalen, als iemand, die met zichzelven oneens is:
"Neen! neen! Zij zouden mij niet gelooven! En ook, wat zou het baten? Het is te laat!"
Toen hij dit besluit genomen had, hield hij zich onledig met Mulrady de noodige inlichtingen te geven om Melbourne te bereiken en met de kaart voor zich gaf hij hem den weg op. Alle "tracks," dat is de paden van de prairie, liepen op den weg van Locknow uit. Na tot aan de kust toe steeds zuidwaarts geloopen te hebben, wendt die weg zich plotseling naar Melbourne. Hij moest hem altijd houden en om den weg te bekorten zich niet in een weinig bekend land wagen. Niets eenvoudiger dus dan dit Mulrady kon niet verdwalen.
Gevaren waren er niet te wachten, zoodra hij maar eenige mijlen van de legerplaats af was, waar Ben Joyce en zijn bende zeker in hinderlaag lagen. Was hij hen eens voorbij, dan maakte Mulrady zich sterk, dat hij de roovers snel vooruit komen en zijn belangrijke zending goed uitvoeren zou.
Ten zes ure gebruikten allen gezamenlijk hun maal. Er viel een stortregen. De tent leverde geen genoegzame beschutting meer op, en allen hadden een schuilplaats in den wagen gezocht. Dat was bovendien een veilige schuilhoek. De klei hield hem aan den grond geketend en hij stond er zoo vast op als een fort op zijn fundeering. Het tuighuis bestond uit zeven karabijnen en zeven revolvers, zoodat zij een vrij langdurig beleg konden uitstaan, want er was geen gebrek aan kruid noch levensmiddelen. Binnen zes dagen immers zou deDuncanin de Twofold-baai ten anker komen. Vier en twintig uren later zou de bemanning aan den anderen oever der Sneeuw-rivier zijn, en al was de overtogt dan nog onuitvoerbaar, dan zouden de roovers althans genoodzaakt worden voor de overmagt te wijken. Maar daartoe was het noodig, dat Mulrady in zijn gevaarvolle onderneming slaagde.
Ten acht ure was het pikdonker. Het oogenblik om te vertrekken was daar. Het paard voor Mulrady werd voorgebragt. Zijn uit overmaat van voorzigtigheid met linnen omwoelde pooten maakten geen leven op den grond. Het dier scheen vermoeid, en toch hing aller redding af van de vastheid en kracht zijner beenen. De majoor gaf Mulrady den raad het te ontzien, zoodra hij buiten bereik der roovers was. Een oponthoud van een halven dag beduidde niets, als hij maar behouden aankwam.
John Mangles gaf den matroos een revolver, dien hij met de uiterste zorg had geladen. Dit is een geducht wapen in de hand van iemand, die niet beeft; want zes schoten, die in eenige seconden op elkander volgen, vegen gemakkelijk een door boosdoeners versperden weg schoon. Mulrady sprong in den zadel.
"Zie hier den brief, dien gij aan Tom Austin moet overhandigen," zeide Glenarvan. "Hij mag geen uur verzuimen. Hij moet naar de Twofold-baai vertrekken en indien hij ons daar niet vindt, indien wij de Sneeuw-rivier niet hebben kunnen oversteken, moet hij onmiddellijk naar ons toekomen. En nu, ga, wakkere matroos! God zij met u!"
Glenarvan, lady Helena, Mary Grant, allen reikten Mulrady de hand. Dit vertrek in een stikdonkeren en regenachtigen nacht, op een met gevaren bezaaiden weg, door onbekende woeste streken, zou zeker op een minder moedig hart, dan dat van den matroos, een diepen indruk hebben gemaakt.
"Vaarwel, mylord!" zeide hij met bedaarde stem, en weldra verdween hij op een pad, dat langs den zoom van het woud liep.
Juist verdubbelde het geweld van den storm. De hooge takken der gomboomen sloegen in de duisternis met dof geluid tegen elkander. Men kon den val hooren van die dorre takken op den doorweekten bodem. Meer dan één reuzenboom, wien het aan sappen ontbrak, maar die tot nog toe overeind was gebleven, viel bij deze geweldige rukwinden. De wind huilde door het krakende hout en vereenigde zijn akelig geloei met het brullen van de Sneeuw-rivier. De groote wolken, die hij oostwaarts voortjoeg, sleepten tot op den grond als lappen stoom. Een akelige duisternis maakte den nacht nog afschuwelijker.
Juist verdubbelde het geweld van den storm.Juist verdubbelde het geweld van den storm.
Na het vertrek van Mulrady kropen de reizigers in den wagen. Lady Helena en Mary Grant, Glenarvan en Paganel bewoonden het voorvertrek, dat luchtdigt gesloten was. In het andere hadden Olbinett, Wilson en Robert een behoorlijk verblijf gevonden. De majoor en John Mangles waakten buiten. Die maatregel van voorzigtigheid was noodig; want een aanval der roovers was gemakkelijk en bij gevolg mogelijk.
