XVII.

... zij zwaaiden als bezetenen met al die wapenen.... zij zwaaiden als bezetenen met al die wapenen.

Dit spiegelgevecht had reeds tien minuten geduurd, toen de strijders op eens ophielden. De wapens ontvielen hun handen. Een diepe stilte verving het vreeselijk getier. De inboorlingen bleven roerloos in hun laatste houding staan, even als de personen in eentableau vivant. Men zou gezegd hebben, dat zij versteend waren.

Wat was de oorzaak van die verandering, en wat beteekende het, dat zij plotseling zoo stijf waren als marmeren beelden? Dat werd spoedig opgehelderd.

Een troep kaketoes vertoonde zich juist op de hoogte van de gomboomen. Zij vervulden de lucht met hun gesnater, en geleken door de heldere kleuren van hun gevederte op een vliegenden regenboog. De verschijning van dien schitterenden zwerm vogels had den strijd doen staken. De jagt, die nuttiger was dan de oorlog, verving hem.

Een rood geschilderd werktuig van vreemden vorm grijpende, verwijderde zich een der inboorlingen van zijn makkers, die even roerloos bleven staan, en sloop tusschen de boomen en struiken door naar den troep kaketoes. Hij maakte geen gedruisch onder het kruipen, hij kreukte geen blaadje, hij verschoof geen steentje. Het was een voortglijdende schaduw.

Op een behoorlijken afstand gekomen wierp hij zijn werktuig twee voet boven den grond in een waterpasse rigting vooruit. Zoo doorliep dat wapen een afstand van omtrent veertig voet; zonder den grond te raken sprong het daarop plotseling met een regten hoek op, steeg honderd voet hoog, trof doodelijk een dozijn vogels, en viel eindelijk, een kromme lijn beschrijvende, neder aan de voeten des jagers.

Glenarvan en zijn gezelschap stonden verstomd; zij konden hun oogen niet gelooven.

"Het is de "boomerang!" zeide Ayrton.

"De boomerang!" riep Paganel, "de australiscbe boomerang!"

En evenals een kind ging hij het zonderlinge werktuig oprapen "om te zien, hoe het er van binnen uitzag."

Inderdaad mogt men denken, dat een inwendig mecanisme, een veer, die plotseling lossprong, deszelfs rigting veranderde. Maar dat was zoo niet.

De boomerang bestond eenvoudig uit een stuk hard en krom hout, dat dertig tot veertig duim lang was. In het midden was hij omtrent drie duim dik, en zijn uiteinden liepen in spitse punten uit. Het holle gedeelte was zes strepen diep en het bolle had twee zeer scherpe randen. Het was even eenvoudig als onbegrijpelijk.

"Dat is dan die beruchte boomerang!" zeide Paganel, na het zonderlinge werktuig oplettend bekeken te hebben. "Een stuk hout, anders niet. Waarom stijgt hij op een bepaald oogenblik van zijn waterpasse rigting omhoog om terug te keeren in de hand, die hem slingerde? De geleerden en de reizigers hebben dit verschijnsel nooit kunnen verklaren."

"Zou het niet met hem hetzelfde geval zijn als met den hoepel, die op zekere wijze voortgedreven, op zijn uitgangspunt terugkomt?" vroeg John Mangles.

"Of liever," voegde Glenarvan er bij, "een terugkeerende beweging, gelijk aan die van een biljartbal, die in een bepaalde rigting wordt voorgestooten?"

"In het geheel niet," antwoordde Paganel. "In deze beide gevallen is er een steunpunt, dat de terugwerking bepaalt: de grond voor den hoepel, en het laken voor den bal. Maar hier is geen steunpunt, het werktuig raakt den grond niet aan, en toch stijgt het weder tot een aanzienlijke hoogte!"

"Maar hoe verklaart gij dit feit dan, mijnheer Paganel?" vroeg lady Helena.

"Ik verklaar het niet, mevrouw! ik bevestig het slechts; de uitwerking hangt zeker af van de manier, waarop de boomerang wordt geworpen en van zijn bijzondere inrigting. Maar dat werpen is nog een geheim van de Australiërs!"

"Hoe het ook zij, het is toch zeer vernuftig ... voor apen," voegde lady Helena er bij, den majoor aanziende, die met een ongeloovig gezigt het hoofd schudde.

Intusschen verliep de tijd en Glenarvan oordeelde, dat hij op zijn togt naar het oosten niet langer mogt verwijlen; hij wilde daarom de dames verzoeken den wagen weder te beklimmen, toen een wilde hard kwam aanloopen en met opgewondenheid eenige woorden sprak.

"Ha! zij hebben kasuarissen gezien!" zeide Ayrton.

"Wat! is er een jagt op til!" zeide Glenarvan.

"Dat moeten we zien!" riep Paganel. "Dat zal wel aardig zijn! Misschien komt de boomerang er weer bij te pas."

"Wat denkt gij er van, Ayrton?"

"Het zal niet lang duren, mylord!" antwoordde de bootsman.

De inboorlingen hadden geen oogenblik verzuimd. Kasuarissen te dooden is een buitenkansje voor hen. Dan is de stam voor eenige dagen van zijn onderhoud zeker. De jagers maken dan ook van al hun behendigheid gebruik om zulk een prooi te overmeesteren. Maar hoe kunnen zij een zoo vlug dier zonder geweren schieten en zonder honden inhalen? Dit was juist de belangrijke zijde van het schouwspel, dat Paganel hoopte bij te wonen.

De ongehemmde kasuaris, door de inboorlingen "Moereuk" genoemd, is een dier, dat zeldzaam begint te worden in de vlakten van Australië. Die groote vogel, wel twee en een half voet hoog, heeft blank vleesch, dat veel overeenkomst heeft met dat van den kalkoen; op den kop draagt hij een hoornachtige plaat; zijn oogen zijn ligt bruin, zijn bek is zwart, en van boven naar beneden gebogen; aan zijn pooten heeft hij drie teenen, met sterke nagels gewapend; zijn vleugels zijn slechts stompen en kunnen hem niet dienen om te vliegen; zijn gevederte, om niet te zeggen zijn haar, is aan den hals en de borst donkerder van kleur. Maar al vliegt hij niet, hij loopt en kan het op een grasvlakte tegen het snelste paard opnemen. Alleen door list kan men hem dus vangen, en dan moet men nog heel listig sijn.

