IX

Reeds lang zat Johannes te wachten. De lucht was kil, en groote wolken dreven dicht over de aarde, in statige, eindelooze opvolging. Ze breidden sombergrauwe, wijd golvende mantels uit en krulden haar trotsche koppen in het klare licht, dat daarboven scheen. Wondersnel wisselden zonlicht en schaduw op de boomen, als een telkens opvlammend vuur. Het werd Johannes angstig daarbij te moede; hij peinsde over het boekje, niet recht geloovend, dat hij het heden vinden zou. Tusschen de wolken, veel hooger, ontzaglijk hoog, zag hij het heldere, strakke blauw en daarop teedere, witte wolkjes, fijngepluimd, kalm zich uitstrekkend in onbeweeglijke rust. 'Zóó moet het zijn,' dacht hij, 'zoo hoog, zoo licht, zoo stil.' Daar kwam Robinetta. Het roodborstje was niet bij haar.

'Het is goed, Johannes,' riep ze luid; 'je mag komen en het boek zien.'

'Waar is het roodborstje?' vroeg Johannes twijfelend.

'Dat is niet meegekomen, we gaan toch immers niet wandelen.'

Hij ging mede, voortdurend bij zich-zelven denkende: 'Het kan niet, zóó kan het niet, het moest alles heel anders zijn.'

Doch hij volgde het glanzig-blonde haar, dat hem voorlichtte. Ach! nu ging het droevig met den kleinen Johannes. Ik wenschte, dat zijn geschiedenis hier eindigde. Hebt gij wel eens heerlijk gedroomd, van een toovertuin met bloemen en dieren, die u liefhadden en tot u spraken? En hebt gij dan wel in uw droom het besef gekregen, dat gij spoedig zoudt ontwaken en al die heerlijkheid verliezen? Dan poogt gij vruchteloos haar vast te houden en wilt het koude morgenlicht niet zien.

Zulk een gevoel had Johannes toen hij medeging.

Hij kwam in een huis, in een gang, waar zijn voetstappen weerklonken. Hij rook de lucht van kleederen en spijzen; hij dacht aan lange dagen, toen hij thuis had moeten blijven, aan schoolwerk, aan al wat somber en koud in zijn leven was geweest.

Hij kwam in een kamer met menschen. Hij zag niet hoeveel. Zij praatten, doch toen hij binnenkwam werd het stil. Hij lette op het vloerkleed, het had groote, onmogelijke bloemen met schelle kleuren. Zij waren even vreemd en wanstaltig als die van het behangsel in zijn slaapkamer thuis.

'Is dat nu dat tuinmansjongetje?' zeide een stem recht tegenover hem.'Kom maar hier, vriendje, je behoeft niet bang te zijn.'

En een andere stem klonk plotseling naast hem: 'Nu, Robbi, je hebt daar wel een aardig vrijertje.'

Wat beteekende dat alles? Weer kwamen boven de donkere kinderoogen vanJohannes diepe rimpels, en verward en verschrikt keek hij rond.

Daar zat een zwart gekleede man en keek hem met koude, grijze oogen aan.

'En je wilde zoo kennis maken met het boek der boeken? Het verwondert me, dat je vader, dien ik als een vroom man ken, je dat niet heeft gegeven.'

'U kent mijn vader niet, die is ver weg.'

'Zoo! nu, dat is hetzelfde. Ziehier, mijn vriendje! lees hier veel in, het zal je op je levensweg …'

Doch Johannes had het boek reeds herkend. Zóó kon hij het ook niet krijgen, het moest heel anders gaan. Hij schudde het hoofd.

'Neen, neen! dat is het niet wat ik bedoel. Dit ken ik. Dit is het niet.'

Hij hoorde geluiden van verbazing en voelde de blikken, die hem van alle zijden staken.

'Wat? Wat meen je, mannetje?'

'Ik ken dit boekje, het is het menschenboek. Maar het geeft niet genoeg, anders zou er rust zijn onder de menschen en vrede. En die zijn er niet. Ik bedoel iets anders, waaraan niemand twijfelen kan die het ziet, waarin staat, waarom alles is zooals het is, precies en duidelijk.'

'Hoe is 't mogelijk? Waar heeft de jongen dat vandaan?'

'Wie heeft je dat geleerd, vriendje?'

'Ik geloof dat je verkeerde boeken gelezen hebt, jongen! en die napraat!'

Zoo klonken de stemmen. Johannes voelde zijn wangen gloeien, het begon hem te duizelen, de kamer draaide, en de groote bloemen op het vloerkleed zweefden op en neer. Waar was het muisje, dat hem zoo trouw waarschuwde op school, dien eersten dag? Het was nu noodig.

'Ik praat het niet uit boeken na, en die het mij geleerd heeft is meer waard dan gij allen. Ik ken de taal van bloemen en dieren, ik ben hun vertrouwde. Ik weet ook wat menschen zijn en hoe zij leven. Ik ken al de geheimen van feeën en kabouters, want mij hebben zij lief, meer dan de menschen.'

Muisje! muisje!

Johannes hoorde proesten en lachen, om hem en achter hem. Het zong en suisde in zijn ooren.

'Hij schijnt Andersen gelezen te hebben.'

'Hij is niet recht bij 't hoofd.'

De man voor hem zeide: 'Als je Andersen kent, mannetje! dan moest je meer van zijn eerbied hebben voor God en zijn Woord.'

'God!' dat woord kende hij, en hij dacht aan de les van Windekind.

'Ik heb geen eerbied voor God. God is een groote petroleumlamp, waardoor duizenden verdwalen en verongelukken.'

Geen gelach, maar een angstige stilte, waarin afschuw en ontzetting voelbaar rondwaarden. Johannes voelde de stekende blikken in den rug. Het was als in zijn droom van den vorigen nacht.

De zwart-gekleede man stond op en nam hem bij den arm. Dat deed pijn en brak bijna zijn moed.

'Hoor eens, jongen, ik weet niet of je niet wijs bent of diep bedorven, maar die goddeloosheid duld ik hier niet. Ga heen en kom niet meer onder mijn oogen, zeg ik. Ik zal navraag naar je doen, maar in deze buurt zet je geen voet meer. Verstaan?'

Aller blikken waren koud en vijandig evenals dien nacht.

Johannes zag angstig rond.

'Robinetta! Waar is Robinetta!'

'Jawel, mijn kind bederven! Pas op, als je ooit weer tot haar spreekt!'

'Neen! laat me bij haar! Ik wil niet van haar weg. Robinetta!' schreideJohannes.

Doch zij zat angstig in een hoek en keek niet op.

'Voort, bengel! hoor je niet? Pas op, als je 't hart hebt weer te komen!'

En de pijnlijke greep leidde hem door de klinkende gang, de glazen deur rammelde, en Johannes stond buiten, onder de donkere, laag drijvende wolken.

Hij weende niet meer en staarde stil voor zich uit, terwijl hij langzaam voortliep. De droevige rimpels boven zijn oogen waren dieper, en gingen niet meer weg.

Het roodborstje zat in een lindenhaag en keek naar hem. Hij stond stil en staarde zwijgend terug. Doch er was geen vertrouwen meer in de schuwe, glurende oogjes, en toen hij een stap naderde, vloog het vlugge diertje in een snorrende vlucht heen. 'Weg! weg! een mensch,' tjilpten de musschen, die op het tuinpad bij elkaar zaten, en zij vlogen naar alle zijden uiteen.

Ook de opene bloemen lachten niet, maar staarden ernstig en onverschillig, zooals zij bij iederen vreemde doen.

Doch Johannes vatte die teekens niet, maar dacht aan de krenking, die de menschen hem hadden aangedaan. Het was hem of zijn innig binnenste door koude, harde handen was ontwijd. 'Zij zullen mij gelooven,' dacht hij; 'ik zal mijn sleuteltje halen en het hun toonen.'

'Johannes! Johannes!' riep een fijn stemmetje. Daar zat een vogelnestje in een hulstboom, en de groote oogen van Wistik keken over den rand. 'Waar gaat ge heen?'

'Het is alles uw schuld, Wistik,' zeide Johannes. 'Laat mij met rust!'

'Wat doet ge er ook met menschen over te spreken, menschen begrijpen u toch niet. Waarom zegt ge die dingen aan menschen? dat is heel dom.'

'Zij hebben mij uitgelachen en pijn gedaan. Het zijn ellendige wezens! ik haat ze.'

'Neen Johannes, ge houdt van hen.'

'Neen! neen!'

'Anders zou het u minder verdriet doen, dat zij niet zijn als gij; dan zou het u niet kunnen schelen, wat zij zeggen. Ge moet u minder om menschen bekommeren.'

'Ik wil mijn sleuteltje. Ik wil het hun toonen.'

'Dat moet ge niet doen, ze zouden u toch niet gelooven. Waartoe zou het dienen?'

'Ik wil mijn sleuteltje, onder den rozenstruik. Weet ge dien te vinden?'

'Ja wel! bij den vijver, niet waar? Ja dien weet ik.'

'Breng mij er dan, Wistik!'

Wistik klom op Johannes' schouder en zeide hem den weg. Zij liepen den ganschen dag, het woei en van tijd tot tijd vielen regenbuien, doch tegen den avond werden de wolken stil en verlengden zich tot lange gouden en grauwe strooken.

Toen zij aan het duin kwamen, dat Johannes kende, werd het hem week te moede en hij fluisterde telkens 'Windekind! Windekind!'

Daar was het konijnenhol, en de duin, waartegen hij eens geslapen had. Het grijze rendiermos was week en vochtig en kraakte niet onder zijn voet. De rozen waren uitgebloeid en de gele Teunisbloemen met haar bedwelmenden, flauwen geur staken bij honderden de kelken op. Hooger nog rezen de lange, trotsche toortsplanten met dikke, vilten bladeren.

Zoekend speurde Johannes naar het fijne, bruinachtige loof van de duinroos.

'Waar is zij, Wistik, ik zie haar niet.'

'Ik weet er niet van,' zeide Wistik. 'Gij hebt het sleuteltje verborgen, ik niet.'

Waar de roos gebloeid had, was een veld vol gele Teunisbloemen, die wezenloos naar boven keken. Johannes vroeg haar en ook de toortsplanten; die waren echter veel te trotsch, want haar lange bloemtros stak ver boven hem uit, en hij vroeg het aan de kleine, driekleurige viooltjes op den zandgrond.

Doch niemand wist iets van de duinroos. Ze waren allen van dezen zomer.Zelfs de verwaande toortsplant, die zoo hoog was.

'Ach, waar is zij? waar is zij?'

'Hebtgijmij ook al beet genomen?' zeide Wistik. 'Ik dacht het wel, dat heb je altijd met menschen.'

En hij liet zich van Johannes' schouder glijden en liep weg tusschen het helm.

Wanhopend staarde Johannes rond, daar stond een klein duinrozestruikje.

'Waar is de groote roos,' vroeg Johannes, 'de groote die hier vroeger stond?'

'Wij spreken niet met menschen,' zeide het struikje.

Dat was het laatste, wat hij hoorde, al het levende om hem zweeg, alleen de helmen suisden in den zachten avondwind.

'Ben ik een mensch?' dacht Johannes. 'Neen, dat kan niet, dat kan niet.Ik wil geen mensch zijn. Ik haat de menschen.'

Hij was moede en dof van geest. Hij ging liggen aan den rand van 't veldje, op het weeke, grijze mos, dat een vochtigen, sterken geur verspreidde.

'Nu kan ik niet terugkeeren, en nu zie ik Robinetta ook niet weer. Zou ik niet doodgaan, als ik haar niet heb? Zou ik blijven leven en een mensch zijn, een mensch zooals die anderen, die mij uitlachten?'

Daar zag hij op eenmaal de twee witte vlinders weer, die van den kant der ondergaande zon naar hem toe fladderden. Gespannen volgde hij hun vlucht. Zouden zij hem den weg wijzen? Zij vlogen hem over 't hoofd, elkaar naderende en weer verlatende, om elkaar heen dwarrelende in wispelturig spel. Langzaam verwijderden ze zich van de zon en zweefden eindelijk over den rand der duinen naar het bosch, waarvan alleen de hoogste toppen nog kleurden in den avondschijn, die rood en schel onder de lange sombere wolkenrijen uit lichtte.

Johannes volgde hen. Doch toen ze boven de eerste boomen waren, zag hij hoe een donkere schaduw hen in onhoorbare fladdervlucht achtervolgde en inhaalde. Het volgende oogenblik waren zij verdwenen. De zwarte schaduw schoot snel op hem toe, en angstig dekte hij het gezicht met de handen.

'Wel, vriendje! wat zit je daar te huilen?' klonk een scherpe, spotachtige stem vlak naast hem. Johannes had een groote vleermuis op zich zien afkomen, doch toen hij opkeek, stond een zwart mannetje op het duin, niet veel grooter dan hij-zelf. Hij had een groot hoofd met groote ooren, die donker afstaken tegen den lichten avondhemel, en een mager figuurtje met dunne beenen. Van zijn gezicht zag Johannes alleen de kleine, schitterende oogen.

'Heb je iets verloren, kereltje? Dan zal ik je helpen zoeken,' zeide hij. Doch Johannes schudde zwijgend het hoofd.

'Kijk eens! wil je die van mij hebben?' begon hij weer en opende zijn hand.

Daarin zag Johannes iets wits, dat van tijd tot tijd even bewoog. Het waren de witte kapelletjes, die stervend met de gescheurde en gebroken vleugeltjes trilden. Johannes voelde een huivering, alsof iemand hem tegen het achterhoofd blies, en angstig keek hij naar het vreemde wezen op.

'Wie zijt gij?' vroeg hij.

'Wou je mijn naam weten, ventje? Nu, zeg maar Pluizer, familjaarwegPluizer. Ik heb nog wel mooier namen, maar die begrijp je toch niet.'

'Zijt gij een mensch?'

'Wel nu nog mooier! Nu heb ik nogal armen en beenen en een hoofd, kijk eens wat een hoofd! en nu vraagt zoo'n jongen nog of ik een mensch ben. Maar, Johannes! Johannes!' En het mannetje lachte met een piepend, doordringend geluid.

'Hoe weet ge wie ik ben?' vroeg Johannes.

'O, dat is voor mij een kleinigheid. Ik weet nog heel wat meer. Ik weet ook waar je vandaan komt en wat je hier komt doen. Ik weet verbazend veel, bijna alles.'

'Ach, mijnheer Pluizer …'

'Pluizer, Pluizer, geen complimenten.'

'Weet ge dan ook …' Doch Johannes zweeg plotseling. 'Het is een mensch,' dacht hij.

'Van je sleuteltje, bedoel je? Wel zeker!'

'Maar ik dacht niet, dat menschen daarvan konden weten.'

'Domme jongen! En Wistik heeft het al zoovelen verklapt.'

'Kent ge Wistik dan ook?'

'O ja! een van mijn beste vrienden, en ik heb veel vrienden. Maar ik wist dat ook zonder Wistik. Ik weet veel meer dan Wistik. Wistik is een goed ventje, maar dom, buitengewoon dom. Ik niet! lang niet!' En Pluizer klopte zelfvoldaan met zijn mager handje op zijn groot hoofd.

'Weet je, Johannes,' ging hij voort, 'wat een groot gebrek van Wistik is? Maar je moet het hem nooit zeggen, want dan wordt hij erg boos.'

'Nu, wat dan?' vroeg Johannes.

'Hij bestaat niet. Dat is een groot gebrek, maar hij wil het niet weten.En hij zegt van mij, dat ik niet besta, maar dat liegt hij. Of ik besta!Drommels goed!'

En Pluizer stak de kapelletjes in zijn zak en ging plotseling voor Johannes op zijn hoofd staan. Toen grijnsde hij erg leelijk en stak een lange tong uit. Johannes, die zich toch al niet op zijn gemak gevoelde alleen met dit wonderlijk wezen, bij den vallenden avond in het eenzame duin, rilde nu van angst.

'Dit is een alleraardigste manier om de wereld te bekijken,' zeide Pluizer, nog steeds op zijn hoofd staande. 'Als je wilt, zal ik je het ook leeren. Je ziet alles veel scherper en veel natuurlijker.'

En hij spartelde met de spillebeentjes in de lucht en wendde zich op de handen om. Toen de roode avondgloed op het omgekeerde gelaat viel, vond Johannes het afschuwelijk, de kleine oogjes knipten in het licht en lieten het wit zien, aan den kant waar men het niet gewoon is.

'Zie je, zoo schijnen de wolken de vloer, en de aarde het deksel van de wereld. Dat kun je evengoed volhouden als het tegenovergestelde. Boven of onder is er toch niet. Een mooie wandelplaats zou het op die wolken zijn.'

Johannes keek naar de lange wolken. Hij vond dat zij op een geploegd land geleken met roode voren, alsof er bloed uit opwelde. Boven de zee straalde de poort van de wolkgrot.

'Kan men daarheen gaan en daarin komen?' vroeg hij.

'Gekheid!' zei Pluizer en stond eensklaps weer op zijn beenen, tot groote verlichting van Johannes. 'Gekheid! Als je daar bent, is het precies als hier, en dan lijkt dat moois een eindje verder. In die mooie wolken dáár is het mistig, grijs en koud.'

'Ik geloof u niet,' zeide Johannes; 'nu zie ik eerst goed dat ge een mensch zijt.'

'Och kom! geloof je mij niet, beste jongen, omdat ik een mensch ben? en wat ben je zelf dan wel voor bizonders?'

'O Pluizer, ben ik ook een mensch?'

'Wat dacht je! een elf? Elfen worden niet verliefd.' En Pluizer ging vlak voor Johannes zitten, de beenen onder zich gekruist en grijnsde hem strak aan. Johannes voelde zich onbeschrijfelijk beklemd en verlegen onder dien blik en had zich wel willen wegstoppen of onzichtbaar maken. Doch hij kon zijn oogen niet meer afwenden.

'Alleen menschen worden verliefd, Johannes, hoor je! en dat is maar goed ook, anders waren ze er al lang niet meer. En jij bent verliefd als de beste, al ben je nog zoo klein. Aan wie denk je op 't oogenblik?'

'Aan Robinetta!' fluisterde Johannes nauwelijks hoorbaar.

'Naar wie verlang je het meest?'

'Robinetta!'

'Zonder wie denk je niet te kunnen leven?'

Johannes' lippen bewogen geluidloos: 'Robinetta!'

'Nu dan, ventje,' grinnikte Pluizer, 'wat verbeeld je je dan, een elf te zijn? Elfen worden niet verliefd op menschenkinderen.'

'Maar het was Windekind …' stamelde Johannes in zijn verlegenheid. Toen keek Pluizer ontzettend valsch en greep Johannes met zijn beenige handjes bij de ooren.

'Wat is dat voor onzin! Wou je mij met dien snuiter bang maken? Die is nog veel dommer dan Wistik, veel dommer. Hij weet er niets van. En wat erger is, hij bestaat heelemaal niet en heeft nooit bestaan. Ik besta alleen, begrijp je? En als je mij niet gelooft, zal ik je laten voelen, dat ik er ben.'

En hij schudde den armen Johannes hard bij de ooren. Deze riep:

'Maar ik heb hem toch zoo lang gekend, en ik ben zoo ver met hem weggetrokken.'

'Gedroomd heb je, zeg ik. Waar is dan je sleuteltje, he? Maar nu droom je niet, voel je wel?'

'Au!' riep Johannes, want Pluizer kneep.

Het was reeds donker, en de vleermuizen vlogen nu dicht langs hunne hoofden en piepten schril. De lucht was zwart en zwaar, geen blad bewoog in het bosch.

'Mag ik naar huis gaan?' smeekte Johannes.'Naar mijn vader?'

'Je vader? wat wil je daar doen?' zei Pluizer. 'Die man zal je wel vriendelijk ontvangen, nadat je zoo lang bent weggebleven.'

'Ik verlang naar huis,' zeide Johannes, en hij dacht aan de huiskamer met het heldere lamplicht, waar hij zoo vaak bij zijn vader zat, luisterend naar het krassen van diens pen. Daar was het vredig en gezellig.

'Ja, dan hadt je maar niet weg moeten gaan en weg moeten blijven, ter wille van dien mallen snuiter, die niet bestaat. Nu is het te laat. En het komt er ook niet op aan, ik zal wel voor je zorgen. Of ik het doe of je vader, dat is eigenlijk precies hetzelfde. Zoo'n vader, dat is toch maar verbeelding. Heb je hem soms zelf uitgezocht? Denk je dat er geen anderen zijn even goed en even knap? Ik ben even goed en veel knapper, veel knapper.'

Johannes had geen moed tot antwoorden, hij sloot de oogen en knikte flauw.

'En bij die Robinetta moet je het ook niet zoeken,' ging het mannetje voort. Hij legde de handen op Johannes' schouders en praatte dicht aan zijn oor.

'Dat kind hield je even goed voor den gek als die anderen. Heb je niet gezien dat ze in den hoek bleef zitten, en geen woord zeide, toen je werd uitgelachen? Ze is niets beter dan al die anderen. Ze vond je een aardig jongetje en heeft met je gespeeld, zooals ze met een meikever zou spelen. Het kon haar niet schelen of je wegging. En van dat boekje wist ze niets. Maar ik wel, ik weet waar het is, en ik zal het je helpen zoeken. Ik weet bijna alles.'

En Johannes begon hem te gelooven.

'Ga je met mij mede? Wil je met mij zoeken?'

'Ik ben zoo moe,' zeide Johannes, 'laat mij ergens slapen.'

'Ik houd anders niet van slapen,' zei Pluizer, 'daar ben ik te levendig voor, een mensch moet altijd kijken en denken. Maar een poosje zal ik je met rust laten. Tot morgen.'

Toen zette hij het vriendelijkste gezicht, dat hij zetten kon, Johannes keek strak in de glinsterende oogjes, tot hij niets anders zag. Zijn hoofd werd zwaar, hij leunde tegen de bemoste duinhelling. De oogjes schenen verder en verder te lichten, totdat zij sterren waren aan den zwarten hemel; het was alsof hij het geluid van verre stemmen hoorde, alsof de aarde zich onder hem verwijderde, toen hield zijn denken op.

Nog eer hij goed ontwaakt was, had hij een vaag besef, dat er iets bijzonders met hem was gebeurd, terwijl hij sliep. Doch hij was niet begeerig het te weten en om zich heen te zien. Hij wilde weer terug in den droom, die als een trage nevel langzaam wegtrok, daarin was Robinetta weder naar hem toegekomen en had hem over het haar gestreken, zooals vroeger, daarin had hij zijn vader weer gezien en Presto, in den tuin met den vijver.

'Au!' dat was pijn. Wie deed dat? Johannes opende de oogen en zag in de grauwe morgenschemering een klein mensch vlak bij zich, die hem aan de haren trok. Hij lag in een bed en het licht was mat en ongelijk, als in een kamer.

Doch het gezicht, dat over hem heenboog, bracht hem op eenmaal weder al de ellende en somberheid van gisteren te binnen. Het was Pluizer's gezicht, minder spookachtig en meer menschelijk, maar even leelijk en angstwekkend als den vorigen avond.

'Och neen! laat mij droomen,' zeide hij.

Doch Pluizer schudde hem: 'ben je mal, luiaard, droomen is dwaasheid, daarmee kom je niet verder. Een mensch moet werken en denken en zoeken. Daar ben je een mensch voor.'

'Ik wil geen mensch zijn. Ik wil droomen.'

'Dat helpt niet. Je moet. Je bent nu onder mijn hoede en met mij samen zul je werken en zoeken. Alleen met mij kan je vinden wat je verlangt. En ik zal je niet verlaten totdat wij het gevonden hebben.' Johannes voelde een vage ontzetting. Doch het was alsof een overmacht hem drukte en dwong. Willoos onderwierp hij zich.

Weg waren duinen, boomen en bloemen. Hij was in een klein, schemerig verlicht kamertje, daarbuiten zag hij, zoover hij zien kon, huizen en weder huizen, somber en grauw, in lange, eentonige rijen.

Rook steeg overal op in dikke kronkels en sloeg als een bruinachtige nevel in de straten neer. En op die straten liepen de menschen als groote, zwarte mieren haastig dooreen. Een verward gerucht steeg dof en aanhoudend uit hun massa op.

'Zie Johannes,' zei Pluizer, 'is dat nu niet aardig? Dat zijn nu allen menschen en al die huizen zoover je zien kunt, nog verder dan die blauwe toren daar, zijn ook vol menschen, van boven tot beneden vol. Is dat niet merkwaardig? Dit is nog wat anders dan een mierenhoop.'

Johannes luisterde met angstige nieuwsgierigheid, alsof hem een groot, verschrikkelijk ondier vertoond werd. Het was hem alsof hij op den rug van het monster stond, het zwarte bloed door dikke aderen zag stroomen en den donkeren adem uit honderd neusgaten zag stijgen. En hij werd bang voor het onheilspellend grommen der ontzaglijke stem.

'Zie hoe hard al die menschen loopen, Johannes,' ging Pluizer voort. 'Je kunt zien dat zij haast hebben en iets zoeken, niet waar? Maar het is grappig, dat geen een precies weet wat hij zoekt. Als ze nu een poosje gezocht hebben, dan komen ze iemand tegen, die heet Hein …'

'Wie is dat?' vroeg Johannes.

'O! een goede kennis van me, ik zal je wel eens aan hem voorstellen. Nu die Hein zegt dan: 'Zoek je mij?' Daarop zeggen de meesten gewoonlijk: 'O neen! … jou bedoel ik niet!' maar dan antwoordt Hein weer: 'Er is toch niets anders te vinden dan mij.' Dan moeten ze zich wel met Hein tevreden stellen.'

Johannes begreep, dat hij van den dood sprak.

'En gaat dat altijd, altijd zoo?'

'Welzeker, altijd. Er komen echter iederen dag weer een massa nieuwen en die beginnen dagelijks te zoeken, zonder te weten waarnaar, en zoeken en zoeken totdat ze eindelijk Hein vinden, zoo gaat het al een aardig poosje lang en zoo zal het ook nog wel een poosje blijven aanhouden.'

'Zal ik ook niets anders vinden, Pluizer, niets anders dan …'

'Ja, Hein vind je zeker eens, maar dat doet er niet toe, zoeken maar! altijd blijven zoeken!'

'Maar het boekje dan, Pluizer, gij zoudt mij het boekje laten vinden.'

'Nu! wie weet! ik heb het niet tegengesproken. Wij moeten zoeken, zoeken. Wij weten tenminste waarnaar wij zoeken. Dat heeft ons Wistik geleerd. En er zijn er, die hun geheele leven zoeken om te weten waarnaar zij eigenlijk zoeken. Dat zijn de wijsgeeren, Johannes. Maar als Hein komt, is het met hun gezoek óók uit.'

'Dat is vreeselijk, Pluizer.'

'O neen, volstrekt niet. Hein is een heel goedig man. Maar hij wordt miskend.'

Iemand stommelde buiten de kamerdeur op de trap. Klos! Klos! klonk het op de houten treden.

Klos! Klos! nader en naderbij. Toen tikte iemand tegen de deur en het was alsof ijzer op hout tikte.

Er kwam een groote man binnen. Hij had diepliggende oogen en lange, magere handen. Een koude tocht woei in het kamertje.

'Welzoo,' zeide Pluizer, 'zijt gij daar, ga zitten! Wij spraken juist over u. Hoe gaat het u?'

'Druk, druk!' zeide de lange man en wischte zich het koude zweet van het beenige bleeke voorhoofd.

Roerloos en schuw staarde Johannes in de diepliggende oogen, die strak op hem gericht waren. Zij waren zeer ernstig en donker, doch niet wreed, niet vijandig. Na eenige oogenblikken ademde hij weer vrijer en klopte zijn hart minder hevig.

'Dit is Johannes,' zeide Pluizer, 'hij heeft van een zeker boekje gehoord, waarin staat, waarom alles is zooals het is, en dat zullen wij nu samen gaan zoeken, niet waar?' Toen lachte Pluizer veelbeteekenend.

'Zoo! zoo! nu dat is goed!' zeide de Dood vriendelijk, en knikteJohannes toe.

'Hij is bang het niet te vinden, maar ik zeide hem maar eerst vlijtig te zoeken.'

'Zeker!' zeide de Dood, 'vlijtig zoeken is het beste.'

'Hij dacht, dat gij zoo verschrikkelijk waart. Nu zie je toch Johannes, dat je je vergist hebt, niet waar?'

'Ach ja!' zeide de Dood welwillend, 'men spreekt veel kwaad van mij. Ik heb geen innemend uiterlijk, maar ik meen het toch goed.'

Hij glimlachte flauw, als iemand die met ernstiger dingen vervuld is dan waarover hij spreekt. Toen wendde zich zijn donkere blik van Johannes af naar buiten en dwaalde peinzend over de groote stad.

Lang waagde Johannes het niet te spreken, eindelijk zeide hij zacht:

'Zult gij mij medenemen?'

'Wat meen je, mijn jongen?' zeide de Dood, opkijkend uit zijn mijmering:'Neen! nu nog niet. Gij moet opgroeien en een goed mensch worden.'

'Ik wil geen mensch worden als de anderen.'

'Kom! kom!' zeide de Dood, 'daar is niets aan te doen.'

Men kon hooren, dat dit een dagelijksche term van hem was. Hij ging voort.

'Mijn vriend Pluizer kan u leeren, hoe men een goed mensch wordt. Men kan het op verschillende wijzen, maar Pluizer leert het ook uitstekend. Het is iets zeer schoons en begeerlijks een goed mensch te zijn. Daar moet ge niet op neer zien, ventje!'

'Zoeken, denken, kijken!' zei Pluizer.

'Zeker, zeker!' zei de Dood; en toen tot Pluizer: 'Bij wien zult ge hem brengen?'

'Bij docter Cijfer, mijn oud-leerling.'

'A ja! dat is een goed leerling. Dat is een zeer fraai voorbeeld van een mensch. Bijna volmaakt in zijn soort.'

'Zal ik Robinetta weerzien?' vroeg Johannes bevend.

'Wie bedoelt het ventje?' vroeg de Dood. 'O! hij is al verliefd geweest en verbeeldde zich toch een elf te zijn, hi! hi! hi!' lachte Pluizer geniepig!

'Neen! beste jongen, dat gaat niet,' zei de Dood, 'die dingen zul je bij docter Cijfer wel verleeren. Wie zoekt wat gij zoekt, moet al het andere verliezen. Alles of niets.'

'Ik zal een mensch uit één stuk van hem maken, ik zal hem eens laten zien wat eigenlijk verliefdheid is, dan zal hij er zich wel doorheen pluizen.'

En Pluizer lachte vroolijk, de Dood richtte weer zijn zwarte oogen op den armen Johannes, die met moeite het snikken bedwong. Want hij schaamde zich voor den Dood.

Deze rees plotseling op. 'Ik moet heen,' zeide hij, 'ik verpraat mijn tijd. Er is hier veel te doen. Goeden dag, Johannes! wij zullen elkander nog wel weerzien. Gij moet niet bang voor mij zijn.'

'Ik ben niet bang voor u, ik wilde dat ge mij medenaamt. Toe! neem mij liever mede!'

Doch de Dood wees hem zacht terug, hij was dergelijke vragen gewend.

'Neen! Johannes, ga nu aan uw werk, zoek en zie! Vraag mij niet meer. Ik vraag maar eens en dan is het tijd genoeg.'

Toen hij verdwenen was gedroeg Pluizer zich weer zeer buitensporig. Hij sprong over stoelen, buitelde over den grond, kroop op de kast en den schoorsteenmantel en voerde halsbrekende kunsten uit in de open vensters.

'Dat was nu Hein! mijn goede vriend Hein!' riep hij, 'vond je hem niet aardig? Een beetje leelijk en knorrig van uitzicht. Maar hij kan ook heel vroolijk zijn, als hij plezier heeft in zijn werk. Maar dikwijls verveelt het hem. 't Is ook wel wat eentonig.'

'Wie zegt hem, Pluizer, waarheen hij gaan moet?'

Pluizer gluurde Johannes valsch en uitvorschend aan.

'Waarom vraag je dat? Hij gaat zijn eigen gang, hij neemt wie hij krijgen kan.'

Later heeft Johannes anders gezien. Doch nu wist hij niet beter ofPluizer sprak waarheid in alles.

Zij gingen op de straat en bewogen zich door de krioelende menigte. De zwarte menschen liepen dooreen, lachten, praatten, zoo vroolijk dat Johannes zich moest verwonderen. Hij zag hoe Pluizer velen toeknikte, maar niemand beantwoordde den groet, allen keken vóór zich alsof ze niets gezien hadden.

'Ze loopen nu te lachen,' zeide Pluizer, 'alsof zij mij geen van allen kenden. Maar dat schijnt maar zoo. Als ik alleen met hen ben, kunnen ze mij niet negeeren en dan zijn ze ook zoo vroolijk niet.' En onder het gaan was Johannes zich bewust dat er iemand achter hem liep. Als hij omkeek zag hij den langen, bleeken man, die met groote, onhoorbare schreden tusschen de menschen schreed. Hij knikte Johannes toe.

'Zien de menschen hem ook?' vroeg Johannes aan Pluizer.

'Ja zeker! allen, maar zij willen hem ook niet kennen. Nu ik gun hun dien trots!'

De drukte en het geraas brachten Johannes in een soort verdooving, die hem zijn leed deed vergeten. De smalle straten en de hooge huizen, die het hemelblauw in rechte strooken verdeelden, de menschen die langs hem af en aan gingen, het slepen der voetstappen en het ratelen der wagens verstoorden de oude visioenen en den droom van dien nacht, als een storm de beelden in een waterspiegel. Het was hem alsof er niets anders bestond dan muren, ramen en menschen, alsof hij mede moest doen, mede draven in het rusteloos, ademloos gewoel.

Toen kwamen zij in een stille buurt, waar een groot huis stond met grauwe, sierlooze ramen. Het zag er streng en onvriendelijk uit. Daarbinnen was het stil en rook Johannes een mengeling van vreemde, scherpe geuren, met een dompige kelderlucht tot grondtoon. In een kamer, vol wonderlijke werktuigen, zat een eenzame man. Hij was omringd door boeken, glazen en koperen voorwerpen, allen vreemd voor Johannes. Er viel een enkele zonnestraal over zijn hoofd heen in de kamer en fonkelde op flesschen met fraai gekleurde stoffen. De man tuurde ingespannen door een koperen buis en zag niet op.

Toen Johannes naderkwam hoorde hij hem mompelen: 'Wistik! Wistik!'

Naast den man, op een lang, zwart bankje, lag iets wits en wolligs, datJohannes niet goed kon onderscheiden.

'Goeden morgen, docter!' zei Pluizer, maar de docter keek nog niet op.

Toen schrikte Johannes, want het witte voorwerp waarnaar hij ingespannen keek, kwam op eens in krampachtig rukkende beweging. Wat hij gezien had, was het witte buikdons van een konijntje. Het kopje met den beweeglijken neus lag achterover in ijzer geklemd, en de vier pootjes waren strak gebonden naast het lichaam. Kort duurde de wanhopige poging om zich te bevrijden, toen lag het beestje weder stil en alleen de snelle beweging van de bloedige keel toonde dat het nog leefde.

En Johannes zag het ronde, goedige oog dat zoo wijd staarde in machteloozen angst en het was of hij het herkende. Ach! was dat niet het zachte lijfje, waartegen hij gerust had in dien eersten, zaligen elfennacht? Oude herinneringen drongen met geweld in hem boven. Hij vloog op het diertje toe:

'Wacht! wacht! arm konijntje, ik zal u helpen.' En haastig trachtte hij de koordjes los te knoopen, die de teere pootjes striemden.

Doch zijn beide handen werden tegelijk vastgegrepen en een scherpe lach klonk aan zijn oor.

'Wat beduidt dat, Johannes? Ben je nog zóó kinderachtig? Wat moet de docter wel van je denken?'

'Wat wil die jongen? wat doet hij hier?' vroeg de docter verbaasd.

'Hij wilde een mensch worden, daarom kwam ik met hem bij u. Maar hij is nog wat klein en kinderachtig. Dit is niet de manier om te vinden wat je zoekt, Johannes!'

'Neen! dit is de manier niet,' zeide de docter.

'Docter, maak dat konijntje los!'

Doch Pluizer kneep hem de beide handen, dat hij ineenkromp. 'Wat hebben wij afgesproken, mannetje?' siste hij hem in 't oor. 'Zoeken zouden wij, niet waar? Wij zijn hier niet in de duinen, bij Windekind en bij stomme dieren. Wij zouden menschen zijn, menschen! versta je. Als je een kind wilt blijven, als je niet sterk genoeg bent om mij te helpen, laat ik je gaan, zoek dan alleen!'

Johannes zweeg en geloofde. Hij wilde sterk zijn. Hij sloot de oogen, om het konijntje niet te zien.

'Beste jongen!' zeide de docter, 'je schijnt nog wat teergevoelig om te beginnen. Het is waar, de eerste maal is zoo iets naar om te zien. Ik zelf zie het altijd ongaarne en vermijd het zooveel mogelijk. Doch het is onontbeerlijk. En je moet begrijpen: wij zijn menschen en geen dieren, en het heil van de menschheid en van de wetenschap gaat boven dat van eenige konijnen.'

'Hoor je!' zei Pluizer, 'de wetenschap en de menschheid!'

'De man der wetenschap,' ging de docter voort, 'staat hooger dan alle andere menschen. Maar hij moet dan ook de kleine gevoeligheden, die de gewone menschen kennen, laten varen voor dat ééne groote: de wetenschap. Wilt ge zulk een mensch worden? was dat uw roeping, mijn jongen?'

Johannes weifelde, hij wist nog niet recht wat een roeping was, zoomin als de meikever.

'Ik wilde het boekje vinden,' zeide hij, 'waar Wistik van sprak.'

De docter keek verbaasd en vroeg: 'Wistik?'

Doch Pluizer zei snel: 'Hij wil het, docter, ik weet het wel. Hij wil de hoogste wijsheid zoeken, hij wil het wezen der dingen begrijpen.'

Johannes knikte, 'Ja!' Zoover hij begreep, was dat zijn bedoeling.

'Nu, dan moet je sterk zijn, Johannes, en niet klein en teerhartig. Dan zal ik je helpen. Maar bedenk: alles of niets.'

En Johannes hielp met sidderende handen de losgemaakte koorden weer vaster om de pootjes van het konijntje strikken.

'Wij zullen toch eens zien,' zeide Pluizer, 'of ik je niet evenveel moois vertoonen kan als Windekind.'

En toen zij den docter vaarwel hadden gezegd en beloofd spoedig weer te komen, leidde hij Johannes rond in alle hoeken der groote stad, hij toonde hem, hoe het groote monster leefde, hoe het ademde en zich voedde, hoe het in zich-zelve verteerde en uit zich-zelve weer opgroeide.

Doch hij had voorliefde voor de sombere achterbuurten, waar de menschen dicht opeengepakt zaten, waar alles grauw en groezelig, de lucht zwaar en bedompt was.

Hij ging met hem in een der groote gebouwen, waaruit de rook opsteeg, dien Johannes den eersten dag gezien had. Er heerschte een verdoovend geraas, overal rammelde, ratelde, stampte en dreunde het, groote wielen wentelden en lange riemen schoven slingerend voort; zwart zagen muren en bodem, de vensters waren gebroken of bestoven. Hoog rezen de geweldige schoorsteenen boven het zwarte gebouw uit en zonden dikke, kronkelende rookzuilen op. In dat gewoel van raderen en werktuigen zag Johannes tal van menschen met bleek gelaat, met zwarte handen en kleederen, zwijgend en rusteloos werken.

'Wie zijn dat?' vroeg hij.

'Raderen, ook raderen,' lachte Pluizer, 'of menschen, zoo je wilt. Wat ze daar doen, doen ze dag in, dag uit. Men kan op die manier ook mensch zijn, in hun soort altijd.'

En zij kwamen in vuile straatjes, waar het strookje hemelblauw zoo smal leek als een vinger en nog verduisterd werd door uitgespannen kleederen. Daar krioelde het van menschen; ze verdrongen elkaar, schreeuwden, lachten en zongen ook somtijds. In de huizen waren de kamertjes zoo klein, zoo donker en bedompt, dat Johannes nauwelijks durfde ademen. Hij zag havelooze kinderen over den kalen vloer kruipen en jonge meisjes met verwilderd haar, die liedjes neurieden voor magere, bleeke zuigelingen. Hij hoorde twisten en schelden, en alle gezichten om hem zagen moede, of dom en onverschillig.

Het greep Johannes aan met een vreeselijke smart. Het had niets gemeen met zijn vroeger leed, daarvoor schaamde hij zich.

'Pluizer,' vroeg hij, 'hebben die menschen altijd hier geleefd, zoo akelig en ellendig? Ook toen ik …'

Hij durfde niet verder gaan.

'Welzeker, en dat is gelukkig. Zij leven volstrekt niet akelig en ellendig, zij zijn hier gewend en weten niet beter. Het is dom, onverschillig vee. Zie die twee vrouwen daar, voor haar deur zitten! Zij kijken zoo tevreden in de vuile straat, als jij vroeger naar je duinen! Om die menschen behoef je niet te huilen. Dan kan je wel om de mollen huilen, die nooit het daglicht zien.'

En Johannes wist niet te antwoorden en wist ook niet waarom hij toch huilen moest. En te midden van het luidruchtige drijven en woelen zag hij steeds den bleeken, holoogigen man voortschrijden, met geruischloozen tred.

'Toch een goede man, nietwaar?' zeide Pluizer, 'de menschen hieruit weg te halen. Maar toch zijn ze hier even bang voor hem.'

Toen de nacht was gedaald, en de honderden lichtjes in den wind flikkerden en lange, wiegelende beelden in het donkere water wierpen, gingen beiden langs de stille straten. De oude, hooge huizen schenen vermoeid tegen elkander geleund te slapen. De meesten hadden hun oogen gesloten. Doch hier en daar schemerde nog een venster met matten, gelen glans.

Pluizer vertelde aan Johannes lange verhalen van hen die daarachter woonden, van de pijnen, die daar werden uitgestaan, en van den strijd, die daar tusschen ellende en levenslust gestreden werd. Hij spaarde hem niets, het somberste, het laagste en platste zocht hij uit, en grinnikte van genoegen, als Johannes bij zijn verschrikkelijke verhalen bleek werd en zweeg.

'Pluizer,' vroeg Johannes op eenmaal, 'weet gij iets van het GrooteLicht?'

Hij dacht, dat die vraag hem redden zou uit de duisternis, die dichter en drukkender om hem samendrong.

'Praatjes! Praatjes van Windekind!' zeide Pluizer. 'Hersenschimmen en droomerijen! Er zijn alleen menschen, en ik-zelf. Dacht je, dat een God of iets van dien aard er vermaak in zou hebben, zoo'n rommel te regeeren als het hier op aarde is? En zoo'n groot licht zou er niet zoovelen hier in 't donker laten.'

'En die sterren, die sterren dan?' vroeg Johannes, als verwachtte hij, dat die zichtbare grootheid het lage voor hem zou kunnen verheffen.

'Die sterren? Weet je wel waarvan je praat, ventje? Het zijn geen lichtjes daarboven, zooals de lantaarns, die je hier om je heen ziet. Het zijn allen werelden, elke veel grooter dan deze wereld met haar duizenden steden, en middenin zweven wij als een klein stofje, en er is geen onder of boven, en naar alle zijden zijn werelden, al maar werelden, en dat houdt nimmer, nimmer op.'

'Neen! Neen!' riep Johannes angstig, 'niet zeggen, niet zeggen! Ik zie lichtjes op een groot donker veld boven mij.'

'Ja, zien kun je niet anders dan lichtjes. Al staarde je je leven lang omhoog, je zoudt niet anders zien dan lichtjes op een donker veld boven je. Maar je kunt, jemoetweten, dat het werelden zijn, noch boven, noch onder, waarin dit kluitje met zijn armzalig, wriemelend menschenzootje niets is, en als niets zal verdwijnen. Spreek dus niet meer van 'de sterren', als waren het er een paar dozijn, het is een dwaasheid.'

Johannes zweeg. De grootheid, die het lage zou verheffen, verpletterde het.

'Komaan,' zei Pluizer, 'nu zullen we iets vroolijks gaan zien.' Bij tusschenpoozen kwamen de golven van een lieflijk slepende muziek hen tegemoet. Op een donkere gracht was een groot huis, waar het licht hel uit vele, hooge vensters brak.

Een lange stoet rijtuigen stond er voor. Het stampen der paarden klonk hol door de nachtelijke stilte, en hun koppen knikten: ja! ja! Glimlichtjes blonken op de zilveren knoppen van het tuig en op het vernis der wagens.

Binnen was het een-en-al licht. Half verblind staarde Johannes in de schittering van honderden vlammen, van bonte kleuren, van spiegels en bloemen. Lichte gestalten streken langs de vensters, naar elkaar toe buigend, met lach en handgebaar. Tot ver achter in de zalen bewogen zich de rijkgetooide menschen met langzamen tred of met snelle, wiegelende draaiing. Een verward gerucht van gelach en blijde stemmen, slepende schreden en ruischende gewaden drong tot op straat door, meegedragen op de golven der weeke, bedwelmende muziek, die Johannes reeds van verre gehoord had. Op straat, dicht bij de ramen, stonden een paar donkere gestalten, waarvan alleen de gezichten vreemd en ongelijk werden verlicht door den glans, waarin zij gretig staarden.

'Dat is mooi, dat is heerlijk!' riep Johannes; hij genoot bij het zien van zooveel kleur en licht en bloemen. 'Wat gebeurt daar? Mogen wij daarin?'

'Zoo, vindt je dit nu toch mooi? Of verkies je soms liever een konijnenhol? Zie die menschen eens lachen en buigen en schitteren; zie eens hoe deftig en glad die mannen, hoe bont en opgeschikt die vrouwen! En welk een aandacht bij het dansen, alsof het de gewichtigste zaak ter wereld was.'Johannes dacht terug aan het bal in het konijnenhol en hij zag veel, dat hem er aan herinnerde. Doch alles was hier grooter en schitterender. De jonge vrouwen met haar rijken tooi schenen hem zoo schoon als elfen, als zij de lange, blanke armen ophieven en het hoofd half ter zijde wendden in den dans. De bedienden gingen statig rond en boden heerlijke dranken aan, met eerbiedige buiging.

'Hoe prachtig! hoe prachtig!' riep Johannes.

'Erg mooi, vindt je niet?' zei Pluizer. 'Maar nu moet je ook eens wat verder kijken dan je neus lang is. Je ziet nu niets dan lieve, lachende gezichten niet waar? Nu, het grootste deel van al die lachjes is leugen en gemaaktheid. Die vriendelijke, oude dames aan den kant zitten daar als hengelaars om een vijver; die jonge vrouwen zijn het aas, de heeren zijn de visschen. En hoe lief ze ook met elkaar keuvelen, ze rnisgunnen elkaar nijdig elke vangst. Als een van die jonge vrouwen plezier heeft, dan is het omdat ze mooier is aangekleed of meer heeren om zich lokt dan de andere, en het plezier van de heeren ontstaat vooral door die bloote halzen en armen. Achter al die lachende oogen en vriendelijke lippen schuilt iets heel anders. Zelfs die eerbiedige knechts denken lang niet eerbiedig. Als het op eens uitkwam wat allen waarlijk dachten, dan zou de partij gauw gedaan zijn!'

En toen Pluizer hem alles wees, zag Johannes duidelijk de gemaaktheid in gezichten en gebaren en de ijdelheid, afgunst en verveling, die door het lachend masker heen gluurden of plotseling uitkwamen als het even werd afgelegd.

'Nu,' zeide Pluizer, 'men moet hen maar laten begaan. Die menschen moeten zich toch amuseeren. En anders kunnen zij het niet.'

Johannes voelde dat er iemand achter hem stond. Hij zag om. Het was de welbekende, lange gestalte. Het bleeke gelaat was grillig door den hellen glans verlicht, zoodat de oogen groote, donkere plekken vormden. Hij prevelde zachtkens bij zichzelven en wees met den vinger in de lichte zaal.

'Zie,' zeide Pluizer, 'hij is weer aan 't uitzoeken.'

Johannes zag waarheen de vinger wees. En hij zag hoe de oude dame onder het gesprek even de oogen sloot en de hand aan het hoofd bracht, en hoe het schoone, jonge meisje haar drentelen even staakte en met een lichte rilling vóór zich, staarde.

'Wanneer?' vroeg Pluizer aan den Dood.

'Dat is mijn zaak,' zeide deze.

'Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,' zeidePluizer en knipoogde grijnzend. 'Kan dat?'

'Van avond?' vroeg de Dood.

'Waarom niet?' zeide Pluizer. 'Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.'

'Ik kan niet mede,' zeide de Dood, 'ik heb te veel werk. Doch noem den naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg vinden.'

Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de gasvlammen flikkerden in den nachtwind en het donkere koude water tegen de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag.

Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een luid en feestelijk lied.

Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad, in de droeve duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op. De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw.

'Dat is de klok,' zei Pluizer, 'die is altijd even vroolijk, jaar in, jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, alsof de klok juichte dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijd door even gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch het vroolijkst klinkt het wanneer er iemand gestorven is.'

Nogmaals verhief zich de jubelende galm.

'Eens, Johannes,' ging Pluizer voort, 'zal achter zulk een venster in een stille kamer een flauw lichtje branden. Een droevig lichtje, dat peinzend trilt en de schaduwen op den wand doet dansen. Er zal geen gerucht zijn in de kamer, dan nu en dan een zacht, onderdrukt snikken. Er zal een bed staan met witte gordijnen, met lange schaduwen in de plooien. En in dat bed zal iets liggen, wit en stil. Dat zal de kleine Johannes geweest zijn. O, dan zal op eens datzelfde lied luid en lustig in die kamer breken en 't eerste uur bezingen na zijn dood.'

Twaalf zware slagen dreunden door de lucht met lange tusschenpoozen. Bij den laatsten kreeg Johannes op eenmaal een gevoel alsof hij droomde, hij liep niet meer maar zweefde een eind boven de straat, aan Pluizer's hand. In snelle vaart streken hem de huizen en lantaarns voorbij. De huizen stonden nu minder dicht opeen. Ze vormden alleenstaande rijen, met donkere geheimzinnige gaten er tusschen, waar het gaslicht kuilen, plassen, puin en balken grillig verlichtte. Eindelijk kwam een groote poort, met zware zuilen en een hoog hek. In een oogwenk waren zij er over gezweefd en kwamen neer op vochtig gras naast een grooten zandhoop. Johannes dacht in een tuin te zijn, want hij hoorde 't ruischen van boomen in 't ronde.

'Let nu goed op, Johannes, en houd dan nog eens vol, dat ik niet meer kan dan Windekind.'

Toen riep Pluizer luide een korten, somberen naam, die Johannes deed huiveren. Van alle zijden herhaalde de duisternis den klank, en de wind voerde hem op in gierend draaien, totdat hij wegstierf in de hooge lucht.

En Johannes zag hoe de grashalmen hem boven 't hoofd reikten, en hoe de kleine steen, die zooeven laan zijn voeten ag, hem nu het gezicht belemmerde. Pluizer naast hem, even klein als hij, vatte den steen met beide handen en wentelde dien met alle krachten om. Een verward geroep van fijne, hooge stemmetjes rees van den vrij geworden bodem op.

'Hei! wie doet dat? Wat beteekent dat? Lomperd!' klonk het dooreen.

Johannes zag zwarte gestalten haastig door elkaar loopen. Hij herkende den vluggen, zwarten loopkever, den glimmend bruinen oorworm met zijn fijne knijpers, pissebedden met haar ronde ruggen en slangachtige duizendpooten. In 't midden trok een lange aardworm zich bliksemsnel in zijn gang terug.

Pluizer ging dwars door de tierende en scheldende bende op het hol van den aardworm toe.

'Heidaar! lange, bloote slungel! kom eens voor den dag met je rooden puntneus!' riep Pluizer.

'Wat moet je?' vroeg de worm uit de diepte.

'Jij moet er uit, omdat ik er in wil, hoor je, kale zandeter!'

Voorzichtig rekte de pier zijn spitsen kop uit de opening, tastte er eenige malen mee in 't rond en trok toen langzaam het naakte, geringde lijf verder naar de oppervlakte.

Pluizer keek rond naar de andere dieren, die nieuwsgierig om hem heen drongen.

'Een van jelui gaat mede en licht vóór. Neen, zwarte kever, je bent te dik, en jij met je duizend pooten zoudt me duizelig maken. Ha, jij daar, oorworm! jouw gezicht bevalt me. Ga mede en draag het licht in je scharen! Loopkever, loop! en zoek een dwaallicht of haal een fakkel van hout, dat rottend is.'

De dieren kregen ontzag voor zijn gebiedende stem en gehoorzaamden.

Toen daalden zij af in de wormengang. Voorop de oorworm met het lichtend hout, dan Pluizer, dan Johannes. Het was eng en duister daar beneden. Flauw zag Johannes de zandkorrels door het matte, blauwe schijnsel verlicht. Zij schenen groot als steenen, half doorschijnend, tot een gladden, vasten wand geschuurd door het lichaam van de pier. Deze laatste volgde nieuwsgierig. Johannes zag achter zich haar spitsen kop zich nu eens snel vooruit strekken, dan weer wachten tot het lange lijf nader aangetrokken was. Zij daalden zwijgend, lang en diep. Waar Johannes het pad te steil werd, steunde Pluizer hem. Er scheen geen einde te zullen komen; altijd nieuwe zandkorrels, en steeds kroop de oorworm voort, zich wendend en buigend met de kronkelingen van de gang. Eindelijk werd de weg breeder en weken de wanden vaneen. De zandkorrels werden zwart en vochtig; boven vormden ze een gewelf, waarlangs waterdroppels glinsterende strepen trokken en waardoor boomwortels zich strekten als verstijfde slangen.

Daar rees plotseling voor Johannes' blik een loodrechte wand, zwart en hoog, die de geheele ruimte voor hem afsloot. De oorworm wendde zich om.

'Ziezoo! Nu is het zaak, daar-achter te komen. Dat zal de pier wel weten, die is hier te huis.'

'Kom, wijs ons den weg!' zei Pluizer.

Langzaam schoof de aardworm het geringde lijf tot bij den zwarten wand en betastte dien zoekend. Johannes zag, dat het hout was. Hier en daar was het tot bruinachtige stof vervallen. Daar boorde de worm zich in, en het lange, lenige lijf gleed in drie tusschenpoozen weg.

'Nu jij!' zei Pluizer en duwde Johannes in de kleine ronde opening. Een oogenblik dacht deze te stikken in den zachten, vochtigen molm; toen voelde hij zijn hoofd vrij komen en werkte zich met moeite geheel uit de opening los. Een groote ruimte scheen hem te omgeven. De grond was hard en vochtig, de lucht dik en ondragelijk benauwd, Johannes durfde nauw ademen en wachtte in nameloozen angst.

Hij hoorde Pluizer's stem, die hol klonk als in een grooten kelder.

'Hier Johannes, volg me!'

Voor zich voelde hij den grond rijzen tot een berg. Aan Pluizer's hand beklom hij dien, in de diepe duisternis. Het was alsof hij op een kleed liep, dat meegaf onder zijn tred. Hij strompelde over kuilen en heuvels, Pluizer volgend, die hem medetrok tot een vlakke plaats, waar hij zich vastklemde aan lange halmen, die als buigzaam riet waren in zijn hand. 'Hier staan wij goed! Licht!' riep Pluizer.

Daar daagde het matte licht uit de verte, met zijn drager dalend en rijzend. Hoe nader het kwam en hoe meer het flauwe gloren de ruimte vervulde, des te vreeselijker werd Johannes' beklemming.

De berg, dien hij betreden had, was lang en wit; het riet, dat hij omklemde, was bruin en krulde in glinsterende golven naar omlaag.

Hij herkende de rechte gestalte van een mensch, en de kille vlakte, waarop hij stond, was het voorhoofd.

Vóór hem lagen, als twee diepe, donkere kuilen, de ingezonken oogen, en het blauwe licht scheen op den dunnen neus en de grauwe lippen, in akeligen, stijven doodenlach geopend.

Uit Pluizer's mond klonk een schelle lach, die dadelijk smoorde in de vochtige houtwanden.

'Dit is nu een verrassing, Johannes!'

De lange worm kwam aankruipen tusschen de plooien van het lijkkleed; hij schoof zich behoedzaam tegen de kin op en glipte over de strakke lippen in de zwarte mondholte.

'Dit is nu de schoonste uit de danspartij, die je schooner vond dan een elf. Toen stroomden zoete geuren uit haar kleederen en haren, toen lonkten haar oogen en lachten haar lippen. Zie nu eens!'

Bij al zijn ontzetting was er toch ongeloof in de oogen van Johannes. Zoo snel? Die pracht was zoo even, en nu reeds …? 'Geloof je mij niet?' grijnsde Pluizer. 'Er ligt een halve eeuw tusschen toen en nu. Daar is uur noch tijd. Wat eenmaal was, zal altijd zijn, en wat worden zal, is altijd geweest. Je kunt het niet denken, maar moet het gelooven. Het is hier alles waarheid, alles wat ik je toon is waar! waar! Dat kon Windekind niet zeggen.'

Grinnikend sprong Pluizer rond op het doodengelaat en bedreef de afschuwelijkste scherts. Hij zat op de wenkbrauw en trok bij de lange wimpers het ooglid op. Het oog, dat Johannes vroolijk had zien schitteren, staarde dof en rimpelig wit in het schemerlichtje. 'Nu vooruit!' riep Pluizer, 'er valt nog meer te zien!'

De pier kroop langzaam uit den rechter mondhoek te voorschijn en de bange tocht werd voortgezet.

Niet terug, maar langs nieuwe, even lange en sombere wegen. 'Nu komt een oude,' zeide de aardworm, toen weder een zwarte wand den weg afsloot. 'Deze is hier al zeer lang.'

Het was minder vreeselijk dan de vorige maal. Johannes zag slechts een verwarde massa, waaruit bruinachtige beenderen staken. Honderden wormen en insecten waren er zwijgend bezig. Het licht gaf opschudding.

'Van waar komt gij? Wie brengt hier licht? Dat hebben wij niet noodig.'

En snel schoten zij weg tusschen plooien en in holten. Doch zij herkenden een soortgenoot.

'Zijt ge in die hiernaast geweest?' vroegen de wormen. 'Het hout is nog hard.'

De eerste worm ontkende. 'Hij wil het buitenkansje voor zich houden,' zeide Pluizer zacht tot Johannes.

Verder trokken zij, Pluizer gaf uitleg en wees aan, wie Johannes bekend waren. Er kwam een misvormd gezicht met starende, uitpuilende oogen, dikke, zwarte lippen en wangen. 'Dit was een deftig heer,' zeide hij toen vroolijk, 'je had hem moeten zien, zoo rijk, zoo voornaam en zoo ingebeeld. Zijn opgeblazenheid heeft hij gehouden.'

Zoo ging het voort. Er waren ook magere, uitgeteerde gestalten met wit haar, dat blauw glinsterde in het zwakke licht, en kleine kinderen met groote hoofden en oudachtige denkersgezichten.

'Zie, die zijn eerst na hun dood oud geworden!' zei Pluizer. Zij kwamen bij een man met vollen baard en opgetrokken lippen, wiens witte tanden blonken. Midden in het voorhoofd had hij een rond zwart gaatje.

'Deze heeft Hein een handje geholpen. Waarom niet een beetje geduld? Hij was toch wel hier gekomen.'

En weer kwamen gangen en nieuwe gangen en weer rechte gestalten met strakke, grijnzende gezichten en roerlooze, over elkaar gelegde handen.

'Nu ga ik niet verder,' zei de oorworm, 'ik weet hier geen weg meer.'

'Laat ons omkeeren,' zei de pier. 'Nog één, nog één!' riep Pluizer.

Verder ging de tocht.

'Het bestaat alles wat je ziet,' zei Pluizer onder het voortgaan, 'het is alles waar. Eén ding alleen is niet waar. Dat ben je zelf, Johannes. jij bent hier niet, en je kunt hier niet zijn.'

En hij schaterlachte, als hij den angstigen, wezenloozen blik vanJohannes bij zijn woorden zag.

'Dit is de laatste! werkelijk de laatste!'

'De gang loopt dood, ik ga niet verder,' zeide de oorworm knorrig.

'Ik wil verder!' zeide Pluizer, en waar de gang eindigde, begon hij met beide handen te graven. 'Help mij, Johannes!'

Willoos in zijn ellende, gehoorzaamde deze en groef de vochtige, fijne aarde weg.

Zwijgend en zwoegend werkten zij door, totdat het zwarte hout kwam.

De pier had den geringden kop ingetrokken en was achteruit verdwenen. De oorworm liet het licht vallen en ging terug.

'Zij komen er niet in, het hout is te nieuw,' zeide hij bij 't heengaan.

'Ik wil,' zei Pluizer en scheurde met de haakvingers lange, witte splinters krakend uit het hout.

Een vreeselijke beklemming drukte Johannes. Doch hij moest, hij kon niet anders.

Eindelijk kwam de donkere ruimte open. Pluizer nam het licht en kroop haastig naar binnen.

'Hier, hier!' riep hij en liep naar het hoofdeinde.

Doch toen Johannes bij de handen kwam, die stil over elkaar gevouwen op de borst lagen, moest hij rusten. Hij staarde op de magere, witte vingers, half verlicht aan de bovenzijde. Op eenmaal herkende hij ze, hij herkende den vorm en de plooien der vingers, de gedaante der lange nagels, nu donkerblauw verkleurd. Hij herkende een bruin vlekje aan den wijsvinger.

Het waren zijn eigene handen.

'Hier, hier!' riep Pluizer's stem van het hoofdeinde. 'Zie eens, herken je hem?'

Nog wilde de arme Johannes zich weer oprichten en op het licht toegaan, dat hem wenkte. Doch hij kon niet meer. Het lichtje verglom tot volkomen duisternis, en hij viel bewusteloos.


Back to IndexNext