De twee getrouwe wakers hielden dus de wacht en verdroegen geduldig de windvlagen, die de nacht hun in het aangezigt sloeg. Hun blikken trachtten door de duisternis heen te boren, die zeer gunstig voor hinderlagen was; want het oor kon niets waarnemen onder de duizenderlei geluiden van den storm, het gehuil van den wind, het rammelen der takken, het vallen der boomstammen, het bruischen van het water, en al dat oproer der natuur.
Toch werd de storm soms voor een oogenblikje door stilte vervangen. Dan zweeg de wind, als om weder adem te scheppen. De Sneeuw-rivier alleen kermde tusschen het onbewegelijke riet en de zwarte gordijn der gomboomen. Dan scheen de stilte voor een oogenblik nog dieper. Dan luisterden de majoor en John Mangles scherp toe.
In zulk een stil oogenblik hoorden zij een schel gefluit.
John Mangles liep hard naar den majoor.
"Hebt gij het gehoord?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde Mac Nabbs "Is het een mensch of een dier?"
"Een mensch," verzekerde John Mangles.
Nu luisterden beiden. Het vreemde fluitje werd plotseling op nieuw vernomen, en door iets, dat op een losbranding geleek, beantwoord, maar bijna onhoorbaar, want de storm loeide weder met nieuw geweld. Mac Nabbs en John Mangles konden elkander niet verstaan. Daarom plaatsten zij zich onder den wind van den wagen.
Te gelijk werden de lederen gordijnen opgeligt en kwam Glenarvan bij zijn makkers. Hij had, evenals zij, dat akelige fluiten gehoord en de losbranding, die door de echo onder het wagenkleed herhaald werd.
"In welke rigting?" vroeg hij.
"Daar!" zeide John op het donkere pad wijzende, dat Mulrady had ingeslagen.
"Op welken afstand?"
"De wind bragt het over," antwoordde John Mangles. "Het moet minstens drie mijlen van hier zijn."
"Gaat mede!" zeide Glenarvan de karabijn over den schouder werpende.
"Wij gaan niet mede!" antwoordde de majoor. "Het is een list om ons van den wagen weg te lokken."
"En als nu Mulrady eens onder de kogels dier ellendelingen gevallen is!" hernam Glenarvan, de hand van Mac Nabbs vattende.
"Morgen zal dat wel blijken," antwoordde de majoor koeltjes, vast besloten hebben Glenarvan te beletten een noodelooze onvoorzigtigheid te begaan.
"Gij moogt de legerplaats niet verlaten, mylord!" zeide John; "ik zal alleen gaan!"
"Gij evenmin!" hernam Mac Nabbs met nadruk. "Wilt gij ons dan één voor één laten dooden, onze krachten verminderen, ons aan de genade dier booswichten overleveren? Is Mulrady als hun offer gevallen, dan is dat een ongeluk, dat wij niet moeten verzwaren. Mulrady is vertrokken, omdat het lot hem heeft aangewezen. Was het lot op mij gevallen in plaats van op hem, dan zou ik evengoed als hij vertrokken zijn; maar ik zou geen hulp verlangd noch verwacht hebben."
De majoor had volkomen gelijk, toen hij Glenarvan en John Mangles tegenhield. Een poging om den matroos te bereiken, in zulk een donkeren nacht de roovers, die hier of daar in het kreupelhout verscholen waren, te gemoet te gaan, was onverstandig en ook noodeloos. Het kleine gezelschap van Glenarvan was niet talrijk genoeg om nog meer personen te kunnen opofferen.
Maar Glenarvan scheen niet naar reden te willen luisteren. Hij omklemde krampachtig zijn karabijn. Hij liep op en neer bij den wagen. Hij luisterde naar het geringste gedruisch. Zijn blik poogde door die akelige duisternis heen te boren. De gedachte martelde hem, dat een der zijnen doodelijk gewond, hulpeloos nederlag, en te vergeefs riep om hen, voor wie hij zich had opgeofferd. Mac Nabbs wist niet of hij er in slagen zou hem tegen te houden, of Glenarvan, gehoor gevende aan de inspraak van zijn hart, zich niet bloot zou stellen aan de kogels van Ben Joyce.
"Edward!" zoo sprak hij hem aan, "bedaar! Luister naar een vriend. Denk aan lady Helena, aan Mary Grant, aan allen, die nog bij u zijn! Maar bovendien, waar wilt gij heengaan? Waar zult gij Mulrady terugvinden? Twee mijlen van hier is hij aangevallen! Op welken weg? Welk pad zult gij inslaan...."
Daar liet zich, als het ware om den majoor te beantwoorden, een hulpgeschrei hooren.
"Luistert!" zeide Glenarvan.
Die kreet kwam van denzelfden kant, waar het schot was gevallen, geen kwart mijl van hen af.
Glenarvan stiet Mac Nabbs op zij en wilde het pad reeds opgaan, toen zich drie honderd schreden van den wagen deze woorden lieten hooren: "Help! help!"