Op het berigt van den inboorling verspreidden zich daarom een tiental Australiërs als een afdeeling scherpschutters. Het was op een liefelijke vlakte, waar de indigo in het wild groeide en den grond met haar bloemen blaauw kleurde. De reizigers hielden stand aan den zoom van een mimosa-bosch.

Op de nadering der inlanders stond een half dozijn kasuarissen op, nam de vlugt en zette zich een mijl verder neder. Toen de jager van den stam zeker was van de plaats, waar zij zich bevonden, gaf hij een teeken aan zijn makkers om te blijven staan. Dezen gingen op den grond liggen, terwijl hij uit zijn net twee netjes aaneengenaaide kasuaris-huiden haalde en ze terstond aantrok. Met zijn regterarm, die boven zijn hoofd uitstak, bootste hij de houding van den kasuaris na, wanneer deze zijn voedsel zoekt.

De inboorling kroop naar den troep; nu eens hield hij op, schijnbaar eenige zaden oppikkende; dan weder joeg hij het zand met zijn voeten op en hulde zich in een stofwolk. Al die bewegingen waren onverbeterlijk. Onnavolgbaar was deze nabootsing van de handelwijze van den kasuaris. Soms hief de jager een dof gebrom aan, dat den vogel zelven zou verschalkt hebben. Dit gebeurde dan ook. De wilde was spoedig in het midden van den zorgeloosen troep. Op eens slingerde zijn arm de knods en vijf van de zes kasuarissen vielen om hem heen.

De jager had zijn doel bereikt, de jagt was afgeloopen.

Nu namen Glenarvan, de reizigsters, het geheele gezelschap afscheid van de inboorlingen. De scheiding scheen hun niet zeer te spijten, Welligt deed de goede uitslag van de kasuarissen-jagt hun de voldoening van hun vraatzucht vergeten. Zij hadden niet eens de dankbaarheid van de maag, die bij de onbeschaafde volkeren en de dieren sterker is dan de dankbaarheid der harten.

Dit mogt wezen zooals het wilde, in zekere omstandigheden kon men toch niet anders doen dan hun schranderheid en behendigheid te bewonderen.

"Nu zult gij toch wel willen toegeven, waarde Mac Nabbs! dat de Australiërs geen apen zijn!" zeide lady Helena.

"Omdat zij den gang van een dier volkomen nabootsen?" antwoordde de majoor. "Maar dat zou veeleer mijn stelling bevestigen!"

"Schertsen is geen antwoorden," zeide lady Helena. "Ik verlang, majoor! dat gij uw gevoelen herroept."

"Het zij zoo! ja, nichtje! of liever neen! De Australiërs zijn geen apen! Het zijn apen die Australiërs zijn!"

"Welnu komaan!"

"Herinner u maar eens, wat de negers beweren van het belangrijke ras der oerang-oetangs."

"Wat beweren zij dan?" vroeg lady Helena.

"Zij beweren," antwoordde de majoor, "dat de apen zwarten zijn evenals zij, maar slimmer: "Hij niet spreek om niet werk," zeide een neger, die jaloersch was op een tammen oerang-oetang, dien zijn meester den kost gaf, hoewel hij niets uitvoerde."

Na een op 146°15' lengte rustig doorgebragten nacht zetten de reizigers den 6denJanuarij, 's morgens ten zeven ure, hun togt door dit uitgestrekte district voort. Zij gingen onveranderlijk oostwaarts, en de indrukken hunner schreden vormden op de vlakte een zuiver regte lijn. Tweemaal ontmoetten zij sporen van squatters, die noordwaarts trokken, en dan zouden die verschillende indrukken in elkander verward geraakt zijn, als het paard van Glenarvan niet in het zand het merk van Black-point, kenbaar aan een klaverblad, had achtergelaten.

Soms slingerden riviertjes in grillige bogten door de vlakte, wier oevers met palm begroeid waren en die van tijd tot tijd uitdroogden. Zij ontsprongen op de helling der "Buffalos Ranges," een keten van middelmatige bergen, wier schilderachtige toppen aan den gezigteinder een golvende lijn vormden.

Men besloot daar den nacht door te brengen. Ayrton zette zijn ossen wat aan, en na dien dag vijf en dertig mijlen te hebben afgelegd, kwamen de trekdieren een weinig vermoeid ter bestemder plaatse aan. De tent werd onder groote boomen opgeslagen; de avond was gevallen, het eten werd spoedig gebruikt. Men dacht zelfs, na zulk een marsch, minder aan eten dan aan slapen.

Paganel, die het eerst aan de beurt lag om de wacht te houden, ging niet liggen, maar waakte met het geweer op schouder over de legerplaats, onophoudelijk op en neer loopende om zich den slaap uit de oogen te houden.

Paganel ging niet liggen....Paganel ging niet liggen....

Hoewel de maan niet scheen, was de nacht toch tamelijk helder door den glans der australische sterrebeelden. De geleerde vermaakte zich met het lezen in dat groote, altijd opgeslagen boek van het uitspansel, dat zoo belangrijk is voor een ieder, die het weet te verstaan. De diepe stilte der in rust verzonken natuur werd alleen afgebroken door het gerammel der kluisters aan de pooten der paarden.

Paganel liet dus zijn sterrekundige overpeinzingen den vrijen loop en hield zich meer bezig met de dingen des hemels dan met de dingen der aarde, toen een verwijderd geluid hem uit zijn droomen opwekte.

Hij luisterde scherp toe, en tot zijn groote verbazing meende hij den klank van een piano te hooren; eenige snel achtereenvolgend aangeslagen accoorden deden hun trillende toonen tot hem komen. Hij kon zich er niet in vergissen.

