Windekind lachte en sloeg den sigarenrook voor zich weg met een varentak,Johannes kwamen de tranen in de oogen, echter niet van den rook.
'Windekind,' zeide hij, 'ik wilde weg, het is zoo leelijk en zoo hard.'
'Neen, wij moeten nog blijven. Gij zult lachen, het wordt nog grappiger.'
Het zingen hield op en de bleeke man begon te spreken. Hij schreeuwde hard, opdat allen hem zouden verstaan, maar wat hij zeide klonk erg vriendelijk. Hij noemde de menschen broeders en zusters en sprak van de heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn en van de lieve vogelen en bloemen …
'Wat is dat?' vroeg Johannes. 'Hoe spreekt hij daarover? Kent hij u? Is hij een vriend van u?'
Windekind schudde minachtend het omkranste hoofdje.
'Hij kent mij niet, de zon, de vogelen, de bloemen evenmin. Het is alles logen wat hij zegt.'
De menschen luisterden allen zeer aandachtig. De dikke juffrouw, die op het blauwe klokje zat, begon verscheiden malen te huilen en wischte de tranen met haar rokslip af, omdat zij haar zakdoek niet gebruiken kon.
De bleeke man zeide, dat God ter wille van hun bijeenkomst de zon zoo vroolijk had laten schijnen; toen lachte Windekind en wierp van uit de dichte bladen een eikel op zijn neus.
'Hij zal het anders ondervinden,' zeide hij, 'mijn vader zou voor hem schijnen, wat verbeeldt hij zich wel.'
Doch de bleeke man was te veel in vuur geraakt om op den eikel te letten, die uit de lucht scheen te vallen, hij sprak lang en hoe langer hoe harder. Op 't laatst werd hij rood en blauw in 't gezicht, balde de vuisten en schreeuwde zoo luid, dat de bladeren trilden en de grashalmen ontzet heen en weer wiegelden. Toen hij eindelijk tot bedaren gekomen was, begonnen allen weer te zingen.
'Wel foei!' zeide een meerle, die van een hoogen boom het rumoer aanhoorde. 'Is dat een afschuwelijk leven maken! Ik heb nog liever dat er koeien in het bosch komen. Hoor dat eens aan. Wel foei!'
Nu! de meerle is een kenner en heeft een fijnen smaak.
Na het gezang haalden de menschen uit manden, doozen en zakken, allerlei eetwaren voor den dag. Er werden papieren uitgespreid en broodjes en sinaasappelen verdeeld. Ook flesschen en glazen kwamen te voorschijn.
Toen riep Windekind zijn bondgenooten bijeen en begon den smullenden troep te belegeren.
Een dappere kikvorsch sprong op den schoot van een oude juffrouw, vlak naast het broodje dat zij juist wilde gaan opeten en bleef daar zitten, als verbaasd over zijn eigen stoutmoedigheid. De juffrouw gaf een ijselijken gil en staarde ontzet den aanvaller aan, zonder zich te durven verroeren. Het moedige voorbeeld vond navolging. Groene rupsen kropen onverschrokken over hoeden, zakdoeken en broodjes, overal angst en schrik teweegbrengend; groote dikke kruisspinnen lieten zich aan glinsterende draden neer in bierglazen, op hoofden of halzen en een luid gegil volgde steeds hunnen aanval; tallooze vliegjes bestormden de menschen regelrecht in 't gezicht en offerden hun leven voor de goede zaak, door zich op spijzen en dranken te storten en ze met hun lichaam onbruikbaar te maken. Eindelijk kwamen de mieren in onafzienbare scharen en tastten den vijand op de meest onverwachte plaatsen bij honderden tegelijk aan. Dat bracht een verwarring en ontsteltenis teweeg! Haastig vlogen mannen en vrouwen van de zoo lang verdrukte mos- en grasplantjes op; ook het arme, blauwe klokje werd bevrijd, door den welgeslaagden aanval van twee oorwurmen op de beenen van de dikke juffrouw. De vertwijfeling nam toe: dansend en springend, onder de zonderlingste gebaren, trachtten de menschen hun vervolgers te ontkomen. De bleeke man bood lang weerstand en sloeg met een zwart stokje in 't rond, doch een paar baldadige meezen, die geen aanvalsmiddel te laag achtten en een wesp, die hem door zijn zwarte broek heen in de kuit stak, stelden hem buiten gevecht.
Toen kon de vroolijke zon zich niet langer goed houden en verborg het aangezicht achter een wolk. Groote regendroppels daalden op de strijdende partijen. Het was alsof door den regen plotseling een bosch van groote, zwarte paddestoelen uit den grond opschoot. Dat waren de regenschermen die werden uitgespannen. Vrouwen sloegen de rokken over het hoofd, waardoor witte onderrokken, wit gekouste beenen en schoenen zonder hakken zichtbaar werden. O, wat had Windekind een pret! hij moest zich aan den bloemstengel vasthouden van 't lachen.
Dichter en dichter stroomde de regen, hij begon het bosch met een grauwen, glinsterenden sluier te omhullen. Kletterende waterstralen vielen van parapluies, hooge hoeden en zwarte jassen, die glommen als de schilden van de watertor, de schoenen zoenden en smakten in den doorweekten grond. Toen gaven de menschen het op, en dropen bij kleine troepjes zwijgend af, een menigte papieren, ledige flesschen en sinaasappelschillen als onoogelijke sporen van hun bezoek, achterlatend. Op het open veldje in het bosch werd het weder eenzaam en hoorde men spoedig niets meer dan het eentonige ruischen van den regen.
'Nu, Johannes! nu hebben wij ook menschen gezien. Waarom lacht gij ook niet om hen?'
'Ach, Windekind! zijn alle menschen zoo?'
'O! er zijn nog veel erger en leelijker. Soms razen en tieren zij en vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er plompe, vierkante huizen voor in de plaats. Zij vertrappen de bloemen moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt. In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd van de natuur en hun medeschepselen. Daarom maken zij zulk een dwaas en droevig figuur, als zij er in terugkeeren.'
'Ach! Windekind! Windekind!'
'Waarom weent gij, Johannes? Gij moet niet weenen, omdat gij bij menschen geboren zijt. Ik heb u immers lief en u verkoren onder allen. Ik heb u de taal van vlinders en vogelen geleerd en den blik der bloemen doen verstaan. De maan kent u, en de goede, milde aarde heeft u lief als haar liefste kind. Waarom zoudt ge niet blij zijn, daar ik uw vriend ben?'
'O, Windekind dat ben ik! dat ben ik! maar ik moet toch huilen om al die menschen!'
'Waarom? Gij behoeft niet bij hen te blijven, als u dat verdriet doet. Gij kunt hier wonen en mij altijd vergezellen. Wij zullen huizen in het dichtste van het bosch, in de eenzame, zonnige duinen of in het riet aan den vijver. Ik zal u overal brengen, op den bodem van het water tusschen de waterplanten, in de paleizen van elfen en in de woningen van de kabouters. Ik zal met u zweven over velden en wouden, over vreemde landen en zeeën. Ik zal spinnen fijne kleederen voor u laten maken en u vleugels geven, zooals ik ze draag. Wij zullen leven van bloemengeur en met de elfen in het maanlicht dansen. Als de herfst komt, zullen wij met den zomer medetrekken, daarheen waar de hooge palmen oprijzen, waar kleurige bloemtrossen aan de rotsen hangen en het donkerblauwe zeevlak schittert in de zon. En ik zal u altijd sprookjes vertellen. Wilt ge dat Johannes?'
'Zal ik nimmermeer onder menschen wonen?'
'Onder menschen wacht u eindeloos verdriet, verveling, vermoeienis en zorg. Dag aan dag zult gij tobben en zuchten onder den last van uw leven. Zij zullen uwe teedere ziel stooten en pijnigen door hun grofheden. Zij zullen u ter dood vervelen en martelen. Hebt gij de menschen meer lief dan mij?'
'Neen! neen! Windekind, ik wil bij u blijven!'