Het was een klagende en wanhopende stem. John Mangles en de majoor ijlden in die rigting voort.
Eenige oogenblikken later bemerkten zij naast het kreupelhout een menschelijke gedaante, die zich voortsleepte en jammerlijk kermde.
Het was Mulrady, gewond, stervende, misschien dood, en toen zijn makkers hem optilden, voelden zij hun handen nat worden van bloed.
De regen verdubbelde, en de wind huilde in de takken der doode boomen. Onder dat vreeselijke weder vevoerden Glenarvan, de majoor en John Mangles het ligchaam van Mulrady.
Zij vervoerden het lichaam van Mulrady....Zij vervoerden het lichaam van Mulrady....
Bij hun aankomst stonden allen op. Paganel, Robert, Wilson en Olbinett verlieten den wagen, en lady Helena stond haar vertrek af aan den armen Mulrady. De majoor trok het buis van den matroos uit, dat doornat was van het bloed en den regen. Hij ontdekte de wond. De ongelukkige had een dolksteek in de regterzijde gekregen.
Mac Nabbs verbond hem zeer goed. Hij kon niet zeggen, of het wapen de edele deelen gekwetst had. Een straal helder rood bloed kwam er met horten en stooten uit; de bleekheid en bewusteloosheid van den gekwetste bewezen, dat de stoot goed raak was geweest. De majoor legde op de gapende wond, die hij eerst met zuiver water uitwiesch, een dikken prop van zwam en daarop pluksel, en bond er een zwachtel om. Zoo gelukte het hem het bloed te stelpen. Mulrady werd op de zijde gelegd, waar hij gewond was, met hoofd en borst in de hoogte, en lady Helena liet hem eenige mondjesvol water drinken.
Na verloop van een kwartier maakte de gekwetste, die tot nog toe stil gelegen had, een beweging. Hij opende even de oogen en mompelde eenige onsamenhangende woorden. De majoor legde zijn oor op zijn mond en hoorde hem herhalen:
"Mylord ... de brief ... Ben Joyce."
De majoor bragt die woorden over en zag zijn makkers aan. Wat wilde Mulrady zeggen? Ben Joyce had den matroos aangevallen, maar waarom? Was het niet alleen met het doel om hem op te houden en hem te verhinderen deDuncante bereiken? Die brief....
Glenarvan doorzocht Mulrady's zakken. De brief aan Tom Austin geadresseerd was er niet in!
De nacht werd in ongerustheid en angst doorgebragt. Ieder oogenblik vreesde men, dat de gewonde zou sterven. Een heete koorts had hem aangetast. Als twee zusters van barmhartigheid verlieten lady Helena en Mary Grant hem niet. Nooit werd een zieke beter of door meewariger handen verpleegd.
Het werd dag. De regen had opgehouden. Dikke wolken dreven nog laag in de lucht. De grond was met gebroken takken bedekt. Ook de klei was door die wolkbreuken weder doorweekt. Het werd moeijelijk om den wagen te naderen; maar hij kon niet dieper inzakken.
John Mangles, Paganel en Glenarvan gingen bij het krieken van den dag op verkenning uit rondom de legerplaats. Zij gingen het pad op, dat nog bloedvlekken vertoonde. Zij vonden geen spoor meer van Ben Joyce of zijn bende. Zij kwamen ter plaatse, waar de aanval geschied was. Daar lagen twee lijken op den grond, door de kogels van Mulrady getroffen. Het een was het lijk van den hoefsmid van Black-Point. Zijn door den dood misvormd gelaat was ijselijk om te zien.
Glenarvan strekte zijn onderzoek niet verder uit. De voorzigtigheid verbood hem zich te verwijderen. Hij keerde daarom naar den wagen terug, in diep nadenken verzonken over het gevaarlijke van den toestand.
"Er valt niet aan te denken een anderen bode naar Melbourne te zenden," zeide hij.
"En toch moet het, mylord!" antwoordde John Mangles, "en ik wil trachten het doel te bereiken dat mijn matroos heeft moeten opgeven."
"Neen, John! Gij hebt niet eens een paard om u die twee honderd mijlen te dragen!"
Inderdaad, het paard van Mulrady, het eenige, dat nog over was, was niet teruggekomen. Was het onder de kogels der moordenaars gevallen? Was het in die woestijn verdwaald? Hadden de roovers zich er meester van gemaakt?
"Wat er ook gebeure," hernam Glenarvan, "wij scheiden niet meer. Laten wij acht, veertien dagen wachten, tot het water der Sneeuw-rivier zijn gewonen stand heeft herkregen. Dan zullen wij met kleine dagreizen de Twofold-baai bereiken, en van daar langs een veiligen weg deDuncanbevel zenden om aan de kust te komen."
"Er zit niets anders op," sprak Paganel.
"Geen scheiding dus meer, mijne vrienden!" vervolgde Glenarvan. "Eén man waagt te veel, wanneer hij zich alleen in die woestijn waagt, die door bandieten onveilig gemaakt wordt. En nu, God redde onzen armen matroos en behoede ons!"