"Een piano in de woestijn!" zeide Paganel bij zich zelven. "Dat is iets, wat ik nooit zal gelooven!"

Het was dan ook heel vreemd, en Paganel wilde liever gelooven, dat de een of andere zonderlinge australische vogel de toonen van een Pleyel of een Bernhard nabootste, zooals andere het geluid van een klok en van schaarslijpers nabootsen.

Maar nu bereikte de klank van een zuivere, welluidende stem zijn oor. Bij den pianospeler kwam ook nog een zanger. Paganel luisterde, maar wilde het nog niet gelooven. Na eenige oogenblikken moest hij echter de heerlijke aria herkennen, die hij hoorde.

Het wasIl mio tesoro tantouit denDon Juan.

"Drommels!" dacht de aardrijkskundige, "hoe vreemd de australiscbe vogels ook zijn, en al waren het de muzikaalste papegaaijen van de wereld, een opera van Mozart kunnen zij toch niet zingen!"

Vervolgens luisterde hij tot het einde toe naar die verhevene ingeving van den grootsten aller meesters. De uitwerking dier liefelijke melodie, voortgedragen door een helderen nacht, was onbeschrijfelijk. Paganel bleef een geruimen tijd onder den invloed dier onuitsprekelijke betoovering; vervolgens zweeg de stem, en het werd weder stil.

Toen Wilson Paganel kwam aflossen, vond hij hem in diep nadenken verzonken. Paganel zeide er den matroos niets van. Hij nam voor Glenarvan den volgenden morgen van die bijzonderheid kennis te geven, en kroop in zijn tent onder de dekens.

's Anderendaags werd het geheele gezelschap wakker gemaakt door een onverwacht geblaf. Glenarvan stond dadelijk op. Twee prachtige speurhonden, hoog op de pooten, heerlijke modellen van den staanden hond van engelsch ras, sprongen rond aan den zoom van een boschje. Toen de reizigers naderden, keerden zij luid blaffende onder de boomen terug.

"Er is zeker een station in deze woestijn," zeide Glenarvan, "en ook jagers; want dat zijn immers jagthonden?"

Paganel opende reeds den mond om te vertellen, wat hem in den afgeloopen nacht wedervaren was, toen twee jonge lieden verschenen, gezeten op twee voortreffelijke paarden van echt bloed, echte jagtpaarden.

De beide heeren in een sierlijk jagtgewaad gekleed, hielden hun paarden in op het gezigt van het kleine gezelschap, dat op de wijze der Zigeuners gelegerd was. Zij schenen zich af te vragen, wat de tegenwoordigheid van gewapende lieden te dezer plaatse beduidde, toen zij de reizigsters ontdekten, die uit den wagen klommen.

Dadelijk stapten zij van hun paard en gingen haar met den hoed in de hand te gemoet.

Lord Glenarvan ging naar hen toe, en als vreemdeling deelde hij hun zijn naam en rang mede. De jongelieden bogen en een hunner, de oudste, zeide:

"Mylord! willen deze dames, uw gezelschap en gij ons de eer aandoen ten onzent wat uit te rusten?"

"Mijneheeren?..." zeide Glenarvan.

"Michel en Sandy Patterson, eigenaars van Hottam-station. Gij zijt reeds op onze goederen, en behoeft geen kwartmijl ver te gaan."

"Mijneheeren!" antwoordde Glenarvan, "ik zou niet gaarne misbruik maken van de gastvrijheid, die gij ons zoo vriendelijk aanbiedt...."

"Mylord!" hernam Michel Patterson, "door onze uitnoodiging aan te nemen doet gij een dienst aan arme ballingen, die zich gelukkig zullen achten de eer der woestijn bij u op te houden."

Glenarvan boog ten teeken van toestemming.

"Mijnheer!" zeide nu Paganel, zich tot Michel Patterson rigtende, "als het niet onbeleefd is, wenschte ik u wel te vragen of gij gisteren die aria van den goddelijken Mozart hebt gezongen?"

"Ja, mijnheer!" antwoordde de heer, "en mijn neef Sandy begeleidde mij."

"Welnu, mijnheer!" hervatte Paganel, "neem dan de welgemeende loftuitingen aan van een Franschman, een hartstogtelijk bewonderaar van die muziek."

Paganel gaf den jongen heer de hand, die haar hartelijk drukte. Vervolgens wees Michel Patterson regtsaf den weg, dien zij moesten inslaan. De paarden werden achtergelaten onder toezigt van Ayrton en de matrozen. Dus gingen de reizigers al pratende en bewonderende onder geleide van de beide jonge lieden te voet naar het woonhuis van Hottam-station.

Het was inderdaad een prachtige inrigting, die even streng in orde gebonden werd als een engelsch park. Onmetelijke weiden, door grijze hekken ingesloten, strekten zich uit zoover het oog reikte. Daar graasden duizenden runderen en millioenen schapen. Talrijke herders en nog talrijker honden bewaakten dat drukke leger. Het geloei en geblaat vermengde zich met het geblaf der honden en het geklap der zweepen.

In het oosten stuitte de blik op een rand van "myalls" en gomboomen, waarboven de statige kruin van den Hottam-berg ter hoogte van zeven duizend vijf honderd voet uitstak. Naar alle kanten liepen lange lanen van boomen met altijd blijvende bladeren. Hier en daar waren plekken bezet met digt kreupelhout van "grasstrees", tien voet hooge heesters, die wel iets hadden van den dwergpalm, en wier top zich verschool in een menigte smalle lange bladeren. De lucht was doortrokken van de geuren der munt-laurierboomen, wier witte bloemruikers, die juist in vollen bloei stonden, de fijnste en welriekendste geuren uitwasemden.

Bij de liefelijke groepen dier inlandsche boomen voegden zich de voortbrengselen, uit de europeesche landen hierheen gebragt. De perzik, de peer, de appel, de vijg, de oranjeboom, zelfs de eik, werd door de reizigers met een luid hoera! begroet, en zoo het hen niet zeer verwonderde in de schaduw der boomen uit hun land te wandelen, dan werd hun verbazing toch opgewekt op het gezigt der vogels, die in de takken rondhuppelden, de satijn-vogels met hun zijdeachtige vederen en de zijdevogels half in goud en zwart fluweel gekleed.

