Chapter 3

ZESDE HOOFDSTUK.Een geluk bij een ongeluk.

ZESDE HOOFDSTUK.Een geluk bij een ongeluk.

Nadat de Franklin gelost was en de gezagvoerder eenigen tijd te vergeefs op nieuwe lading gewacht had, besloot hij den steven naar Indië te richten, in de hoop aldaar geschikte retourvracht voor zijn bodem te vinden.

Doch te Soerabaja, waar men na eenige dagen aankwam, werd alleen scheepsruimte gevraagd voor Europeesche havens, terwijl de kapitein, ook met het oog op zijn kleinen passagier, gehoopt had naar Amerika terug te kunnen keeren.

Met een leeg schip den Oceaan over te steken, was echter nog minder gewenscht. Derhalve besloot kapitein Smartt eindelijk van den nood een deugd te maken en zijn schip naar Europa, en wel naar Hamburg, te bevrachten.

De reis zou zoodoende wel wat langer duren; maar hij mocht de belangen zijner reeders toch niet aan die van het kind opofferen. En bij nader inzien waren de laatstemisschien aan deze zijde van den Atlantische Oceaan nog beter gediend dan aan gene.

Van Hamburg naar Holland was toch slechts een uitstapje van hoogstens een paar dagen, redeneerde de kapitein. Een onderzoek aldaar bij de reederij van het verongelukte schip, waarvan Willem, naar hij vermoedde, afkomstig was, zou misschien nog beter resultaat opleveren, dan het zoeken naar zijn ouders in Amerika zelf. De lading, die hoofdzakelijk uit koffie en suiker bestond, werd derhalve ingenomen, en weldra verliet het schip met zijn kostbare vracht de haven van Soerabaja, om zijn nieuwe bestemming te volgen.

Piet Vlug had "den Amerikaan", zooals hij de Franklin voortaan noemde, intusschen goed in de gaten gehouden. Dag in, dag uit zat hij in de courant te snuffelen, om te zien, werwaarts hij zijn koers zou richten. Zoodoende droeg hij niet alleen kennis van de aankomst der Franklin te Soerabaja, maar ook van haar vertrek en bestemming naar Hamburg.

"Wel drommels, waarom niet liever naar Holland gekomen," pruttelde hij bij het lezen van de laatste tijding. "Nu ben ik, zoo waar, nog genoodzaakt naar Hamburg te reizen, als 't zoo laat is; wanneer ik ten minste zekerheid omtrent het ventje wil hebben. Maar enfin, dat is minder, als de moeite maar beloond wordt. Kon ik eerst nog maar een reisje doen; want zoolang aan wal te blijven hangen.... Wacht, laat me eens uitrekenen.... Het is vandaag de 23e April en de Amerikaan is uitgezeild op den 15en April. Dat is, als alles goed gaat, omstreeks 't begin van Juni aan de Kaap en zoo ongeveer half Juli hier voor de kust.... Maar dan moet ookalles meeloopen en broeder Jonathan al een snelle zeiler zijn.... Als wij dus over veertien dagen uitzeilen, zijn we tegen dien tijd al lang en breed weer in Holland terug.... Wel ja, dat lappen we hem met glans, als er ten minste geen tweede Columbus in ons vaarwater komt. Maar dan mag ik lijen, dat de baas zelf naar den kelder gaat!"

Onze bootsman had zijn berekening inderdaad niet slecht gemaakt. Nu, daarvoor had hij dan ook in eigen persoon meer dan eens dezelfde reis gedaan. Voor hij namelijk bij de Maatschappij, waarvoor hij thans voer, in dienst kwam, was hij verscheidene malen naar Indië geweest.

Hij wist er dus alles van en maakte zich dan ook volstrekt niet ongerust, dat de Amerikaan hem tijdens zijne afwezigheid zou ontsnappen.

Willem had zich intusschen van lieverlede zoodanig aan zijn goede pleegouders gehecht, dat hij het verlies van vader en moeder geheel vergeten scheen. En de kapitein en zijn vrouw? Als de kleine praatjesmaker, die nu reeds aardig Engelsch had leeren babbelen, zoo tusschen hen in zat, voelden zij meermalen den wensch bij zich opkomen, dat het onderzoek, dat zij wilden instellen maar op niets mocht uitloopen. Indien de ouders nog leefden, wisten zij immers toch niet beter, dan dat hun kind dood was, en misschien hadden zij zich reeds met dat denkbeeld verzoend. En zij daarentegen? Hoe zouden zij hem missen! Vooral mevrouw Smartt kon er niet aan denken, dat zij mogelijk spoedig weer afstand van haar Willy zou moeten doen.

En toch, hoe meer de Franklin haar bestemming naderde, hoe meer dat denkbeeld zich aan haar opdrong. Somszelfs maakte zich een gevoel als van een naderend onheil van haar meester, en als haar man zich aan dek bevond, zat zij dikwijls met het knaapje op haar schoot in stilte te schreien. Maar dan sloeg Willy zijn armpjes om haar hals, en door zijne lieftalligheid wist hij haar sombere gedachten te verdrijven.

Zoo bereikte de Franklin eindelijk den ingang van het Kanaal. Juist acht dagen te voren was het stoomschip de Rotterdam, waarmee Piet Vlug ditmaal de reis naar Amerika gemaakt had, Kaap Lizard gepasseerd. En niettegenstaande de bootsman op zijn vingers kon narekenen, dat de Amerikaan op dat tijdstip nog onmogelijk op dezelfde hoogte, veel minder hem reeds vooruit kon zijn, nam hij toch elk schip, dat den steven naar het Noorden gericht had, met zijn kennersblik zorgvuldig op, om zich te vergewissen, of hij zich soms ook in zijn berekening mocht vergist hebben.

"Je kunt nooit weten," dacht hij. "Dat volkje van den overkant is zoo vlug als water. Als je meent, ze te hebben, glijden ze je nog tusschen de vingers door."