Glenarvan had gelijk: vooreerst om iedere afzonderlijke poging te verbieden, ten andere om geduldig aan de oevers der Sneeuw-rivier te wachten, tot ze kon overgestoken worden. Naauwelijks vijf en dertig mijlen scheidden hem van Delegete, de eerste grensstad van Nieuw-Zuid-Wales, waar hij vervoermiddelen zou vinden om de Twofold-baai te bereiken. Van daar zou hij naar Melbourne de bevelen aan deDuncanper telegraaf afzenden.
Die maatregelen waren verstandig, maar ze werden wat laat genomen. Had Glenarvan Mulrady niet op den weg naar Lucknow gezonden, wat al ongelukken zouden dan verhoed zijn, gezwegen nog van den moord van den matroos!
Toen hij in de legerplaats terugkwam, vond hij zijn reisgenooten wat bedaarder. Zij schenen weer hoop gevat te hebben.
"Hij betert! hij betert!" riep Robert, die lord Glenarvan te gemoet liep.
"Mulrady?"....
"Ja, Edward!" antwoordde lady Helena. "De ziekte heeft een keer genomen. De majoor is geruster. Onze matroos zal leven."
"Waar is Mac Nabbs?" vroeg Glenarvan.
"Bij hem. Mulrady heeft hem willen spreken. Gij moet ze niet storen."
De gewonde was inderdaad voor een uur uit zijne verdooving ontwaakt en de koorts was verminderd. Maar zoodra Mulrady het geheugen en de spraak terugkreeg, had hij terstond naar lord Glenarvan, of, als die er niet was, naar den majoor gevraagd. Toen Mac Nabbs zag, dat hij zoo zwak was, wilde hij hem het spreken verbieden. Maar Mulrady drong er zoo sterk op aan, dat de majoor hem zijn zin moest geven.
Weldra werden de gordijnen van den wagen op zijde geschoven en verscheen de majoor. Hij ging naar zijn vrienden aan den voet van een gomboom, waar de tent was opgeslagen. Op zijn doorgaans zoo koel gelaat stond een levendige bekommering te lezen. Toen zijn oog op lady Helena en het jonge meisje viel, drukte het een smartelijke droefheid uit.
Glenarvan ondervroeg hem, en zie hier kortelijk wat de majoor had vernomen.
Na het verlaten van de legerplaats volgde Mulrady een der paden, die Paganel had aangeduid. Hij haastte zich, althans zooveel als de duisternis van den nacht toeliet. Naar zijn schatting had hij omtrent een paar mijlen afgelegd, toen zich verscheidene mannen,—vijf geloofde hij,—voor den kop van zijn paard wierpen. Het dier steigerde, Mulrady greep zijn revolver en gaf vuur. Hij meende, dat twee der aanvallers nedervielen. Bij het licht van het schot herkende bij Ben Joyce. Maar dat was alles. Hij had geen tijd om zijn wapen geheel af te vuren. Hij kreeg een duchtigen stoot in de regterzijde en viel van het paard.
Vijf mannen wierpen zich voor de kop van zijn paard.Vijf mannen wierpen zich voor de kop van zijn paard.
Toch was hij nog niet geheel buiten kennis. De moordenaars dachten, dat hij dood was. Hij voelde, dat men hem doorzocht. Daarop hoorde hij een der roovers zeggen: "Ik heb den brief."—"Geef op," antwoordde Ben Joyce, "nu is deDuncanons!"
Bij dit gedeelte van het verhaal van Mac Nabbs kon Glenarvan een gil niet weerhouden.
Mac Nabbs ging voort.
"Vangt nu het paard op," zeide Ben Joyce. "Binnen twee dagen ben ik aan boord van deDuncan, binnen zes in de Twofold-baai. Daar is de verzamelplaats. Het gezelschap van den lord zit dan nog vast in de moerassen der Sneeuw-rivier. Gaat bij de brug van Kemple-pier over de rivier, begeeft u naar de kust en wacht mij daar. Ik zal wel gelegenheid vinden u aan boord te brengen. Zoodra wij maar in zee zijn, zullen wij met een schip als deDuncande heeren van den Indischen oceaan zijn."—"Hoera voor Ben Joyce!" riepen de roovers. Het paard van Mulrady werd voorgebragt, en Ben Joyce verdween in galop op den weg naar Lucklow, terwijl de bende zuidoostelijk naar de Sneeuw-rivier trok. Hoewel zwaar gekwetst, had Mulrady toch nog kracht genoeg om zich tot drie honderd schreden van de legerplaats af voort te slepen, waar wij hem bijna dood hebben opgenomen. "Zoo luidt het verhaal van Mulrady", zeide Mac Nabbs. "Nu begrijpt gij, waarom de moedige matroos er zoo op gesteld was om te spreken."
Deze mededeeling deed Glenarvan en de zijnen ontstellen.
