Chapter 2

DERDE HOOFDSTUK.Op den Oceaan.

DERDE HOOFDSTUK.Op den Oceaan.

Wie den volgenden dag in de courant de rubriek scheepstijdingen naging, zou daar onder meer hebben kunnen lezen: "Vertrokken van Rotterdam met bestemming naar New-York, het stoomschip "de Maasdam," met 70 kajuitspassagiers, t. w. Mijnheer A... Mevrouw B... Mejuffrouw C... enz. enz. benevens 525 tusschendekspassagiers." Voegen we daarbij nog de équipage van het schip, die uit ruim 50 koppen bestond, dan zien wij, dat ongeveer 650 menschen, overeenkomende met de geheele bevolking van een flink dorp, aan boord bijeen waren.

"Hoe is het mogelijk," zegt gij, "dat zulk een groot aantal menschen binnen zoo'n beperkte ruimte plaats kan vinden? Ze mogen wel als haringen in een ton gepakt zijn!" Nu, heel veel ruimte is er dan ook voor ieder niet beschikbaar; daarin hebt gij gelijk. Maar de schepen, waarmee landverhuizers naar de Nieuwe Wereld vervoerdworden, zijn er bijzonder op ingericht, om een groot aantal passagiers te kunnen bergen, en er is zooveel mogelijk van elke beschikbare ruimte partij getrokken. Zoo vindt men o. a. in de hutten voor de passagiers, die langs de zijden van het schip zijn geplaatst, soms drie kooien boven elkander, waardoor een talrijk gezin binnen een oppervlakte van slechts enkele vierkante Meters kan gehuisvest worden.

De kajuit, die zich in het achterschip bevindt en een groot en sierlijk gemeubeld vertrek vormt, strekt tot gezelschapszaal voor de passagiers der eerste klasse, wier afzonderlijke hutten er alle op uitkomen. Ook de kapitein en de stuurlieden hebben in dit gedeelte van het schip hun verblijf.

De machinekamer, met haar reusachtige machines, welke het trotsche zeegevaarte met groote kracht en snelheid over den Oceaan voortstuwen, scheidt de kajuit van het tusschendek, waar de talrijke tweede-klasse passagiers zich zoo goed mogelijk met de beschikbare ruimte moeten behelpen.

Onder het tusschendek is het scheepsruim, waarin de lading geborgen is, en nog verder naar voren heeft de equipage, zooals we trouwens reeds zagen, haar gemeenschappelijk logies.

Ter weerszijden van het schip hangen, in zware ijzeren davids, verscheidene booten, die in geval van nood in een oogenblik tijds te water gelaten kunnen worden. Of zij echter voldoende zijn, om allen, die zich aan boord bevinden, op te nemen, daaraan valt wel te twijfelen. En toch — maar laten we, na in hoofdzaken de inrichting van het schip te hebben medegedeeld, tot ons verhaal terugkeeren.

Van de eerste dagen der reis valt niet veel belangrijks te zeggen.

Toen de Hoofden, waar Engeland en Frankrijk het hoofd bijna aan elkander stooten, gepasseerd waren, had de loods zijn moeielijke taak verricht. Aan den ingang van het Kanaal ging hij over op den loodskotter, welke daar steeds kruisende is, om binnenvallende schepen van loodsen te voorzien, of de loodsen van uitzeilende schepen weer op te nemen. De man verliet het schip evenwel niet, zonder belast te zijn met een heele bezending in haast geschreven brieven, om de betrekkingen in het vaderland nog met eenige tijding omtrent het aanvankelijk welslagen der reis te verrassen.

Jan Vroolijk bleef natuurlijk niet achter, om te vertellen welk een onverwacht geluk hem en de zijnen te beurt gevallen was, door zijn vroegeren kameraad, Piet Vlug, hier als bootsman op de Maasdam terug te vinden. En wel mocht hij van geluk spreken; want tusschendeks, waar zooveel menschen waren opeengehoopt, was het lang niet alles. Zeeziekte, — vooral onder degenen, die voor dezen nog nooit den voet op een schip gezet hadden, — gevoegd bij een benauwde en drukkende warmte, maakte er het verblijf ver van benijdenswaardig.

In het voorschip daarentegen was het luchtig en frisch, en de kapitein had het verzoek van den bootsman, om zijn logies met een paar kennissen onder de passagiers te mogen deelen, gereedelijk toegestaan.

Dezen wenschten natuurlijk niets liever en maakten het er zich zoo gemakkelijk mogelijk.

Ook met de bemanning stonden zij weldra op een goeden voet. Jan Vroolijk toch, die het luieren en nietsdoen volstrekt niet gewoon was, en aan niets ter wereld meer hekel had dan aan stilzitten, hielp den volgenden dag reeds een handje bij het scheepswerk en gaf daarbij, nu zijn oude vroolijkheid te midden van zulk een opgewekte omgeving langzamerhand terugkeerde, ook al eens een kwinkslag ten beste. Zijn vrouw wist zich mede verdienstelijk te maken, door voor dezen en genen eens een knoop aan een broek te zetten of een scheur in een wambuis te herstellen.

En de kleine Willem?

Na twee dagen was hij de lieveling van de geheele bemanning. Hij ging van knie op knie, of lag, tot groot vermaak van Janmaat, langs het dek te rollen met den grooten scheepshond "Ami", een echte New-Foundlander, die wat in zijn schik was met zulk een aardigen speelkameraad!

Het goedige dier hechtte zich weldra zoo zeer aan het ventje, dat hij geregeld voor de deur der hut op wacht lag en de kleine dus wèl bewaakt zou geweest zijn, ook al had de moeder hem voor een oogenblik alleen gelaten. Daarvoor was deze echter veel te bezorgd. Als hem eens een ongeluk overkwam!....

Als.... Ze zou blij zijn, als ze eerst maar weer goed en wel aan wal stonden, hoe best ze het overigens ook getroffen hadden. Daaraan was evenwel nog in lang geen denken. Men bevond zich nog nauwelijks op den Oceaan. De Scilly-eilanden, het laatste wat men van Europa ziet, waren nog maar eenige uren uit het gezicht.

Ook zonder den minsten tegenspoed zou het dus nog minstens een dag of acht duren, eer aan gene zijde van den onmetelijken waterplas, waarop men zich thans bevond, het land weer voor hun oog verrijzen zou, al beweerde Piet Vlug ook schertsende, dat hij den reuk van de Amerikaansche kust al in den neus kreeg.

"Ja, de bootsman ruikt zelfs de spekpannekoeken al, die ze daar bakken," sprak een ander tot Jan Vroolijk. "Hij heeft een echten hondeneus!"

Onze gewezen schelpenvisscher bleef echter het antwoord niet schuldig. Met een ondeugend glimlachje wees hij naar het topje van den mast, en zei: "'k Dacht, dat een hond alleen vóór den wind af rook. Maar wil ik je eens wat zeggen. Jelui schiet met spek. De geur van de soep uit de kombuis zit je in den neus!"

't Was tegen schafttijd, moet ge weten. En zooals te denken is, had de kok een aardig keteltje met dat heerlijke gerecht te vuur.

Nu, waar zooveel monden moesten eten, mocht dat ook wel!

Het voedsel aan boord liet inderdaad niets te wenschen over. Al kwamen slager, bakker en melkboer hier ook niet aan de deur, zooals thuis, toch had men elken morgen versch brood en evenzoo iederen middag versch vleesch op tafel.

En melk bij de koffie ook?

Zonder twijfel. In gindsche stallen ziet ge eenige melkkoeien geplaatst, benevens het noodige vette vee, dat bestemd is om gedurende de reis geslacht te worden. Een slagerij ontbreekt dus evenmin als een bakkerij, en elken dag heeft men zoowel versch vleesch aan den haak, als nieuwe broodjes op de plaat.

De reis ging bij datalles zeer naar wensch. De eene dag na den anderen verliep onder het heerlijkste zomerweder, en een goede wind en kalme zee maakten, datook zij, die in den beginne zeer aan zeeziekte geleden hadden, spoedig weer op hun verhaal kwamen en langzamerhand aller blikken hoopvol naar het verre Westen gericht waren.