Onder anderen viel hun voor de eerste maal het voorregt te beurt den liervogel te bewonderen, wiens staart de gedaante heeft van het liefelijk speeltuig van Orpheus. Hij ontvlood tusschen de boomvormige varens, en als zijn staart tegen de takken sloeg, verwonderde men zich haast die welluidende accoorden niet te hooren, waarmede Amphion zich opwekte om de muren van Thebe te herbouwen. Paganel had lust om er op te spelen.

Den liervogel.Den liervogel.

Lord Glenarvan vergenoegde zich echter niet met de bewondering dier tooverachtige wonderen van die oase in het midden der australiscbe woestijn. Hij luisterde tevens naar het verhaal der jonge heeren. In Engeland, in het hart zijner beschaafde gewesten zou elke nieuw aangekomene terstond aan zijn gastheer verteld hebben, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Maar hier meenden Michel en Sandy Patterson kieschheidshalve verpligt te zijn zich bekend te maken aan de reizigers, wien zij gastvrijheid aanboden. Zij vertelden dus hun geschiedenis.

Het was die van alle schrandere en werkzame jonge Engelschen, die niet gelooven, dat de rijkdom vrijstelt van den arbeid. Michel en Sandy Patterson waren zoons van een bankier te Londen. Toen zij twintig jaar oud waren, had het hoofd van hun geslacht gezegd: "Ziedaar eenige millioenen, jongelieden! Gaat naar de een of andere afgelegene kolonie; zet er een nuttige zaak op; put uit den arbeid kennis van het leven. Slaagt gij, des te beter. Slaagt gij niet, dan is er nog niets bedorven; wij zullen de millioenen niet beklagen, die u gediend zullen hebben om mannen te worden." De twee jongelingen gehoorzaamden. Zij kozen in Australië de provincie Victoria om er de banknoten huns vaders te zaaijen en behoefden er geen spijt van te hebben. Na verloop van een jaar of drie bloeide de onderneming.

In de provinciën Victoria, Nieuw-Zuid-Wales en Zuid-Australië telt men meer dan drie duizend stations, sommigen bewoond door de squatters, die zich op veefokkerij toeleggen; anderen door kolonisten, wier hoofdbedrijf de landbouw is. Tot aan de komst der beide jonge Engelschen was de voornaamste inrigting van dien aard die van den heer Jamieson, die een oppervlakte van honderd mijlen besloeg, met een strook lands van vijf en twintig mijlen aan de Paroo, een der zijtakken van de Darling.

Thans won het station Hottam het in oppervlakte en aanzien. De beide jongelieden waren veefokkers en landbouwers te gelijk. Zij bestuurden met buitengewone bekwaamheid, en wat nog moeijelijker is, met ongemeen beleid hun verbazende eigendommen.

Zooals men ziet, lag dit station op een grooten afstand van de voornaamste steden, midden in de weinig bezochte woestijnen der Murray. Het besloeg de ruimte tusschen 146°48' en 147°, dat wil zeggen een streek lands van vijf uren in het vierkant, gelegen tusschen de Buffalos-Ranges en den Hottam-berg. In de beide hoeken in het noorden van dat ontzaggelijk vierkant verrezen ter linkerzijde de Aberdeen-berg, ter regter de toppen van den High-Barven. Er was geen gebrek aan helder en kronkelend water, wegens de stroompjes en takken van de Ovens-rivier, die noordwaarts in de Murray valt. Veeteelt en landbouw slaagden ook beiden evenzeer. Vijf duizend bunders uitstekend bebouwd en bewerkt land bragten zoowel inlandsche als vreemde gewassen voort, terwijl verscheidene millioenen dieren in de grazige weiden vet werden gemaakt. De voortbrengselen van Hottam-station werden dan ook tot hooge prijzen op de markten van Castlemaine en Melbourne afgezet.

Dit een en ander hadden Michel en Sandy Patterson van hun werkzaam leven verteld, toen de woning aan het uiteinde van een laan van kasuarboomen zigtbaar werd.

Het was een aardig van hout en steen opgetrokken gebouw, verscholen tusschen boschjes emerophilis. Het had den sierlijken vorm van een zwitsersch huis, en een veranda, waaraan chineesche lampen hingen, liep als een antiek impluvium langs de muren. Voor de vensters hingen veelkleurige kleeden, die in bloei schenen te staan. Niets is sierlijker, niets is streelender voor het oog, maar ook niets geriefelijker. Op de grasperken en tusschen de boomen rondom het huis stonden bronzen kandelabers met sierlijke lantaarns; 's avonds werd dit geheele park met witte gasvlammen verlicht, dat uit een kleinen gazometer kwam, die tusschen prieeltjes van myalls en boomvormige varens verscholen was.

Het was een aardig van hout en steen opgetrokken gebouw.Het was een aardig van hout en steen opgetrokken gebouw.

Overigens zag men geen arbeiderswoningen, stallen noch lootsen, niets van hetgeen eene hoeve kenmerkt. Al die bijgebouwen,—die wel een dorp mogten genoemd worden, bestaande uit meer dan twintig hutten en huizen,—lagen een kwartmijl van het huis af in een klein dal. Telegraafdraden bragten het dorp in regtstreeksche gemeenschap met het heerenhuis. Ver van het gedruisch verwijderd scheen dit gebouw geheel op zich zelven te staan in een bosch van vreemde boomen.

Weldra, was men aan het einde der laan van casuars; een kleine bijzonder fraaije ijzeren brug, over een kabbelend stroompje geslagen, verleende den toegang tot het afgesloten park. Men ging ze over. Een deftige opzigter ontving de reizigers; de deuren werden geopend, en de gasten van Hottam-station betraden de prachtige vertrekken in dit omkleedsel van steen en bloemen.