"Zeeroovers! zeeroovers!" riep Glenarvan. "Mijn matrozen vermoord! MijnDuncanin de handen dier bandieten!"
"Ja! want Ben Joyce zal het vaartuig overrompelen antwoordde de majoor, "en dan...."
"Welnu! wij moeten vroeger aan de kust zijn dan die ellendelingen!" zeide Paganel.
"Maar hoe komen wij over de Sneeuw-rivier?" vroeg Wilson.
"Evenals zij," antwoordde Glenarvan. "Zij gaan te Kemple-pier over de brug, wij ook."
"Maar wat zal er van Mulrady worden?" vroeg lady Helena.
"Dien zullen wij dragen! wij zullen elkander aflossen! Ik kan toch mijne geheele bemanning niet weerloos overlaten aan den troep van dien Ben Joyce!"
Het denkbeeld om over de brug van Kemple-pier over de Sneeuw-rivier te gaan was uitvoerbaar, maar gewaagd. De roovers konden zich op dat punt vestigen en het verdedigen. Zij waren ten minste dertig tegen zeven! Maar er zijn oogenblikken, waarin men niet telt, waarin men vooruit moet, of men wil of niet.
"Mylord!" zeide nu John Mangles, "voor wij onze laatste kans wagen, voor wij naar die brug gaan, is het voorzigtig ze te gaan verkennen. Dat neem ik op mij."
"Ik ga mee, John!" zeide Paganel.
Toen dit voorstel aangenomen was, maakten John Mangles en Paganel zich gereed om terstond heen te gaan. Zij moesten de Sneeuw-rivier afgaan, haar oevers volgen tot de plaats toe, waar zij de door Ben Joyce opgegeven brug bereikten, en zich vooral onttrekken aan het oog der roovers, die de oevers zeker bezet hielden.
Van levensmiddelen voorzien en goed gewapend vertrokken de beide moedige reisgenooten, en verdwenen weldra tusschen het hooge oeverriet.
Dien geheelen dag bleef men op hen wachten. 's Avonds waren zij nog niet terug. Allen verkeerden in grooten angst.
Tegen elf ure kondigde Wilson eindelijk hun terugkomst aan. Paganel en John Mangles waren doodmoede van dien marsch van tien mijlen.
"Die brug! Bestaat die brug?" vroeg Glenarvan, die hen te gemoet liep.
"Ja! een brug van slingerplanten," zeide John Mangles. "De roovers zijn er inderdaad overgegaan. Maar...."
"Maar...." herhaalde Glenarvan, die een voorgevoel had van een nieuw ongeluk.
"Zij hebben ze na hun overtogt verbrand," antwoordde Paganel.
Het was nu geen tijd om te jammeren, maar om te handelen. Nu de brug van Kemple-pier vernield was, moest men tot elken prijs de Sneeuw-rivier over en voor den troep van Ben Joyce op de oevers der Twofold-baai komen. De tijd werd dan ook niet met nutteloose praatjes verspild, en reeds den volgenden dag, den 16denJanuarij, gingen John Mangles en Glenarvan de rivier onderzoeken, om den overtogt te bewerkstelligen.
Het onstuimige en door den regen gezwollen water daalde niet. Het kookte met onbeschrijfelijke woede. Het te trotseeren was zoo goed als den dood in den mond loopen. Met over elkander geslagen armen en gebukten hoofde bleef Glenarvan roerloos staan.
"Wil ik beproeven den anderen oever zwemmende te bereiken?" zeide John Mangles.
"Neen, John! wij zullen wachten!" antwoordde Glenarvan, terwijl hij met de hand den wakkeren borst tegenhield.
En te zamen keerden zij naar de legerplaats terug. De dag werd in groote bezorgdheid gesleten. Tienmaal keerde Glenarvan naar de Sneeuw-rivier terug. Hij poogde een stout middel te bedenken om haar over te steken. Maar te vergeefs. Al had een lavastroom tusschen haar oevers gevloeid, dan kon zij niet onoverkomelijker geweest zijn.
In die verloren uren omringde lady Helena, door den majoor met raad bijgestaan, Mulrady met de teederste zorgen. De matroos gevoelde, dat hij herstelde. Mac Nabbs durfde verzekeren, dat geen enkel edel deel gewond was. Het bloedverlies was genoegzaam om de zwakheid van den zieke te verklaren. Als zijn wond gesloten, het bloeden gestelpt was, zouden tijd en rust zijn volkomen genezing wel aanbrengen. Lady Helena had verlangd, dat hij het voorvertrek van den wagen zou betrekken. Mulrady was verlegen over zooveel goedheid.
Het meest bekommerde het hem, dat zijn toestand Glenarvan mogt ophouden, en men moest hem beloven, dat men hem onder bewaking van Wilson in de legerplaats zou achterlaten, wanneer de overtogt over de Sneeuw-rivier mogelijk werd.
