Helaas! hoe nietig klein een redenVerwijderd soms een huwlijkspaar,Dat onder 's werelds tegenhedenOnwrikbaar trouw bleef, van elkaar;Wier liefde stormen en gevarenTrotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt,Gelijk een schip in 't hart der barenBij doodsche stilte,—op eens verzinkt.Een enkel woord, een enkel teeken;Een enkle blik verkeerd verstaan:Een ademtocht—en 't is bezwekenWat door geen stormen kon vergaan.Na 't eerste woord volgt ras een tweede,Dat d' eens gemaakte bres verwijdt:Ach, straalde 't oog van liefde en vrede,Bij 't mingekoos van vroeger tijd,—Klonk toovrend toen in al hun sprekenDe zachte toon der teerheid door,—Voor altijd is die straal geweken,En ging die liefdeklank te loor.Een wolk, door storm uiteengereten,Is beider hart gelijk,—een vliet,Die boven langs de heuvelketenIn dartel spel haar watren schiet,Alsof ze nimmer zouden scheiden;Maar, eer zij neêrstort in de beemd,Ze heinde en ver uiteen zal spreiden,Voor eeuwig van elkaar vervreemd.
Helaas! hoe nietig klein een redenVerwijderd soms een huwlijkspaar,Dat onder 's werelds tegenhedenOnwrikbaar trouw bleef, van elkaar;Wier liefde stormen en gevarenTrotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt,Gelijk een schip in 't hart der barenBij doodsche stilte,—op eens verzinkt.
Helaas! hoe nietig klein een reden
Verwijderd soms een huwlijkspaar,
Dat onder 's werelds tegenheden
Onwrikbaar trouw bleef, van elkaar;
Wier liefde stormen en gevaren
Trotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt,
Gelijk een schip in 't hart der baren
Bij doodsche stilte,—op eens verzinkt.
Een enkel woord, een enkel teeken;Een enkle blik verkeerd verstaan:Een ademtocht—en 't is bezwekenWat door geen stormen kon vergaan.Na 't eerste woord volgt ras een tweede,Dat d' eens gemaakte bres verwijdt:Ach, straalde 't oog van liefde en vrede,Bij 't mingekoos van vroeger tijd,—Klonk toovrend toen in al hun sprekenDe zachte toon der teerheid door,—Voor altijd is die straal geweken,En ging die liefdeklank te loor.
Een enkel woord, een enkel teeken;
Een enkle blik verkeerd verstaan:
Een ademtocht—en 't is bezweken
Wat door geen stormen kon vergaan.
Na 't eerste woord volgt ras een tweede,
Dat d' eens gemaakte bres verwijdt:
Ach, straalde 't oog van liefde en vrede,
Bij 't mingekoos van vroeger tijd,—
Klonk toovrend toen in al hun spreken
De zachte toon der teerheid door,—
Voor altijd is die straal geweken,
En ging die liefdeklank te loor.
Een wolk, door storm uiteengereten,Is beider hart gelijk,—een vliet,Die boven langs de heuvelketenIn dartel spel haar watren schiet,Alsof ze nimmer zouden scheiden;Maar, eer zij neêrstort in de beemd,Ze heinde en ver uiteen zal spreiden,Voor eeuwig van elkaar vervreemd.
Een wolk, door storm uiteengereten,
Is beider hart gelijk,—een vliet,
Die boven langs de heuvelketen
In dartel spel haar watren schiet,
Alsof ze nimmer zouden scheiden;
Maar, eer zij neêrstort in de beemd,
Ze heinde en ver uiteen zal spreiden,
Voor eeuwig van elkaar vervreemd.
1)Men bedenke dat de schrijfster in de Vereenigde Staten van Amerika woonde.Vert.
1)Men bedenke dat de schrijfster in de Vereenigde Staten van Amerika woonde.
Vert.
V.
ONVERDRAAGZAAMHEID.
„Waarover zult gij van avond in onze huiskerk preeken, Christoffel?”
„Ik zal een preek houden overonverdraagzaamheid,” gaf ik mijn vrouw ten antwoord.
„Over onverdraagzaamheid in den godsdienst?”
„Neen, over onverdraagzaamheid in 't huisgezin en in de opvoeding onzer kinderen,—een van de zeven doodzonden, waarvan ik er nu al vier heb gepreêkt—een van „de kleine vossen””.
Men meent gewoonlijk, dat de onverdraagzaamheid, die er in dit leven bestaat, uitsluitend op 't gebied van godsdienst gevonden wordt, terwijl toch deze soort van onverdraagzaamheid niet dan een zeer klein onderdeel is van de ingewortelde, harde, allesbeheerschende onverdraagzaamheid onzer menschelijke natuur.
Geneeskundigen zijn even onverdraagzaam als godgeleerden. Zij hebben nooit de macht gehad, om anderen wegens hunne medische gevoelens op den brandstapel te brengen, maar 't heeft hun zeker aan den wil niet ontbroken. Staatkundigen zijn onverdraagzaam. Wijsgeeren zijn onverdraagzaam, inzonderheid zij, die zich veel op hunne vrijzinnige gevoelens laten voorstaan. Schilders en beeldhouwers zijn onverdraagzaam. En huisvadersen huismoeders zijn onverdraagzaam, hatelijk en onverdraagzaam op alle artikelen van den catechismus, dien zij voor hun huishouden hebben aangenomen.
Mevrouw Perfect preêkt in haar huiskapel tegen de ontaarding van de tegenwoordige manier van huishouden, niet minder scherp dan Dominé Houvast tegen den afval van het goede oude geloof uitvaart.
„Spreek mij niet van kussensloopen, die niet geregen worden,” zegt Mevrouw Perfect;„het staat leelijk en slordig. Ik zou zoo'n kussensloop evenmin in mijn huis willen hebben als ongedierte.”
„Maar,” brengt eene jonge huishoudster, die zich bewust is kussensloopen met bandjes in huis te hebben, zeer bescheiden daartegen in, „zoudt ge niet denken, mevrouw Perfect! dat men best buiten zulke ouderwetsche gebruiken kan? Het is waarlijk niet noodig, er zoo veel werk van te maken als men vroeger deed, met die breede zoom, die tusschenzetsels en vetergaten,—alles precies af te passen en keurig te stikken. Ik zal niet anders zeggen, of het staat heel netjes; maar als eene vrouw een huis vol kleine kinderen en een schraal inkomen heeft, dan mag zij haar heele leven wel met naaien doorbrengen, als zij alles zóó in de puntjes wil hebben. Is het niet beter dat zij er wat losser over heen loopt, en wat beweging in de open lucht neemt?”
„Spreek mij niet van lucht en beweging! Wat deed mijn grootmoeder? Wel, zij deed al haar werk zelve en naaide grootvaders jabots met de fijnste stiksteken, en ik verzeker u dat zij genoeg beweging had. De vrouwen van den tegenwoordigen tijd zijn ellendige, ziekelijke, vertroetelde schepsels.”
„Maar, beste mevrouw! denk eens aan juffrouw Sloof,hier over de deur, met haar bleek gezicht en haar acht kleintjes.”
„Een slechte huishoudster,” zegt mevrouw Perfect. „Zoo ze maar, net als ik, het geheele jaar door om vijf uur opstond, dan zou zij tijd genoeg vinden om alles netjes te doen, en er beter aan toe zijn.”
„Maar, beste mevrouw! juffrouw Sloof is zoo tenger, zoo zenuwachtig.”
„Zenuwachtig! Allemaal gekheid! Ieder mensch is tegenwoordig zenuwachtig. Zij kan 's morgens niet vroeg opstaan, omdat zij zenuwachtig is. Zij kan niet netjes naaien, omdat zij zenuwachtig is. Wel, ik zou zeker net zoo zenuwachtig geworden zijn, als ik mij ook zoo vertroeteld en verwend had. Maar ik sta vroeg op, dan ga ik vóór 't ontbijt een kwartier of een half uur omwandelen, en als ik t'huis kom, ben ik er geheel van opgefrischt. Ik naai alles zelve en geef geen stukje buiten de deur, en ik geloof toch dat mijn goed netjes genaaid is. Ik maak altijd de onderkleêren van mijn man en van mijn kinderen, en ik zeg u, dat ze gemaakt worden precies zoo als 't hoort,—en toch weet ik overvloed van tijd te vinden voor wandelen, visites maken en boodschappen. Een vaste wil en een goed overleg, daar komt het op aan.”
„Het is inderdaad verwonderlijk, mevrouw Perfect, dat ge zoo veel kunt afdoen; maar zijt ge somtijds wel niet eens doodmoê?”
„Neen, niet dikwijls. Wel moet ik zeggen, dat ik in de week vóór Kersttijd wezenlijk moê was, nadat ik op één dag achttien taarten en tien koeken had klaar gemaakt en gebakken; maar ik gaf er niet aan toe. Ik zei tegen mijn man, dat ik wel wat zou uitrusten, alswij een ritje naar New-York deden, en dit gebeurde ook. Juffrouw Sloof, denk ik, zou gezegd hebben, dat zij naar bed moest, en had zich een maand lang vertroeteld.”
„Maar, beste mevrouw Perfect! als ze nu 's nachts geen oog dicht kan doen van de schreeuwende kinderen...”
„Men hoeft geen schreeuwende kinderen te hebben; mijn kinderen schreeuwden nooit; 't hangt er maar van af, hoe men de kinderen went. Ik zou met mijn kinderen wel den heelen nacht hebben kunnen tobben, even als juffrouw Sloof, maar daar paste ik wel op. Ik nam ze 's avonds om tien uur op, gaf ze dan de borst en verdroogde ze nog eens; en dan waren ze tot 's morgens stil. Geen van mijn kinderen heeft mij nog een slapeloozen nacht bezorgd.”
„En als zij tanden kregen?”
„Ook niet. Ik wist daar een middeltje op. Ik stak het tandvleesch door, net als een chirurgijn, en ik had er nooit moeite meê; 't hangt alles maar van de behandeling af. Ik speende ze allen ook zelve; al dat tobben met kinderen, die gespeend worden, is maar gekheid.”
„Mevrouw Perfect! gij zijt een geleerde huismoeder, maar 't is toch onmogelijk ieder kind op die manier groot te brengen.”
„Maak me dat niet wijs: men moet ze maar dadelijk zoo wennen, als men wil. Geloof me, ik heb het met mijn achttal wel ondervonden.”
„Maar dat ééne kind van juffrouw Sloof maakt meer leven dan al uwe acht samen. Het schreeuwt zóó geweldig dat er alle nachten iemand meê over de kamer moet loopen; de kindermeid kan het niet uithouden en de juffrouw zelve wordt er ziek van.”
„Dat behoefde volstrekt niet; 't is niet anders dan 't gevolg van een verkeerde behandeling. Denk eens, dat ik met mijn kinderen 's nachts over de kamer had moeten loopen, dan zou ik nog al wat werk gehad hebben; maar ik zet het op de rechte wijze in. Ik wilde, dat ze stil zouden blijven liggen, en zij deden het; en als zij schreeuwden, stak ik nooit een kaars aan en nam ik ze nooit op, maar nam er volstrekt geen notitie van en dan vielen zij langzamerhand in slaap. Kinderen merken gauw, of zij met hun schreeuwen wat gedaan krijgen of niet, kinderen schreeuwen alleen maar uit kwaadheid; en als ik ze op geen andere manier tot bedaren kon brengen, dan gaf ik ze een paar fiksche klappen, en zoo merkten zij al spoedig, dat al hun geschreeuw hun niets hielp.”
„Maar, beste mevrouw, gij zijt een stevige, gezonde vrouw, en uw kinderen waren het ook.”
„Nu, ik zou wel eens willen weten, of dat kind van juffrouw Sloof ook niet gezond is? 't Is immers een flink kind, dat zoo ferm groeit, als ik ooit een kind heb zien groeien. Dat kind scheelt niets anders, dan dat het zijn nukken heeft en dat zijn moeder hem vertroetelt.”
Die mevrouw Perfect staat in de buurt, waar zij woont, bekend als het model van een vrouw. Haar gebak is nooit testig; haar bont is altijd vrij van de mot; hare kleeden verschieten nooit; haar inleggoed bederft niet; de meiden doen er precies wat ze doen moeten; de kinderen maken nooit een rommel in de kamer; en zijn ze aan de borst, dan schreeuwen ze nooit, maar slapen den heelen nacht door,—en nooit van zijn leven heeft mijnheer Perfect nog behoeven te zeggen: „Lieve, eris een knoop van mijn overhemd.” Er komen nooit vliegen bij haar in de keuken, er liep nog nooit een duizendpoot in den kelder en een spin heeft nooit den tijd gehad om een web in een van haar kamers te maken. Alles bij haar aan huis blinkt en glimt en glinstert van zindelijkheid,—in de fijnste puntjes keurig en net,—en 't is mevrouw Perfect, die dat alles doet, altijd in de weêr, altijd gekleed, altijd attent, overal bij de hand en nooit vermoeid.
Terwijl nu mevrouw Perfect zoo uitmuntend haar huishouden bestuurt, is zij bovendien lid van allerlei liefdadige comité's, maakt handwerkjes voor bazaars en verlotingen, en al wat zij doet, doet zij keurig. Zij is altijd even gedienstig, behulpzaam en welwillend, en de maatschappij heeft alle reden om zich te verblijden dat zij er is.
Doch met dat al is mevrouw Perfect zoo onverdraagzaam als de inquisiteurTorquemada. Zij volgt stijf en strak, evenals de locomotief, het afgebakende spoor; haar oordeelvellingen en meeningen doorsnijden de maatschappij in rechte lijnen met al het geweld van haar voorbeeldenmet al den stoom van haar geestkracht, en zij gaat voor ouden noch jongen, voor zwakken noch zieken uit den weg. Zij kan en zij wil de mogelijkheid niet begrijpen, dat er nog andere karakters dan het hare zijn, en dat andere karakters een andere manier van leven en handelen hebben.
Hoe goed en gedienstig zij mag wezen, is zij toch een schrikbeeld voor haar arme, zwakke altijd tobbende buurvrouw aan den overkant, die—behalve dat haar hoofd altijd kookt en haar lendenen haar altijd zeer doen,—behalve dat zij 's nachts niet kan slapen enover dag sloven en tobben moet,—bovendien overal en altijd gebukt gaat onder de gedachte, dat mevrouw Perfect al haar tobberijen aan een verkeerde manier van huishouden toeschrijft, en beweert, dat zij evenveel als zij zou kunnen doen, zoo ze maar wilde. Daar zij zeer weinig zelfvertrouwen of gevoel van eigenwaarde bezit is ze geheel radeloos en mistroostig, als zij er om denkt; en zij denkt er den heelen dag om. Is het dan wezenlijkhaarschuld, dat haar kleine 's nachts bijna niets slaapt en aldoor schreeuwt, en dat geen van hare kinderen ooit kon opgevoed worden volgens die vaste regels, waarvan zij hoort, dat zij in het huishouden over de deur zoo gunstig werken? De gedachte aan mevrouw Perfect is voor haar een spook en een kwelduivel; wat deze er wel van te zeggen heeft—dat is voor haar de zwaarste last en de eerste tobberij.
Nu moet men weten, dat mevrouw Perfect afstamt van een forsch en krachtig en langlevend geslacht: „met leden breed geschoft en zenuwen van staal”. Geen schijn of schaduw van zenuwachtige aandoeningen is ooit in haar familie bekend geweest, en ze oordeelt over de ongelukkige juffrouw Sloof bijna even verstandig, als een forsche Cochinchina-kip over een colibri. Zulke Cochinchina-kippen zijn sterk en nuttig en zulke colibri's tenger en van weinig nut; maar laat ze elkander geen diëet voorschrijven of elkanders huishouden regelen. Heeft niet de een evenveel recht overeenkomstig zijn natuur te leven, als de ander?
Dit voorbijzien van 't geen een ander volgens zijn natuur noodig heeft, is een der voornaamste oorzaken van huiselijk ongeluk. De beste huishoudsters zijn zij, die haar huishouden op zulk een manier regelen, datallerlei karakters gelegenheid hebben, zich te ontwikkelen, zonder op anderen inbreuk te maken.
Enkele vrouwen hebben er bijzonder slag van, om de karakters te begrijpen en te leiden. Zij deelen aan iedereen een gevoel van vrijheid en ongedwongenheid meê; zij weten elk zijn plaats aan te wijzen; en ontdekken terstond, waar hij geschikt voor is; zij hebben van nature de gelukkige wijsheid, niet meer van iemand te verlangen of te vragen, dan hij geven kan. Te rechter tijd hebben zij voor elk wat wils: een been voor den hond; graten voor de kat; hennepzaad voor kanarie; een boek of tijdschrift voor een geleerden logé, die zich anders vervelen zou; een vroolijk praatje voor de onbezorgde juffrouw Zeventien; breiwerk voor grootmama; hengels, gieken en buskruit voor den jongen Wildzang, wiens baard pas begint te groeien,—en nooit nemen zij 't kwalijk als de kanarievogel het been van den hond niet smakelijk vindt, of als de hond geen kanariezaad eet, of als juffrouw Zeventien het tijdschrift van den ouden heer Zestig niet wil lezen, of de jonge Wildzang geen lust in breien voelt, of als grootmama niets opheeft met pistolen en kruit.
Maar er worden ook andere vrouwen gevonden, die de grondslagen van het huiselijk leven zoo klein en beperkt en benauwd maken, dat alleen zij zelven en eenige weinigen, die precies zooals zij denken en doen, 't in dat huis kunnen uithouden. Wie zal ons vertellen, hoeveel ellende daaruit voorkomt?
Twee jongelui, uit zeer onderscheiden families afkomstig en op geheel verschillende wijze opgevoed, trouwen met elkaar. Tegen een of twee sympathieën, die hen tot elkander brachten, staat menig punt van verschil over.'t Eerste wat hun te doen stond, moest zeker zijn elkanders geaardheid te leeren kennen, en zich daarnaar te schikken, omdat het zoo wezenmoet; maar in plaats daarvan brengen de meesten hun leven door met blindweg zich tegen een karakter aan te kanten, dat van 't hunne verschilt en toch in menig opzicht even goed is, al kan 't zich nu maar niet naar hen schikken.
Een meisje, dat in een geregeld, welvarend koopmansgezin groot gebracht is, waar de vaders en de broeders den geheelen dag druk in de zaken waren, raakt verliefd op een geleerde, die niets van zulke dingen afweet, wiens lust en leven in zijne boeken en in zijn pen is. Zal zij nu hem en zich zelven ophoudelijk plagen en kwellen, omdat hij geen man van zaken is? Zal zij hem gedurig wijzen op 't voorbeeld van haar vader en haar broeders, en hem voorhouden, hoe die in dit of dat geval zouden gehandeld hebben, of zal zij 't voor den voet opnemen en eens voor al denken: „Mijn man heeft wel geen kennis van zaken: dat is zijnfortniet: maar hij is toch in andere vrij wat belangrijker dingen heel knap: ik mag ook niet alles van hem verwachten; laat hem maar stil zijn gang gaan en doen wat hij kan, en laat ik trachten te doen, wat hij niet doen kan: en raken we soms ergens meê verlegen, omdat wij geen van beiden er raad op weten,—dan maar voor den voet op en moed gehouden!”
Evenzoo kiest een man uit den schoot van een gezin, dat er gek meê is, een van die teêre vertroetelde zangvogeltjes, die alleen maar geschapen schijnen, om 't leven te veraangenamen. Past het hem, zoodra hij getrouwd is, vergelijkingen te maken tusschen haar manier van huishouden of haar kunde en bedrevenheidin de dingen van het dagelijksche leven, en die van zijn moeder en zuster, die stevige en praktische vrouwen zijn en zich van der jeugd af met niets anders hebben bezig gehouden dan met huiselijke zaken? Zal hij zichzelven en haar onophoudelijk verdrietig maken door ieder oogenblik weêr te zeggen, hoe zijn moeder gewoon was 's morgens om vijf uur op te staan,—hoe trouw zij haar boekje bijhield,—hoe stipt zij alles naging en voor alles zorgde,—hoe ze nooit van regel en gewoonte afweek?
't Zou al zeer ongepast wezen. Als hij zulk eene bekwame huishoudster verlangde, waarom maakte hij dan niet, dat hij er een kreeg? Er was toch overvloed van meisjes, die verstand hadden van wasschen, en strijken, van stijven, van koken, van al wat er in een huishouden voorkomt, beter dan de kleine kanarie, waarop hij verliefd raakte, omdat hij door haar veêren en haar zang, haar flikkerende oogen, haar aardige manieren en haar guiterijtjes,—begoocheld werd. Nu hij zijn vogeltje gekregen heeft, moet hij het ook als iets teêrs en kostbaars beschouwen, het verzorgen en er op passen en net op zulk een manier behandelen, als zoo iets broos en tengers behandeld dient te worden; en zoo doende zal hij ondervinden, dat het nog lang de bekoorlijkheden behoudt, waardoor het eens zijn hart gestolen heeft. Misschien, als hij zijn colibri trouw verzorgt en er goed op past, ondervindt hij dan ook, dat ze, hoe zwak en teer ze is, toch even goed als een faisant een nest kan bouwen en haar eitjes uitbroedt en haar jongen groot brengt op colibri-manier; maar om dit te kunnen doen, moet zij niet gestoord en verschrikt worden.
Doch de rampen van huiselijke onverdraagzaamheid nemen eerst recht een begin, wanneer er kinderen komen. Even als ouders, uit verschillende gezinnen gesproten, soms eigenaardigheden hebben, die zich niet met elkander verdragen, zoo verschillen ook hun kinderen, èn met hen èn onderling, in geaardheid.
De ouders houden hun pasgeboren eersteling voor iets, dat hun geheel toebehoort en waarmeê zij dus kunnen doen, wat zij maar willen. Het wezentje, pas op den stroom des tijds aangedreven, heeft misschien eigenaardigheden in zich verborgen, vaster dan een der beide ouders bezitten, doch met dat al wordt daaraan reeds terstond de loop aangewezen, dien het te volgen heeft.
Johan is verzot op geleerdheid. Zijn eigen opvoeding is eenigszins gebrekkig geweest, maar hij heeft besloten, dat zijn kinderen wonderen van geleerdheid zullen worden. Zijn eerstgeborene is een meisje, die zoo keurig als madame de Staël zal moeten schrijven, verwonderlijk knap en volmaakt.
Hij overvoert haar van haar prille jeugd af met litteratuur en leest haar een bloemlezing uitMiltonvoor, als zij nog pas acht jaar oud is, en heimelijk verlangt om met haar poppegoed te spelen. Hij neemt de eene gouvernante na de andere, zonder de kosten te ontzien, en als het nu eindelijk blijkt, dat zijn dochter slechts een lief, verstandig, huishoudelijk meisje is, dat veel van borduren houdt en meer aanleg heeft voor koken en strijken dan voor poëzie en geleerdheid, dan is hij teleurgesteld en behandelt haar koel; terwijl zij zich bitter ongelukkig gevoelt over 't verdriet dat zij haar ouders aandoet, omdat zij niet kan zijn, wat de natuur niet wilde, dat zij worden zou. Had Johan't geschenk, dat Moeder Natuur hem gaf, nederig aangenomen en bedaard onderzocht, wat het was en waar het goed voor was, hij zou een gelukkig leven gehad hebben met een zedige, lieve en huiselijke dochter, die den uitnemendsten aanleg had om met den hoogsten lof in de huishoudkunde te promoveeren.
Daarentegen heeft een bedrijvige vrouw, die een meesteres is in 't koken, inleggen, breien, en al wat tot de huishouding behoort, een dochter, die bij haar breiwerk zit te peinzen, en een boek onder haar borduurpatroon verstopt,—wier gedachten in Griekenland, Rome, Duitschland rondzwerven,—die leest, studeert, denkt, schrijft, zonder te weten waarom; en de moeder doet haar best, deze neiging te onderdrukken en van haar peinzende dochter een bedrijvige, voortvarende, flinke huishoudster te maken. Wat al tranen worden er bij die onderneming vergoten, wat al humeuren bedorven, wat al dagen verspild!
Elk dezer karakters zou er, onder een verstandige leiding, wel toe gekomen zijn het ontbrekende langzamerhand aan te vullen. Van de geboren huishoudster zal wel nooit een genie groeien, maar zij kan toch aan haar huishoudelijke bekwaamheid een ordentelijke portie beschaving en kennis toevoegen,—en de geleerde droomster is er nog wel toe te brengen, om uit haar wolken af te dalen, en zoo veel van deze aarde te zien dat zij het alledaagsche paadje zonder struikelen kan loopen; doch dit moet geschieden door haar karakter te verdragen,—daaraan gelegenheid tot ontwikkeling te geven, het eerst te onderkennen en te herkennen, om dan later de gebreken, die het heeft, te verhelpen.
Een goedberekende, vindingrijke huishoudster, kanmet allerlei gereedschappen te recht, en ook wel zonder gereedschappen. Als zij geen hamer en spijkers bij de hand heeft, haalt zij met een ijzeren lepel de spijkers uit het kleed, en timmert ze met een strijkijzer vast, waar zij ze wil hebben; en zij heeft verstand genoeg om niet knorrig te worden, al houdt het haar lang op. Zij begrijpt, dat zij met gereedschappen werkt, die ergens anders voor dienen, en denkt er niet aan om boos te worden als 't er niet al te best meê gaat. Maar laat ze dan ook even veel geduld hebben met een dochter, die onhandig in het huishouden, maar flink en vlug genoeg van begrip is om wat zij haar leert, als zij 't maar goed doet, te vatten.
Een eerzuchtig man heeft een zoon, die hij voor den geleerden stand bestemt. Hij moet deDaniël Webstervan de familie worden. De jongen is sterk en gespierd,—vol levenslust en ondernemingsgeest,—helder van hoofd en scherp van zintuigen,—maar stomp en verward, als 't op abstracte begrippen aankomt. Hij kent ieder schip, dat in de haven ligt, hoe het zeilt en hoe groot het is; hij kent elke locomotief, hoe veel paardenkracht ze heeft, hoe ze loopt en de uren wanneer ze aankomt of heen gaat; hij is altijd bezig met zagen, timmeren, schaven en spitten; met ruilen en kwanselen; het hoofd loopt hem om van allerlei, dat op de buitenwereld, op tastbare dingen, betrekking heeft. In al die dingen is hij vlug van bevatting, helder van geest, scherpzinnig, verstandig, en verdient wat hij zegt, wèl gehoord te worden. Maar wat het onderscheid tusschen zelfstandige naamwoorden en eigennaamwoorden, tusschen 't onderwerp en 't gezegde van een volzin, tusschen 't betrekkelijk voornaamwoord en het aanwijzend voornaamwoord,tusschen den volmaakt- en onvolmaakt- verleden tijd betreft, daarin is hij verschrikkelijk stomp en achterlijk. Het gebied van abstracte begrippen is voor hem een gebied van spoken en geesten. Zijn jeugd brengt hij dan ook grootendeels door in een treurige woestijn van onbegrepene, onbegrijpelijke studiën, van ontberingen, laken en straffen, waarbij hem alles mislukt en tegenloopt en hij altijd beknord wordt, omdat zijn vader een geleerde wil maken van een jongen, die den Natuur voor de fabriek of voor den ploeg bestemd heeft. Hij zou een landbouwer, een machinist, een stichter van een nieuwe kolonie, een zeeman, een soldaat, een flinke koopman kunnen worden, maar hij groeit op in 't gevoel, dat alles, waar hij lust in heeft, verkeerd is, en dat hij voor niets deugt, omdat hij niet deugt voor dat ééne, waartoe zijn ouders hem reeds vóór zijn geboorte blindweg bestemd hebben.
Een andere jongen is een geboren werktuigkundige; hij begrijpt terstond hoe een machine in elkaar zit; hij is altijd bezig met onderzoeken en nakijken en het nemen van proeven. Maar zijn wielen, zijn assen en zijn katrollen worden allemaal weggegooid als prullen, waar niemand iets aan heeft; hij moet naar de Latijnsche school gaan, en er drie of vier jaar doorbrengen met iets te leeren wat hij toch niet goed leeren kan. Hij verliest allen moed, nu hij altijd de laatste van de klasse is, en verscheidene jongens, die in algemeene ontwikkeling beneden hem staan, hem vooruitkomen omdat ze die wanhopige regels van de quantiteit en de accenten in 't Grieksch kunnen onthouden, waar hij gek van wordt en die hij telkens vergeet, zooals bij voorbeeld, dat properispomena en proparoxytona, paroxytona worden,als de laatste lettergreep lang wordt terwijl paroxytona, paroxytona blijven, als de voorlaatste lettergreep kort is. Daar elk van deze regelen wel weêr zestien uitzonderingen heeft, die altijd doorgaan, behalve in drie of vier exceptioneele gevallen, wordt het nog moeielijker uit dien doolhof te geraken: en het mooiste van alles is, wanneer hij nu dien heelen rommel, met huid en haar, als zoeten koek naar binnen heeft geslagen, dat hij dan, zonder er ooit in zijn heelen studietijd iets aan te hebben, de werken der klassieke schrijvers in vrede mag gaan lezen.
Het grootste gebrek in de zoogenaamde klassieke opvoeding is dit, dat zij eigenlijk maar past voor een soort van jongens, die zij africht tot het geen hun natuurlijk aanleg reeds meêbrengt en derhalve ter nauwernood genoeg voor hunne oefening inspant, terwijl zij voor een andere, niet minder goede soort van jongens zóó veel bezwaren heeft, dat deze er moedeloos en wanhopig onder worden. Ik wil wedden, dat er van de tien jongens te Boston stellig vier zijn, en dat niet van de minste of domste, die 't onderwijs op de Latijnsche school niet zouden kunnen bijhouden zonder hun hersens en hun zenuwen zóó te overspannen, dat zij nergens meer geschikt voor waren.
Een aardige, vlugge jongen, die veel aanleg voor natuurkunde en werktuigkunde had, was altijd nommer één op de middelbare school. Hij behaalde de eerste prijzen, en was er zoo blij meê en zoo trotsch op, als 't behoefde. Nu ging hij naar de Latijnsche school. Hoewel vlug van bevatting, had hij toch een ellendig geheugen voor 't onthouden van woorden en regels; jongens, die altijd tegen hem opgezien hadden, kwamenhem nu ver vooruit. Zij konden een lijst van namen afraffelen, en, hoe minder zij gewoon waren, over 't geen zij leerden na te denken, des te vlugger ging het. Zij konden de Latijnsche grammatica met noten en al van buiten leeren en wisten altijd den weg in de oneindige doolhoven vanGriekscheaccenten en verbuigingen. Al deed hij nog zoo zijn best,—die jongen met zijn helder hoofd en vlug begrip, nu altijd achteruit gezet, altijd voor een domoor gehouden en geheel ontmoedigd, kon niet opwerken tegen dezelfde jongens, die vroeger ver beneden hem stonden. Hij begon te sukkelen en werd van school afgenomen. Menige knappe jongen is door zulk een verkeerde behandeling voor zich zelf en voor de maatschappij verloren gegaan. De Latijnsche school is evenals een groote kolenzeef; elk stukje, dat niet een zekeren omvang heeft, moet er doorheen vallen. Dit komt er bij het ziften van steenkolen nu juist niet veel op aan; maar wat dunkt u er van, als zulk een zeef eens gebruikt werd, om steenkolen van diamanten te ziften?
„Die arme jongen!” zeideOle Bullmedelijdend toen iemand van de treê van een omnibus een schooljongen wilde afjagen die ongemerkt dacht meê te rijden. „Die arme jongen! Laat hem daar staan.Wie weet, hoeveel verdriet hij heeft! Misschien leert hij wel Latijn!”
De geestigeHeinrich Heinezegt, terwijl hij aan 't lijden van zijn jeugd denkt: „De Romeinen zouden de wereld nooit veroverd hebben, als zij hun eigen taal hadden moeten leeren. Zij hadden er den tijd voor, omdat zij bij hun geboorte al wisten, welke zelfstandige naamwoorden in den accusativus opimuitgaan.”
Daarom keuren wij echter de studie der Grieksche enLatijnsche schrijvers niet af. 't Is een kostbaar voorrecht deze beide doode talen te verstaan; een verstandig beschaafd man, die den omgang met de schitterende vernuften van die oude tijden moet missen, verliest daarbij oneindig veel; doch daarom juist betreuren wij het, dat men maar langs dat ééne dorre, steenachtige, kunstmatige pad, langs dien éénen hobbeligen, rechten, nauwen weg den toegang naar zulk een heerlijk land van kennis vergunt. Wij gelooven niet, dat het noodig is de studie van het Grieksch en Latijn zoo afschrikwekkend te maken. Menigeen, die niet in staat is de paradigmata der Grieksche werkwoorden in geregelde volgorde van buiten te leeren of de lijsten der zelfstandige naamwoorden, die hunnen accusativus op deze of gene wijze vormen, op te zeggen, zou toch wel, als hij zich in 't vergelijken en nadenken oefende, de werken der Grieksche en Latijnsche schrijvers zoo veel kunnen verstaan, dat hij den zin hunner woorden begreep en den geest er van genoot; en daar komt het toch maar op aan. Wij hebben een jongen gekend, die met geen mogelijkheid al de uitzonderingen op de regels der Latijnsche spraakkunst kon opzeggen, maar die toch zijn zakportefeuille met aanhalingen uit de „Aeneïs” volschreef en bloemlezingen uit zijn Grieksch leesboek maakte, terwijl de rector hem alle dagen met zijn taalregels op de pijnbank zette.
Zijn er niet veel Engelsche meesters, veel schrijvers en redenaars, die de lijst van zelfstandige naamwoorden opymet het meervoud iniesen de uitzonderingen daarop, niet van buiten kennen? Hoe weinigen onder ons zouden dit kunnen doen! Zal het een goed schrijver en vloeiend spreker iets baten, of hijMurray's Grammarvan A tot Z kan opzeggen? Raakt men wel ooit op zulk een manier waarlijk met een taal bekend?
Tegenwoordig is het paradijs der klassieke litteratuur nog even zoo afgesloten en ontoegankelijk als het Luilekkerland uit de sprookjes. Er is geen bidden aan: de rijstebrij-berg moet doorgegeten, zal men er inkomen.Maar geen wonder dan ook dat menigeen net zoolang staat te hunkeren, totdat hem de trek vergaat en hij geen moed meer heeft om met de rijstebrij te beginnen.
Die leertrant, die geen andere methode duldt of verdraagt, is uitsluitend eigen aan 't onderwijs in de klassieke talen. Veel jongens en meisjes leeren Duitsch, Fransch en Italiaansch lezen en spreken, en genieten volop het genoegen, om met een voor hen geheel nieuwe letterkunde kennis te maken, alleen omdat er een eenvoudiger, natuurlijker, minder pedante manier voor 't aanleeren van die talen bestaat.
Hard volhouden van 't eens aangenomen opvoedingsstelsel maakt menig huisgezin ongelukkig, omdat de familietrots heeft vastgesteld: ieder jongen uit den fatsoenlijken stand—of hij wil of niet—moet op deLatijnscheschool gaan, of anders gooit hij zijn naam en eer te grabbelen.
„Niet naar de Latijnsche school?” zegt Scholasticus tegen zijn oudste. „Ik ben er op geweest,—en mijn vader en mijn grootvader en mijn overgrootvader. Zie de lijst van de leerlingen maar eens na en gij zult er telkens, van 't eerste begin af, onzen familienaam op vinden.”
„Maar ik kan geen Latijn en Grieksch leeren,” antwoordt de jongeheer Scholasticus. „Ik kan al die regels en uitzonderingen niet in mijn hoofd krijgen. Ikheb 't geprobeerd, maar ik kan niet. Als u eens voelen kon, wat ik gevoel, terwijl ik daarmeê bezig ben. En ik zou niet altijd de laatste van de klasse willen zijn, al moet ik dan ook krullenjongen worden.”
Onderstel nu, dat de jongen toch tegen wil en dank genoodzaakt wordt om iets aan te leeren, waarin hij geen lust heeft, en dat wel op een manier, waartoe hij een aanleg bezitten moet, dien de natuur hem onthield,—wat gebeurt er dan?
Hij loopt den cursus door,ofals een huichelaar, zijn meester en zijn ouders bedriegende, bij allen die hem kennen in minachting,—ofhij doet meer dan hij kan en overspant zijn geestkracht, maar blijft met dat al een middelmatig leerling en verliest zijn gezondheid voor zijn geheele leven.
Als men eens in de geleerde opvoeding die ééne methode niet zoo uitsluitend, ten koste van elke andere doordreef, maar erkende dat het groote doel is een taal te verstaan en haar litteratuur te genieten, zoodat wat daartoe volstrekt noodig is, ook hoofdzaak bij 't onderwijs was,—als aan den schildpad de tijd gelaten werd, om naar de bekoorlijke en goddelijke bronnen van den Helicon te kruipen, als het aan den vogel vergund werd daarheen te vliegen en aan den visch, er naar toe te zwemmen,—dan zouden allen er op hunne wijze komen en zich vermeien in zijn bloemen, zijn schoonheid en zijn frischheid.
