De andere oorzaak onzerterughoudingnoemde ik onze bedeesdheid. Er zit ons een machteloosheid om ons uit te drukken in merg en been, waartegen wij moeten strijden, die wij moeten uitdrijven. Maar wij kunnen ons daarin oefenen, als wij maar inzien en gevoelen, hoe noodig het is; wij kunnen het tot een christelijken plicht maken, niet alleen lief te hebben, maar ook onze liefde te toonen,—niet alleen trouwe vrienden tewezenmaar 't ook te doenblijken, dat wij het zijn. Wij kunnen ons zelven dwingen, wat in onze harten opkomt en op onze lippen zweeft, uit te spreken—en geen van die voorkomende, innemende oplettendheden achterwege te laten, die wij wel begeeren, maar toch schromen te bewijzen. Langzamerhand zal dit gemakkelijker gaan: een woord van liefde zal een woord van liefde uitlokken,—een klein dienstbetoon, een wederkeerige dienst ten gevolge hebben,—zoodat eindelijk de harten in den huiselijken kring in plaats van te zweemen naar bevroren, ijskoude eilandjes, vol warme lucht zullen zijn, en, in de liefelijkste samenstemming met elkander vereenigd, eene ongestoorde melodie van liefde zullen aanheffen.
IV.
HOOFDIGHEID.
Mijn kleine vossen zijn beestjes, die wel waard zijn wat nader bekeken te worden; ik hoop maar, dat mijn bekoorlijke menagerie mijne lezers niet vervelen zal, eer ik hun van alles het fijne heb laten zien.
Bedenkt, dat er zeven vossen zijn waarvan wij er nog maar drie onderhanden hadden: ge dient dus nog heel wat geduld te hebben.
't Is nu onder ons uitgemaakt, dat de „kleine vossen” zooveel zijn als de kleine boezemzonden van ons, welopgevoede, deugdelijke Christenen, die immers hopen dat wij tegen stelen, doodslaan en alle andere grove zonden in de Tien Geboden vermeld, niet eens meer eenige waarschuwing noodig hebben. Die kleinen nu worden doorgaans als te onbeduidend beschouwd, om er van den preêkstoel tegen te ijveren; zij schijnen zóó beuzelachtig, dat de leeraars er niet eens om denken; zij zijn als die kleine spinnetjes op de planten,—bijna te klein, om met het bloote oog gezien te worden, en alleen te merken aan het verwelken en afvallen van het eene blad na het andere, dat anders groen en frisch zou wezen.
Ik heb thans het oog op een anderen kleinen vos, die zeer veel toebrengt tot het verwoesten der wijngaardenvan huiselijk geluk,—ja, die meer druiven heeft doen mislukken, dan iemand zou denken. 't Valt mij niet gemakkelijk, zijn juisten naam te noemen. Bij de opsomming van mijn zevental gaf ik hem den naam vanhoofdigheid; anders,—'t was misschien beter geweest,—doordrijverij.
Even als menig ander gebrek, ontstaat ook deze verkeerdheid uit overdrijving van eene eigenschap, die hoogst noodig en lofwaardig is. Vastheid van wil is het stevig graniet, waarop de grondslag van ons leven rust. Zonder deze zou er niets tot stand komen: al onze plannen zouden zeepbellen zijn en niets meer. Aan ieder goed uitgerust schepsel moet een zekere mate van vasthoudendheid, een soort van wilsvolharding eigen zijn; en, om den mensch tot het verkrijgen dier onmisbare eigenschap in staat te stellen, heeft de Schepper hem een vermogen verleend, dat hij met de dieren gemeen heeft. Het vermogen om vol te houden is bij de dieren een blinde kracht, die alleen van spieren en zenuwen afhangt, en bij het eene dier geheel anders werkt dan bij het andere. De taaiheid waarmeê zich een bulhond vastklemt aan zijn prooi, de koppigheid, waarmeê een muilezel zijn vier pooten schrap zet en slagen en bedreigingen verduurd, doet ons duidelijk zien, wat die eigenschap is, zoolang ze alleen dierlijk blijft, schoon diezelfde eigenschap, aan den mensch verleend, de bron is van de heldhaftigste lijdzaamheid, van de uitnemendste volharding, waardoor alle grootsche en edele daden volbracht worden.
Het huiselijk gebrek, door ons bedoeld, ontstaat, wanneer deze eigenschap in 't wilde opgroeit, wanneer de vastheid van wil bij instinct handelt, en niet luistertnaar rede of geweten,—'t is wat wij in het dagelijksche leven noemen „stijf op zijn stuk staan.”
Ditdierlijkinstinct van „stijf op zijn stuk staan”, bedoel ik met hoofdigheid of doordrijverij; en in het huiselijk leven sticht het des te meer kwaad, daar 't als instinct werkt, zonder door 't verstand bewaakt of door 't geweten veroordeeld te worden.
In dat aardige, fonkelnieuwe optrek ginds aan den voet van dien heuvel, vindt gij een pas getrouwd paartje, te midden van de prettige drukte die aan het opzetten van een jongelui's huishouden vast is, als 't uit een ruime beurs toegaat en alles op gemak en genoegen is aangelegd. De timmerman, de behanger, de kastenmaker wachten, wat mijnheer en mevrouw nog te zeggen hebben; en deze hebben niets anders te doen, dan alles te schikken en te bepalen, waar al hun keurige meubelen zullen geplaatst worden. Onze Hero en Leander,—ik zal ze zóó maar noemen—zijn precies in de punten, niet te lang, niet te kort, maar volgens alle vormen en gebruiken geëngageerd geweest. Zij hebben elkander twee jaren lang dagelijks een brief geschreven, die begon met: „Lieve beste” en eindigde met „De uwe”, enz.; zij hebben elkander bloemen en ringen en haarlokken present gegeven; elkanders miniatuurportretten op hun hart gedragen; uren achtereen doorgebracht met over alle mogelijke dingen te spreken, en ze zijn vast overtuigd, dat er nooit zulk een sympathie der zielen, zulk een overeenstemming van gevoelens, zulk een hechte, verstandige, stevige grondslag voor wederkeerige achting bestaan heeft, als bij hen het geval is.