Allerlei spelletjes werden bedacht, om zich den tijd te korten, en vooral als de warmte van den dag voor een heerlijk avondkoeltje had plaats gemaakt, heerschte er aan dek van de Maasdam een gezellige drukte.

Overal zag men troepjes landgenooten bijeen, en uit elk gezelschapje steeg bij wijlen een hartelijke lach op.

Hier vertelde men elkander van het oude vaderland; daar deelde men elkaar zijn plannen en vooruitzichten voor de toekomst mee, en ginder weer bracht de een of andere grappenmaker met zijn aardigheden de lachspieren der luisteraars in beweging.

Als dat zoo eenigen tijd geduurd had, verstomden meestal de gesprekken en richtte zich aller oog en oor naar een troepje jonge Duitschers, die met volle en schoone stem een heerlijk avondlied aanhieven en over den Oceaan deden weerklinken.

Soms ook klonken de tonen van het een of ander muziekinstrument, en in een oogenblik was dan het dek van de Maasdam in een dansvloer herschapen, waarop vroolijke en levenslustige knapen en meisjes op de maat der muziek rondhuppelden.

Ten slotte echter zocht ieder zijn kooi weer op, om te gaan slapen met de hoop, dat de volgende dag even schoon weer mocht brengen en dat men spoedig behouden in het land zijner wenschen en droomen zou mogen aanlanden.

Op soortgelijke wijze was ook de avond van den 29 Augustus, den tienden dag der reis, in de meest opgewekte stemming voorbijgegaan. Men had geschertst, gezongen en gedanst en zich eindelijk vol moed ter ruste begeven, daar de onmiskenbare teekenen van het naderend einde der reis reeds duidelijk zichtbaar begonnen te worden.

Zeevogels waren dien dag over het schip heengevlogen; en had men midden op den oceaan slechts nu en dan in de verte een zeil ontdekt, gedurende de laatste uren waren daarentegen verscheidene schepen links en rechts de Maasdam gepasseerd, van welke men er zelfs enkele gepraaid had.

Voor velen, die maar niet konden begrijpen, hoe met voorbijzeilende schepen een buurpraatje kan gehouden worden, ook al is de afstand tusschen beide vaartuigen zóó groot, dat men elkaar niet beroepen, veel minder verstaan kan, was dit nog iets nieuws geweest.

Zij zagen nu, hoe verscheidene vlaggetjes van verschillenden vorm en kleur omhoog geheschen, daarna weer omlaag gehaald en door andere vervangen werden. Zij zagen ook, hoe daar ginds dezelfde bewegingen werden verricht met vlaggen van andere kleur en vorm en waren niet weinig verwonderd, als uitkomst van dat geheimzinnig gesprek te vernemen, dat het gepraaide schip zus of zoo heette, van A. of B. kwam en naar Y. of Z. bestemd was, dat men zooveel dagen reis had, dat alles wel aan boord was, enz. enz.

Gij zult zonder twijfel begrepen hebben, dat de inhoud der gesprekken, welke op deze wijze tusschen schepen op zee gewisseld worden, vooruit vastgesteld en aan de zeelieden bekend moet zijn.

In het daartoe aangelegde "Seinboek" is alles, wat men elkaar op zee al zoo te zeggen kan hebben, opgenomen en door vlaggen voorgesteld. Met dit boek in de handkan men dus omtrent vele dingen aan boord inlichtingen geven en ontvangen en elkander belangrijke zaken, de reis betreffende, mededeelen.

Een andere zaak, van het uiterste gewicht voor schepen, die den oceaan bevaren, betreft de bepalingen, welke vastgesteld zijn voor het varen gedurende den nacht en bij mistig weder. In het eerste geval dienen lantaarns, die een verschillend gekleurd licht geven, om de plaats waar zich het schip bevindt en de richting waarin het zich beweegt, aan te wijzen; in het tweede dienen daartoe kortere of langere stooten op den misthoorn of met de stoomfluit.

Hoe nuttig deze en dergelijke bepalingen zijn en hoe noodzakelijk het is, dat ze zorgvuldig nageleefd worden, blijkt maar al te dikwijls.

Niet zelden toch hebben er aanvaringen op zee plaats, die soms aan honderden menschen het leven kosten en doorgaans hun oorzaak hebben in gebrekkige naleving of verwaarloozing van de bestaande voorschriften.

Op de Maasdam werden deze echter ten strengste gehandhaafd. De kapitein gevoelde te zeer de groote verantwoordelijkheid, welke op hem rustte, om ook slechts een enkelen maatregel te verwaarloozen, welke de veiligheid van zijn schip en van hen, die zich daarop bevonden, kon bevorderen. Nauwelijks was dus de zon onder, of de lichten werden ontstoken, en den uitkijk voor op den boeg werd verdubbelde oplettendheid aanbevolen.

Ook den avond van den 29 Augustus, waarop zooveel onbezorgde vroolijkheid aan dek van de Maasdam heerschte, waren de noodige voorzorgsmaatregelen genomen, te meer noodig, nu men zich bij het naderen der kust langzamerhand te midden van drukker scheepvaart bevond. De nacht ging dan ook, zonder dat er iets bijzonders plaats had, voorbij; maar toen de dag aanbrak, hing er een zware, dichte mist over het water, die het uitzicht geheel belemmerde.

De kapitein liet dadelijk de vaart van het schip aanmerkelijk verminderen en gaf bevel tot het stipt uitvoeren der voorgeschreven signalen.

Daar weerklonk het eerste langgerekte gegil der stoomfluit, weldra door verscheidene korte stooten gevolgd.

De passagiers ontwaakten verschrikt uit hun slaap, en velen spoedden zich half gekleed naar boven, om te zien, wat er aan de hand was.

Tot de laatsten behoorde ook de vrouw van Jan Vroolijk. Door het ongewone leven ontwaakt, stond zij stilletjes op, om haar zoontje niet te wekken. En toen zij noch haar man, noch den bootsman in de kooi vond, snelde zij naar het dek, om daar van hen te vernemen, wat er aan de hand was.

De nevel was echter zoo dicht, dat het zelfs onmogelijk was, de lengte van het schip geheel te overzien en zij, naar wie de beangste vrouw zocht, schenen nergens te vinden.

Zij bevonden zich op het achterdek, waar de bootsman, voorzichtig als hij was, in alle stilte de sloepen zorgvuldig een voor een inspecteerde, om zich te overtuigen, dat alles in orde was.

"Beter bij tijds gezorgd, dan te laat geklaagd," merkte hij op. "Je kunt nooit weten...." Verder kwam hij niet. "Maak dat je bij je vrouw en kind komt, Jan!" riep hij op eens ten hoogste verschrikt uit. "Zoo aanstonds gebeurt er een ongeluk!..."

Op 't zelfde oogenblik, dat de kapitein, die met het horloge in de hand op de brug stond, bevel gaf tot herhaling van het signaal, doemde voor zijn zeemansoog, dat den nevel trachtte te doorboren, een zwarte massa op, die met onheilspellende vaart op de Maasdam scheen aan te vallen....

"Schip te loevert uit!" schreeuwde de uitkijk op den boeg. "Roer aan lij!.... Stoppen!.... Met volle kracht achteruit!" klonk het vastberaden uit den mond van den kapitein. "Passagiers aan dek en achteruit!"

Hij meende door een snelle wending van het schip een botsing nog te kunnen voorkomen; doch hoe spoedig de gegeven bevelen ook werden opgevolgd, 't was reeds te laat. Een oogenblik nog... en daar stootten de twee schepen met volle kracht op elkander!

Dit alles was in zoo korten tijd gebeurd, dat Jan Vroolijk, die zich met ontzettende moeite door de gillende en naar achteren vluchtende passagiers heendrong, het voorschip nog niet bereikt had, toen de noodlottige aanvaring reeds had plaats gehad.