Ongelukkig was die overtogt evenmin dien dag uitvoerbaar als den volgenden, den 17denJanuari. Glenarvan was radeloos, nu hij zich zoo zag ophouden. Lady Helena en de majoor deden te vergeefs hun best om hem ter neder te zetten en tot geduld te vermanen. Geduld oefenen, wanneer Ben Joyce misschien op hetzelfde oogenblik aan boord van het jagt kwam; wanneer deDuncande touwen losgooide en hard stoomde om die noodlottige kust te bereiken, en wanneer ieder oogenblik ze er digter bijbragt?
John Mangles stond evenveel angst uit als Glenarvan. Met geweld iederen hinderpaal uit den weg willende ruimen, bouwde hij op australische manier een bootje van groote repen gomboomenschors. Die stukken, welke zeer ligt waren, werden met houten hoepels verbonden en vormden een zeer broos vaartuigje.
De kapitein en de matroos beproefden den 18dendat ranke bootje. Alles, wat bekwaamheid, kracht, behendigheid en moed vermogten, wendden zij aan. Maar naauwelijks waren zij op den stroom, of zij sloegen om, en weinig scheelde het of die vermetele proef kostte hun het leven. Het bootje werd in een draaikolk medegesleept en verdween. John Mangles en Wilson waren nog geen tien vademen ver op die rivier gekomen, die door den regen en het smelten der sneeuw gezwollen, wel een mijl breed was.
De 19deen 20steJanuarij verliepen in dien toestand. De majoor en Glenarvan gingen vijf mijlen stroomopwaarts, zonder een doorwaadbare plaats te vinden. Overal was het water even onstuimig, de stroom even snel. De geheele zuidelijke helling der australische Alpen goot al haar water in die eene bedding.
Men moest de hoop opgeven om deDuncante redden. Vijf dagen waren sedert het vertrek van Ben Joyce verloopen. Het jagt moest thans aan de kust en in de handen der roovers zijn!
Het was echter onmogelijk, dat die stand van zaken lang kon aanhouden. Het tijdelijke wassen des waters wordt spoedig uitgeput en wel in dezelfde reden als het geweld, waarmede het plaats heeft. Paganel bespeurde dan ook in den morgen van den 21sten, dat de hoogte der rivier boven den gewonen waterstand begon af te nemen. Hij deelde Glenarvan de uitkomst zijner waarnemingen mede.
"Wat baat dat nu?" antwoordde Glenarvan; "het is toch te laat!"
"Dat is geen reden om ons verblijf in de legerplaats te verlengen."
"Ja," antwoordde John Mangles. "Morgen is de overtogt misschien uitvoerbaar."
"En zal dat mijn ongelukkige matrozen redden?" riep Glenarvan.
"Uwe Edelheid! luister!" hernam John Mangles. "Ik ken Tom Austin. Hij heeft uw bevelen moeten uitvoeren en vertrekken, zoodra zijn vertrek mogelijk was. Maar wie zegt ons, dat deDuncangereed, haar averij hersteld was, toen Ben Joyce te Melbourne kwam? En als het jagt eens niet in zee heeft kunnen steken, als het één, twee dagen oponthoud heeft gehad!"
"Gij hebt gelijk, John!" antwoordde Glenarvan, "Wij moeten de Twofold-baai bereiken. Wij zijn maar vijf en dertig mijlen van Delegete af!"
"Ja," zeide Paganel, "en in die stad zullen wij snelle middelen van vervoer vinden. Wie weet, of wij niet tijdig genoeg zullen komen om een ongeluk te verhoeden?"
"Laten wij vertrekken!" riep Glenarvan.
Dadelijk gingen John Mangles en Wilson aan het werk om een fiksch vaartuig te maken. De ondervinding had geleerd, dat geen stukken schors bestand waren tegen de hevigheid van den stroom. John velde nu stammen van gomboomen, waarvan hij een ruw, maar stevig vlot maakte. Dat werk nam veel tijd weg, en de dag verliep, voor het voltooid was. Het kwam eerst den volgenden dag gereed.
Nu was het water der Sneeuw-rivier merkelijk gezakt. De stortvloed werd een rivier, maar de strooming bleef nog altijd zeer sterk. Echter hoopte John, wanneer hij zich in de schuinte met den stroom liet afdrijven, den tegenovergestelden oever te bereiken.
Om half een belastte ieder zich met zooveel levensmiddelen als hij kon voor een tweedaagschen togt. Het overschot werd met den wagen en de tent achtergelaten. Mulrady was wel genoeg om vervoerd te worden; zijn herstel vorderde snel.
Ten een ure nam elk plaats op het vlot, dat nog aan den oever vastlag. John Mangles had aan stuurboord een soort van riem aangebragt en aan Wilson toevertrouwd, om het vaartuig tegen den stroom te steunen en het sterk afdrijven te verminderen. Hij zelf zou achterop staande sturen met een lompen wrikriem. Lady Helena en Mary Grant zaten midden op het vlot bij Mulrady. Glenarvan, de majoor, Paganel en Robert omringden hen, gereed om hun bijstand te verleenen.
"Is alles klaar, Wilson?" vroeg John Mangles den matroos.
"Ja, kapitein!" antwoordde Wilson, terwijl hij met forsche hand den riem greep.
"Geef acht, en houd ons tegen den stroom."
John Mangles maakte het vlot los en stiet het op de golven der Sneeuw-rivier. Alles ging een vijftien vademen ver goed. Wilson verhinderde het afdrijven. Maar weldra kwam het vlot bij een draaikolk; het draaide rond, zonder dat de riem of de wrikriem het in een regte lijn konden houden. Ondanks alle inspanning, hadden Wilson en John Mangles weldra van plaats verwisseld, waardoor de werking der riemen werd opgeheven.
Men moest zich onderwerpen. Er bestond geen middel om die draaijende beweging van het vlot tegen te gaan. Het draaide met duizelingwekkende snelheid en dreef uit den koers. John Mangles stond met een bleek gelaat en op elkander geklemde tanden naar het kokende water te zien.
Intusschen kwam het vlot in het midden van de Sneeuw-rivier. Het was nu door den stroom een halve mijl van het punt van afvaart medegesleept. Daar had de stroom een buitengewone kracht, en daar hij de kolken brak, gaf hij aan het vaartuig wat vastheid.
Intusschen kwam het vlot in het midden van de Sneeuw-rivier.Intusschen kwam het vlot in het midden van de Sneeuw-rivier.
John en Wilson grepen weder hun riemen, en het gelukte hun het vlot in een schuine rigting voort te stuwen. Daardoor kwamen zij nabij den linker-oever. Zij waren er nog maar vijftig vademen van af, toen de riem van Wilson brak. Het vlot, niet langer gesteund, werd medegesleept. John wilde het tegenhouden, op het gevaar af van zijn wrikriem te breken. Met bebloede handen hielp Wilson hem.
Eindelijk zagen zij hun pogingen met den gewenschten uitslag bekroond. Na een overtogt, die meer dan een half uur geduurd had, stiet het vlot tegen den loodregten oever. De schok was hevig; de stammen weken, de touwen braken, het water drong bruischend binnen. De reizigers hadden maar even den tijd om zich vast te klemmen aan de struiken, die over het water hingen. Zij haalden Mulrady en de twee vrouwen, die half doornat waren, naar zich toe. Kortom, allen werden gered; maar het grootste gedeelte der medegenomen levensmiddelen en de wapenen, uitgenomen de karabijn van den majoor, dreven weg met het wrak van het vlot.
De overtogt was volbragt. Het kleine gezelschap stond bijna van alles beroofd, vijf en dertig mijlen van Delegete af, in het hart dier onbekende woestijnen op de grens van Victoria. Daar houden zich geen kolonisten noch squatters op, de streek is onbewoond, alleen zwerven er woeste woudloopers en roovers.
Men besloot zonder verwijl te vertrekken. Mulrady zag wel, dat hij tot last zou zijn; hij verzocht, of hij blijven mogt, zelfs alleen, om hulp uit Delegete af te wachten.
Glenarvan weigerde. Hij kon Delegete eerst in drie, de kust eerst in vijf dagen bereiken, dat wil zeggen den 26stenJanuarij. En den 16denhad deDuncanMelbourne verlaten. Wat verscheelde hem nu nog een vertraging van eenige uren?
"Neen, mijn vriend!" zeide hij, "ik wil niemand achterlaten. Wij zullen een draagbaar maken en u ieder op zijn beurt dragen."
De draagbaar werd vervaardigd van gomboomentakken en met twijgen bedekt, en of hij wilde of niet, Mulrady moest er plaats innemen. Glenarvan wilde de eerste zijn om den matroos te dragen. Hij nam de draagbaar aan het eene einde, Wilson aan het andere, en men ging op weg.
Welk een droevig schouwspel, en wat liep die reis, welke zoo goed begonnen was, slecht af! Men zocht niet langer Harry Grant. Dit vastland, waar hij niet was, waar hij nooit geweest was, dreigde noodlottig te worden voor degenen, die zijn spoor zochten. En wanneer zijn stoute landgenooten de australische kust bereikten, zouden zij er niet eens deDuncanvinden om hen naar het vaderland terug te brengen!
De eerste dag werd zwijgend en verdrietig doorgebragt. Om de tien minuten loste men elkander af bij het dragen der baar. Alle makkers van den matroos stonden zonder klagen die vermoeijenis uit, die nog toenam door de hevige warmte.
Na slechts vijf mijlen te hebben afgelegd, legerde men zich 's avonds bij een boschje gomboomen. Het overschot der levensmiddelen, die nog uit de schipbreuk waren gered, diende tot avondeten. Maar verder kon men alleen rekenen op de karabijn van den majoor.
De nacht was slecht, de regen kwam er bij, het scheen, alsof het maar geen dag wilde worden. Men ging weer op weg. De majoor had geen gelegenheid om één enkel schot te doen. Deze noodlottige streek was nog erger dan de woestijn, want zelfs de dieren bezochten ze niet eens.
Gelukkig ontdekte Robert een trapganzen nest, en in dat nest een dozijn groote eijeren, die Olbinett onder de heete asch braadde. Dit maakte met eenige postelein, die in een hollen weg groeide, den 22stenhet geheele ontbijt uit.
De weg werd nu bijzonder moeijelijk en pijnlijk.
De zandvlakten waren digt begroeid met "spinifex," een doornstruik, die te Melbourne "stekelvarken" genoemd wordt. De kleeren scheurden er van, de beenen werden er tot bloedens toe door gewond. De moedige vrouwen klaagden echter niet; zij stapten wakker voort, ten voorbeeld voor de anderen, en moedigden hen aan door een woord of een blik.
's Avonds hield men stil aan den voet van den berg Bulla-Bulla, aan de oevers van het stroompje Jungalla. Het avondeten zou schraal geweest zijn, had Mac Nabbs niet eindelijk een groote rat geschoten, de "Mus conditor," die den naam heeft een uitstekend voedsel te zijn. Olbinett braadde ze, en ze zou haar naam nog beter verdiend hebben, wanneer ze zoo groot was geweest als een schaap. Men moest het er echter mede doen Ze werd tot op de beenderen toe afgekloven.
Wel vermoeid, maar nog altijd vol moed, gingen de reizigers den 23stenweder op marsch. Nadat zij om den voet der bergs gegaan waren, kwamen zij door groote weilanden, waarvan het gras uit walvischbaarden scheen te bestaan. Het was een bosch van lansen, een verwarde hoop scherpe bajonnetten, waarin men zich met de bijl of het vuur een weg moest banen.
Dien morgen was er aan geen ontbijt te denken. Niets kan de dorheid dier met kwartsbrokken bezaaide streek overtreffen. Niet alleen de honger, maar ook de dorst deed zich sterk gevoelen. Een brandend heete lucht maakte die marteling nog ondragelijker. Glenarvan en de zijnen legden geen halve mijl in het uur af. Mogt dat gebrek aan spijs en drank tot den avond duren, dan zouden zij op dien weg neder vallen om niet meer op te staan.
Maar wanneer den mensch alles begeeft, wanneer hij zich hulpeloos en verlaten ziet, wanneer hij niet anders denkt of zijn laatste uur heeft geslagen, dan openbaart zich de tusschenkomst der Voorzienigheid.
Het water schonk Zij in "cephalotes" een soort van bekers met een verkwikkend vocht gevuld, die aan de takken van koraalvormige struiken hingen. Allen leschten hun dorst er mede en voelden, dat weer nieuwe levenskrachten in hen werden opgewekt.
Het voedsel was het gewone der inlanders, wanneer er gebrek is aan wild: insecten en slangen. Paganel ontdekte in de uitgedroogde bedding van een stroompje een plant, wier uitmuntende eigenschappen hem dikwijls beschreven waren door een der leden van de Maatschappij voor aardrijkskunde.
Het was de "nardou," een bedekt bloeijend gewas van de familie der waterlinzen, hetzelfde, waarmede Burke en King hun leven rekten in de woestijnen van het binnenland. Onder zijn op klaver gelijkende bladeren ontsproten verdroogde kiemkorrels. Die korrels, zoo groot als een lins, werden tusschen twee steenen gekneusd, en gaven een soort van meel. Er werd grof brood van gebakken, dat den honger eenigzins stilde. Die plant was overvloedig te vinden. Olbinett kon dus te dezer plaatse een groote hoeveelheid verzamelen, en zoo waren zij voor verscheidene dagen van voedsel voorzien.
Den volgenden dag, den 24sten, legde Mulrady een gedeelte van den weg te voet af. Zijn wond was geheel digt. De stad Delegete was nog maar tien mijlen ver, en dien avond legerden zij zich op 149° lengte op de grens van Nieuw-Zuid-Wales.
Een fijne en doordringende regen viel sedert eenige uren. Zij hadden in de open lucht moeten blijven, wanneer John Mangles niet bij toeval een verlaten en vervallen hut van houtzagers had ontdekt. Men moest zich vergenoegen met dat ellendige krot van takken en riet. Wilson wilde vuur aanleggen om het nardon-brood te bakken en ging het doode hout oprapen, dat op den grond lag. Maar hij kon het niet aankrijgen. De groote hoeveelheid aluinachtige stof, die het bevatte, belette de ontvlamming. Het was het onbrandbare hout, dat Paganel had opgenoemd onder de zonderlinge voortbrengselen van Australië.
Men moest het dus zonder vuur en brood doen, en in de vochtige kleeren slapen, terwijl de spotvogels, in de hooge takken verborgen, die ongelukkige reizigers schenen uit te jouwen.
Glenarvan's lijden liep inmiddels ten einde. Wel was het tijd. De beide jeugdige vrouwen spanden zich geweldig in, maar haar krachten verminderden van uur tot uur. Zij sleepten zich voort, loopen konden zij niet meer.