Nu is 't een zekere waarheid, dat er menschen zijn die volkomen overeenstemmen en harmonieeren in dedingen des geestes,—die van dezelfde boeken houden, dezelfde verzen aanhalen, dezelfde beginselen voorstaan, dezelfde godsdienst belijden,—en die toch, wanneer zij het eenvoudigste dagelijksche ding samen te doen hebben, ieder oogenblik aan het kibbelen raken en met elkander in botsing komen, eenvoudig omdat er voor iedereen, in zijn gewoonten en hebbelijkheden, in zijn sympathiën en antipathiën duizenden kleinigheden zijn, waarmee de rede niets te maken heeft, waarop de wetten der logica niet kunnen toegepast worden, en die men al te kinderachtig rekent, om er den invloed der godsdienst op te laten gelden,—duizenden kleinigheden waarover men het toch eindelijk eens moet worden, zal men zamen rustig wonen en leven.
Onderstel eens, dat een blauwe meerkol aan een lijster het hof maakt en 't jawoord krijgt en met haar huwt. Gedurende het engagement zullen zij zeker wel allerlei minnekozerijen gehouden hebben over de zaligheid van een vrij leven, over 't geluk om zich in de blauwe zomerlucht te verliezen. Mijnheer Meerkol zal wel heel deemoedig in verrukking gekomen zijn, als hij zijn leelijk gekras met de liefelijke zangen van juffrouw Lijster vergeleek. Maar, eens met elkander vereenigd, beginnen zij over „zaken” te praten. Hij is vast overtuigd, dat een gat in een hollen boom de eenige geschikte plaats voor een nest is; zij weet zeker, dat zij daar binnen de maand van de vocht en van rhumatiek zou sterven. Zij heeft er nooit van gehoord, dat men ergens anders een huishouden opzette, dan in een lief, klein nestje, opgehangen aan een zwiepende populiertak; hij weet zeker, dat hij, eer de zomer voorbij was, aan duizeligheid zou lijden door dat onophoudelijk zwaaien in zulk eenlogies,—hij zou er zeeziek van worden,—hij mag er niet aan denken!Zijweet nu, dat hij haar niet lief heeft, want dan zou hij er nooit aan gedacht hebben, haar in een oud vermolmd gat van een verrotten boom op te sluiten; enhijweet nu, dat zij niet van hem houdt, want dan zou zij hem toch 't leven niet willen vergallen, door hem te laten draaien en zwaaien, zooals geen ordentelijke vogel kan uitstaan. Beiden staan stijf op hun stuk, en hoe zullen zij een van beiden overtuigd worden, dat wat hem het beste dunkt, daarom nog niet het beste is? De natuur weet daarop een middel, en daarom paren blauwe meerkollen niet met lijsters: en van daar komt er geen gekibbel in de huishouding der vogels.
Maar, mannen en vrouwen, even verschillend in hun smaak en in hun gewoonten als blauwe meerkollen en lijsters, engageeren zich en trouwen met elkander, en beginnen een nest te bouwen,aliaseen huishouden op te zetten, met even krasse en even onberedeneerde vooroordeelen, als de partijdige ingenomenheid van juffrouw Lijster met een slingerend nest en van mijnheer Meerkol met een vermolmden boom.
Onze Leander en Hero dan, die van daag hun optrek in orde brengen, zullen mijn meening juist van pas toelichten. Beiden zijn tot nog toe niet veel meer dan kinderen geweest,—beiden afgodisch vereerd in den kring, waarin zij zijn groot gebracht, als toonbeelden van goeden smaak;—natuurlijk hebben beiden het zeer eigenaardige van dien smaak vrij wat verscherpt en veel daaraan toegegeven. Zij koesteren voor elkander waarachtige, innige achting en liefde, die op den hechtsten en heiligsten grond steunt: omdat er overeenstemming tusschen hen bestaat in de hoogste aangelegenheden.Beiden zijn edel van hart en diepgevoelig,—beiden uiterst beschaafd, schrander, kiesch van smaak,—beiden waarachtig godsdienstig; en toch moet ik u zeggen, dat het eerste jaar in de geschiedenis van hun huwelijksleven geen anderen naam verdient, dan:een jaar van gevechten.
Ja, die beiden geliefden, zoo trouw, zoo innig verknocht, in menig opzicht zoo voortreffelijk, kunnen zich in 't echtelijk leven niet met elkander vereenigen, zonder dat er een opbruising volgt, even hevig als bij 't vermengen van loogzout met een of ander zuur; en 't zal niet uit te maken wezen, wat de meeste schuld daaraan heeft, het zuur of het loogzout, omdat beide van de beste qualiteit zijn.
De reden daarvan is, dat beiden „stijf op hun stuk staan,” en dat er geen twee menschelijke wezens te vinden zijn, die altijd en in alles volkomen overeenstemmen. Beiden hebben een zeer bepaalden smaak enzijn zeer beslist in hun keus. In de eenvoudigste dingen hebben beiden eengevoelen, een bepaald gevoelen,—dat zij voor geen geld ter wereld zouden opgeven. Er is geen wensch zoo gering, geen kleinigheid zoo nietig, dat zij niet zouden weten, wat zij er van verlangden,—en daarin kan noch redeneering noch vloed van lieve woordjes verandering brengen!
't Is een heerlijke morgen, stralende van licht en geluk: in haar luchtig ochtendgewaad, met haar keurig sluitende laarsjes, klimt ze over de kisten en koffers, die in de veranda uitgepakt zijn; en hij, zalig in 't bezit van zulk een lief vrouwtje, kan 't haast niet dulden, dat zij die bevallige voetjes gebruikt, en zoekt allerlei voorwendsels, om haar telkens over de kisten heen te tillen en in triomf naar haar nieuwe woning te voeren.
De kleeden zijn gelegd, en nu zullen de meubelen ingedragen worden.
„Zet de piano maar voor het raam,” zegt mevrouw.
„Neen, niet voor het raam,” zegt mijnheer.
„Wel beste! 't spreekt immers van zelf, dat zij voor het raam moet komen. Wat zou zij ergens anders leelijk staan. Ik heb de piano's nooit anders dan voor de ramen zien staan.”
„Lieve! je wilt toch het mooie uitzicht, hier uit dit raam, niet wegnemen door er een piano voor te zetten. De beste plaats is dáár, in den hoek. Probeer het maar eens!”
„Lievert! mij dunkt, dat zij daar heel .... vreemd zou staan; 't zou de heele kamer bederven.”
„En mij dunkt, beste! dat de kamer er juist van bederven zal, als we de piano voor die vensterbank zetten. Denk eens, wat een prettig plaatsje het wezen zal, om dáár te zitten.”
„Net alsof wij niet achter de piano konden zitten als wij dat verkozen,” brengt mevrouw in 't midden.
„Maar toch, hoeveel ruimer en gezelliger ziet de kamer er uit, als je meteen bij 't binnenkomen door het raam 't uitzicht op de kleine vallei hebt en eventjes in de verte de spits van den dorpstoren ziet!”
„Maar ik kan er mij nooitmeêvereenigen, dat de piano zoo in een hoek gestopt wordt”, zegt Hero. „Ik sta er op, om haar voor het raam te zetten. Zoo staat de piano van mama ook, en van tante Jans, en van mevrouw Wilson: iedereen heeft zijn piano zoo staan.”
„Als je begint te spreken van er op te staan,” zegt Leander „dan kan ik dat van mijn kant even goed doen.”
„Maar, schat! je weet toch wel, dat de huiskamer tot het departement van de vrouw hoort.”
„Niet van een getrouwde vrouw, zou ik denken. Ik geloof, dat de huiskamer even goed tot het departement van den man hoort, omdat hij er een groot gedeelte van zijn tijd in zal doorbrengen.”
„Maar mij dunkt, dat je iets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat het mij displezier doet,” zegt mevrouw.
„En mij dunkt, datjijiets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat het mij displezier doet,” zegt mijnheer.
En nu beginnen Hero's wangen te gloeien en kookt het van binnen, en zegt ze:
„Welnu, als je er dan op staat, dan moet de piano maar zoo gezet worden, als je verkiest, maar dan zal ik er ook nooit met plezier op spelen!” Zoo gaat ze de kamer uit en laat den overwinnaar alleen, die bitter ongelukkig met zijn overwinning is.
Hij loopt haar achterna en vindt haar boven, troosteloos en weenende, op een koffer zitten.
„Kom Hero! hoe kan je nu zoo kinderachtig zijn? Ik wil je je zin wel geven.”
„Neen—het moet nu maar zoo blijven, als je verkiest. Ik had vergeten, dat gehoorzamen de plicht van de vrouw is.”
„Gekheid, Hero! Wees toch verstandig. Laten we niet kibbelen, alsof we kinderen waren.”
„Maar 't is toch zoo klaar als de dag, dat ik gelijk had.”
„Hoor eens, beste! ik kan onmogelijk toestemmen dat je gelijk hebt; maar ik heb er niet op tegen, dat de piano naar je zin gezet wordt.”
„Ik kan maar niet begrijpen, Leander! dat je niet inziet, hoe leelijk de piano in dien hoek zou staan. 't Zou mij hinderen, zoo dikwijls ik de kamer binnenkwam en 't zou in dien hoek veel te donker zijn, om de noten te zien.”
„En ik kan maar niet begrijpen, Hero! dat een vrouw van zooveel smaak niet inziet, hoe leelijk de kamer er van wordt, als men dat raam bezet. 't Is het mooiste plekje van 't heele vertrek.”
Zoo blijven zij in denzelfden kring ronddraaiende, altijd op dezelfde manier redeneerende, gedurig meer ontstemd en stekeliger, beide ten volle bereid (zoo als zij zeggen) om in vredesnaam toe te geven, maar ook beide met alle klem betoogende, dat toch hun gevoelen het beste is, zoodat aan weêrskanten het dierlijk instinct van hoofdigheid gedurig meer toeneemt en al gaande weg sterker wordt. In de hitte van dien woordenstrijd vliegen er ondertusschen enkele schimpscheuten en hatelijkheden, even als splinters van de lansen in een tournooi. Hij zegt haar in zijn drift, dat zij zich maar slaafs aan de dwaasheden van de groote wereld houdt, zonder eenig idée van orde en bevallige schikking te hebben,—en zij op haar beurt verwijt hem, dat hij in alles de baas wil wezen en zijn eigen hoofd volgt; en zoo duurt dit gevecht den geheelen dag voort, nu en dan met tranen en kussen geschorst door een korten wapenstilstand, die echter verraderlijk telkens weer geschonden wordt door die ongelukkige woorden: „Lieve! met dat al moet je toch toestemmen, datikgelijk had,” hetgeen natuurlijk het sein is, om het gevecht weer van voren af aan te beginnen.
Zulk een lang volgehouden kibbelarij is de moeder van een menigte kleinere schermutselingen,—daar de boven genoemde splinters van hatelijke opmerkingen en verwijten, die in het heetst van den strijd overal rondvlogen, zich in 't vleesch vasthechten, daar ontstekingveroorzaken en langzaam verzweren moeten. Schuilt er echter op den bodem des harten en in rijken overvloed echte, ware liefde, dan gaat het genot der verzoening 't verdriet van die kleine geschillen zóó veel te boven dat ze geen van beiden recht inzien wat zij doen, en van verre niet vermoeden dat zulk eene innige liefde, als zij voor elkander gevoelen, door deze kibbelarijtjes, die toch eigenlijk niets te beduiden hebben, ernstig kan bedreigd worden.
Doch de oorzaak van al die moeilijkheden, de verborgen, onbewaakte, maar geweldige macht der eigenzinnigheid in kleinigheden maakt, dat dergelijke tooneelen gedurig weer voorkomen. Bij voorbeeld, terwijl het nu eens tusschen de buitjes door helder is, bezorgt Hero voor haar Leander een „maaltijd van vrede en welbehagen”, en maakt een slaâtje voor hem klaar—neen, maar een pronkjuweel van een slaatje. Ook Leander is vroolijk en in zijn humeur; maar, na even van de sla geproefd te hebben, schuift hij zijn bord op zij.
„Beste! smaakt de sla je niet?”
„Neen, lieve! ik eet nooit iets, waar slaolie in is.”
„Geen slaolie? Hoe gek! Ik heb nog nooit van sla zonder olie gehoord.” En mevrouw ziet er alles behalve lief uit.
„Maar, lieve! zooals ik je zeg, ik gebruik ze nooit. Ik houd meer van suiker en azijn over de sla.”
„Suiker en azijn! wel Leander! hoe is het mogelijk! Dat eten de boeren immers? Je moet waarlijk nog eens probeeren, of de sla je niet smaakt,” voegt ze er bij op een vleiende toon.
„Lieve! ik probeernooit, of iets mij smaakt, dat ik nog nooit geproefd heb. Ik houd me maar bij het oude.”
„Ik moet zeggen Leander dat ik dit alles behalve aardig van je vind.”
„En ik vind het niet aardig van je, dat je mij iets wilt opdringen, waar ik niet van houd.”