Hier vertoonde zich aan hun oog al de weelde van een kunstlievenden en rijken bewoner: door een groote zaal met vijf vensters kwam men in de voorkamer, versierd met stukadoorwerk, dat allerlei landbouw- en jagtgereedschap voorstelde. Dat de bewoners een fijnen smaak hadden voor kunsten en gemak, bewezen een piano bedekt met oude en nieuwe muziekstukken, schildersezels met schetsen, voetstukken met marmeren beelden versierd, eenige schilderijen van vlaamsche meesters aan de wanden, prachtige en mollige tapijten, behangsels, die bevallige tooneelen uit de fabelleer voorstelden, een antieke lichtkroon aan de zoldering, kostbaar porselein, dure en smaakvolle pulletjes, duizend kostbare en broze kleinigheden, die men in geen australische woning zou gezocht hebben. Alles wat behagelijk was, alles wat het onaangename eener vrijwillige ballingschap kon verzachten, alles wat de herinnering aan europeesche gewoonten levendig kon houden, was in die tooverachtige zaal bijeen. Men zou bijna meenen in een vorstelijk lustslot in Frankrijk of Engeland te zijn.

Door het fijne doek der vijf venstergordijnen viel een zacht licht, dat reeds getemperd was door de halfschaduw der veranda. Lady Helena stond verrukt, toen zij naderbij kwam. Van deze zijde beheerschte de woning een breed dal, dat zioh tot aan den voet der oostelijke bergen uitstrekte. De afwisseling van weiden en bosschen, eenige groote opene plekken hier en daar, de zacht glooijende heuvels, de hoogten en laagten van dien oneffen bodem, alles te zamen vormde een onbeschrijfelijk tooneel. Geen andere streek ter wereld kon met deze vergeleken worden, zelfs niet het zoo beroemde Paradijs-dal op de noorweegsche grenzen van Tellemarken. Dat uitgestrekte panorama, met zijn afwisseling van groote donkere en lichte plekken, veranderde ieder uur naarmate de zon hooger rees. De verbeelding kon zich niets heerlijkers scheppen, en dat liefelijk gezigt voldeed aan al de eischen van het oog.

Intusschen was er op bevel van Sandy Patterson in de ijl door den hofmeester van het station een ontbijt gereed gemaakt, en geen kwartier was er na hun aankomst verloopen, of de reizigers zaten reeds aan een tafel, die ruimschoots van alles voorzien was. De spijzen en wijnen lieten niets te wenschen over; maar het aangenaamste bij al die verfijnde weelde was de vreugde der twee jonge squatters, die zich gelukkig achtten onder hun dak zulk een onthaal te kunnen aanbieden.

Het duurde ook niet lang, of zij waren bekend met het doel van den togt, en stelden een levendig belang in de nasporingen van Glenarvan. Ook gaven zij goede hoop aan de kinderen van den kapitein.

"Harry Grant," zeide Michel, "is stellig in de handen der inboorlingen gevallen, anders zou hij wel in de nederzettingen aan de kust gekomen zijn. Hij was zich zijn toestand volkomen bewust, dat bewijst het document, en nu hij niet de een of andere engelsche kolonie bereikt heeft, moet hij, zoodra hij aan land kwam, door de wilden gevangen zijn genomen."

"Datzelfde lot is ook zijn bootsman Ayrton wedervaren," antwoordde John Mangles.

"Maar hebt gij nooit van de ramp vanBritanniahooren spreken, heeren?" vroeg lady Helena.

"Nooit, mevrouw!" antwoordde Michel.

"En hoe denkt gij, dat kapitein Grant, de gevangene der Australiërs, behandeld wordt?"

"De Australiërs zijn niet wreed, mevrouw!" antwoordde de jonge squatter, "en miss Grant kan dienaangaande gerust zijn. Er zijn talrijke voorbeelden bekend van de zachtheid van hun karakter, en sommige Europeanen hebben lang onder hen verkeerd, zonder reden te hebben om zich over hun onbeschoftheid te beklagen."

"King onder anderen," zeide Paganel, "de eenige van het gezelschap van Burke, die er het leven van heeft afgebragt."

"Die stoute reiziger is niet de eenige," hernam Sandy; "maar ook een engelsch soldaat, Buckley geheeten, die in 1808 op de kust uit Port Philip ontsnapt zijnde, door de inboorlingen werd opgenomen en drie en dertig jaar onder hen leefde."

"En na dien tijd," voegde Michel Patterson er bij, "berigtte ons een der laatste nommers van deAustralasian, dat een zekere Morrill onder zijn landgenooten is teruggekeerd na een slavernij van zestien jaren. De geschiedenis van den kapitein zal wel dezelfde wezen als de zijne; want juist ten gevolge van de schipbreuk derPéruviennein 1846 werd hij door de inboorlingen gevangen genomen en naar het binnenland gesleept. Dus houd ik het er voor, dat gij moet blijven hopen."

Deze woorden gaven den hoorders van den jongen squatter veel vreugde. Zij bevestigden de inlichtingen, die Paganel en Ayrton vroeger gegeven hadden.

Toen de dames van tafel waren opgestaan, werd er over de gedeporteerden gesproken. De squatters waren bekend met de ramp van Camden-brug, maar de tegenwoordigheid van een bende vlugtelingen boezemde hun geen ongerustheid in. Die boosdoeners zouden zich wel wachten een station aan te vallen, dat door meer dan honderd mannen bewoond werd. Ook was het niet waarschijnlijk, dat zij zich in die woestijnen van de Murray zouden wagen, waar zij niets uitrigten konden, noch in de rigting der koloniën van Nieuw-Wales, waar de wegen zeer goed bewaakt worden. Ayrton was van hetzelfde gevoelen.

Lord Glenarvan mogt het verzoek van zijn vriendelijke gastheeren om dien geheelen dag op Hottam-station door te brengen, niet afslaan. Het was een oponthoud van twaalf uren, dat een rustdag werd; paarden en ossen zouden zeker van hun vermoeienissen goed uitrusten in de goed ingerigte stallen van het station.