„Maar,” zeggen de verdedigers van het algemeen aangenomen stelsel, „'t is een goede oefening voor den geest.”
Ik twijfel er aan: ik houd het voor tijdverkwisting.
Als een jongen geleerd heeft, dat in dengenitivuspluralisvan de eerste declinatie der Grieksche naamwoorden de laatste lettergreep een circumflexus krijgt, maar dat daarop de volgende uitzonderingen zijn: 1. Dat defemininaderadjectivaenparticipiaop—ος,—η—ον in dengenitivus pluralishetzelfde accent hebben als demasculina, maar dat andereadjectivaenparticipia feminina, in dengenitivus pluralis perispomenazijn; 2. Dat desubstantivaχρῄστης, ἀφύη,ἐτησίαιenχλούνηςin dengenitivus pluralis paroxytonablijven,—ik zeg, wanneer een jongen dit en twintig van die dingen uit zijn hoofd geleerd heeft, dan is zijn geest geen zier meer ontwikkeld, dan wanneer hij de lijst memoriseert van de oudste dertien Staten van Noord-Amerika, het getal en de namen der later bijgekomene, den tijd van hunne aanneming en hun bevolking, hun handel, hun bedrijf, enz. Dat zijn ook niets meer dan geheugenoefeningen, maar 't zijn dan ten minste nog oefeningen in dingen die van eenig belang zijn, en waar men iets aan heeft.
Al die regels en uitzonderingen, boven vermeld, zijn zoo weinig noodig om de Grieksche litteratuur goed te begrijpen, dat ik gerust durf zeggen: er zijn vrij wat knappe jongens, die nooit iets van de meesterstukken der Grieken gelezen hebben, dan alleen in vertalingen, en die toch den geest der Grieken en de eigenaardigheden hunner taal vrij wat beter begrijpen en juister waardeeren, dan menige arme jongen, die met een barren Rector achter zich door de origineelen is voortgestrompeld en oogen en ooren vol stof heeft van de Grieksche grammatica.
Wat dan? Zullen wij de oude talen niet leeren? Zeker wel! „Zoo dikwijls ik een taal leer, zoo dikwijlsword ik een man,” zei Karel V,—en hij had gelijk. Latijn en Grieksch zijn in een kwaden naam gebracht door de gekunstelde, pedante manier van 't onderwijs, waarbij men van al de uitgedroogde dorheden der taal, een harde, groote pil maakt, die de arme jongen slikken en verduwen moet, eer hij een schemerschijntje mag zien van haar nut en haar schoonheid. Velen sterven in deze woestenij, voor dat zij in het Beloofde land van Plato en de treurspeldichters gekomen zijn.
„Maar,” zeggen de autoriteiten op dit gebied, „kijk eens naar Engeland. Een Engelsche schooljongen leert driemaal zooveel Latijn en Grieksch als onze jongens leeren.”
Maar Engelsche jongens krijgen driemaal meer vleesch en pudding dan Amerikaansche jongens, en zijn driemaal minder zenuwachtig. Het verschil van landaard komt hier in aanmerking; bovendien oefenen de in Engeland sedert eeuwen bestaande scholen en universiteiten een eigenaardigen invloed op de geheele Engelsche maatschappij. Wij moeten niet vergeten, wat wij voor menschen zijn, met welk soort van jongens wij te doen hebben, welk eene behandeling zij kunnen verdragen, en waaraan onze Amerikaansche maatschappij vooral behoefte heeft.
In zulk een groot en nieuw land als het onze, zijn de levensbehoeften zoo veelvuldig, en staat in alles de practijk zoo zeer op den voorgrond, dat de denkbeelden der ouden ons zoo kort en snel, als maar mogelijk is, moeten meêgedeeld worden, zonder al die schoolsche spitsvondigheden, waarmeê anderen zich mogen bezighouden, die er van nature lust en geschiktheid voor hebben.
Nergens heerscht meer een geest van onverdraagzaamheiden van uitsluiting, maar ook nergens sticht die geest meer lijden en ellende, dan op het veel betwiste gebied van opvoeding.
Boeken over opvoeding vergen over 't algemeen veel te veel van de ouders, en bezwaren hen, zoo ze ook maar eenigszins nauwgezet zijn, met een last van verantwoordelijkheid, die alle leven uitdooft en alle krachtverlamt. De schrijvers stellen het aan de ouders zóó voor, alsof ieder kind niets dan een zachte, weeke massa is, die zij naar hartelust kunnen kneden en knijpen, vormen en fatsoeneeren—en nu ze hun een goed model bezorgd hebben, zijn zij dan ook verplicht terstond aan 't werk te gaan en volgens het opgegeven model, een voortreffelijk mensch van het kind te maken.
't Is vreemd, dat wie eenigen eerbied voor den Bijbel hebben, aan zóó iets kunnen gelooven en vergeten, wat de liefdevolle Hemelvader bij herhaling betuigt, datHijkinderen opgevoed en groot gemaakt heeft, maar dat zij tegen Hem overtreden hebben; of die aandoenlijke klacht: „Wat is er meer te doen aan mijn wijngaard, dat ik er niet aan gedaan heb? Waarom heb ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?” Als zelfs God, die wijzer, beter, heiliger, liefderijker is dan wij—als zelfs Hij betuigt, in dit groote werk teleurgesteld te zijn, is het dan wel raadzaam, tegen menschen, zoo als wij zijn, te zeggen, dat de vorming van het karakter hunner kinderen geheel alleen van hen afhangt?
De gezondheid van menige zwakke vrouw is verwoest en haar leven verbitterd, omdat er een last van verantwoordelijkheid op haar schouders geladen werd, die er nooit op had moeten gelegd worden; en menigmoeder werd in 't verstandig gebruik van de gaven, die God haar gegeven had, belemmerd, omdat haar een wijze van handelen voorgeschreven was, die zij evenmin kon opvolgen, als David de wapenrusting van Saul kon dragen.
Een aardig, lief, tenger meisje trouwt met een krachtig man en krijgt een jongen, die tweemaal zoo veel wils- en geestkracht bezit als zij. Zij voelt zich even verlegen in 't worstelen met den wil en de eigenzinnigheid van zulk een kind, als zij wezen zou, wanneer zij met een reus moest vechten.
Wat dan? Laat God haar dan verlegen, zoodat zij haar plichten niet vervullen kan? Neen! als ze zich zelve maar kent en begrijpt en daarnaar handelt. Zij heeft geen macht tot bevelen, maar zij heeft wel macht tot overreden. Zij kan den ijzeren wil van haar kind niet buigen of breken, maar wel vermurwen. Zij is in staat den strijd te vermijden, waarin zij overwonnen zou worden. Zij kan haar kind voor zich innemen en inniger aan zich verbinden en door zachten, nauwelijks merkbaren drang haar invloed dagelijks versterken. Laat haar begaan, en zij zal haar jongen wel klaar krijgen.
Maar er komt een bemoei-allige schoonmoeder of een ander, die de wijsheid in pacht meent te hebben, en zegt tegen haar:
„Het is je heilige plicht, den wil van dien jongen te buigen. Ik heb den wil van mijn jongen ook weten te buigen. Houd de plak bij de hand, geef hem nooit zijn zin, straf hem voor ieder verzet, laat nooit zijn haan koning kraaien, dan zal hij eindelijk wel gedwee en onderworpen wezen.”
Zulk een raad is verkeerd, omdat zij dien evenminkan opvolgen,als een koe wormen voor haar kalf kan opkrabben, of een kip haar kuikens kan zogen.
Sommige menschen hebben zulk een vasten, krachtigen wil, dat zij in staat zijn over den wil van anderen te heerschen.Zijkunnen op die manier regeeren,—en dit regeeren heeft de beste uitwerking, omdat het in hun aard ligt, altijd wordt volgehouden en hun natuurlijk en flink afgaat. Laat hen tevreden zijn met hun eigen succes, zonder zich daarom nu uit te geven voor algemeene opvoedkundigen of wat zij, op grond hunner ondervinding, in alle mogelijke gevallen meenen door te kunnen drijven.
Er zijn weer anderen,—en tot hen behooren menschen van het beminnelijkste en edelaardigste karakter,—in wier aard het gebieden niet ligt. Zij hebben voor zich zelven wilskracht genoeg, maar zij missen 't vermogen om op den wil van anderen te werken. Toch zijn er van die soort wel moeders geweest, die in de opvoeding van haar kinderen slaagden, wanneer zij met haar eigenaardig karakter te rade gingen en niet trachten te doen, wat zij toch niet konden volbrengen.
Invloedis een macht, die langzamer werkt dan gezag, die schijnbaar zwakker, toch op den duur veel meer uitricht en zeker een veel beteren weg volgt, om het doel te bereiken, dan blind gezag of driest geweld, waaraan zachte drang of gematigheid ontbreken.
Als een moeder een edel, godsdienstig, liefhebbend hart heeft, als zij nooit haar toevlucht neemt tot list of bedrog, als zij nooit driftig wordt en een goed voorbeeld geeft,—laat haar dan maar blijmoedig haar gang gaan, al kan zij de tucht, die op een oorlogschip heerscht, niet bij haar woelig troepje invoeren, of zeallen even zoet houden, zooals enkele vrouwen doen, aan wie God andere talenten gegeven heeft; en laat ze den moed niet verliezen, indien het somtijds maar heel weinig schijnt wat ze bijdraagt tot het groote werk der vorming van menschelijke karakters, daar toch zelfs de groote Schepper der wereld, volgens het bijbelwoord, hierin nu en dan teleurgesteld wordt.
De verdraagzaamheid in den familiekring moet vooral acht geven op de onderscheiden, trappen en tijdperken in de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling der kinderen.
De overgang van 't eene ontwikkelingstijdperk tot het andere veroorzaakt bij den mensch, even als de doorgang der zon door deevennachtslijn, dikwijls stormen en onweders. Als de knaap of het meisje volwassen wordt, raken meer dan eens hoofd en zenuwen, lichaam en ziel in de war; somtijds verandert daarbij 't karakter zóó geheel en al, dat het kind voor zich zelf en voor zijn ouders verloren schijnt. In dien toestand van overprikkeling komen allerlei onverzadelijke begeerten, onredelijke wenschen, onbepaalde plannen boven, en juist uit de hartstochten van dit overgangstijdperk ontstaat somtijds de rampzalige gewoonte, om zich over te geven aan 't gebruik van prikkelende middelen, die 't geheele leven verwoesten.
Daarbij komt 't geduld van heiligen te pas. De gejaagdheid moet getemperd worden, de huiselijke haard moet verdraagzaam genoeg zijn om den jongeling tegen te houden, dien de Satan wil ontvangen en liefkozen, als zijn moeder 't niet doet. De jongen voelt dat hij een man is,—en dit gevoel werkt in hem als de branding der zee, oorverdoovend en allesvernielend.—Hij is luidruchtig, woelig, oproerig, en zoekt alles inde war te sturen, hij veracht alle maatschappelijke vormen, hij heeft een hekel aan huis en verlangt naar buiten, naar zee; hij gaat het liefst met het ruwste gemeen om en verzet zich tegen iederen dwang. Heb maar wat geduld, laat de lijdzaamheid een volmaakt werk hebben, en na verloop van een paar jaren, als hij ten minste aan geen dierlijke drift zich verslaafd heeft, zal er een bedaard en fatsoenlijk jongmensch uit groeien. Maar als hij nu, eer het zoo ver met hem is, zijn voeten niet veegt en zijn pet tegen den grond gooit, en zijne kleêren scheurt, en vecht en tiert en schreeuwt en 't geheele huis overeind zet,—wanhoop niet; moogt gij uw zoon behouden, wat komen er dan pet en schoenen, kleêren en rumoer op aan? Al wat ge aan verdraagzaamheid en inschikkelijkheid ten koste legt, om te maken, dat een jongen op dien leeftijd weltevreden in huis is, 't is alles best besteed.
Doorgaans ziet men te veel voorbij, dat juist in dit tijdperk van overgang tot volwassenheid de grootste inspanning van den geest wordt gevorderd. De jongen moet voor de academie klaar gemaakt worden, het meisje zit in de hoogste klasse op school, en het zenuwleven, dat bij de kentering in 't physieke met dubbele kracht moet werken, heeft bovendien te voorzien in 't geen de africhtingsmethode en de tucht van de school vorderen.
Het meisje groeit op tot een rijzige, flinke vrouw; en de natuur heeft handen vol werk om er bouwstof genoeg voor te vinden. Zij moet den eenen wissel na den ander voldoen; ze doet niets dan betalen; had ze nu alleen haar vrouw op te bouwen, 't kon nog wel gaan, maar bovendien wordt ze aangemaand voorstelkunst, meetkunst, muziek, talen—en de arme natuur slaat bankroet. Met een deel van haar werk moet het wel verkeerd gaan en 't resultaat is—een kromme ruggegraat of een ontstoken long.
Op de meisjes- en jongens-kostscholen verkeeren de meeste jongelui juist in dat gevaarlijke tijdperk van lichamelijke en zedelijke ontwikkeling. Men verwacht van hunne onderwijzers, dat deze hen onder strenge tucht recht op het doel af zullen leiden, zonder in 't minst notitie te nemen van de groote physieke veranderingen, die er bij hen plaats grijpen. 't Is waarlijk geen wonder, dat hunne opleiding zoo moeilijk valt en dat er zoo menigeen mislukt, die naar lichaam en ziel een brekebeen wordt. De schuld ligt niet aan den onderwijzer; hij doet alleen wat de ouders van hem verlangen, die hun kind nu eenmaal onverbiddelijk tot een zekeren cursus veroordeeld hebben,—enkel omdat anderen hetzelfde gangetje zijn gegaan.
Eindelijk (want mijn preek is al veel te lang), eindelijk nog ééne opmerking. Ieder mensch heeft een handvat, waarmeê we hem aan den gang kunnen krijgen, en een werk waarvoor hij juist is berekend: en onze groote levenstaak is het, voor zoo veel wij anderen schuldig zijn, ieder bij zijn eigen handvat aan te grijpen en, voor onszelven, ieder zijn eigen werk te doen.
VI.
ONWELLEVENDHEID.
„Ik voor mij,” zei mijn vrouw, „ik houd het er voor, datonwellevendheidalmeê de ergste verstoorster is van den huiselijken vrede. Bij huisgenooten denkt men niet eens aan de attenties en beleefdheden, waarmeê men voor vreemden zoo gul is.”
„Ik denk er anders over, Mevrouw!” antwoordde RobbertStevenis. „'t Is al mooi genoeg, dat men zich buiten 's huis den last van allerlei vormen en complimenten dient te getroosten: maar als men t'huis komt, moet men zijn nauwe laarzen en handschoenen kunnen uittrekken; zijn huisjasje en zijn pantoffels aandoen en vrijuit zijn meening zeggen, zonder er zijn hoofd meê te breken, of het ook onbeleefd is. Een kring van vrienden die elkander leeren verstaan, die elkander vrijheid in alles gunnen:—dat moet ons huiselijk leven wezen. We hebben een plaats noodig, waar wij, zonder dat wij onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig of vervelend of onpleizierig kunnen zijn. Daar teren wij zoo wat op het crediet, dat onze huisgenooten ons geven en wij bij hen hebben, omdat wij elkanders goede zijde, elkanders waarde door en door kennen. Daar zijn al die beleefdheden en attenties, waarop wij onder vreemden ons toeleggen, evenminnoodig, als 't voor een geleerde noodig is, iederen dag eer hij zijn lectuur begint, het alfabet op te zeggen.”
„Ja, zoo gaat het meestal,” zeide Jenny, „wanneer een heer aan eene dame het hof maakt dan helpt hij haar heel lief uit het rijtuig en houdt zoo netjes haar japon op, dat er geen spatje modder van de wielen aankomt; maar zijn zij eens man en vrouw, dan blijft hij heel stil zitten of houdt het paard vast en laat haar alleen maar begaan, om er uit te komen. En toch, als mooie juffrouw Pimpelmees bij hen te visite komt, dan is hij nog even galant en vliegt naar het portier, en houdt ookhaarjapon van de wielen af; en wat bewijst het? dat hij lang zoo veel niet van haar houdt als van zijn vrouw, en dat ze malkander eigenlijk vreemd zijn.”
„Heb je voor een goede kennis of ook voor je aanstaande een das gezoomd of zijn handschoenen genaaid, dan bedankt hij je op de hartelijkste wijze; maar is hij eens zeker van je liefde, zijt ge met hem getrouwd, dan is het kortweg: „Zoo is 't goed. Nu moest je nog eens een band aan mijn halfhemd zetten, en die torn in mijn jas naaien. Maar vergeet het vooral niet, zoo als je gisteren gedaan hebt!” „Om al die redenen,” zei Jenny met een heel verstandig knikje, denk ik het trouwen maar zoo lang mogelijk uit te stellen, omdat het mij vrij wat pleizieriger voorkomt, een heelen boel vrienden te hebben, die mij allerlei beleefdheden en attenties bewijzen, dan er mij met één te moeten behelpen, die altijd maar teert op 't crediet, dat ik in zijne liefde stel. Ik voel volstrekt geen verlangst naar een man die in mijn bijzijn zit te gapen, die aan 't ontbijt, terwijl ik lust in een praatje heb, altijd maar door de courant leest, en den heelen avond sigaren rooktof stil met een boek voor zich zit, in plaats van mij te amuseeren, en, in één woord, omdat hij nu eenmaal gezegd heeft dat hij innig veel van mij houdt, recht en aanspraak meent te hebben, om vervelend en onaangenaam te wezen. Als hij een prettig gezicht heeft en vroolijk, aardig, geestig kan praten, dan wil ik graag tot de dames behooren, waar hij meê omgaat, maar ik zal wel oppassen dat ik dit genoegen niet misloop door de dwaasheid te begaan om met hem te trouwen.”
„Maar, juffrouw Jenny!” zei Robbert, „'t zijn toch niet alleen de mannen, die er zich schuldig aan maken, dat ze na den trouwdag minder innemend zijn. Vlugge, betooverende schepseltjes, die ons door uw keurig en aardig toilet verblindt, die zoo lief en aanvallig en bekoorlijk zijt, wat komt er van dit alles na 't huwelijk terecht? Als de man de courant aan 't ontbijt leest, misschien komt het daar van daan, dat er een slaperige vrouw tegenover hem zit, in een verschoten katoentje, dat voor 't huiselijk heiligdom goed genoeg is, en misschien heeft zij ook wel die aardige, prettige, geestige praatjes en manieren verleerd, die 't vroeger onmogelijk maakten, als zij er bij was, naar iemand anders te kijken of te luisteren. Ik geloof wel, dat zoo iets nu en dan aan de „godinnen onzer zielen” overkomt. Natuurlijk weten Marianne en ik daar niets van, want wij zijn een modelpaar, en zitten altijd in den hemel en speculeeren over die soort van dingen,—wel te verstaan, alleen als toeschouwers.”
„Maar gij ziet nu toch eens, waar gij met uw beginselen toe komt,” zei Jenny. „Als de huiselijke kring niets anders is dan de plaats, waar wij, zonder onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelustslaperig of vervelend of onplezierig kunnen zijn,dan, dunkt mij, hebben de dames vrij wat meer recht, van die vrijheid gebruik te maken, dan de heeren, daar al de verveling, de tobberij en de last van 't huishouden voor haar departement opkomt. Zij moeten 's nachts optrekken met het kind, als 't schreeuwt; en wanneer zij geen lust hebben, om 's morgens een keurig toilet te maken, of zoo opgewekt en vroolijk te wezen als in haar meisjestijd, dan is haar dit toch wel niet kwalijk te nemen. Men mag van een vrouw, die haar huishouden moet naloopen of met de kinderen moet omtobben, niet verwachten, dat zij even elegant in haar toilet en even onderhoudend van discours zal zijn als een meisje, dat bij papa aan huis nog van geen zorgen weet; maar mij dunkt, dat is nu toch voor de heeren geen geldige reden, om al die kleine beleefdheden en oplettendheden na te laten, die ze vóór hun trouwen in acht nemen. Zij zijn sterk en gezond en welgemoed; zij gaan de wereld in en hooren en zien veel, wat hen bezig houdt, maar zij moesten nu ook na den trouwdag even opwekkend in den omgang voor hun vrouwen zijn, als deze het vroeger voor hen waren. Zóó moet mijn man met mij omgaan, of ik wil nooit een man hebben,—en daar zou ik niet bijster veel bij verliezen,” zei Jenny.
„Welnu,” hernam Robbert, „ik zal zorgen, dat ik KarelSedleybij tijds waarschuw.”
„KarelSedley, Robbert!” zei Jenny, terwijl zij een kleur van verontwaardiging kreeg. „Ik begrijp niet waarom gij deze oude historie telkens weer ophaalt, daar ik u al honderd malen gezegd heb, hoe onplezierig ik dit vind. Karel en ik zijn goede vrienden, maar....”
„Nu, nu, houd maar op,” zeide Robbert; „ik weet al genoeg; ge hoeft niets meer te zeggen.”
„Dat zegt ge maar, omdat ge geen kans ziet, mij te weerleggen,” zeide Jenny.
„Welnu, Jenny!” zei Robbert, „ge weet, dat alle dingen van twee kanten kunnen beschouwd worden, en ik geef gaarne toe, dat ge heel aardig een andere zijde hebt laten zien van 't geen ik van mijn kant bekeek; maar met dat al ben ik overtuigd, dat, al was mijn beweren niet volkomen juist, het toch zeer nabij aan de waarheid komt. Wat ik vroeger reeds zei, dat zeg ik nog eens; bij hen, die veel van elkander houden en elkander na-bestaan, moet er vrijheid wezen, waarbij geen complimenten te pas komen, en moet en mag er veel door den beugel, wat onder vreemden onwellevend zou zijn. Daar ben ik zoo zeker van, als van iets ter wereld.”
„En toch,” zei mijn vrouw, „is er ongetwijfeld waarheid in de dikwijls aangehaalde woorden vanCowper: