—Het is alles in orde,dominus, verzekerden dechoragi.In decaveaweêrklonk ongeduldig gestamp van zware schoenen en lichtere sandalen.—Vooruit dan maar, zei dedominus. Mijn komedianten zullen wel klaar zijn....In decaveastampten zij, stampten zij heviger. Toen hieldende fonteintjes van geur op te spuiten hun sprenkelstraaltjes; het water vloeide niet meer.—O-o-o-h! juichte het volk, omdat het nu zoû beginnen.Want hetaulariumdaalde, rolde op naar beneden. Maar hetsipariumbleef nog toe geschoven. En de Prologus, op den voorgrond, reed te voorschijn, als Silenus op een ezel. Hij was de tweedesenexvan den troep, op den ezel van Nilus.—Zie je, zei Nilus triumfeerend en wees dengladiatoren. Het ismijnezel, waarop ik naar de markt ga!!—Wij hadden best ònzen ezel kunnen verhuren, mompelden de bedel-Gallen ontevreden, nijdig. Onze ezel is ten minste een ezel van de Moeder der Goden.... En dus geschìkter voor de Megalezische Spelen.... Er ìs geen gerechtigheid meer in de wereld!De tweede-senexreed voor. Hij had, als Silenus, een rijk kostuum van violetten mantel over amethystkleurige tuniek; zijn buik plooide zwaar te voorschijn; hij droeg den maskerkop van een ouden gluimigen sater, met druivetrossen en ranken, en ook ranken vertuitten den ezel, die rijk was getuigd; druivetrossen hingen hem langs zijn ooren. Hij balkte niet meer, maar de beer onder de planken maakte hem zenuwachtig en hij zweepte ontevreden met den staart.Kinderlijke pret om ezel en Silenus had decavea; er was een gedruisch van stemmen, terwijl wat de Prologus galmde, uitstekend van pas kwam:Verwonderd zoû ik zijn zoo in hun zetelsAl wie daar zit mij niet belachlijk vond,Niet praatte en proestte en poefte en hoestte en mijDoor eindeloos gemompel ’t niet heel moeilijkZoû maken.... Heeft beroemdemimus-spelerOf jong blankvellig komediantje nietAl moeite zich op deze planken teHandhaven....? Hoe zal ik dan, oude heerOp m’n ezel, u een óogenblik maar boeien....!En terwijl de Prologus voort ging stilte te vragen en te verklaren wat het onderwerp van het op te voeren blijspel was, traden langs de zuilen, links en rechts, uit de fluitspelers, rechts drie met dubbelfluiten, hooge; drie links met lage dubbelfluiten.En zij zetten zich, geheel voor op hetproscænium, op lage schabellen en begeleidden komiesch met lange, weeke uithalen en getremoleer de woorden van den Prologus.—Het is, zeide Quintilianus ontevreden tot Plinius; die wulpsche muziek, die onzen tijd ontzenuwt. Hoor, het is als kattengekrijsch!—Ge waardeert toch muziek, beste vriend, zei naast hem Verginius Rufus.—Ge hebt ons zelfs geleerd, zei Plinius ter andere zijde van den grijsaard; dat Caïus Gracchus, de grootste redenaar van zijn tijd, bij zijn redevoeringen zich door een fluitist liet begeleiden, die hem op zijntonarion-fluit den toon aangaf.—Wij hebben tegenwoordig, zei Quintilianus; geentonarionmeer maarpsaltherionenspadixen dan die Lydische fluiten daar, wier klanken verweeken wat er nog mannelijk in ons Romeinen gebleven is....Achter hen, op de ridderbank, fluisterde Martialis tot Suetonius:—Hij is geleerd en braaf, onze Quintilianus. Maar hij heeft een groote fout....En die is? vroeg Suetonius.—Hij is niet modern. Dit is moderne muziek. Datiswulpsch, wellustig, verdòrven als je het zoo noemen wilt. Dit hysterische kattegemiauw van die hooge, hooge rechterfluiten preludeeren wat ons de Bacchides geven gaan: Cecilius en Cecilianus.Ikhoor mijn tijd weêrspiegeld in die muziek, die snerpt. Caïus Gracchus is reeds lang dood....En hij zag naar Suetonius, schuin, wat de jonge man dacht....—Een droge ziel, dacht Martialis. Jong, maar droog en hij daar voor mij, wijs, maar ouderwetsch....Hij zag verder naast zich en dacht:—Tacitus, de melancholie, Juvenalis, de verbitterdheid om hun tijd.... Verginius Rufus, de antieke Romeinsche voornaamheid....Frontinus, de brave soldaat met verborgen dichterziel.... Plinius, Plinius is wien ik bemin en bewonder.... Hij begrijpt alles, hij verontschuldigt àlles bijna, en hij zelve is zoo hoog en eenvoudig en rein.... O, beminnelijkste ziel!.... En ik.... De onverbeterlijke levensgenieter....! Waarom niet?Op hetproscæniumweek hetsipariumopen, rechts en links: de Atheensche straat verzichtbaarde....—Hoor....! dacht Martialis. De weeke, wulpsche, weelderige fluitmuziek gièrt omhoog.... Ik hoû van dat krijschen, die schrille steeds hoogere snerpingen.... Quintilianus, Quintilianus, dàt zijn de accoorden van onzen tijd! O, het is goed jong te zijn, niet te betreuren wat het Verleden ook goeds bood, maar te leven, zelfs onze vervallenheid: te leven het oogenblik, te plukken den dag!Carpere diem!! Bravo, bravo, de knappe knaapjes!En zijn laatste woord juichte hij luid. Want de Prologus op zijn ezel, wijzende, toonde de beide Bacchides, die verschenen. Er ging een bewonderend gemompel door heel het Theater.—O-o-o-oh! mompelde goedkeurend decavea. Wat zijn ze mooi! En de een is net als de ander!Maar de Prologus riep:’t Is Bacchus, die de Bàcchides u zendt;Bacchanten, die haar Bacchanaliën dansen....Het zijn twee zusters; Samische Bacchanten,Hetære van Athene, de eene; tweeling-Zustren gelijken zij elkander als tweeDroppelen water, dropplen witte melk!Haar oudrenpaar, gewijd in BacchischeMysteriën, noemden beiden Bacchis; BacchisIs de eene, de Atheensche; Bacchis ookIs de andere, die komt van de reize....— — — — — — — — — — —En zelfs op de ridderbanken, in deorchestra, in het Tribunaal was een ontroering van bewondering. De Atheensche Bacchis trad uit haar huis met hare slavinnen en verwelkomde hare zuster Bacchis, die van de reize kwam, en wie ook slavinnen omringden. De slavinnen waren vrouwen maar de twee hetæren waren Cecilius en Cecilianus. Zij waren beiden geheel en al aan elkander gelijk, behalve dat Cecilianus, om te doen uitkomen, dat hij (zij) van de reize kwam, een dunne sluier geheel omhulde, dien hij af wierp in de handen der slavinnen voor hij (zij) zijne (hare) zuster omhelsde. Gekapt met de torenvormige, blonde pruiken, hunne eigene blonde krullen krullende onder den haarband links en rechts, de gouden rozen breed aan de slapen, waren hunne gezichten geschilderd naar de antieke maskers van Plinius met bizondere kunst: de grime geleek op een masker maar bleef toch een menschelijk gelaat om het gespeel der trekken, den lach om de oogen en mond. Groot waren de oogen, zwemmende in het zwart en het blauw onder de opgelegde, verlengende brauwen; blank en roosrood waren de wangen en de mond was met verhoogd aangetinte bovenlip toch verlengd, zoodat het type van den maskermuil was bewaard en de beide frissche jongensgezichten herschapen waren tot de even exotische, vreemd pervers ontroerende aangezichten van Cypersche beeldhouwkunst—aangetinte blanke kalksteen—kunst uit archaïschen tijd. Dat archaïsche kwam ook nog uit door het breede en hooge maar platte van hunne achterkapsels, waardoor het scheen, dat geheel hun maskergelaat ook platter werd; dat archaïsche kwam ook uit door hunne kleeding. Zij droegen beiden de zelfde peplos van ragfijn geplooid geel gaas—geel was de traditioneele kleur op de planken voor hetæren en symbolizeerde haar goùdzucht—; de peplos was kort, tot de knieën, liet hun efebe-beenen bloot, de vier punten vielen zeer lang ter zijde met lange, gouden franje en kwasten, maar het ondergewaad van geel, met schelle gouden rozen doorweven, scheen er schitterend bij iedere beweging door heen en hetgeheele gewaad herinnerde om het nauwsluitende en dun plooierige aan de archaïsche Helleensche sculptuur. De beide jongens schoeide desoccus: de komedie-schoen, in onderscheid met decothurnusof tragedie-laars, iets lager van zool en hak, maar toch vrij hoog van hak en zool hen boven de planken heffend. En omdat Cecilius en Cecilianus geboren komedianten waren, gevoelden zij zich, zoodra hen desoccusschoeide, niet meer wie zij waren, maar wel wie zij voor moesten stellen. Gekapt, gekleed konden zij nog als bengels doen achter descæna; geschoeid met densoccuswerden zij plotselingcomœdi, tooneelspelers, artiesten, waren zij Grieksche hetæren, waren zij de beide Bacchides. Liepen zij nu ook op elkander toe met den tooneelpas, dien desoccuseischte, niet zoo wijd als de tragici loopen, maar wijder en rhythmischer dan wie ook loopt in het gewone leven. Gebaarden zij op de òpkrijschende, nerveuze snerpingen der Lydische fluitmuziek, hunne vreugde elkander te zien, omhelsden zij elkander....—„Mijne zuster!”—„Mijne zuster!”En dansten te zamen.Hun kreet had hel zuiver het Theater door geklonken. Wat maalden zij nú nog om den beer, die onder hun voeten in het gewelf bromde! Zij dachten om niets dan om hun dans. Zij zongen al dansend, eenstemmig, hun blijdschap. Hun maskermonden openden zich tuitende toe naar het verste en hoogste punt: naar degladiatoren. Zij herkenden ze, maar wat gaf het hun wie daar zàt! Wie in deorchestra, wie in het Tribunaal! Zij zongen, zij dansten, terwijl de Prologus weg reed op zijn ezel.En waren hunne aangezichten en kleeding archaïesch, vooral archaïesch herschiepen zij zich door hun rhythmiesch afgemeten beweeg. Op den gelijkmatig wijdensoccus-tred, die hun nauwe gewaad verwijdde, het gazen geplooi telkens uit waaierde, met de houdingen hunner schrale efebe-armen, die bogen rechthoekig deellebogen en uitspreidden de bejuweelde vingers met opgezette, héel-lange nagels, als vreemde vlinders of vogelvlerken, bezielden zij hunne uiterlijkheid tot een levend archaïesch beeld, dat wel af stak in het nieuw-Grieksche décor en vooral in dit modern Latijnsche Theater, maar dat, zag de toeschouwer alleen naar hen, hem ontroerde als een uiting van verfijndste en toch zuiver geblevene kunst. Zij dansten, reciteerden, bewogen, zongen....—A-a-a-ah! bewonderden degladiatoren, de soldaten, de meiden, de Gallen, de matrozen, de kooplui.—Dat zijn de tweelingen van Crispina, fluisterde Fabulla, die hen pràchtig vond, tot Domitilla en de Virgo Maxima....—Zijn dàt je jongens? fluisterde bewonderend Domitia tot Crispina.De moeder van Cecilius en Cecilianus wendde het gloeiend gelaat naar de Keizerin.—Ja, Augusta, bekende zij, de oogen neêr geslagen; toen glimlachend, ze op slaande naar de vraagster....—Quintilianus.... vroeg Plinius bijna schalk; hoe vindt ge nú onze Hero en Leandros?—Ze zijn hoogst bevallig en buitengewoon kunstvol, zei Quintilianus; maar ik geef de voorkeur aan het fijne fluitspel van Zozimus op de ongelijke twee pijpen, boven dit snerpen op zoo veel gelijke fluiten, dat overdreven wordt....—Het is prachtig! boog Martialis zich naar hen toe. Ze zijn archaïesch en hun kunst is toch modern, omdat zij zoeken de nieuwe emoties in het oude! Zij beelden geheel en al onze eeuw uit, die moê is van alles en zichzelf en zoekt, zoekt, zoekt, zelfs in ons Verleden! Zij zijn kunstenaars, die jongens, zoo als ik er nooit heb gezien en ze weten misschien zelf niet, dat ze het zoo zijn....—Wat mooi van hen is, waardeerde Quintilianus; is, dat zijstatarieschblijven, terwijl zij in Hero en Leandros geheel en almotorieschwaren. Zij zijn telkens zoo als zij moèten zijn.—Eischt Plautus’ komedie nooit anders danstatarieschspel? vroeg Juvenalis.—Zulke gematigde karakterspelen, zei Quintilianus; zijn meerstatariesch: bedáard, hoewel komiesch, altijd hóog-komiesch en nooitmotoriesch: fèl bewogen. Toen zij Hero en Leandros mimeerden, deden zij het mooimotoriesch—hartstochtelijk—zoo als het moest. Als zij ditmotorieschdeden, zoû het een klucht worden, niet waar. Die jongens hebben veel maat en rhythme in hun spel en voelen zuiver hoe ver zij kunnen gaan.—Maar dit begin is niet in Plautus aangegeven en werd nooit zoo in Plautus’ tijd gespeeld, critizeerde bescheiden de jonge Suetonius.—Wat doet er dàt toe? viel heftig Martialis in. Het modernizeert het eeuw-oude stuk.... Het verfrischt het! Het verjeugdigt het!Hij klapte heftig in de handen.Het Theater weêrdaverde van handengeklater en juichend geroep. De Atheensche Bacchis geleidde hare zuster in huis. De slavinnen volgden. Deadulescens, ongemaskerd, trad op, rijk gekleed in veelkleurig gewaad,—veelkleurig steeds was de jonge-rol gedost—en terwijl hij, ijdel, lonkte naar Fabulla, die hij herkende uit Nilus’ taveerne, sprak hij hoog uit, reciteerde hij van zijn liefde voor Bacchis, de Vreemdelinge.... die hij na gereisd was.... Terwijl de fluiten het melodrama aangaven in ondertoon.Fabulla was geslagen van bewondering.... en zóo, dat zij in hare illuzie wankelde. En niet dòrst meer hopen, dat zij ooit op deze planken een „vrouwerol” zoû spelen, al reciteerde zij, zong zij, danste zij. Terwijl deadulescensnaar haar lonkte, in zijn liefdesbetuig, smàchtte naar haar toe, dacht zij steeds aan Cecilius en Cecilianus. Wat!? Die bengels, die bij Nilus op de andere knie van Colosseros óver haar hadden gehost en haar hadden tegen gesproken, waren zulke artiesten?! Zij begreep genoeg om te voelendat dit kunst was, kunst jaren lang, van kind af gevoeld en bestudeerd, kunst tot een volmaaktheid gebracht, die maar niet door een patricische zoo even na te bootsen zoû zijn. Hoe hadden zij niet zich gratievol en rhythmiesch bewogen, op de maat van de fluitmuziek, hadden zij niet gezègd en gezongen, klaar, duidelijk, hèl, overal in het Theater verstaanbaar.... In hun uitspraak was iets geweest, dat zij voelde nooit te zullen kunnen benaderen: de zeer letterkundige en daarbij theatrale uitspraak van het Latijn, die aan ieder woord zijn waarde gaf.... Zij voelde het alles zóo, dat zij op éenmaal bang werd voor eigen eerzucht en verlangen.... En zij begreep, dat de „vrouw” misschien voor dit theater niet geschikt was, en zij nooit het ideaal zoû kunnen bereiken, dat die lange,slank-heupigeknapen met hun schrale, slechts even vrouwelijke efebe-leden beter uitbeeldden. Dat vreemd aandoend perverse, dat „archaïsche”, dat hunne hiëratische gebaren zoo mooi hadden weêr gegeven, hunne geschoolde, uitgalmende stemmen zoo zuiver hadden zingend gezegd! Zij begreep, dat zij te klein was, te mollig, geen stem zoû hebben; zij begreep het alles in eens. In het tooneelspel moesten de vrouwerollen door knapen worden vervuld!.... Zij stelde zich voor, dat zij daar ginds, op de planken, een der Bacchides spelen zoû.... Maar zij zoû sidderen en rillen van angst voor die duizenden oogen: zij zoû.... zij zou belàchelijk zijn! Terwijl juist die jongens waren wat zij moesten zijn!Het was haar in haar reeds zorgvolle stemming om den moord op Nigrina, waarvan men verdacht, dat zij zoû weten, zoo een bittere teleurstelling, dat zij zich achter de andere vrouwen boog naar Crispina en haar bijna hard-op, met een hatelijken, nijdigen grijns vroeg:—Crispina....! Ben je tevreden.... over je tweelingen??Deadulescenssmachtte van liefde. Deexostradraaide. Het weelderige huis van de Atheensche Bacchis verzichtbaarde in pracht van scharlaken gordijnen, pauwebed, verguldvaatwerk, rozenkransen, die deædilenaan de scænische uitmonstering hadden verspild. Tusschen die weelde zaten de Bacchides, de zuster-hetæren; door de opene deur zagen zij denadulescens, wezen zij, fluisterden zij met elkaâr....—O-oh! juichte decavea. Zoo was het goed! Die pracht, dat was zoo als het behoorde! Die hoog gehakte, geel gedoste, „goudzuchtige”meretricesin die overdreven, theater-traditioneele weelde te zien vóor draaien op deexostra, terwijl wulpscher, rechts, de fluiten hooger en hooger stegen in melodie, en rommelender links begeleidden, en de „adulescens” zijn stem in recitatief verhief....—Bromt daar een beer? vroeg Domitia.—Neen, het zijn de linkerfluiten, meende de Virgo Maxima. .... dàt was mooi en zóo kon je nog een stuk van Plautus, een hoogerepalliatazien! De intrigue was bijzaak; de ornamentatie was het voornaamste!Decaveadonderde los van applaus en nièt om den „adulescens”: alleen om de twee weelderige Bacchides, te voorschijn draaiend op de beweegbareexostra....Cecilius, Cecilianus rezen van het pauwe-bed, waar zij elkander in zusterlijke omhelzing hielden omvat: Cecilius, de Atheensche, begon:—Zou ’t niet, o zuster, ’t beste zijn, zoo ik,Tèrwijl gij zweegt, sprak met dien jongeling daar?—Doe dat, mijn liefste....viel in Cecilianus....In het rood gezeefde licht, dat oranje en purper van onwerkelijke weelde maakte al het scharlaken en verguld om hen heen—purper de gordijnen, oranje de gewaden, oranje vooral hun goed-gestuivelde pruiken, vreemd onwaar van purperblos hun als masker geschilderde gezichten—bleven zijstatariesch: kalm, glimlachend, schàlk, ondeugend, pervers sierlijk maar ónbewogenomdat dit immers de rustigepalliatawas, het hoogere blijspel, dat nooit kluchtig mocht worden, dat luchtig Plautiesch moest blijven.... het realisme der komedie alleen veridealizeerd door dat fijne spel, dat zangerig fluit-gesteunde zeggen, die wonderpracht vanchoragium.Buiten, onverwachts, weêrklaterden fanfaren. Het was of een bliksemende schok het Theater door voer. Iedereen stond op: de minste straatjongen tot de Keizerin toe. In ijl schoten tooneelknechten toe met brandende lonten, ontstaken den wierook in de vazen vóor het rechtsche Tribunaal. Hetaulariumrolde haastig op. In de keizerlijke loge verschenen paleis-officieren, schaarden zich, spere- en schilde-kletterend op de trappenvlucht, de Prætorianen.Domitianus verscheen.—Ave Caezar-Imperator! galmde het luid, schel, hoog, diep, bassig weêrechoënd tegen de wanden.De patricische stemmen, de plebeïsche stemmen, van af de Consuls tot de straatjongens, riepen den galmenden groet; de waardige stemmen der Senatoren omlaag vermengden zich met die der oprecht juichendegladiatorenomhoog; die dercaveamet die der ridderbanken; die der mannen met die der vrouwen; en óver het Tribunaal, waar de Keizer verscheen, had hel uit weêrklonken de groet der Keizerin en harer vrouwen....Domitianus, langzaam, trad verder de loge in. Hij had een schuw nijdigen blik als of hij bang was en boos te gelijker tijd; bijziende, knepen zijn oogen dicht.... Hij was groot; voor zijn vijf-en-veertig jaren zag hij er oud en ziekelijk uit. Er was iets mistroostigs en lijdends in hem. Hij droeg een purperen toga en een gouden eiklof-krans om zijn bijna geheel kalen kruin. Zijn gezwollen lijf puilde onder het purper; zijn beenen stonden schraal. Hij was eenmaal welgemaakt en van mannelijke schoonheid geweest; hij scheen nu gesloopt, vervallen. Zijn lichaam was ziek en zijn ziel.Hij was in zich gek van angst, achterdocht, twijfel, berouw. Maar hij hield meestal zijn krankzinnigheid in zich geborgen, in het bijzijn van anderen. Hij was onverwachts gekomen in het Theater omdat hij dezen dag van feest te bang was geworden in het Palatium. Hij was zeer omringd, door zijn officieren,cubicularii, knapen. Een nar was aan zijn zijde, mismaakt en gebocheld. Toen Domitianus zich zette, met nauwelijks een aarzelenden hoofdknik naar wie hem toe gejuicht hadden, hurkte de nar, zonder kluchtigheid aan zijn voet en sprak héel ernstig met den Keizer. De nar grappigde niet; de Keizer, ook ernstig, antwoordde. Om hem heen zetten zich Saturius,decurio cubiculariorum—opperste der kamerlingen,—Parthenius, Sigurius en Crispinus, zijn gunsteling, en zijn lieveling: de knaap Earinus.... De wierook wolkte dik uit de schalen.In het Theater was iedereen weêr gezeten. Maar de vorige luchtige atmosfeer was versomberd. Het was stikwarm geworden naar mate de stovende zon steeg, door hetvelariumneêr zevende een onweêrsachtig broeienden lentegloed. Toen hetaulariumneêr gerold was, vertoonde het tooneel zich met denscæna-muur. Herhaalde zich wat reeds vertoond was. Rolde hetaulariumweêr op. Weêrklonken hier en daar, schuchter, kreten:—Water.... Water....Het water ruischte als een droppelengordijn de wanden, de trappen langs; de geuren ontspoten, ook voor het Tribunaal van den Keizer. Langzamerhand dorsten de toeschouwers weêr wellustig snuiven de frischte en den geur, te spuwen, te praten, zelfs te lachen. Een overmoedige jongen dorst dieren na doen: een hond, hij blafte; een schaap, hij blerde; een haan, hij kraaide: voor minder werd men gekruisigd! In het Tribunaal der Keizerin bleven de vrouwen ernstig staren. De Keizer praatte door met den nar....Achter hetaulariumhaastte dedominuszenuwachtig, woedend om de herhaling, dechoragien de knechten. Zoûhet begin van de Bacchides worden herhaald.Prologusop ezel reed voor, reciteerde; fluitspel snerpte; Cecilius en Cecilianus traden op als zij waren op getreden....De menigte, allen druk plotseling vergetende bij hun schitterende wederverschijning, barstte los in gerhythmeerd maar razend gejuich, in maat kletterend handengeklap en -geklater. De jongens dansten.... En het blijspel ontrolde geleidelijk. Het boeide. De Keizer bewoog niet meer. Als aandoeningloos zat hij te kijken, vroeg nu en dan, ernstig, iets aan zijn nar. Met de anderen sprak hij niet, zelfs niet met Crispinus. Nu en dan blikte hij onverwachts in het Theater, dook weêr terug in zijn purper, loenschte zijlings naar het schouwspel. Het scheen wel, dat hij belang ging stellen. De klassieke, hoogere komedie, depalliatawerd met de moderne opvatting, die dedominus, trots zijn liefde voor de antieke schrijvers onvermijdelijk achtte, in volmaaktheid gespeeld. Na het groote tooneel van de tweemeretricesen denadulescenswas weêr uitbùndig rhythmiesch gejuich. Syrus, die de rol van Chrysalus speelde, de listige slaaf, die het noodige geld altijd weêr voor zijn jongen meester weet te tooveren door handige intrigue en verwikkeling, wàs prachtig! Hij was heerlijk van drieste onbeschaamdheid: hij was de volijverigeservus currens, die, altijd haastig doende, intrigeert en het terrein behoudt, al bederft zijn verliefde jonge meester ook telkens alles. En dan desenex!! De eerste vooral, Nicobolus! O, die beide „grijsaards” met hun groote maskerkoppen, die grijnsden boos aan de eene zijde en gemoedelijker grappigden ter andere! Hoe de menigte om hen làchte als zij eerst den eenen, dan weêr den anderen kant van hun maskerkop draaiden naar het publiek. Geheel vergeten was het, dat Domitianus daar zat. Hij zat immers zoo rustig in zijn purper gedoken, te kijken.... Ja, hij keek: hij volgde die klassieke Plautus-intrigue, met die twee vaders, die, terwijl zij hunne zoons willen verlossen uit de strikken dier verleidelijke Bacchides, erzelve in vallen! O, het slot, als die „grijsaards”, terwijl te voorschijn draaide de schitterendeexostramet de rozenkransen en het pauwe-bed en de, met verguld vaatwerk beladen, citroenhouten tafel, door de tweemeretricesworden verlokt, verleid, beleerd, belachen, tot zij nooit meer hun zonen ièts zullen durven verwijten! Hoe zij speelden de beide „grijsaards”, de beide „jonge-rollen”, de beide „vrouwe-rollen” vooral! Hoe hij speelde, de „eerste-slave-rol”! De „paraziet”? Nu, die trad maar éven op: je merkte hem bijna niet.... Jammer, een „paraziet”, die een goede rol had, was altijd wel aardig. Maar deze „paraziet” had bijna geen rol.... Hij speelde ook slecht: hè, die „paraziet”!—Ik begrijp er àlles van! zei, verrast over zichzelf, Sila, de matrozenmeid, tot haar matroos.Het was ook niet moeilijk al was het zoo mooi. Het werd alles zoo regelmatig ontwikkeld. Het werd een weinig statig en in niet te snel tempo „statariesch” gezegd en gedanst en gerekt. Dedominus, tusschen de zuilen derscæna, lette nauwkeurig op, dat het tempo werd ingehouden. Nergens mocht het worden een klucht, zelfs niet als de „slaaf” hijgende, dravende op kwam.En toen het einde! O, het heerlijke eind! De beide Bacchides, op de òpgesnerpte fluitmuziek—kattegemiauw, vond Quintilianus!—dansten rond met de beide vaders harer minnaars, die kwamen kijken om een hoek.... Zij dansten op deexostra, op hetproscænium; zij dansten van huis uit op straat, van op straat weer in huis; zij omstrengelden de „grijsaards” met de rozenfestoenen, zij schonken hun de vergulde bekers in, uit de vergulde kannen....—Het zijn mijn jongens.... dacht Crispina, in een verrassing om zichzelve.Zij bewonderde ze, zij had ze lièf omdat ze zoo mooi waren! En ze vond het zoo vreemd, dat niemand in het Theater vermoedelijk wist, dàt het haar jongens waren, dan juist.... in ditTribunaal, de Keizerin en deze vrouwen! Het maakte haar àngstig en toch berustigde het haar ook weêr. Ach, er was nu niets te verbergen.... Toch.... Zoû Crispinus daar ginds den Keizer ook zoo ruw....? Zoû de Keizer dan verontschuldigen....? Hij verontschuldigde wel èrger dingen; hij strafte zwaar minder vergrijp dan tweelingen hebben van eenhistrioen die geschenk geven aan eendominus.... O, de lieve, mooie jongens, de schatten! De twee schàtten! Zij glimlachte ze bijna toe, trouwens iedereen glimlachte. En kijk!! De Keizer glimlachte!! Gedoken steeds, glimlachte hij! Wat waren ze dan ook gratieus, in dat bacchanaal der Bacchides! Telkens, als de „grijsaards” wankelden, dronken, tegen elkaâr, kustenzijde twee „minnaars” heimelijk en omdansten dàn weer de twee vaders. En de orgie eindigde, steeds rhythmiesch,statariesch, in nooit tè hevig tempo met den bacchischen dans van alle zes:meretrices, vaders, zonen....Toen barstte los hetclare adplaudere: het klinkend, klaterend applaus, waarom dedominus-gregiszelve, in rijk slepend gewaad, de Bacchides aan zijne zijde, en omringd door dengrex, vroeg, na kort slotwoord van moraal....En groetten zij hun theatergroet tot den Keizer, de Keizerin, het publiek en rolde hetaulariumòp, eerst hunnesoccus-voeten, ten laatste hunne hoofden veronzichtbarend....Overal in de zaal ontloken commentaren. Van af deorchestratot de hoogste omgang toe, was dezepalliatabuitengewoon in den smaak gevallen. De letterkundige groep om Verginius Rufus en Plinius waardeerde het weêr eens „Plautus te hebben gezien”, al was deze vorm dan ook zéer gemodernizeerd, om het vóorspel en naspel van dans en zang der twee „vrouwe-rollen”, om de nog modernere fluitmuziek ook, om al het modernechoragium: al die pracht, die Plautus zelve verbaasd zoû hebben doen staan. Maar decaveawaardeerde juist die pracht, ingeweven in de oude komedie; en dedelicati, de sierlijke jongeluimet de zómerringen reeds aan de vingers, in de ridderbanken, tusschen de matronen, de ontzenuwde patricische vrouwen, den kristallen koelbal tusschen de warme palmen bewegend, waardeerden, met Grieksche woorden nuffig emailleerend hunne waardeering, dat dit spel met Grièksche tint was vertoond, dat de twee Bacchides zelve zoo „Grieksch” waren geweest, omdat „Grieksch” toch eigenlijk voornaam was, de mode....Grieksch, zeker Grieksch. Maar de voorstelling, zoo Grieksch begonnen, met een gemodernizeerde en gegræcizeerde „Bacchides” voort gezet, zoû thans worden Latijnsch, zoo Latijnsch als het kon.Aulariumneêr, maarsipariumnog toe, was achter het tweede groote drukte en voorbereiding voor het eerstemimus-spel, terwijl, na korte pauze slechts, dat water vloeide en geur ontspoot, een tusschenspel op hetproscæniumplaats had. Dat was om het volk te doen lachen, want de patriciërs praatten er rustig door heen, stonden op, begroetten elkaâr.De Keizer, in zijn loge, scheen beminnelijk: hij ontbood bij zich de twee Consuls met denprætor, deædilen: gedoken in zijn purper stond hij niet op, sprak zittende een enkel woord met de ontbodenen, die bleven staan. Hij ontbood na hen den ouden Verginius Rufus en Plinius; hij scheen zich geweld aan te doen beminnelijk te zijn: een bui, die meestal niets goeds voorspelde; tot opstaan kwam hij niet. Ziekelijk bleef hij in zijn zetel zitten. En het volk, na die wel mooie, vroolijke, maar toch wel erg „statarische” Bacchides, die het nog frisch van aandacht had kunnen waardeeren èn om de pracht, èn om Cecilius en Cecilianus vooral, ontspande in kluchtige vroolijkheid om wat gedaan werd voor hetsiparium....Andere, lager komische fluitspelers dansten te gelijk, dat zij floten; hunne dubbelfluiten sloten met hetcapistrum—den hand—om de wangen en het achterhoofd. Zoo verloor zich ook niet de lucht, die zij bliezen. Verschillende hunner traden op metdieren: zij danstenplanipes—ongeschoeid—een klein naspel, eenatellana; zij waren grotesk gegrimeerd; zij kwamen op met bokken en geiten; zij zongen van obscene dingen; zij waren Maccus, Pappus, Dossenus, de drie paljas-typen, die het volk beminde; zij waren Acco, Mormo, Alfito, de drie oude, buikige vrouwen—maar door mannen gespeeld,—die zingend verhaalden en gebaarden van kluchtige geboorten en miskramen, en de kluchtgodinnen van de Vruchtbaarheid zijn; zij hadden groote ooren, dik lippige muilen, schele oogen, bochels; zij waren mal, obsceen, grotesk, vraatzuchtig; zij sloegen elkaâr, vielen plat op elkaâr over den grond. Zij zongen toespelingen, niet te gewaagd in dezen tijd, en tusschen hen liep destupidus-græcus, de clown, die er van alle de anderen kreeg van langs en de grootste vermakelijkheid was.En het volk lachte, schaterde, bulderde, terwijl de patriciërs deden of zij niet zagen en zich met elkander onderhielden, en aan de voeten van Domitianus, die, gedoken—rug gekeerd naar het Theater,—sprak met wie hij ontboden had, de keizerlijke nar, minachtend, strak, hóogst ernstig, bleef staren over decavea.Cecilius en Cecilianus, in hun kamertje, ontkleedden zich koortsig, want nu de Bacchides waren gespeeld en zij niet meer hadden te doen, wilden zij in het Theater de na-spelen zien: deatellanæ, en dan deexodium-spelen!—Jongens, zei dedominus, stralend, alles van den beer vergeten; jullie hebben mooi gespeeld!—Dominus, zei Cecilianus; we voèlden, dat we mooi speelden.—.... Dat we héel mooi speelden, kwam Cecilianus na.—Nu mogen we wel gaan kijken, hé?—Mogen we kijken?—Ruim netjes je boeltje eerst op....Dat zouden ze doen. Daarvoor waren ze tè goedecomœdi.En dan die kostbare costuums, die aan het Theater behoorden! De tweedechoraguszelfs kwam er naar kijken, ze halen....—Wees niet bang,choragus: kijk, we vouwen alles keurig op.—.... keurig op!.... en nam de costuums meê, om ze te brengen in deparascæna.De jongens wieschen zich aan het kraantje. Maar Thymele, de beroemde danseres, kwam aan, met Gymnazium en detonstrixachter zich.—Jullie waren prachtig, jongens, zei Thymele; maar maak nu, dat je weg komt, vlug!—We waren goèd, hè? bluften de jongens, zich poetsende.—Meer dan goed, zei Gymnazium, en detonstrix, lief lachje:—Wat zagen ze er schàttig uit!De kleedster kwam met Thymele’s gewaad.—Laat eens kijken! zei Cecilianus, nieuwsgierig, jaloersch.—.... kijken! zei Cecilius, want voelde het zelfde belang, en veegde haastig te gelijker tijd langs zijn neus: hunne grime werd een mengelmoes van roode en zwarte en blauwe vegen.—Je hebt toch geen mooiere jurk dan ik had?? vroeg Cecilianus angstig.De vier vrouwen lachten luid op.—Niet zóo mooi!! troostte Thymele. Kom lievelingen, hoepel op. Gymnazium moet mij nu kappen. Of liever, kom: laat mij je eerst flink zoenen op je lieve bakkesen....—Thymele, ik ben nog rood en blauw! riep Cecilianus.—.... En ik zwart en wit! protesteerde Cecilius.—Dat doet er niet toe, zei Thymele.Zij was bijna zoo lang als de jongens, rank en mager. Zij had zelve iets van een jongen. En schertsend greep zij Cecilius in haar armen en zoende, zoende hem.De vrouwen lachten van de pret.—Dan zoen ik Cecilianus, zei de kleedster en omgreep Cecilianus en zoende hem.—Wil je wel eens laten! riep Cecilianus, als een maagd, die bedrongen werd.Maar Cecilius riep:—Dan zoen ik detonstrix, omdat ze me zoo mooi heeft gekapt!En hij omgreep de lief lachendetonstrixen zoende haar: zij gierde van pleizier en zoende terug.—En wat nu met mij? riep de voormalige, de dikke Gymnazium. Waarachtig, ik word niet meer gezoend. Nou, dan zoen ik ook maar niet meer!En zij deed of zij er treurig om was, voor de grap. Maar de jongens omgrepen haar, tolden rond met haar en zoenden, zoenden haar. Zij zoende hen terug, heel moederlijk: het waren toch aardige bengels. Toen wipten ze weg, en er was nog blauw om Cecilianus’ oogen en Cecilius had éen roode wang en beider brauwen en wimpers zagen koolzwart.—Vooruit! Vooruit! haastten de jongens elkaâr. Hè, wat hebben ons die vrouwen gezoend!En ze veegden aan hun gloeiende wangen.Ze slipten door deur en gang en deur. Ze waren in depræcinctio, achter het Tribunaal van de Keizerin en keken éven, tusschen de sierlijk gedoste slavinnen en vrijgelatenen door, naar de hooge vrouwen. Zij zagen dier ruggen, in de geborduurde veelkleurige stoffen harer feestmantels, die plooiden onder hare bloote schouders af. En Crispina, half ter zijde gezeten naast de Keizerin, wendde zich, zoo als eene vaag omwendt als er wie of wat ook achter voorbij gaat. Zij zag hare jongens in de oogen. Zij herkende ze niet dàdelijk. Ze waren mooi blond maar met vuile gezichten, zij gluurden onbewust pervers om die tè donkerebrauwen en wimpers. Maar toen zij ze herkende, had zij even een schok, een ontroering.Fabulla zag hen ook. En Fabulla riep tot de Keizerin, tot deVirgo Maxima, tot Domitilla:—Kijk, de tweelingen van Crispina!Crispina schrikte; allen keken om en lachten. Maar de jongens, betrapt, dat zij de Keizerinne-loge hadden ingegluurd, repten zich wat zij zich reppen konden, depræcinctiolangs. Toen, te gelijker tijd, bleven zij staan.—Wàt zei ze?—.... Ja, wat zei ze?—Wat zei die Fabulla?—Wat zei ze toch!—Dat wij waren....?—.... Wij....?—De tweelingen....?—Ja, de tweelingen van....?—.... van Crispina?—Crispina? Wie is Crispina?—Was Crispina dáar? In het Tribunaal?—Wie is Crispina? Er zat naast de Keizerin, rechts, deVirgo Maxima.... Naast deVirgo Maxima....—Domitilla, ’s Keizers nicht. En naast die, Fabulla....—En links van de Keizerin....?—Was dat Crispina! Onze moeder??—Ik weet het niet....!?—.... Ik weet het ook niet....!?Ze zagen elkaâr aan, toen om, en op. Het Theater, decaveawas vol. Het was broeiend warm onder het roodevelarium. Het was meer dan middag; de wind had zich gelegd, hetvelariumhing, slap uitgegolfd, bijna roerloos. Het water, de marmeren wanden langs, tappelde. Pff.... wat was het warm: zoûer onweêr dreigen....? En nergens een plaats, naar het scheen....Maar iedereen herkende hen. Hoewel deatellanaheel grappig was, met Pappus en Maccus, zagen aller oogen hun toe. En riepen stemmen:—Cecilius! Cecilianus!! Kom hier!Het waren de matrozen van Ostia, het waren de slagers, warmoeziers, ooftverkoopers van het Velabrum, het waren de Gallen, het waren Taurus en zijn meiden, het waren de vollers en de soldaten. Het waren niet de voornamere winkeliers van den Vicus Tuscus; het was niet Tryfo, de boekhandelaar: die waren allen te deftig om den twee komediantjes plaats in te schikken. Maar van héel hoog bulderden degladiatoren:—Jòngens! Kom hier! Cecilius! Cecilianus!!Carpoforus en Colosseros bulderden het zoo overheerschend, dat zelfs de Keizer omzag. Zijn nar eveneens. Zij keken naar boven, terwijl de jongens op den roep dergladiatorenwuifden en de trappen vlug op klauterden. En de Keizer wees Plinius en Verginius Rufus, met wie hij sprak, zeker Carpoforus, dien hij herkende, en die zijn geliefde zwaardvechter was.De jongens bereikten de hoogste omgang. Het was er vol, vol. En het was er warm. Het was er als een roode oven zoo vlak onder het roode, brandendevelarium.... En er was geen plaats. Al degladiatorenvan het Colosseum, al de wagenmenners van het Circus Maximus, met tal van soldaten hadden zich daar opgeschoten en allen waren als met rooden gloed overgoten.—Kom dan maar weêr op mijn knie, zei Colosseros tot Cecilius.—Zit jij maar hier boven, zei Carpoforus tot Cecilianus.En de Jager pakte zijn korten mantel te samen als tot een kussen en deed Cecilianus daarop, op depræcinctio, zitten boven zijn hoofd; hij trok Cecilianus’ ranke beenen over zijn zwareschouders. De jongen lachte; hij zat kleintjes, als op een groot paard, op Carpoforus’ breeden nek; hij hoste speelsch als een kind op en neêr, zijn handen aan Carpoforus’ ooren, deed hij of hij mende.—Zit je goed?—Ik zit heel goed, Jager. Zit jij goed, broêrtje?Cecilius zat goed. Plots riepen ze te gelijker tijd:—Maar ze spelen een parodie op òns....!In der daad, Pappus en Maccus, voór hetsiparium, speelden een parodie op deBacchides. Het was de traditie: deatellanavertoonde zeer vaak de parodie op de vooraf gegane „statarische”palliata. De jongens hadden er dol pleizier om. Pappus en Maccus deden kluchtig Cecilius na en Cecilianus: zij liepen met densoccus-tred; zij droegen dunne, hooge pruiken; zij zongen met valsche falsetten; zij mimeerden hun bevalligheid na; de jongens schaterden van het lachen! Af van de planken,soccusuit, waren zij weêr kinderen, hadden zij pret, hoste Cecilius op Colosseros’ knie, reed Cecilianus, schaterlachende, paardje op den massieven nek van Carpoforus, die zijn vuisten om de enkels van den jongen sloeg.Hetaulariumòp. Applaus. Broeiende warmte; boven hetvelariumrolde de donder.... De toeschouwers snakten naar adem.—Wàter! Watèr!!.... Er stroomden de waterstralen, ontspoten de geuren daar ginds. De jongens snoven de geuren op. Lèkker vonden ze dat!—Wat ben je nog blàuw! zei Colosseros tot Cecilius; om je oogen!—Thymele heeft ons ook zoo gehaast, mopperde Cecilius.—Ja.... heeft ons vreéslijk gehaast.... mopperde Cecilianus. Omdat Gymnazium haar kappen moest....Colosseros maakte zijn vinger goed nat met spog en veegdeer meê om Cecilius’ oogen. Carpoforus schepte water uit het gootje aan zijn voet en waschte Cecilianus. Als zoete kinderen lieten de komediantjes zich poetsen. De fluiten snerpten. Neêr hetaularium. Heftig applaus. De patriciërs zetten zich weêr.Eindeloos duurde, volgens de traditie, de voorstelling, sleepte zich voort met deatellanæ, die elkander volgden. In het publiek zuchtten zij op, bewogen zich te vergeefs om te verademen, puften. Het was heerlijk komedianten te zien, maar het was wel stikwarm, zoo broeiend.... Het was nu tegen het negende uur. Weg mocht niemand, nu de Keizer er was. Weg wilde ook niemand. „De Koffer” toch zien, met Latinus! „De Koffer”.... Ja, „De Koffer”! Goden, het was niet meer om uit te houden! Al was de Keizer er, al was er het Hof, kwinkslagen sloegen toch links en rechts, als vogels, die de vleugels uitslaan in een kooi. Het mocht wel, binnen zekere grenzen. Het was toch een volksfeest?! Er werd wel wat geduld. Tijdens depalliatawas het publiek aandachtig geweest. Nu was het toch echt om te lachen, pret te hebben. „De Koffer”: het mimusspel van Publilius: overspel-tafereelen! Thymele verborg haar minnaar, die Latinus was, in een koffer. Destupidus—hij heette Corinthus—was de bedrogen echtgenoot. Hoe ze om hem lachten: Thymele dànste; hoe ze danste op, om, tegen den koffer aan! Latinus dook uit den koffer weêr, sprong omhoog.... De jongens vonden het dòl. Ze vermaakten zich als kinderen; zij, die zelve de talentvollecomœdiwaren, die speelden, zongen, dansten de Bacchides. Degladiatorenbulderden om de moppen van Latinus. Nilus schaterde. De heele zaal schaterde....Het werd heel donker.... Hoe donker werd het! En het broeide, het broeide, in den nu donkerrooden oven.—Lùcht! riep een mannestem, naast een bezwijmende vrouw.—Lucht! Lucht! Lucht!! riep het van alle kanten.Een geknars. Een geruisch. Hetvelariumrolde open, naar descænatoe....—A-a-a-ah! juichten degladiatoren, ruim ademend.De beelden, die het Theater omkransten, verzichtbaarden in hunne verstarring. Maar de lucht was zwaar zwartgrauw met wolkgevaarte bedekt. Enkele droppelen vielen.—O-o-oh! klonk het teleurgesteld in decavea, omdat het te regenen begon.Hetvelariumbleef ongeveer half het Theater beschutten, ten gerieve van het Hof en de Aanzienlijken. Het was pauze. Oogen keken angstig naar boven, naar de donkere, donkere lucht. Maar ze zouden „Laureolus” zien, „Laureolus”, waar ze meê dweepten.—Met Lentulus! Met Lentulus! juichten Cecilius en Cecilianus.—„Laureolus”!! eischte decavea, hoewel tusschenspel nog voor hetsipariumvertoond werd.Het werd eén kreet:—„Laureolus”!!!Boven het Theater rommelde het onweêr. Scheen het af te drijven. De ondergaande zon brak de wolken door, scheen, schuin, rossig, langs de beeldenrij, die het Theater bekroonde, op het tooneel. Hetsipariumschoof links en rechts open.—A-a-ah! juichte het publiek.Het was het grootemimus-spel: „Laureolus”, het meest geliefde. Allen, die daar zaten, spitsten zich, om te zien. Want het was het grootsche kijkspel. Het was „Laureolus”, de zeeroover, de dief en Lentulus speelde hem! Kijk toch: het was een storm en het rooverschip van Laureolus leed schipbreuk. De muziek der fluiten raasde: de fluitspelers, rechts en links, bliezen zich, tot bèrstens toe, den adem uit achter hetcapistrum.... Hun aderen stonden aan de slapen gezwollen. De geesten van den storm dansten in de lucht, over de golven. Het schip verging, maarLaureolus redde zich. Hij redde zich uit alle verwikkelingen en toevallige moeilijkheden, opgestapeld in hetmimus-drama. Hij redde zich, gepakt, uit de handen zijner cipiers door een ontzettenden sprong van heel boven een toren af, van heel boven uit het af dak van hetproscænium....—O-o-o-oh! bewonderden degladiatoren, de soldaten, heel decavea..... Met een dubbelen doodensprong kwam hij op hetproscæniumte recht.... Hij spuwde bloed,—het was bloèd—hij spuwde stralen bloed. Al destupidi—de clowns, de narren,—sprongen hem, maar van véel lager verhevenheden, moeilijk na, spuwden bloed, met roode fonteinstralen, die elkander kruisten! Het tooneel was bespat en besprenkeld met bloed. Laureolus, tusschen de sprongen derstupidi, vluchtte. De tooneelschermen veranderden telkens: stelden voor een paleis, een gouden grot, waar Laureolus zijn geroofde schatten verbergt; Mercurius daalde neêr in een wolkmachine: er was een feest, er volgde een gevecht van zeeroovers en herders. De meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen volgden elkaâr eindeloos, eindeloos op, terwijl de wolken weêr donkerden en, rood door de zwoelte, daalde de zon.In decaveawas het publiek in de uiterste spanning, om Laureolus. Hij werd gepakt; ja, hij werd weêr gepakt: de dief, de moordenaar, de misdadiger! Er was een proces, en de rechters waren destupidien alles in het geding was kluchtig—de rechters deden acrobaten-sprongen—en Laureolus werd veroordeeld en kluchtigde omdat hij veroordeeld werd....Plotseling sloeg een heftige bliksemflits boven het Theater uit in de lucht. Het donderde dadelijk na. De regen kletterde neêr.—O-o-oh! protesteerde het volk.In het rechtsche Tribunaal was Domitianus opgerezen, bang. Er was een tumult van vertrek, een gedrang van paleis-officierenencubiculariïom den Keizer heen. Commando weêrklonk: de Prætorianen, schild en speer kletterend, marcheerden de trappenvlucht af om zich buiten te scharen om den keizerlijken draagstoel.Het was als een sein. Velen vertrokken, haastten zich, uit deorchestra, de ridderbanken. De Keizerin vertrok. Het was zeer donker geworden en de regen kletste neêr....Op het tooneel ging de voorstelling door. En decaveatrotseerde den regen. Zij wilden Laureolus zien kruisigen.—Ik word zoo nat! klaagde Cecilianus, als een bedorven jongentje.—Kom hier, zei Carpoforus.Hij tilde den knaap neêr, zette hem als een kind tusschen zijn knieën, wikkelde hem bijna vaderlijk in zijn eigen kort manteltje. Colosseros en Cecilius zaten al in een mantel gedoken. Allen haalden onder zich hunne mantels uit. Het weêrlichtte en de donder rolde....—Ben je zoo goed? vroeg Carpoforus teeder aan Cecilianus.De knaap knikte tevreden.Het tooneel veranderde. Het kruis werd zichtbaar, een T gelijk. Door het onweêr heen snerpten de fluiten. Deorchestrastroomde leêg. In het Theater hoorde men van buiten het verwarde geschreeuw om de draagstoelen, het tumult der duizenden. Daar werd Laureolus door de beulen op hetproscæniumgesleept.—Wòrdt hij gekruisigd?? riepen zij hier, daar, in decavea.Het was immers altijd een pop, die gekruisigd werd! Maar deze man, die zich verweerde, tusschen de vuisten van zijn beulen, was dat niet de beroemdearchimimusLentulus??—Ja, ja, hij is het! riepen zij hier. Het is Lentulus!—Neèn!! Hij is het niet! Hij is het niet! riepen zij daar.—Hij is het niet! riep Nilus, overtuigd, scherp toe ziende.—Hij is het nièt!! riepen degladiatoren.Allen zagen ademloos toe. Zij zagen.... dat het niet Lentuluswas. En boven het Theater donderde het en de stortregen stroomde neêr uit een grauwe lucht.—Bij alle goden! riep Nilus. Weet je wie het is? Het is die weggeloopen slaaf, die met dien dief zoo dikwijls in mijn taveerne kwam!Maar van beneden, uit decavea, ruischte het plotse gerucht, stemmedruischend naar omhoog.—Het is een weggeloopen slaaf! Hij wordt in de plaats van Lentulus gekruisigd als Laureolus! Hij wordt gekruisigd! Het is de moordenaar van Nigrina!!—O-o-o-oh! ruischte het, met den regen, door de toeschouwers heen.Hetvelariumwas geheel wèg gerold. De regen stroòmde. Maar duizenden nog, in een verwarring, zagen naar de vreeslijke verrassing, die Domitianus bevolen had. De weggeloopen slaaf, die gedacht werd de moordenaar van Nigrina te zijn, werd voort gesleept door werkelijke beulen. Het décor stelde nu een somber heuvelig landschap voor, waarin de T van het kruis zich verhief, overstriemd voor des toeschouwers oogen door de straffe regenstralen, die stroomden in decavea, hoewel niet op hetproscænium, dat afdak beschutte. Allen waren opgestaan, zagen ademloos toe....—Zal het dìt zijn, riep Quintilianus, alle voorzichtigheid en mogelijkheid van verklikkers vergetende; waartoe de Grieksch begonnen voorstelling verloopt!—Grieksch is de mode, spotte bitterlijk Juvenalis; zoo lang Latijnsche bloedlust niet spreekt!—Laat ons gaàn! drong Plinius.—Ja, laat ons gaan, vrienden! smeekte bijna de oude Verginius Rufus.—De Keizer zèlve is gegaan en ziet deze afschuwelijkheid niet aan!! riep Tacitus.—Ik hoor hier, zei Frontinus; van deze Senatoren, dat een beer den ongelukkige aan het kruis zal verslinden!—Het einde van „Laureolus”! spotte verontwaardigd Suetonius.—Gaat, vrienden, zei Martialis. Ik blijf.—Blijft ge?? riepen zij allen.—Ik blijf, zei Martialis ernstig. Dit ismijntijd. Dien wil ik zien. Ik wil mijn tijd toeschouwen om hem te kennen....—Ga meê! drongen zij.—Gaat! Ik begrijp, dat gij allen gaat. Ik, ik blijf.... Ik wil dit zien. Dit is mijn tijd.—Onze tijd, zei Tacitus somber; dien ik eenmaal zal boèken, opdat het nageslacht weten zal!—Ja, riep Juvenalis. Dit is onze tijd, dienikeenmaal zal geeselen!!—Ik, zei Martialis; niet anders dan tòch bezingen, omdat ik niet meer dan dichter ben. Verontschuldigt mij, vrienden en gaat. Gij zijt meer dan ik en ik begrijp, dat gij niet blijven wilt.Hij drong ze zelve zacht weg. Hij was zeer bleek. Hij zag toe.—O-o-oh! kreunde het door de menigte.Het kruis werd uit hetproscæniumgelicht en neêr gelegd. De fluitmuziek, door den regen heen, krijschte....En de slaaf schreeuwde, maar een prop werd hem geduwd in zijn mond....Toen werd hij gelegd op het kruis, de armen wijd.... De hamers der beulen klonken op de groote spijkers, die zijn handen doorboorden....—O-o-oh! kreunde het overal.De voeten van den slaaf hadden een wanhopigen ruk. Te vergeefs. De beulen grepen zijn voeten en knelden ze vast....—O-o-oh! kreunde het steeds, als in weêrzin, door het Theater, door de staande, als bezeten starende toeschouwers heen. Deregen stroomde recht neêr uit de zwarte en grauwe lucht. De donder rolde. Het weêrlichtte telkens....—A-a-ah!! riep de menigte.Het kruis richtte zich op in de knuisten der beulen. Rondom gebaardenmimen, kluchtig, juichten allen, die „Laureolus” had bestolen, verrezen de schimmen van wie hij vermoord had. Fluitgesnerp door regengeruisch.... Toen hing de gekruisigde, tegen het theaterlandschap, overstriemd zichtbaar door werkelijke regenstralen....—O-o-o-oh!En het bròmde....—De beer! De beer!! riepen zij.Het gerucht, dat de beer den misdadiger verslinden zoû aan het kruis, was overal in decaveanu door gedrongen....—Proces duurt in Rome làng, grinnikte Taurus tot de Alexandrijnsche. Maar een moordenaar wordt er gekruisigd binnen twee dagen....—Maar ze zeggen, riepen de matrozen uit Ostia; dat hij niet de moordenaar is!—Wie dan? Wie dan? werd geroepen.—Een dief, die mèt hem was.... meende de slavenkoopman.—De dief? Neen, deze slaaf hier!! was de voller bijna zeker.—Neen, de dièf!!! schrilden de Gallen.—Dus hij....? riep het uit de slagers en warmoeziers.—.... zoû onschuldig zijn....?? klonk het overal.—.... Sst! De verklikkers.... fluisterde het.—De verklikkers! De verklikkers....!Allen zwegen. Allen zagen toe.... Duidelijk bromde de beer achter de schermen, waar hij aangehitst werd door debestiariï. Plotseling waggelde hij te voorschijn....—A-à-ah! kreten de vrouwen....Zij waren bang, dat de beer in deorchestrazoû springen....Leêg was deorchestragevloeid; ter zijde slechts, op depræcinctiones, stonden in den regen silhouetten in witte toga’s, te kijken. Voor de eerste ridderbanken stond Martialis.De beer keek, kop schuddend, decaveain. Hij bromde. Achter de schermen hitsten debestiariï, die hem aan een ketting hielden, aan. Zij trokken hem dichter bij het kruis.—O-o-oh! kreunde het door het Theater.De beer snoof het bloed, dat tappelde van de voeten en handen van den gekruisigde. En met een razenden sprong wierp hij zich, staande plots, reusàchtig, op het slachtoffer. Zijn klauwen sloegen in de naakte borst: hij rukte en zijn muil spalkte zich over de bloedende vormenloosheid, die daar hing als een druipende, roode, lillende lap....Cecilianus, nieuwsgierig, oogen gesperd, had zich los gemaakt uit de armen van Carpoforus, uit diens mantel. Hij was op gerezen, hij stond te kijken.... Toen sloeg hij de armen op....—A-àh!! snerpte de radelooze gil van den knaap. Zijn armen bewogen in de lucht, en hij viel flauw.—Mijn broêrtje!! kreet Cecilius.Allen drongen weg, de laatsten uit de ridderbanken, het volk uit decavea.... Ook de soldaten, de matrozen, degladiatoren....—Mijn broêrtje! huilde Cecilius.Carpoforus tilde den bezwijmden knaap op; het blonde hoofd viel op den massieven schouder van den Jager.—Zal je hem dragen, Carpoforus? snikte, smeekte Cecilius.De Jager knikte. Allen daalden de trappen af, sprongen van omgang op omgang. Alles stroomde in den stroomenden regen het Theater uit. De Jager met zijn last—pluimelicht woog de knaap hem in zijn arm, over zijn schouder—volgde zijn makkers. Colosseros troostte Cecilius.—Kom meê, zeide hij. Kom meê.... Niet huilen, Cecilius: Carpoforus zorgt wel voor Cecilianus....De Jager, langzaam, daalde.... Daar ginds, vergaten, in de ontzetting, de tooneelknechten hetaulariumte doen rijzen....Zichtbaar bleef, in de doorregende schemering—de beer weg getrokken door debestiariï—de vage T van het kruis, zich af teekenen met de lillende, roode lappen van vleesch.... De Jager zag er naar om, terwijl hij daalde, het kind in de armen, trede na trede; omgang daalde hij na omgang; telkens, als kon hij zijn blik niet àf wenden, zag hij naar de verschrikkelijkheid. Gluurden zijn oogen—die van een lief, groot, sterk beest—er angstiglijk heen. Gluurde hij schuiner, angstiger.... Drukte hij dichter tegen zich het bezwijmde knapelijf en glúurde hij....—Zoo.... dacht hij; eindig ik óok eens....Op de laagstepræcinctio, bij de poort, die hij uit zoû gaan, wierp hij zijn laatsten blik.—Zoo, dacht hij weêr; eindig ik ook.... Morgen.... Of overmorgen....In het geheel leêge, overregende Theater, in de stralen-doorstriemde schemering, die de tragische lucht neder sloeg, stond nòg, geheel alleen, Martialis te staren op het einde van „Laureolus”....
—Het is alles in orde,dominus, verzekerden dechoragi.In decaveaweêrklonk ongeduldig gestamp van zware schoenen en lichtere sandalen.—Vooruit dan maar, zei dedominus. Mijn komedianten zullen wel klaar zijn....In decaveastampten zij, stampten zij heviger. Toen hieldende fonteintjes van geur op te spuiten hun sprenkelstraaltjes; het water vloeide niet meer.—O-o-o-h! juichte het volk, omdat het nu zoû beginnen.Want hetaulariumdaalde, rolde op naar beneden. Maar hetsipariumbleef nog toe geschoven. En de Prologus, op den voorgrond, reed te voorschijn, als Silenus op een ezel. Hij was de tweedesenexvan den troep, op den ezel van Nilus.—Zie je, zei Nilus triumfeerend en wees dengladiatoren. Het ismijnezel, waarop ik naar de markt ga!!—Wij hadden best ònzen ezel kunnen verhuren, mompelden de bedel-Gallen ontevreden, nijdig. Onze ezel is ten minste een ezel van de Moeder der Goden.... En dus geschìkter voor de Megalezische Spelen.... Er ìs geen gerechtigheid meer in de wereld!De tweede-senexreed voor. Hij had, als Silenus, een rijk kostuum van violetten mantel over amethystkleurige tuniek; zijn buik plooide zwaar te voorschijn; hij droeg den maskerkop van een ouden gluimigen sater, met druivetrossen en ranken, en ook ranken vertuitten den ezel, die rijk was getuigd; druivetrossen hingen hem langs zijn ooren. Hij balkte niet meer, maar de beer onder de planken maakte hem zenuwachtig en hij zweepte ontevreden met den staart.Kinderlijke pret om ezel en Silenus had decavea; er was een gedruisch van stemmen, terwijl wat de Prologus galmde, uitstekend van pas kwam:Verwonderd zoû ik zijn zoo in hun zetelsAl wie daar zit mij niet belachlijk vond,Niet praatte en proestte en poefte en hoestte en mijDoor eindeloos gemompel ’t niet heel moeilijkZoû maken.... Heeft beroemdemimus-spelerOf jong blankvellig komediantje nietAl moeite zich op deze planken teHandhaven....? Hoe zal ik dan, oude heerOp m’n ezel, u een óogenblik maar boeien....!En terwijl de Prologus voort ging stilte te vragen en te verklaren wat het onderwerp van het op te voeren blijspel was, traden langs de zuilen, links en rechts, uit de fluitspelers, rechts drie met dubbelfluiten, hooge; drie links met lage dubbelfluiten.En zij zetten zich, geheel voor op hetproscænium, op lage schabellen en begeleidden komiesch met lange, weeke uithalen en getremoleer de woorden van den Prologus.—Het is, zeide Quintilianus ontevreden tot Plinius; die wulpsche muziek, die onzen tijd ontzenuwt. Hoor, het is als kattengekrijsch!—Ge waardeert toch muziek, beste vriend, zei naast hem Verginius Rufus.—Ge hebt ons zelfs geleerd, zei Plinius ter andere zijde van den grijsaard; dat Caïus Gracchus, de grootste redenaar van zijn tijd, bij zijn redevoeringen zich door een fluitist liet begeleiden, die hem op zijntonarion-fluit den toon aangaf.—Wij hebben tegenwoordig, zei Quintilianus; geentonarionmeer maarpsaltherionenspadixen dan die Lydische fluiten daar, wier klanken verweeken wat er nog mannelijk in ons Romeinen gebleven is....Achter hen, op de ridderbank, fluisterde Martialis tot Suetonius:—Hij is geleerd en braaf, onze Quintilianus. Maar hij heeft een groote fout....En die is? vroeg Suetonius.—Hij is niet modern. Dit is moderne muziek. Datiswulpsch, wellustig, verdòrven als je het zoo noemen wilt. Dit hysterische kattegemiauw van die hooge, hooge rechterfluiten preludeeren wat ons de Bacchides geven gaan: Cecilius en Cecilianus.Ikhoor mijn tijd weêrspiegeld in die muziek, die snerpt. Caïus Gracchus is reeds lang dood....En hij zag naar Suetonius, schuin, wat de jonge man dacht....—Een droge ziel, dacht Martialis. Jong, maar droog en hij daar voor mij, wijs, maar ouderwetsch....Hij zag verder naast zich en dacht:—Tacitus, de melancholie, Juvenalis, de verbitterdheid om hun tijd.... Verginius Rufus, de antieke Romeinsche voornaamheid....Frontinus, de brave soldaat met verborgen dichterziel.... Plinius, Plinius is wien ik bemin en bewonder.... Hij begrijpt alles, hij verontschuldigt àlles bijna, en hij zelve is zoo hoog en eenvoudig en rein.... O, beminnelijkste ziel!.... En ik.... De onverbeterlijke levensgenieter....! Waarom niet?Op hetproscæniumweek hetsipariumopen, rechts en links: de Atheensche straat verzichtbaarde....—Hoor....! dacht Martialis. De weeke, wulpsche, weelderige fluitmuziek gièrt omhoog.... Ik hoû van dat krijschen, die schrille steeds hoogere snerpingen.... Quintilianus, Quintilianus, dàt zijn de accoorden van onzen tijd! O, het is goed jong te zijn, niet te betreuren wat het Verleden ook goeds bood, maar te leven, zelfs onze vervallenheid: te leven het oogenblik, te plukken den dag!Carpere diem!! Bravo, bravo, de knappe knaapjes!En zijn laatste woord juichte hij luid. Want de Prologus op zijn ezel, wijzende, toonde de beide Bacchides, die verschenen. Er ging een bewonderend gemompel door heel het Theater.—O-o-o-oh! mompelde goedkeurend decavea. Wat zijn ze mooi! En de een is net als de ander!Maar de Prologus riep:’t Is Bacchus, die de Bàcchides u zendt;Bacchanten, die haar Bacchanaliën dansen....Het zijn twee zusters; Samische Bacchanten,Hetære van Athene, de eene; tweeling-Zustren gelijken zij elkander als tweeDroppelen water, dropplen witte melk!Haar oudrenpaar, gewijd in BacchischeMysteriën, noemden beiden Bacchis; BacchisIs de eene, de Atheensche; Bacchis ookIs de andere, die komt van de reize....— — — — — — — — — — —En zelfs op de ridderbanken, in deorchestra, in het Tribunaal was een ontroering van bewondering. De Atheensche Bacchis trad uit haar huis met hare slavinnen en verwelkomde hare zuster Bacchis, die van de reize kwam, en wie ook slavinnen omringden. De slavinnen waren vrouwen maar de twee hetæren waren Cecilius en Cecilianus. Zij waren beiden geheel en al aan elkander gelijk, behalve dat Cecilianus, om te doen uitkomen, dat hij (zij) van de reize kwam, een dunne sluier geheel omhulde, dien hij af wierp in de handen der slavinnen voor hij (zij) zijne (hare) zuster omhelsde. Gekapt met de torenvormige, blonde pruiken, hunne eigene blonde krullen krullende onder den haarband links en rechts, de gouden rozen breed aan de slapen, waren hunne gezichten geschilderd naar de antieke maskers van Plinius met bizondere kunst: de grime geleek op een masker maar bleef toch een menschelijk gelaat om het gespeel der trekken, den lach om de oogen en mond. Groot waren de oogen, zwemmende in het zwart en het blauw onder de opgelegde, verlengende brauwen; blank en roosrood waren de wangen en de mond was met verhoogd aangetinte bovenlip toch verlengd, zoodat het type van den maskermuil was bewaard en de beide frissche jongensgezichten herschapen waren tot de even exotische, vreemd pervers ontroerende aangezichten van Cypersche beeldhouwkunst—aangetinte blanke kalksteen—kunst uit archaïschen tijd. Dat archaïsche kwam ook nog uit door het breede en hooge maar platte van hunne achterkapsels, waardoor het scheen, dat geheel hun maskergelaat ook platter werd; dat archaïsche kwam ook uit door hunne kleeding. Zij droegen beiden de zelfde peplos van ragfijn geplooid geel gaas—geel was de traditioneele kleur op de planken voor hetæren en symbolizeerde haar goùdzucht—; de peplos was kort, tot de knieën, liet hun efebe-beenen bloot, de vier punten vielen zeer lang ter zijde met lange, gouden franje en kwasten, maar het ondergewaad van geel, met schelle gouden rozen doorweven, scheen er schitterend bij iedere beweging door heen en hetgeheele gewaad herinnerde om het nauwsluitende en dun plooierige aan de archaïsche Helleensche sculptuur. De beide jongens schoeide desoccus: de komedie-schoen, in onderscheid met decothurnusof tragedie-laars, iets lager van zool en hak, maar toch vrij hoog van hak en zool hen boven de planken heffend. En omdat Cecilius en Cecilianus geboren komedianten waren, gevoelden zij zich, zoodra hen desoccusschoeide, niet meer wie zij waren, maar wel wie zij voor moesten stellen. Gekapt, gekleed konden zij nog als bengels doen achter descæna; geschoeid met densoccuswerden zij plotselingcomœdi, tooneelspelers, artiesten, waren zij Grieksche hetæren, waren zij de beide Bacchides. Liepen zij nu ook op elkander toe met den tooneelpas, dien desoccuseischte, niet zoo wijd als de tragici loopen, maar wijder en rhythmischer dan wie ook loopt in het gewone leven. Gebaarden zij op de òpkrijschende, nerveuze snerpingen der Lydische fluitmuziek, hunne vreugde elkander te zien, omhelsden zij elkander....—„Mijne zuster!”—„Mijne zuster!”En dansten te zamen.Hun kreet had hel zuiver het Theater door geklonken. Wat maalden zij nú nog om den beer, die onder hun voeten in het gewelf bromde! Zij dachten om niets dan om hun dans. Zij zongen al dansend, eenstemmig, hun blijdschap. Hun maskermonden openden zich tuitende toe naar het verste en hoogste punt: naar degladiatoren. Zij herkenden ze, maar wat gaf het hun wie daar zàt! Wie in deorchestra, wie in het Tribunaal! Zij zongen, zij dansten, terwijl de Prologus weg reed op zijn ezel.En waren hunne aangezichten en kleeding archaïesch, vooral archaïesch herschiepen zij zich door hun rhythmiesch afgemeten beweeg. Op den gelijkmatig wijdensoccus-tred, die hun nauwe gewaad verwijdde, het gazen geplooi telkens uit waaierde, met de houdingen hunner schrale efebe-armen, die bogen rechthoekig deellebogen en uitspreidden de bejuweelde vingers met opgezette, héel-lange nagels, als vreemde vlinders of vogelvlerken, bezielden zij hunne uiterlijkheid tot een levend archaïesch beeld, dat wel af stak in het nieuw-Grieksche décor en vooral in dit modern Latijnsche Theater, maar dat, zag de toeschouwer alleen naar hen, hem ontroerde als een uiting van verfijndste en toch zuiver geblevene kunst. Zij dansten, reciteerden, bewogen, zongen....—A-a-a-ah! bewonderden degladiatoren, de soldaten, de meiden, de Gallen, de matrozen, de kooplui.—Dat zijn de tweelingen van Crispina, fluisterde Fabulla, die hen pràchtig vond, tot Domitilla en de Virgo Maxima....—Zijn dàt je jongens? fluisterde bewonderend Domitia tot Crispina.De moeder van Cecilius en Cecilianus wendde het gloeiend gelaat naar de Keizerin.—Ja, Augusta, bekende zij, de oogen neêr geslagen; toen glimlachend, ze op slaande naar de vraagster....—Quintilianus.... vroeg Plinius bijna schalk; hoe vindt ge nú onze Hero en Leandros?—Ze zijn hoogst bevallig en buitengewoon kunstvol, zei Quintilianus; maar ik geef de voorkeur aan het fijne fluitspel van Zozimus op de ongelijke twee pijpen, boven dit snerpen op zoo veel gelijke fluiten, dat overdreven wordt....—Het is prachtig! boog Martialis zich naar hen toe. Ze zijn archaïesch en hun kunst is toch modern, omdat zij zoeken de nieuwe emoties in het oude! Zij beelden geheel en al onze eeuw uit, die moê is van alles en zichzelf en zoekt, zoekt, zoekt, zelfs in ons Verleden! Zij zijn kunstenaars, die jongens, zoo als ik er nooit heb gezien en ze weten misschien zelf niet, dat ze het zoo zijn....—Wat mooi van hen is, waardeerde Quintilianus; is, dat zijstatarieschblijven, terwijl zij in Hero en Leandros geheel en almotorieschwaren. Zij zijn telkens zoo als zij moèten zijn.—Eischt Plautus’ komedie nooit anders danstatarieschspel? vroeg Juvenalis.—Zulke gematigde karakterspelen, zei Quintilianus; zijn meerstatariesch: bedáard, hoewel komiesch, altijd hóog-komiesch en nooitmotoriesch: fèl bewogen. Toen zij Hero en Leandros mimeerden, deden zij het mooimotoriesch—hartstochtelijk—zoo als het moest. Als zij ditmotorieschdeden, zoû het een klucht worden, niet waar. Die jongens hebben veel maat en rhythme in hun spel en voelen zuiver hoe ver zij kunnen gaan.—Maar dit begin is niet in Plautus aangegeven en werd nooit zoo in Plautus’ tijd gespeeld, critizeerde bescheiden de jonge Suetonius.—Wat doet er dàt toe? viel heftig Martialis in. Het modernizeert het eeuw-oude stuk.... Het verfrischt het! Het verjeugdigt het!Hij klapte heftig in de handen.Het Theater weêrdaverde van handengeklater en juichend geroep. De Atheensche Bacchis geleidde hare zuster in huis. De slavinnen volgden. Deadulescens, ongemaskerd, trad op, rijk gekleed in veelkleurig gewaad,—veelkleurig steeds was de jonge-rol gedost—en terwijl hij, ijdel, lonkte naar Fabulla, die hij herkende uit Nilus’ taveerne, sprak hij hoog uit, reciteerde hij van zijn liefde voor Bacchis, de Vreemdelinge.... die hij na gereisd was.... Terwijl de fluiten het melodrama aangaven in ondertoon.Fabulla was geslagen van bewondering.... en zóo, dat zij in hare illuzie wankelde. En niet dòrst meer hopen, dat zij ooit op deze planken een „vrouwerol” zoû spelen, al reciteerde zij, zong zij, danste zij. Terwijl deadulescensnaar haar lonkte, in zijn liefdesbetuig, smàchtte naar haar toe, dacht zij steeds aan Cecilius en Cecilianus. Wat!? Die bengels, die bij Nilus op de andere knie van Colosseros óver haar hadden gehost en haar hadden tegen gesproken, waren zulke artiesten?! Zij begreep genoeg om te voelendat dit kunst was, kunst jaren lang, van kind af gevoeld en bestudeerd, kunst tot een volmaaktheid gebracht, die maar niet door een patricische zoo even na te bootsen zoû zijn. Hoe hadden zij niet zich gratievol en rhythmiesch bewogen, op de maat van de fluitmuziek, hadden zij niet gezègd en gezongen, klaar, duidelijk, hèl, overal in het Theater verstaanbaar.... In hun uitspraak was iets geweest, dat zij voelde nooit te zullen kunnen benaderen: de zeer letterkundige en daarbij theatrale uitspraak van het Latijn, die aan ieder woord zijn waarde gaf.... Zij voelde het alles zóo, dat zij op éenmaal bang werd voor eigen eerzucht en verlangen.... En zij begreep, dat de „vrouw” misschien voor dit theater niet geschikt was, en zij nooit het ideaal zoû kunnen bereiken, dat die lange,slank-heupigeknapen met hun schrale, slechts even vrouwelijke efebe-leden beter uitbeeldden. Dat vreemd aandoend perverse, dat „archaïsche”, dat hunne hiëratische gebaren zoo mooi hadden weêr gegeven, hunne geschoolde, uitgalmende stemmen zoo zuiver hadden zingend gezegd! Zij begreep, dat zij te klein was, te mollig, geen stem zoû hebben; zij begreep het alles in eens. In het tooneelspel moesten de vrouwerollen door knapen worden vervuld!.... Zij stelde zich voor, dat zij daar ginds, op de planken, een der Bacchides spelen zoû.... Maar zij zoû sidderen en rillen van angst voor die duizenden oogen: zij zoû.... zij zou belàchelijk zijn! Terwijl juist die jongens waren wat zij moesten zijn!Het was haar in haar reeds zorgvolle stemming om den moord op Nigrina, waarvan men verdacht, dat zij zoû weten, zoo een bittere teleurstelling, dat zij zich achter de andere vrouwen boog naar Crispina en haar bijna hard-op, met een hatelijken, nijdigen grijns vroeg:—Crispina....! Ben je tevreden.... over je tweelingen??Deadulescenssmachtte van liefde. Deexostradraaide. Het weelderige huis van de Atheensche Bacchis verzichtbaarde in pracht van scharlaken gordijnen, pauwebed, verguldvaatwerk, rozenkransen, die deædilenaan de scænische uitmonstering hadden verspild. Tusschen die weelde zaten de Bacchides, de zuster-hetæren; door de opene deur zagen zij denadulescens, wezen zij, fluisterden zij met elkaâr....—O-oh! juichte decavea. Zoo was het goed! Die pracht, dat was zoo als het behoorde! Die hoog gehakte, geel gedoste, „goudzuchtige”meretricesin die overdreven, theater-traditioneele weelde te zien vóor draaien op deexostra, terwijl wulpscher, rechts, de fluiten hooger en hooger stegen in melodie, en rommelender links begeleidden, en de „adulescens” zijn stem in recitatief verhief....—Bromt daar een beer? vroeg Domitia.—Neen, het zijn de linkerfluiten, meende de Virgo Maxima. .... dàt was mooi en zóo kon je nog een stuk van Plautus, een hoogerepalliatazien! De intrigue was bijzaak; de ornamentatie was het voornaamste!Decaveadonderde los van applaus en nièt om den „adulescens”: alleen om de twee weelderige Bacchides, te voorschijn draaiend op de beweegbareexostra....Cecilius, Cecilianus rezen van het pauwe-bed, waar zij elkander in zusterlijke omhelzing hielden omvat: Cecilius, de Atheensche, begon:—Zou ’t niet, o zuster, ’t beste zijn, zoo ik,Tèrwijl gij zweegt, sprak met dien jongeling daar?—Doe dat, mijn liefste....viel in Cecilianus....In het rood gezeefde licht, dat oranje en purper van onwerkelijke weelde maakte al het scharlaken en verguld om hen heen—purper de gordijnen, oranje de gewaden, oranje vooral hun goed-gestuivelde pruiken, vreemd onwaar van purperblos hun als masker geschilderde gezichten—bleven zijstatariesch: kalm, glimlachend, schàlk, ondeugend, pervers sierlijk maar ónbewogenomdat dit immers de rustigepalliatawas, het hoogere blijspel, dat nooit kluchtig mocht worden, dat luchtig Plautiesch moest blijven.... het realisme der komedie alleen veridealizeerd door dat fijne spel, dat zangerig fluit-gesteunde zeggen, die wonderpracht vanchoragium.Buiten, onverwachts, weêrklaterden fanfaren. Het was of een bliksemende schok het Theater door voer. Iedereen stond op: de minste straatjongen tot de Keizerin toe. In ijl schoten tooneelknechten toe met brandende lonten, ontstaken den wierook in de vazen vóor het rechtsche Tribunaal. Hetaulariumrolde haastig op. In de keizerlijke loge verschenen paleis-officieren, schaarden zich, spere- en schilde-kletterend op de trappenvlucht, de Prætorianen.Domitianus verscheen.—Ave Caezar-Imperator! galmde het luid, schel, hoog, diep, bassig weêrechoënd tegen de wanden.De patricische stemmen, de plebeïsche stemmen, van af de Consuls tot de straatjongens, riepen den galmenden groet; de waardige stemmen der Senatoren omlaag vermengden zich met die der oprecht juichendegladiatorenomhoog; die dercaveamet die der ridderbanken; die der mannen met die der vrouwen; en óver het Tribunaal, waar de Keizer verscheen, had hel uit weêrklonken de groet der Keizerin en harer vrouwen....Domitianus, langzaam, trad verder de loge in. Hij had een schuw nijdigen blik als of hij bang was en boos te gelijker tijd; bijziende, knepen zijn oogen dicht.... Hij was groot; voor zijn vijf-en-veertig jaren zag hij er oud en ziekelijk uit. Er was iets mistroostigs en lijdends in hem. Hij droeg een purperen toga en een gouden eiklof-krans om zijn bijna geheel kalen kruin. Zijn gezwollen lijf puilde onder het purper; zijn beenen stonden schraal. Hij was eenmaal welgemaakt en van mannelijke schoonheid geweest; hij scheen nu gesloopt, vervallen. Zijn lichaam was ziek en zijn ziel.Hij was in zich gek van angst, achterdocht, twijfel, berouw. Maar hij hield meestal zijn krankzinnigheid in zich geborgen, in het bijzijn van anderen. Hij was onverwachts gekomen in het Theater omdat hij dezen dag van feest te bang was geworden in het Palatium. Hij was zeer omringd, door zijn officieren,cubicularii, knapen. Een nar was aan zijn zijde, mismaakt en gebocheld. Toen Domitianus zich zette, met nauwelijks een aarzelenden hoofdknik naar wie hem toe gejuicht hadden, hurkte de nar, zonder kluchtigheid aan zijn voet en sprak héel ernstig met den Keizer. De nar grappigde niet; de Keizer, ook ernstig, antwoordde. Om hem heen zetten zich Saturius,decurio cubiculariorum—opperste der kamerlingen,—Parthenius, Sigurius en Crispinus, zijn gunsteling, en zijn lieveling: de knaap Earinus.... De wierook wolkte dik uit de schalen.In het Theater was iedereen weêr gezeten. Maar de vorige luchtige atmosfeer was versomberd. Het was stikwarm geworden naar mate de stovende zon steeg, door hetvelariumneêr zevende een onweêrsachtig broeienden lentegloed. Toen hetaulariumneêr gerold was, vertoonde het tooneel zich met denscæna-muur. Herhaalde zich wat reeds vertoond was. Rolde hetaulariumweêr op. Weêrklonken hier en daar, schuchter, kreten:—Water.... Water....Het water ruischte als een droppelengordijn de wanden, de trappen langs; de geuren ontspoten, ook voor het Tribunaal van den Keizer. Langzamerhand dorsten de toeschouwers weêr wellustig snuiven de frischte en den geur, te spuwen, te praten, zelfs te lachen. Een overmoedige jongen dorst dieren na doen: een hond, hij blafte; een schaap, hij blerde; een haan, hij kraaide: voor minder werd men gekruisigd! In het Tribunaal der Keizerin bleven de vrouwen ernstig staren. De Keizer praatte door met den nar....Achter hetaulariumhaastte dedominuszenuwachtig, woedend om de herhaling, dechoragien de knechten. Zoûhet begin van de Bacchides worden herhaald.Prologusop ezel reed voor, reciteerde; fluitspel snerpte; Cecilius en Cecilianus traden op als zij waren op getreden....De menigte, allen druk plotseling vergetende bij hun schitterende wederverschijning, barstte los in gerhythmeerd maar razend gejuich, in maat kletterend handengeklap en -geklater. De jongens dansten.... En het blijspel ontrolde geleidelijk. Het boeide. De Keizer bewoog niet meer. Als aandoeningloos zat hij te kijken, vroeg nu en dan, ernstig, iets aan zijn nar. Met de anderen sprak hij niet, zelfs niet met Crispinus. Nu en dan blikte hij onverwachts in het Theater, dook weêr terug in zijn purper, loenschte zijlings naar het schouwspel. Het scheen wel, dat hij belang ging stellen. De klassieke, hoogere komedie, depalliatawerd met de moderne opvatting, die dedominus, trots zijn liefde voor de antieke schrijvers onvermijdelijk achtte, in volmaaktheid gespeeld. Na het groote tooneel van de tweemeretricesen denadulescenswas weêr uitbùndig rhythmiesch gejuich. Syrus, die de rol van Chrysalus speelde, de listige slaaf, die het noodige geld altijd weêr voor zijn jongen meester weet te tooveren door handige intrigue en verwikkeling, wàs prachtig! Hij was heerlijk van drieste onbeschaamdheid: hij was de volijverigeservus currens, die, altijd haastig doende, intrigeert en het terrein behoudt, al bederft zijn verliefde jonge meester ook telkens alles. En dan desenex!! De eerste vooral, Nicobolus! O, die beide „grijsaards” met hun groote maskerkoppen, die grijnsden boos aan de eene zijde en gemoedelijker grappigden ter andere! Hoe de menigte om hen làchte als zij eerst den eenen, dan weêr den anderen kant van hun maskerkop draaiden naar het publiek. Geheel vergeten was het, dat Domitianus daar zat. Hij zat immers zoo rustig in zijn purper gedoken, te kijken.... Ja, hij keek: hij volgde die klassieke Plautus-intrigue, met die twee vaders, die, terwijl zij hunne zoons willen verlossen uit de strikken dier verleidelijke Bacchides, erzelve in vallen! O, het slot, als die „grijsaards”, terwijl te voorschijn draaide de schitterendeexostramet de rozenkransen en het pauwe-bed en de, met verguld vaatwerk beladen, citroenhouten tafel, door de tweemeretricesworden verlokt, verleid, beleerd, belachen, tot zij nooit meer hun zonen ièts zullen durven verwijten! Hoe zij speelden de beide „grijsaards”, de beide „jonge-rollen”, de beide „vrouwe-rollen” vooral! Hoe hij speelde, de „eerste-slave-rol”! De „paraziet”? Nu, die trad maar éven op: je merkte hem bijna niet.... Jammer, een „paraziet”, die een goede rol had, was altijd wel aardig. Maar deze „paraziet” had bijna geen rol.... Hij speelde ook slecht: hè, die „paraziet”!—Ik begrijp er àlles van! zei, verrast over zichzelf, Sila, de matrozenmeid, tot haar matroos.Het was ook niet moeilijk al was het zoo mooi. Het werd alles zoo regelmatig ontwikkeld. Het werd een weinig statig en in niet te snel tempo „statariesch” gezegd en gedanst en gerekt. Dedominus, tusschen de zuilen derscæna, lette nauwkeurig op, dat het tempo werd ingehouden. Nergens mocht het worden een klucht, zelfs niet als de „slaaf” hijgende, dravende op kwam.En toen het einde! O, het heerlijke eind! De beide Bacchides, op de òpgesnerpte fluitmuziek—kattegemiauw, vond Quintilianus!—dansten rond met de beide vaders harer minnaars, die kwamen kijken om een hoek.... Zij dansten op deexostra, op hetproscænium; zij dansten van huis uit op straat, van op straat weer in huis; zij omstrengelden de „grijsaards” met de rozenfestoenen, zij schonken hun de vergulde bekers in, uit de vergulde kannen....—Het zijn mijn jongens.... dacht Crispina, in een verrassing om zichzelve.Zij bewonderde ze, zij had ze lièf omdat ze zoo mooi waren! En ze vond het zoo vreemd, dat niemand in het Theater vermoedelijk wist, dàt het haar jongens waren, dan juist.... in ditTribunaal, de Keizerin en deze vrouwen! Het maakte haar àngstig en toch berustigde het haar ook weêr. Ach, er was nu niets te verbergen.... Toch.... Zoû Crispinus daar ginds den Keizer ook zoo ruw....? Zoû de Keizer dan verontschuldigen....? Hij verontschuldigde wel èrger dingen; hij strafte zwaar minder vergrijp dan tweelingen hebben van eenhistrioen die geschenk geven aan eendominus.... O, de lieve, mooie jongens, de schatten! De twee schàtten! Zij glimlachte ze bijna toe, trouwens iedereen glimlachte. En kijk!! De Keizer glimlachte!! Gedoken steeds, glimlachte hij! Wat waren ze dan ook gratieus, in dat bacchanaal der Bacchides! Telkens, als de „grijsaards” wankelden, dronken, tegen elkaâr, kustenzijde twee „minnaars” heimelijk en omdansten dàn weer de twee vaders. En de orgie eindigde, steeds rhythmiesch,statariesch, in nooit tè hevig tempo met den bacchischen dans van alle zes:meretrices, vaders, zonen....Toen barstte los hetclare adplaudere: het klinkend, klaterend applaus, waarom dedominus-gregiszelve, in rijk slepend gewaad, de Bacchides aan zijne zijde, en omringd door dengrex, vroeg, na kort slotwoord van moraal....En groetten zij hun theatergroet tot den Keizer, de Keizerin, het publiek en rolde hetaulariumòp, eerst hunnesoccus-voeten, ten laatste hunne hoofden veronzichtbarend....Overal in de zaal ontloken commentaren. Van af deorchestratot de hoogste omgang toe, was dezepalliatabuitengewoon in den smaak gevallen. De letterkundige groep om Verginius Rufus en Plinius waardeerde het weêr eens „Plautus te hebben gezien”, al was deze vorm dan ook zéer gemodernizeerd, om het vóorspel en naspel van dans en zang der twee „vrouwe-rollen”, om de nog modernere fluitmuziek ook, om al het modernechoragium: al die pracht, die Plautus zelve verbaasd zoû hebben doen staan. Maar decaveawaardeerde juist die pracht, ingeweven in de oude komedie; en dedelicati, de sierlijke jongeluimet de zómerringen reeds aan de vingers, in de ridderbanken, tusschen de matronen, de ontzenuwde patricische vrouwen, den kristallen koelbal tusschen de warme palmen bewegend, waardeerden, met Grieksche woorden nuffig emailleerend hunne waardeering, dat dit spel met Grièksche tint was vertoond, dat de twee Bacchides zelve zoo „Grieksch” waren geweest, omdat „Grieksch” toch eigenlijk voornaam was, de mode....Grieksch, zeker Grieksch. Maar de voorstelling, zoo Grieksch begonnen, met een gemodernizeerde en gegræcizeerde „Bacchides” voort gezet, zoû thans worden Latijnsch, zoo Latijnsch als het kon.Aulariumneêr, maarsipariumnog toe, was achter het tweede groote drukte en voorbereiding voor het eerstemimus-spel, terwijl, na korte pauze slechts, dat water vloeide en geur ontspoot, een tusschenspel op hetproscæniumplaats had. Dat was om het volk te doen lachen, want de patriciërs praatten er rustig door heen, stonden op, begroetten elkaâr.De Keizer, in zijn loge, scheen beminnelijk: hij ontbood bij zich de twee Consuls met denprætor, deædilen: gedoken in zijn purper stond hij niet op, sprak zittende een enkel woord met de ontbodenen, die bleven staan. Hij ontbood na hen den ouden Verginius Rufus en Plinius; hij scheen zich geweld aan te doen beminnelijk te zijn: een bui, die meestal niets goeds voorspelde; tot opstaan kwam hij niet. Ziekelijk bleef hij in zijn zetel zitten. En het volk, na die wel mooie, vroolijke, maar toch wel erg „statarische” Bacchides, die het nog frisch van aandacht had kunnen waardeeren èn om de pracht, èn om Cecilius en Cecilianus vooral, ontspande in kluchtige vroolijkheid om wat gedaan werd voor hetsiparium....Andere, lager komische fluitspelers dansten te gelijk, dat zij floten; hunne dubbelfluiten sloten met hetcapistrum—den hand—om de wangen en het achterhoofd. Zoo verloor zich ook niet de lucht, die zij bliezen. Verschillende hunner traden op metdieren: zij danstenplanipes—ongeschoeid—een klein naspel, eenatellana; zij waren grotesk gegrimeerd; zij kwamen op met bokken en geiten; zij zongen van obscene dingen; zij waren Maccus, Pappus, Dossenus, de drie paljas-typen, die het volk beminde; zij waren Acco, Mormo, Alfito, de drie oude, buikige vrouwen—maar door mannen gespeeld,—die zingend verhaalden en gebaarden van kluchtige geboorten en miskramen, en de kluchtgodinnen van de Vruchtbaarheid zijn; zij hadden groote ooren, dik lippige muilen, schele oogen, bochels; zij waren mal, obsceen, grotesk, vraatzuchtig; zij sloegen elkaâr, vielen plat op elkaâr over den grond. Zij zongen toespelingen, niet te gewaagd in dezen tijd, en tusschen hen liep destupidus-græcus, de clown, die er van alle de anderen kreeg van langs en de grootste vermakelijkheid was.En het volk lachte, schaterde, bulderde, terwijl de patriciërs deden of zij niet zagen en zich met elkander onderhielden, en aan de voeten van Domitianus, die, gedoken—rug gekeerd naar het Theater,—sprak met wie hij ontboden had, de keizerlijke nar, minachtend, strak, hóogst ernstig, bleef staren over decavea.Cecilius en Cecilianus, in hun kamertje, ontkleedden zich koortsig, want nu de Bacchides waren gespeeld en zij niet meer hadden te doen, wilden zij in het Theater de na-spelen zien: deatellanæ, en dan deexodium-spelen!—Jongens, zei dedominus, stralend, alles van den beer vergeten; jullie hebben mooi gespeeld!—Dominus, zei Cecilianus; we voèlden, dat we mooi speelden.—.... Dat we héel mooi speelden, kwam Cecilianus na.—Nu mogen we wel gaan kijken, hé?—Mogen we kijken?—Ruim netjes je boeltje eerst op....Dat zouden ze doen. Daarvoor waren ze tè goedecomœdi.En dan die kostbare costuums, die aan het Theater behoorden! De tweedechoraguszelfs kwam er naar kijken, ze halen....—Wees niet bang,choragus: kijk, we vouwen alles keurig op.—.... keurig op!.... en nam de costuums meê, om ze te brengen in deparascæna.De jongens wieschen zich aan het kraantje. Maar Thymele, de beroemde danseres, kwam aan, met Gymnazium en detonstrixachter zich.—Jullie waren prachtig, jongens, zei Thymele; maar maak nu, dat je weg komt, vlug!—We waren goèd, hè? bluften de jongens, zich poetsende.—Meer dan goed, zei Gymnazium, en detonstrix, lief lachje:—Wat zagen ze er schàttig uit!De kleedster kwam met Thymele’s gewaad.—Laat eens kijken! zei Cecilianus, nieuwsgierig, jaloersch.—.... kijken! zei Cecilius, want voelde het zelfde belang, en veegde haastig te gelijker tijd langs zijn neus: hunne grime werd een mengelmoes van roode en zwarte en blauwe vegen.—Je hebt toch geen mooiere jurk dan ik had?? vroeg Cecilianus angstig.De vier vrouwen lachten luid op.—Niet zóo mooi!! troostte Thymele. Kom lievelingen, hoepel op. Gymnazium moet mij nu kappen. Of liever, kom: laat mij je eerst flink zoenen op je lieve bakkesen....—Thymele, ik ben nog rood en blauw! riep Cecilianus.—.... En ik zwart en wit! protesteerde Cecilius.—Dat doet er niet toe, zei Thymele.Zij was bijna zoo lang als de jongens, rank en mager. Zij had zelve iets van een jongen. En schertsend greep zij Cecilius in haar armen en zoende, zoende hem.De vrouwen lachten van de pret.—Dan zoen ik Cecilianus, zei de kleedster en omgreep Cecilianus en zoende hem.—Wil je wel eens laten! riep Cecilianus, als een maagd, die bedrongen werd.Maar Cecilius riep:—Dan zoen ik detonstrix, omdat ze me zoo mooi heeft gekapt!En hij omgreep de lief lachendetonstrixen zoende haar: zij gierde van pleizier en zoende terug.—En wat nu met mij? riep de voormalige, de dikke Gymnazium. Waarachtig, ik word niet meer gezoend. Nou, dan zoen ik ook maar niet meer!En zij deed of zij er treurig om was, voor de grap. Maar de jongens omgrepen haar, tolden rond met haar en zoenden, zoenden haar. Zij zoende hen terug, heel moederlijk: het waren toch aardige bengels. Toen wipten ze weg, en er was nog blauw om Cecilianus’ oogen en Cecilius had éen roode wang en beider brauwen en wimpers zagen koolzwart.—Vooruit! Vooruit! haastten de jongens elkaâr. Hè, wat hebben ons die vrouwen gezoend!En ze veegden aan hun gloeiende wangen.Ze slipten door deur en gang en deur. Ze waren in depræcinctio, achter het Tribunaal van de Keizerin en keken éven, tusschen de sierlijk gedoste slavinnen en vrijgelatenen door, naar de hooge vrouwen. Zij zagen dier ruggen, in de geborduurde veelkleurige stoffen harer feestmantels, die plooiden onder hare bloote schouders af. En Crispina, half ter zijde gezeten naast de Keizerin, wendde zich, zoo als eene vaag omwendt als er wie of wat ook achter voorbij gaat. Zij zag hare jongens in de oogen. Zij herkende ze niet dàdelijk. Ze waren mooi blond maar met vuile gezichten, zij gluurden onbewust pervers om die tè donkerebrauwen en wimpers. Maar toen zij ze herkende, had zij even een schok, een ontroering.Fabulla zag hen ook. En Fabulla riep tot de Keizerin, tot deVirgo Maxima, tot Domitilla:—Kijk, de tweelingen van Crispina!Crispina schrikte; allen keken om en lachten. Maar de jongens, betrapt, dat zij de Keizerinne-loge hadden ingegluurd, repten zich wat zij zich reppen konden, depræcinctiolangs. Toen, te gelijker tijd, bleven zij staan.—Wàt zei ze?—.... Ja, wat zei ze?—Wat zei die Fabulla?—Wat zei ze toch!—Dat wij waren....?—.... Wij....?—De tweelingen....?—Ja, de tweelingen van....?—.... van Crispina?—Crispina? Wie is Crispina?—Was Crispina dáar? In het Tribunaal?—Wie is Crispina? Er zat naast de Keizerin, rechts, deVirgo Maxima.... Naast deVirgo Maxima....—Domitilla, ’s Keizers nicht. En naast die, Fabulla....—En links van de Keizerin....?—Was dat Crispina! Onze moeder??—Ik weet het niet....!?—.... Ik weet het ook niet....!?Ze zagen elkaâr aan, toen om, en op. Het Theater, decaveawas vol. Het was broeiend warm onder het roodevelarium. Het was meer dan middag; de wind had zich gelegd, hetvelariumhing, slap uitgegolfd, bijna roerloos. Het water, de marmeren wanden langs, tappelde. Pff.... wat was het warm: zoûer onweêr dreigen....? En nergens een plaats, naar het scheen....Maar iedereen herkende hen. Hoewel deatellanaheel grappig was, met Pappus en Maccus, zagen aller oogen hun toe. En riepen stemmen:—Cecilius! Cecilianus!! Kom hier!Het waren de matrozen van Ostia, het waren de slagers, warmoeziers, ooftverkoopers van het Velabrum, het waren de Gallen, het waren Taurus en zijn meiden, het waren de vollers en de soldaten. Het waren niet de voornamere winkeliers van den Vicus Tuscus; het was niet Tryfo, de boekhandelaar: die waren allen te deftig om den twee komediantjes plaats in te schikken. Maar van héel hoog bulderden degladiatoren:—Jòngens! Kom hier! Cecilius! Cecilianus!!Carpoforus en Colosseros bulderden het zoo overheerschend, dat zelfs de Keizer omzag. Zijn nar eveneens. Zij keken naar boven, terwijl de jongens op den roep dergladiatorenwuifden en de trappen vlug op klauterden. En de Keizer wees Plinius en Verginius Rufus, met wie hij sprak, zeker Carpoforus, dien hij herkende, en die zijn geliefde zwaardvechter was.De jongens bereikten de hoogste omgang. Het was er vol, vol. En het was er warm. Het was er als een roode oven zoo vlak onder het roode, brandendevelarium.... En er was geen plaats. Al degladiatorenvan het Colosseum, al de wagenmenners van het Circus Maximus, met tal van soldaten hadden zich daar opgeschoten en allen waren als met rooden gloed overgoten.—Kom dan maar weêr op mijn knie, zei Colosseros tot Cecilius.—Zit jij maar hier boven, zei Carpoforus tot Cecilianus.En de Jager pakte zijn korten mantel te samen als tot een kussen en deed Cecilianus daarop, op depræcinctio, zitten boven zijn hoofd; hij trok Cecilianus’ ranke beenen over zijn zwareschouders. De jongen lachte; hij zat kleintjes, als op een groot paard, op Carpoforus’ breeden nek; hij hoste speelsch als een kind op en neêr, zijn handen aan Carpoforus’ ooren, deed hij of hij mende.—Zit je goed?—Ik zit heel goed, Jager. Zit jij goed, broêrtje?Cecilius zat goed. Plots riepen ze te gelijker tijd:—Maar ze spelen een parodie op òns....!In der daad, Pappus en Maccus, voór hetsiparium, speelden een parodie op deBacchides. Het was de traditie: deatellanavertoonde zeer vaak de parodie op de vooraf gegane „statarische”palliata. De jongens hadden er dol pleizier om. Pappus en Maccus deden kluchtig Cecilius na en Cecilianus: zij liepen met densoccus-tred; zij droegen dunne, hooge pruiken; zij zongen met valsche falsetten; zij mimeerden hun bevalligheid na; de jongens schaterden van het lachen! Af van de planken,soccusuit, waren zij weêr kinderen, hadden zij pret, hoste Cecilius op Colosseros’ knie, reed Cecilianus, schaterlachende, paardje op den massieven nek van Carpoforus, die zijn vuisten om de enkels van den jongen sloeg.Hetaulariumòp. Applaus. Broeiende warmte; boven hetvelariumrolde de donder.... De toeschouwers snakten naar adem.—Wàter! Watèr!!.... Er stroomden de waterstralen, ontspoten de geuren daar ginds. De jongens snoven de geuren op. Lèkker vonden ze dat!—Wat ben je nog blàuw! zei Colosseros tot Cecilius; om je oogen!—Thymele heeft ons ook zoo gehaast, mopperde Cecilius.—Ja.... heeft ons vreéslijk gehaast.... mopperde Cecilianus. Omdat Gymnazium haar kappen moest....Colosseros maakte zijn vinger goed nat met spog en veegdeer meê om Cecilius’ oogen. Carpoforus schepte water uit het gootje aan zijn voet en waschte Cecilianus. Als zoete kinderen lieten de komediantjes zich poetsen. De fluiten snerpten. Neêr hetaularium. Heftig applaus. De patriciërs zetten zich weêr.Eindeloos duurde, volgens de traditie, de voorstelling, sleepte zich voort met deatellanæ, die elkander volgden. In het publiek zuchtten zij op, bewogen zich te vergeefs om te verademen, puften. Het was heerlijk komedianten te zien, maar het was wel stikwarm, zoo broeiend.... Het was nu tegen het negende uur. Weg mocht niemand, nu de Keizer er was. Weg wilde ook niemand. „De Koffer” toch zien, met Latinus! „De Koffer”.... Ja, „De Koffer”! Goden, het was niet meer om uit te houden! Al was de Keizer er, al was er het Hof, kwinkslagen sloegen toch links en rechts, als vogels, die de vleugels uitslaan in een kooi. Het mocht wel, binnen zekere grenzen. Het was toch een volksfeest?! Er werd wel wat geduld. Tijdens depalliatawas het publiek aandachtig geweest. Nu was het toch echt om te lachen, pret te hebben. „De Koffer”: het mimusspel van Publilius: overspel-tafereelen! Thymele verborg haar minnaar, die Latinus was, in een koffer. Destupidus—hij heette Corinthus—was de bedrogen echtgenoot. Hoe ze om hem lachten: Thymele dànste; hoe ze danste op, om, tegen den koffer aan! Latinus dook uit den koffer weêr, sprong omhoog.... De jongens vonden het dòl. Ze vermaakten zich als kinderen; zij, die zelve de talentvollecomœdiwaren, die speelden, zongen, dansten de Bacchides. Degladiatorenbulderden om de moppen van Latinus. Nilus schaterde. De heele zaal schaterde....Het werd heel donker.... Hoe donker werd het! En het broeide, het broeide, in den nu donkerrooden oven.—Lùcht! riep een mannestem, naast een bezwijmende vrouw.—Lucht! Lucht! Lucht!! riep het van alle kanten.Een geknars. Een geruisch. Hetvelariumrolde open, naar descænatoe....—A-a-a-ah! juichten degladiatoren, ruim ademend.De beelden, die het Theater omkransten, verzichtbaarden in hunne verstarring. Maar de lucht was zwaar zwartgrauw met wolkgevaarte bedekt. Enkele droppelen vielen.—O-o-oh! klonk het teleurgesteld in decavea, omdat het te regenen begon.Hetvelariumbleef ongeveer half het Theater beschutten, ten gerieve van het Hof en de Aanzienlijken. Het was pauze. Oogen keken angstig naar boven, naar de donkere, donkere lucht. Maar ze zouden „Laureolus” zien, „Laureolus”, waar ze meê dweepten.—Met Lentulus! Met Lentulus! juichten Cecilius en Cecilianus.—„Laureolus”!! eischte decavea, hoewel tusschenspel nog voor hetsipariumvertoond werd.Het werd eén kreet:—„Laureolus”!!!Boven het Theater rommelde het onweêr. Scheen het af te drijven. De ondergaande zon brak de wolken door, scheen, schuin, rossig, langs de beeldenrij, die het Theater bekroonde, op het tooneel. Hetsipariumschoof links en rechts open.—A-a-ah! juichte het publiek.Het was het grootemimus-spel: „Laureolus”, het meest geliefde. Allen, die daar zaten, spitsten zich, om te zien. Want het was het grootsche kijkspel. Het was „Laureolus”, de zeeroover, de dief en Lentulus speelde hem! Kijk toch: het was een storm en het rooverschip van Laureolus leed schipbreuk. De muziek der fluiten raasde: de fluitspelers, rechts en links, bliezen zich, tot bèrstens toe, den adem uit achter hetcapistrum.... Hun aderen stonden aan de slapen gezwollen. De geesten van den storm dansten in de lucht, over de golven. Het schip verging, maarLaureolus redde zich. Hij redde zich uit alle verwikkelingen en toevallige moeilijkheden, opgestapeld in hetmimus-drama. Hij redde zich, gepakt, uit de handen zijner cipiers door een ontzettenden sprong van heel boven een toren af, van heel boven uit het af dak van hetproscænium....—O-o-o-oh! bewonderden degladiatoren, de soldaten, heel decavea..... Met een dubbelen doodensprong kwam hij op hetproscæniumte recht.... Hij spuwde bloed,—het was bloèd—hij spuwde stralen bloed. Al destupidi—de clowns, de narren,—sprongen hem, maar van véel lager verhevenheden, moeilijk na, spuwden bloed, met roode fonteinstralen, die elkander kruisten! Het tooneel was bespat en besprenkeld met bloed. Laureolus, tusschen de sprongen derstupidi, vluchtte. De tooneelschermen veranderden telkens: stelden voor een paleis, een gouden grot, waar Laureolus zijn geroofde schatten verbergt; Mercurius daalde neêr in een wolkmachine: er was een feest, er volgde een gevecht van zeeroovers en herders. De meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen volgden elkaâr eindeloos, eindeloos op, terwijl de wolken weêr donkerden en, rood door de zwoelte, daalde de zon.In decaveawas het publiek in de uiterste spanning, om Laureolus. Hij werd gepakt; ja, hij werd weêr gepakt: de dief, de moordenaar, de misdadiger! Er was een proces, en de rechters waren destupidien alles in het geding was kluchtig—de rechters deden acrobaten-sprongen—en Laureolus werd veroordeeld en kluchtigde omdat hij veroordeeld werd....Plotseling sloeg een heftige bliksemflits boven het Theater uit in de lucht. Het donderde dadelijk na. De regen kletterde neêr.—O-o-oh! protesteerde het volk.In het rechtsche Tribunaal was Domitianus opgerezen, bang. Er was een tumult van vertrek, een gedrang van paleis-officierenencubiculariïom den Keizer heen. Commando weêrklonk: de Prætorianen, schild en speer kletterend, marcheerden de trappenvlucht af om zich buiten te scharen om den keizerlijken draagstoel.Het was als een sein. Velen vertrokken, haastten zich, uit deorchestra, de ridderbanken. De Keizerin vertrok. Het was zeer donker geworden en de regen kletste neêr....Op het tooneel ging de voorstelling door. En decaveatrotseerde den regen. Zij wilden Laureolus zien kruisigen.—Ik word zoo nat! klaagde Cecilianus, als een bedorven jongentje.—Kom hier, zei Carpoforus.Hij tilde den knaap neêr, zette hem als een kind tusschen zijn knieën, wikkelde hem bijna vaderlijk in zijn eigen kort manteltje. Colosseros en Cecilius zaten al in een mantel gedoken. Allen haalden onder zich hunne mantels uit. Het weêrlichtte en de donder rolde....—Ben je zoo goed? vroeg Carpoforus teeder aan Cecilianus.De knaap knikte tevreden.Het tooneel veranderde. Het kruis werd zichtbaar, een T gelijk. Door het onweêr heen snerpten de fluiten. Deorchestrastroomde leêg. In het Theater hoorde men van buiten het verwarde geschreeuw om de draagstoelen, het tumult der duizenden. Daar werd Laureolus door de beulen op hetproscæniumgesleept.—Wòrdt hij gekruisigd?? riepen zij hier, daar, in decavea.Het was immers altijd een pop, die gekruisigd werd! Maar deze man, die zich verweerde, tusschen de vuisten van zijn beulen, was dat niet de beroemdearchimimusLentulus??—Ja, ja, hij is het! riepen zij hier. Het is Lentulus!—Neèn!! Hij is het niet! Hij is het niet! riepen zij daar.—Hij is het niet! riep Nilus, overtuigd, scherp toe ziende.—Hij is het nièt!! riepen degladiatoren.Allen zagen ademloos toe. Zij zagen.... dat het niet Lentuluswas. En boven het Theater donderde het en de stortregen stroomde neêr uit een grauwe lucht.—Bij alle goden! riep Nilus. Weet je wie het is? Het is die weggeloopen slaaf, die met dien dief zoo dikwijls in mijn taveerne kwam!Maar van beneden, uit decavea, ruischte het plotse gerucht, stemmedruischend naar omhoog.—Het is een weggeloopen slaaf! Hij wordt in de plaats van Lentulus gekruisigd als Laureolus! Hij wordt gekruisigd! Het is de moordenaar van Nigrina!!—O-o-o-oh! ruischte het, met den regen, door de toeschouwers heen.Hetvelariumwas geheel wèg gerold. De regen stroòmde. Maar duizenden nog, in een verwarring, zagen naar de vreeslijke verrassing, die Domitianus bevolen had. De weggeloopen slaaf, die gedacht werd de moordenaar van Nigrina te zijn, werd voort gesleept door werkelijke beulen. Het décor stelde nu een somber heuvelig landschap voor, waarin de T van het kruis zich verhief, overstriemd voor des toeschouwers oogen door de straffe regenstralen, die stroomden in decavea, hoewel niet op hetproscænium, dat afdak beschutte. Allen waren opgestaan, zagen ademloos toe....—Zal het dìt zijn, riep Quintilianus, alle voorzichtigheid en mogelijkheid van verklikkers vergetende; waartoe de Grieksch begonnen voorstelling verloopt!—Grieksch is de mode, spotte bitterlijk Juvenalis; zoo lang Latijnsche bloedlust niet spreekt!—Laat ons gaàn! drong Plinius.—Ja, laat ons gaan, vrienden! smeekte bijna de oude Verginius Rufus.—De Keizer zèlve is gegaan en ziet deze afschuwelijkheid niet aan!! riep Tacitus.—Ik hoor hier, zei Frontinus; van deze Senatoren, dat een beer den ongelukkige aan het kruis zal verslinden!—Het einde van „Laureolus”! spotte verontwaardigd Suetonius.—Gaat, vrienden, zei Martialis. Ik blijf.—Blijft ge?? riepen zij allen.—Ik blijf, zei Martialis ernstig. Dit ismijntijd. Dien wil ik zien. Ik wil mijn tijd toeschouwen om hem te kennen....—Ga meê! drongen zij.—Gaat! Ik begrijp, dat gij allen gaat. Ik, ik blijf.... Ik wil dit zien. Dit is mijn tijd.—Onze tijd, zei Tacitus somber; dien ik eenmaal zal boèken, opdat het nageslacht weten zal!—Ja, riep Juvenalis. Dit is onze tijd, dienikeenmaal zal geeselen!!—Ik, zei Martialis; niet anders dan tòch bezingen, omdat ik niet meer dan dichter ben. Verontschuldigt mij, vrienden en gaat. Gij zijt meer dan ik en ik begrijp, dat gij niet blijven wilt.Hij drong ze zelve zacht weg. Hij was zeer bleek. Hij zag toe.—O-o-oh! kreunde het door de menigte.Het kruis werd uit hetproscæniumgelicht en neêr gelegd. De fluitmuziek, door den regen heen, krijschte....En de slaaf schreeuwde, maar een prop werd hem geduwd in zijn mond....Toen werd hij gelegd op het kruis, de armen wijd.... De hamers der beulen klonken op de groote spijkers, die zijn handen doorboorden....—O-o-oh! kreunde het overal.De voeten van den slaaf hadden een wanhopigen ruk. Te vergeefs. De beulen grepen zijn voeten en knelden ze vast....—O-o-oh! kreunde het steeds, als in weêrzin, door het Theater, door de staande, als bezeten starende toeschouwers heen. Deregen stroomde recht neêr uit de zwarte en grauwe lucht. De donder rolde. Het weêrlichtte telkens....—A-a-ah!! riep de menigte.Het kruis richtte zich op in de knuisten der beulen. Rondom gebaardenmimen, kluchtig, juichten allen, die „Laureolus” had bestolen, verrezen de schimmen van wie hij vermoord had. Fluitgesnerp door regengeruisch.... Toen hing de gekruisigde, tegen het theaterlandschap, overstriemd zichtbaar door werkelijke regenstralen....—O-o-o-oh!En het bròmde....—De beer! De beer!! riepen zij.Het gerucht, dat de beer den misdadiger verslinden zoû aan het kruis, was overal in decaveanu door gedrongen....—Proces duurt in Rome làng, grinnikte Taurus tot de Alexandrijnsche. Maar een moordenaar wordt er gekruisigd binnen twee dagen....—Maar ze zeggen, riepen de matrozen uit Ostia; dat hij niet de moordenaar is!—Wie dan? Wie dan? werd geroepen.—Een dief, die mèt hem was.... meende de slavenkoopman.—De dief? Neen, deze slaaf hier!! was de voller bijna zeker.—Neen, de dièf!!! schrilden de Gallen.—Dus hij....? riep het uit de slagers en warmoeziers.—.... zoû onschuldig zijn....?? klonk het overal.—.... Sst! De verklikkers.... fluisterde het.—De verklikkers! De verklikkers....!Allen zwegen. Allen zagen toe.... Duidelijk bromde de beer achter de schermen, waar hij aangehitst werd door debestiariï. Plotseling waggelde hij te voorschijn....—A-à-ah! kreten de vrouwen....Zij waren bang, dat de beer in deorchestrazoû springen....Leêg was deorchestragevloeid; ter zijde slechts, op depræcinctiones, stonden in den regen silhouetten in witte toga’s, te kijken. Voor de eerste ridderbanken stond Martialis.De beer keek, kop schuddend, decaveain. Hij bromde. Achter de schermen hitsten debestiariï, die hem aan een ketting hielden, aan. Zij trokken hem dichter bij het kruis.—O-o-oh! kreunde het door het Theater.De beer snoof het bloed, dat tappelde van de voeten en handen van den gekruisigde. En met een razenden sprong wierp hij zich, staande plots, reusàchtig, op het slachtoffer. Zijn klauwen sloegen in de naakte borst: hij rukte en zijn muil spalkte zich over de bloedende vormenloosheid, die daar hing als een druipende, roode, lillende lap....Cecilianus, nieuwsgierig, oogen gesperd, had zich los gemaakt uit de armen van Carpoforus, uit diens mantel. Hij was op gerezen, hij stond te kijken.... Toen sloeg hij de armen op....—A-àh!! snerpte de radelooze gil van den knaap. Zijn armen bewogen in de lucht, en hij viel flauw.—Mijn broêrtje!! kreet Cecilius.Allen drongen weg, de laatsten uit de ridderbanken, het volk uit decavea.... Ook de soldaten, de matrozen, degladiatoren....—Mijn broêrtje! huilde Cecilius.Carpoforus tilde den bezwijmden knaap op; het blonde hoofd viel op den massieven schouder van den Jager.—Zal je hem dragen, Carpoforus? snikte, smeekte Cecilius.De Jager knikte. Allen daalden de trappen af, sprongen van omgang op omgang. Alles stroomde in den stroomenden regen het Theater uit. De Jager met zijn last—pluimelicht woog de knaap hem in zijn arm, over zijn schouder—volgde zijn makkers. Colosseros troostte Cecilius.—Kom meê, zeide hij. Kom meê.... Niet huilen, Cecilius: Carpoforus zorgt wel voor Cecilianus....De Jager, langzaam, daalde.... Daar ginds, vergaten, in de ontzetting, de tooneelknechten hetaulariumte doen rijzen....Zichtbaar bleef, in de doorregende schemering—de beer weg getrokken door debestiariï—de vage T van het kruis, zich af teekenen met de lillende, roode lappen van vleesch.... De Jager zag er naar om, terwijl hij daalde, het kind in de armen, trede na trede; omgang daalde hij na omgang; telkens, als kon hij zijn blik niet àf wenden, zag hij naar de verschrikkelijkheid. Gluurden zijn oogen—die van een lief, groot, sterk beest—er angstiglijk heen. Gluurde hij schuiner, angstiger.... Drukte hij dichter tegen zich het bezwijmde knapelijf en glúurde hij....—Zoo.... dacht hij; eindig ik óok eens....Op de laagstepræcinctio, bij de poort, die hij uit zoû gaan, wierp hij zijn laatsten blik.—Zoo, dacht hij weêr; eindig ik ook.... Morgen.... Of overmorgen....In het geheel leêge, overregende Theater, in de stralen-doorstriemde schemering, die de tragische lucht neder sloeg, stond nòg, geheel alleen, Martialis te staren op het einde van „Laureolus”....
—Het is alles in orde,dominus, verzekerden dechoragi.
In decaveaweêrklonk ongeduldig gestamp van zware schoenen en lichtere sandalen.
—Vooruit dan maar, zei dedominus. Mijn komedianten zullen wel klaar zijn....
In decaveastampten zij, stampten zij heviger. Toen hieldende fonteintjes van geur op te spuiten hun sprenkelstraaltjes; het water vloeide niet meer.
—O-o-o-h! juichte het volk, omdat het nu zoû beginnen.
Want hetaulariumdaalde, rolde op naar beneden. Maar hetsipariumbleef nog toe geschoven. En de Prologus, op den voorgrond, reed te voorschijn, als Silenus op een ezel. Hij was de tweedesenexvan den troep, op den ezel van Nilus.
—Zie je, zei Nilus triumfeerend en wees dengladiatoren. Het ismijnezel, waarop ik naar de markt ga!!
—Wij hadden best ònzen ezel kunnen verhuren, mompelden de bedel-Gallen ontevreden, nijdig. Onze ezel is ten minste een ezel van de Moeder der Goden.... En dus geschìkter voor de Megalezische Spelen.... Er ìs geen gerechtigheid meer in de wereld!
De tweede-senexreed voor. Hij had, als Silenus, een rijk kostuum van violetten mantel over amethystkleurige tuniek; zijn buik plooide zwaar te voorschijn; hij droeg den maskerkop van een ouden gluimigen sater, met druivetrossen en ranken, en ook ranken vertuitten den ezel, die rijk was getuigd; druivetrossen hingen hem langs zijn ooren. Hij balkte niet meer, maar de beer onder de planken maakte hem zenuwachtig en hij zweepte ontevreden met den staart.
Kinderlijke pret om ezel en Silenus had decavea; er was een gedruisch van stemmen, terwijl wat de Prologus galmde, uitstekend van pas kwam:
Verwonderd zoû ik zijn zoo in hun zetelsAl wie daar zit mij niet belachlijk vond,Niet praatte en proestte en poefte en hoestte en mijDoor eindeloos gemompel ’t niet heel moeilijkZoû maken.... Heeft beroemdemimus-spelerOf jong blankvellig komediantje nietAl moeite zich op deze planken teHandhaven....? Hoe zal ik dan, oude heerOp m’n ezel, u een óogenblik maar boeien....!
Verwonderd zoû ik zijn zoo in hun zetels
Al wie daar zit mij niet belachlijk vond,
Niet praatte en proestte en poefte en hoestte en mij
Door eindeloos gemompel ’t niet heel moeilijk
Zoû maken.... Heeft beroemdemimus-speler
Of jong blankvellig komediantje niet
Al moeite zich op deze planken te
Handhaven....? Hoe zal ik dan, oude heer
Op m’n ezel, u een óogenblik maar boeien....!
En terwijl de Prologus voort ging stilte te vragen en te verklaren wat het onderwerp van het op te voeren blijspel was, traden langs de zuilen, links en rechts, uit de fluitspelers, rechts drie met dubbelfluiten, hooge; drie links met lage dubbelfluiten.
En zij zetten zich, geheel voor op hetproscænium, op lage schabellen en begeleidden komiesch met lange, weeke uithalen en getremoleer de woorden van den Prologus.
—Het is, zeide Quintilianus ontevreden tot Plinius; die wulpsche muziek, die onzen tijd ontzenuwt. Hoor, het is als kattengekrijsch!
—Ge waardeert toch muziek, beste vriend, zei naast hem Verginius Rufus.
—Ge hebt ons zelfs geleerd, zei Plinius ter andere zijde van den grijsaard; dat Caïus Gracchus, de grootste redenaar van zijn tijd, bij zijn redevoeringen zich door een fluitist liet begeleiden, die hem op zijntonarion-fluit den toon aangaf.
—Wij hebben tegenwoordig, zei Quintilianus; geentonarionmeer maarpsaltherionenspadixen dan die Lydische fluiten daar, wier klanken verweeken wat er nog mannelijk in ons Romeinen gebleven is....
Achter hen, op de ridderbank, fluisterde Martialis tot Suetonius:
—Hij is geleerd en braaf, onze Quintilianus. Maar hij heeft een groote fout....
En die is? vroeg Suetonius.
—Hij is niet modern. Dit is moderne muziek. Datiswulpsch, wellustig, verdòrven als je het zoo noemen wilt. Dit hysterische kattegemiauw van die hooge, hooge rechterfluiten preludeeren wat ons de Bacchides geven gaan: Cecilius en Cecilianus.Ikhoor mijn tijd weêrspiegeld in die muziek, die snerpt. Caïus Gracchus is reeds lang dood....
En hij zag naar Suetonius, schuin, wat de jonge man dacht....
—Een droge ziel, dacht Martialis. Jong, maar droog en hij daar voor mij, wijs, maar ouderwetsch....
Hij zag verder naast zich en dacht:
—Tacitus, de melancholie, Juvenalis, de verbitterdheid om hun tijd.... Verginius Rufus, de antieke Romeinsche voornaamheid....Frontinus, de brave soldaat met verborgen dichterziel.... Plinius, Plinius is wien ik bemin en bewonder.... Hij begrijpt alles, hij verontschuldigt àlles bijna, en hij zelve is zoo hoog en eenvoudig en rein.... O, beminnelijkste ziel!.... En ik.... De onverbeterlijke levensgenieter....! Waarom niet?
Op hetproscæniumweek hetsipariumopen, rechts en links: de Atheensche straat verzichtbaarde....
—Hoor....! dacht Martialis. De weeke, wulpsche, weelderige fluitmuziek gièrt omhoog.... Ik hoû van dat krijschen, die schrille steeds hoogere snerpingen.... Quintilianus, Quintilianus, dàt zijn de accoorden van onzen tijd! O, het is goed jong te zijn, niet te betreuren wat het Verleden ook goeds bood, maar te leven, zelfs onze vervallenheid: te leven het oogenblik, te plukken den dag!Carpere diem!! Bravo, bravo, de knappe knaapjes!
En zijn laatste woord juichte hij luid. Want de Prologus op zijn ezel, wijzende, toonde de beide Bacchides, die verschenen. Er ging een bewonderend gemompel door heel het Theater.
—O-o-o-oh! mompelde goedkeurend decavea. Wat zijn ze mooi! En de een is net als de ander!
Maar de Prologus riep:
’t Is Bacchus, die de Bàcchides u zendt;Bacchanten, die haar Bacchanaliën dansen....Het zijn twee zusters; Samische Bacchanten,Hetære van Athene, de eene; tweeling-Zustren gelijken zij elkander als tweeDroppelen water, dropplen witte melk!Haar oudrenpaar, gewijd in BacchischeMysteriën, noemden beiden Bacchis; BacchisIs de eene, de Atheensche; Bacchis ookIs de andere, die komt van de reize....— — — — — — — — — — —
’t Is Bacchus, die de Bàcchides u zendt;
Bacchanten, die haar Bacchanaliën dansen....
Het zijn twee zusters; Samische Bacchanten,
Hetære van Athene, de eene; tweeling-
Zustren gelijken zij elkander als twee
Droppelen water, dropplen witte melk!
Haar oudrenpaar, gewijd in Bacchische
Mysteriën, noemden beiden Bacchis; Bacchis
Is de eene, de Atheensche; Bacchis ook
Is de andere, die komt van de reize....
— — — — — — — — — — —
En zelfs op de ridderbanken, in deorchestra, in het Tribunaal was een ontroering van bewondering. De Atheensche Bacchis trad uit haar huis met hare slavinnen en verwelkomde hare zuster Bacchis, die van de reize kwam, en wie ook slavinnen omringden. De slavinnen waren vrouwen maar de twee hetæren waren Cecilius en Cecilianus. Zij waren beiden geheel en al aan elkander gelijk, behalve dat Cecilianus, om te doen uitkomen, dat hij (zij) van de reize kwam, een dunne sluier geheel omhulde, dien hij af wierp in de handen der slavinnen voor hij (zij) zijne (hare) zuster omhelsde. Gekapt met de torenvormige, blonde pruiken, hunne eigene blonde krullen krullende onder den haarband links en rechts, de gouden rozen breed aan de slapen, waren hunne gezichten geschilderd naar de antieke maskers van Plinius met bizondere kunst: de grime geleek op een masker maar bleef toch een menschelijk gelaat om het gespeel der trekken, den lach om de oogen en mond. Groot waren de oogen, zwemmende in het zwart en het blauw onder de opgelegde, verlengende brauwen; blank en roosrood waren de wangen en de mond was met verhoogd aangetinte bovenlip toch verlengd, zoodat het type van den maskermuil was bewaard en de beide frissche jongensgezichten herschapen waren tot de even exotische, vreemd pervers ontroerende aangezichten van Cypersche beeldhouwkunst—aangetinte blanke kalksteen—kunst uit archaïschen tijd. Dat archaïsche kwam ook nog uit door het breede en hooge maar platte van hunne achterkapsels, waardoor het scheen, dat geheel hun maskergelaat ook platter werd; dat archaïsche kwam ook uit door hunne kleeding. Zij droegen beiden de zelfde peplos van ragfijn geplooid geel gaas—geel was de traditioneele kleur op de planken voor hetæren en symbolizeerde haar goùdzucht—; de peplos was kort, tot de knieën, liet hun efebe-beenen bloot, de vier punten vielen zeer lang ter zijde met lange, gouden franje en kwasten, maar het ondergewaad van geel, met schelle gouden rozen doorweven, scheen er schitterend bij iedere beweging door heen en hetgeheele gewaad herinnerde om het nauwsluitende en dun plooierige aan de archaïsche Helleensche sculptuur. De beide jongens schoeide desoccus: de komedie-schoen, in onderscheid met decothurnusof tragedie-laars, iets lager van zool en hak, maar toch vrij hoog van hak en zool hen boven de planken heffend. En omdat Cecilius en Cecilianus geboren komedianten waren, gevoelden zij zich, zoodra hen desoccusschoeide, niet meer wie zij waren, maar wel wie zij voor moesten stellen. Gekapt, gekleed konden zij nog als bengels doen achter descæna; geschoeid met densoccuswerden zij plotselingcomœdi, tooneelspelers, artiesten, waren zij Grieksche hetæren, waren zij de beide Bacchides. Liepen zij nu ook op elkander toe met den tooneelpas, dien desoccuseischte, niet zoo wijd als de tragici loopen, maar wijder en rhythmischer dan wie ook loopt in het gewone leven. Gebaarden zij op de òpkrijschende, nerveuze snerpingen der Lydische fluitmuziek, hunne vreugde elkander te zien, omhelsden zij elkander....
—„Mijne zuster!”
—„Mijne zuster!”
En dansten te zamen.
Hun kreet had hel zuiver het Theater door geklonken. Wat maalden zij nú nog om den beer, die onder hun voeten in het gewelf bromde! Zij dachten om niets dan om hun dans. Zij zongen al dansend, eenstemmig, hun blijdschap. Hun maskermonden openden zich tuitende toe naar het verste en hoogste punt: naar degladiatoren. Zij herkenden ze, maar wat gaf het hun wie daar zàt! Wie in deorchestra, wie in het Tribunaal! Zij zongen, zij dansten, terwijl de Prologus weg reed op zijn ezel.
En waren hunne aangezichten en kleeding archaïesch, vooral archaïesch herschiepen zij zich door hun rhythmiesch afgemeten beweeg. Op den gelijkmatig wijdensoccus-tred, die hun nauwe gewaad verwijdde, het gazen geplooi telkens uit waaierde, met de houdingen hunner schrale efebe-armen, die bogen rechthoekig deellebogen en uitspreidden de bejuweelde vingers met opgezette, héel-lange nagels, als vreemde vlinders of vogelvlerken, bezielden zij hunne uiterlijkheid tot een levend archaïesch beeld, dat wel af stak in het nieuw-Grieksche décor en vooral in dit modern Latijnsche Theater, maar dat, zag de toeschouwer alleen naar hen, hem ontroerde als een uiting van verfijndste en toch zuiver geblevene kunst. Zij dansten, reciteerden, bewogen, zongen....
—A-a-a-ah! bewonderden degladiatoren, de soldaten, de meiden, de Gallen, de matrozen, de kooplui.
—Dat zijn de tweelingen van Crispina, fluisterde Fabulla, die hen pràchtig vond, tot Domitilla en de Virgo Maxima....
—Zijn dàt je jongens? fluisterde bewonderend Domitia tot Crispina.
De moeder van Cecilius en Cecilianus wendde het gloeiend gelaat naar de Keizerin.
—Ja, Augusta, bekende zij, de oogen neêr geslagen; toen glimlachend, ze op slaande naar de vraagster....
—Quintilianus.... vroeg Plinius bijna schalk; hoe vindt ge nú onze Hero en Leandros?
—Ze zijn hoogst bevallig en buitengewoon kunstvol, zei Quintilianus; maar ik geef de voorkeur aan het fijne fluitspel van Zozimus op de ongelijke twee pijpen, boven dit snerpen op zoo veel gelijke fluiten, dat overdreven wordt....
—Het is prachtig! boog Martialis zich naar hen toe. Ze zijn archaïesch en hun kunst is toch modern, omdat zij zoeken de nieuwe emoties in het oude! Zij beelden geheel en al onze eeuw uit, die moê is van alles en zichzelf en zoekt, zoekt, zoekt, zelfs in ons Verleden! Zij zijn kunstenaars, die jongens, zoo als ik er nooit heb gezien en ze weten misschien zelf niet, dat ze het zoo zijn....
—Wat mooi van hen is, waardeerde Quintilianus; is, dat zijstatarieschblijven, terwijl zij in Hero en Leandros geheel en almotorieschwaren. Zij zijn telkens zoo als zij moèten zijn.
—Eischt Plautus’ komedie nooit anders danstatarieschspel? vroeg Juvenalis.
—Zulke gematigde karakterspelen, zei Quintilianus; zijn meerstatariesch: bedáard, hoewel komiesch, altijd hóog-komiesch en nooitmotoriesch: fèl bewogen. Toen zij Hero en Leandros mimeerden, deden zij het mooimotoriesch—hartstochtelijk—zoo als het moest. Als zij ditmotorieschdeden, zoû het een klucht worden, niet waar. Die jongens hebben veel maat en rhythme in hun spel en voelen zuiver hoe ver zij kunnen gaan.
—Maar dit begin is niet in Plautus aangegeven en werd nooit zoo in Plautus’ tijd gespeeld, critizeerde bescheiden de jonge Suetonius.
—Wat doet er dàt toe? viel heftig Martialis in. Het modernizeert het eeuw-oude stuk.... Het verfrischt het! Het verjeugdigt het!
Hij klapte heftig in de handen.
Het Theater weêrdaverde van handengeklater en juichend geroep. De Atheensche Bacchis geleidde hare zuster in huis. De slavinnen volgden. Deadulescens, ongemaskerd, trad op, rijk gekleed in veelkleurig gewaad,—veelkleurig steeds was de jonge-rol gedost—en terwijl hij, ijdel, lonkte naar Fabulla, die hij herkende uit Nilus’ taveerne, sprak hij hoog uit, reciteerde hij van zijn liefde voor Bacchis, de Vreemdelinge.... die hij na gereisd was.... Terwijl de fluiten het melodrama aangaven in ondertoon.
Fabulla was geslagen van bewondering.... en zóo, dat zij in hare illuzie wankelde. En niet dòrst meer hopen, dat zij ooit op deze planken een „vrouwerol” zoû spelen, al reciteerde zij, zong zij, danste zij. Terwijl deadulescensnaar haar lonkte, in zijn liefdesbetuig, smàchtte naar haar toe, dacht zij steeds aan Cecilius en Cecilianus. Wat!? Die bengels, die bij Nilus op de andere knie van Colosseros óver haar hadden gehost en haar hadden tegen gesproken, waren zulke artiesten?! Zij begreep genoeg om te voelendat dit kunst was, kunst jaren lang, van kind af gevoeld en bestudeerd, kunst tot een volmaaktheid gebracht, die maar niet door een patricische zoo even na te bootsen zoû zijn. Hoe hadden zij niet zich gratievol en rhythmiesch bewogen, op de maat van de fluitmuziek, hadden zij niet gezègd en gezongen, klaar, duidelijk, hèl, overal in het Theater verstaanbaar.... In hun uitspraak was iets geweest, dat zij voelde nooit te zullen kunnen benaderen: de zeer letterkundige en daarbij theatrale uitspraak van het Latijn, die aan ieder woord zijn waarde gaf.... Zij voelde het alles zóo, dat zij op éenmaal bang werd voor eigen eerzucht en verlangen.... En zij begreep, dat de „vrouw” misschien voor dit theater niet geschikt was, en zij nooit het ideaal zoû kunnen bereiken, dat die lange,slank-heupigeknapen met hun schrale, slechts even vrouwelijke efebe-leden beter uitbeeldden. Dat vreemd aandoend perverse, dat „archaïsche”, dat hunne hiëratische gebaren zoo mooi hadden weêr gegeven, hunne geschoolde, uitgalmende stemmen zoo zuiver hadden zingend gezegd! Zij begreep, dat zij te klein was, te mollig, geen stem zoû hebben; zij begreep het alles in eens. In het tooneelspel moesten de vrouwerollen door knapen worden vervuld!
.... Zij stelde zich voor, dat zij daar ginds, op de planken, een der Bacchides spelen zoû.... Maar zij zoû sidderen en rillen van angst voor die duizenden oogen: zij zoû.... zij zou belàchelijk zijn! Terwijl juist die jongens waren wat zij moesten zijn!
Het was haar in haar reeds zorgvolle stemming om den moord op Nigrina, waarvan men verdacht, dat zij zoû weten, zoo een bittere teleurstelling, dat zij zich achter de andere vrouwen boog naar Crispina en haar bijna hard-op, met een hatelijken, nijdigen grijns vroeg:
—Crispina....! Ben je tevreden.... over je tweelingen??
Deadulescenssmachtte van liefde. Deexostradraaide. Het weelderige huis van de Atheensche Bacchis verzichtbaarde in pracht van scharlaken gordijnen, pauwebed, verguldvaatwerk, rozenkransen, die deædilenaan de scænische uitmonstering hadden verspild. Tusschen die weelde zaten de Bacchides, de zuster-hetæren; door de opene deur zagen zij denadulescens, wezen zij, fluisterden zij met elkaâr....
—O-oh! juichte decavea. Zoo was het goed! Die pracht, dat was zoo als het behoorde! Die hoog gehakte, geel gedoste, „goudzuchtige”meretricesin die overdreven, theater-traditioneele weelde te zien vóor draaien op deexostra, terwijl wulpscher, rechts, de fluiten hooger en hooger stegen in melodie, en rommelender links begeleidden, en de „adulescens” zijn stem in recitatief verhief....
—Bromt daar een beer? vroeg Domitia.
—Neen, het zijn de linkerfluiten, meende de Virgo Maxima. .... dàt was mooi en zóo kon je nog een stuk van Plautus, een hoogerepalliatazien! De intrigue was bijzaak; de ornamentatie was het voornaamste!
Decaveadonderde los van applaus en nièt om den „adulescens”: alleen om de twee weelderige Bacchides, te voorschijn draaiend op de beweegbareexostra....
Cecilius, Cecilianus rezen van het pauwe-bed, waar zij elkander in zusterlijke omhelzing hielden omvat: Cecilius, de Atheensche, begon:
—Zou ’t niet, o zuster, ’t beste zijn, zoo ik,Tèrwijl gij zweegt, sprak met dien jongeling daar?—Doe dat, mijn liefste....
—Zou ’t niet, o zuster, ’t beste zijn, zoo ik,
Tèrwijl gij zweegt, sprak met dien jongeling daar?
—Doe dat, mijn liefste....
viel in Cecilianus....
In het rood gezeefde licht, dat oranje en purper van onwerkelijke weelde maakte al het scharlaken en verguld om hen heen—purper de gordijnen, oranje de gewaden, oranje vooral hun goed-gestuivelde pruiken, vreemd onwaar van purperblos hun als masker geschilderde gezichten—bleven zijstatariesch: kalm, glimlachend, schàlk, ondeugend, pervers sierlijk maar ónbewogenomdat dit immers de rustigepalliatawas, het hoogere blijspel, dat nooit kluchtig mocht worden, dat luchtig Plautiesch moest blijven.... het realisme der komedie alleen veridealizeerd door dat fijne spel, dat zangerig fluit-gesteunde zeggen, die wonderpracht vanchoragium.
Buiten, onverwachts, weêrklaterden fanfaren. Het was of een bliksemende schok het Theater door voer. Iedereen stond op: de minste straatjongen tot de Keizerin toe. In ijl schoten tooneelknechten toe met brandende lonten, ontstaken den wierook in de vazen vóor het rechtsche Tribunaal. Hetaulariumrolde haastig op. In de keizerlijke loge verschenen paleis-officieren, schaarden zich, spere- en schilde-kletterend op de trappenvlucht, de Prætorianen.
Domitianus verscheen.
—Ave Caezar-Imperator! galmde het luid, schel, hoog, diep, bassig weêrechoënd tegen de wanden.
De patricische stemmen, de plebeïsche stemmen, van af de Consuls tot de straatjongens, riepen den galmenden groet; de waardige stemmen der Senatoren omlaag vermengden zich met die der oprecht juichendegladiatorenomhoog; die dercaveamet die der ridderbanken; die der mannen met die der vrouwen; en óver het Tribunaal, waar de Keizer verscheen, had hel uit weêrklonken de groet der Keizerin en harer vrouwen....
Domitianus, langzaam, trad verder de loge in. Hij had een schuw nijdigen blik als of hij bang was en boos te gelijker tijd; bijziende, knepen zijn oogen dicht.... Hij was groot; voor zijn vijf-en-veertig jaren zag hij er oud en ziekelijk uit. Er was iets mistroostigs en lijdends in hem. Hij droeg een purperen toga en een gouden eiklof-krans om zijn bijna geheel kalen kruin. Zijn gezwollen lijf puilde onder het purper; zijn beenen stonden schraal. Hij was eenmaal welgemaakt en van mannelijke schoonheid geweest; hij scheen nu gesloopt, vervallen. Zijn lichaam was ziek en zijn ziel.Hij was in zich gek van angst, achterdocht, twijfel, berouw. Maar hij hield meestal zijn krankzinnigheid in zich geborgen, in het bijzijn van anderen. Hij was onverwachts gekomen in het Theater omdat hij dezen dag van feest te bang was geworden in het Palatium. Hij was zeer omringd, door zijn officieren,cubicularii, knapen. Een nar was aan zijn zijde, mismaakt en gebocheld. Toen Domitianus zich zette, met nauwelijks een aarzelenden hoofdknik naar wie hem toe gejuicht hadden, hurkte de nar, zonder kluchtigheid aan zijn voet en sprak héel ernstig met den Keizer. De nar grappigde niet; de Keizer, ook ernstig, antwoordde. Om hem heen zetten zich Saturius,decurio cubiculariorum—opperste der kamerlingen,—Parthenius, Sigurius en Crispinus, zijn gunsteling, en zijn lieveling: de knaap Earinus.... De wierook wolkte dik uit de schalen.
In het Theater was iedereen weêr gezeten. Maar de vorige luchtige atmosfeer was versomberd. Het was stikwarm geworden naar mate de stovende zon steeg, door hetvelariumneêr zevende een onweêrsachtig broeienden lentegloed. Toen hetaulariumneêr gerold was, vertoonde het tooneel zich met denscæna-muur. Herhaalde zich wat reeds vertoond was. Rolde hetaulariumweêr op. Weêrklonken hier en daar, schuchter, kreten:
—Water.... Water....
Het water ruischte als een droppelengordijn de wanden, de trappen langs; de geuren ontspoten, ook voor het Tribunaal van den Keizer. Langzamerhand dorsten de toeschouwers weêr wellustig snuiven de frischte en den geur, te spuwen, te praten, zelfs te lachen. Een overmoedige jongen dorst dieren na doen: een hond, hij blafte; een schaap, hij blerde; een haan, hij kraaide: voor minder werd men gekruisigd! In het Tribunaal der Keizerin bleven de vrouwen ernstig staren. De Keizer praatte door met den nar....
Achter hetaulariumhaastte dedominuszenuwachtig, woedend om de herhaling, dechoragien de knechten. Zoûhet begin van de Bacchides worden herhaald.Prologusop ezel reed voor, reciteerde; fluitspel snerpte; Cecilius en Cecilianus traden op als zij waren op getreden....
De menigte, allen druk plotseling vergetende bij hun schitterende wederverschijning, barstte los in gerhythmeerd maar razend gejuich, in maat kletterend handengeklap en -geklater. De jongens dansten.... En het blijspel ontrolde geleidelijk. Het boeide. De Keizer bewoog niet meer. Als aandoeningloos zat hij te kijken, vroeg nu en dan, ernstig, iets aan zijn nar. Met de anderen sprak hij niet, zelfs niet met Crispinus. Nu en dan blikte hij onverwachts in het Theater, dook weêr terug in zijn purper, loenschte zijlings naar het schouwspel. Het scheen wel, dat hij belang ging stellen. De klassieke, hoogere komedie, depalliatawerd met de moderne opvatting, die dedominus, trots zijn liefde voor de antieke schrijvers onvermijdelijk achtte, in volmaaktheid gespeeld. Na het groote tooneel van de tweemeretricesen denadulescenswas weêr uitbùndig rhythmiesch gejuich. Syrus, die de rol van Chrysalus speelde, de listige slaaf, die het noodige geld altijd weêr voor zijn jongen meester weet te tooveren door handige intrigue en verwikkeling, wàs prachtig! Hij was heerlijk van drieste onbeschaamdheid: hij was de volijverigeservus currens, die, altijd haastig doende, intrigeert en het terrein behoudt, al bederft zijn verliefde jonge meester ook telkens alles. En dan desenex!! De eerste vooral, Nicobolus! O, die beide „grijsaards” met hun groote maskerkoppen, die grijnsden boos aan de eene zijde en gemoedelijker grappigden ter andere! Hoe de menigte om hen làchte als zij eerst den eenen, dan weêr den anderen kant van hun maskerkop draaiden naar het publiek. Geheel vergeten was het, dat Domitianus daar zat. Hij zat immers zoo rustig in zijn purper gedoken, te kijken.... Ja, hij keek: hij volgde die klassieke Plautus-intrigue, met die twee vaders, die, terwijl zij hunne zoons willen verlossen uit de strikken dier verleidelijke Bacchides, erzelve in vallen! O, het slot, als die „grijsaards”, terwijl te voorschijn draaide de schitterendeexostramet de rozenkransen en het pauwe-bed en de, met verguld vaatwerk beladen, citroenhouten tafel, door de tweemeretricesworden verlokt, verleid, beleerd, belachen, tot zij nooit meer hun zonen ièts zullen durven verwijten! Hoe zij speelden de beide „grijsaards”, de beide „jonge-rollen”, de beide „vrouwe-rollen” vooral! Hoe hij speelde, de „eerste-slave-rol”! De „paraziet”? Nu, die trad maar éven op: je merkte hem bijna niet.... Jammer, een „paraziet”, die een goede rol had, was altijd wel aardig. Maar deze „paraziet” had bijna geen rol.... Hij speelde ook slecht: hè, die „paraziet”!
—Ik begrijp er àlles van! zei, verrast over zichzelf, Sila, de matrozenmeid, tot haar matroos.
Het was ook niet moeilijk al was het zoo mooi. Het werd alles zoo regelmatig ontwikkeld. Het werd een weinig statig en in niet te snel tempo „statariesch” gezegd en gedanst en gerekt. Dedominus, tusschen de zuilen derscæna, lette nauwkeurig op, dat het tempo werd ingehouden. Nergens mocht het worden een klucht, zelfs niet als de „slaaf” hijgende, dravende op kwam.
En toen het einde! O, het heerlijke eind! De beide Bacchides, op de òpgesnerpte fluitmuziek—kattegemiauw, vond Quintilianus!—dansten rond met de beide vaders harer minnaars, die kwamen kijken om een hoek.... Zij dansten op deexostra, op hetproscænium; zij dansten van huis uit op straat, van op straat weer in huis; zij omstrengelden de „grijsaards” met de rozenfestoenen, zij schonken hun de vergulde bekers in, uit de vergulde kannen....
—Het zijn mijn jongens.... dacht Crispina, in een verrassing om zichzelve.
Zij bewonderde ze, zij had ze lièf omdat ze zoo mooi waren! En ze vond het zoo vreemd, dat niemand in het Theater vermoedelijk wist, dàt het haar jongens waren, dan juist.... in ditTribunaal, de Keizerin en deze vrouwen! Het maakte haar àngstig en toch berustigde het haar ook weêr. Ach, er was nu niets te verbergen.... Toch.... Zoû Crispinus daar ginds den Keizer ook zoo ruw....? Zoû de Keizer dan verontschuldigen....? Hij verontschuldigde wel èrger dingen; hij strafte zwaar minder vergrijp dan tweelingen hebben van eenhistrioen die geschenk geven aan eendominus.... O, de lieve, mooie jongens, de schatten! De twee schàtten! Zij glimlachte ze bijna toe, trouwens iedereen glimlachte. En kijk!! De Keizer glimlachte!! Gedoken steeds, glimlachte hij! Wat waren ze dan ook gratieus, in dat bacchanaal der Bacchides! Telkens, als de „grijsaards” wankelden, dronken, tegen elkaâr, kustenzijde twee „minnaars” heimelijk en omdansten dàn weer de twee vaders. En de orgie eindigde, steeds rhythmiesch,statariesch, in nooit tè hevig tempo met den bacchischen dans van alle zes:meretrices, vaders, zonen....
Toen barstte los hetclare adplaudere: het klinkend, klaterend applaus, waarom dedominus-gregiszelve, in rijk slepend gewaad, de Bacchides aan zijne zijde, en omringd door dengrex, vroeg, na kort slotwoord van moraal....
En groetten zij hun theatergroet tot den Keizer, de Keizerin, het publiek en rolde hetaulariumòp, eerst hunnesoccus-voeten, ten laatste hunne hoofden veronzichtbarend....
Overal in de zaal ontloken commentaren. Van af deorchestratot de hoogste omgang toe, was dezepalliatabuitengewoon in den smaak gevallen. De letterkundige groep om Verginius Rufus en Plinius waardeerde het weêr eens „Plautus te hebben gezien”, al was deze vorm dan ook zéer gemodernizeerd, om het vóorspel en naspel van dans en zang der twee „vrouwe-rollen”, om de nog modernere fluitmuziek ook, om al het modernechoragium: al die pracht, die Plautus zelve verbaasd zoû hebben doen staan. Maar decaveawaardeerde juist die pracht, ingeweven in de oude komedie; en dedelicati, de sierlijke jongeluimet de zómerringen reeds aan de vingers, in de ridderbanken, tusschen de matronen, de ontzenuwde patricische vrouwen, den kristallen koelbal tusschen de warme palmen bewegend, waardeerden, met Grieksche woorden nuffig emailleerend hunne waardeering, dat dit spel met Grièksche tint was vertoond, dat de twee Bacchides zelve zoo „Grieksch” waren geweest, omdat „Grieksch” toch eigenlijk voornaam was, de mode....
Grieksch, zeker Grieksch. Maar de voorstelling, zoo Grieksch begonnen, met een gemodernizeerde en gegræcizeerde „Bacchides” voort gezet, zoû thans worden Latijnsch, zoo Latijnsch als het kon.Aulariumneêr, maarsipariumnog toe, was achter het tweede groote drukte en voorbereiding voor het eerstemimus-spel, terwijl, na korte pauze slechts, dat water vloeide en geur ontspoot, een tusschenspel op hetproscæniumplaats had. Dat was om het volk te doen lachen, want de patriciërs praatten er rustig door heen, stonden op, begroetten elkaâr.
De Keizer, in zijn loge, scheen beminnelijk: hij ontbood bij zich de twee Consuls met denprætor, deædilen: gedoken in zijn purper stond hij niet op, sprak zittende een enkel woord met de ontbodenen, die bleven staan. Hij ontbood na hen den ouden Verginius Rufus en Plinius; hij scheen zich geweld aan te doen beminnelijk te zijn: een bui, die meestal niets goeds voorspelde; tot opstaan kwam hij niet. Ziekelijk bleef hij in zijn zetel zitten. En het volk, na die wel mooie, vroolijke, maar toch wel erg „statarische” Bacchides, die het nog frisch van aandacht had kunnen waardeeren èn om de pracht, èn om Cecilius en Cecilianus vooral, ontspande in kluchtige vroolijkheid om wat gedaan werd voor hetsiparium....
Andere, lager komische fluitspelers dansten te gelijk, dat zij floten; hunne dubbelfluiten sloten met hetcapistrum—den hand—om de wangen en het achterhoofd. Zoo verloor zich ook niet de lucht, die zij bliezen. Verschillende hunner traden op metdieren: zij danstenplanipes—ongeschoeid—een klein naspel, eenatellana; zij waren grotesk gegrimeerd; zij kwamen op met bokken en geiten; zij zongen van obscene dingen; zij waren Maccus, Pappus, Dossenus, de drie paljas-typen, die het volk beminde; zij waren Acco, Mormo, Alfito, de drie oude, buikige vrouwen—maar door mannen gespeeld,—die zingend verhaalden en gebaarden van kluchtige geboorten en miskramen, en de kluchtgodinnen van de Vruchtbaarheid zijn; zij hadden groote ooren, dik lippige muilen, schele oogen, bochels; zij waren mal, obsceen, grotesk, vraatzuchtig; zij sloegen elkaâr, vielen plat op elkaâr over den grond. Zij zongen toespelingen, niet te gewaagd in dezen tijd, en tusschen hen liep destupidus-græcus, de clown, die er van alle de anderen kreeg van langs en de grootste vermakelijkheid was.
En het volk lachte, schaterde, bulderde, terwijl de patriciërs deden of zij niet zagen en zich met elkander onderhielden, en aan de voeten van Domitianus, die, gedoken—rug gekeerd naar het Theater,—sprak met wie hij ontboden had, de keizerlijke nar, minachtend, strak, hóogst ernstig, bleef staren over decavea.
Cecilius en Cecilianus, in hun kamertje, ontkleedden zich koortsig, want nu de Bacchides waren gespeeld en zij niet meer hadden te doen, wilden zij in het Theater de na-spelen zien: deatellanæ, en dan deexodium-spelen!
—Jongens, zei dedominus, stralend, alles van den beer vergeten; jullie hebben mooi gespeeld!
—Dominus, zei Cecilianus; we voèlden, dat we mooi speelden.
—.... Dat we héel mooi speelden, kwam Cecilianus na.
—Nu mogen we wel gaan kijken, hé?
—Mogen we kijken?
—Ruim netjes je boeltje eerst op....
Dat zouden ze doen. Daarvoor waren ze tè goedecomœdi.En dan die kostbare costuums, die aan het Theater behoorden! De tweedechoraguszelfs kwam er naar kijken, ze halen....
—Wees niet bang,choragus: kijk, we vouwen alles keurig op.
—.... keurig op!
.... en nam de costuums meê, om ze te brengen in deparascæna.
De jongens wieschen zich aan het kraantje. Maar Thymele, de beroemde danseres, kwam aan, met Gymnazium en detonstrixachter zich.
—Jullie waren prachtig, jongens, zei Thymele; maar maak nu, dat je weg komt, vlug!
—We waren goèd, hè? bluften de jongens, zich poetsende.
—Meer dan goed, zei Gymnazium, en detonstrix, lief lachje:
—Wat zagen ze er schàttig uit!
De kleedster kwam met Thymele’s gewaad.
—Laat eens kijken! zei Cecilianus, nieuwsgierig, jaloersch.
—.... kijken! zei Cecilius, want voelde het zelfde belang, en veegde haastig te gelijker tijd langs zijn neus: hunne grime werd een mengelmoes van roode en zwarte en blauwe vegen.
—Je hebt toch geen mooiere jurk dan ik had?? vroeg Cecilianus angstig.
De vier vrouwen lachten luid op.
—Niet zóo mooi!! troostte Thymele. Kom lievelingen, hoepel op. Gymnazium moet mij nu kappen. Of liever, kom: laat mij je eerst flink zoenen op je lieve bakkesen....
—Thymele, ik ben nog rood en blauw! riep Cecilianus.
—.... En ik zwart en wit! protesteerde Cecilius.
—Dat doet er niet toe, zei Thymele.
Zij was bijna zoo lang als de jongens, rank en mager. Zij had zelve iets van een jongen. En schertsend greep zij Cecilius in haar armen en zoende, zoende hem.
De vrouwen lachten van de pret.
—Dan zoen ik Cecilianus, zei de kleedster en omgreep Cecilianus en zoende hem.
—Wil je wel eens laten! riep Cecilianus, als een maagd, die bedrongen werd.
Maar Cecilius riep:
—Dan zoen ik detonstrix, omdat ze me zoo mooi heeft gekapt!
En hij omgreep de lief lachendetonstrixen zoende haar: zij gierde van pleizier en zoende terug.
—En wat nu met mij? riep de voormalige, de dikke Gymnazium. Waarachtig, ik word niet meer gezoend. Nou, dan zoen ik ook maar niet meer!
En zij deed of zij er treurig om was, voor de grap. Maar de jongens omgrepen haar, tolden rond met haar en zoenden, zoenden haar. Zij zoende hen terug, heel moederlijk: het waren toch aardige bengels. Toen wipten ze weg, en er was nog blauw om Cecilianus’ oogen en Cecilius had éen roode wang en beider brauwen en wimpers zagen koolzwart.
—Vooruit! Vooruit! haastten de jongens elkaâr. Hè, wat hebben ons die vrouwen gezoend!
En ze veegden aan hun gloeiende wangen.
Ze slipten door deur en gang en deur. Ze waren in depræcinctio, achter het Tribunaal van de Keizerin en keken éven, tusschen de sierlijk gedoste slavinnen en vrijgelatenen door, naar de hooge vrouwen. Zij zagen dier ruggen, in de geborduurde veelkleurige stoffen harer feestmantels, die plooiden onder hare bloote schouders af. En Crispina, half ter zijde gezeten naast de Keizerin, wendde zich, zoo als eene vaag omwendt als er wie of wat ook achter voorbij gaat. Zij zag hare jongens in de oogen. Zij herkende ze niet dàdelijk. Ze waren mooi blond maar met vuile gezichten, zij gluurden onbewust pervers om die tè donkerebrauwen en wimpers. Maar toen zij ze herkende, had zij even een schok, een ontroering.
Fabulla zag hen ook. En Fabulla riep tot de Keizerin, tot deVirgo Maxima, tot Domitilla:
—Kijk, de tweelingen van Crispina!
Crispina schrikte; allen keken om en lachten. Maar de jongens, betrapt, dat zij de Keizerinne-loge hadden ingegluurd, repten zich wat zij zich reppen konden, depræcinctiolangs. Toen, te gelijker tijd, bleven zij staan.
—Wàt zei ze?
—.... Ja, wat zei ze?
—Wat zei die Fabulla?
—Wat zei ze toch!
—Dat wij waren....?
—.... Wij....?
—De tweelingen....?
—Ja, de tweelingen van....?
—.... van Crispina?
—Crispina? Wie is Crispina?
—Was Crispina dáar? In het Tribunaal?
—Wie is Crispina? Er zat naast de Keizerin, rechts, deVirgo Maxima.... Naast deVirgo Maxima....
—Domitilla, ’s Keizers nicht. En naast die, Fabulla....
—En links van de Keizerin....?
—Was dat Crispina! Onze moeder??
—Ik weet het niet....!?
—.... Ik weet het ook niet....!?
Ze zagen elkaâr aan, toen om, en op. Het Theater, decaveawas vol. Het was broeiend warm onder het roodevelarium. Het was meer dan middag; de wind had zich gelegd, hetvelariumhing, slap uitgegolfd, bijna roerloos. Het water, de marmeren wanden langs, tappelde. Pff.... wat was het warm: zoûer onweêr dreigen....? En nergens een plaats, naar het scheen....
Maar iedereen herkende hen. Hoewel deatellanaheel grappig was, met Pappus en Maccus, zagen aller oogen hun toe. En riepen stemmen:
—Cecilius! Cecilianus!! Kom hier!
Het waren de matrozen van Ostia, het waren de slagers, warmoeziers, ooftverkoopers van het Velabrum, het waren de Gallen, het waren Taurus en zijn meiden, het waren de vollers en de soldaten. Het waren niet de voornamere winkeliers van den Vicus Tuscus; het was niet Tryfo, de boekhandelaar: die waren allen te deftig om den twee komediantjes plaats in te schikken. Maar van héel hoog bulderden degladiatoren:
—Jòngens! Kom hier! Cecilius! Cecilianus!!
Carpoforus en Colosseros bulderden het zoo overheerschend, dat zelfs de Keizer omzag. Zijn nar eveneens. Zij keken naar boven, terwijl de jongens op den roep dergladiatorenwuifden en de trappen vlug op klauterden. En de Keizer wees Plinius en Verginius Rufus, met wie hij sprak, zeker Carpoforus, dien hij herkende, en die zijn geliefde zwaardvechter was.
De jongens bereikten de hoogste omgang. Het was er vol, vol. En het was er warm. Het was er als een roode oven zoo vlak onder het roode, brandendevelarium.... En er was geen plaats. Al degladiatorenvan het Colosseum, al de wagenmenners van het Circus Maximus, met tal van soldaten hadden zich daar opgeschoten en allen waren als met rooden gloed overgoten.
—Kom dan maar weêr op mijn knie, zei Colosseros tot Cecilius.
—Zit jij maar hier boven, zei Carpoforus tot Cecilianus.
En de Jager pakte zijn korten mantel te samen als tot een kussen en deed Cecilianus daarop, op depræcinctio, zitten boven zijn hoofd; hij trok Cecilianus’ ranke beenen over zijn zwareschouders. De jongen lachte; hij zat kleintjes, als op een groot paard, op Carpoforus’ breeden nek; hij hoste speelsch als een kind op en neêr, zijn handen aan Carpoforus’ ooren, deed hij of hij mende.
—Zit je goed?
—Ik zit heel goed, Jager. Zit jij goed, broêrtje?
Cecilius zat goed. Plots riepen ze te gelijker tijd:
—Maar ze spelen een parodie op òns....!
In der daad, Pappus en Maccus, voór hetsiparium, speelden een parodie op deBacchides. Het was de traditie: deatellanavertoonde zeer vaak de parodie op de vooraf gegane „statarische”palliata. De jongens hadden er dol pleizier om. Pappus en Maccus deden kluchtig Cecilius na en Cecilianus: zij liepen met densoccus-tred; zij droegen dunne, hooge pruiken; zij zongen met valsche falsetten; zij mimeerden hun bevalligheid na; de jongens schaterden van het lachen! Af van de planken,soccusuit, waren zij weêr kinderen, hadden zij pret, hoste Cecilius op Colosseros’ knie, reed Cecilianus, schaterlachende, paardje op den massieven nek van Carpoforus, die zijn vuisten om de enkels van den jongen sloeg.
Hetaulariumòp. Applaus. Broeiende warmte; boven hetvelariumrolde de donder.... De toeschouwers snakten naar adem.
—Wàter! Watèr!!
.... Er stroomden de waterstralen, ontspoten de geuren daar ginds. De jongens snoven de geuren op. Lèkker vonden ze dat!
—Wat ben je nog blàuw! zei Colosseros tot Cecilius; om je oogen!
—Thymele heeft ons ook zoo gehaast, mopperde Cecilius.
—Ja.... heeft ons vreéslijk gehaast.... mopperde Cecilianus. Omdat Gymnazium haar kappen moest....
Colosseros maakte zijn vinger goed nat met spog en veegdeer meê om Cecilius’ oogen. Carpoforus schepte water uit het gootje aan zijn voet en waschte Cecilianus. Als zoete kinderen lieten de komediantjes zich poetsen. De fluiten snerpten. Neêr hetaularium. Heftig applaus. De patriciërs zetten zich weêr.
Eindeloos duurde, volgens de traditie, de voorstelling, sleepte zich voort met deatellanæ, die elkander volgden. In het publiek zuchtten zij op, bewogen zich te vergeefs om te verademen, puften. Het was heerlijk komedianten te zien, maar het was wel stikwarm, zoo broeiend.... Het was nu tegen het negende uur. Weg mocht niemand, nu de Keizer er was. Weg wilde ook niemand. „De Koffer” toch zien, met Latinus! „De Koffer”.... Ja, „De Koffer”! Goden, het was niet meer om uit te houden! Al was de Keizer er, al was er het Hof, kwinkslagen sloegen toch links en rechts, als vogels, die de vleugels uitslaan in een kooi. Het mocht wel, binnen zekere grenzen. Het was toch een volksfeest?! Er werd wel wat geduld. Tijdens depalliatawas het publiek aandachtig geweest. Nu was het toch echt om te lachen, pret te hebben. „De Koffer”: het mimusspel van Publilius: overspel-tafereelen! Thymele verborg haar minnaar, die Latinus was, in een koffer. Destupidus—hij heette Corinthus—was de bedrogen echtgenoot. Hoe ze om hem lachten: Thymele dànste; hoe ze danste op, om, tegen den koffer aan! Latinus dook uit den koffer weêr, sprong omhoog.... De jongens vonden het dòl. Ze vermaakten zich als kinderen; zij, die zelve de talentvollecomœdiwaren, die speelden, zongen, dansten de Bacchides. Degladiatorenbulderden om de moppen van Latinus. Nilus schaterde. De heele zaal schaterde....
Het werd heel donker.... Hoe donker werd het! En het broeide, het broeide, in den nu donkerrooden oven.
—Lùcht! riep een mannestem, naast een bezwijmende vrouw.
—Lucht! Lucht! Lucht!! riep het van alle kanten.
Een geknars. Een geruisch. Hetvelariumrolde open, naar descænatoe....
—A-a-a-ah! juichten degladiatoren, ruim ademend.
De beelden, die het Theater omkransten, verzichtbaarden in hunne verstarring. Maar de lucht was zwaar zwartgrauw met wolkgevaarte bedekt. Enkele droppelen vielen.
—O-o-oh! klonk het teleurgesteld in decavea, omdat het te regenen begon.
Hetvelariumbleef ongeveer half het Theater beschutten, ten gerieve van het Hof en de Aanzienlijken. Het was pauze. Oogen keken angstig naar boven, naar de donkere, donkere lucht. Maar ze zouden „Laureolus” zien, „Laureolus”, waar ze meê dweepten.
—Met Lentulus! Met Lentulus! juichten Cecilius en Cecilianus.
—„Laureolus”!! eischte decavea, hoewel tusschenspel nog voor hetsipariumvertoond werd.
Het werd eén kreet:
—„Laureolus”!!!
Boven het Theater rommelde het onweêr. Scheen het af te drijven. De ondergaande zon brak de wolken door, scheen, schuin, rossig, langs de beeldenrij, die het Theater bekroonde, op het tooneel. Hetsipariumschoof links en rechts open.
—A-a-ah! juichte het publiek.
Het was het grootemimus-spel: „Laureolus”, het meest geliefde. Allen, die daar zaten, spitsten zich, om te zien. Want het was het grootsche kijkspel. Het was „Laureolus”, de zeeroover, de dief en Lentulus speelde hem! Kijk toch: het was een storm en het rooverschip van Laureolus leed schipbreuk. De muziek der fluiten raasde: de fluitspelers, rechts en links, bliezen zich, tot bèrstens toe, den adem uit achter hetcapistrum.... Hun aderen stonden aan de slapen gezwollen. De geesten van den storm dansten in de lucht, over de golven. Het schip verging, maarLaureolus redde zich. Hij redde zich uit alle verwikkelingen en toevallige moeilijkheden, opgestapeld in hetmimus-drama. Hij redde zich, gepakt, uit de handen zijner cipiers door een ontzettenden sprong van heel boven een toren af, van heel boven uit het af dak van hetproscænium....
—O-o-o-oh! bewonderden degladiatoren, de soldaten, heel decavea.
.... Met een dubbelen doodensprong kwam hij op hetproscæniumte recht.... Hij spuwde bloed,—het was bloèd—hij spuwde stralen bloed. Al destupidi—de clowns, de narren,—sprongen hem, maar van véel lager verhevenheden, moeilijk na, spuwden bloed, met roode fonteinstralen, die elkander kruisten! Het tooneel was bespat en besprenkeld met bloed. Laureolus, tusschen de sprongen derstupidi, vluchtte. De tooneelschermen veranderden telkens: stelden voor een paleis, een gouden grot, waar Laureolus zijn geroofde schatten verbergt; Mercurius daalde neêr in een wolkmachine: er was een feest, er volgde een gevecht van zeeroovers en herders. De meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen volgden elkaâr eindeloos, eindeloos op, terwijl de wolken weêr donkerden en, rood door de zwoelte, daalde de zon.
In decaveawas het publiek in de uiterste spanning, om Laureolus. Hij werd gepakt; ja, hij werd weêr gepakt: de dief, de moordenaar, de misdadiger! Er was een proces, en de rechters waren destupidien alles in het geding was kluchtig—de rechters deden acrobaten-sprongen—en Laureolus werd veroordeeld en kluchtigde omdat hij veroordeeld werd....
Plotseling sloeg een heftige bliksemflits boven het Theater uit in de lucht. Het donderde dadelijk na. De regen kletterde neêr.
—O-o-oh! protesteerde het volk.
In het rechtsche Tribunaal was Domitianus opgerezen, bang. Er was een tumult van vertrek, een gedrang van paleis-officierenencubiculariïom den Keizer heen. Commando weêrklonk: de Prætorianen, schild en speer kletterend, marcheerden de trappenvlucht af om zich buiten te scharen om den keizerlijken draagstoel.
Het was als een sein. Velen vertrokken, haastten zich, uit deorchestra, de ridderbanken. De Keizerin vertrok. Het was zeer donker geworden en de regen kletste neêr....
Op het tooneel ging de voorstelling door. En decaveatrotseerde den regen. Zij wilden Laureolus zien kruisigen.
—Ik word zoo nat! klaagde Cecilianus, als een bedorven jongentje.
—Kom hier, zei Carpoforus.
Hij tilde den knaap neêr, zette hem als een kind tusschen zijn knieën, wikkelde hem bijna vaderlijk in zijn eigen kort manteltje. Colosseros en Cecilius zaten al in een mantel gedoken. Allen haalden onder zich hunne mantels uit. Het weêrlichtte en de donder rolde....
—Ben je zoo goed? vroeg Carpoforus teeder aan Cecilianus.
De knaap knikte tevreden.
Het tooneel veranderde. Het kruis werd zichtbaar, een T gelijk. Door het onweêr heen snerpten de fluiten. Deorchestrastroomde leêg. In het Theater hoorde men van buiten het verwarde geschreeuw om de draagstoelen, het tumult der duizenden. Daar werd Laureolus door de beulen op hetproscæniumgesleept.
—Wòrdt hij gekruisigd?? riepen zij hier, daar, in decavea.
Het was immers altijd een pop, die gekruisigd werd! Maar deze man, die zich verweerde, tusschen de vuisten van zijn beulen, was dat niet de beroemdearchimimusLentulus??
—Ja, ja, hij is het! riepen zij hier. Het is Lentulus!
—Neèn!! Hij is het niet! Hij is het niet! riepen zij daar.
—Hij is het niet! riep Nilus, overtuigd, scherp toe ziende.
—Hij is het nièt!! riepen degladiatoren.
Allen zagen ademloos toe. Zij zagen.... dat het niet Lentuluswas. En boven het Theater donderde het en de stortregen stroomde neêr uit een grauwe lucht.
—Bij alle goden! riep Nilus. Weet je wie het is? Het is die weggeloopen slaaf, die met dien dief zoo dikwijls in mijn taveerne kwam!
Maar van beneden, uit decavea, ruischte het plotse gerucht, stemmedruischend naar omhoog.
—Het is een weggeloopen slaaf! Hij wordt in de plaats van Lentulus gekruisigd als Laureolus! Hij wordt gekruisigd! Het is de moordenaar van Nigrina!!
—O-o-o-oh! ruischte het, met den regen, door de toeschouwers heen.
Hetvelariumwas geheel wèg gerold. De regen stroòmde. Maar duizenden nog, in een verwarring, zagen naar de vreeslijke verrassing, die Domitianus bevolen had. De weggeloopen slaaf, die gedacht werd de moordenaar van Nigrina te zijn, werd voort gesleept door werkelijke beulen. Het décor stelde nu een somber heuvelig landschap voor, waarin de T van het kruis zich verhief, overstriemd voor des toeschouwers oogen door de straffe regenstralen, die stroomden in decavea, hoewel niet op hetproscænium, dat afdak beschutte. Allen waren opgestaan, zagen ademloos toe....
—Zal het dìt zijn, riep Quintilianus, alle voorzichtigheid en mogelijkheid van verklikkers vergetende; waartoe de Grieksch begonnen voorstelling verloopt!
—Grieksch is de mode, spotte bitterlijk Juvenalis; zoo lang Latijnsche bloedlust niet spreekt!
—Laat ons gaàn! drong Plinius.
—Ja, laat ons gaan, vrienden! smeekte bijna de oude Verginius Rufus.
—De Keizer zèlve is gegaan en ziet deze afschuwelijkheid niet aan!! riep Tacitus.
—Ik hoor hier, zei Frontinus; van deze Senatoren, dat een beer den ongelukkige aan het kruis zal verslinden!
—Het einde van „Laureolus”! spotte verontwaardigd Suetonius.
—Gaat, vrienden, zei Martialis. Ik blijf.
—Blijft ge?? riepen zij allen.
—Ik blijf, zei Martialis ernstig. Dit ismijntijd. Dien wil ik zien. Ik wil mijn tijd toeschouwen om hem te kennen....
—Ga meê! drongen zij.
—Gaat! Ik begrijp, dat gij allen gaat. Ik, ik blijf.... Ik wil dit zien. Dit is mijn tijd.
—Onze tijd, zei Tacitus somber; dien ik eenmaal zal boèken, opdat het nageslacht weten zal!
—Ja, riep Juvenalis. Dit is onze tijd, dienikeenmaal zal geeselen!!
—Ik, zei Martialis; niet anders dan tòch bezingen, omdat ik niet meer dan dichter ben. Verontschuldigt mij, vrienden en gaat. Gij zijt meer dan ik en ik begrijp, dat gij niet blijven wilt.
Hij drong ze zelve zacht weg. Hij was zeer bleek. Hij zag toe.
—O-o-oh! kreunde het door de menigte.
Het kruis werd uit hetproscæniumgelicht en neêr gelegd. De fluitmuziek, door den regen heen, krijschte....
En de slaaf schreeuwde, maar een prop werd hem geduwd in zijn mond....
Toen werd hij gelegd op het kruis, de armen wijd.... De hamers der beulen klonken op de groote spijkers, die zijn handen doorboorden....
—O-o-oh! kreunde het overal.
De voeten van den slaaf hadden een wanhopigen ruk. Te vergeefs. De beulen grepen zijn voeten en knelden ze vast....
—O-o-oh! kreunde het steeds, als in weêrzin, door het Theater, door de staande, als bezeten starende toeschouwers heen. Deregen stroomde recht neêr uit de zwarte en grauwe lucht. De donder rolde. Het weêrlichtte telkens....
—A-a-ah!! riep de menigte.
Het kruis richtte zich op in de knuisten der beulen. Rondom gebaardenmimen, kluchtig, juichten allen, die „Laureolus” had bestolen, verrezen de schimmen van wie hij vermoord had. Fluitgesnerp door regengeruisch.... Toen hing de gekruisigde, tegen het theaterlandschap, overstriemd zichtbaar door werkelijke regenstralen....
—O-o-o-oh!
En het bròmde....
—De beer! De beer!! riepen zij.
Het gerucht, dat de beer den misdadiger verslinden zoû aan het kruis, was overal in decaveanu door gedrongen....
—Proces duurt in Rome làng, grinnikte Taurus tot de Alexandrijnsche. Maar een moordenaar wordt er gekruisigd binnen twee dagen....
—Maar ze zeggen, riepen de matrozen uit Ostia; dat hij niet de moordenaar is!
—Wie dan? Wie dan? werd geroepen.
—Een dief, die mèt hem was.... meende de slavenkoopman.
—De dief? Neen, deze slaaf hier!! was de voller bijna zeker.
—Neen, de dièf!!! schrilden de Gallen.
—Dus hij....? riep het uit de slagers en warmoeziers.
—.... zoû onschuldig zijn....?? klonk het overal.
—.... Sst! De verklikkers.... fluisterde het.
—De verklikkers! De verklikkers....!
Allen zwegen. Allen zagen toe.... Duidelijk bromde de beer achter de schermen, waar hij aangehitst werd door debestiariï. Plotseling waggelde hij te voorschijn....
—A-à-ah! kreten de vrouwen....
Zij waren bang, dat de beer in deorchestrazoû springen....
Leêg was deorchestragevloeid; ter zijde slechts, op depræcinctiones, stonden in den regen silhouetten in witte toga’s, te kijken. Voor de eerste ridderbanken stond Martialis.
De beer keek, kop schuddend, decaveain. Hij bromde. Achter de schermen hitsten debestiariï, die hem aan een ketting hielden, aan. Zij trokken hem dichter bij het kruis.
—O-o-oh! kreunde het door het Theater.
De beer snoof het bloed, dat tappelde van de voeten en handen van den gekruisigde. En met een razenden sprong wierp hij zich, staande plots, reusàchtig, op het slachtoffer. Zijn klauwen sloegen in de naakte borst: hij rukte en zijn muil spalkte zich over de bloedende vormenloosheid, die daar hing als een druipende, roode, lillende lap....
Cecilianus, nieuwsgierig, oogen gesperd, had zich los gemaakt uit de armen van Carpoforus, uit diens mantel. Hij was op gerezen, hij stond te kijken.... Toen sloeg hij de armen op....
—A-àh!! snerpte de radelooze gil van den knaap. Zijn armen bewogen in de lucht, en hij viel flauw.
—Mijn broêrtje!! kreet Cecilius.
Allen drongen weg, de laatsten uit de ridderbanken, het volk uit decavea.... Ook de soldaten, de matrozen, degladiatoren....
—Mijn broêrtje! huilde Cecilius.
Carpoforus tilde den bezwijmden knaap op; het blonde hoofd viel op den massieven schouder van den Jager.
—Zal je hem dragen, Carpoforus? snikte, smeekte Cecilius.
De Jager knikte. Allen daalden de trappen af, sprongen van omgang op omgang. Alles stroomde in den stroomenden regen het Theater uit. De Jager met zijn last—pluimelicht woog de knaap hem in zijn arm, over zijn schouder—volgde zijn makkers. Colosseros troostte Cecilius.
—Kom meê, zeide hij. Kom meê.... Niet huilen, Cecilius: Carpoforus zorgt wel voor Cecilianus....
De Jager, langzaam, daalde.... Daar ginds, vergaten, in de ontzetting, de tooneelknechten hetaulariumte doen rijzen....
Zichtbaar bleef, in de doorregende schemering—de beer weg getrokken door debestiariï—de vage T van het kruis, zich af teekenen met de lillende, roode lappen van vleesch.... De Jager zag er naar om, terwijl hij daalde, het kind in de armen, trede na trede; omgang daalde hij na omgang; telkens, als kon hij zijn blik niet àf wenden, zag hij naar de verschrikkelijkheid. Gluurden zijn oogen—die van een lief, groot, sterk beest—er angstiglijk heen. Gluurde hij schuiner, angstiger.... Drukte hij dichter tegen zich het bezwijmde knapelijf en glúurde hij....
—Zoo.... dacht hij; eindig ik óok eens....
Op de laagstepræcinctio, bij de poort, die hij uit zoû gaan, wierp hij zijn laatsten blik.
—Zoo, dacht hij weêr; eindig ik ook.... Morgen.... Of overmorgen....
In het geheel leêge, overregende Theater, in de stralen-doorstriemde schemering, die de tragische lucht neder sloeg, stond nòg, geheel alleen, Martialis te staren op het einde van „Laureolus”....