Doch onder de massa schepen, die het Kanaal opvoeren, was geen enkel Amerikaansch fregat te bekennen.

Onze bootsman zou dus al den tijd gehad hebben, om van de vermoeienissen der reis uit te rusten, voor hij op zijn ontdekkingstocht uitging, als geen onverwachte gebeurtenis tusschen beide gekomen was, die al zijn plannen in duigen dreigde te werpen.

Nauwelijks een paar dagen aan wal ontving hij namelijk een brief van De Cocksdorp op Texel, waarin hem dringend verzocht werd onverwijld over te komen, daar zijn oude grootvader bedenkelijk ziek was.

"Als ge hem nog levend zien wilt, zult ge u moeten haasten," luidde het droevig bericht.

"De oude man gaat van dag tot dag achteruit en heeft al verscheidene malen naar u gevraagd. Misschien heeft hij u nog wat te zeggen of te vragen...."

Geen tien minuten later stond de bootsman al met den brief in de eene en de muts in de andere hand bij den kapitein in de kajuit.

"Wat heb je, bootsman?" vroeg deze, van zijn schrijfwerk opziende.

"Ik zou u wel om eenige dagen verlof willen vragen, kapitein," antwoordde de bootsman. "Zooeven ontving ik dezen brief. Als de kapitein dien eens even wou inzien."

Zonder den toegestoken brief evenwel aan te nemen, vroeg de kapitein weer: "Wat behelst de brief? Toch geen ziek volk, wil ik hopen?"

"Ja, kapitein," hernam Piet bewogen. "Mijn grootvader is stervende, en naar 't schijnt wou de oude man, alvorens hij de groote reis gaat doen, mij nog eens zien."

"Nu, maak dan maar gauw, dat je voort komt," sprak de kapitein daarop. "Je hebt onbepaald verlof. Goeie reis!"

"Dank u, kapitein!" zei Piet. Maar terwijl hij zijn muts al heen en weer draaide, scheen hem nog iets op de tong te liggen; althans hij maakte nog geen haast om te vertrekken.

"Had je nog iets, bootsman?" vroeg de kapitein nu op nieuw.

"Ja, kapitein!" sprak Piet een weinig verlegen. "'k Zou u eigenlijk nog wel iets willen vragen."

"En dat is?"

"Ik zie dagelijks in de scheepsberichten uit naar de aankomst van het Amerikaansche fregat de Franklin. Dat schip moet vandaag of morgen te Hamburg binnenvallen, en nu ik heel naar Texel ga, zou me 't bericht daarvan gemakkelijk kunnen ontgaan."

"En nu zou je dus willen....?"

"Dat u eens voor me woudt uitkijken naar dien sinjeur, als het ten minste niet te veel moeite is, kapitein!" sprak Jan. En als vreesde hij, dat zijn verzoek eigenlijk wel wat misplaatst was, voegde hij er bij: "Ziet u, kapitein, 'k zou het ook wel aan een ander kunnen vragen; maar er is mij zooveel aan gelegen, dat ik het waarlijk niemand anders durf toevertrouwen."

"Wel zoo, bootsman!" sprak de kapitein lachend, "dan sta ik zeker goed bij je aangeschreven. Nu, ik zal zorgen, dat ik je vertrouwen in mij niet beschaam. Zoodra ik het bericht lees, stuur ik je een telegram! Maar mag ik, zonder nieuwsgierig te zijn, nu ook vragen, wat het is, dat je zooveel belang in dat schip doet stellen?"

"Zeker, kapitein!" antwoordde Jan, die deze vraag verwacht had. Daarom had hij dan ook al de couranten en aanteekeningen, welke hij had verzameld, bij zich gestoken. Terwijl hij deze nu uit den binnenzak van zijn pijjekker te voorschijn haalde, ging hij voort: "Gij herinnert u zeker nog wel, kapitein, dat we verleden jaar, bij het ongeluk met de Maasdam een kleinen passagier, benevens onze Ami, kwijtgeraakt zijn?"

De kapitein knikte bevestigend.

"Nu dan," vervolgde de bootsman, "'t wou er van den beginne af eigenlijk niet goed bij mij in, dat die twee werkelijk om zeep gegaan zijn. En nu meen ik de bewijzen te hebben, die mijn vermoeden wettigen. Zieslechts!" Hierbij toonde hij den kapitein de berichten in de nieuwsbladen, benevens de verschillende door hem gemaakte aanteekeningen. "Eén ding slechts begrijp ik niet," zei hij ten slotte, "hoe ze namelijk in die boot gekomen zijn, daar we alle sloepen meegenomen hebben."

"Dat begrijp ik wel," sprak de kapitein, die met klimmende belangstelling des bootsmans mededeelingen had aangehoord. "De jol stond immers op den bak!"

"Stommerik, die ik ben! dat ik daar niet aan gedacht heb," zei Jan, zich voor het hoofd slaande.

"Hoor eens," sprak nu de kapitein, opstaande en hem de hand op den schouder leggende, "je bent integendeel een wakkere, flinke kerel! Ga nu maar gerust je grootvader opzoeken. Ik stel er een eer in niet alleen, maar acht me ook ten zeerste verplicht je zooveel mogelijk bij te staan. Zoodra de Franklin te Hamburg is gearriveerd, zal ik per telegraaf informatiën inwinnen, en is je vermoeden juist, waaraan ik intusschen niet twijfel, dan reis ik er zelf heen, om het kind en den hond af te halen. Als je dan terugkomt, stel ik ze je hier weer ter hand."

"God geve het, kapitein:" sprak Piet aangedaan. "O, wat zou die ongelukkige moeder weer opleven, als ze haar jongen, dien ze dood waant, gezond en wel weer terugzag!.... Maar die papieren?"

"Jongen ja, laat me die houden," zei de kapitein. "Ik mocht ze nog noodig hebben."

Met een hartelijken groet liet hij nu den bootsman vertrekken, die zich daarop in der haast wat aankleedde en een en ander bij elkaar zocht.

Een paar uren later zat hij dan ook al in den sneltrein van Rotterdam naar Amsterdam, en nog denzelfden avondstond hij voor de deur van grootvaders woning. Het laatste gedeelte der reis, van de hoofdplaats van Texel tot de Cocksdorp — een afstand van ongeveer drie uren — had hij geheel te voet moeten afleggen. Doodmoe lichtte hij de klink op. Als grootvader nu nog slechts leefde en hem herkende!.... Helaas! hoe hij zich ook gehaast had, hij kwam nogtans te laat. De zieke had een half uurtje te voren den laatsten adem uitgeblazen. Zacht en kalm had de oude man den geest gegeven, nog een laatsten groet voor zijn kleinkind achterlatende.

Droevig staarde Piet Vlug den ontslapene aan. Hij was de oudste kleinzoon, en grootvader had van hem altijd zoo bijzonder veel gehouden, al waren er later ook meer kleinkinderen gekomen.

Nu schoot hem niets anders over, dan den geliefden doode de laatste eer te bewijzen.

Drie dagen later zien we hem dan ook te midden zijner familieleden het kleine dorpskerkhof betreden, achter de zwarte baar, waarop grootvaders lijk grafwaarts gedragen wordt.

't Was een sombere begrafenisdag. De lucht zag er al haast even treurig uit als de gezichten van hen, die om de groeve geschaard stonden, waarin de lijkkist werd neergelaten. Het zonnetje bleef den geheelen dag achter dichte, grauwe wolken verborgen, die met onheilspellende vaart door het luchtruim werden voortgejaagd. De wind begon al meer en meer op te steken en deed het zand der duinen dwarrelend omhoog stuiven. Menigeen richtte het oog bezorgd naar boven en vroeg zich af, waar dat op uitloopen zou. Veel goeds scheen het in allen gevalle niet te voorspellen. Het weerglas begon snel te dalen. Weldra stond het opstorm en nog steeds ging het achteruit. Tegen den avond wees het zelfs orkaan aan. En 's nachts?... Daar begon het! Vreeselijk, wat raasde de wind! Wat huilde hij door de toppen der boomen, wat floot hij door reten en scheuren! De huizen schudden, schoorsteenen waggelden en vielen naar beneden, pannen werden van de daken geslingerd! De menschen waren zelfs bang in huis! En daarbuiten, aan het strand en op zee? Huizenhoog rezen de golven En met donderend geraas vielen zij schuimend en bruisend op de kust, als wilden ze het geheele eiland in hun gapenden muil verzwelgen! 't Was of de zee overeind stond! Golven van wit schuim stoven tot over de hoogste duintoppen en een regen van zout water viel daarbinnen op het land.

"Arme zeelui!" zuchtte men in de huizen. "Wie weet, hoe velen op dit oogenblik in nood verkeeren!"

"Ja, wie weet!" zuchtte ook Piet Vlug, die aan niets anders dacht, dan aan het schip, dat hij reeds weken en maanden in gedachten gevolgd had en dat nu ongetwijfeld hier of elders voor de kust moest zijn! "Als het nu eens juist..."

Ontzettend, wat een hevige windstoot!.... Hij kon het in huis niet langer uithouden.

"Ik moet er uit!" riep hij eensklaps, van zijn stoel opspringende.

"Waar wil je heen?" vroeg zijn neef Klaas, de zoon van oom Hein, bij wien grootvader had ingewoond.

"Naar 't strand!" antwoordde Piet kortaf.

"Dan gaan we samen!" zei Klaas besloten.

Elk in een oliepak gestoken, met den zuidwester vast op het hoofd gebonden en een stevigen knuppel in de hand tot steun, zoo verlieten zij een oogenblik later de woning.

Verschrikkelijk! wat was het donker buiten.Zwarte nacht heerschte in het rond. Geen hand voor oogen kon men zien. En 't scheen wel, of de storm met elk oogenblik nog heviger werd. De wind stond vlak op de kust.

Meer kruipend dan loopend gingen de twee neven voort. Aan spreken was geen denken. Elke vijf minuten moesten zij zich omkeeren, om adem te scheppen. Eindelijk toch bereikten zij het duin. Hier waren zij althans eenigszins beschut tegen den storm.

"Dat 's een heele haal geweest, neef!" zei Klaas hijgend toen zij even uitrustten, alvorens het duin te beklimmen.

"Nu, of het!" antwoordde Piet. "Waren we nu ook maar goed en wel aan den anderen kant!" En een oogenblik later vervolgde hij: "Zouden we 't nu maar eens probeeren?"

"Eerst nog even uitblazen," sprak Klaas. "'k Ben nog geheel buiten adem."

En terwijl zij daar aan den binnenvoet van het beschermende duin nieuwe krachten verzamelden voor den verderen tocht, woedde de storm daarbuiten met onverminderde kracht voort, bergen van wit schuim over hun hoofden heen slingerend.

't Was inderdaad een vreeselijke nacht. 't Geweld der brekende golven, vermengd met het dof gedreun en gerommel der kokende branding in de "Gronden" en het bulderen van den orkaan, vormden samen een orkest, zooals alleen de natuur kan scheppen, als de elementen het verstoorde evenwicht in den dampkring zoeken te herstellen.

"Komaan, laten we 't nu maar eens beproeven," zei Klaas eindelijk, en daarop stapten zij het duin in. Al op- en afklimmende bereikten zij ten laatste de buitensteduinenrij. Aan den anderen kant daarvan beukte de zee. 't Was of de zandmassa onder 't gewicht der slagen trilde. Toch waagden zij het, ook dit laatste bolwerk te beklimmen, om daarna, plat op den grond liggende, en met het hoofd vooruitgestoken over de golven te staren.

"Als er nu eens een schip in nood verkeerde, Klaas!" zei Piet Vlug.

"Dat verhoede God!" antwoordde de toegesprokene, "want aan redding is op 't oogenblik geen denken. Als er met dit weer een schip in 'de Gronden' verzeilt, is het binnen een kwartier tot splinters geslagen."

"Hoor! wat is dat?!" sprak Piet op eens weer, na een oogenblik zwijgens. Beiden hielden den adem in. Maar zij vernamen niets dan het loeien van den wind en het geraas der golven.

Ja, toch, daar was het weer!....

"Hoor je het nu, Klaas?" vroeg Piet.

Een langgerekt gehuil, dat boven wind en golven uitklonk, drong hem in de ooren.

"Dat is hier dichtbij," zei Klaas, en zonder verder een woord te wisselen, kropen beiden zij aan zij op handen en voeten langs de duinhelling naar beneden.

Nogmaals hetzelfde gehuil, maar nu veel dichter bij dan een oogenblik te voren.

"'t Is een hond, die tegen het duin tracht op te klauteren," schreeuwde Klaas aan het oor van den bootsman, en een luid geblaf in de diepte bewees, dat hij zich niet vergist had en tevens dat zij door het dier waren opgemerkt.

"Groote God! Als 't Ami eens was," dacht Piet Vlug, en zonder te bedenken, aan welk gevaar hij zich blootstelde, liet hij zich op eens naar omlaag glijden.

"Ami! Ami!" schreeuwde hij met beide handen aan den mond, toen hij beneden was; maar meteen werd hij door een met groots kracht en snelheid bij het strand oploopende golf aangegrepen en omvergeworpen.

Op het punt om door het afloopende water in de diepte mee gesleurd te worden,voelde hij zichechter plotseling stevig beetgepakt en tegengehouden.

De hond had hem van een wissen dood gered.

Vlug sprong Piet overeind en betastte zijn harigen redder, die, druipnat als hij was, tegen den bootsman opsprong en zijn handen en gelaat besnuffelde.

"O Hemel! hij is het!" riep Piet Vlug uit.

Een schier menschelijke kreet was het antwoord van den hond. Beiden hadden elkaar herkend.

"De Franklin gestrand!.... Met man en muis vergaan wellicht!... En de kleine jongen!?".... Bliksemsnel doorkruisten al deze gedachten het hoofd van den bootsman. Veel tijd om na te denken over 't geen er gebeurd moest zijn, had hij evenwel niet.

"Maak, dat je hier komt!" schreeuwde Klaas zoo luid mogelijk, want een ontzettende golf, wier dof gebrom met elk oogenblik sterker werd, kwam met alles omverwerpend en vernielend geweld op de kust aanrollen. Op lijfsbehoud bedacht, klauterde Piet Vlug dan ook, zoo spoedig hij kon, weer bij het duin op.

De hond ging hem vooruit.

Plotseling evenwel bleef het dier achter een eenigszins vooruitstekende zandrug staan en begon op nieuw hevig te blaffen.

"Ja, ik kom bij je, ouwe jongen!" riep de bootsman, wien een voorgevoel nieuwe kracht gaf, hoezeer de storm hem ook bijna tegen 't duin aandrukte.

04_nats.jpg

04_nats.jpg

[Illustratie: Zijn hand gleed over iets nats, dat op den grond lag uitgestrekt.]

[Illustratie: Zijn hand gleed over iets nats, dat op den grond lag uitgestrekt.]

"Ben je daar?" riep nu ook Klaas, toesnellende. De bootsman evenwel antwoordde niet, maar tastte gejaagd om zich heen in de nabijheid van het blaffende dier.

Ha! daar vond hij wat. Zijn hand gleed over iets nats, dat op den grond lag uitgestrekt. Daar voelde hij.... de hand en het gelaat van een kind!.... IJskoud.... Dood?!.... Geen teeken van leven althans was meer te bespeuren.

"Heb ik je dan daarvoor zoo lang nagegaan, om hier slechts je lijkje te vinden?" zuchtte de bootsman. "Arme jongen! Arme, arme moeder!"

"Maar misschien is het slechts bewusteloosheid en kunnen de levensgeesten van het kind nog weer worden opgewekt," zei Klaas, die intusschen ook naderbij was gekomen. "Doch dan moet er gehandeld worden en spoedig ook."

Dat begreep ook de bootsman. Vlug pakte hij derhalve het knaapje op en snelde er mee voort, het eene duin op, het andere af. 't Was of de storm hem vleugels gaf, zoo haastte hij zich, om met zijn last onder dak te komen.

Aan den binnenkant van het duin stond een kleine hut. Daarheen richtte het tweetal zijn schreden, op den voet gevolgd door den hond, die luide zijn blijdschap te kennen gaf.

Het noodweer had ook de bewoners der hut van het bed gehouden, zoodat Piet en Klaas een open deur en behulpzame handen vonden. Het kind werd nu op de tafel uitgestrekt en uitgekleed, waarop men alles in het werk stelde, om het leven, zoo het nog niet geheel geweken was, weer op te wekken. De bootsman kende dat werk. Meer dan eens was hij er getuige van geweest, hoe door kunstmatige ademhalingsverrichtingen, alsmede door wrijven en borstelen een drenkeling weer tot het leven teruggebracht werd. De hond zat het werk bedaard aan te kijken en liet alles geduldig toe. Doch hoe Piet Vlug zich ook inspande, al zijn moeite scheen tevergeefs. Reeds had hij de hoop opgegeven, hoewel hij nog steeds voortging de armpjes van het knaapje op en neer te bewegen.

Maar daar op eens.... Vergiste hij zich niet?.... Was dat geen zucht, dien hij hoorde?.... Ademloos legde hij het oor tegen het ontbloote borstje en.... Ja, daar begon het van binnen weer te kloppen, daar stroomde het bloed op nieuw door de aderen!

"Hij leeft! hij leeft!" juichte de bootsman, alsof hij zijn eigen kind uit den dood had weergekregen!

Nu ontspanden zich ook de strakke gelaatstrekken van den kleine; de ademhaling werd al dieper, en eindelijk, daar openden zich de oogen, eventjes, heel eventjes maar, doch lang genoeg voor Piet Vlug, om hem ook het laatste greintje twijfel, of hij werkelijk het zoontje van zijn vrienden voor zich had, te ontnemen.

"Zie zoo, nu onder de dekens met hem, als 't kan!" zei hij eindelijk. En toen Willem nu goed en wel in het bed, dat hem bereidwillig was afgestaan, onder de wol lag en zijn rustige ademhaling bewees, dat hij een verkwikkenden slaap genoot, kon de bootsman niet nalaten zijn vol gemoed door eenige mededeelingen omtrent het gebeurde uit te storten.

"Zoo is er dus altijd nog een geluk bij een ongeluk," zei hij ten slotte. "Was grootvader niet gestorven, dan was ik niet hier geweest, en het ventje zou, na overal de wereld rondgezworven te hebben, hier in de nabijheid van zijn geboorteplaats waarschijnlijk den dood gevonden hebben in het duin!"

Terwijl hij dit zeide, sloop Ami voorzichtig naar de bedstede en ging op de achterpooten staan, om naar den slapende te kijken.

De bootsman volgde hem.

Juist sloeg het kind de oogen op en blikte in het gelaat van den zeeman.

"Ken je me nog, mijn jongen?" vroeg hij zacht.

Plotseling verhelderde een gelukkige glimlach het bleeke kindergelaat. "Oom Piet! Oom Piet!" kreet de kleine, en meteen strekte hij als vroeger de beide handjes naar hem uit.

ZEVENDE HOOFDSTUK.Bij vader en moeder terug.

ZEVENDE HOOFDSTUK.Bij vader en moeder terug.

Toen het weerglas zoo snel daalde en kapitein Smartt voorzag, dat er slecht weer in aantocht was, dacht hij het Gat van Texel binnen te loopen en te Nieuwediep gunstiger gelegenheid af te wachten om de reis voort te zetten. De storm overviel hem echter met zulk een snelheid, dat hij weldra genoodzaakt was, weer van de kust af te houden, wilde hij zijn vaartuig niet op de gevaarlijke Haaksgronden zien verbrijzelen.

Met elk oogenblik werd de storm heviger, en het duurde niet lang, of hij was tot een vliegenden orkaan aangegroeid. Eenmaal op de kust, was het de Franklin niet meer mogelijk in volle zee terug te komen. Wel ging het aanvankelijk nog om den Noord, doch tevens werd het schip meer en meer naar de kust heengetrokken. De zeilen scheurden tot flarden, en tot overmaat van ramp begon ook het roer zijn dienst te weigeren. Nu was het lot van het schoone vaartuig spoedig beslist.

Geheel prijsgegeven aan de woede van wind en golven, liep het ontredderde schip met ontzettende snelheid regelrecht op de kust aan en werd een oogenblik later in de kokende branding geworpen. Een geweldige stoot volgde — de masten kraakten en vielen over boord, en de matrozen, die in het want gevlucht waren, vonden hun dood in de golven! Een nieuwe waterberg, die het schip nogmaals opnam en met zich omhoog voerde, om het eenige honderden meters verder op nieuw in de branding te slingeren, voltooide het vernielingswerk.

De verschansing sloeg weg en allen, die zich nog dan boord bevonden, ook de kapitein en zijn vrouw, benevens de kleine Willem en Ami, de hond, werden van het dek weggeveegd.

Eén hartverscheurende kreet, en alles was gedaan! De zee is een steeds geopend graf, een doodenakker met talrijker bevolking dan het grootste kerkhof!

Willem uitgezonderd, ontkwam dan ook niemand aan haar doodelijke omarming. En ook deze had het behoud van zijn leven slechts aan zijn trouwen en altijd wakkeren kameraad te danken.

Door dezelfde golf op het strand geworpen, waar echter niemand aanwezig was om den kleinen drenkeling te redden, had Ami hem met inspanning van alle krachten zoover bij het duin weten op te sleepen, dat de zee zich althans deze prooi ontnomen zag. Maar niettemin zou het arme kind, dat den dood reeds nabij was, stellig omgekomen zijn, als het niet nog juist te rechter tijd door den bootsman en zijn neef Klaas gevonden en opgenomen was. Den geheelen nacht was de eerste verder in de hut gebleven, en 's morgens droeg hij Willem, na hem, bezorgd als hijwas, goed ingepakt te hebben, op zijn armen naar het dorp, waar men, inmiddels door Klaas ingelicht, den wonderdadig geredden schipbreukeling met open armen ontving en opnam.

Het bericht van de schipbreuk had de dorpsbewoners intusschen reeds vroeg op de been gebracht, en ieder spoedde zich nu naar het strand om te zien, of er nog iets te helpen of te redden viel.

Helaas! er bleef niets te helpen of te redden over. De storm had zijn werk niet ten halve gedaan!

Welk een verwoesting had hij in enkele uren tijds aangericht! 't Geheele strand lag met de overblijfselen van schip en lading als bezaaid. Hier en elders vond men ook het lijk van een ongelukkigen zeeman, en daar ginder, tusschen den Grooten en Kleinen Slufter (twee diepe geulen in het strand, die tot den duinvoet doorloopen) vertoonde zich het wrak van het gestrande vaartuig. Straks — als de eb was ingevallen — zou men het misschien te voet kunnen bereiken en er droogvoets om heen kunnen loopen. Nu echter stond er nog eenige voeten water omheen, en verscheidene visschersschuitjes lagen het reeds op zij, om van de lading nog zooveel mogelijk te redden en daarmee een eerlijk bergloon te verdienen.

Ook de scheepspapieren, waaruit de naam van schip en gezagvoerder, alsmede de plaats van herkomst en bestemming kon blijken, werden uit het wrak gehaald en aan wal gebracht. Onder die papieren bevond zich o. a. ook de indertijd door kapitein Smartt opgemaakte en door de geheele equipage der Franklin onderteekende verklaring omtrent het op de Amerikaansche kust opgevischte tweetal, welke verklaring den bootsman zeer te stade kwam,om de afkomst der nu op nieuw geredden voldingend te bewijzen.

Overigens was ons Willempje er zelf om daaromtrent te overtuigen. Door het hem bijgebleven gezicht van oom Piet toch leefden ook zijn sluimerende herinneringen omtrent moetje en vader weer op, en toen het nu onafscheidelijke drietal eenmaal de straat opkwam en de voormalige woning van Jan Vroolijk passeerde, liet de kleine op eens de hand van oom Piet los en holde onder den uitroep: "Moetje toe! Moetje toe!" de openstaande deur binnen.

Moetje was er echter niet! Wel had de familie enkele dagen te voren nog een brief van haar ontvangen, waarin de arme vrouw — hoe goed ze 't overigens ook had in de Nieuwe Wereld, — op hartroerende wijze over haar verloren lieveling klaagde.

"Kom maar, mijn jongen!" had de bootsman toen met een kwalijk weerhouden traan gezegd, "je gaat spoedig met oom Piet naar je moetje toe, hoor! We zullen haar eens foppen, hé?"

Foppen, verrassen, heerlijk verrassen! Ja, dat wilde hij de nog immer treurende ouders.

Daarom had hij met de familie afgesproken, om alles aan hem over te laten.

"Men sterft wel niet van blijdschap," zei hij, "maar het is toch goed, ze een weinig op hun onverwacht geluk voor te bereiden. Ik heb al een plannetje bedacht." En het genot, dat hij zich van de verwezenlijking daarvan voorstelde, maakte, dat hij zich van genoegen in de handen wreef. "Maar," liet hij er ernstig op volgen, "laten we ons maar niet te spoedig verheugen. Een ongeluk ligtsoms in zoo'n klein hoekje. En tusschen hier en daar ginds is de afstand nog zoo groot! 'k Zal blij zijn, als we eerst den overkant alvast maar te pakken hebben; want op zee is geen heil voor den jongen, al heeft hij er ook tot nog toe het leven afgebracht!"

Een week later bracht hetzelfde rijtuigje, dat nu ongeveer een jaar geleden Jan Vroolijk, met vrouw en kind naar de havenplaats van het eiland had gereden, den kleinen Willem op nieuw daarheen, nu echter van twee andere begeleiders vergezeld.

"Zal je vooral goed op hem passen, Piet?" riepen twee, drie stemmen tegelijk, die het ventje slechts met hartzeer weer zagen vertrekken.

"Daar zal niets aan mankeeren, hoor!" antwoordde de bootsman; "reken daar gerust op!"

En van het achterbankje, waarop Ami naast Willem had plaats genomen, om zich — misschien voor de eerste maal in zijn leven — ook eens gemakkelijk te laten rijden, klonk het: "Waf! Waf!" alsof het wakkere dier zeggen wilde: "Anders ben ik er ook nog!"

"Nu, vaarwel dan!".... "Dag Willem!".... "Dag beste jongen!".... klonk het verward dooreen, en.... voort rolde het rijtuig, tot groot vermaak van het kleine ventje, dat nog evenveel schik in het rijden had als een jaar te voren.

Aan boord van de nieuwe Maasdam, die door de Maatschappij ter vervanging van het verongelukte stoomschip in de vaart was gebracht en gereed lag om over een paar dagen haar eerste reis te doen, werd het drietal met een luid "hoezee" verwelkomd. Iedereen schudde den wakkeren, braven bootsman even hartelijk de hand; niet hetminst de kapitein, die hem bovendien zijn bijzondere tevredenheid te kennen gaf. Piet Vlug had zich namelijk gehaast, om direct na de schipbreuk der Franklin zijn kapitein per telegram een korte en daags daarna per brief een uitvoerige mededeeling van het gebeurde te doen.

"En zou je den kleinen zwerveling nu maar niet bij mij achteruit brengen, bootsman!" vroeg de kapitein. "Hij mocht anders nog eens weer zoek raken!"

"Als de kapitein 't mij toestaan wou, zou ik toch maar liever zelf op hem passen," antwoordde Piet beleefd. "'k Ben wel niet voor kindermeid in de wieg gelegd, maar Ami zal me wel een handje helpen."

Nu, de kapitein had er niets tegen, en een beter oppasser dan Ami was bezwaarlijk te vinden. Het trouwe dier was nu weer recht op zijn gemak en speelde en stoeide met Willem, dat het een aard had. Soms zetten de matrozen den krullebol zelfs op zijn rug en lieten hem zoo langs het dek rondrijden. Dan zong de kleine ruiter:

"Hop, hop! Tra-ra! Hop, hop! Tra-ra!"Wij rijden naar Amerika,"

tot groot vermaak van de passagiers, die zijn geschiedenis al spoedig te weten waren gekomen en hem tengevolge daarvan allen even hartelijk gezind waren. De eerste reis van het nieuwe stoomschip was al bijzonder voorspoedig. Van mist of nevel, die de oude Maasdam zoo noodlottig waren geweest, was ditmaal volstrekt geen sprake. Zonnige dagen en heldere, vriendelijke nachten wisselden elkander af. Daarbij was de zee zoo kalm en rustig en speelden de golfjes zoo vroolijk om den boeg van het schoone vaartuig, dat zelfs de vreesachtigste voor zijn plezier zulk een tochtje naar de Nieuwe Wereld zou hebben gemaakt.

's Avonds vóór den verwachten dag van aankomst vertoonde zich dan ook reeds het reusachtige vrijheidsbeeld aan den ingang van de haven van New-York, dat met zijn schitterend electrisch licht den landverhuizers als 't ware het welkom na volbrachte reize toeriep. Nog één nacht — en de bevolking van Amerika telde weer een vijfhonderdtal zielen meer.

Veel geluk, gij allen, die in een nieuw vaderland hoopt te vinden, wat het oude u niet meer of slechts in onvoldoende mate kon aanbieden, — werk en brood! Dat gij al uw wenschen en verwachtingen moogt bevredigd zien!

Ginds dampt al het stoompaard, dat gereed staat de emigranten naar de plaats hunner bestemming heen te voeren; want slechts weinigen blijven in New-York, de meesten gaan landwaarts naar het Westen, honderden uren ver!

Wie komen daar nog op het laatste oogenblik aansnellen, om een plaatsje in den trein te nemen?

Een luid geblaf, dat over het perron weerklinkt, zegt het ons reeds. Piet Vlug staat gereed, om zich van het laatste gedeelte der op zich opgenomen taak te kwijten en den kleinen zwerveling, dien hij op den arm draagt, in den kring der zijnen terug te voeren.

Reeds te Cocksdorp had hij een plannetje bedacht; nu komt het er nog slechts op aan, dit naar behooren ten uitvoer te brengen.

Daartoe had hij zich eerst naar het telegraafbureau begeven en daar aan oom Willem — of liever aan den heer Willem Vroolijk te Holland in den Staat Michigan — het volgende telegram verzonden:

"Vertrek heden met trein 8 uur van New-York naar Holland. Kom mij bij aankomst aldaar afhalen. Kom vooral alleen. Zeg niemand iets. Breng blijde tijding mee."P. VLUG.

"Hier, bootsman! hier is nog ruimte," hoort hij zich toeroepen uit een waggon, waarin verscheidene landgenooten hebben plaats genomen. Hulpvaardige handen worden uitgestoken en nemen het kind van hem over. Ami wipt er achteraan, en ten slotte stapt ook Piet Vlug in, waarop het portier wordt dichtgeslagen.

Nog een oogenblik en de trein vertrekt!....

"Een telegram uit New-York!.... Van wien mag dat zijn?" zegt oom Willem met verklaarbare nieuwsgierigheid, terwijl hij zijn bril op den neus zet en daarna het couvert haastig verbreekt.... En nu leest hij — hardop, zooals hij steeds gewoon is — wat Piet Vlug hem tegelijk met zijn vertrek heeft overgeseind. Gelukkig dus, dat zich niemand in het vertrek bevond; anders zou hij het geheim van den inhoud stellig verraden hebben.

"Kom vooral alleen.... Zeg niemand iets.... Breng blijde tijding mee!" herhaalt hij nog eens, met het papier in de hand het vertrek op en neer loopende.... "Dat is me zoowaar een raadsel, naar welks oplossing ik dol nieuwsgierig ben!"

"Blijde tijding!".... "Nu, die mogen we hier wel eens hebben; want wat er van die arme Kee nog terecht moet komen, weet de Hemel!"

Juist werd de deur geopend en zij, over wie oom Willem zich zoo bezorgd maakte, trad de kamer binnen.

Haastig verstopte de goede man nu het telegram enzich daarop tot haar wendende en haar betraande oogen ziende, zei hij zachtjes: "Al weer gehuild, mijn kind? Kom, verzet je toch eens, en wees niet altijd zoo bedroefd!"

"Och, oom!" antwoordde de arme vrouw, die er nog altijd bleek en lijdend uitzag, "herinnert ge u niet, dat het morgen net een jaar geleden is met onzen lieveling?"

"'t Is waar ook," zuchtte oom Willem deelnemend; maar tevens dacht hij aan de "blijde tijding", welke Piet Vlug kwam brengen, en nogmaals vroeg hij zich af, wat dat toch wel zijn kon. Als hij eens....

't Was, of de gedachte hem zoo in eens werd ingegeven. "God, als dat eens mogelijk was!.... Juist een jaar geleden!.... Maar hoe kom ik er aan?" ging hij een oogenblik later voort, "de dooden worden immers niet weer levend!"

Oom Willem was den geheelen dag zeer onrustig, en 's nachts kon hij zoowaar geen oog toedoen! Hij legde zich van de eene zij op de andere, doch kon den slaap maar niet vatten.

"Wat scheelt je toch, beste man!" vroeg zijn vrouw gedurig; maar ofschoon 't geheim van het telegram hem op de lippen brandde, toch hield hij zich goed, en toen hij zich den volgenden morgen naar 't station begaf, had niemand van de huisgenooten ook maar het minste vermoeden van 't geen er bij hem omging.

Jan Vroolijk ging dien dag niet naar de fabriek. Ook hem was de herinnering aan 't geen vandaag voor een jaar gebeurd was, te machtig. In elkanders bijzijn herdachten de wreed getroffen ouders hun lieveling, en met heete tranen beweenden zij zijn droef verlies.

Oom Willem stond intusschen reeds langer dan een uurop het perron van het station, om de aankomst van den trein af te wachten. Vreeselijk, wat duurde dat lang! Was hij dan zoo vroeg, of was de trein zoo laat?....

Al wel tienmaal had hij zijn horloge voor den dag gehaald, dan het telegram weer ingezien, en vervolgens zijn spoorbiljet nog eens geraadpleegd. Wachten is altijd onplezierig, en de goede man, die zich hoe langer hoe meer opwond, gevoelde al het onaangename er van. Had hij slechts even de stationsklok geraadpleegd, dan zou hij gezien hebben, dat alleen zijn horloge, dat bijna een uur vóórliep, hem zulke leelijke parten speelde.

Precies op de minuut af stoomde de trein het station binnen. De portieren werden geopend, de reizigers stapten uit, en voor oom Willem nog den tijd gehad had, om te midden van al het gedrang den man te herkennen, naar wien hij met zooveel ongeduld zocht, stond deze reeds in levenden lijve voor hem met Willem en Ami naast zich. "Ziezoo, daar ben ik!" zei hij opgeruimd, terwijl hij den verbaasden man hartelijk de hand drukte. "En wie denk je nu wel, dat ik hier meebreng?"

Oom Willem behoefde niet lang te raden. Wel had hij de gedachte, die zijn medelijdend hart hem gisteren had ingegeven, dadelijk als onzinnig weer verworpen; doch niettemin was ze telkens en telkens weer teruggekeerd. Ze had hem gedurende den nacht den slaap benomen en 's morgens reeds een paar uur voor de aankomst van den trein naar het station gedreven.

En nu?.... De gelaatstrekken van den kleine, die de vriendelijke blauwe kijkers naar hem opsloeg, waren te sprekend die zijns vaders, dan dat twijfel mogelijk zou geweest zijn.

"Wel man, je komt, of je van onzen Lieven Heer gestuurd bent," sprak de oude man, tot schreiens toe aangedaan. "We zitten hier zoo in de treurigheid. Die goeie Kee heeft het er nog altijd te kwaad mee.... Ze doet niet anders dan huilen.... 't Is immers vandaag net een jaar?.... Maar nu is alle leed gelukkig ten einde!"

En terwijl hij het knaapje van den grond beurde en innig geroerd een kus op het voorhoofd drukte, vroeg hij: "Wat voor wonder is er toch met jou gebeurd, kleine krullebol?"

"Dat vertel ik je zoo meteen wel," zei Piet Vlug. "'t Komt er nu slechts op aan, dat we met een beetje behoedzaamheid te werk gaan en niet te plotseling met de deur in huis komen vallen."

"Als ik dan alvast maar vooruitging en ze een weinig op je komst voorbereidde?" stelde oom Willem voor.

Maar dat lag niet in het plan, dat onze bootsman opgemaakt en tot nu toe gevolgd had.

"O, laat dat maar aan mij over! Ik zal dat zaakje wel naar behooren opknappen," zei hij met zekere geheimzinnigheid.

Middelerwijl hadden ze het perron verlaten, en daar de afstand naar oom Willems woning voor den kleinen naamgenoot wel wat ver was, om dien wandelend af te leggen, stapten zij in een der gereedstaande rijtuigen.

"Moet die hond ook mee?" vroeg oom Willem niet weinig ontsteld, toen het groote dier, dat tot nu toe minder zijn opmerkzaamheid getrokken had, mee in het rijtuig sprong. "Wel wis en zeker! Die hoort bij ons," antwoordde Piet Vlug, het goede dier lachend op den schranderenkop tikkend. "Wat zeg jij, Ami? Zonder jou zouden we waarlijk niet hier zitten, hé?"

Daarop vertelde hij oom Willem in korte woorden de gansche geschiedenis van het tweetal. De man kon zijn ooren nauwelijks gelooven bij 't geen hij hoorde, en gedurig sloeg hij de handen vol verbazing in elkander.

"Nu, mijn jongen!" zei hij eindelijk met vochtige oogen, "onze Lieve Heer heeft je wel wonderlijk gespaard, dat moet ik zeggen!..... Wat zal dat een verandering geven, als we zoo aanstonds thuis komen, Piet! Ik zie er zoowaar tegen op!"

"Zijn we er haast?" vroeg Piet Vlug.

"Met een paar minuten," antwoordde oom Willem.

"Zie, daar tusschen die boomen ligt ons huisje! Hoe zullen we het nu aanleggen?"

"Dat zal ik je zeggen," hernam Piet Vlug. "Ik stap er hier uit en neem Ami mee, terwijl gij een oogenblik met den kleine achterblijft. Het terugzien van den hond, dien zij zeker zullen herkennen, zal hen ongetwijfeld op het denkbeeld brengen, dat ook hun kind...."

"Uitmuntend! uitmuntend!" viel oom Willem hem in de rede. "Dat is kostelijk overlegd! Beter kon het niet!"

"Komaan, Ami! Uitgestapt dan maar!" zei de bootsman. "Nu zal het er op aan komen, jongen!"

Ami sprong blaffend op den weg, door Piet Vlug gevolgd, terwijl oom Willem met het knaapje in het rijtuig bleef zitten, dat langzaam achter de wandelaars aanreed.

"Waar mijn man toch den geheelen morgen zitten mag," pruttelde tante Betje zoo wat binnensmonds, toen plotseling de deur geopend werd en... onze bootsman voor haar stond.

"Wel heere mijn tijd! Daar heb je zoowaar Piet Vlug!" riep ze nu, van verwondering de handen in elkaar slaande.

"In eigen persoon, moedertje!" lachte de bootsman, terwijl hij haar de beide handen toestak. "Hoe gaat het je? En hoe is het met de familie?"

"Och, niet al te best," zuchtte tante. "Onze jongelui zijn den slag nog niet te boven, en vooral vandaag..."

"Ja, ja, dat begrijp ik," viel Piet Vlug haar in de rede. "Daarom ben ik juist eens over komen waaien. Dat geeft misschien eens wat afleiding. Maar waar zitten de lui? Geen mensch thuis misschien?"

"Toch wel," sprak tante, naar de deur van het aangrenzende vertrek wijzend. "Ze hebben zich daar met hun beidjes teruggetrokken."

"Zoo, zoo!.... Is het er zoo mee gesteld," zei de bootsman daarop. "Kom, Ami! ga jij ze dan eens een beetje troosten, mijn jongen! Dat komt jou toe!"

En nu haalde hij een papier uit den zak, dat hij den hond in den bek gaf, waarop hij het gewillige dier, dat het gewicht zijner zending scheen te begrijpen, zachtjes de aangewezen kamer wist binnen te smokkelen.

Tante Betje begreep er niets van. "Wat geeft dat allemaal?" riep ze, ver van gerust over het groote, vreemde dier, dat Piet Vlug haar woning had binnengeleid. Maar deze suste haar en zei lachend: "Stel je maar gerust, hoor! 't Zal alles wel goed afloopen. Luister maar eens!...."

De deur stond op een kier, zoodat zij alles, wat daarbinnen gebeurde, konden hooren en zien.

Jan Vroolijk en zijn vrouw zaten aan de tafel. Voor hen stond een kinderportret, dat zij met vochtige oogen beschouwden. 't Was de beeltenis van hun lieveling!


Back to IndexNext