Nu kon hij toonen, hoeveel hij van Windekind hield. Ja! hij wilde allen en alles voor hem verlaten en vergeten. Zijn kamertje, Presto en zijn vader. Vol vreugde en vastberaden herhaalde hij zijn wensch.
De regen hield op. Onder grauwe wolken door straalde een heldere glimlach van de zon over het woud, op de vochtige glanzende bladeren en op de droppels, die aan elk twijgje en halmpje fonkelden en de spinnewebben sierden, die over het eikenloof gespannen waren. Langzaam steeg een fijne nevel uit den vochtigen grond tusschen het kreupelhout omhoog, duizend zoele droomerige geuren medevoerend. De meerle vloog nu in den hoogsten boomtop en zong in korte, innige melodieën tot de dalende zon, als wilde zij toonen welke zang hier paste, in de plechtige avondstilte, bij de zachte begeleiding der vallende droppen.
'Is dat niet schooner dan menschengeluid, Johannes? Ja! de meerle weet wel den juisten toon te treffen. Hier is alles harmonie, zoo volkomen zult ge ze bij menschen nooit vinden.'
'Wat is harmonie, Windekind?'
'Dat is hetzelfde als geluk. Het is dat, waarnaar alles streeft. Ook de menschen. Doch zij doen als jongens, die een vlinder willen vangen. Zij jagen haar juist weg door hun domme pogingen.'
'Zal ik haar bij u vinden?'
'Ja Johannes! Maar dan moet gij de menschen vergeten. Het is een slecht begin, bij menschen geboren te zijn, maar gij zijt nog jong, gij moet alle herinneringen aan uw menschenleven van u afzetten, bij hen zoudt gij dwalen en in verwarring, strijd en ellende geraken, het zou met u gaan als met den jongen meikever, van wien ik u vertelde.'
'Wat is daarmede verder gebeurd?'
'Hij heeft het heldere schijnsel gezien, waarvan de oude kever sprak; hij dacht niet beter te kunnen doen, dan er dadelijk heen te vliegen. Regelrecht vloog hij in een kamer en viel in menschenhanden. Drie dagen lang is hij daar gemarteld, hij heeft in kartonnen doosjes gezeten, men heeft hem draadjes aan de pooten gebonden en zoo laten vliegen, toen heeft hij zich losgerukt, een vleugel en een poot verloren en is eindelijk, hulpeloos op een vloerkleed rondkruipend en nog vruchteloos pogend den tuin te bereiken, door een zwaren voet verpletterd.
'Alle dieren, Johannes, die in den nacht ronddolen, zijn zoo goed kinderen van de zon als wij. En al hebben zij nimmer hunnen schitterenden vader gezien, toch drijft hen een onbewuste herinnering immer weer tot al waaraan licht ontstraalt. En duizenden arme schepsels der duisternis vinden een jammerlijken dood door die liefde tot de zon, van wie zij sinds lang gescheiden en vervreemd zijn. Zoo brengt een onbegrepen, onweerstaanbare neiging de menschen ten verderve in de schijnbeelden van dat Groote Licht, dat hen deed ontstaan en dat zij niet meer kennen.'
Vragend zag Johannes op naar Windekind's oogen. Doch zij waren diep en geheimvol, als de donkere hemel tusschen de sterren.
'Bedoelt gij God?' vroeg hij eindelijk schuchter.
'God?' De diepe oogen lachten zacht. 'Ik weet, Johannes, waaraan gij denkt, als gij dien klank uitspreekt. Aan den stoel voor uw bed, waartegen gij het lange gebedje iederen avond zegt, aan de groen saaien gordijnen voor het kerkraam, waarnaar gij Zondagmorgen zoo lang kijkt, aan de kapitale letters van uw bijbeltje, aan het kerkezakje met den langen steel, aan leelijk gezang en een muffe menschenlucht. Wat gij met dien naam bedoelt, Johannes, is een belachelijk schijnbeeld, in plaats van de zon, een groote petroleumlamp, waarop honderden en duizenden mugjes hulpeloos zitten vastgeplakt.'
'Maar hoe heet dan dat Groote Licht, Windekind? en tot wien moet ik dan bidden?'
'Johannes, het is alsof een schimmelplantje mij vroeg hoe de aarde heette, die met haar ronddraait. Was er een antwoord op uw vraag, gij zoudt het verstaan als een aardworm de muziek der sterren. Doch bidden zal ik u leeren.'
En met den kleinen Johannes, die in stille verwondering over Windekind's woorden peinsde, vloog hij uit het bosch omhoog, zoo hoog, dat over den duinrand een lange, als goud fonkelende streep zichtbaar werd. Zij vlogen voort, de grillig beschaduwde duinvlakte gleed onder hun blikken weg en breeder en breeder werd de lichtstreep. De groene kleur der duinen week, vaal zag het helm en vreemde, bleekblauwe planten groeiden er tusschen. Nog een hooge heuvelreeks, een lang gestrekte, smalle zandstrook en dan de wijde, ontzaglijke zee.
Blauw was het groote vlak, tot aan de kimme, maar onder de zon straalde een smalle strook in verblindend roode schittering. Een lange, donzig witte schuimrand omzoomde het zeevlak, zooals hermelijn het blauw fluweel omzoomt.
En aan de kimme scheidde lucht en water een fijne, wonderbare lijn. Een wonder scheen zij: recht en toch gebogen, scherp en toch onbestemd, zichtbaar en toch onnaspeurlijk. Zij was als de toon eener harp, die lang en droomend naklinkt, die schijnt weg te sterven en toch blijft.
Toen zette de kleine Johannes zich op den duinrand en staarde …, staarde in lang, roerloos zwijgen totdat het hem was, alsof hij ging sterven, alsof de groote, gouden deuren van het heelal zich statig ontsloten en zijne kleine ziel het eerste licht der oneindigheid tegenzweefde.
En totdat de tranen, die in zijn wijd geopende oogen welden, de schoone zon omfloersten en de pracht van hemel en aarde deden wegdeinzen in een duistere, trillende schemering …
'Zoo moet gij bidden!' zeide toen Windekind.
Hebt gij wel eens op een fraaien herfstdag door het bosch gedwaald? Als de zon zoo stil en helder op het rijkgetinte loover schijnt, als de takken kraken en de dorre bladeren ruischen onder uw voet?
Dan schijnt het woud zoo moede, het kan nog slechts deinzen en leeft in oude herinneringen. Een blauwe nevel omringt het, als een droom, met geheimzinnige pracht en de glinsterende herfstdraden zweven door de lucht in trage golving, als schoone, doellooze mijmeringen.
Doch uit den vochtigen grond, tusschen mos en dorre bladeren, verrijzen dan plotseling en raadselachtig de wonderlijke gestalten der paddestoelen. Sommige dik, wanstaltig en vleezig, andere slank en rijzig, met geringden steel en schitterend gekleurden hoed. Dat zijn zonderlinge droombeelden van het woud.
Dan ziet men ook op vermolmde boomstronken tallooze kleine, witte stompjes, met zwarte topjes, alsof zij verbrand waren. Sommige wijze menschen houden ze voor een soort zwammen. Doch Johannes leerde beter:
Het zijn kaarsjes. Zij branden in stille herfstnachten, dan zitten er de kaboutermannetjes bij en lezen in kleine boekjes.
Dat leerde hem Windekind op zulk een stillen herfstdag, en Johannes ademde droomstemming in met den doffen geur, die uit den boschgrond opsteeg.
Hoe komen de bladeren van den eschdoorn zoo zwartgevlekt?
'Ja, dat doen de kabouters ook,' zei Windekind. 'Als zij des nachts geschreven hebben, gooien zij des morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uit. Zij houden niet van dien boom. Van esschenhout maakt men kruisjes en stelen voor kerkezakjes.'
Johannes werd nieuwsgierig naar die kleine, vlijtige kabouters, en hij liet Windekind beloven, hem bij één van hen te brengen.
Lang was hij reeds bij Windekind geweest, en hij was zoo gelukkig in zijn nieuw leven, dat hij nog weinig berouw gevoelde over zijn belofte, al het achtergelatene te vergeten. Er waren geen tijden van angst of eenzaamheid, waarin altijd het berouw komt. Windekind verliet hem nooit, en bij hem was elke plek een te huis. Rustig sliep hij in het wiegelend nest van een karkiet, dat tusschen de groene riethalmen hing, al brulde de roerdomp en krasten de kraaien nog zoo onheilspellend. Geen angst voelde hij bij kletterenden regen of suizenden storm, dan school hij in holle boomen, of konijnenholen, en kroop dicht onder Windekinds manteltje en luisterde naar zijn stem die sprookjes verhaalde.
En nu zou hij de kabouters zien.
't Was een goede dag daarvoor. Zoo stil! zoo stil! Johannes meende reeds hun fijne stemmetjes en het geschuifel hunner voetjes te hooren, doch het was nog middag. De vogelen waren bijna allen weg, alleen de lijsters smulden aan de helroode bessen. Eén zat gevangen in een strik. Met uitgespreide vleugels hing zij daar en spartelde, tot het scherp omknelde pootje bijna vaneen scheurde. Spoedig bevrijdde haar Johannes, en onder blij getink vloog zij ijlings weg.
De paddestoelen hadden het druk onder elkaar.
'Zie mij eens!' zeide een dikke duivels-zwam. 'Hebt ge ooit zoo iets gezien? Zie hoe dik en wit mijn steel is en hoe mijn hoed glimt. Ik ben de grootste van allen. En dat in één nacht!' 'Ba!' zeide de roode vliegenzwam, 'gij zijt zeer lomp. Zoo bruin en grof. Ik wiegel op mijn slanken steel als een riethalm. Ik ben prachtig rood als de lijsterbessen en sierlijk gespikkeld. Ik ben schooner dan allen.'
'Stil!' zeide Johannes, die hen wel kende van vroeger dagen: 'gij zijt beiden giftig.'
'Dat is een deugd,' zei de vliegenzwam.
'Zijt gij een mensch bij geval?' bromde de dikke schamper. 'Dan mag ik lijden dat gij mij opeet.'
Dat deed Johannes echter niet. Hij nam dorre takjes en stak die in den vleezigen hoed. Dat stond gek en alle andere lachten. Ook een troepje dunne paddestoelen met bruine kopjes, die gezamenlijk in een paar uur waren opgeschoten en elkaar verdrongen om in de wereld te kijken. De duivelszwam werd blauw van kwaadheid. Daar kwam zijn giftige aard mee aan den dag.
Aardsterren hieven haar ronde, opgeblazen hoofdjes op vierpuntige voetstukjes. Van tijd tot tijd vloog een bruin wolkje uiterst fijn poeder uit de opening van het ronde hoofdje. Waar dat poeder neerviel in vochtigen bodem, zouden zich draden door de zwarte aarde vlechten en het volgende jaar honderden nieuwe aardsterren opschieten.
'Welk een schoon bestaan!' zeiden zij tot elkaar.
'Stuiven is het hoogste levensdoel! Welk een geluk te kunnen stuiven zoo lang men leeft!'
En met aandachtige toewijding dreven zij de kleine poederwolkjes in de lucht.
'Hebben zij gelijk, Windekind?'
'Waarom niet? Wat kan voor hen hooger zijn? Gelukkig dat zij niet meer verlangen, want zij kunnen niet anders.'
Toen de nacht was gedaald en de schaduwen der boomen tot een gelijkmatig duister waren ineengevloeid, hield het geheimzinnige woudleven niet op. De takjes kraakten en knapten, de dorre blaadjes ritselden hier en daar, tusschen het gras en in het kreupelhout. Johannes voelde den tocht van onhoorbare vleugelslagen en was bewust van de nabijheid van onzichtbare wezens. Nu hoorde hij toch duidelijk stemmetjes fluisteren en voetjes trippelen. Zie, daar in de duistere diepte der struiken gloeide even een klein, blauw vonkje en verdween. Daar weder een en weder! Stil … als hij goed luisterde, hoorde hij geschuifel in de bladeren vlak bij hem,—bij dien donkeren boomstronk. De blauwe lichtjes kwamen er achter te voorschijn en hielden stil op den top.
Overal zag Johannes nu lichtglansen glimmen, zij zweefden tusschen het donkere loover, dansten met kleine sprongen langs den grond, en ginds straalde een groote tintelende massa als een blauw vreugdevuur.
'Wat is dat voor een vuur?' vroeg Johannes. 'Dat brandt prachtig!'
'Dat is een vermolmde boomstam,' zeide Windekind. Zij gingen op een stil, helder lichtje af.
'Nu zal ik u aan Wistik voorstellen. Dat is de oudste en wijste der kabouters.'
Dichterbij gekomen, zag Johannes hem bij zijn kaarsje zitten. Duidelijk kon men bij den blauwen schijn het gerimpeld gezichtje met den grijzen baard onderscheiden; hij las hardop met saamgetrokken wenkbrauwen. Op het hoofd droeg hij een eikelkapje met een klein veertje, vóór hem zat een kruisspin en luisterde naar de voorlezing.
Toen de twee naderden, keek de kabouter zonder het hoofd op te heffen, uit zijn boekje op en trok de wenkbrauwen in de hoogte. De kruisspin kroop weg. 'Goeden avond!' zeide de kabouter. 'Ik ben Wistik. Wie zijt gij beiden?'
'Ik heet Johannes. Ik wilde graag met u kennis maken. Wat leest gij daar?'
'Dat is niet voor uwe ooren bestemd,' zeide Wistik; 'dat is alleen voor kruisspinnen.'
'Laat het mij ook eens zien, lieve Wistik!' vroeg Johannes.
'Dat mag ik niet. Dat is het heilige boek der spinnen, dat bewaar ik en mag ik nooit uit mijn handen geven. Ik heb de heilige boeken van torren en vlinders en egels en mollen en al wat hier leeft. Zij kunnen niet allen lezen en als zij nu iets willen weten, lees ik het hun voor. Dat is een groote eer voor mij, een post van vertrouwen, begrijpt ge?'
Het mannetje knikte een paar malen zeer ernstig en stak een wijsvingertje op.
'Waaraan waart gij nu bezig?'
'Aan de geschiedenis van Kribbelgauw, den grooten held der kruisspinnen, die heel lang geleden leefde en een net had, dat over drie boomen gespannen was, waarin hij millioenen vliegen op één dag ving. Vóór Kribbelgauw's tijd maakten de spinnen geen netten en leefden van gras en doode beestjes; maar Kribbelgauw was een knappe kop en bewees, dat ook levende beestjes tot spinnenvoedsel gemaakt waren. Toen vond Kribbelgauw ook de kunstige netten uit, door moeilijke berekeningen, want hij was een groot wiskunstenaar. En de kruisspinnen maken nog altijd haar netten precies, draadje aan draadje zooals hij het geleerd heeft, maar veel kleiner. Want het spinnengeslacht is erg ontaard. Kribbelgauw ving groote vogels in zijn net en vermoordde duizend van zijn eigen kinderen, dat was nog eens een groote spin. Eindelijk is er een geweldige storm gekomen en heeft Kribbelgauw met zijn net en de drie boomen, waaraan het vastzat, mede door de lucht gesleept, naar verre bosschen, waar hij nu eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust en vlugheid.'
'Is dat alles waar?' vroeg Johannes.
'Het staat in dit boekje,' zeide Wistik.
'Gelooft gij het?'
De kabouter kneep één oog dicht en legde den wijsvinger langs den neus.
'In de heilige boekjes van andere dieren, waarin over Kribbelgauw gesproken wordt, heet hij een verfoeilijk en verachtelijk monster. Maar ik houd er mij buiten.'
'Is er ook een kabouterboekje, Wistik?'
Wistik keek Johannes eenigszins wantrouwend aan.
'Wat zijt gij eigenlijk voor een wezen, Johannes? Gij hebt zoo iets … zoo iets … menschelijks, zou ik zeggen.'
'Neen! neen! wees gerust, Wistik,' zeide Windekind toen, 'wij zijn elfen. Maar Johannes heeft vroeger veel menschen gezien. Gij kunt hem echter vertrouwen. Het zal hem geen kwaad doen.'
'Ja! ja! dat is goed en wel, maar ik heet de wijste der kabouters en ik heb lang en ijverig gestudeerd vóórdat ik wist wat ik weet. Nu moet ik voorzichtig zijn met mijn wijsheid. Als ik te veel vertel, verlies ik mijn reputatie.'
'Maar in welk boekje denkt gij dan, dat het rechte staat?'
'Ik heb veel gelezen, maar ik geloof niet, dat ik dat boekje ooit gelezen heb. Het is niet het elfenboekje, ook niet het kabouterboekje. Toch moet het er zijn.'
'Het menschenboekje misschien?'
'Dat ken ik niet, maar ik zou het niet denken. Want het ware boekje moet groot geluk en grooten vrede brengen, daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen. Nu, zóó ver zijn de menschen, geloof ik, niet.'
'O! O neen!' lachte Windekind.
'Is er stellig zulk een boekje?' vroeg Johannes gretig.
'Ja! ja!' fluisterde het kaboutertje, 'ik weet het uit oude, oude verhalen. En—stil!—ik weet ook waar het is en wie het vinden kan.'
'O! Wistik! Wistik!'
'Waarom hebt gij het dan nog niet?' vroeg Windekind.
'Geduld maar, dat zal wel gebeuren. Enkele bizonderheden weet ik nog niet. Doch spoedig zal ik het vinden. Ik heb er mijn leven lang voor gewerkt en naar gezocht. Want voor hem, die het vindt, zal het leven zijn als een eeuwige herfstdag, blauwe lucht omhoog en blauwe nevel rondom, doch geen vallend blad zal ritselen, geen takje zal kraken en geen druppel zal tikken, de schaduwen zullen niet veranderen, en het goud op de boomtoppen zal niet verbleeken. Wat ons licht schijnt, zal duister zijn, en wat ons gelukkig schijnt, zal droevig wezen voor hem die dat boekje gelezen heeft. Ja! dit alles weet ik, en ik zal het ook eenmaal vinden.'
Het kaboutertje trok de wenkbrauwen zeer hoog op en legde den vinger op zijn mond.
'Wistik zoudt gij mij kunnen leeren …' begon Johannes; doch eer hij kon uitspreken, voelde hij een hevige windvlaag en zag een groote, zwarte gedaante vlak boven zich, die snel en onhoorbaar voorbijschoot.
Toen hij weer naar Wistik keek, zag hij nog even een voetje in den boomstronk verdwijnen. Wip! was het kaboutertje voorover in zijn hol gesprongen, met boek en al. Het kaarsje begon flauwer en flauwer te branden en ging opeens uit. Het zijn zeer bizondere kaarsjes.
'Wat was dat?' vroeg Johannes, zich in het duister angstig aan Windekind vastklemmend.
'Een nachtuil,' zeide Windekind.
Zij zwegen beiden een tijdlang. Toen vroeg Johannes: 'Gelooft gij watWistik gezegd heeft?'
'Wistik is niet zoo wijs als hij zelf denkt. Zulk een boekje vindt hij nimmer, en gij ook niet.'
'Maar bestaat het?'
'Dat boekje bestaat zooals uw schaduw bestaat, Johannes! Hoe hard gij loopt en hoe omzichtig gij grijpt, gij zult haar niet inhalen of vatten. En eindelijk merkt ge dat ge u-zelven zoekt. Wees niet dwaas en vergeet dien kabouterpraat! Ik zal u honderd mooiere geschiedenissen vertellen. Ga mede; wij zullen naar den rand van 't bosch gaan en zien hoe onze goede Vader de witte wollen dauwdekens van de slapende weilanden licht. Ga mede!'
Johannes ging, doch Windekinds woorden begreep hij niet en zijn raad volgde hij niet. En terwijl hij den schitterenden herfstmorgen zag rijzen, mijmerde hij over het boekje, waarin stond, waarom alles is zooals het is, en herhaalde zachtjes bij zichzelve: 'Wistik! …'
Toen scheen het hem, de volgende dagen, alsof het niet zoo vroolijk en prettig meer was bij Windekind in het bosch en de duinen. Zijn gedachten waren niet geheel meer vervuld van al hetgeen Windekind zeide en hem liet zien. Telkens moest hij weder over dat boekje peinzen en daarover durfde hij niet spreken. Wat hij zag, scheen hem niet zoo mooi en wondervol meer als vroeger. De wolken waren zoo zwart en zwaar en maakten hem angstig, als zouden zij op hem neerkomen. Het deed hem pijn, als de herfstwind rusteloos de arme, moede boomen schudde en zweepte, dat de bleeke achterkant der groene bladeren boven kwam en geel loof en dorre takken opvlogen in de lucht.
Wat Windekind vertelde, gaf hem geen voldoening. Veel begreep hij niet, en nimmer kreeg hij een volkomen duidelijk en bevredigend antwoord, wanneer hij een van zijn oude vragen deed.
Dan moest hij weer aan dat boekje denken, waarin alles zoo klaar en eenvoudig geschreven stond, en aan dien eeuwig zonnigen stillen herfstdag, die dan volgen zou.
'Wistik! Wistik!'
Windekind hoorde het.
'Johannes! gij zult toch een mensch blijven, vrees ik. Zelfs uw vriendschap is als die van menschen, de eerste, die tot u sprak na mij, heeft al uw vertrouwen weggenomen. Ach, mijn moeder had wel gelijk!'
'Neen Windekind! maar gij zijt zooveel wijzer dan Wistik, gij zijt ook zoo wijs als dat boekje. Waarom zegt gij mij alles niet? Zie, nu! waarom blaast de wind door de boomen, dat zij moeten buigen en weer buigen? Zie, zij kunnen niet meer, de mooiste takken breken, en bij honderden laten de blaadjes los ook al zijn ze nog groen en frisch. Ze zijn zoo moede en kunnen niet meer vasthouden, en toch worden ze telkens weer opnieuw geschud en geslagen door dien ruwen nijdigen wind. Waarom is dat? Wat wil de wind?'
'Arme Johannes! dat is menschentaal!'
'Laat het stil worden, Windekind! Ik wil stilte en zonneschijn!'
'Gij vraagt en wilt als een mensch, daarvoor is antwoord noch vervulling. Als gij niet beter leert vragen en wenschen, zal de herfstdag nimmer voor u aanbreken, en gij wordt als de duizenden menschen, die Wistik gesproken hebben.'
'Zijn er zooveel?'
'Ja, duizenden! Wistik hield zich heel geheimzinnig maar toch is hij een prater, die zijn geheim niet verzwijgen kan. Hij hoopt het boekje bij de menschen te vinden, en deelt zijn wijsheid aan ieder mee, die hem misschien kan helpen. En al veel ongelukkigen heeft hij er mede gemaakt. Zij gelooven hem en gaan het boekje zoeken, met evenveel ijver als sommigen de kunst om goud te maken. Zij offeren alles op, vergeten al hun bedrijf en geluk en sluiten zich op tusschen dikke boeken, vreemde stoffen en werktuigen. Zij wagen hun leven en gezondheid, ze vergeten den blauwen hemel en de goede, milde natuur en ook hun medemenschen. Soms vinden zij mooie en nuttige dingen als goudklompen, die zij uit hun holen op de lichte, zonnige aardoppervlakte gooien, doch zelf bekommeren zij zich daar niet om, laten anderen er van genieten en graven en wroeten ingespannen en rusteloos in het duister voort. Geen goud zoeken zij, maar het boekje. Sommigen versuffen ook onder den arbeid, vergeten hun doel en hun wensch en dwalen af tot jammerlijk gebeuzel. Dan heeft de kabouter hen kindsch gemaakt. Men ziet ze torentjes van zand bouwen en tellen hoeveel korrels er noodig zijn voordat ze omvallen; ze maken watervalletjes en berekenen precies elk bochtje en golfje, dat het water maken zal; ze graven kuiltjes en besteden al hun geduld en vernuft, om die mooi glad en zonder steentjes te krijgen. Stoort men die arme verdwaasden in hun werk en vraagt men wat zij doen, dan zien zij u ernstig en gewichtig aan, schudden het hoofd en mompelen: 'Wistik! Wistik!' Ja, dit alles is de schuld van dien kleinen, naren kabouter. Pas op voor hem, Johannes!'
Doch Johannes staarde voor zich naar de zwaaiende en piepende boomen; boven zijn heldere kinderoogen plooide zich de teedere huid tot rimpels. Nog nooit had hij zoo ernstig gekeken.
'Maar toch, ge hebt het zelf gezegd, het boekje was er! O, ik weet zeker, daar staat ook in van het Groote Licht, dat gij mij niet noemen wilt.'
'Arme, arme Johannes!' zeide Windekind, en zijn stem was boven het roezig geruisch van den storm als een vredig choraalgezang, dat van verre klonk. 'Heb mij lief, heb mij lief met uw geheele wezen. In mij vindt gij meer dan dat wat ge wenscht. Gij zult begrijpen wat gij u niet denken kunt, en gij zult zelf zijn, wat gij verlangt te kennen. Aarde en hemel zullen uw vertrouwden, de sterren zullen uw naasten, de oneindigheid zal uw woning zijn.
'Heb mij lief, heb mij lief! omvat mij als de hoprank den boomstam, blijf mij trouw als het meer den bodem, in mij alleen is al uw rust, Johannes!'
Windekind's woorden zwegen, doch het was alsof het choraalgezang voortduurde. Uit verwijderde verte scheen het aan te zweven, plechtig en gelijkmatig, door het razen en suizen van den wind, vredig als het maanlicht, dat door de jagende wolken scheen.
Windekind breidde de armen uit, en Johannes sliep aan zijne borst, beschermd door het blauwe manteltje.
Doch in den nacht werd hij wakker. De stilte was plotseling en onmerkbaar over de aarde gekomen, de maan onder de kimmen gedaald. Roerloos hing het afgematte loover, zwijgende duisternis vervulde het bosch.
Daar kwamen de vragen in snelle, spookachtige opvolging in Johannes' hoofd terug en dreven het nog zoo jonge vertrouwen voor zich uit. Waarom waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven? Waarom? Waarom?
Daar dansten in de diepte van 't kreupelhout weder de blauwe lichtjes. Zij kwamen en gingen. Ingespannen staarde Johannes hen na. Hij zag het groote, heldere lichtje glanzen op den donkeren boomstronk. Windekind sliep vast en rustig. 'Nog één vraag!' dacht Johannes en gleed onder het blauwe manteltje weg.
'Zijt ge daar weer!' zeide Wistik en knikte hartelijk. 'Dat doet mij zeer veel genoegen. Waar is uw vriend?'
'Daarginder. Ik wilde u alleen nog één vraag doen. Wilt gij mij daarop antwoorden?'
'Gij zijt bij menschen geweest, niet waar? Is het u om mijn geheim te doen?'
'Wie zal dat boekje vinden, Wistik?'
'Ja, Ja! dat is het! dat is het! Wilt ge mij helpen, als ik het u zeg?
'Als ik kan, zeker!'
'Luister dan, Johannes!' Wistik zette verbazend groote oogen en trok zijn wenkbrauwen hooger op dan ooit. Toen fluisterde hij langs den rug van zijn handje: 'Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd, en roodborstje weet den weg.'
'Is dat waar? Is dat waar?' riep Johannes en dacht aan zijn sleuteltje.
'Ja!' zeide Wistik.
'Waarom vond het nog niemand dan? Zooveel menschen zoeken er naar.'
'Ik heb geen mensch, geen mensch gezegd, wat ik u vertrouwd heb. Ik vond nog nooit een elfenvriend.'
'Ik heb het, Wistik! ik kan u helpen!' Johannes juichte en klapte in de handen. 'Ik zal het Windekind vragen.'
Weg vloog hij over mos en dorre bladeren. Doch hij struikelde telkens, en zijn tred was zwaar. Dikke takken knapten onder zijn voet, waar hij anders geen grashalmpje boog.
Daar was de dichte varenplant, waaronder zij geslapen hadden, wat leek zij hem laag.
'Windekind!' riep hij. Doch hij schrikte van het geluid van zijn stem.
'Windekind!' Het klonk als een menschenstem, een schuwe nachtvogel vloog krijschend op.
Ledig was het onder den varenstruik, Johannes zag niets.
De blauwe lichtjes waren verdwenen; het was kil en grondeloos duister om hem heen. Boven zich zag hij de zwarte schimmen der boomkruinen tegen de sterrenlucht.
Nog ééns riep hij. Toen durfde hij niet meer. Zijn stem was een schennis in de stilte, en Windekinds naam scheen een spotklank.
Toen viel het arme Johannesje neder en snikte in radeloos berouw.
Kil en grauw was de morgen. De zwarte glimmende takken, door den storm ontbladerd, weenden in den mist.
Over het natte, neêrgeslagen gras liep de kleine Johannes haastig voort, voor zich uit starend naar den kant, waar het woud lichter werd, als had hij daar een doel. Zijn oogen waren rood van 't weenen en strak van angst en jammer. Zoo had hij den ganschen nacht geloopen, alleen zoekend naar het licht, met Windekind was het veilig thuisgevoel weg. In elke donkere plek zat het spook der verlatenheid, en hij durfde niet omzien.
Eindelijk kwam hij aan den boschrand. Hij zag over een weiland, waarop een fijne, klamme regen langzaam neêrstreek. Er stond een paard midden in, naast een kalen wilgeboom. Het stond onbeweeglijk met gebogen kop, en het water droppelde traag van zijn glimmende zijden en uit de saamgepakte manen.
Johannes liep door, langs het bosch. Hij keek met matten, angstigen blik naar het eenzame paard en den grauwen regennevel en kreunde zacht.
'Nu is alles uit,' dacht hij; 'nu zal de zon wel nooit meer terugkomen.Nu zal het altoos voor mij blijven zooals hier.'
Toch durfde hij in zijn wanhoop niet stilstaan, dan zou het vreeselijkste komen, dacht hij.
Toen zag hij het groote hek van een buitenplaats en een huisje, onder een lindeboom met helder-gele bladeren.
Hij ging het hek in en liep door de breede lanen, waar de bruine en gele lindebladeren in een dikke laag den grond bedekten. Langs de grasperken groeiden paarse asters en andere kleurige herfstbloemen verwilderd dooreen.
Hij kwam aan een vijver. Daarbij stond een groot huis met lage ramen en glazen deuren. Rozenstruiken en klimop groeiden tegen de muren. Het was overal doodsch en gesloten. Half ontbladerde kastanjeboomen stonden stil rondom, en op den grond, tusschen het afgevallen loover, zag Johannes de glimmend bruine kastanjes blinken.
Toen week het kille, doode gevoel van hem. Hij dacht aan zijn eigen huis, daar waren ook kastanjeboomen, en altijd ging hij in dezen tijd de gladde kastanjes zoeken. Hij begon plotseling te verlangen, alsof hij een bekende stem had hooren roepen. Hij zette zich op een bank bij het groote huis en schreide zich rustig.
Een eigenaardige geur deed hem opkijken. Er stond een man bij hem, met een wit voorschoot om en een pijp in den mond. Om zijn middel had hij strooken lindebast, waarmede hij de bloemen opbond. Johannes kende dien reuk zoo goed, hij deed hem aan zijn eigen tuin denken en aan den tuinman, die hem mooie rupsen bracht en spreeuweneieren voor hem uithaalde.
Hij schrikte niet, al was het een mensch, die bij hem stond. Hij vertelde den man dat hij verlaten en verdwaald was, en dankbaar volgde hij hem naar de kleine woning onder den geelgebladerden lindeboom.
Daarbinnen zat de tuinmansvrouw en breide zwarte kousen. Over het turfvuurtje op de haardplaat hing een groote ketel water te koken. Op de vloermat bij het vuur zat een kat met gevouwen voorpooten, juist zooals Simon gezeten had, toen Johannes van huis ging.
Johannes werd bij het vuur gezet, om zijn voeten te drogen. 'Tik!—Tik! —Tik!—Tik!' zeide de groote hangklok. Johannes keek naar den stoom, die suizend uit den ketel vloog, en naar de kleine vlammetjes, die vlug en grillig om de turven huppelden. 'Nu ben ik onder menschen,' dacht hij.
Dat was niet naar. Hij voelde zich kalm en rustig. Zij waren goed en vriendelijk en vroegen hem, wat hij nu het liefst wilde. 'Het liefst wilde ik hier blijven,' antwoordde hij.
Hier had hij rust, en als hij naar huis ging, zouden er verdriet en tranen komen. Hij had moeten zwijgen, en men zou hem zeggen, dat hij kwaad had gedaan. Hij zou alles terug moeten zien en alles nog eens moeten denken.
Wel verlangde hij naar zijn kamertje, naar zijn vader, naar Presto, maar hij droeg liever het stille verlangen hier, dan het pijnlijke moeilijke wederzien. En het was of hij hier aan Windekind kon blijven denken, en thuis niet.
Windekind was nu zeker weggegaan. Ver weg naar het zonnige land, waar de palmen over de blauwe zee heenbuigen. Hij wilde hier boete doen en op hem wachten.
Daarom smeekte hij de beide goede menschen, of hij bij hen mocht blijven. Hij zou gehoorzaam zijn en voor hen werken. Hij zou helpen den tuin en de bloemen te verzorgen. Alleen dezen winter maar. Want hij hoopte in stilte, dat Windekind met de lente zou terugkomen.
De tuinman en zijn vrouw dachten dat Johannes was weggeloopen, omdat hij thuis hard behandeld werd. Zij hadden medelijden met hem, en beloofden hem, dat hij blijven mocht.
Hij bleef en hielp de bloemen in den tuin verzorgen. Een slaapkamertje gaf men hem, met een bedstede van blauwe planken. Daaruit zag hij 's ochtends de natte, gele lindebladeren langs het venster strijken en 's nachts de donkere stammen heen en weer wiegelen, waarachter de sterren schuilevinkje speelden. Nu gaf hij namen aan de sterren en noemde de helderste: Windekind.
Aan de bloemen, die hij meest alle kende van huis, vertelde hij zijne geschiedenis. Aan de ernstige, groote asters, aan de kleurige zinnia's, aan de witte chrysanthen, die zoo lang bleven bloeien in het ruwe najaar. Toen alle andere bloemen dood waren, stonden de chrysanthen nog, en zelfs toen op een morgen de eerste sneeuw gevallen was en Johannes vroeg naar haar kwam kijken, staken zij haar vroolijke gezichtjes op en zeiden: 'Ja, wij zijn er nog! Dat hadt ge niet gedacht!' Zij hielden zich goed, doch twee dagen later waren zij allen dood.
Maar in de serre prijkten dan nog palmen en boomvarens en hingen de vreemde bloemtrossen der orchideeën in de vochtige zoelte. Met verwondering staarde Johannes in haar prachtige kelken en dacht aan Windekind. Hoe kil en kleurloos scheen alles dan, als hij buiten kwam, de natte sneeuw met de zwarte voetstappen en de rafelende, druipende boomgeraamten.
Alleen als de sneeuwvlokken uren en uren achtereen zwijgend waren neergezegen, zoodat de twijgen bogen onder het aangroeiend dons, liep Johannes graag in de violette schemering van het sneeuwbeschaduwd bosch. Dat was stilte, maar geen dood. En het was bijna schooner dan zomergroen, als het blinkend wit der gekruiste takjes tegen den helderblauwen hemel afstak, of als een te zwaar beladen struik het sneeuwloof van zich af liet glijden, zoodat het, tot een schitterend wolkje verstuivend, daalde.
Eens op zulk een wandeling, toen hij zoo ver gekomen was, dat hij niets om zich zag dan sneeuw en sneeuwdragende takken,—half wit, half zwart—en alle geluid en leven verdoofd schenen in het glinsterend donzen hulsel, gebeurde het, dat hij een klein, wit diertje snel voor zich uit meende te zien loopen. Hij volgde het,—het geleek op geen diertje, dat hij kende,—doch toen hij het wilde grijpen, verdween het schielijk in een boomstronk. Johannes tuurde in de ronde zwarte opening waarin het verdwenen was, en dacht: 'Zou dat Wistik zijn?'
Hij dacht niet veel aan hem. Het scheen hem slecht, en hij wilde zijn boete niet verzwakken. En het leven bij de twee goede menschen deed hem weinig vragen. Wel moest hij 's avonds voorlezen uit een dik boek waarin veel over God gesproken werd, doch hij kende dat boek en las gedachteloos.
Den nacht echter na die wandeling in de sneeuw, lag hij wakker in zijn bedstede en keek naar het koude schijnsel der maan op den vloer. Daar zag hij opeens twee kleine handjes, die boven de beddeplank uitkwamen en zich stevig om den rand haakten. Toen verscheen de punt van een wit pelsmutsje tusschen de twee handjes, en eindelijk zag hij een paar ernstige oogjes onder hoog getrokken wenkbrauwen.
'Goeden avond, Johannes!' zeide Wistik. 'Ik kwam u even herinneren aan onze afspraak. Gij kunt het boekje nog niet gevonden hebben, want het is nog geen lente. Maar denkt gij er wel om? Wat is dat voor een dik boek, waarin ik u heb zien lezen? Dat kan het echte niet zijn. Denk dat niet.'
'Dat denk ik niet, Wistik,' zeide Johannes. Hij keerde zich om en wilde slapen. Doch het sleuteltje wilde hem niet uit het hoofd. En als hij voortaan in het dikke boek las, dacht hij er bij, en hij zag dan duidelijk dat het niet het echte was.
'Nu zal hij komen!' dacht Johannes, toen de eerste maal de sneeuw was weggesmolten en hier en daar de sneeuwklokjes bij groepjes te voorschijn kwamen. 'Zou hij nu komen?' vroeg hij aan de sneeuwklokjes. Doch zij wisten het niet en bleven met hangende hoofdjes naar de aarde kijken, alsof zij beschaamd waren over hun haast en wel weer weg wilden kruipen.
Konden zij maar! De verstijvende oostenwind begon alras weer te blazen, en de sneeuw stapelde zich hoog over de voorbarige stumpertjes.
Weken later kwamen de viooltjes, hun zoete geur zweefde tusschen het kreupelhout, en toen de zon lang en warm op den mossigen grond geschenen had, ontloken ook de blonde primula's bij honderden en duizenden.
De schuwe violen met haar sterke geuren waren geheimzinnige voorboden van komende heerlijkheid, doch de vroolijke primula's waren de blijde werkelijkheid zelve. De ontwaakte aarde had de eerste zonnestralen vastgehouden en maakte er een gouden siersel van. 'Nu dan! nu komt hij toch zeker!' dacht Johannes. Met spanning bezag hij de knoppen aan de takken hoe zij van dag tot dag langzaam zwollen en zich uit de schors loswrongen, tot de eerste bleekgroene puntjes tusschen de bruine schubben te voorschijn kwamen. Lang bleef Johannes op die groene blaadjes kijken, hij zag ze toch nooit bewegen, en als hij zich even had omgedraaid, schenen ze grooter geworden. 'Ze durven niet, als ik hen aankijk,' dacht hij.
Reeds begon het groen schaduw te werpen. Nog was Windekind niet gekomen, geen duif was bij hem neergestreken, geen muisje had tegen hem gesproken. Als hij tot de bloemen sprak, knikten zij slechts even en antwoordden niet. 'Mijn straf is nog niet om,' dacht hij.
Toen kwam hij op een zonnigen lentemorgen bij den vijver van het huis.De ramen waren alle wijd geopend. Zouden er menschen in gekomen zijn?
De vogelkers-struik, die aan den vijver stond, was al heelemaal met teedere blaadjes overdekt, alle twijgen hadden fijne, groene vleugeltjes gekregen. Op het gras bij de vogelkers lag een meisje. Johannes zag alleen haar licht-blauw kleedje en blond haar. Een roodborstje, dat op haar schouder zat, pikte uit haar hand.
Op eenmaal wendde zij het hoofd om en zag Johannes. 'Dag jongetje!' zeide zij en knikte vriendelijk.
Weer tintelde het Johannes van het hoofd tot de voeten. Dat warenWindekind's oogen, dat was Windekind's stem.
'Wie zijt ge?' vroeg hij. Zijn lippen beefden van aandoening. 'Ik ben Robinetta! en dit is mijn vogel. Hij zal niet schuw voor je zijn. Hou je van vogels?'
Het roodborstje was niet schuw voor Johannes. Het vloog op zijn arm. Dat was juist als vroeger. Het moest toch Windekind zijn, dat blauwe wezen.
'Vertel me eens hoe je heet, jongetje,' zeide Windekind's stem.
'Kent gij mij niet? Weet ge niet, dat ik Johannes heet?'
'Hoe zou ik dat weten?'
Wat beteekende dat? Het was toch die bekende, zoete stem, het waren toch die donkere, hemeldiepe oogen.
'Hoe zie je mij zoo aan, Johannes? Heb je mij ooit meer gezien?'
'Ja ik geloof het wel.'
'Dat heb je toch zeker gedroomd.'
Gedroomd? dacht Johannes. Zou ik alles gedroomd hebben? Of zou ik nu droomen?
'Waar zijt gij geboren?' vroeg hij.
'Heel ver van hier, in een groote stad.'
'Bij menschen?'
Robinetta lachte. Het was Windekind's lach. 'Ik geloof het wel. Jij niet?'
'Ach ja, ik ook!'
'Spijt je dat? Hou je niet van menschen?'
'Neen! Wie zou van menschen houden?'
'Wie? Wel, Johannes, wat ben je een raar jongetje! Hou je meer van dieren?'
'O, veel meer, en van bloemen.'
'Ik doe dat eigenlijk ook wel eens. Een enkelen keer. Maar dat is niet goed. Wij moeten van menschen houden, zegt Vader.'
'Waarom is dat niet goed? ik houd van wien ik wil, of het goed is of niet.'
'Foei, Johannes! Heb je dan geen ouders of iemand die voor je zorgt? Hou je niet van hen?'
'Ja,' zeide Johannes nadenkend. 'Ik houd van mijn vader. Maar niet, omdat het goed is. Ook niet omdat hij een mensch is.'
'Waarom dan?'
'Dat weet ik niet, omdat hij niet is als andere menschen, omdat hij ook van bloemen en vogels houdt.'
'Dat doe ik ook Johannes! dat zie je.' En Robinetta riep het roodborstje op haar hand en sprak het vriendelijk toe.
'Dat weet ik,' zeide Johannes. 'Ik houd ook veel van u.'
'Nu al? Dat is vlug!' lachte het meisje. 'Van wie hou je wel het meeste?'
'Van …' Johannes weifelde. Zou hij Windekind's naam noemen? De vrees, dat die naam hem tegenover menschen mocht ontvallen, was onafscheidelijk van al zijn denken. En toch, was dit blonde wezen in het blauwe kleed Windekind niet? Wie anders kon hem dat gevoel van rust en geluk geven? 'Van u!' zeide hij opeens en zag met vollen blik in de diepe oogen. Moedig waagde hij die volkomen overgave, maar hij was toch angstig en wachtte gespannen de ontvangst van zijn kostbaar geschenk.
Weer lachte Robinetta met helderen lach, doch zij vatte zijne hand, en haar blik werd niet koeler, haar stem niet minder innig.
'Wel, Johannes,' zeide zij, 'waarmeê heb ik dat zoo op eens verdiend?'Johannes antwoordde niet en bleef haar aanzien met groeiend vertrouwen.Robinetta stond op en legde haar arm om Johannes' schouders. Zij wasgrooter dan hij.
Zoo wandelden zij door het bosch en plukten groote bundels sleutelbloemen, totdat zij wel weg konden schuilen onder den berg van doorschijnend geel gebloemte. Het roodborstje vloog mede van tak tot tak en gluurde naar hen met schiiterende zwarte oogjes.
Zij spraken niet veel, doch keken elkaar dikwijls van ter zijde aan. Zij waren beiden verbaasd over hun ontmoeting en half onzeker, wat zij van elkaar denken moesten.
Doch spoedig moest Robinetta terug, het speet haar.
'Nu moet ik weg, Johannes! Maar wil je nog eens wandelen met me? Ik vind je een aardig jongetje,' zeide zij bij 't heengaan.
'Wiet! wiet!' zei het roodborstje en vloog haar achterna.
Toen zij weg was, en alleen haar beeld bij hem achterbleef, twijfelde hij er niet meer aan wie zij was.
Zij was dezelfde wie hij al zijn vriendschap had gegeven, de naamWindekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.
En alles werd weer om hem heen, zooals het vroeger geweest was. De bloemen knikten vroolijk, en haar geur verdreef het weemoedig verlangen naar huis, dat hij tot nu toe gevoeld en gekweekt had. Tusschen het teedere groen, in de lauwe, mollige lentelucht, voelde hij zich op eens thuis, als een vogel, die zijn nest gevonden had. Hij moest de armen uitstrekken en diep ademhalen. Hij was zoo gelukkig. Op den weg naar huis zweefde de lichte blauwe gestalte met de blonde haren voor hem uit, altijd voor hem uit, welken kant hij ook opkeek. Het was alsof hij in de zon gekeken had en het zonnebeeld overal met zijn blik medevloog.
Van dien dag af ging Johannes elken helderen morgen naar den vijver. Hij ging vroeg, zoodra hij gewekt werd door het kijven der musschen in de klimopbladeren om zijn venster, en het gekwetter en gerekte getjilp der spreeuwen, die op de dakgoot fladderden en krieuwden in den jongen zonneschijn. Dan snelde hij vlug door 't vochtige gras tot dicht bij het huis en wachtte achter de seringenstruiken, totdat hij de glazen deur hoorde opengaan en de lichte gedaante op hem toe zag komen.
Dan wandelden zij door het bosch en door de duinen, waaraan het bosch grensde. Zij spraken over al wat zij zagen, over de boomen en de planten en duinen. Johannes had een vreemd, duizelig gevoel, als hij met haar liep, hij dacht zich somtijds weer zoo licht dat hij door de lucht zou kunnen vliegen. Doch dat gebeurde nooit. Hij vertelde de geschiedenissen, die hij van de bloemen en dieren wist door Windekind. Doch hij vergat hoe hij ze geleerd had, en Windekind bestond niet meer voor hem, alleen Robinetta. Hij genoot, als zij tegen hem lachte en hij vriendschap zag in haar oogen en hij sprak tot haar, zooals hij vroeger tot zijn hondje gesproken had: alles wat in hem opkwam, zonder weifeling of schuwheid. De uren, dat hij haar niet zag, dacht hij aan haar, en elke bezigheid deed hij met de vraag, of Robinetta het goed of mooi zou vinden.
En zij-zelve scheen altoos zoo blij, als zij hem zag; dan glimlachte zij en liep haastiger. Zij had hem ook gezegd dat zij met niemand zoo graag wandelde als met hem.
'Maar, Johannes,' vroeg zij eens, 'hoe weet je al die dingen? Hoe weet je wat de meikevers denken, wat de lijsters zingen, hoe het er in het konijnenhol en op den bodem van het water uitziet?'
'Ze hebben het mij verteld,' antwoordde Johannes, 'en ik ben zelf in een konijnenhol geweest en op den bodem van het water.'
Robinetta trok de fijne wenkbrauwen samen en keek hem half spottend aan.Doch zij vond geen valschheid.
Zij zaten onder seringenboomen, waarvan dikke, paarse bloemtrossen afhingen. Vóór hen lag de vijver, met riet en kroos. Zij zagen de zwarte torretjes in kringen over het vlak glijden en roode spinnetjes bedrijvig op en neder duiken. Het krioelde van wriemelend leven daar. Johannes keek, in herinneringen verzonken, in de diepte en zeide:
'Daar ben ik eens gedoken; ik gleed langs een riethalm af en kwam op den bodem. Die is heelemaal met dorre bladeren bedekt, dat loopt zoo licht en zacht. Het is altijd schemerig, groene schemering, want het licht valt door het groene kroos. En boven mijn hoofd zag ik de lange, witte worteltjes van het kroos neerhangen. Er kwamen salamanders om mij heen zwemmen, die zijn heel nieuwsgierig. Het is vreemd, als zulke groote dieren zoo over je heen zwemmen, en ik kon niet ver vooruitzien, daar was het donker, maar ook groen. En uit dat donker kwamen de dieren als zwarte schaduwen te voorschijn. Watertorren met roeipooten en platte wantsen, soms ook een klein vischje. Ik ging heel ver, uren ver, geloof ik, en midden in was een groot bosch van waterplanten, waar slakken tegenop kropen en waterspinnen glinsterende nestjes bouwden. Stekelbaarsjes schoten er door en bleven mij soms met open mond en trillende vinnen aankijken, zoo verbaasd waren ze. Daar heb ik kennis gemaakt met een aal, wien ik bij ongeluk op zijn staart trapte. Die heeft mij van zijn reizen verteld; hij was tot in zee geweest, zeide hij. Men had hem daarom koning gemaakt in den vijver, want niemand was zoover geweest. Hij lag altijd in de modder te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was, men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig. O, het was prachtig mooi in dien vijver!'
'Waarom kun je dan nu niet meer daarheen gaan?'
'Nu?' vroeg Johannes en keek haar met groote peinzende oogen aan.
'Nu? Nu kan ik niet meer. Ik zou daar verdrinken. Maar het is niet noodig. Ik ben liever hier, bij de seringen en bij u.'
Robinetta schudde verwonderd het blonde hoofdje en streek Johannes over het haar. Toen keek ze naar haar roodborstje, dat aan den rand van den vijver allerlei lekkernijen scheen te vinden. Hij keek even op en bleef beiden een oogenblik met zijn heldere oogjes aanzien.
'Begrijp jij er iets van, vogelijn?'
Het vogelijn keek heel slim en ging toen voort met zoeken en pikken.
'Vertel mij verder, Johannes, van wat je gezien hebt.'
Dat deed Johannes gaarne, en Robinetta luisterde, geloovig en aandachtig.
'Maar waarom is dat alles opgehouden? Waarom kun je nu met mij niet gaan? daar overal heen? Ik wilde ook graag.'
Johannes spande zijne herinnering in, doch een zonnig waas bedekte den donkeren afgrond, dien hij was overgegaan. Hij wist niet juist meer, hoe hij zijn vorig geluk verloren had.
'Ik weet het niet recht, gij moet er niet naar vragen. Een naar klein wezentje heeft alles bedorven. Maar nu is het er weer. Nog beter dan vroeger.'
De seringengeur daalde uit de heesters op hen neer en het gegons der vliegen over het watervlak en de stille zonnestralen doordrongen hen met zoete bedwelming. Totdat een bel op het huis met piependen zwaai begon te luiden, en Robinetta haastig wegvloog.
Toen Johannes dien avond in zijn kamertje kwam en naar de maan-schaduwen der klimopbladeren keek, die over de ruiten schoven, scheen het alsof er tegen het glas getikt werd.
Johannes dacht dat het een klimopblad was, dat in den nachtwind trilde. Doch het tikte zoo duidelijk, telkens driemaal achtereen, dat Johannes zachtkens het venster opende en behoedzaam rondzag. De klimopbladeren tegen het huisje glansden in den blauwen schijn, onder hen was een duistere wereld vol geheim: daar waren holen en spelonken, waarin het maanlicht kleine, blauwe vonkjes wierp, die hun duisternis nog dieper maakten.
Toen Johannes lang in die wondervolle schaduwwereld had gestaard, zag hij eindelijk den vorm van een klein mannetje, vlak naast het venster, verscholen onder een groot klimopblad. Hij herkende Wistik dadelijk aan de groote, verwonderde oogen onder de hooggetrokken wenkbrauwen. Op het puntje van Wistik's langen neus tekende de maan een klein vonkje.
'Hebt ge mij vergeten, Johannes? Waarom denkt ge er nu niet aan? Het is de rechte tijd. Hebt ge roodborstje den weg niet gevraagd?'
'Ach, Wistik, waarnaar zou ik vragen? Ik heb alles wat ik verlangen kan.Ik heb Robinetta.'
'Maar dat zal niet lang duren. En gij kunt nog gelukkiger worden enRobinetta zeker ook. En moet het sleuteltje dan daar blijven liggen?Denk eens hoe heerlijk als gij beiden het boekje vindt. Vraag erroodborstje naar; ik zal u helpen als ik kan.'
'Ik kan er altijd naar vragen,' zeide Johannes.
Wistik knikte en klom vlug naar beneden.
Nog lang keek Johannes naar de donkere schaduwen en de glanzende klimopbladeren voor hij naar bed ging.
Den volgenden dag vroeg hij het roodborstje of het den weg wist naar het gouden kistje. Robinetta hoorde verwonderd. Johannes zag het roodborstje knikken en schuins naar Robinetta gluren. 'Hier niet! hier niet!' tjilpte het vogeltje.
'Wat bedoel je, Johannes?' vroeg Robinetta.
'Weet ge er niets van, Robinetta? Weet ge niet, waar het te vinden is?Wacht ge niet op het gouden sleuteltje?'
'Neen, neen! Vertel eens, wat is dat?'
Johannes vertelde wat hij van dat boekje wist.
'En ik heb het gouden sleuteltje; ik dacht dat gij het gouden kistje hadt. Is het niet zoo, vogelijn?'
Doch het vogelijn deed of het niets hoorde en fladderde tusschen het jonge, lichte beukengroen.
Zij zaten tegen een duinhelling, waarop kleine beuke- en sparreboomen stonden. Een groen paadje liep er schuins tegen op, en zij zaten aan den rand daarvan, in dik, donkergroen mos. Zij konden over de toppen der laagste boompjes heen zien, op een groene looverzee met licht- en donker- getinte golven.
'Ik geloof wel, Johannes,' zei Robinetta nadenkend, 'dat ik voor je vinden kan, wat je zoekt. Maar wat bedoel je met dat sleuteltje? Hoe kom je daaraan?'
'Ja, hoe was dat, hoe was dat ook weer?' prevelde Johannes en staarde over het groen in de verte.
Als waren zij plotseling in het zonnige blauw ontstaan, kwamen hem opeens twee witte vlinders voor den blik. Zij dwarrelden, trilden en schitterden in het zonlicht, met onbestemde, grillige vlucht. Doch zij kwamen dichterbij.
'Windekind! Windekind!' fluisterde Johannes opeens in herinnering.
'Wie is dat? Windekind!' vroeg Robinetta.
Het roodborstje vloog kwetterend op, en de madelieven tusschen het gras vóór hem, schenen Johannes opeens geweldig verschrikt aan te staren, met hun wijde, witte oogjes.
'Gaf die je dat sleuteltje?' vroeg het meisje verder. Johannes knikte en zweeg, doch zij wilde meer weten. 'Wie was dat? Heeft die je alles geleerd? Waar is hij?'
'Nu is hij er niet meer. Nu is het Robinetta, niemand anders dan Robinetta, alleen Robinetta.' Hij omvatte haar arm en drukte er zijn hoofdje tegen.
'Mal jongetje!' zeide zij en lachte. 'Ik zal je het boekje laten vinden, ik weet waar het is.'
'Maar dan moet ik den sleutel gaan halen, en die is ver weg.'
'Neen, neen dat behoeft niet. Ik vind het zonder sleutel, morgen, morgen, ik beloof het je.
Toen zij naar huis gingen, fladderden de kapelletjes voor hen uit.
Johannes droomde dien nacht van zijn vader, van Robinetta en van vele anderen. Het waren allen goede vrienden; zij stonden om hem heen en zagen hem innig en vertrouwelijk aan. Doch op eenmaal waren de gezichten veranderd, hun blikken koel en spottend, hij keek angstig om, aan alle zijden wreede vijandige gezichten. Hij voelde een namelooze beklemming en werd schreiend wakker.