Dit bleef dus bepaald, en de beide jongelieden stelden hun gasten een plan om den dag door te brengen voor, dat gaarne werd aangenomen.

Ten twaalf ure trappelden zeven sterke jagtpaarden voor de deuren der woning. Een sierlijk rijtuig met vier paarden bespannen en voor de dames bestemd, gaf den koetsier gelegenheid om zijn bedrevenheid te toonen in het moeijelijke rijden met vier paarden. Door jagers voorafgegaan en met uitstekende jagtgeweren gewapend, stegen de ruiters te paard en galoppeerden naast het rijtuig, terwijl prachtige jagthonden vrolijk in het kreupelhout blaften.

Vier uren besteedde de jagtstoet met het doorkruisen van al de lanen van dit park, dat zoo groot was als een kleine duitsche staat. Reuss-Schleitz of Saksen-Coburg-Gotha konden er wel geheel in liggen. Vond men er al niet zooveel inwoners, de schapen waren er daarentegen des te talrijker. En wat het wild betreft, een leger van drijvers zou er niet meer hebben kunnen opjagen onder bereik van de kogels der jagers. Weldra hoorde men dan ook een onafgebrokene reeks van losbrandingen, die zeer verontrustend waren voor de vreedzame bewoners der bosschen en vlakten. De jonge Robert deed wonderen aan de zijde van majoor Mac Nabbs. Ondanks de waarschuwingen zijner zuster was die vermetele knaap altijd vooraan en het eerst in het vuur. Maar John Mangles beloofde op hem te passen, hetgeen Mary Grant geruststelde.

Bij die drijfjagt doodde men eenige daar te lande thuis behoorende dieren, die Paganel nog alleen bij name kende: onder anderen de "wombat" en de "bandicoot."

De wombat (buidel-mormeldier) ia een plantetend dier, dat holen graaft evenals de das; hij is zoo groot als een schaap en zijn vleesch is lekker.

De bandicoot is een andere soort van buideldier, nog roofzieker dan de europeesche vos en kan dezen wel een lesje geven in het plunderen van hoenderhokken. Dit dier, dat een vrij afzigtelijk voorkomen heeft, en anderhalve voet lang is, viel onder de kogels van Paganel, die het uit jagers-eigenliefde bekoorlijk vond. "Een aanbiddelijk dier," zeide hij.

Onder andere belangrijke stukken schoot Robert heel handig een "dasyure viverrin," een soort van kleinen vos, wiens zwarte pels met witte vlekken evenveel waard is als die van den marter, en een paar buidelratten, die zich in het digte gebladerte der groote boomen verscholen.

Maar van al die groote feiten was zonder tegenspraak een kangoeroe-jagt het belangrijkste. Tegen vier ure joegen de honden een troep van die zonderlinge buideldieren op. De kleinen kropen haastig in den buidel hunner moeder, en allen vlugtten in een rij achter elkander. Allervreemdst zijn de verbazende sprongen van den kangoeroe (springhaas), wiens achterpooten, tweemaal zoo lang als de voorpooten, als een veer losspringen.

De kangoeroe-jagt.De kangoeroe-jagt.

Aan het hoofd der vlugtelingen was een mannetje van vijf voet hoog, een prachtig model van de "macropus giganteus," een "oud man," zooals de houthakkers zeggen.

Over een lengte van vier tot vijf mijlen werd de jagt ijverig voortgezet. De kangoeroes werden niet moede, en de honden, die niet zonder reden hun sterken, met een scherpen nagel gewapenden poot vreezen, pasten wel op ze niet te digt te naderen. Maar eindelijk uitgeput door den snellen loop, hield de troep stand en ging de "oude man" tegen een boomstam leunen, gereed om zich te verdedigen. Een der jagthonden, die zijn vaart nog niet had kunnen stuiten, kwam in zijn nabijheid. Een oogenblik daarna werd de arme hond in de hoogte geslingerd en hingen hem de ingewanden uit het lijf.

Het bleek, dat zelfs de geheele troep honden niet opgewassen was tegen die sterke buideldieren. Men moest dus tot schieten overgaan, en alleen de kogels konden het reusachtige dier vellen.

Weinig scheelde het of Robert was het slagtoffer geweest van zijn onvoorzigtigheid. Om zeker van zijn schot te zijn, naderde hij den kangoeroe zoo digt, dat deze met een sprong opvloog. Robert viel. Een angstkreet klonk. Uit haar rijtuig strekte Mary Grant van ontsteltenis sprakeloos en met verduisterde oogen de handen naar haar broeder uit. Niet een van de jagers durfde op het dier schieten; want hij kon ook den knaap treffen.

Daar stormde op eens John Mangles, eigen gevaar niet achtende, met zijn hartsvanger op den kangoeroe los en trof het dier in het hart. Zijn kop werd afgehouwen en Robert stond ongedeerd op. Een oogenblik later lag hij in de armen zijner zuster.

"Ik dank u, mijnheer John! ik dank!" zeide Mary Grant, terwijl zij den jongen kapitein haar hand toestak.

"Ik stond borg voor hem," antwoordde John Mangles de bevende hand van het meisje vattende.

Dit voorval maakte een einde aan de jagt. De troep buideldieren was uiteengegaan na den dood van den aanvoerder, wiens huid naar de woning werd medegenomen. Het was nu 's avonds zes ure. Een prachtig middagmaal wachtte de jagers. Onder andere spijzen viel een bouillon van kangoeroe-staarten, op de wijze der inlanders gereedgemaakt, bijzonder in den smaak.

Na bij het nageregt ijs en sorbet gebruikt te hebben, gingen de gasten in de zaal. De avond werd aan de muziek gewijd. Lady Helena, die zeer goed piano speelde, stelde haar talent ter beschikking van de squatters. Michel en Sandy Patterson zongen met veel smaak stukjes ontleend aan de nieuwste werken van Gounod, Massé, Félicien David, en zelfs van dat onbegrepen genie, Richard Wagner.

Ten elf ure werd thee rondgediend; ze was met die engelsche volmaaktheid gezet, die geen ander volk kan evenaren. Op verlangen van Paganel, die eens australische thee wilde drinken, bragt men hem een drank, zoo zwart als inkt, een kan water, waarin een half pond thee vier uren lang gekookt had. Paganel trok wel een leelijk gezigt, maar verklaarde toch, dat die drank heerlijk smaakte.

Te middernacht werden de gasten naar luchtige en gemakkelijk ingerigte vertrekken gebragt, waar zij konden droomen van de genoegens van dien dag.

Met het krieken van den dag namen zij afscheid van de twee jeugdige squatters. Na veel dankbetuigingen en de stellige belofte, dat ze elkander in Europa op het kasteel Malcolm zouden wederzien, scheidden zij. De wagen zette zich weder in beweging, reed om den voet van den berg Hottam, en weldra verdween het huis als een droombeeld uit de oogen der reizigers. Nog vijf mijlen ver reden zij over den grond van het station. Eerst ten negen ure hadden zij het laatste hek achter den rug en nu drong het kleine gezelschap in de bijna onbekende gewesten van de provincie Victoria.

Een ontzaggelijke slagboom versperde in het zuid-oosten den weg. Het was de keten der australische Alpen, een groote verdedigingslijn, wier grillige gordijnen zich over een lengte van vijftien honderd mijlen uitstrekken, en de wolken op een hoogte van vier duizend voet stuiten.

De betrokken lucht was oorzaak, dat de warmte eerst getemperd door den digten sluijer der dampen den grond bereikte. De temperatuur was dus dragelijk, maar de togt over den hoogst ongelijken bodem zeer moeijelijk. Het rijzen van den bodem werd telkens zigtbaarder. Hier en daar vertoonden zich eenige heuvels, met jonge groene gomboomen beplant. Verderop vormden die sterk in het oog loopende hoogten de voorloopers der groote Alpen. Aanhoudend moest men stijgen, hetgeen vooral zigtbaar was aan de krachtsinspanning der ossen, wier juk kraakte door het trekken van den zwaren wagen; zij hijgden en de spieren hunner pooten stonden zoo gespannen, dat ze dreigden te breken. De planken van het voertuig kraakten door het zware stooten, hetgeen Ayrton, hoe bekwaam hij ook was, niet kon voorkomen. De dames schikten zich gewillig in haar lot.

John Mangles en zijn beide matrozen waren eenige honderden schreden vooruit om den weg te verkennen; zij kozen de begaanbare wegen, om niet te zeggen de engten, want al die bulten van den bodem waren evenveel klippen, waartusschen de wagen het beste vaarwater moest kiezen. Het was dus een echte zeereis over die deinende gronden.

De taak was moeijelijk, soms gevaarlijk. Menigmaal moest Wilson met zijn bijl een doortogt banen door digte heesterboschjes. De kleiachtige en vochtige bodem zonk weg onder hun voeten. De weg werd verlengd door duizend omwegen, die onoverkomelijke hinderpalen, hooge granietblokken, diepe holle wegen, gevaarlijke ondiepten hen noodzaakten te maken. Tegen den avond waren zij dan ook naauwelijks een halven graad gevorderd. Men legerde zich aan den voet der Alpen, aan den oever der kreek Cobongra, aan den zoom eener kleine vlakte met vier voet hooge heesters bedekt, wier ligt roode bladeren het oog streelden.

"Er staan ons nog heel wat moeijelijkheden te wachten," zeide Glenarvan met het oog op de bergketen, wier schaduwbeeld reeds verdween in de duisternis van den nacht. "Alpen! die naam geeft stof tot denken!"

"Daar valt wel wat op af te dingen," antwoordde hem Paganel. "Gij moet niet denken, waarde Glenarvan! dat een geheel Zwitserland voor ons ligt. Er zijn in Australië Grampians, Pyreneën, Alpen, Blaauwe bergen, evenals in Europa en Amerika, maar in het klein. Dat bewijst alleen, dat de verbeeldingskracht der aardrijkskundigen niet onuitputtelijk is, of dat de taal der eigennamen zeer arm is."

"Die australische Alpen dus?..." vroeg lady Helena.

"Zijn bergen, die wij wel in onzen zak kunnen steken," antwoordde Paganel. "Wij zullen er over zijn, voor wij het weten."

"Zegikin plaats vanwij!" zeide de majoor. "Wel moet men een verstrooid man wezen om een bergketen over te trekken, zonder het te merken."

"Verstrooid!" riep Paganel. "Maar ik ben niet verstrooid meer. Ik beroep mij op deze dames. Heb ik niet mijn woord gehouden van het oogenblik af, dat ik den voet op het vastland heb gezet? Heb ik een enkele verstrooidheid begaan? Heeft men mij een enkele dwaling te verwijten?"

"Geen enkele, mijnheer Paganel!" zeide Mary Grant. "Gij zijt thans de volmaaktste aller mannen."

"Al te volmaakt!" voegde lady Helena er lagchend bij. "Uw verstrooidheid stond u zoo goed."

"Niet waar, mevrouw?" antwoordde Paganel. "Wanneer ik geen gebrek meer heb, zal ik een man worden als ieder ander. Daarom hoop ik maar, dat ik spoedig de een of andere dwaasheid zal begaan, waarover gij hartelijk zult lagchen. Ziet ge, wanneer ik mij niet vergis, komt het mij voor, dat mij iets ontbreekt."

In weerwil van de verzekeringen van den goedgeloovigen aardrijkskundige kostte het den volgenden dag, den 9denJanuarij, het kleine gezelschap verbazend veel moeite om in de Alpen door te dringen. Op goed geluk af moest men voortgaan en zich in naauwe en diepe kloven wagen, die wel eens zonder uitgang konden zijn.

Ayrton zou zeker in groote verlegenheid geweest zijn, als hij niet onverwachts na een uur op weg geweest te zijn een herberg, een ellendige kroeg had aangetroffen op een der bergpaden.

"Drommels," riep Paganel, "de kastelein van deze tapperij zal hier ook geen fortuin maken! Welk nut kan hij hier doen?"

"Ons de noodige aanwijzingen geven nopens den weg," antwoordde Glenarvan. "Wij zullen eens binnengaan."

Door Ayrton gevolgd overschreed Glenarvan den drempel der herberg. De kastelein uit "de herberg in het bosch,"—zooals op het uithangbord stond te lezen,—was een ruwe kerel met een terugstootend uiterlijk, die zeker zelf de beste klant was voor de jenever, brandewijn en whisky van zijn kroeg. Hij zag zelden iemand anders dan reizende squatters of eenige veedrijvers.

Hij antwoordde tamelijk norsch op de vragen, die hem gedaan werden. Maar zijn antwoorden waren toch voldoende om Ayrton op den regten weg te brengen. Glenarvan betaalde den kastelein eenige kroonen voor zijn gedane moeite, en wilde de herberg weder uitgaan, toen een op den muur geplakte verordening zijn aandacht trok.

Het was een kennisgeving van de koloniale politie. Ze berigtte de ontsnapping der gedeporteerden uit Perth, en stelde een prijs op het hoofd van Ben Joyce. Honderd pond sterling werden uitgeloofd aan dengenen, die hem in handen der politie zou leveren.

"Die ellendeling verdient ten volle de galg," zeide Glenarvan tegen den bootsman.

"En het is de moeite waard hem te pakken!" antwoordde Ayrton. "Honderd pond! Een heele som! Hij is zooveel niet waard."

"Ik vertrouw dien kastelein maar half, ondanks zijn verordening," voegde Glenarvan er bij.

"Ik ook niet," antwoordde Ayrton.

Glenarvan en de bootsman begaven zich weder naar den wagen. Men rigtte zich naar het punt, waar de weg van Lucknow ophoudt. Daar slingerde bergop een naauw pad. Men begon te klimmen.

De bestijging was uiterst moeijelijk. Meer dan eens stapten de dames en haar reismakkers af. Men was verpligt het lompe voertuig te helpen en voort te duwen, het dikwijls tegen te houden op gevaarlijke schuinten, de ossen af te spannen, die weinig nut konden doen bij de onverwachte krommingen van den weg, den wagen te remmen, die gevaar liep achteruit te rollen, en meer dan eens moest Ayrton de hulp der paarden inroepen, die reeds afgemat waren door de moeite, die zij moesten doen, om zelven zich op te hijschen.

Kwam het door die aanhoudende vermoeijenis of door iets anders, maar dien dag bezweek een der paarden. Het viel op eens neder, zonder dat eenig voorteeken dit ongeluk had doen verwachten. Het was het paard van Mulrady, en toen deze het wilde overeind helpen, bleek het, dat het dood was.

"Er is zeker een bloedvat bij dit dier gesprongen," zeide Glenarvan.

"Denkelijk wel," antwoordde Ayrton.

"Neem mijn paard, Mulrady!" voegde Glenarvan er bij, "ik ga bij lady Helena in den wagen."

Mulrady gehoorzaamde, het kleine gezelschap zette zijn moeijelijke beklimming voort, en liet het lijk van het dier ter prooi aan de raven.

De keten der australische Alpen is niet breed, nog geen acht mijlen. Wanneer dus de weg, door Ayrton gekozen, op de oostelijke helling uitliep, konden zij over twee dagen aan gene zijde van dien hoogen slagboom zijn. Dan waren er tot aan zee toe geen onoverkomelijke hinderpalen, geen moeijelijke wegen meer te wachten.

Den 10denbereikten de reizigers het hoogste punt van den weg, omstreeks twee duizend voet. Zij waren op een ruim bergvlak, van waar zij een grooten omtrek konden overzien. In het noorden spiegelde het stille water van het Omeo-meer, dat van watervogels wemelde, en nog verder de uitgestrekte vlakten van de Murray. Ten zuiden strekten zich de grasrijke streken, de goudgronden en de hooge bosschen van Gippsland uit, dat nog in zijn natuurstaat scheen te verkeeren. Daar was de natuur nog meesteres over de voortbrengselen, over den loop der wateren, over de groote nog ongeschonden boomen, en durfden de squatters, die hier nog weinig in getal waren, niet met haar worstelen. Het scheen, dat deze Alpenketen twee verschillende landen scheidde, waarvan het eene zijn oorspronkelijke wildheid had behouden. De zon ging juist onder, en eenige stralen, die door de roodgekleurde wolken boorden, verhelderden de tinten van het district Murray. Gippsland daarentegen, achter den bergwand verscholen, was in het duister gehuld, en men zou gezegd hebben, dat de schaduw dit geheele transalpijnsche gewest in een vroegen nacht dompelde. De toeschouwers, tusschen die twee zoo scherp gescheiden landen geplaatst, voelden levendig die tegenstelling, en een zekere ontroering greep hen aan op het gezigt van dat bijna onbekende gewest, dat zij tot aan de grenzen van Victoria moesten doortrekken.

De nacht werd op het bergvlak doorgebragt. Den volgenden morgen begon de afdaling, die vrij spoedig in haar werk ging. Een allergeweldigste hagelbui overviel de reizigers en dwong hen een schuilplaats onder rotsblokken te zoeken. Het waren geen hagelsteenen, maar echte stukken ijs, zoo groot als een hand, die uit de van onweer zwangere wolken vielen. Met een slinger had men ze niet met meer kracht kunnen werpen, en eenige zware kneuzingen deden Paganel en Robert begrijpen, dat ze zich uit de voeten moesten maken. De wagen werd op verscheidene plaatsen doorboord en weinige daken zouden bestand zijn geweest tegen den val dier scherpe stukken ijs, waarvan sommige in de stammen der boomen bleven vastzitten. Op straffe van gesteenigd te worden moest men het einde dier ontzettende bui afwachten. Ze hield omtrent een uur aan, en het gezelschap keerde weder naar de hellende rotsen terug, die nog glibberig waren van de smeltende hagelsteenen.


Back to IndexNext