Daar zag hij zijn vrouw handenwringend over het dek heen en weer loopen en in minder dan geen tijd was hij bij haar.

"Ons kind!" riep hij in doodsangst, toen hij zijn Willem miste, "waar is ons kind?"

De arme moeder, die zoo bezorgd was geweest voor haar lieveling en hem voor het noodlottig oogenblik geen stonde uit het oog verloren had, kon geen woord spreken. In haar radeloosheid wees zij naar beneden en Jan, die geen woord noodig had, om haar te begrijpen, ijlde naar de trap....

Maar vol ontzetting bleef hij op eenmaal staan.

De toegang tot het scheepslogies was geheel versperd. Het vreemde stoomschip was met vreeselijk gekraak midden in het voorschip van de Maasdam geloopen, hadhet dek opengespletenen verbrijzeld en stak er met zijn steven hoog boven uit.

Arme ouders! Wat was er van hun jongske geworden? Verpletterd wellicht tusschen de verbrijzelde planken en balken, of omgekomen in het water, dat met geweld het schip binnenstroomde en den kop van 't vaartuig reeds aanmerkelijk deed zinken! Redding was dus onmogelijk, en toch zou het niet in hen opgekomen zijn, deze gevaarlijke plaats te verlaten, als Piet Vlug hen niet met geweld van daar verwijderd en naar het achterschip gebracht had.

Daar waren intusschen alle sloepen reeds te water gelaten en met passagiers gevuld. Door de kalmte en vastberadenheid van den kapitein en de stuurlieden en, dank zij het zorgvuldig onderzoek van den bootsman, zoo te juister tijd ingesteld, was alles in de beste orde afgeloopen en had men allen kunnen opnemen, daar velen, aan niets anders denkende dan aan 't behoud van hun leven, reeds direct na de aanvaring op 't vreemde schip waren overgesprongen.

Ook hier was men evenwel ver van veilig.

De "Columbus" — zoo heette 't stoomschip, dat den weg van de Maasdam zoo ongelukkig gekruist had — deed wel alle mogelijke moeite om zich van 't zinkende schip te bevrijden, doch hoe krachtig zij haar machines ook deed werken en achteruit liet slaan, niets mocht baten, en 't scheen wel, dat de beide zeegevaarten gedoemdwaren in hun vreeselijke omarming samen in de diepte te verdwijnen.

Juist echter toen de laatste man de Maasdam verlaten en ook de wakkere kapitein in de boot plaats genomen had, ontworstelde de Columbus zich met inspanning van alle krachten aan de doodelijke omhelzing harer zuster en stoomde met volle kracht achteruit.

Met groote golven stroomde nu het water door de gapende wonde naar binnen, en de stoere zeeman, die liever met zijn schip te gronde gegaan zou zijn, dan het te verlaten, zoolang zich nog iemand aan boord bevond, zag, met een traan in het mannelijk oog, zijn schoon vaartuig hoe langer hoe meer in de diepte wegzinken.

En toch — had hij geweten, wat die radelooze vrouw in de groote boot, die de beide handen hartstochtelijk naar het wrak uitstak en door twee mannen nauwelijks tegengehouden kon worden, om zich in de golven te storten — had hij geweten, wat die vrouw bewoog, zich zoo wanhopend aan te stellen, hij zou stellig teruggekeerd zijn en, eigen leven geringschattend getracht hebben, de gefolterde moeder haar kind, 't zij levend, 't zij dood, terug te geven.

Nu evenwel bleef hem niets anders over, dan de arme, voor het grootste deel halfgekleede schipbreukelingen, die niets dan het leven hadden kunnen redden, aan boord van de Columbus in veiligheid te brengen. Wel had ook deze belangrijke schade bekomen; doch bij een haastig ingesteld onderzoek bleek, dat de averij zich hier meer boven dan onder de waterlijn bevond en men dus met behulp der dadelijk in het werk gestelde pompen het schip waarschijnlijk boven water zou kunnen houden.

Dat de beide kapiteins elkander met alles behalve opgewekte gezichten begroetten, valt gemakkelijk te begrijpen. Zonder evenwel voor 't oogenblik te twisten over de vraag, wie van beiden de schuldige was — een later onderzoek zou dat van zelf aan 't licht brengen — werd besloten, dat de Columbus, die van Charleston naar Boston bestemd en als vrachtboot volstrekt niet ingericht was om zooveel menschen te herbergen, New-York zou aandoen, om de passagiers en bemanning der Maasdam zoo spoedig mogelijk op de plaats hunner bestemming te brengen.

En de Maasdam zelf?

Evenals een lijkkist in de groeve wordt neergelaten en na een oogenblik voor 't gezicht der schreiende omstanders verdwijnt, zoo zonk ook zij al dieper en dieper in den Oceaan, die haar zoo lang en zoo dikwijls had gedragen, om zich eindelijk over haar te sluiten en haar graf met zijn rustelooze golven te bedekken. De nog altijd hangende nevel en de afstand, welke gaandeweg tusschen beide schepen ontstaan was, maakte evenwel, dat de laatste doodstrijd van het schoone vaartuig aan het oog der geredden onttrokken werd.

Zoo snel, als de toestand, waarin het schip verkeerde en het beperkte uitzicht slechts toelieten, werd nu recht op de Amerikaansche kust aangehouden, om zoo mogelijk, voor den avond New-York nog te bereiken.

Eindelijk, daar week de nevel, en evenals de matrozen van Columbus bij de ontdekking van Amerika den kreet: "Land! land!" hadden aangeheven, toen het onbekende werelddeel zich eindelijk aan hun oog vertoonde, juichten ook de landverhuizers aan boord van het naar hem genoemde vaartuig, toen zij eensklaps de kust uit de zee zagen oprijzen.

"Land! land!" jubelden honderden stemmen tegelijk, en alle leed scheen op eens vergeten en voor blijde hoop plaats te hebben gemaakt.

Wie er echter niet jubelden, dat waren Jan Vroolijk en zijn vrouw, die zonder hun kind in het verre, vreemde land zouden aankomen!

De ongelukkige moeder lag in een ijlende koorts, en de vader zat in stomme smart bij haar, bevreesd, dat het verlies van hun jongske, ook den dood van zijn vrouw ten gevolge zou hebben!....

Aan den landingssteiger, waar de stoomschepen der Maatschappij hun ligplaats hadden, heerschte intusschen al geruimen tijd een buitengewone drukte. De Maasdam werd reeds den geheelen dag verwacht. Eindelijk, daar meende men haar te zien naderen. Maar neen, dat was de Maasdam, niet. Toch richtte het schip den steven naar de gewone aanlegplaats om er zijn ongewone lading af te zetten, en weldra ging het nieuws van de plaats gehad hebbende ramp van mond tot mond.

Wie drong daar zoo ontstuimig naar voren, alsof hij kennissen of bloedverwanten zocht onder de aangekomenen?

Niemand anders dan oom Willem, die reeds den vorigen dag uit Holland, een meest door Nederlanders bewoond stadje in den staat Michigan dicht bij Chicago, te New-York was aangekomen, om zijn familieleden af te halen.

"Allen behouden?" vroeg hij gejaagd bij het vernemen van de ramp.

"Allen, op een jongetje na," was het antwoord, en op 't zelfde oogenblik stond Piet Vlug naast hem.

"Komaan, daar zie ik al vast een bekend gezicht,"riep hij nu verheugd uit. "En waar zijn Jan en zijn vrouw, met hun jongen?"

Piet Vlug vertelde hem nu van het droeve ongeluk en den wreeden slag, die juist hen zoo noodlottig getroffen had.

"Maar dat is ontzettend!" riep de man diep getroffen uit, terwijl hij zich naar de bedroefde ouders liet brengen.

Dat was een heel andere ontmoeting, dan hij gehoopt en verwacht had! Sprakeloos drukten de mannen elkander de hand en de kranke vrouw herkende hem zelfs niet!

Van meegaan was natuurlijk geen sprake. De zieke moest in het hospitaal worden opgenomen, en daar 't niet in Jan opkwam, zijn vrouw alleen te laten, nam oom Willem den volgenden dag de terugreis weer aan, om aan de zijnen het treurige nieuws mede te deelen.

VIERDE HOOFDSTUK.Gescheiden.

VIERDE HOOFDSTUK.Gescheiden.

Wij keeren nogmaals naar het tooneel der zeeramp terug. Zooals wij zagen, had de dikke mist het zinkende wrak der Maasdam reeds op geringen afstand aan het oog der schipbreukelingen onttrokken. Erger evenwel was het, dat ten gevolge van de buitengewone verwarring en drukte aan boord van de Columbus ook aan hun gehoor ontsnapte, wat de nevel hun belette te zien. Anders toch hadden zij kunnen en moeten hooren, hoe zich daar ginder nog leven bevond, dat op luide en angstige wijze om hulp en redding vroeg. Wat kon dat zijn?...

Het vee had men, om den dieren een langen en smartelijken doodstrijd te besparen, ten spoedigste gedood. Doch de hond, waar was die beland? O, die zal wel een goed heenkomen gezocht hebben, zegt ge. En toch.... klonk daar geen luid geblaf over het water? En hoor!.... waren dat niet de kreten van een kind? Zoo ja, van wien anders konden die dan zijn, dan van het knaapje,dat, dood of erger nog naar men meende, op het wrak was achtergebleven? En zoo was het ook werkelijk. Het kind was op wonderlijke wijze door zijn trouwen vriend "Ami" gered.

Toen Willems moeder bij het gegil der stoomfluit verschrikt naar boven was gevlucht, lag Ami als gewoonlijk met den kop tusschen de pooten voor de deur der hut. De openstaande deur was voor hem een uitnoodiging om binnen te treden en zijn speelkameraad een visite te brengen. Op hondenmanier gaf hij het knaapje een morgenkus, en toen deze daardoor wakker werd, noodigde hij zijn harigen vriend uit, de door moeder verlaten plaats te komen innemen.

Zoo lagen Willem en Ami rustig en wel bij elkander, toen de verschrikkelijke botsing plaats had, die beiden uit de kooi deed tuimelen en in het scheepslogies opsloot. De geheele bemanning bevond zich aan dek, en er was dus niemand om hen te helpen. Intusschen stroomde het water naar binnen, en weldra stond het zoo hoog, dat niets het hulpelooze knaapje langer een veilige schuilplaats aanbood. Nog een oogenblik — daar dreef het kleine ventje op het water. Zeker was hij verdronken, als Ami hem niet beetgepakt en, al heen en weer zwemmende door de steeds enger wordende ruimte, met het hoofdje boven water gehouden had.

Eindelijk echter kwam er beweging; de schepen geraakten van elkander. Maar de vernielde trap en de op en door elkander geschoven balken en planken beletten het wakkere dier spoedig genoeg een uitweg te vinden. En toen hem dit eindelijk gelukt was.... hadden allen het schip reeds lang verlaten en bevond de moedige redderzich met het bewustelooze knaapje alleen op het zinkende wrak. Was hij geheel alleen geweest, zeker had hij zich zonder dralen in zee gestort, om de wegzeilenden na te zwemmen, maar nu...? Zorgvuldig zocht hij dat deel van 't schip op, 't welk zich nog het meest boven water verhief; hij legde zijn kostbare vracht daar voorzichtig neer, om vervolgens een luid geblaf aan te heffen en zoo de opmerkzaamheid tot zich te trekken. Dat geblaf bracht ook het knaapje weer tot bewustzijn, wiens geroep om "Moeder! Moeder!" echter al evenmin gehoord werd, als het blaffen van het edele, trouwe dier.

Langzamerhand was het geluid in de verte geheel weggestorven, en hoe Ami de ooren ook spitste, geen geruisch zelfs anders dan van den wind en het klokkende water drong meer tot hem door.

Het schreiensmoede knaapje was eindelijk in slaap gevallen. Maar de hond bleef waken. Met de beide voorpooten lag hij over het jongske heen, om het verkleumde kind te verwarmen, en met zijn schrandere oogen keek hij in het rond. 't Was alsof het verstandige dier zag, dat het gevaar met elk oogenblik grooter werd en of hij, voelende, dat het steeds dieper wegzinkende schip weldra geheel zou verdwijnen, naar een middel omkeek, om zich met zijn vriendje op de beste wijze aan het nakende onheil te onttrekken.

Reeds bedekten de golven het voorschip; nog een oogenblik, en ook de plaats, waar hij zich met het knaapje bevond, zou niet meer veilig zijn.

Niets ontging evenwel aan het oog van het waakzame dier. En zie, daar richtte hij zich plotseling met een blijden kreet op, greep het nog steeds slapende kind bijden schouder en was met één sprong op de verschansing. Wat was er gebeurd?

De scheepsvlet of jol, die midden op het voordek stond, was driftig geraakt en over de verschansing buiten boord geslagen. Dat had de hond gezien en vandaar zijn blijdschap en haastige bewegingen.

De boot gleed rakelings langs de zijde van het schip naar achteren. Daar bereikte zij de plek, waar de hond zich op post had gezet en van het rechte oogenblik gebruik makende, sprong hij zoo behoedzaam mogelijk in het ranke vaartuigje over.

Voor het oogenblik althans waren ze gered en gelukkig juist te rechter tijd, want de jol kon nauwelijks honderd meter weggedreven zijn, of het dek van de Maasdam barstte door de spanning van de samengeperste lucht, welke zich in het hol van het schip bevond, met een vreeselijken slag uit elkander, waarop het vaartuig in eenige minuten vol water liep en in de diepte verdween.

Daar dobberde nu het kleine hulkje midden op den grooten Oceaan. Gelukkig, dat de zee kalm was, anders zou het notedopje ongetwijfeld spoedig omgeslagen zijn, en dan was alle kans op redding, zowel voor den hond als voor het kind, verloren geweest.

Maar waarheen dreef het scheepje? Waarheen richtte het den steven, zee- of landwaarts?....

Doch ook zelfs in het laatste geval zou het zeker nog minstens een paar dagen duren, voor het de kust bereikt had, en wat zou er in dien tijd van de beide vrienden worden, zonder voedsel, zonder een enkelen druppel water zelfs?

Alleen van een voorbijzeilend schip was uitkomst voorhen te wachten. En alsof de altijd wakkere Ami dat scheen te begrijpen, richtte hij zich, met de voorpooten tegen den rand der boot geleund, overeind, zoodat hem niets, wat redding kon aanbrengen, zou ontsnappen. Daarbij vergat hij echter de zorg voor zijn jeugdig vriendje niet. Bij de minste beweging van het ventje, dat op den bodem der boot lag uitgestrekt, keerde hij zich om, om evenwel dadelijk zijn vorige houding weer aan te nemen, als het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.

Eindelijk, daar week de nevel, en daarmee daagde ook hier de redding! Een groot schip, dat tot op dat oogenblik onzichtbaar geweest was, vertoonde zich op eenigen afstand en naderde meer en meer de plek, waar het bootje ronddobberde. Zou het kleine hulkje daarginds opgemerkt worden?... 't Leed geen twijfel; want zie, daar draaide het schip reeds bij den wind! Een sloep werd te water gelaten en het volgende oogenblik roeiden vier paar sterke armen met krachtige slagen op de jol aan.

Kwispelstaartend en luid blaffend gaf de hond zijn blijdschap te kennen. En daarbij schuddeen likte hetvan vreugde uitgelaten dier onzen Willem zoolang, dat deze eindelijk de oogen opende en, als verbeeldde hij zich nog bij moeder in zijn bedje te liggen, de armen om Ami heen sloeg.

Arme kleine! Wat was hij ver verwijderd van de arme vrouw, die in haar ijlen ook niets anders deed dan roepen om haar lieveling! En wat begon hij jammerlijk te schreien, toen hij zijn vergissing bemerkte en zag, waar hij zich bevond.

Maar de redding was nabij. Het geluid van het schreiende kind, dat nu ook zijn hoofdje boven de boot uitstak, werd reeds in de sloep gehoord.

03_doorslapen.jpg

03_doorslapen.jpg

[Illustratie: Het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.]

[Illustratie: Het bleek, dat het kind rustig bleef doorslapen.]

De roeiers verdubbelden daarop nog hun krachtsinspanning, en met eenige snelle slagen hadden zij de jol bereikt. Daar zat het knaapje, midden op den bodem van het kleine vaartuig in zijn hemd bijna en strekte de handjes uit naar zijn redders, die het tooneel met bewogen oogen aanzagen.

"Moetje toe! moetje toe!" snikte hij, terwijl men hem met Ami in de sloep opnam.

"De stumper roept om zijn moeder," zei de matroos, die hem overtilde; want hoewel geen Hollandsch, maar Engelsch sprekend verstond hij toch de woorden van den kleine zeer goed, daar de moedernaam in de meeste talen al vrijwel dezelfden klank heeft.

"Nu, dan vrees ik zeer, dat hij die niet weer zal zien," merkte een ander op. "Er is vast een ongeluk gebeurd met den mist. Zie maar eens in het rond: daar drijven verschillende dingen, die van een schip afkomstig zijn."

Werkelijk waren, tegelijk met de boot, nog verschillende andere losse deelen van de Maasdam in dezelfde richting komen afdrijven.

De hond week intusschen niet van Willems zijde, maar keek daarbij den spreker van zoo even met zijn groote, goedige oogen zoo verstandig aan, alsof hij diens bewering bevestigen wilde.

"Jij bent een beste, brave hond, hoor!" zei deze daarop, het goede dier vertrouwelijk op den rug kloppend. "'t Heeft je zeker vrij wat moeite gekost, om je kleinen meester tot zoover te behouden. Nu, je zult het goed bij ons hebben, hoor!"

De jol was middelerwijl aan de sloep vastgemaakt, daar men het zonde achtte, ze op nieuw te laten drijven, ennu gingen de riemen handig weer te water, om met spoed naar het wachtende schip terug te keeren.

De "Franklin" — dit was de naam van het vaartuig — was een groote Amerikaansche driemaster en met een lading petroleum naar Sidney in Australië bestemd. Het schip had reeds voor twee dagen de haven van New-York verlaten, maar was, door den zwaren mist opgehouden, nog weinig gevorderd. De equipage bestond, met inbegrip van den gezagvoerder, kapitein Smartt en de stuurlieden, uit vijf en twintig koppen, en passagiers bevonden zich niet aan boord, één uitgezonderd, welke men evenwel moeielijk als zoodanig kon beschouwen, daar het de vrouw van den kapitein was.

Deze vergezelde haar man liever op zijn tochten over den oceaan, dan geheel alleen, aan allerlei angst en onrust ten prooi, achter te blijven, als hij naar zee ging. Kinderen, die haar dit belet zouden hebben, bezaten zij niet, of liever bezaten zij niet meer; want hun eenig zoontje, een knaapje van ongeveer gelijken leeftijd als Willem, was voor een paar jaar gestorven.

Ge begrijpt dus, hoe de vrouw ontroerde, toen de matrozen met het geredde kind uit de sloep bij den valreep opklauterden en niets beter wisten te doen, dan haar het schreiende knaapje in de armen te leggen.

Met tranen in de oogen snelde zij met Willem naar de kajuit, op den voet gevolgd door Ami, die zijn plaats dáar achtte, waar zijn kleine beschermeling bleef.

De kapitein zag met innige voldoening, hoe zijn vrouw zich dadelijk het lot van het kind aantrok, en hij wreef zich in de handen van genoegen toen zij zich verwijderde. "Nu wordt ze weer dezelfde van vroeger," dacht hij bijzich zelf. "'t Is een geschenk der Voorzienigheid, dat ons daar is toegezonden!"

Onderwijl was er een flinke bries komen opzetten, en toen nu de sloep weer in de davids hing en ook de kleine jol binnen boord geheschen was, werd het roer opnieuw gewend, waarop het schip door den wind ging en zijn vorigen koers hernam.

In de kajuit had de kapiteinsvrouw het intusschen heel druk. Haar eerste zorg was, Willem en Ami, hongerig en dorstig als ze waren, wat te eten en te drinken te geven, wat beiden zich uitmuntend lieten smaken. Ami had al in lang zulke lekkere hapjes niet geproefd, als hij hier te bikken kreeg. Nu, die had hij ook wel verdiend!

Verzadigd legde hij zich eindelijk in een hoekje neder en keek met welgevallen in het rond. En alsof hij zijn kleinen beschermeling nu volkomen veilig achtte, lei hij ten slotte den kop tusschen de vooruitgestoken pooten, om van de welverdiende rust te genieten en op zijn gemak een dutje te doen.

Onze Willem gevoelde zich ook al heel spoedig op zijn gemak met de vriendelijke dame. Hij zat zeer vertrouwelijk op haar schoot en liet zich, als was zij zijn moedertje, zeer gewillig door haar wasschen en kleeden. De kleertjes van haar jongetje, die zij nog steeds bewaarde, kwamen haar daarbij uitnemend te pas, en het ventje zag met glinsterende oogjes, hoe mooi hij werd in het vreemde pakje, dat hem werd aangetrokken.

"Mooi! mooi! Wimpje mooi worden!" riep hij aanhoudend, en mevrouw Smartt, die wel begreep, wat de dreumes bedoelde, al verstond zij ook zijn woorden niet, begon hoe langer hoe meer schrik in hem te krijgen. Deblonde krullebol zag er dan ook wezenlijk uit om te stelen! "Precies ons ventje," dacht ze, toen hij geheel aangekleed was. Schreiend en lachend tegelijk nam ze hem op en gaf hem een hartelijken kus op de blozende wangen. En toen Willem, aanvallig als hij was, daarop beide armpjes om haar hals sloeg, had hij haar hart geheel gestolen!

Juist wilde ze haar man gaan opzoeken, toen deze, die haar met opzet zoolang alleen gelaten had, de kajuit inkwam. En ziedaar, het was alles gekomen, zooals kapitein Smartt zoo hartelijk hoopte! Zijn vrouw, die na den dood van haar kind steeds droevig en in zich zelf gekeerd was geweest, kwam hem met het knaapje op den arm en een glimlach op de lippen tegemoet.

Onwillekeurig deed hij echter een stap achteruit. Waarom? In het hem welbekende pakje gestoken, geleek onze krullebol zoozeer op het overleden jongetje van den kapitein, dat deze er ten zeerste door getroffen werd. En dat zijn vrouw het hierin met hem eens was, bewezen al dadelijk haar woorden: "Nu, wat zeg je van den jongen? Ik heb hem al vast maar wat aangekleed. Vind je niet, dat hij op onzen Willy gelijkt?"

"Zoozeer," sprak de kapitein met bewogen stem, "dat ik bij 't inkomen van de kajuit inderdaad een oogenblik meende, dat je ons ventje op den arm hadt. Je hebt de gelijkenis dan ook wel zeer doen uitkomen met dat pakje!" En met een zucht voegde hij er bij: "Och, dat de schijn werkelijkheid ware!"

"Maar wat belet ons," hernam nu zijn vrouw teeder, "het arm wurm, wiens ouders waarschijnlijk beiden omgekomen zijn, als kind aan te nemen. Ik gevoel, dat ik als een moeder voor hem zal kunnen zijn, en ik twijfel erniet aan, of gij zelf zult ook van het kind beginnen te houden."

Ze waren aldus sprekende, bij elkander aan tafel gaan zitten, en de kapitein zag met vreugde, hoe het op zulk een wonderbare wijze geredde kind plotseling weer een blosje op de wangen zijner schoone, doch bleeke vrouw scheen teruggetooverd te hebben.

"Toch moeten we ons niet te zeer aan het ventje hechten," bracht hij voorzichtig in het midden; "want het zou kunnen wezen, dat zijn ouders nog wel degelijk leven, en 't is natuurlijk onze plicht, zoo spoedig mogelijk onderzoek daarnaar te doen. En als ze dan teruggevonden mochten worden....."

"Zal ik het knaapje met liefde aan zijn moeder teruggeven," viel zijn vrouw hem in de rede. "We weten immers beiden wat het zegt, een bemind kind te verliezen!"

"Nu, dan is 't goed," sprak kapitein Smartt gerustgesteld. "Maar zou 't jongske zelf ons misschien niet iets kunnen zeggen of beduiden, waaruit het een of ander is op te maken?"

"Ja, hij heeft al genoeg gebabbeld; maar ik versta hem niet."

"Komaan, laat mij 't dan eens probeeren. Misschien, dat het mij gelukt, uit zijn gekeuvel wijs te worden."

De kapitein, die verscheidene talen sprak, nam nu onzen Willem op zijn knie en deze, die op de Maasdam al zooveel vreemde gezichten gezien en op zoo menige knie geschommeld had, toonde zich ook tegenover hem volstrekt niet schuw. Maar of hij Willem in 't Engelsch of Fransch of Duitsch aansprak, de kleine verstond titel noch jota van 't geen hem gevraagd werd.

"Moetje weg, vader weg, allemaal weg! Schip ook weg!" riep hij op 't laatst in zijn onnoozelheid.

"O, nu zijn we er!" riep de kapitein verrast, maar tevens vol ontzetting uit bij het hooren van zooveel ongeluk. "'t Is een Hollandsch kind, en wat hij daar vertelt, is inderdaad allertreurigst. Vader weg, moeder weg, schip weg! Er moet dus bepaald een aanvaring plaats gehad hebben; want slecht weer is het de laatste dagen niet geweest, en lang heeft het ventje ook bepaald niet rondgezwalkt." En zich daarop weer tot Willem wendende, vroeg hij — maar nu in 't Hollandsch — naar alles, wat den kleinen schipbreukeling wedervaren was. Veel wijzer werd hij echter niet. 't Ventje kon hem slechts weinig en gebrekkig inlichten. Vader en moeder heetten bij hem, als bij de meeste kleine kinderen eenvoudig "vader en moeder," en hij zelf was "Willem," zonder meer.

"Dus de kleine heeft tot zelfs den naam met onzen jongen gemeen," merkte de kapitein met zichtbare ontroering op.

"O, dat is heerlijk! Die naam is mij zoo lief!" antwoordde zijn vrouw levendig. "'k Wilde je juist voorstellen om hem William te noemen." En het knaapje, daarop beide handen toestekend, vervolgde zij: "Willy, we zullen elkaar wel spoedig leeren verstaan!"

"Begrijpen doet hij je ten minste nu al," sprak de kapitein lachend, toen Willem dadelijk de toegestoken handen greep en op haar schoot plaats nam. "En voor de rest zal ik wel zoo'n beetje voor tolk spelen. Maar nu ga ik het gebeurde in het scheepsjournaal boeken. Bovendien zal ik er een acte van opmaken en die door de geheele equipage laten onderteekenen. Misschien kan dat stuk den knaapnog eenmaal dienen om iets omtrent zijn ouders of familiebetrekkingen te vernemen, als dat ons niet gelukken mocht."

Terwijl de kapitein nu een uitvoerig relaas van 't gebeurde opstelde, begaf mevrouw Smartt zich met Willem aan dek, gevolgd door Ami, die door het gesprek der beide echtgenooten uit zijn dutje ontwaakt was en nu bedaard achter haar kwam aanstappen, alsof hij er bij behoorde en hier al zijn leven thuis geweest was.

De geheele bemanning van "de Franklin" was opgetogen over den aardigen, blozenden krullebol, en Ami werd om zijn moedig gedrag door ieder om 't zeerst aangehaald en geprezen.

Eenige oogenblikken later verscheen ook kapitein Smartt weer aan dek. Hij had de bewuste acte reeds in de hand en gaf nu bevel, dat allen achter den grooten mast op het halfdek zouden verschijnen, om het stuk te hooren voorlezen en van hun naamteekening te voorzien.

De lange zomerdag spoedde intusschen ten einde, en voor onzen Willem, over wiens jeugdig hoofdje gedurende de laatste vier-en-twintig uren zooveel gevaren waren heengegaan, was het meer dan bedtijd geworden. Dit begreep mevrouw Smartt ook, en als een echte moeder spreidde zij het verweesde kind een zacht en mollig bedje, waarop hij weldra zoo gerust en heerlijk insliep, alsof zijn eigen moetje hem zooeven den nachtkus gegeven had.

VIJFDE HOOFDSTUK.Het gevonden spoor.

VIJFDE HOOFDSTUK.Het gevonden spoor.

Sidney in Australië en het stadje Holland in Noord-Amerika, welk een afstand! En toch — hoe ver beide plaatsen ook van elkander verwijderd mogen zijn — hebben wij onze kennissen, die wij tot dusver gevolgd hebben, zoowel hier als daar terug te zoeken.

Langen tijd zweefde Jan Vroolijks vrouw tusschen leven en dood, en dikwijls vreesde de arme man ook zijn Kee te moeten missen. Hartverscheurend was het, de kranke soms in de koorts plotseling te zien oprijzen en daarbij, wild en woest om zich heen grijpende, om haar kind te hooren roepen, om eindelijk, afgemat en uitgeput, in haar kussen terug te vallen.

Eindelijk echter was de crisis gekomen, en toen die voorbij was, viel de zieke in een gerusten slaap. "Is er nog hoop?" vroeg Jan Vroolijk telkens aan den geneesheer; maar deze had iederen keer de schouders opgehaald en hem door dit ontwijkende antwoord meer te vreezen dan te hopen gegeven. Nu echter drukte de man der wetenschaphem de hand en sprak: "Dank God! Uw vrouw is gered!" 't Was Jan Vroolijk, of hem een centenaarslast van het hart werd gewenteld. Zoo innig als hij gebeden had om het behoud van haar, die hem boven alles ter wereld lief en dierbaar was, zoo vurig dankte hij nu voor haar aanvankelijk herstel! En toen zijn vrouw kort daarna de oogen opsloeg en hem met volle bewustzijn aanzag en de hand toestak, was het hem, als had hij haar uit den dood wedergekregen. Hij kuste haar vermagerde hand en besproeide ze met zijn tranen, tranen van dankbaarheid en vreugde!

De zieke nam nu wel langzaam, maar toch gestadig in beterschap toe, en eindelijk was ze in zooverre hersteld, dat men er in ernst over kon denken, om de op zoo noodlottige wijze afgebroken reis te hervatten.

Oom Willem, door Jan Vroolijk voortdurend op de hoogte gehouden van den toestand zijner vrouw, spoedde zich op dit gunstige bericht dadelijk weer naar New-York, om hen af te halen, en nadat hij alles voor hen in orde gebracht had, namen ze samen den terugtocht aan.

"Komaan, daar ben je dan toch eindelijk!" zei tante Betje, oom Willems vrouw, toen ze na de lange spoorreis haar gastvrije woning binnentraden. "Goddank, dat ik je zie, kinderen!"

"Maar we komen met ons beidjes in plaats van met ons drieën, tante!" sprak Jan op droeven toon, terwijl Keetje in snikken uitbarstte en het nog altijd zwakke hoofd aan tantes borst verborg.

"Gelukkig, dat je nog met je tweeën komt!" troostte tante. "Hoezeer hebben we niet in angst verkeerd, dat we ook Keetje niet terug zouden zien!"

En toen de geschokte vrouw nog immer voortging met schreien en Jan haar met zachte woorden tot bedaren trachtte te brengen, vervolgde ze: "Laat haar maar eens goed uitschreien, dat zal haar goed doen."

"En weet je, wat ik nu gedacht heb, moeder?" sprak oom Willem tot zijn vrouw.

"Nu, wat dan man?"

"Dat we onze gasten vooreerst maar hier bij ons moesten houden. Ons huis is groot genoeg. Ze kunnen dus gemakkelijk bij ons inwonen. Dat zal goed zijn voor jou en voor Keetje beiden, geloof ik. Ze kan dan eerst weer een beetje op haar verhaal komen, en later kunnen we dan altijd nog zien."

Hoezeer sprak de goede man naar het hart van zijn brave vrouw. Ook zij had het zwaar beproefde ouderpaar reeds een plaatsje in haar woning toegedacht, en daar Jan Vroolijk en zijn vrouw van hun kant ook niets liever wenschten, was alles weldra in orde.

Werk was spoedig gevonden en voor Keetje was het dagelijksch bijzijn van tante Betje, die innig deelnam in het ongeluk van haar zusters eenig kind, een ware troost.

Omstreeks denzelfden tijd, dat de onder den zwaren slag gebukt gaande ouders in oom Willems vriendelijke en gastvrije woning zoo hartelijk werden verwelkomd en opgenomen, zeilde "de Franklin", na een voorspoedige en gelukkige reis, de haven van Sidney binnen. En zooals het allen kleinen kinderen gaat, wanneer zij in een andere omgeving worden overgeplaatst, waar zij het zeer naar hun zin hebben, n.l.: "uit het oog, uit het hart," zoo was het ook onzen Willem gegaan. Praatte hij in den beginne nog al eens over moetje en vader of van oom Piet — zooals hij Piet Vlug altijd noemde — spoedig scheen de kleine het verledengeheel vergeten en gevoelde hij zich in den tegenwoordigen toestand en omgeving recht tevreden en gelukkig. Mevrouw Smartt was dan ook als een ware moeder voor hem. Moest haar man gedurende de eerste dagen nog al eens als tolk dienst doen, weldra had zij zich de nog geringe woordenschat van den aardigen babbelaar zoo goed eigen gemaakt, dat deze hulp geheel overbodig was, te meer, daar ook Willem op zijn beurt van lieverlede de Hollandsche woorden door Engelsche ging vervangen. Zoo konden zij dus binnen korten tijd naar hartelust met elkander praten en babbelen, en de aanvalligheid van het knaapje, aan wien de edele vrouw zich van het eerste oogenblik zoo gehecht had, verhoogde nog van dag tot dag haar genegenheid. Ook kapitein Smartt begon hoe langer hoe meer behagen in den vluggen en vroolijken krullebol te scheppen, en ten slotte was het moeilijk te zeggen, wie van beiden wel het meest van hem hield.

De een zoowel als de ander zou het knaapje dus wel altijd bij zich hebben willen houden. Niettemin achtte de gezagvoerder van "de Franklin" zich verplicht, dadelijk bij zijn aankomst te Sidney een onderzoek naar de herkomst van het kind in te stellen. Ook naar dezen verren uithoek der wereld zou toch wel eenige tijding omtrent het vergaan van een schip op de Amerikaansche kust en het lot der opvarenden overgewaaid zijn, meende hij. En zoo was het ook werkelijk. Evenals op de meeste voorname zeeplaatsen werd ook te Sidney een "Zeepost" uitgegeven, d. i. een nieuwsblad, waarin scheepstijdingen uit alle oorden der wereld worden opgenomen, tijdingen omtrent aankomst en vertrek der schepen en van plaats gehad hebbende zeerampen. Door een aandachtig nagaan van de laatste rubriekin de bladen, welke omstreeks den tijd, dat het ongeluk moest plaats gehad hebben, waren uitgegeven, kwam kapitein Smartt al spoedig tot de ontdekking, dat werkelijk in den vroegen morgen van den 30sten Augustus — dus juist op den datum der opname van Willem en Ami aan boord van "de Franklin" — bij dikken mist niet ver van de Amerikaansche kust een aanvaring had plaats gehad tusschen de stoomschepen de Maasdam en de Columbus, waarbij het eerste zoo beschadigd was geraakt, dat het na verloop van een paar uur in de diepte was verdwenen. Tevens werd in het bericht vermeld, dat de bemanning van het gezonken schip, zoomede de passagiers, aan boord van de Columbus overgegaan en behouden te New-York waren aangebracht. Alleen van de laatsten was slechts één, en wel een kind, bij de ramp omgekomen.

"Daar kan niemand anders mee bedoeld zijn dan Willy" sprak de kapitein. "Het kind, dat men dood waant, is door den hond gered!"

"En intusschen wordt hij door de arme ouders als een doode beweend," antwoordde zijn vrouw bewogen. "Wie weet, wat heete tranen er om zijn verlies geschreid worden! Misschien was hij ook wel een eenig kindje, evenals onze eigen Willy."

Verstond Ami hun gesprek, dat hij zoo met alle aandacht naar hen zat te luisteren en nu den een, dan den ander met zijn verstandige oogen aankeek?

Kapitein Smartt scheen er werkelijk zoo over te denken; want terwijl hij het goede dier streelde, zeide hij: "Kon jij maar praten, hé! dan zouden we zeker heel gauw op de hoogte zijn." En zich daarop weer tot zijn vrouw wendende, vroeg hij: "Maar wat zullen we nu beginnen?"

"Het kind blijven liefhebben en als we weer behouden in Amerika terug mogen keeren, nauwkeurig onderzoek doen naar zijn ouders," antwoordde deze; "dat is alles wat we kunnen doen."

"Je hebt gelijk, vrouw," hernam de kapitein."Intusschen zal ikaangifte doen van het geval, opdat het naar Holland en New-York overgeseind en in de nieuwsbladen opgenomen kan worden. Allicht komt het bericht dan onder de oogen van den een of ander, die met de zaak bekend is, of iets omtrent de ouders van het kind en hun verblijfplaats weet en ons het onderzoek alzoo gemakkelijk kan maken. Met de wetenschap toch, dat zijn ouders nog leven, kunnen we ons het knaapje onmogelijk toeeigenen, hoe 't mij ook aan mijn hart gaat, hem weer te moeten missen."

De zucht, die mevrouw Smartt ontsnapte, was wel het sprekendste bewijs, hoe noode ook zij het kind weer zou afstaan.

We moeten nu in gedachten eenige weken teruggaan en weer naar New-York, waar de schipbreukelingen der Maasdam door de Columbus waren aangebracht, terugkeeren.

In de verwarring van het oogenblik had niemand er aan gedacht, dat behalve de kleine passagier nog iemand anders ontbrak, toen aan boord van de Columbus appèl voor de geredden werd gehouden. Eerst bij de ontscheping te New-York trok het de aandacht van den bootsman, dat de hond zich niet onder hen bevond.

"Waar mag Ami toch zijn?" vroeg hij, overal rond kijkende.

Niemand had iets van het dier gezien,

"Dan is hij bepaald bij Willem in de hut geweest en op de Maasdam gebleven," dacht Piet vlug. "Het arme dier!Wat hield hij veel van het ventje! Zouden ze samen in de diepte zijn verdwenen?.... Maar als het Ami eens gelukt was, zich met het kind te redden! Als hij eens..... dat zou ontzettend zijn! En toch, hoe meer ik er over denk, hoe waarschijnlijker 't mij voorkomt. Wie weet, hoe lang het wrak nog is blijven drijven! Maar dan moeten ze ten slotte toch omgekomen zijn, of een ander schip moest ze opgenomen hebben. Wacht, ik ga zoodra mogelijk op verkenning uit! Als ik de vermisten eens terugvond! Maar laat ik er vooral Jan niets van zeggen en geen nieuwe hoop opwekken, die misschien toch ijdel zou blijken te zijn."

Vol van deze gedachten spoedde de wakkere zeeman zich — eigen verlies vergetende — zoodra hij kon voort, om inlichtingen in te winnen aangaande de schepen, welke dien dag de haven waren binnengekomen. Zijn onderzoek liep echter op teleurstelling uit. Ook de scheepstijdingen van elders gaven hem niet, wat hij zocht. En toch liet het eens opgevatte denkbeeld hem niet los. Integendeel, hoe langer hij nadacht en de zaak van alle kanten overwoog, hoe meer het bij hem vaststond, dat Ami wel een middel zou gevonden hebben, om zich met zijn makker aan het dreigende gevaar te ontworstelen, en daarna op de een of andere wijze gered zou zijn.

"Maar 't kan ook evengoed een uitzeilend als een binnenvallend schip geweest zijn, dat hen heeft opgenomen," redeneerde hij bij zich zelf. En nu volgde een vernieuwd onderzoek naar alle schepen, welke omstreeks den tijd van het ongeluk ter hoogte van de aanvaring konden geweest zijn. Nauwkeurig teekende hij aan, welke schepen de laatste twee dagen de haven van New-York en die van andere plaatsen hadden verlaten en waarheen ze bestemdwaren, om later, bij 't bericht van hun aankomst, te kunnen nagaan, of ook de een of andere bijzonderheid vermeld werd, welke hem eenige zekerheid omtrent zijn vermoeden kon verschaffen.

Met deze gegevens voor zich doorsnuffelde hij nu van dag tot dag alle mogelijke scheepstijdingen; doch ontmoette hij ook al eens een bericht over de aankomst van een door hem aangeteekend schip, nergens was sprake van datgene, waarnaar hij met zooveel verlangen en ongeduld zocht. En intusschen naderde meer en meer de dag, waarop de bemanning der Maasdam met een ander stoomschip der Maatschappij de terugreis naar het vaderland zou aanvaarden.

Eindelijk was die dag daar.

Maar toen Piet Vlug zijn aanteekeningen voor de laatste maal inzag, was daarop ook bijna alles doorgehaald, waarop hij zijn hoop gevestigd had. Deze was dan ook langzamerhand vrij wat verminderd en eindelijk zoo goed als vernietigd.

Nog slechts de namen van twee schepen en daaronder die van "de Franklin" van New-York naar Sidney stonden daar, zonder dat het potlood er de noodlottige streep doorheen getrokken had, die van zijn teleurgestelde verwachting getuigenis aflegde. Op deze beide namen was dus het restje van zijn hoop gebouwd. Maar Sidney was zoo ver. Nog weken zou het duren, voor "de Franklin" aan het einde der reis was. En intusschen had hij Amerika verlaten, en daarmee was de kans om vooreerst iets omtrent de aankomst van het schip te vernemen, zoo goed als vervlogen! Wat het andere schip aangaat, daarmede was het ook al niet beter gesteld.

Zou hij dus zijn vrienden nog iets mededeelen van zijn vermoeden, voor hij naar Holland terugkeerde?

Maar dat vermoeden was al zoo dikwijls op teleurstelling uitgeloopen, dat hij ze er niet aan mocht of durfde wagen.

Na een hartelijk afscheid vertrok hij dus met het stellige voornemen, om bij aankomst in Holland direct zijn onderzoek voort te zetten. Want dat Willem en Ami verdronken zouden zijn, wilde er — ten spijt van alles — nog maar niet bij hem in.

"Wat men hoopt, gelooft men," zegt een spreekwoord, en zoo was het met den bootsman ook.

Het proces, ten gevolge van de aanvaring ontstaan, was middelerwijl afgeloopen en ten voordeele van de Maasdam beslist, daar uit de verklaringen, zoo van gezagvoerder en stuurlieden als van bemanning en passagiers, ten duidelijkste bleek, dat men zich aan boord van dit schip in alle opzichten aan de bepalingen, voor het verkeer ter zee vastgesteld, gehouden had, terwijl die voorschriften van de andere zijde schromelijk bleken verwaarloosd te zijn.

De reederij der Columbus werd dus tot geheele schadevergoeding van schip en lading veroordeeld, en de kapitein van de Maasdam kon, zonder dat op zijn zeemansnaam zelfs de minste blaam bleef rusten, met zijn equipage naar het vaderland terugkeeren.

Eenigen tijd later vinden we onzen bootsman dus te Rotterdam terug.

Nauwelijks aan wal, richt hij zijn schreden naar het zeemanskoffiehuis, waar hij weldra met een stapel couranten voor zich zit. Doch ook hier loopt zijn onderzoek op niets uit. Het eene blad na het andere wordt door hem op zij gelegd, tot hij eindelijk, mismoedig over zooveel teleurstelling, ook het laatste weer toevouwt en zich gereed maakt om heen te gaan. Op 't zelfde oogenblik echterverschijnt de courantenjongen aan de deur, om 't laatste nieuws af te geven. Dadelijk heeft Piet Vlug het nieuwsblad in handen.

"'t Zal wel vergeefsche moeite zijn," mompelt hij, "maar enfin! 'k Moet toch even kijken." En nu leest hij: "Aangekomen te Bombay.... Calcutta.... Singapore... Batavia.... Sidney...." Plotseling verheldert zijn gelaat en met den blijden uitroep: "Eindelijk toch gevonden!" werpt hij het blad op de tafel.

"Kastelein!" roept hij vervolgens, terwijl hij weer plaats neemt — "breng mij nog een half fleschje Beiersch!" en dan tot zich zelf: "Daar kan een extra glas op staan!.... Waar stond het ook?... O ja, hier is 't!...." En nu leest hij half overluid: "Sidney.... Aangekomen 'de Franklin' van New-York. Onder de Amerikaansche kust in zee drijvende gevonden een boot, waarin een kind van ongeveer vier jaar en een hond.".... "Maar hoe blikslager is dat mogelijk," zegt hij na eenigen tijd nadenkens met de hand aan het hoofd. "We hadden toch alle booten meegenomen!.... En toch — 't kan niet anders zijn.... Haal ze den drommel! dat ze er den naam van 't kind en van den hond niet bijgezet hebben. Dan was alle twijfel dadelijk opgeheven!.... Doch" — en hij begon hartelijk te lachen — "hoe kan ik ook zoo dom zijn!.... Ze zullen den kleuter met zijn gebroken Hollandsch niet verstaan hebben!.... of" — en op eens nam zijn gelaat een geheel andere uitdrukking aan — "of zou de stumperd misschien al dood geweest zijn?.... Maar," — en weer keek hij het korte telegrafische bericht na — "dan zou er toch gestaan hebben: het lijkje van een kind, — dunkt me.... 't Is waarachtig om dol te worden!.... Wat heb ik nu eigenlijk aan zoo'n bericht?.... Zijn ze 't, of zijn ze 't niet?... En zoo ja, leven ze nog, of zijn ze dood?.... 'k Dacht die arme stakkers daar ginder zoo heerlijk te verrassen!.... Maar zoo gaat het niet.... 'k Moet eerst meer zekerheid hebben. Er zit niets anders op dan nog wat geduld te oefenen en intusschen 'de Franklin' in de gaten te houden, want gelooven doe ik het toch! Wacht, ik moest die courant in mijn zak steken!.... Kastelein!"

"Asjeblieft, mijnheer!"

"Als ik je een gulden geef voor dit blad, mag ik het dan houden?"

"Met alle plezier," zegt de kastelein lachend, "als ge er zooveel belang in stelt. Maar aan het bureau en op straat koopt ge er anders een voor een stuiver."

"Dat doet er niet toe!" antwoordt Jan, een rijksdaalder uit zijn vollen buidel op tafel werpend en meteen de courant in den zak van zijn jekker stekend. "Ik verkies nu juist dit blad te hebben en geen ander!"

"Nu, zooals ge wilt," herneemt de kastelein, terwijl hij den rijksdaalder aanneemt en eenig klein geld terug geeft, dat de bootsman achteloos op zak steekt. "Veel luk er mee!.... Zeker een prijs uit de loterij, niet waar?"

"Als 't waar is, wat hierin staat," zegt Jan, op zijn jekker slaande, "dan kon je dat wel zoo mis niet hebben. Adjuus!"

En met de gewichtige tijding op zak, verliet hij het zeemanskoffiehuis.


Back to IndexNext