„Maar je zoudt er wel van houden, als je 't maar eens woudt probeeren. 't Is er net mee als met olijven: ik heb weleens gehoord, dat enkele menschen daar vreeselijk tegen zijn, maar als zij die een keer of wat gegeten hebben, worden zij er dol op.”
„Dan dunkt mij, dat zij al heel dwaas zijn met zoo veel moeite te doen, daar er toch zeker eten genoeg is waar zij van houden.”
„Ik geloof toch niet, Leander! dat zoo iets beleefd of innemend is. Mij dunkt, wij moeten ons best doen, om ons naar den smaak van onze vrienden te schikken.”
„Welnu, schat! dan moet gij maar eens probeeren, of je niet van sla met suiker en azijn houdt.”
„Maar dat vind ik zoo iets raars en onfatsoenlijks! Heb je ooit gehoord, dat er sla met azijn en suiker aangemaakt, op een deftige tafel kwam?”
„De tafel van mijn moeder was toch, dunkt mij, deftig genoeg, en daar heb ik de sla zoo leeren eten. Je bekreunt je voor een verstandige vrouw veel te veel om de mode en wat de fatsoenlijke menschen er van zullen zeggen.”
„Dat heb je me verleden week ook al gezegd, en ik geloof dat ik zoo iets niet verdien, in 't geheel niet verdien,” antwoordt Hero met nadruk.
„Evenmin verdiende ik het verwijt, dat ik in alles de baas wil wezen en altijd mijn zin doen.”
„Maar, beste Leander! nu zal je toch wel moeten erkennen, dat er wat van aan is.”
„Dat zie ik nog niet in.”
„Je staat zoo stijf op je stuk, dat hemel noch aarde je verwrikken kan.”
„Sta ik dan meer op mijn stuk dan jij?”
„Wel zeker doe je dat,” zegt Hero.
„Dat heb je toch glad mis.”
Hero slaat hare oogen naar boven en reciteert met zekeren nadruk:
Mogen we eindelijk daarin slagen—Wie verlangt en bidt het niet?—Dat wij zóó ons zelven zagen,Als ons ieder ander ziet.
Mogen we eindelijk daarin slagen—Wie verlangt en bidt het niet?—Dat wij zóó ons zelven zagen,Als ons ieder ander ziet.
Mogen we eindelijk daarin slagen—
Wie verlangt en bidt het niet?—
Dat wij zóó ons zelven zagen,
Als ons ieder ander ziet.
„Juist,” zegt Leander. „Ik hoop, dat je gebed voor je zelve rijke verhooring mag vinden, lieve!”
„Ik geloof, dat je er plezier in hebt, mij boos te maken,” zegt Hero.
„Maar, lievert; wat ben je toch dwaas en kinderachtig,” zegt hij weêr. „Waarom kunnen wij elkaâr toch niet met vrede laten?”
„Jij bent begonnen.”
„Neen, schat! 'k vraag je wel excuus,jij.”
„Stellig niet. Leander! jij begon.”
Nu kan een gesprek van dien aard uren achtereen duren, zoolang de respectieve partijen adem en kracht behouden, terwijl ze al stijver en stijver op hun stuk staan, al weten zij heel goed, dat zij met iets, al is het nog zoo weinig, toe te geven, er terstond een einde aan zouden maken.
Zijzou kunnen zeggen! „Welnu, beste: je zult de sla altijdzóóhebben, als je ze 't liefst hebt,” enhijzou kunnen zeggen: „Lieve! als je 't graag hebt zal ikeens probeeren of ik van de sla, zooals jij ze klaarmaakt, houd.” Zei Hero maar het eerste of Leander het tweede, dan zou de ander van zelf toegeven. De een zou wel volgen, als de ander het maar eerst wou doen; maar zooals het nu is, doen zij mij denken aan een paar koeien, die ik eens in een weî heb zien staan met de horens vlak tegen elkander, zoodat geen van beiden een duim breed vooruit of achteruit kon. 't Is niets anders dan de dierlijke kracht van koppig volhouden; met ons verstand of ons geweten of ons godsdienstig gevoel heeft het niets uit te staan.
De geschilpunten, waarover op deze wijze door het jeugdige echtpaar getwist werd, waren verwonderlijk vele: zoo, bij voorbeeld, of de mooie gravure naar de schilderij van Turner in de huiskamer of in de zijkamer hoorde,—of ze hun landschap zouden ophangen of dat het beter op den ezel zou staan,—of de buste van Psyche op de marmeren tafel in de vestibule moest gezet worden, dan wel of ze beter voldoen zou op de boekenkast. Al deze punten werden met zulk een omhaal van woorden, zulk een rijkdom van argumenten, zulk een kracht van taal besproken, als iemand begrijpen kan, die weet, wat al redeneeringen een paar eigenzinnige menschen over iedere kleinigheid kunnen te berde brengen. Allerlei uit de klassieke oudheid, allerlei uit Kugler's „Handboek der schilderkunst”, allerlei meeningen van levende meesters, werden er bijgehaald, om niet eens te spreken van maatschappelijke, zedelijke en godsdienstige quaesties: want er is geen ding ter wereld, dat niet op de eene of andere wijze met alle andere dingen in verband staat.
Dr. Johnson heeft opgemerkt: „dagelijks komen erduizende kleine geschillen voor, waarover 't verstand nooit beslissen kan: quaesties, waarbij onderzoek te vergeefs en logika belachelijk is, gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden.”
Met allen eerbied voor den grooten zedekundige moet ik opmerken, dat hij door deze bewering toont, al zeer weinig begrip te hebben van de eindelooze stof tot discours, die een paar zeer beschaafde maar zeer hoofdige menschen in het kibbelen over huiselijke dingen vinden. 't Mag bespottelijk wezen er de logica bij te halen, maar zulke menschen als onze Leander en Hero kennen geen gevallen, waarin iets gedaan moet worden zonder dat er ook veel over te zeggen valt. Met dat al verwoesten en vernietigen deze ellendige en eindelooze kibbelarijen 't heerlijk ideaal van trouw en teederheid, dat zij op grond hunner innige overeenstemming en der waarachtige degelijkheid van hun karakter zich met recht mochten voorstellen. Hun huiselijk leven is niet zoo gelukkig als zij verwacht hadden: nu en dan bemerken zij met schrik, dat ze somtijds niet lief voor elkander zijn; en toch, als Leander een week van huis is en om Hero denkt, dan kan geene andere vrouw bij haar halen; en voor Hero schijnt er geen eind aan den dag te komen en het huis geheel uitgestorven te wezen, als hij weg is; beiden beschuldigen zich zelven als zij aan hunne kleine kibbelarijen denken, maar geen van tweeën weet te zeggen, hoe de kleine vos moet gevangen worden, die hun wijngaard verderft.
Wij denken veel over ons zelven na, maar 't is vreemd, hoe weinig vrucht dat draagt,—wij hooren zeer verstandige menschen over zich zelven en anderen spreken, en zich verwonderen, dat het zóó met hen is, als het is,maar—hoe vreemd!—toch brengen zij 't eene jaar na het andere door, zonder te weten, hoe zij met zich zelven of met anderen moeten omgaan, zal het beter worden:—ach, de levenswijsheid die ze bij de behandeling van gaspijpen en waterleiding dagelijks toepassen, laat hen in de steek, waar het de behandeling van hun eigen gemoed en van 't karakter hunner vrienden geldt.
„Maarikzou zulke tooneelen niet metmijnvrouw willen hebben,” zegt Don Positivo. „Ikzou zoo'n verstandige vrouw niet willen trouwen; zoo een is altijd eigenwijs en lastig.Ikzoek een vrouw, die zacht en gedwee is, die al mijn ideeën van mij overneemt en zich geheel naar mijn smaak voegt.” Don Positivo trouwt dan ook met een aardig glad gezichtje, zoo schuchter en poezelig en zoetsappig, dat hij er vast op aan kan, dat zij in 't geheel geen wil heeft. Zij is de maan aan zijn hemel, die nooit zal schijnen, of 't licht moet van hem komen.
Als ik nu één raad schuldig ben aan mijne vrienden die graag hun eigen zin hebben, dan moet ik hen waarschuwen: neemt nooit de proef met een domme vrouw; want de koppigheid van een knappe en verstandige is nog niets bij de koppigheid van een domme en een leeghoofd.
Laat Don Positivo met zoo'n vrouw maar eens trouwen. Zij wil de maan hebben en houdt vol, dat hij haar niet lief heeft omdat ze die niet van hem krijgt: te vergeefs zal hij zijn astronomische kennis te baat nemen, en haar bewijzen, dat de maan zoo maar niet te grijpen is. Zij luistert schijnbaar aandachtig, met haar hoofdje op zij, en nadat hij als Brugman gepraat heeft begint ze van voren af aan, precies met dezelfde vraag en precies op dezelfde manier.
Als zij wil, dat haar lieve Jantje van school wordt genomen, omdat de meester voor zijn plezier de wetten van het Instituut niet veranderen wil, betoogt Don Positivo haar in de keurigste en duidelijkste taal: vooreerst de wenschelijkheid, dat een jongen zich al vroeg aan zelfbeheersching en orde gewenne,—ten tweede, de onmogelijkheid dat een onderwijzer uitzondering zou maken ten gevalle van hun lieveling,—en eindelijk, de noodzakelijkheid dat de jongen wat begint te leeren. Zij hoort hem van het begin tot het einde aan, en zegt dan: „Ja, van die dingen heb ik geen verstand; ik woû alleen maar, dat Jantje van school genomen werd.” En nu weent ze, en mokt ze, en dreigt ze, en ligt ze heele nachten wakker, en heeft ze vreeselijke vlagen van hoofdpijn,—in één woord, ze toont dat een vrouw zonder verstand en beschaving op hare wijze een even geduchten tegenstand kan bieden, als de schranderste van haar kunne.
Leander kan zijn Hero somtijds in een eerlijk gevecht met de wapenen eener gezonde logica overwinnen, omdat zij een vrouw is, die naar rede kan luisteren en in staat is de kracht zijner tegenbedenkingen te gevoelen; en als hij zegeviert, streelt hem 't genot dat ze dubbel waard was bestreden te worden, en schijnt hij zichzelven een held toe. Al is ze hoofdig, ze is toch ook verstandig al heeft hij veel last van haar eigenzinnigheid, hij vertrouwt toch altijd op haar gezond verstand; maar ongelukkig de man,die een vrouw heeft, bij wie het dierlijk instinct van volhouden alles, maar ontwikkeling en oordeel en verstand gelijk nul is. Lastig, dikwijls heel lastig is het voor een man, met een vrouw overhoop te liggen, die hij acht en bewondert; maar met een vrouw, waarophij tegen wil en dank met een zekere minachting neerziet.... dat wordt op den duur onuitstaanbaar.
Doch nu ontstaat de vraag: Wat dan te doen met al die kleine geschillen, door Dr. Johnson bedoeld, waarover 't verstand nooit kan beslissen, waarbij alle onderzoek te vergeefs en logica bespottelijk is;—die gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden?
Lees het werk van MevrouwEllis, getiteld:De engelsche vrouwenen gij zult zien, hoe zij het vraagstuk oplost. De engelsche vrouwen leeren daaruit, dat zonder eenige tegenspraak alles in 't huishouden overeenkomstig de bevelen van den meester moet gaan, en dat de vrouw maar één ding moet hopen, namelijk, of 't haar gegeven mocht worden, altijd juist te weten, wat hij wil. „L'état, c'est moi,” is de les, die ieder getrouwde Engelschman van MevrouwEllisleert, en uit de voorstellingen in engelsche romans zouden wij haast moeten opmaken, dat dit ontzagwekkende „goddelijke recht” op alle kleinigheden van het huwelijksleven toegepast wordt.
Miss Edgeworthlaat haren generaalClarendontegen zijn begaafde en bevallige vrouw over zijn „bevelen” spreken; en trekt met zulk een deftigheid aan de schel in de huiskamer, roept en ondervraagt de sidderende dienstboden met zooveel majesteit, en behandelt alles zoo vreeselijk militair, dat het waarlijk niet te verwonderen is, als de arme Cecilia, doodsbenauwd voor zulk eenen krijgshaftigen echtgenoot, zich aan een leugen schuldig maakt.
In den tijd van zijn engagement deelt hij op een hoogen toon aan haar moeder mede, dat hij er nooit toe zou kunnen komen, een vrouw, die vroeger eenander bemind had, totzijnevrouw te nemen; en daarom verzwijgt de arme meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,”dat tot de ontzettendste en meest tragische tooneelen met haren heer en meester aanleiding geeft, die op een goeden morgen in eens de gordijnen van haar ledikant openrukt en haar een ouden minnebrief voorhoudt met de vraag, die als een schorre donder haar van schrik doet verstijven: „Cecilia! is dituwschrift?”
De nieuwe romanschrijfsters in Engeland stellen ons niet minder krachtig voor, hoe vast ze aan het goddelijkrechtvan den man gelooven. B. v. ga eens na, wat de hoofdinhoud is van zekeren veelgelezen roman:Agatha's echtgenootgenoemd. Een man trouwt met een beeldschoon meisje, dat veel fortuin heeft. Vóór het huwelijk ontdekt hij, dat haar broeder, die voogd over haar geweest is, al wat ze heeft, op een schandelijke wijze bezwaard en verhypothekeerd heeft, zoodat dit alleen door de grootste zuinigheid kan verholpen worden. Om nu aan haar boek de leerzame strekking te geven, die zij bedoelt, laat de schrijfster haar held een plechtige belofte afleggen, dat hij noch aan zijn vrouw, noch aan iemand anders het bedrog zal ontdekken, waardoor zij arm geworden is.
Wij lezen dan verder hoe ontstemd de jonge vrouw er onder is, dat haar man een zeer eenvoudig huis met haar betrekt, haar alle gemakken en genoegens ontzegt, waaraan ze gewoon is, en altijd maar weigert, haar eenige aannemelijke reden voor zijne handelwijze te geven. In plaats van met blind geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid tot hem op te zien zonder navraag te doen naar zijn manier van handelen, en niet alleen zonder bewijs, maar zelfs tegen alle waarschijnlijkheidin, hem te houden voor het puik van alle mannen van eer en verstand, murmureert deze goddelooze Agatha, en klaagt en denkt dat ze al heel slecht behandeld wordt, ja, ze is nu en dan zóó bedorven, dat ze (al is het dan ook zeer bescheiden) dit zelfs durft te zeggen;—waarbij haar man de rol van een martelaar vervult en in stilte lijdt.—Zoo gaat het door 't heele boek voort: beiden vergaan van verdriet, totdat eindelijk de waarheid aan het licht komt, de miskende echtgenoot den glorietroon bestijgt en de boetvaardige vrouw in het stof aan zijne voeten ligt met de bekentenis welk een verworpeling zij was, om hem ooit te kunnen verdenken.
De schrijfster vanJane Eijrebeschrijft de verhouding tusschenMoreenShirleygedurende hun engagement nagenoeg met dezelfde woorden, alsof er over het dresseeren van een paardwordtgesproken.Shirleyis wat lastig en stijfhoofdig, enMore, haar minnaar en leermeester, geeft haarLe cheval domptéten gebruike bij de Fransche les: een kiesche manier om het plan, dat hij met haar voorheeft, in de hand te werken. Als ze dan ook, na langdurig verzet, aan zijn wenschen eindelijk toegeeft, spreekt hij haar aan alsof ze een leeuwin was.
„Getemd of niet, gedwee of woedend, gij zijt de mijne voor eeuwig!”
En zijantwoordt:
„Ik ben blij, dat ik mijn meester ken en aan hem gewend ben. Alleen zijn stem zal ik volgen, alleen zijn hand zal mij leiden, alleen aan zijn voet zal ik rusten.”
De begaafde schrijfster van „Nathalie” schildert den strijd van een jong meisje, dat geëngageerd is met een man, die veel ouder dan zij, en daarbij vreeselijk somber en heftig is,—een man van een allerzonderlingst gedrag,maar toch zoo hartstochtelijk gesteld op een blind vertrouwen, dat hij met een diepe, doffe stem u verzekert: zoo een van zijn beste vrienden ook maar één oogenblik aan zijn eer twijfelde,—zelfs al getuigden alle omstandigheden tegen hem,—dan was het tusschen hen gedaan, voor eeuwig gedaan!
Nadat hij Nathalie geheel en al in zijn macht gebracht en een tijd lang zeer op zijn gemak en met een zekere voldoening haar verlegenheid en haar onrust gade geslagen heeft, ontvouwt hij haar eindelijk zijn geheimzinnige plannen, door tegen een van haar minnaars, terwijl zij er bij zit te zeggen, dat het zijn voornemen is, deze jonge dame te vragen, of zij lust heeft zijn vrouw te worden. Gedurende 't engagement echter gelukt het hem, haar kalmte te verstoren door zeer voorbarig te spreken over 't goddelijk recht van den man, en als zij dan wat kriegelig wordt, vindt hij 't, hoe lief hij haar ook heeft, maar beter hun engagement te verbreken, omdat hij niet gelooft dat ze gelukkig met elkander zullen zijn.
Het overige van den roman vertelt ons nu, wat zij beiden te tobben en te strijden hebben, welk een zee van verdrietelijkheden hen overstelpt en hoe hij met iederen dag koeler, trotscher en norscher wordt,—alles de schuld, zooals 't voorgesteld wordt, van die ondeugende Mej. Nathalie; die een heilige van hem had kunnen maken, als ze haar hoogste genot maar daarin gesteld had, dat ze hem zijn zin gaf. Haar geweten klaagt haar aan: het is alles haar schuld; eindelijk onder dien last bijkans bezwijkende, besluit zij zich te verbeteren, gaat naar zijn kamer, vindt hem alleen en werpt zich, hoe stug hij haar ook behandelt,voor hem neer, laat al haar kinderachtigen hoogmoed varen en heeft maar één verzoek: of ze als zijn meid hem mag oppassen. Maar ze wordt nu ook beloond door zijn genadige verzekering dat ze, als ze dan zoo gaarne bij hem wil blijven,magblijven als zijn vrouw: en de laatste volzin van den roman stelt haar voor op de eenige plaats, zooals we hooren, waar een vrouw wezenlijk gelukkig kan zijn, namelijk aan de voeten van haar lieven man.
Dit is dan, zooals de beschaafdste vrouwen in Engeland meenen, de oplossing van het huiselijk vraagstuk: indien wij ten minste geloof mogen slaan aan de dames romanschrijfsters.
Men mag onderstellen, dat de Britsche leeuw aan zijn eigen huiselijken haard, die daar in al zijne majesteit met zijn rug naar het vuur en zijn handen onder zijn rokspanden staat, niet zulke onbehoorlijke discussies te voeren heeft, daar zijn wederhelft geleerd heeft, zooals Miss Bronté zegt, dat haar plaats aan de voeten van haar meester is, en het voor 't grootste geluk houdt, een schilderij juist zóó te hangen en een piano juist zóó te zetten, als hij het graag heeft.
Natuurlijk zal zoo iets door onze lieve republikeinsche vriendinnen met een algemeenen kreet van afgrijzen worden aangehoord, en zullen zich evenzeer alle heeren hier te lande daaraan ergeren, die,—dunkt mij ten minste, tamelijk verlegen zouden zijn met zulk een volstrekte opperheerschappij in huis.
De aard onzer instellingen begunstigt in geenen deele het uiterlijk vertoon van gezag. Wel bestaat het noodige gezag onder ons, maar 't bestaat in stilte en werkt zoo min mogelijk naar buiten.
Onze president1)is niets meer dan een medeburger, en staat, wat zijn persoon betreft, met alle andere burgers gelijk. Wij gehoorzamen hem, omdat wij hem verkozen hebben, en omdat wij wenschelijk achten, dat er in 't bestuur onzer aangelegenheden een hoogst beroep en een beslissende stem is.
De plaats, door den Bijbel en het huwelijksformulier aan den man in het huisgezin toegekend, is niet hooger. In alles, wat stoffelijke belangen, de wettelijke rechten en plichten, den maatschappelijken rang en stand van 't gezin betreft, is de man het hoofd; en een vrouw, die achting heeft voor zich zelve, zal evenmin in twijfel staan in dit opzicht eerbied en gehoorzaamheid te beloven, als een staatsbeambte zich aan den president te onderwerpen. Maar omdat de president hooger in rang is dan de secretaris, volgt daaruit evenmin dat in hunne onderlinge betrekking de eene onvoorwaardelijk bevelen en de ander zich slaafs onderwerpen moet, als dat de hooger geplaatste zich het recht zou mogen aanmatigen, alle zaken en alle daden, welke dan ook, van den mindere te regelen. Er is nog een groot gebied,—ook in 't huwelijksleven,—waarop ieders persoonlijke vrijheid ongekrenkt moet blijven;—en die te schenden, die op een toon van gezag te overheerschen—welk verstandig man ziet niet in, dat hij, door zóó iets te willen, zich bespottelijk zou aanstellen?
Bij het apostolisch woord: „De man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is”, mogen wij de in het oog vallende punten van verschil niet vergeten, die er tusschen Christus en den manbestaan. Zeker kent het aan den man niet de rechten toe, die alleen uit almacht en alwetendheid voortvloeien, maar 't beteekent eenvoudig, dat hij in 't huiselijk leven het hoofd en de beschermer is, evenals de Zaligmaker dit is voor de gemeente. Het drukt niets anders uit, dan wat een vaste natuurwet in onze maatschappij is, geldig onder alle geslachten en alle rassen, en overal terug te vinden, waar ook maar menschen wonen.
Dat sommige—anders zeer verstandige—vrouwen zich vaak onverstandig en kinderachtig tegen deze waarheid verzetten, komt alleen, denk ik van de dwaze overdrijving, waartoe ze aanleiding geeft. Even dwaas is het over 't woord „gehoorzaam” in het trouwformulier te pruttelen, als het voor een officier zou zijn zich te verzetten tegen de krijgstucht, of voor een ambtenaar, om de gelofte van getrouwheid aan de grondwet te weigeren.
Laat van twee jongelieden, die tot denzelfden stand behooren en als vrienden met elkander omgaan, de een overste en de ander luitenant wezen. De luitenant zou even dwaas doen met zich in te beelden, dat hij aan iemand, die zijn gelijke is, niet behoeft te gehoorzamen, als de overste, met een meesterachtigen toon van gezag aan te nemen, wanneer het geen dienstzaken geldt.
Eigenlijk is de geheele quaestie over 't meesterschap tusschen twee rechtgeaarde, welopgevoede, Christelijke echtgenooten in onze negentiende eeuw even dwaas.
Om in de behoeften en 't onderhoud der zijnen te voorzien en voor hun goeden naam en hun welstand in de maatschappij te zorgen, is aan den man een zekere macht verleend, maar hij heeft daarom nog niet het recht, om in den huiselijken kring eigendunkelijk over de kleine gewoonten en liefhebberijen der zijnenheerschappij te voeren. Even weinig als hij 't zou mogen doen, wanneer hij niet het hoofd des huizes was, even weinig heeft hij nu een goddelijk recht om te eischen, dat alles naar zijn zin zal worden ingericht, al is 't ook in strijd met hetgeen zijn vrouw wenscht en verlangt. In duizende onverschillige dingen, die 't fatsoen en de deftigheid van 't gezin niet raken, moet hij evenzeer nu en dan zijn eigen zin en zijn eigen inzicht opgeven ter wille van zijn vrouw, als zij verplicht is, zich in andere opzichten aan zijn beslissing te onderwerpen. In de meeste gevallen staan man en vrouw volkomen gelijk voor God, en zoo een van beiden, wie dan ook, aan onredelijke eigenzinnigheid toegeeft, die begaatzonde.
't Is mijn vaste overtuiging, dat zulke boeken als ik straks met een enkel woord heb besproken, een allernadeeligste uitwerking hebben, daar zij aan den man een vrijbrief voor zelfzucht en stijfhoofdigheid geven en bij de vrouw de onware gedachte doen post vatten, dat ze in alles maar, tot in 't onredelijke toe, onderdanig moet zijn.
Is 't gelukkig voor een man in zijn vrouw iemand te vinden, die zijne eigenliefde streelt en zijn zelfzuchtige grillen zwijgend verdraagt,—is 't gelukkig voor hem gevierd en gevleid en gevoed te worden in al zijn gebreken en pruttelarijen, zoodat iedereen in den huiselijken kring aanbiddend neêrknielt voor zijn wil? Is dit het ware middel, om een rechtgeaard en Christelijk echtgenoot van hem te maken? Ik geloof zeker, dat vele zoogenaamde goede vrouwen, indien haar echtgenooten slechte Christenen zijn, er vrij wat schuld aan hebben.
De kleine alledaagsche dingen, waarin man en vrouw 't niet eens zijn, moeten natuurlijk geregeld worden,maar niets dwazer, niets verkeerder voor de goede orde is er, dan die te regelen alleen door gezag. Al het romantische, al het poëtische, al het schoone is voor altijd uit 't huwelijk verdwenen, zoodra man en vrouw om het meesterschap beginnen te strijden. Neen, er bestaat geen ander middel om moeielijkheden van dien aard uit den weg ruimen, dan door van beide kanten daarin te handelen, zoo als gezond verstand en godsdienst ons voorschrijven.
Met eenig nadenken zal ieder die gezetheid op kleinigheden uit het toegeven aan 't instinct van eigenzinnigheden ontstaan, bij zich zelven kunnen waarnemen en tot waakzame zelfbeheersching gedrongen worden.
Onder allen, die op beschaving en ontwikkeling hunner vermogens prijs stellen, moest er niemand zijn, die niet de kunst bestudeerde, hoe men op de aangenaamste wijze zijn gevoelen kan opgeven. Wat ons in hoogere gezelschapskringen vooral aantrekt is de ongedwongenheid, de gemakkelijkheid, waarmeê de een zich voegt naar den ander, diens vormen overneemt en door denzelfden smaak als hij zich besturen laat.
In zulke kringen vindt ge geen stijve spoorwegen, die recht door alles heen snijden en telkens piepen en knarsen, maar zacht vlietende, kronkelende rivieren, die rustig en kalm hare richting veranderen, naar dat iedere bocht van de bevallige oevers het meêbrengt. Wat het bekoorlijke van beschaafde gezelschappen uitmaakt, kan even goed het bekoorlijke van 't huiselijke leven verhoogen: maar dit is alleen mogelijk indien ieder lid van 't gezin zich zelven nauwlettend bewaakt en krachtig beheerscht.
Sommige menschen hebben in dit opzicht een zwaarderstrijd te voeren dan anderen. Ze zijn van nature stipt en nauwkeurig; ze hebben muurvaste gewoonten: alles moet op de minuut af gebeuren; en de minste afwijking van den dagelijkschen regel hindert en ontstemt hen.
Ongelukkig genoeg nu, ziet men het, tien tegen één, gebeuren, dat zulk een soort van menschen smoorlijk verliefd raakt op personen van een geheel tegenstrijdig karakter.
De man van de klok, die op stipte orde en regel gesteld is, laat zich geheel inpakken door een zieltje zonder zorg, dat nooit den datum weet, dat de courant verscheurt, den huissleutel laat slingeren, en papillotten van quitantiën maakt;—of ook een keurig net meisje, wier zaakjes even precies geschikt zijn als de cellen van een bijenkorf, schenkt haar hart aan een wildzang, die haar heiligdom met modderige laarzen binnen klotst, al haar kleine huisgoden omvergooit, als hij uit jagen of visschen gaat, en maar niet kan begrijpen, dat zij daar boos om wordt.
Hoe moet het met zulke echtparen gaan, als zij niets weten willen van de minnelijke schikkingen die rede en verstand aan de hand doen,—als ieder zijne eigenaardigheden met de kracht van eene onverzettelijke hoofdigheid wapent en ze ten koste van den ander doordrijft?
Voor een man en vrouw, die zoo zeer in geaardheid verschillen, bestaat de ware levenswijsheid hierin, dat zij in plaats van levenslang te kibbelen en overhoop te liggen, hunne eigene wenschen en inzichten wijzigen, hunne oogen afwenden van 't geen hun niet aanstaat, om ze te richten op 't geen hun wel bevalt, en het vaste besluit nemen om, hoe redelijk 't een of anderook wezen mag, waarop zij gesteld en waaraan ze gewoon zijn, alles liever ten offer te brengen, dan aanleiding te geven tot huiselijke oneenigheid.
Vooral één manier van volhouden is verdrietig en lastig; ik bedoel die hoofdigheid, waarmeê iemand, zoodra er maar de minste aanmerking op hem gemaakt wordt, terstond gaat tegenspreken en iets opzoekt, om zich te verdedigen.
Johan zegt tegen zijn vrouw, dat zij dien morgen een half uur te laat met het ontbijt is,—en zij ontkent dit stijf en strak.
„Kijk dan maar op mijn horloge.”
„Je horloge loopt niet goed.”
„Ik heb het met de buitenklok gelijk gezet.”
„Dat is al een week geleden: je horloge loopt altijd vóór.”
„Neen, beste! dat heb je mis.”
„Dat heb ik niet. Heb ik je het niet zelf tegen mijnheer B. hooren zeggen?”
„Lieve! dat is al een jaar geleden,—voordat ik het schoon had laten maken.”
„Hoe kan jedatnu zeggen, Johan? Het is nog maar een maand geleden!”
„Lieve! je hebt het mis.”
En zoo wordt de strijd voortgezet, terwijl ieder graag het laatste woord wil hebben.
Die zucht om 't laatste woord te hebben heeft meer kwaad in de huisgezinnen gesticht en meer Christenen onchristelijk gemaakt, dan de heele zaak waard is. Duizend van die kleine oneenigheden zouden van zelf doodbloeden, als beide partijen dit maar toelieten. Laat het waar zijn, dat Johan zich vergist, als hij zegt, dat het ontbijt te laat klaar is,—laat er grond wezen of nietvoor honderd kleine aanmerkingen, die wij op elkander maken,—maar zijn ze waard, dat wij er een discussie over beginnen? Zijn ze zulke stekelige woorden waard, als er altijd uit die discussies voortvloeien? Zijn ze waard, dat er vrede en liefde door verloren gaan? Zijn ze waard dat ge er het eenige, ons nog op aarde overgebleven ideaal,—een rustig gelukkig te huis—voor zoudt prijs geven?
Liever gezwegen, al hebt ge 't grootste gelijk van de wereld, dan u er aan gewaagd, dat ge uit uw humeur raakt, door er over te gaan redeneeren.
Zulk een woordenstrijd, vóór en tegen, waarbij elke partij maar al te gauw warm wordt, is nooit aangenaam in 't huiselijk leven en onder na-betrekkingen nooit zonder gevaar. Doorgaans is 't alleen een bedekt middel om hoofdigheid te believen, dat zelden een andere uitwerking heeft, dan beide partijen nog veel onverzettelijker te maken, dan vroeger.
Een kalme overweging van tegenovergestelde inzichten, een bedaarde opgave van de gronden, die ieder voor zijn gevoelen heeft, kan nuttig wezen; maar als warmte en hitte en eigendunk en de zucht om gelijk te hebben zich in het gesprek mengen, dan zijn wellevendheid en welgehumeurdheid er maar al te spoedig aan toe, om ons te verlaten.
Zoo ver had Christoffel 't met zijn verhandeling gebracht, toen hij een oogenblik stil hield en naar een krachtig slot voor zijn rede zocht. Een vers of wat viel hem daarbij in, waarin zóó juist al wat hij gezegd had werd uitgedrukt, dat men 't hem wel ten goede zal houden, dat hij met die verzen zijn lezing eindigde: