VIII.

VIII.Buiten—de slagregen stroomde uit de donkere lucht—krioelden in de portiek van het Theater de duizenden. De portiek, een vierkante, overdekte zuilenhal, voegde zich tegen de rechte achterzijde aan van het Theater. En om dendominusstond er zijngrex—zij waren door de deuren van hetproscæniumin de portiek gekomen—en dedominus, de vuisten gebald, snikte er als een kind, terwijl een vloed van woordenhem de lippen ontwelde. Om hem stonden Lentulus, Thymele, Latinus, Gymnazium; Cosmus kwam aan....Zij poogden hem te bedaren, angstig ziende om zich heen.—Het kàn me niet schelen! snikte, met woedende oogen, dedominuslos. Laàt de verklikkers het hooren! Heb ik niet altijd tact gehad en beleefdheid betracht met alle officieele persoonlijkheden? In Antiochië, in Klein-Azië, in Neapolis, waar we ook maar zijn geweest? Maar nooit, hooren jullie, noòit en nèrgens heb ik zoo een kunstverkrachting moeten slikken! Ik bereid alles met zorg voor: de Hymne en Attis’ Dans.... was dat bijna niet zuiver Grieksch? Kunnen wij iets beters doen dan, wat zuiver Grieksch is, benaderen? De Bacchides.... was dat niet een volmaaktheid, zoû het ten minste niet een volmaaktheid zijn geweest, als deparazietniet zijn bokkepruik op had gezet....?—En dat, met zijn parazietmasker al voor,dominus! schertste Latinus.—En het was een mooi masker, prees Thymele. Met dat begeerige eène oog en die gulzige benedenlip: heusch, je hebt moòie maskers!—Mijnsenex-maskers zijn ook heel mooi, wierp dedominusin het midden; maar wat ik zeggen wilde....Het krioelde nu dicht om hem heen.—Wat hebben Thymele en Latinus niet van dien ouden „Koffer” gemaakt! Goden, het vervelende ding, dat ze àltijd weêr willen zien! En hoe heb ik het toch weêr gemonteerd en hoe hebben Thymele en Latinus het niet gedanst! Het was iets nieuws zoo als we het gaven: alleen die koffer zelve, was prachtig van kleur en lijn: het was een Grieksche koffer, maar grooter natuurlijk, heel groot. Het was kùnst en de tusschen-atellanæ, heb ik die ook niet....—Mooi gegeven,dominus! riepen ze allen uit. Pappus en Maccus en de drie dikbuikige kraamgodinnen!—Heb ik vanLaureolusniet alles gemaakt wat er van zoo een kijkstuk te maken was??—Ik heb, troostte hem Lentulus; nooit den Laureolus in zoo mooichoragiumgemimeerd als van daag,dominus....—Choragium? Het is àlles van het Theater, van deædilen, maar heb ik niet gekòzen, die woeste landschappen zoo opgesteld, die schipbreuk met den storm aangewezen en dien dans van de geesten zoò doen uitvoeren?—Je hebt me alleen van een te hoogen toren laten springen,dominus, zei Lentulus. Ik dacht waarachtig, dat ik mijn nek zoû breken.... En vooral, dat ik geen bloed zoû kunnen spugen.... En dàt moet toch, hè....—Je toren moèt hoog zijn, zei dedominus. O, denk niet, dat ik je voor mijn pleizier je sprong doen laat van uit het afdak over descæna! Mij persoonlijk, is het Theater het liefst als tooneel en niet als gymnazium. Maar een arena hoeft het nog niet te worden. En dàt is het geworden, van daag! Met dien beer! Met die verschrikkelijkheid. Met die kruisiging en dien àfschuw van dien half verslonden, rood druipenden moordenaar....—Die misschien geen moordenaar is.... fluisterde Cosmus.—Neen, die geen moordenaar is, fluisterde Gymnazium. Ze zeggen....—Dat de dièf de moordenaar is van Nigrina.... zei Cosmus.—Dat kan me niet schelen, weerde dedominuswoest af. Wat mij buiten mezelven maakt, is de kùnstverkrachting.... Het was een schandaal!—Daar gaat de beer! wees de danseres.De beer ging er gemuilband langs de portiek, aan kettingen gehouden door zijnbestiariï. Hij waggelde onverschillig den stortregen door, onbewust, dat hij de kunst had verkracht, aan het slot vanLaureolus. Andere beesten volgden hem: de geiten en bokken deratellanæ, met hunne bezitters.—En hier ben ik op mijn ezel! zei Nilus, die degladiatorenverlaten had, om zijn ezel te halen. Het arme dier! Het is kletsnat.En hij poogde met zijn reeds natten mantel zijn natten ezel droog te wrijven onder de portiek.Cecilius kwam met Colosseros en de anderegladiatoren, Murrhinus, Triumfus, Priscus, Verus.—Bij Apollo!! kreet dedominus. Waar is Cecilianus?? Is er een òngeluk met hem gebeurd?!Want Cecilius’ gezicht stond droevig en was betraand....—Neen,dominus, stelde Colosseros gerust. Hij is flauw gevallen en Carpoforus draagt hem....—Hij is flauw gevallen....—Toen hij den beer....—„Laureolus” zag verslinden, legden degladiatorenuit.—Maar niet mij! kluchtigde Lentulus.—Daar komen ze! zei Thymele.Carpoforus droeg Cecilianus aan. Hij toefde, heel langzaam, nog buiten de portiek. Want hij dacht:—.... Als Cecilianus zijn oogen op slaat voór ik de portiek met hem binnen ga, zal ik morgen den Numidischen Leeuw overwinnen. Als hij zijn oogen opslaat in de portiek, zal ik.... het afleggen tegen den Leeuw.En daarom talmde hij, talmde hij, in den stortregen, in zijn arm den knaap, als een kind, wiens blonde hoofd lag op het breede, harde kussen van zijn Herkulischen schouder.... Daarom talmde hij, om Fortuna en zich een kans te geven.Cecilianus zuchtte op, opende de oogen.—O, lief kind! Zoete jongen!! mompelde de Jager hartstochtelijk en hij drukte Cecilianus in vervoering tegen zich aan.Hij verhaastte zijn pas, kwam tusschen de anderen in de portiek.—Ik breng je je Bacchis, de Reizigster,dominus! juichte bulderend Carpoforus.—Ik ben zoo nat! zei onbehagelijk Cecilianus, dien de Jager zette op den grond. Cecilius wikkelde hem in delacerna, die de edele Plinius hun had gelaten.—.... Maar dàt zeg ik jullie, bulderde dedominusplotseling los.—....Dominus....!—....Dominus....!—.... Pas toch op: de verklikkers....!—.... Dat ik morgen nièt de Bacchides geef....—.... Hè,dominus!—....dominus!! riepen de tweelingen, te leur gesteld.—Neen! bulderde dedominus. De Hymne, dat kan niet anders—maar de Bacchides weêr geven op die zelfde planken, waar nu nog ligt het bloed van een werkelijken misdadiger....—.... Als die maar een misdadiger wàs.... fluisterde het rondom.—.... dat doè ik niet! betuigde dedominus. Ik geef morgen deMenæchmi!—En detitulus? zei plotseling Martialis, die was aangekomen en dendominushad gehoord.—Kàn me niet schelen, schreeuwde dedominus.—En wie speelt Erotium, in deMenæchmi? vroeg Cecilius. Cecilianus?—Neen jij, mopperde dedominus.—Laat Cecilius maar Erotium spelen,dominus, zei Cecilianus. En Clarus dematrona.... Want dáar heb ik geen lust in.—Neen,dominus, laat Cecilianus maar Erotium spelen! wedijverde Cecilius in beminnelijkheid. Maar Clarus wel dematrona....—Ach, zei Cecilianus; die is toch zoo eenmatrona-jongen.... Net een oud wijf, fluisterde hij zijn broertje in.—Cecilius speelt Erotium, besliste dedominus.—Vrienden! zei Nilus. Het is niet om mijn zaak aan te prijzen maar hebben jullie geen honger? Ik heb van morgen voor dag en dauw al gekokereld met moeder voor jullie....—En wij.... wij hebben nièt gekookt, zeiden Matta, Prisca en Flacca, Taurus’ meiden, die met denlenoen de Alexandrijnsche aan kwamen.—Ikheb een heerlijkmoretumklaar staan, hèt gerecht voor de Megalezia! verlokte Nilus.—Nilus! zei dedominus. Dan gaan we allen met je meê. Paraziet, hoor eens....De „paraziet”, fijntjes geknepen zijn in het leven matigen, dunnen mond, gehoorzaamde.—We spelen morgen deMenæchmi.—Goed,dominus....—Hoor je,senex-Eén?—Ja,dominus.... De heilige „Bacchides” zouden op die bloedgedrenkte planken worden ontwijd.... Eerst maar deMenæchmiom ze rein te wasschen.—Paraziet, ging dedominusvoort, terwijl allen lachten om densenex. Je hebt slecht gespeeld van daag.—Ja,dominus....—Ik zoû je door Silus en Afer moeten laten geeselen, dat de vellen er af vlogen.—Laten kruisigen,dominus, zei de „paraziet”; en dan laten verslinden door een beer.—Maar niet op de zelfde planken, waar de heilige „Bacchides” zijn vertoond, treiterde desenex.—Jij hadt maar....!—Ja, jij hadt maar....!! vielen Cecilius en Cecilianus in.—Een prachtige rol in die „Bacchides”!—In die heilige „Bacchides”!—Paraziet, zei dedominus; ik zal je niet laten geeselen.—Neen,dominus, zei de „paraziet”.—Op éen voorwaarde.—Ja,dominus....—Dat je morgen zóo goed als je kunt je rol in deMenæchmispeelt.—Ik beloof het je,dominus.—En overmorgen? vroegen de jongens.—DeBacchidesweêr, zeide dedominus.—Dan zijn de planken schoon gewasschen door deMenæchmi, treiterde desenex.—Vooruit dan, vrienden! riep Nilus. Gaat iedereen meê, avondmalen?—Ja, ja, ja, ja! riepen allen; Lentulus, Latinus, Thymele, Gymnazium....Cosmus maakte zich uit de voeten: hij was de geùrwerker, de beroemde, van den Vicus Tuscus.... Hij ging avondmalen met Tryfo, den boekhandelaar en de zijdeverkoopers en de goudsmeden....—Wie mag ik mijn ezel bieden? noodde Nilus. Kom, wie wil er op mijn ezel zitten?—Alexa! Alexandra!! riepen de meiden van Taurus.—Neen, zei Nilus’ moeder. Ik ben niet moê.—Cecilianus, zei Thymele; het lieve ventje is flauw gevallen!—Ach wat! riep Cecilianus. Ik ben weêr beter. Het was alleen maar éven om dien beer. Ik wil niet op den ezel. Thymele, ga jij er op!—Ja, Thymele! moest Cecilius na komen. Ga jij op den ezel zitten!—Neen, zei Thymele; ik loop wel graag na gedanst te hebben: dàt houdt juist mijn lange beenen lenig.—Nou, zei de voormalige, Gymnazium; als Alexa niet op den ezel wil.... ze is even zoo dik als ik....—Alexa is dikker, zei Colosseros.—Ze zijn even dik, meenden Murrhinus en Triumfus. Ja, ze zijn even dik!—Meten! riep Carpoforus.—Neen, weerde Nilus’ moeder af. Ik ben immers veel dikker dan Gymnazium.—Nou.... zei Gymnazium. Als dat dan alles zoo is.... dan zitikwel graag op den ezel.—Wachten we nog, tot de regen op houdt.... ried dedominusaan.—Het druppelt alleen nog maar wat, zei Cecilius.—.... Ja, zei Cecilianus, hand buiten de portiek; het druppelt alleen nog maar wat.—Vooruit dan, spoorde Nilus aan. Gymnazium op den ezel!—Gymnazium op den ezel! klonk het van alle kant.Gymnazium, door Nilus geholpen, geheschen, poogde zich op den ezel te zetten, Amazone-gelijk.—Ik glij er af!! riep Gymnazium.—Schrijlings dan! rieden degladiatoren.—Ik kan niet! riep Gymnazium.Degladiatorenkwamen te hulp. Links en rechts grepen zij een been van Gymnazium en heschen zij haar schrijlings er op.—Heu, jongens! riep de voormalige. Is dat trekken en pakken en ruw zijn! Ik kon jullie moeder wel zijn.—Gaan we! noodde Nilus.—Vooruit! Vooruit! riepen allen.Zij gingen. Het regende nauwlijks meer.—Kan je loopen, mannetje? vroeg de Jager teeder tot Cecilianus, die geluk hem zoû aanbrengen, morgen, in het Colosseum, als hij den Leeuw moest bekampen.—Jawel....—Zit je niet liever op mijn schouders?—Ja! O ja! Op je schouders! Paardje rijden! juichte Cecilianus.—Jij op mijn schouders? vroeg Colosseros aan Cecilius.—Ja, ja! wilde Cecilius wel. Als Cecilianus op zijn schouders zit, wil ik wel op jou schouders zitten!—Vooruit dan!Degladiatorenbukten, vuisten op knie. De jongens sprongen op hun ruggen. De ezel ging voor, met Gymnazium, Nilus en Alexa ter zijde. Volgden Taurus en de meiden. Volgde de geheelegrex, met Latinus, Thymele, Lentulus, de „beroemde” gasten, joviaal met zelfs de minsten van den troep. Hosten ter zij van den stoet Carpoforus met Cecilianus, Colosseros met Cecilius op zijn nek. De jongens schreeuwden, van pleizier, als kinderen. Volgden de anderegladiatoren.Allen gingenmoretumeten bij Nilus; hèt gerecht van de Megalezia: wijnruit en kaas, met knoflook doorgeurd: de heerlijke koude schaal!Martialis, alleen, zag hen bijna weemoedig na. Hij had meê willen gaan. Maar zij vergaten hem te nooden en daarbij, hij werd bij den Keizer verwacht. Naar huis, om zich te verkleeden? Heelemaal naar Nomentum, te voet? Om in plaats van dit eene rare, natte toga-tje, een ander, even raar, hoewel dan toch wat droger, om te doen!Neen, dat zoû hij maar niet. En, door de modder, plaste hij, eenzaam, door de nog regenstroomende modderstraten der Theater- en portiekenwijk, naar het Palatium, om den Keizer te verstrooien.IX.Dien volgenden avond laat—hoe vol was het weêr bij Nilus!—zaten Cecilius en Cecilianus, bij de schenkbank, vlak tegenover de telkens open en dicht gaande deur, hun soep te eten. Zij hadden elkaâr den geheelen dag niet gezien, en zij zaten nu schouder aanschouder, knie aan knie en aten uit éen groot bord, hongerig: zij slurpten er uit het vleeschnat, zij vischten er uit de worstjes en vertelden elkander honderd-uit, als of zij elkaâr in maanden niet hadden gezien. Zij bemoeiden zich niet met de anderen—daar zat de heelegrex; daar zaten de Gallen engladiatoren—maar zij, hun bord in hun schoot, hun kroes in de vingers, vertelden, vertelden maar door....—Je moet dan weten, zei Cecilius—om hen heen roezemoesde het stemgedruisch—dat juist, toen de „paraziet” in het midden van zijn groote scène was....De deur ging open: de matrozen uit Ostia met Sila en de andere vrouwen drongen luidruchtig binnen. En vóor het huis van Taurus zagen de jongens de meiden zitten op de hooge gestoelten: Matta, Flacca, Prisca en de anderen en ze riepen en de jongens wuifden terug, voor de aardigheid.—Nu, wat toen? vroeg Cecilianus nieuwsgierig.Cecilius lachte, vol ingehouden pret.—Toen gingen degladiatorenvoorbij het Theater om naar het Colosseum te gaan en, verbeeldt je, dat hóorde het publiek—we hoorden ze stappen en dreunen, hè, en toen was het een gedrang en woû iedereen ze zien en toen liep....—Kooltjes inlaserpiciumgestoofd? bood Nilus.—Hè ja, Nilus, dank je wel....—Dank je wel....Het leêge bord op hun schoot was vervangen. Cecilius ging voort:—.... toen liep het héele Theater uit om degladiatorente zien....—Om degladiatorente zien?—Ja.... en toen stond de „paraziet” in eens.... voor een leêge zaal te declameeren!! En vloekte die....! En omdat hij vloekte, riep het publiek: „masker af!” en moest die zijn masker af doen en werd die uitgejouwd, de „paraziet”!De jongens stikten van het lachen, de kooltjes bol in de wangen.—En toen? vroeg Cecilianus.—Vertel jij nu van het Colosseum? vroeg Cecilius.—Neen, vertel jij nu eerst van het Theater, drong Cecilianus. Ik ben zoo benieuwd te hooren....—Nou, zei Cecilius. De voorstelling was heel mooi....—Vol, decavea?—Ja, en deorchestraook. En de ridderbanken....—De Keizer was in het Colosseum....—Nou ja, natuurlijk....—En de Keizerin....—Nou ja, natuurlijk....—Natuurlijk: de eerste dag in het Colosseum....—Maar al die duizenden, die den eersten dag geen plaats hadden gevonden....—Nou ja, die waren in het Theater....—Het was weêr stampvol, zei Cecilius. Eerst de Hymne weêr. En toen de „Menæchmi”.—Klapten ze, toen je optradt als Erotium?—Ja, ze klapten heel erg. Gymnaziumstonstrixhad me ook weêr aardig gekapt: hèel anders dan als Bacchis....—Maar ik kon je niet schilderen....—Neen, ik heb het zelf gedaan.... En heusch, we hebben wel móoi gespeeld.... Allemaal: deadulescens, de eerste maar de tweede ook.... En desenex——je weet, ik kan hem niet uitstaan....—Niet uìtstaan, bauwde Cecilianus na, en loenschte naar densenex, die zat te schransen.—Maar hij speelde pràchtig.... Zoo als die draait met zijn masker, nu den goedigen kant en dan weêr den kwaadaardigen kant....—Toonde?—Ja.... pràchtig! Zonder dat het opzettelijk scheen. En de „paraziet” ook.... was wel heel goed.... al hadden ze hem „masker-af” geroepen en uitgejouwd.—Liep de zaal weêr vol?—Ja, toen ze degladiatorenhadden gezien.... Je kan niet overal bij zijn, hè....—Niet overal te gelijker tijd....—En morgen, broêrtje, spelen we samen weêr....—Morgen, broêrtje, weêr samen....—Onsstuk....—De „Bacchides”!—De „Bacchides”! De „Bacchides”!Ze zoenden elkaâr, de lippen vet van de kooltjes.—Jongens, riepen Colosseros en Carpoforus. Wat zitten jullie daar zoo samen te vrijen?—Nou.... we hebben elkaâr den heelen dag niet gezien! riep Cecilianus.—Den héelen dag niet.... Vertel jij nou, Cecilianus?En Cecilius was vol aandacht, terwijl Cecilianus vertelde van het Colosseum.—Ik ben er gegaan met Nilus en zijn moeder en met Taurus en de acht meiden, zei Cecilianus. Het was leuk, hoor en wel erg mooi.... Ik heb het nooit zoo gezien, zelfs niet inAlexandrië....—Nièt in Alexandrië??—Haalt er niet bij. Zoo veel wilde dieren er in de arena kwamen! Het was net als een woud gemaakt, met heuvelen en boomen en struiken, en daar tusschen wilde dieren. En Carpoforus heeft eerst met pijl op pijl vijf luipaarden geschoten: die kwamen langs de heuvelen en achter de boomen naar hem toe: ik was zoo bàng voor hem!—En miste hij er niet éen?—Niet éen.... En toen heeft hij een everzwijn, dat ze ophem los lieten, geplaagd met een ijzeren piek, dat het beest dol werd. En toen heeft hij het met zijn zwaard doorstoken!—Doorstoken, met zijn zwaard?—Ja, vlàk bij. En toen, o toen was het verschrikkelijk. Toen hoorde je een leeuw brullen, een grooten, Numidischen leeuw, met manen, wijd-uit. En verbeeldt je, daar heeft Carpoforus meê geworsteld....—Met den Numidischen leeuw?—Ja. Hij was heelemaal met een koperen maliënrusting bedekt, ook zijn hoofd, en om zijn handen had hij koperen malie-handschoenen. En toen pakte hij den leeuw, die zich op hem wilde gooien, bij den strot en toen worstelden ze samen, net als worstelaars. Het was vreeselijk; ik was zoo bang voor Carpoforus....—En toen?—Nou, toen stonden ze weêr samen op. De leeuw stond als een mensch op zijn achterpooten. En toen worstelden ze weêr. En toèn, stel je toch voor....—Toen....??—.... greep Carpoforus den leeuw bij zijn muil, en scheurde hem zijn muil in tweeën.... En de leeuw brulde, maar we hebben allemaal zóo hard geklapt, dat je den leeuw niet meer hoorde. Toen lag de leeuw dood, met een slappen staart tusschen zijn pooten en een open gescheurden muil!—Cecilianus! riep Carpoforus. Kom toch eens hier!—Kom toch eens hier, Cecilius! riep Colosseros.De jongens stonden op en kwamen, in iedere hand honigkoeken, die ze knabbelden.—Waar hebben jullie het toch over? vroeg Carpoforus.—Over jou, zei Cecilianus. Ik heb Cecilius verteld hoe je met den leeuw vocht.—En heb je niet van mij verteld? vroeg Colosseros.—Nog niet, zei Cecilianus. Stel je toch voor, Cecilius: Colosseros was verkleed als Herkules....—Met een knots en een leeuwevel?—Ja. En hij zag er hèel mooi uit. En toen ging hij zitten op een stier en toen ging de stier mèt Colosseros de lucht in, als in een apotheoze!—Ik had van het beest af kunnen donderen, zei Colosseros. Of met beest en al naar beneden kunnen bliksemen.—Hè! zei Cecilius spijtig. Kan ik dat nu nóoit eens komen kijken! Ik moet ièderen dag optreden: ik kan nu nóoit eens naar het Colosseum gaan!—En Cecilius, er was een olifant en die knielde voor den Keizer, of hij hem aanbad.—Hè, dat had ik ook willen zien!—En een rhinoceros en een beer heb ik samen zien vechten. En vrouwen heb ik zien vechten, manwijven, zoo als Nigrina er een was. En daarna stroomde de arena vol water en was er een Naumachie. Maar het móoiste vond ik toch.... Nilus, geef ons nog wat honigkoeken!—Hè ja, Nilus, geef ons nog wat honigkoeken!—.... Toen allemaal zwemmertjes, jongentjes en meisjes door het water zwommen en toen al zwemmend allerlei figuren maakten.—Figuren?—Ja, zei Carpoforus. Een drietand, hè?—En een anker, zei Colosseros.—Ja, zei Cecilianus; en allerlei starrebeelden en een schip met ontplooide zeilen....—Hè! pruilde Cecilius, treurig.—Wat is er, broêrtje?—Dat had ik nu toch ook zoo gaarne gezien: die starrebeelden en dat schip! Door zwemmertjes?? Ik moet maar altijd optreden!Cecilius’ oogen werden vochtig; zijn mond vertrok. Colosseroshad medelijden met hem, nam hem als een kind op zijn schoot.—Gaat zoo een groote jongen nou grienen, die rhetorica heeft geleerd en in de „Bacchides” zoo prachtig danst en zingt en speelt.... plaagde Colosseros en deed of Cecilius een kindje was.—Nou ja, zei Cecilius; maar ik zie zoo nooit wat in het Colosseum. Morgen spelen we weêr de „Bacchides”....—En overmorgen de „Menæchmi”, zei Cecilianus. Cecilius ziet zóo nooit wat in het Colosseum.... Weet je wàt!!Cecilianus had een ingeving:—Wat dan? vroegen degladiatoren, begaan.—Wat dan? vroeg Cecilius, betraande oogen.—Ik zal overmorgen jou rol spelen in de „Menæchmi” en dan kan jij naar het Colosseum. Ik doe het net zoo goed als jij....—Nou ja, dat natuurlijk wel.... Maar dan zijn we weêr een dag van elkaâr af. Weet je wàt!!Cecilius had een ingeving.—Wat nou weêr? vroegen degladiatorennieuwsgierig.—Wat dan? vroeg Cecilianus, rood van belang: hij zat op de knie van Carpoforus.—Clarus moet overmorgen Erotium spelen in de „Menæchmi” en dan gaan we samen naar het Colosseum. Met ons beidjes....—Ja, Clarus moet overmorgen....! juichte Cecilianus.—Clarus!—Clarus!—Clarus dan toch! riepen de jongens, degladiatoren.Clarus zat tusschensenex, „paraziet” en Syrus, die zoo mooi zijn „slave-rol” in de „Bacchides” gespeeld had,moretumte eten....—Nilus doet er te veel knoflook in, meende Cecilianus.—Ja, wel wat veel.... was Cecilius het eens; hij veegde zijn oogen af.Clarus drong zich een weg tusschen de gasten.—Wat is er, zei Clarus; zoo een echtematrona-jongen, vond Cecilianus; net een oud wijf....—Clarus, zei Cecilianus met zijn liefste stemmetje; wil jij niet eens, overmorgen....—In Cecilianus’ plaats? meende, allerliefst vragend, Cecilius, en ging door:—.... In de „Menæchmi”....—.... Erotium spelen?? glimlachte schattig Cecilianus naar Clarus op.—Nou,ikwèl! zei Clarus. Maar jullie spelen altijd de mooie rollen en ik moet maar dematronaspelen.—Linus kan overmorgen wel dematronaspelen, zei Cecilianus beslist.—Ja, Linus kan wel.... meende Cecilius.—Dominus! riep Cecilianus.—Dominus!! riep Cecilius harder.—Dominusdan toch! bulderden degladiatoren, vol belang in het komedianten-intriguetje.Lavinius Gabinius kwam.—Wat is er? vroeg Lavinius Gabinius.—Dominus....—Dominus.... begonnen de jongens, en Cecilianus, voor zijn broêrtje:—Morgen de „Bacchides”, hè? Overmorgen de „Menæchmi”??—Neen, de „Bacchides” weêr, zei dedominusbeslist.Cecilius begon te grienen.—Dan zie ik nooit.... begon hij.—Sst!! zei Cecilianus en legde zijn hand op broêrtjes mond.Dominus, ging hij voort; Cecilius is moê.... van iederen dag een groote rol te spelen. „Bacchides”, „Menæchmi”, „Bacchides”, „Menæchmi”....—En wat woû Cecilius dan....??—Met een leeuw worstelen, voor de afwisseling, zei Carpoforus.—Neen, op een stier in de lucht geheschen worden, als ik van middag! zei Colosseros.—Neen! zei Cecilianus en trok Carpoforus boos aan de ooren. Nou geen màlligheid maken! Het is heel ernstig. Cecilius moest eens rùsten.—Rùsten? vroeg dedominus, die het niet door zag.—Ja, zei Cecilianus; Cecilius is moê. Als we nu morgen de „Bacchides” hebben gespeeld, moesten we overmorgen allebei.... rusten.—O.... Rusten? vroeg dedominus.—Ja, meende Cecilianus.—Rustiksoms tijdens de Megalezia?—Neen,dominus, zei Cecilianus; maar als we moê zijn en slecht gaan spelen....—Dan krijgen ze tòch niet op hun donder! riep desenex.—.... Zoû je het lang niet prettig vinden,dominus....Cecilianus, aan den arm van dendominus, flikkeflooide naar hem op.—.... en daarom moest je overmorgen de „Menæchmi” geven met Clarus als Erotium.... En Linus als dematrona.—Zonder repetitie?? riep dedominus.—Ach, we kunnen immers àllemaal die „Menæchmi” wel droomen! zei Cecilianus.—We kènnen de rollen,dominus, zeiden Clarus en Linus, die blij waren eens een kàns te hebben omdat Cecilius en Cecilianus samen naar het Colosseum wilden.—Nu.... goèd dan! zei dedominus. Maar als jullie niet goed spelen, krijgen jullie....!Clarus, Linus waren niet bang. Nilus schonk de kroezen vol.—Ga je eens meê naar de Broederschap van Isis,dominus? vroeg Nilus.—Na de Megalezia, misschien, vriend Nilus, meende dedominus. Mijn hoofd loopt me nu heusch om. En dan nog die dondersche jongens, die altijd weêr wat anders willen....Op Carpoforus’ en Colosseros’ knieën glunderden Cecilius en Cecilianus.—Overmorgen! smoesden zij blij. Overmorgen! Gaan we samen naar het Colosseum!—En Cecilius, vertelde Cecilianus voort; wàt er eigenlijk nòg het aardigst was, dat zijn de haasjes en de haasjes loopen zoo maar los en vrij door den muil heen van een tammen leeuw....—Ach, hoe lièf! zei Cecilius. Zie ik dat òok, overmorgen?!—Ja, zei Cecilianus. Dat zie je ook, overmorgen. En ik sprak er Martialis: die was er met al de andere edele heeren en die zei me, dat hij epigrammen zoû maken op àl die dingen: op Carpoforus....—Natuùrlijk op mij! blageerde de Jager.—Op Colosseros....—Hij moèst het eens laten! bulderde de „kolossale Eros.”—Op den olifant, op den rhinoceros, op den beer....—Op de zwemmertjes?—Op de zwemmertjes ook.... En op de haasjes!!—Heerlijk! juichte Cecilianus. Overmorgen naar het Colosseum! En saàmpjes!!Maar de nachtwacht ging voorbij. Het was het sluitingsuur. Over de taveerne was Taurus’ huis al gesloten.....X.De Megalezia liepen ten einde en Rome was moê van feest. Zeven dagen hadden de feesten geduurd; zeven dagen hadden de trompetten en tamboerijnen der kinderen getoeterd en gerinkeld door de huizen en langs de straten; zeven dagen lang waren erScenische Spelen, en zes dagen Circensische Spelen geweest; vijf dagen lang waren er wedrennen geweest in den Circus Maximus. Degrexvan Lavinius Gabinius had gegeven vier malen de „Bacchides” en drie malen de „Menæchmi”; in de tusschenspelen enmimus-spelen—atellanæenexodia—was groote verscheidenheid geweest. Maar nu was het Theater gesloten, het Colosseum gesloten, het Circus gesloten, waren de processen weêr in vollen gang, hadden de bazilieken enforawederom het gewone aanzicht van koortsige zakelijkheid, drukke gewichtigheid, hernam het gewone leven zijn recht. Aan de Baden van Titus en het Colosseum—nog immer niet geheel voltooid—werd gewerkt; de voller volde zijn toga’s, de slavenkoopman voerde steeds andere slaven ter markt; de copiïsten van Tryfo schreven geentitulimeer ofdidascaliamaar de allerlaatste epigrammen van Martialis op de Spelen in kleine boekjes over, die overal werden verkocht in de Argiletische wijk. Nilus ging iederen dag op zijn ezel ter markt maar des avonds was het niet zóo vol meer in zijn taveerne, hoewel vol toch nog steeds en Lavinius Gabinius kwam dikwijls des middags, na de siësta, een praatje met hem maken op de bank, buiten de taveerne, over de hooge gestoelten onder obscene reclame-schilderijtjes van het huis van Taurus, waar de meiden nu alleen tegen zonsondergang kwamen tronen.—Decatervaheeft vacantie tot de Floralia, zei Lavinius Gabinius, naast Nilus gezeten op de bank: binnen, in de taveerne, was alles schoon gemaakt en gereed voor wie ’s avonds zoû komen.—En jij ook, zei Nilus.—Ik ook, zei dedominus. Nou, ik ben doodmoê. Zeven dagen achter elkaâr die urenlange voorstelling. En ik sta voor alles alleen, moet bij alles met mijn neus bij zijn. Heb geen nacht eigenlijk geslapen, zoo veel zorgen heb ik gehad. Over zeventien dagen spelen we weêr, met de Floralia, maar nu mogen we dan op adem komen.—Verdiend heb je wel? vroeg Nilus.—Verdiend heb ik wel, zei dedominusbescheiden; deædilenbetalen goed. Maar mijn troep is dan ook prima. Ik ben alleen altijd bang, dat er een paar slaven van door gaan. Ik kan ze niet aan boeien leggen, hè? Hoewel, mijn eerstenadulescens, dien doe ik een kuischheidsgordel voor, want die ruïneert zich met de vrouwen.... Ja,caupo, met patricische vrouwen.... Hij is een knappe jongen, al is hij pedant en hij heeft géen nacht, geloof ik, thuis geslapen. Is het wel,senex?—Géen nacht, zei desenex: iedere nacht sliep desenexthuis.—Doe je hem dus eenfibulavoor,dominus?—Wis en waarachtig,caupo; al was het alleen maar om zijn stem te bewaren; hij was de laatste twee dagen schor als een roestige hengsel.—Ach, zei desenex, half-goedmoedig, tot Nilus; dat zègt dedominusdan, van eenfibulavoor, maar deadulescenskrijgt het ding tòch niet voor.... Trouwens, hij laat het ding immers door vijlen. Die maatregelen waren goed, toen komedianten nog met den zweep werden geregeerd en achter slot en grendel werden gehouden, maar in onzen modernen tijd, lievedominus, zijn die antieke gewoonten toch niet meer te volgen: je komedianten zijn wel je slaven, behalve ik, maar je eigenbelang brengt meê, dat je ze niet héelemaal als slaven behandelt.—Hetiszoo, gaf dedominustoe. Het is ook een moeilijk vak,dominus-gregiste zijn. En toch, ik ben er voor geboren. Een mooie tooneelvoorstelling voor te bereiden.... voor mij gaat daar nièts boven, vriendcaupo....De drie mannen bleven zitten staren in de nauwe straat. Over het nog gesloten huis van Taurus gloeide ros de dalende zon. Nilus’ moeder, uitgeslapen en dik, verscheen op den drempel der taveerne.—Ik ga eens een praatje met Gymnazium maken, zei ze en dribbelde weg.Nilus zeide, starend:—Er zijn misschien dingen, die daar bóven gaan....—Hoe meen je? vroeg dedominus, ietwat verbaasd.—Ja, zei desenexdroevig; dat voel ik ook. Er zijn misschien dingen, die daar boven gaan....—Boven een mooie tooneelvoorstelling, in een groot theater als dat van Pompeïus?? verbaasde dedominuszich.—Ja.... zeide Nilus.—Ja.... zei desenex.—Wat meenen jullie?? vroeg dedominus: hij keek van links naar rechts.—Dominus, zeide Nilus; nu je het niet meer zoo druk hebt, moest je eens met me meê, naar de Broederschap van Isis....—Ach, vriendcaupo, als ik je daar meê pleizier kan doen.... zei dedominusnaar rechts.—Dominus, zei desenex; en nu we hier zoo rustig wat bij elkaâr zitten te praten, woû ik je eens wat zeggen.—En wat dan,senex? zei dedominusnaar links.—Kijk eens,dominus,zei desenex. Ik ben nooit heel gelukkig geweest als komediant. Ik speel wel vrij goed desenex-rollen, maar ze hebben me nooit gelukkig gemaakt. Ik heb nooit kunnen wennen aan dien zwaren, beroerden, houten maskerkop. Het ding heeft me oud gemaakt voor mijn tijd, hoewel het me gelegenheid heeft gegeven me vrij te koopen. Ik denk,dominus, dat ik er meê uit scheid en je verlaten ga....—Er meê uit scheiden? Me verlaten?! schrikte dedominusop. Me verlaten, terwijl we hier nog met de Floralia spelen moeten! Me verlaten, terwijl ik in onderhandeling ben metKarthago, om daar te komen spelen met de Feesten van de Maan? Maar je denkt er toch niet aan,senex?? En wat zoû je dan willen doen?—Het theater vaarwel zeggen,dominus....—En dàn?—Christen worden,dominus.—Christen?? kreet Lavinius Gabinius uit. Ben je gèk geworden,senex? Waarom moet je Christen worden? Wàt is eigenlijk een Christen?—Een aanhanger van een sekte vol bijgeloof,dominus, zei Nilus. Een filozofische oproermaker tegen de goden.Senex, jij moest ook met me meê naar de Broederschap van Isis.... Dáar zoû je troost vinden, als je droef en moê van het leven was.... Dien heb ik er zoo dikwijls gevonden als ik wanhopig was den eersten tijd, dat het me niet goèd ging, met mijn kroeg hier.Desenexschudde het hoofd....—Ik word liever Christen en verlaat het theater. Ik heb met Christenen gesproken. Nilus, in je taveerne. En gisteren....—Gisteren....? vroegen Nilus endominus.—Gisteren heb ik in de catacomben eensenexgezien en gehoord, een „grijsaard” maar van geen theater....—Hoe heet hij? vroeg dedominus.—Johannes, zeide desenex.—En wat zei hij? vroeg Nilus.—Dat weet ik niet meer. Het waren woorden als vlammende zwaarden.... Ze doorstaken me, hier, op mijn hart.... Het was heel anders dan Terentius en Plautus en ik geloof,dominus....—Wat,senex??—Dat ik gehoor aan zijn woord geef en Christen word....Desenexzat peinzend naar de illustraties op het huis van Taurus te staren. Het opende, nu de zon daalde. De meiden, gapende, kwamen kijken.... Zij voelden aan hare kapsels, of het misschien noodig zoû zijn even naar Gymnazium te gaan.... Maar als Taurus niets zeide, was het brooddronken zich op nieuw te laten kappen, van haar eigen drinkpenningen nog wel. En omdatde drie mannen zaten te praten, gingen zij om hen staan, als goede kennissen groetend, toen luisterend, zich rekkend.... Uit een nauw zijslop kwamen slenterend de „paraziet” en Syrus, de „slave-rol”....—Wie is die Johannes? vroeg dedominus.—Een vreemd man, zei desenex, starende.... Hij is slank en geheel wit van haren.... Hij is vijf-en-tachtig, hoorde ik.... Hij is bisschop van Efezus, zeiden ze me.... Hij is de boezemvriend geweest van Christus.—Christus? vroeg dedominus.De „paraziet”, de „slave-rol” wisten er van.—Christus, zeker.... zei Syrus.—De leeraar van de Christenen, natuurlijk! zei de „paraziet”.Ook de meiden hadden wel eens iets gehoord....—Die is gekruisigd, zei Prisca. Hij had iets gedaan, ik weet niet wat....—En nu die Johannes? vroeg dedominusweêr.—Is altijd bij hem geweest, zei desenex; en was bij zijn terechtstelling aanwezig. En heeft toen zijn leer verkondigd in Griekenland en Klein-Azië.... En is toen bisschop van Efezus geworden....—Nooit van hem gehoord, toen we daar speelden, zei dedominus.—Hier hoor je ook niets van den bisschop,dominus. Dat is Clemens....—Natuurlijk niet, zei dedominus. Hoe zoû ik, wiens hoofd al om loopt tijdens de Megalezia, nog van die zoogenaamde bisschoppen moeten hooren. Zat die Clemens in deorchestra?—Neen, zei desenex. Hoewel er toch wel Christenen waren in het Theater....—Om te kritizeeren, zei Nilus. Het zijn izegrimmen.... Het zijn sombere kerels. Onze Isisdienst is vroom en ernstig maarhèlder. Jullie moesten allen eens meê gaan als er een mysterie gevierd wordt....—Maar wat nu van dien Johannes? vroeg dedominus.—Die is, hier in Rome, ontboden door den Keizer.... zeide desenex.—O ja, zei Matta; ik herinner me. Herinner jij je ook niet, Flacca? Johannes, zoo een heilige man?—Ja, ja, zei Flacca. Met wit, lang haar. We hebben hem eens zien loopen langs de Via Appia, toen we van Taurus moesten naar zijn moeder, die met de koorts lag en die daar woont, in wat een mooi huisje bij de Aqua Claudia; ze verdienen toch maar geld met ons. Moeder en zoon, dat is alles éen potje. En toen zeiden ze om ons heen....—Ja, zei Matta; dat die Johannes in de kokende olie gedompeld was....—Ja, zei desenex, starende; in de kokende olie....—Jawèl zei Nilus; nu je het zegt, herinner ik me ook van dat geval te hebben gehoord.—En de kokende olie, zei desenex; had geen vàt op hem....—Hoe meen je? vroeg dedominus.—Hij stapte uit de olie, ongedeerd.—Geloof je dat? vroeg dedominus.—Nou, zei Flacca. Ik niet.—Ik ook niet, zei Matta.—Ik wel, zei desenex, starende.—Er gebeuren wonderen,dominus, zei Nilus. Bij voorbeeld, als je door een heks in een ezel veranderd bent....—Kàn dat? vroeg dedominus.—Natuurlijk, zeiden zij allen. Natuurlijk....—Dàn, zei Nilus; wordt je weêr een gewoon mensch als je den witte-rozenkrans op eet van een Isis-priester.—Geloòf jij dat?? vroeg dedominus.—Natuurlijk, zei Nilus.Nu, ik weet het niet, hoor, zei dedominus. Ik geloof niet erg aan die vreemde dingen. Het leven is heel eenvoudig en de goden, als ze bestaan, zijn net zoo eenvoudig als wij en je zièt toch nooit zulke dingen gebeuren: in kokende olie verbrandt je en een mensch, die een ezel werd en omgekeerd, heb ik, bij Bacchus, ook nooit gezien....—Maar geloóf jij aan Bacchus,dominus? vroeg Nilus.—Of ik aan Bacchus geloof? Maar natuurlijk geloof ik aan Bacchus. Nilus, wat een gekke vraag! Het heele theater is immers ontstaan uit de mysteriën, ter eere van Bacchus gevierd, en zoû ik dan niet aan Bacchus gelooven? Als Bacchus niet bestond, zoû er immers geen theater bestaan.—Bacchus bestaat wel, zei desenex: maar in den vorm van den Euvele....—Wie is dàt nou weêr? vroeg dedominus.Taurus verscheen op zijn drempel.—Flacca, riep hij. Moet jij zoo den heelen avond met die pruikebol blijven? Gauw! Naar Gymnazium....—Matta, zei Flacca, terwijl zij ging; vertel jij me later wie de Euvele is??—Je kan er op aan, zei Matta....—De Euvele, zei desenex; schuilt in al onze goden.—In ònze goden?? riepen zij allen, verontwaardigd.—En vooral in Bacchus, zei desenex. Hij heeft horens als Bacchus heeft; de Euvele ziet er uit als een sater met bokspooten en een staart.... Dat heb ik ten minste zoo begrepen.—Vertelde Johannes dat?—Neen.... Wat die vertelde, begreep ik niet.... Hij sprak van de groote Hoer, maar wie die daar meê bedoelde, begreep ik niet.... Maar zijn woorden waren als vlammende zwaarden, en die staken me door mijn hart....—En deedt je dat pijn,senex? vroeg Prisca meêlijdend.—Neen, zei desenex. Dat maakte me gelùkkig....Dedominus, zenuwachtig, was opgestaan en dwong Nilus tot opstaan. Zij wandelden, gearmd, op en neêr.—Als die niet op past, wordt die gèk, zei dedominus.Wat moet ik doèn, als die me in eens verlaat!! Ja, als je je komedianten vrij laat, dan ben je niet meer zeker van ze. Ik laat er ook geen een andere zich vrij meer koopen, hoor. Vrij, zijn ze veel te onzeker bezit.... Neen, Nilus, al wil ik wel eens meê naar je Isisdienst, er is niets boven het theater; ik meen als kunst. Maar je moet het heelemaal opvatten, als kùnst. Zonder gruwelen, zonder beer. En het is mooi, het theater: het geeft te denken en te gelijk geeft het het leven weêr. Ernstig òf komiesch, maar dat is precies het zelfde.—Maar weet je waar ik zoo een idee van heb? zei Nilus. Dat het theater, dat uit de godsdienst ontsproten is, weêr heelemaal terug tot de godsdienst zal gaan....—Tot welke godsdienst, Nilus? Tot een nieuwe godsdienst? Want tot Bacchus keert het zeker wel niet terug.... En tot Isis....—Even min, verzekerde, nadenkende, Nilus. Tot een nieuwe godsdienst.... Het zoû niet onmogelijk zijn.... Tot een alles omvattend, algemeen godsdienstig gevoel misschien, dat tot het publiek zoû spreken.... Maar zeker niet....—Tot dat van de Christenen??—Neen, tot dàt zéker niet. Dat geloof is een voorbij gaande filozofische dweperij, die nooit iets met het theater te maken zal hebben. Maar dat het theater weêr eenmaal.... een mysterie kan worden, ja, dàt zie ik bijna zéker.... als ik me herinner welke plechtige voorstellingen in ònze Isisdienst toch bijna dramatiesch.... Maar Christelijk, neen.... nooit....—Een Christelijk mysterie-theater! lachte dedominus. Neen, Nilus, daar zijn we het met elkaâr over eens, dat zal nooitbestaan, niet in der eèuwen loop! Wat ik meen, is dit: kunst mag eigenlijk voor mij niets anders zijn dan kùnst....En dedominus, op en neêr loopende, met dencaupo, in de nauwe Suburra, legde hem uit wat hij meende, dat het theater wel worden mocht in de Toekomst en wat niet. Als er weêr tooneelschrijvers werden geboren, die meer genie zouden hebben dan Plautus, Terentius en hunne Grieksche voorbeelden....

VIII.Buiten—de slagregen stroomde uit de donkere lucht—krioelden in de portiek van het Theater de duizenden. De portiek, een vierkante, overdekte zuilenhal, voegde zich tegen de rechte achterzijde aan van het Theater. En om dendominusstond er zijngrex—zij waren door de deuren van hetproscæniumin de portiek gekomen—en dedominus, de vuisten gebald, snikte er als een kind, terwijl een vloed van woordenhem de lippen ontwelde. Om hem stonden Lentulus, Thymele, Latinus, Gymnazium; Cosmus kwam aan....Zij poogden hem te bedaren, angstig ziende om zich heen.—Het kàn me niet schelen! snikte, met woedende oogen, dedominuslos. Laàt de verklikkers het hooren! Heb ik niet altijd tact gehad en beleefdheid betracht met alle officieele persoonlijkheden? In Antiochië, in Klein-Azië, in Neapolis, waar we ook maar zijn geweest? Maar nooit, hooren jullie, noòit en nèrgens heb ik zoo een kunstverkrachting moeten slikken! Ik bereid alles met zorg voor: de Hymne en Attis’ Dans.... was dat bijna niet zuiver Grieksch? Kunnen wij iets beters doen dan, wat zuiver Grieksch is, benaderen? De Bacchides.... was dat niet een volmaaktheid, zoû het ten minste niet een volmaaktheid zijn geweest, als deparazietniet zijn bokkepruik op had gezet....?—En dat, met zijn parazietmasker al voor,dominus! schertste Latinus.—En het was een mooi masker, prees Thymele. Met dat begeerige eène oog en die gulzige benedenlip: heusch, je hebt moòie maskers!—Mijnsenex-maskers zijn ook heel mooi, wierp dedominusin het midden; maar wat ik zeggen wilde....Het krioelde nu dicht om hem heen.—Wat hebben Thymele en Latinus niet van dien ouden „Koffer” gemaakt! Goden, het vervelende ding, dat ze àltijd weêr willen zien! En hoe heb ik het toch weêr gemonteerd en hoe hebben Thymele en Latinus het niet gedanst! Het was iets nieuws zoo als we het gaven: alleen die koffer zelve, was prachtig van kleur en lijn: het was een Grieksche koffer, maar grooter natuurlijk, heel groot. Het was kùnst en de tusschen-atellanæ, heb ik die ook niet....—Mooi gegeven,dominus! riepen ze allen uit. Pappus en Maccus en de drie dikbuikige kraamgodinnen!—Heb ik vanLaureolusniet alles gemaakt wat er van zoo een kijkstuk te maken was??—Ik heb, troostte hem Lentulus; nooit den Laureolus in zoo mooichoragiumgemimeerd als van daag,dominus....—Choragium? Het is àlles van het Theater, van deædilen, maar heb ik niet gekòzen, die woeste landschappen zoo opgesteld, die schipbreuk met den storm aangewezen en dien dans van de geesten zoò doen uitvoeren?—Je hebt me alleen van een te hoogen toren laten springen,dominus, zei Lentulus. Ik dacht waarachtig, dat ik mijn nek zoû breken.... En vooral, dat ik geen bloed zoû kunnen spugen.... En dàt moet toch, hè....—Je toren moèt hoog zijn, zei dedominus. O, denk niet, dat ik je voor mijn pleizier je sprong doen laat van uit het afdak over descæna! Mij persoonlijk, is het Theater het liefst als tooneel en niet als gymnazium. Maar een arena hoeft het nog niet te worden. En dàt is het geworden, van daag! Met dien beer! Met die verschrikkelijkheid. Met die kruisiging en dien àfschuw van dien half verslonden, rood druipenden moordenaar....—Die misschien geen moordenaar is.... fluisterde Cosmus.—Neen, die geen moordenaar is, fluisterde Gymnazium. Ze zeggen....—Dat de dièf de moordenaar is van Nigrina.... zei Cosmus.—Dat kan me niet schelen, weerde dedominuswoest af. Wat mij buiten mezelven maakt, is de kùnstverkrachting.... Het was een schandaal!—Daar gaat de beer! wees de danseres.De beer ging er gemuilband langs de portiek, aan kettingen gehouden door zijnbestiariï. Hij waggelde onverschillig den stortregen door, onbewust, dat hij de kunst had verkracht, aan het slot vanLaureolus. Andere beesten volgden hem: de geiten en bokken deratellanæ, met hunne bezitters.—En hier ben ik op mijn ezel! zei Nilus, die degladiatorenverlaten had, om zijn ezel te halen. Het arme dier! Het is kletsnat.En hij poogde met zijn reeds natten mantel zijn natten ezel droog te wrijven onder de portiek.Cecilius kwam met Colosseros en de anderegladiatoren, Murrhinus, Triumfus, Priscus, Verus.—Bij Apollo!! kreet dedominus. Waar is Cecilianus?? Is er een òngeluk met hem gebeurd?!Want Cecilius’ gezicht stond droevig en was betraand....—Neen,dominus, stelde Colosseros gerust. Hij is flauw gevallen en Carpoforus draagt hem....—Hij is flauw gevallen....—Toen hij den beer....—„Laureolus” zag verslinden, legden degladiatorenuit.—Maar niet mij! kluchtigde Lentulus.—Daar komen ze! zei Thymele.Carpoforus droeg Cecilianus aan. Hij toefde, heel langzaam, nog buiten de portiek. Want hij dacht:—.... Als Cecilianus zijn oogen op slaat voór ik de portiek met hem binnen ga, zal ik morgen den Numidischen Leeuw overwinnen. Als hij zijn oogen opslaat in de portiek, zal ik.... het afleggen tegen den Leeuw.En daarom talmde hij, talmde hij, in den stortregen, in zijn arm den knaap, als een kind, wiens blonde hoofd lag op het breede, harde kussen van zijn Herkulischen schouder.... Daarom talmde hij, om Fortuna en zich een kans te geven.Cecilianus zuchtte op, opende de oogen.—O, lief kind! Zoete jongen!! mompelde de Jager hartstochtelijk en hij drukte Cecilianus in vervoering tegen zich aan.Hij verhaastte zijn pas, kwam tusschen de anderen in de portiek.—Ik breng je je Bacchis, de Reizigster,dominus! juichte bulderend Carpoforus.—Ik ben zoo nat! zei onbehagelijk Cecilianus, dien de Jager zette op den grond. Cecilius wikkelde hem in delacerna, die de edele Plinius hun had gelaten.—.... Maar dàt zeg ik jullie, bulderde dedominusplotseling los.—....Dominus....!—....Dominus....!—.... Pas toch op: de verklikkers....!—.... Dat ik morgen nièt de Bacchides geef....—.... Hè,dominus!—....dominus!! riepen de tweelingen, te leur gesteld.—Neen! bulderde dedominus. De Hymne, dat kan niet anders—maar de Bacchides weêr geven op die zelfde planken, waar nu nog ligt het bloed van een werkelijken misdadiger....—.... Als die maar een misdadiger wàs.... fluisterde het rondom.—.... dat doè ik niet! betuigde dedominus. Ik geef morgen deMenæchmi!—En detitulus? zei plotseling Martialis, die was aangekomen en dendominushad gehoord.—Kàn me niet schelen, schreeuwde dedominus.—En wie speelt Erotium, in deMenæchmi? vroeg Cecilius. Cecilianus?—Neen jij, mopperde dedominus.—Laat Cecilius maar Erotium spelen,dominus, zei Cecilianus. En Clarus dematrona.... Want dáar heb ik geen lust in.—Neen,dominus, laat Cecilianus maar Erotium spelen! wedijverde Cecilius in beminnelijkheid. Maar Clarus wel dematrona....—Ach, zei Cecilianus; die is toch zoo eenmatrona-jongen.... Net een oud wijf, fluisterde hij zijn broertje in.—Cecilius speelt Erotium, besliste dedominus.—Vrienden! zei Nilus. Het is niet om mijn zaak aan te prijzen maar hebben jullie geen honger? Ik heb van morgen voor dag en dauw al gekokereld met moeder voor jullie....—En wij.... wij hebben nièt gekookt, zeiden Matta, Prisca en Flacca, Taurus’ meiden, die met denlenoen de Alexandrijnsche aan kwamen.—Ikheb een heerlijkmoretumklaar staan, hèt gerecht voor de Megalezia! verlokte Nilus.—Nilus! zei dedominus. Dan gaan we allen met je meê. Paraziet, hoor eens....De „paraziet”, fijntjes geknepen zijn in het leven matigen, dunnen mond, gehoorzaamde.—We spelen morgen deMenæchmi.—Goed,dominus....—Hoor je,senex-Eén?—Ja,dominus.... De heilige „Bacchides” zouden op die bloedgedrenkte planken worden ontwijd.... Eerst maar deMenæchmiom ze rein te wasschen.—Paraziet, ging dedominusvoort, terwijl allen lachten om densenex. Je hebt slecht gespeeld van daag.—Ja,dominus....—Ik zoû je door Silus en Afer moeten laten geeselen, dat de vellen er af vlogen.—Laten kruisigen,dominus, zei de „paraziet”; en dan laten verslinden door een beer.—Maar niet op de zelfde planken, waar de heilige „Bacchides” zijn vertoond, treiterde desenex.—Jij hadt maar....!—Ja, jij hadt maar....!! vielen Cecilius en Cecilianus in.—Een prachtige rol in die „Bacchides”!—In die heilige „Bacchides”!—Paraziet, zei dedominus; ik zal je niet laten geeselen.—Neen,dominus, zei de „paraziet”.—Op éen voorwaarde.—Ja,dominus....—Dat je morgen zóo goed als je kunt je rol in deMenæchmispeelt.—Ik beloof het je,dominus.—En overmorgen? vroegen de jongens.—DeBacchidesweêr, zeide dedominus.—Dan zijn de planken schoon gewasschen door deMenæchmi, treiterde desenex.—Vooruit dan, vrienden! riep Nilus. Gaat iedereen meê, avondmalen?—Ja, ja, ja, ja! riepen allen; Lentulus, Latinus, Thymele, Gymnazium....Cosmus maakte zich uit de voeten: hij was de geùrwerker, de beroemde, van den Vicus Tuscus.... Hij ging avondmalen met Tryfo, den boekhandelaar en de zijdeverkoopers en de goudsmeden....—Wie mag ik mijn ezel bieden? noodde Nilus. Kom, wie wil er op mijn ezel zitten?—Alexa! Alexandra!! riepen de meiden van Taurus.—Neen, zei Nilus’ moeder. Ik ben niet moê.—Cecilianus, zei Thymele; het lieve ventje is flauw gevallen!—Ach wat! riep Cecilianus. Ik ben weêr beter. Het was alleen maar éven om dien beer. Ik wil niet op den ezel. Thymele, ga jij er op!—Ja, Thymele! moest Cecilius na komen. Ga jij op den ezel zitten!—Neen, zei Thymele; ik loop wel graag na gedanst te hebben: dàt houdt juist mijn lange beenen lenig.—Nou, zei de voormalige, Gymnazium; als Alexa niet op den ezel wil.... ze is even zoo dik als ik....—Alexa is dikker, zei Colosseros.—Ze zijn even dik, meenden Murrhinus en Triumfus. Ja, ze zijn even dik!—Meten! riep Carpoforus.—Neen, weerde Nilus’ moeder af. Ik ben immers veel dikker dan Gymnazium.—Nou.... zei Gymnazium. Als dat dan alles zoo is.... dan zitikwel graag op den ezel.—Wachten we nog, tot de regen op houdt.... ried dedominusaan.—Het druppelt alleen nog maar wat, zei Cecilius.—.... Ja, zei Cecilianus, hand buiten de portiek; het druppelt alleen nog maar wat.—Vooruit dan, spoorde Nilus aan. Gymnazium op den ezel!—Gymnazium op den ezel! klonk het van alle kant.Gymnazium, door Nilus geholpen, geheschen, poogde zich op den ezel te zetten, Amazone-gelijk.—Ik glij er af!! riep Gymnazium.—Schrijlings dan! rieden degladiatoren.—Ik kan niet! riep Gymnazium.Degladiatorenkwamen te hulp. Links en rechts grepen zij een been van Gymnazium en heschen zij haar schrijlings er op.—Heu, jongens! riep de voormalige. Is dat trekken en pakken en ruw zijn! Ik kon jullie moeder wel zijn.—Gaan we! noodde Nilus.—Vooruit! Vooruit! riepen allen.Zij gingen. Het regende nauwlijks meer.—Kan je loopen, mannetje? vroeg de Jager teeder tot Cecilianus, die geluk hem zoû aanbrengen, morgen, in het Colosseum, als hij den Leeuw moest bekampen.—Jawel....—Zit je niet liever op mijn schouders?—Ja! O ja! Op je schouders! Paardje rijden! juichte Cecilianus.—Jij op mijn schouders? vroeg Colosseros aan Cecilius.—Ja, ja! wilde Cecilius wel. Als Cecilianus op zijn schouders zit, wil ik wel op jou schouders zitten!—Vooruit dan!Degladiatorenbukten, vuisten op knie. De jongens sprongen op hun ruggen. De ezel ging voor, met Gymnazium, Nilus en Alexa ter zijde. Volgden Taurus en de meiden. Volgde de geheelegrex, met Latinus, Thymele, Lentulus, de „beroemde” gasten, joviaal met zelfs de minsten van den troep. Hosten ter zij van den stoet Carpoforus met Cecilianus, Colosseros met Cecilius op zijn nek. De jongens schreeuwden, van pleizier, als kinderen. Volgden de anderegladiatoren.Allen gingenmoretumeten bij Nilus; hèt gerecht van de Megalezia: wijnruit en kaas, met knoflook doorgeurd: de heerlijke koude schaal!Martialis, alleen, zag hen bijna weemoedig na. Hij had meê willen gaan. Maar zij vergaten hem te nooden en daarbij, hij werd bij den Keizer verwacht. Naar huis, om zich te verkleeden? Heelemaal naar Nomentum, te voet? Om in plaats van dit eene rare, natte toga-tje, een ander, even raar, hoewel dan toch wat droger, om te doen!Neen, dat zoû hij maar niet. En, door de modder, plaste hij, eenzaam, door de nog regenstroomende modderstraten der Theater- en portiekenwijk, naar het Palatium, om den Keizer te verstrooien.

Buiten—de slagregen stroomde uit de donkere lucht—krioelden in de portiek van het Theater de duizenden. De portiek, een vierkante, overdekte zuilenhal, voegde zich tegen de rechte achterzijde aan van het Theater. En om dendominusstond er zijngrex—zij waren door de deuren van hetproscæniumin de portiek gekomen—en dedominus, de vuisten gebald, snikte er als een kind, terwijl een vloed van woordenhem de lippen ontwelde. Om hem stonden Lentulus, Thymele, Latinus, Gymnazium; Cosmus kwam aan....

Zij poogden hem te bedaren, angstig ziende om zich heen.

—Het kàn me niet schelen! snikte, met woedende oogen, dedominuslos. Laàt de verklikkers het hooren! Heb ik niet altijd tact gehad en beleefdheid betracht met alle officieele persoonlijkheden? In Antiochië, in Klein-Azië, in Neapolis, waar we ook maar zijn geweest? Maar nooit, hooren jullie, noòit en nèrgens heb ik zoo een kunstverkrachting moeten slikken! Ik bereid alles met zorg voor: de Hymne en Attis’ Dans.... was dat bijna niet zuiver Grieksch? Kunnen wij iets beters doen dan, wat zuiver Grieksch is, benaderen? De Bacchides.... was dat niet een volmaaktheid, zoû het ten minste niet een volmaaktheid zijn geweest, als deparazietniet zijn bokkepruik op had gezet....?

—En dat, met zijn parazietmasker al voor,dominus! schertste Latinus.

—En het was een mooi masker, prees Thymele. Met dat begeerige eène oog en die gulzige benedenlip: heusch, je hebt moòie maskers!

—Mijnsenex-maskers zijn ook heel mooi, wierp dedominusin het midden; maar wat ik zeggen wilde....

Het krioelde nu dicht om hem heen.

—Wat hebben Thymele en Latinus niet van dien ouden „Koffer” gemaakt! Goden, het vervelende ding, dat ze àltijd weêr willen zien! En hoe heb ik het toch weêr gemonteerd en hoe hebben Thymele en Latinus het niet gedanst! Het was iets nieuws zoo als we het gaven: alleen die koffer zelve, was prachtig van kleur en lijn: het was een Grieksche koffer, maar grooter natuurlijk, heel groot. Het was kùnst en de tusschen-atellanæ, heb ik die ook niet....

—Mooi gegeven,dominus! riepen ze allen uit. Pappus en Maccus en de drie dikbuikige kraamgodinnen!

—Heb ik vanLaureolusniet alles gemaakt wat er van zoo een kijkstuk te maken was??

—Ik heb, troostte hem Lentulus; nooit den Laureolus in zoo mooichoragiumgemimeerd als van daag,dominus....

—Choragium? Het is àlles van het Theater, van deædilen, maar heb ik niet gekòzen, die woeste landschappen zoo opgesteld, die schipbreuk met den storm aangewezen en dien dans van de geesten zoò doen uitvoeren?

—Je hebt me alleen van een te hoogen toren laten springen,dominus, zei Lentulus. Ik dacht waarachtig, dat ik mijn nek zoû breken.... En vooral, dat ik geen bloed zoû kunnen spugen.... En dàt moet toch, hè....

—Je toren moèt hoog zijn, zei dedominus. O, denk niet, dat ik je voor mijn pleizier je sprong doen laat van uit het afdak over descæna! Mij persoonlijk, is het Theater het liefst als tooneel en niet als gymnazium. Maar een arena hoeft het nog niet te worden. En dàt is het geworden, van daag! Met dien beer! Met die verschrikkelijkheid. Met die kruisiging en dien àfschuw van dien half verslonden, rood druipenden moordenaar....

—Die misschien geen moordenaar is.... fluisterde Cosmus.

—Neen, die geen moordenaar is, fluisterde Gymnazium. Ze zeggen....

—Dat de dièf de moordenaar is van Nigrina.... zei Cosmus.

—Dat kan me niet schelen, weerde dedominuswoest af. Wat mij buiten mezelven maakt, is de kùnstverkrachting.... Het was een schandaal!

—Daar gaat de beer! wees de danseres.

De beer ging er gemuilband langs de portiek, aan kettingen gehouden door zijnbestiariï. Hij waggelde onverschillig den stortregen door, onbewust, dat hij de kunst had verkracht, aan het slot vanLaureolus. Andere beesten volgden hem: de geiten en bokken deratellanæ, met hunne bezitters.

—En hier ben ik op mijn ezel! zei Nilus, die degladiatorenverlaten had, om zijn ezel te halen. Het arme dier! Het is kletsnat.

En hij poogde met zijn reeds natten mantel zijn natten ezel droog te wrijven onder de portiek.

Cecilius kwam met Colosseros en de anderegladiatoren, Murrhinus, Triumfus, Priscus, Verus.

—Bij Apollo!! kreet dedominus. Waar is Cecilianus?? Is er een òngeluk met hem gebeurd?!

Want Cecilius’ gezicht stond droevig en was betraand....

—Neen,dominus, stelde Colosseros gerust. Hij is flauw gevallen en Carpoforus draagt hem....

—Hij is flauw gevallen....

—Toen hij den beer....

—„Laureolus” zag verslinden, legden degladiatorenuit.

—Maar niet mij! kluchtigde Lentulus.

—Daar komen ze! zei Thymele.

Carpoforus droeg Cecilianus aan. Hij toefde, heel langzaam, nog buiten de portiek. Want hij dacht:

—.... Als Cecilianus zijn oogen op slaat voór ik de portiek met hem binnen ga, zal ik morgen den Numidischen Leeuw overwinnen. Als hij zijn oogen opslaat in de portiek, zal ik.... het afleggen tegen den Leeuw.

En daarom talmde hij, talmde hij, in den stortregen, in zijn arm den knaap, als een kind, wiens blonde hoofd lag op het breede, harde kussen van zijn Herkulischen schouder.... Daarom talmde hij, om Fortuna en zich een kans te geven.

Cecilianus zuchtte op, opende de oogen.

—O, lief kind! Zoete jongen!! mompelde de Jager hartstochtelijk en hij drukte Cecilianus in vervoering tegen zich aan.

Hij verhaastte zijn pas, kwam tusschen de anderen in de portiek.

—Ik breng je je Bacchis, de Reizigster,dominus! juichte bulderend Carpoforus.

—Ik ben zoo nat! zei onbehagelijk Cecilianus, dien de Jager zette op den grond. Cecilius wikkelde hem in delacerna, die de edele Plinius hun had gelaten.

—.... Maar dàt zeg ik jullie, bulderde dedominusplotseling los.

—....Dominus....!

—....Dominus....!

—.... Pas toch op: de verklikkers....!

—.... Dat ik morgen nièt de Bacchides geef....

—.... Hè,dominus!

—....dominus!! riepen de tweelingen, te leur gesteld.

—Neen! bulderde dedominus. De Hymne, dat kan niet anders—maar de Bacchides weêr geven op die zelfde planken, waar nu nog ligt het bloed van een werkelijken misdadiger....

—.... Als die maar een misdadiger wàs.... fluisterde het rondom.

—.... dat doè ik niet! betuigde dedominus. Ik geef morgen deMenæchmi!

—En detitulus? zei plotseling Martialis, die was aangekomen en dendominushad gehoord.

—Kàn me niet schelen, schreeuwde dedominus.

—En wie speelt Erotium, in deMenæchmi? vroeg Cecilius. Cecilianus?

—Neen jij, mopperde dedominus.

—Laat Cecilius maar Erotium spelen,dominus, zei Cecilianus. En Clarus dematrona.... Want dáar heb ik geen lust in.

—Neen,dominus, laat Cecilianus maar Erotium spelen! wedijverde Cecilius in beminnelijkheid. Maar Clarus wel dematrona....

—Ach, zei Cecilianus; die is toch zoo eenmatrona-jongen.... Net een oud wijf, fluisterde hij zijn broertje in.

—Cecilius speelt Erotium, besliste dedominus.

—Vrienden! zei Nilus. Het is niet om mijn zaak aan te prijzen maar hebben jullie geen honger? Ik heb van morgen voor dag en dauw al gekokereld met moeder voor jullie....

—En wij.... wij hebben nièt gekookt, zeiden Matta, Prisca en Flacca, Taurus’ meiden, die met denlenoen de Alexandrijnsche aan kwamen.

—Ikheb een heerlijkmoretumklaar staan, hèt gerecht voor de Megalezia! verlokte Nilus.

—Nilus! zei dedominus. Dan gaan we allen met je meê. Paraziet, hoor eens....

De „paraziet”, fijntjes geknepen zijn in het leven matigen, dunnen mond, gehoorzaamde.

—We spelen morgen deMenæchmi.

—Goed,dominus....

—Hoor je,senex-Eén?

—Ja,dominus.... De heilige „Bacchides” zouden op die bloedgedrenkte planken worden ontwijd.... Eerst maar deMenæchmiom ze rein te wasschen.

—Paraziet, ging dedominusvoort, terwijl allen lachten om densenex. Je hebt slecht gespeeld van daag.

—Ja,dominus....

—Ik zoû je door Silus en Afer moeten laten geeselen, dat de vellen er af vlogen.

—Laten kruisigen,dominus, zei de „paraziet”; en dan laten verslinden door een beer.

—Maar niet op de zelfde planken, waar de heilige „Bacchides” zijn vertoond, treiterde desenex.

—Jij hadt maar....!

—Ja, jij hadt maar....!! vielen Cecilius en Cecilianus in.

—Een prachtige rol in die „Bacchides”!

—In die heilige „Bacchides”!

—Paraziet, zei dedominus; ik zal je niet laten geeselen.

—Neen,dominus, zei de „paraziet”.

—Op éen voorwaarde.

—Ja,dominus....

—Dat je morgen zóo goed als je kunt je rol in deMenæchmispeelt.

—Ik beloof het je,dominus.

—En overmorgen? vroegen de jongens.

—DeBacchidesweêr, zeide dedominus.

—Dan zijn de planken schoon gewasschen door deMenæchmi, treiterde desenex.

—Vooruit dan, vrienden! riep Nilus. Gaat iedereen meê, avondmalen?

—Ja, ja, ja, ja! riepen allen; Lentulus, Latinus, Thymele, Gymnazium....

Cosmus maakte zich uit de voeten: hij was de geùrwerker, de beroemde, van den Vicus Tuscus.... Hij ging avondmalen met Tryfo, den boekhandelaar en de zijdeverkoopers en de goudsmeden....

—Wie mag ik mijn ezel bieden? noodde Nilus. Kom, wie wil er op mijn ezel zitten?

—Alexa! Alexandra!! riepen de meiden van Taurus.

—Neen, zei Nilus’ moeder. Ik ben niet moê.

—Cecilianus, zei Thymele; het lieve ventje is flauw gevallen!

—Ach wat! riep Cecilianus. Ik ben weêr beter. Het was alleen maar éven om dien beer. Ik wil niet op den ezel. Thymele, ga jij er op!

—Ja, Thymele! moest Cecilius na komen. Ga jij op den ezel zitten!

—Neen, zei Thymele; ik loop wel graag na gedanst te hebben: dàt houdt juist mijn lange beenen lenig.

—Nou, zei de voormalige, Gymnazium; als Alexa niet op den ezel wil.... ze is even zoo dik als ik....

—Alexa is dikker, zei Colosseros.

—Ze zijn even dik, meenden Murrhinus en Triumfus. Ja, ze zijn even dik!

—Meten! riep Carpoforus.

—Neen, weerde Nilus’ moeder af. Ik ben immers veel dikker dan Gymnazium.

—Nou.... zei Gymnazium. Als dat dan alles zoo is.... dan zitikwel graag op den ezel.

—Wachten we nog, tot de regen op houdt.... ried dedominusaan.

—Het druppelt alleen nog maar wat, zei Cecilius.

—.... Ja, zei Cecilianus, hand buiten de portiek; het druppelt alleen nog maar wat.

—Vooruit dan, spoorde Nilus aan. Gymnazium op den ezel!

—Gymnazium op den ezel! klonk het van alle kant.

Gymnazium, door Nilus geholpen, geheschen, poogde zich op den ezel te zetten, Amazone-gelijk.

—Ik glij er af!! riep Gymnazium.

—Schrijlings dan! rieden degladiatoren.

—Ik kan niet! riep Gymnazium.

Degladiatorenkwamen te hulp. Links en rechts grepen zij een been van Gymnazium en heschen zij haar schrijlings er op.

—Heu, jongens! riep de voormalige. Is dat trekken en pakken en ruw zijn! Ik kon jullie moeder wel zijn.

—Gaan we! noodde Nilus.

—Vooruit! Vooruit! riepen allen.

Zij gingen. Het regende nauwlijks meer.

—Kan je loopen, mannetje? vroeg de Jager teeder tot Cecilianus, die geluk hem zoû aanbrengen, morgen, in het Colosseum, als hij den Leeuw moest bekampen.

—Jawel....

—Zit je niet liever op mijn schouders?

—Ja! O ja! Op je schouders! Paardje rijden! juichte Cecilianus.

—Jij op mijn schouders? vroeg Colosseros aan Cecilius.

—Ja, ja! wilde Cecilius wel. Als Cecilianus op zijn schouders zit, wil ik wel op jou schouders zitten!

—Vooruit dan!

Degladiatorenbukten, vuisten op knie. De jongens sprongen op hun ruggen. De ezel ging voor, met Gymnazium, Nilus en Alexa ter zijde. Volgden Taurus en de meiden. Volgde de geheelegrex, met Latinus, Thymele, Lentulus, de „beroemde” gasten, joviaal met zelfs de minsten van den troep. Hosten ter zij van den stoet Carpoforus met Cecilianus, Colosseros met Cecilius op zijn nek. De jongens schreeuwden, van pleizier, als kinderen. Volgden de anderegladiatoren.

Allen gingenmoretumeten bij Nilus; hèt gerecht van de Megalezia: wijnruit en kaas, met knoflook doorgeurd: de heerlijke koude schaal!

Martialis, alleen, zag hen bijna weemoedig na. Hij had meê willen gaan. Maar zij vergaten hem te nooden en daarbij, hij werd bij den Keizer verwacht. Naar huis, om zich te verkleeden? Heelemaal naar Nomentum, te voet? Om in plaats van dit eene rare, natte toga-tje, een ander, even raar, hoewel dan toch wat droger, om te doen!

Neen, dat zoû hij maar niet. En, door de modder, plaste hij, eenzaam, door de nog regenstroomende modderstraten der Theater- en portiekenwijk, naar het Palatium, om den Keizer te verstrooien.

IX.Dien volgenden avond laat—hoe vol was het weêr bij Nilus!—zaten Cecilius en Cecilianus, bij de schenkbank, vlak tegenover de telkens open en dicht gaande deur, hun soep te eten. Zij hadden elkaâr den geheelen dag niet gezien, en zij zaten nu schouder aanschouder, knie aan knie en aten uit éen groot bord, hongerig: zij slurpten er uit het vleeschnat, zij vischten er uit de worstjes en vertelden elkander honderd-uit, als of zij elkaâr in maanden niet hadden gezien. Zij bemoeiden zich niet met de anderen—daar zat de heelegrex; daar zaten de Gallen engladiatoren—maar zij, hun bord in hun schoot, hun kroes in de vingers, vertelden, vertelden maar door....—Je moet dan weten, zei Cecilius—om hen heen roezemoesde het stemgedruisch—dat juist, toen de „paraziet” in het midden van zijn groote scène was....De deur ging open: de matrozen uit Ostia met Sila en de andere vrouwen drongen luidruchtig binnen. En vóor het huis van Taurus zagen de jongens de meiden zitten op de hooge gestoelten: Matta, Flacca, Prisca en de anderen en ze riepen en de jongens wuifden terug, voor de aardigheid.—Nu, wat toen? vroeg Cecilianus nieuwsgierig.Cecilius lachte, vol ingehouden pret.—Toen gingen degladiatorenvoorbij het Theater om naar het Colosseum te gaan en, verbeeldt je, dat hóorde het publiek—we hoorden ze stappen en dreunen, hè, en toen was het een gedrang en woû iedereen ze zien en toen liep....—Kooltjes inlaserpiciumgestoofd? bood Nilus.—Hè ja, Nilus, dank je wel....—Dank je wel....Het leêge bord op hun schoot was vervangen. Cecilius ging voort:—.... toen liep het héele Theater uit om degladiatorente zien....—Om degladiatorente zien?—Ja.... en toen stond de „paraziet” in eens.... voor een leêge zaal te declameeren!! En vloekte die....! En omdat hij vloekte, riep het publiek: „masker af!” en moest die zijn masker af doen en werd die uitgejouwd, de „paraziet”!De jongens stikten van het lachen, de kooltjes bol in de wangen.—En toen? vroeg Cecilianus.—Vertel jij nu van het Colosseum? vroeg Cecilius.—Neen, vertel jij nu eerst van het Theater, drong Cecilianus. Ik ben zoo benieuwd te hooren....—Nou, zei Cecilius. De voorstelling was heel mooi....—Vol, decavea?—Ja, en deorchestraook. En de ridderbanken....—De Keizer was in het Colosseum....—Nou ja, natuurlijk....—En de Keizerin....—Nou ja, natuurlijk....—Natuurlijk: de eerste dag in het Colosseum....—Maar al die duizenden, die den eersten dag geen plaats hadden gevonden....—Nou ja, die waren in het Theater....—Het was weêr stampvol, zei Cecilius. Eerst de Hymne weêr. En toen de „Menæchmi”.—Klapten ze, toen je optradt als Erotium?—Ja, ze klapten heel erg. Gymnaziumstonstrixhad me ook weêr aardig gekapt: hèel anders dan als Bacchis....—Maar ik kon je niet schilderen....—Neen, ik heb het zelf gedaan.... En heusch, we hebben wel móoi gespeeld.... Allemaal: deadulescens, de eerste maar de tweede ook.... En desenex——je weet, ik kan hem niet uitstaan....—Niet uìtstaan, bauwde Cecilianus na, en loenschte naar densenex, die zat te schransen.—Maar hij speelde pràchtig.... Zoo als die draait met zijn masker, nu den goedigen kant en dan weêr den kwaadaardigen kant....—Toonde?—Ja.... pràchtig! Zonder dat het opzettelijk scheen. En de „paraziet” ook.... was wel heel goed.... al hadden ze hem „masker-af” geroepen en uitgejouwd.—Liep de zaal weêr vol?—Ja, toen ze degladiatorenhadden gezien.... Je kan niet overal bij zijn, hè....—Niet overal te gelijker tijd....—En morgen, broêrtje, spelen we samen weêr....—Morgen, broêrtje, weêr samen....—Onsstuk....—De „Bacchides”!—De „Bacchides”! De „Bacchides”!Ze zoenden elkaâr, de lippen vet van de kooltjes.—Jongens, riepen Colosseros en Carpoforus. Wat zitten jullie daar zoo samen te vrijen?—Nou.... we hebben elkaâr den heelen dag niet gezien! riep Cecilianus.—Den héelen dag niet.... Vertel jij nou, Cecilianus?En Cecilius was vol aandacht, terwijl Cecilianus vertelde van het Colosseum.—Ik ben er gegaan met Nilus en zijn moeder en met Taurus en de acht meiden, zei Cecilianus. Het was leuk, hoor en wel erg mooi.... Ik heb het nooit zoo gezien, zelfs niet inAlexandrië....—Nièt in Alexandrië??—Haalt er niet bij. Zoo veel wilde dieren er in de arena kwamen! Het was net als een woud gemaakt, met heuvelen en boomen en struiken, en daar tusschen wilde dieren. En Carpoforus heeft eerst met pijl op pijl vijf luipaarden geschoten: die kwamen langs de heuvelen en achter de boomen naar hem toe: ik was zoo bàng voor hem!—En miste hij er niet éen?—Niet éen.... En toen heeft hij een everzwijn, dat ze ophem los lieten, geplaagd met een ijzeren piek, dat het beest dol werd. En toen heeft hij het met zijn zwaard doorstoken!—Doorstoken, met zijn zwaard?—Ja, vlàk bij. En toen, o toen was het verschrikkelijk. Toen hoorde je een leeuw brullen, een grooten, Numidischen leeuw, met manen, wijd-uit. En verbeeldt je, daar heeft Carpoforus meê geworsteld....—Met den Numidischen leeuw?—Ja. Hij was heelemaal met een koperen maliënrusting bedekt, ook zijn hoofd, en om zijn handen had hij koperen malie-handschoenen. En toen pakte hij den leeuw, die zich op hem wilde gooien, bij den strot en toen worstelden ze samen, net als worstelaars. Het was vreeselijk; ik was zoo bang voor Carpoforus....—En toen?—Nou, toen stonden ze weêr samen op. De leeuw stond als een mensch op zijn achterpooten. En toen worstelden ze weêr. En toèn, stel je toch voor....—Toen....??—.... greep Carpoforus den leeuw bij zijn muil, en scheurde hem zijn muil in tweeën.... En de leeuw brulde, maar we hebben allemaal zóo hard geklapt, dat je den leeuw niet meer hoorde. Toen lag de leeuw dood, met een slappen staart tusschen zijn pooten en een open gescheurden muil!—Cecilianus! riep Carpoforus. Kom toch eens hier!—Kom toch eens hier, Cecilius! riep Colosseros.De jongens stonden op en kwamen, in iedere hand honigkoeken, die ze knabbelden.—Waar hebben jullie het toch over? vroeg Carpoforus.—Over jou, zei Cecilianus. Ik heb Cecilius verteld hoe je met den leeuw vocht.—En heb je niet van mij verteld? vroeg Colosseros.—Nog niet, zei Cecilianus. Stel je toch voor, Cecilius: Colosseros was verkleed als Herkules....—Met een knots en een leeuwevel?—Ja. En hij zag er hèel mooi uit. En toen ging hij zitten op een stier en toen ging de stier mèt Colosseros de lucht in, als in een apotheoze!—Ik had van het beest af kunnen donderen, zei Colosseros. Of met beest en al naar beneden kunnen bliksemen.—Hè! zei Cecilius spijtig. Kan ik dat nu nóoit eens komen kijken! Ik moet ièderen dag optreden: ik kan nu nóoit eens naar het Colosseum gaan!—En Cecilius, er was een olifant en die knielde voor den Keizer, of hij hem aanbad.—Hè, dat had ik ook willen zien!—En een rhinoceros en een beer heb ik samen zien vechten. En vrouwen heb ik zien vechten, manwijven, zoo als Nigrina er een was. En daarna stroomde de arena vol water en was er een Naumachie. Maar het móoiste vond ik toch.... Nilus, geef ons nog wat honigkoeken!—Hè ja, Nilus, geef ons nog wat honigkoeken!—.... Toen allemaal zwemmertjes, jongentjes en meisjes door het water zwommen en toen al zwemmend allerlei figuren maakten.—Figuren?—Ja, zei Carpoforus. Een drietand, hè?—En een anker, zei Colosseros.—Ja, zei Cecilianus; en allerlei starrebeelden en een schip met ontplooide zeilen....—Hè! pruilde Cecilius, treurig.—Wat is er, broêrtje?—Dat had ik nu toch ook zoo gaarne gezien: die starrebeelden en dat schip! Door zwemmertjes?? Ik moet maar altijd optreden!Cecilius’ oogen werden vochtig; zijn mond vertrok. Colosseroshad medelijden met hem, nam hem als een kind op zijn schoot.—Gaat zoo een groote jongen nou grienen, die rhetorica heeft geleerd en in de „Bacchides” zoo prachtig danst en zingt en speelt.... plaagde Colosseros en deed of Cecilius een kindje was.—Nou ja, zei Cecilius; maar ik zie zoo nooit wat in het Colosseum. Morgen spelen we weêr de „Bacchides”....—En overmorgen de „Menæchmi”, zei Cecilianus. Cecilius ziet zóo nooit wat in het Colosseum.... Weet je wàt!!Cecilianus had een ingeving:—Wat dan? vroegen degladiatoren, begaan.—Wat dan? vroeg Cecilius, betraande oogen.—Ik zal overmorgen jou rol spelen in de „Menæchmi” en dan kan jij naar het Colosseum. Ik doe het net zoo goed als jij....—Nou ja, dat natuurlijk wel.... Maar dan zijn we weêr een dag van elkaâr af. Weet je wàt!!Cecilius had een ingeving.—Wat nou weêr? vroegen degladiatorennieuwsgierig.—Wat dan? vroeg Cecilianus, rood van belang: hij zat op de knie van Carpoforus.—Clarus moet overmorgen Erotium spelen in de „Menæchmi” en dan gaan we samen naar het Colosseum. Met ons beidjes....—Ja, Clarus moet overmorgen....! juichte Cecilianus.—Clarus!—Clarus!—Clarus dan toch! riepen de jongens, degladiatoren.Clarus zat tusschensenex, „paraziet” en Syrus, die zoo mooi zijn „slave-rol” in de „Bacchides” gespeeld had,moretumte eten....—Nilus doet er te veel knoflook in, meende Cecilianus.—Ja, wel wat veel.... was Cecilius het eens; hij veegde zijn oogen af.Clarus drong zich een weg tusschen de gasten.—Wat is er, zei Clarus; zoo een echtematrona-jongen, vond Cecilianus; net een oud wijf....—Clarus, zei Cecilianus met zijn liefste stemmetje; wil jij niet eens, overmorgen....—In Cecilianus’ plaats? meende, allerliefst vragend, Cecilius, en ging door:—.... In de „Menæchmi”....—.... Erotium spelen?? glimlachte schattig Cecilianus naar Clarus op.—Nou,ikwèl! zei Clarus. Maar jullie spelen altijd de mooie rollen en ik moet maar dematronaspelen.—Linus kan overmorgen wel dematronaspelen, zei Cecilianus beslist.—Ja, Linus kan wel.... meende Cecilius.—Dominus! riep Cecilianus.—Dominus!! riep Cecilius harder.—Dominusdan toch! bulderden degladiatoren, vol belang in het komedianten-intriguetje.Lavinius Gabinius kwam.—Wat is er? vroeg Lavinius Gabinius.—Dominus....—Dominus.... begonnen de jongens, en Cecilianus, voor zijn broêrtje:—Morgen de „Bacchides”, hè? Overmorgen de „Menæchmi”??—Neen, de „Bacchides” weêr, zei dedominusbeslist.Cecilius begon te grienen.—Dan zie ik nooit.... begon hij.—Sst!! zei Cecilianus en legde zijn hand op broêrtjes mond.Dominus, ging hij voort; Cecilius is moê.... van iederen dag een groote rol te spelen. „Bacchides”, „Menæchmi”, „Bacchides”, „Menæchmi”....—En wat woû Cecilius dan....??—Met een leeuw worstelen, voor de afwisseling, zei Carpoforus.—Neen, op een stier in de lucht geheschen worden, als ik van middag! zei Colosseros.—Neen! zei Cecilianus en trok Carpoforus boos aan de ooren. Nou geen màlligheid maken! Het is heel ernstig. Cecilius moest eens rùsten.—Rùsten? vroeg dedominus, die het niet door zag.—Ja, zei Cecilianus; Cecilius is moê. Als we nu morgen de „Bacchides” hebben gespeeld, moesten we overmorgen allebei.... rusten.—O.... Rusten? vroeg dedominus.—Ja, meende Cecilianus.—Rustiksoms tijdens de Megalezia?—Neen,dominus, zei Cecilianus; maar als we moê zijn en slecht gaan spelen....—Dan krijgen ze tòch niet op hun donder! riep desenex.—.... Zoû je het lang niet prettig vinden,dominus....Cecilianus, aan den arm van dendominus, flikkeflooide naar hem op.—.... en daarom moest je overmorgen de „Menæchmi” geven met Clarus als Erotium.... En Linus als dematrona.—Zonder repetitie?? riep dedominus.—Ach, we kunnen immers àllemaal die „Menæchmi” wel droomen! zei Cecilianus.—We kènnen de rollen,dominus, zeiden Clarus en Linus, die blij waren eens een kàns te hebben omdat Cecilius en Cecilianus samen naar het Colosseum wilden.—Nu.... goèd dan! zei dedominus. Maar als jullie niet goed spelen, krijgen jullie....!Clarus, Linus waren niet bang. Nilus schonk de kroezen vol.—Ga je eens meê naar de Broederschap van Isis,dominus? vroeg Nilus.—Na de Megalezia, misschien, vriend Nilus, meende dedominus. Mijn hoofd loopt me nu heusch om. En dan nog die dondersche jongens, die altijd weêr wat anders willen....Op Carpoforus’ en Colosseros’ knieën glunderden Cecilius en Cecilianus.—Overmorgen! smoesden zij blij. Overmorgen! Gaan we samen naar het Colosseum!—En Cecilius, vertelde Cecilianus voort; wàt er eigenlijk nòg het aardigst was, dat zijn de haasjes en de haasjes loopen zoo maar los en vrij door den muil heen van een tammen leeuw....—Ach, hoe lièf! zei Cecilius. Zie ik dat òok, overmorgen?!—Ja, zei Cecilianus. Dat zie je ook, overmorgen. En ik sprak er Martialis: die was er met al de andere edele heeren en die zei me, dat hij epigrammen zoû maken op àl die dingen: op Carpoforus....—Natuùrlijk op mij! blageerde de Jager.—Op Colosseros....—Hij moèst het eens laten! bulderde de „kolossale Eros.”—Op den olifant, op den rhinoceros, op den beer....—Op de zwemmertjes?—Op de zwemmertjes ook.... En op de haasjes!!—Heerlijk! juichte Cecilianus. Overmorgen naar het Colosseum! En saàmpjes!!Maar de nachtwacht ging voorbij. Het was het sluitingsuur. Over de taveerne was Taurus’ huis al gesloten.....

Dien volgenden avond laat—hoe vol was het weêr bij Nilus!—zaten Cecilius en Cecilianus, bij de schenkbank, vlak tegenover de telkens open en dicht gaande deur, hun soep te eten. Zij hadden elkaâr den geheelen dag niet gezien, en zij zaten nu schouder aanschouder, knie aan knie en aten uit éen groot bord, hongerig: zij slurpten er uit het vleeschnat, zij vischten er uit de worstjes en vertelden elkander honderd-uit, als of zij elkaâr in maanden niet hadden gezien. Zij bemoeiden zich niet met de anderen—daar zat de heelegrex; daar zaten de Gallen engladiatoren—maar zij, hun bord in hun schoot, hun kroes in de vingers, vertelden, vertelden maar door....

—Je moet dan weten, zei Cecilius—om hen heen roezemoesde het stemgedruisch—dat juist, toen de „paraziet” in het midden van zijn groote scène was....

De deur ging open: de matrozen uit Ostia met Sila en de andere vrouwen drongen luidruchtig binnen. En vóor het huis van Taurus zagen de jongens de meiden zitten op de hooge gestoelten: Matta, Flacca, Prisca en de anderen en ze riepen en de jongens wuifden terug, voor de aardigheid.

—Nu, wat toen? vroeg Cecilianus nieuwsgierig.

Cecilius lachte, vol ingehouden pret.

—Toen gingen degladiatorenvoorbij het Theater om naar het Colosseum te gaan en, verbeeldt je, dat hóorde het publiek—we hoorden ze stappen en dreunen, hè, en toen was het een gedrang en woû iedereen ze zien en toen liep....

—Kooltjes inlaserpiciumgestoofd? bood Nilus.

—Hè ja, Nilus, dank je wel....

—Dank je wel....

Het leêge bord op hun schoot was vervangen. Cecilius ging voort:

—.... toen liep het héele Theater uit om degladiatorente zien....

—Om degladiatorente zien?

—Ja.... en toen stond de „paraziet” in eens.... voor een leêge zaal te declameeren!! En vloekte die....! En omdat hij vloekte, riep het publiek: „masker af!” en moest die zijn masker af doen en werd die uitgejouwd, de „paraziet”!

De jongens stikten van het lachen, de kooltjes bol in de wangen.

—En toen? vroeg Cecilianus.

—Vertel jij nu van het Colosseum? vroeg Cecilius.

—Neen, vertel jij nu eerst van het Theater, drong Cecilianus. Ik ben zoo benieuwd te hooren....

—Nou, zei Cecilius. De voorstelling was heel mooi....

—Vol, decavea?

—Ja, en deorchestraook. En de ridderbanken....

—De Keizer was in het Colosseum....

—Nou ja, natuurlijk....

—En de Keizerin....

—Nou ja, natuurlijk....

—Natuurlijk: de eerste dag in het Colosseum....

—Maar al die duizenden, die den eersten dag geen plaats hadden gevonden....

—Nou ja, die waren in het Theater....

—Het was weêr stampvol, zei Cecilius. Eerst de Hymne weêr. En toen de „Menæchmi”.

—Klapten ze, toen je optradt als Erotium?

—Ja, ze klapten heel erg. Gymnaziumstonstrixhad me ook weêr aardig gekapt: hèel anders dan als Bacchis....

—Maar ik kon je niet schilderen....

—Neen, ik heb het zelf gedaan.... En heusch, we hebben wel móoi gespeeld.... Allemaal: deadulescens, de eerste maar de tweede ook.... En desenex——je weet, ik kan hem niet uitstaan....

—Niet uìtstaan, bauwde Cecilianus na, en loenschte naar densenex, die zat te schransen.

—Maar hij speelde pràchtig.... Zoo als die draait met zijn masker, nu den goedigen kant en dan weêr den kwaadaardigen kant....

—Toonde?

—Ja.... pràchtig! Zonder dat het opzettelijk scheen. En de „paraziet” ook.... was wel heel goed.... al hadden ze hem „masker-af” geroepen en uitgejouwd.

—Liep de zaal weêr vol?

—Ja, toen ze degladiatorenhadden gezien.... Je kan niet overal bij zijn, hè....

—Niet overal te gelijker tijd....

—En morgen, broêrtje, spelen we samen weêr....

—Morgen, broêrtje, weêr samen....

—Onsstuk....

—De „Bacchides”!

—De „Bacchides”! De „Bacchides”!

Ze zoenden elkaâr, de lippen vet van de kooltjes.

—Jongens, riepen Colosseros en Carpoforus. Wat zitten jullie daar zoo samen te vrijen?

—Nou.... we hebben elkaâr den heelen dag niet gezien! riep Cecilianus.

—Den héelen dag niet.... Vertel jij nou, Cecilianus?

En Cecilius was vol aandacht, terwijl Cecilianus vertelde van het Colosseum.

—Ik ben er gegaan met Nilus en zijn moeder en met Taurus en de acht meiden, zei Cecilianus. Het was leuk, hoor en wel erg mooi.... Ik heb het nooit zoo gezien, zelfs niet inAlexandrië....

—Nièt in Alexandrië??

—Haalt er niet bij. Zoo veel wilde dieren er in de arena kwamen! Het was net als een woud gemaakt, met heuvelen en boomen en struiken, en daar tusschen wilde dieren. En Carpoforus heeft eerst met pijl op pijl vijf luipaarden geschoten: die kwamen langs de heuvelen en achter de boomen naar hem toe: ik was zoo bàng voor hem!

—En miste hij er niet éen?

—Niet éen.... En toen heeft hij een everzwijn, dat ze ophem los lieten, geplaagd met een ijzeren piek, dat het beest dol werd. En toen heeft hij het met zijn zwaard doorstoken!

—Doorstoken, met zijn zwaard?

—Ja, vlàk bij. En toen, o toen was het verschrikkelijk. Toen hoorde je een leeuw brullen, een grooten, Numidischen leeuw, met manen, wijd-uit. En verbeeldt je, daar heeft Carpoforus meê geworsteld....

—Met den Numidischen leeuw?

—Ja. Hij was heelemaal met een koperen maliënrusting bedekt, ook zijn hoofd, en om zijn handen had hij koperen malie-handschoenen. En toen pakte hij den leeuw, die zich op hem wilde gooien, bij den strot en toen worstelden ze samen, net als worstelaars. Het was vreeselijk; ik was zoo bang voor Carpoforus....

—En toen?

—Nou, toen stonden ze weêr samen op. De leeuw stond als een mensch op zijn achterpooten. En toen worstelden ze weêr. En toèn, stel je toch voor....

—Toen....??

—.... greep Carpoforus den leeuw bij zijn muil, en scheurde hem zijn muil in tweeën.... En de leeuw brulde, maar we hebben allemaal zóo hard geklapt, dat je den leeuw niet meer hoorde. Toen lag de leeuw dood, met een slappen staart tusschen zijn pooten en een open gescheurden muil!

—Cecilianus! riep Carpoforus. Kom toch eens hier!

—Kom toch eens hier, Cecilius! riep Colosseros.

De jongens stonden op en kwamen, in iedere hand honigkoeken, die ze knabbelden.

—Waar hebben jullie het toch over? vroeg Carpoforus.

—Over jou, zei Cecilianus. Ik heb Cecilius verteld hoe je met den leeuw vocht.

—En heb je niet van mij verteld? vroeg Colosseros.

—Nog niet, zei Cecilianus. Stel je toch voor, Cecilius: Colosseros was verkleed als Herkules....

—Met een knots en een leeuwevel?

—Ja. En hij zag er hèel mooi uit. En toen ging hij zitten op een stier en toen ging de stier mèt Colosseros de lucht in, als in een apotheoze!

—Ik had van het beest af kunnen donderen, zei Colosseros. Of met beest en al naar beneden kunnen bliksemen.

—Hè! zei Cecilius spijtig. Kan ik dat nu nóoit eens komen kijken! Ik moet ièderen dag optreden: ik kan nu nóoit eens naar het Colosseum gaan!

—En Cecilius, er was een olifant en die knielde voor den Keizer, of hij hem aanbad.

—Hè, dat had ik ook willen zien!

—En een rhinoceros en een beer heb ik samen zien vechten. En vrouwen heb ik zien vechten, manwijven, zoo als Nigrina er een was. En daarna stroomde de arena vol water en was er een Naumachie. Maar het móoiste vond ik toch.... Nilus, geef ons nog wat honigkoeken!

—Hè ja, Nilus, geef ons nog wat honigkoeken!

—.... Toen allemaal zwemmertjes, jongentjes en meisjes door het water zwommen en toen al zwemmend allerlei figuren maakten.

—Figuren?

—Ja, zei Carpoforus. Een drietand, hè?

—En een anker, zei Colosseros.

—Ja, zei Cecilianus; en allerlei starrebeelden en een schip met ontplooide zeilen....

—Hè! pruilde Cecilius, treurig.

—Wat is er, broêrtje?

—Dat had ik nu toch ook zoo gaarne gezien: die starrebeelden en dat schip! Door zwemmertjes?? Ik moet maar altijd optreden!

Cecilius’ oogen werden vochtig; zijn mond vertrok. Colosseroshad medelijden met hem, nam hem als een kind op zijn schoot.

—Gaat zoo een groote jongen nou grienen, die rhetorica heeft geleerd en in de „Bacchides” zoo prachtig danst en zingt en speelt.... plaagde Colosseros en deed of Cecilius een kindje was.

—Nou ja, zei Cecilius; maar ik zie zoo nooit wat in het Colosseum. Morgen spelen we weêr de „Bacchides”....

—En overmorgen de „Menæchmi”, zei Cecilianus. Cecilius ziet zóo nooit wat in het Colosseum.... Weet je wàt!!

Cecilianus had een ingeving:

—Wat dan? vroegen degladiatoren, begaan.

—Wat dan? vroeg Cecilius, betraande oogen.

—Ik zal overmorgen jou rol spelen in de „Menæchmi” en dan kan jij naar het Colosseum. Ik doe het net zoo goed als jij....

—Nou ja, dat natuurlijk wel.... Maar dan zijn we weêr een dag van elkaâr af. Weet je wàt!!

Cecilius had een ingeving.

—Wat nou weêr? vroegen degladiatorennieuwsgierig.

—Wat dan? vroeg Cecilianus, rood van belang: hij zat op de knie van Carpoforus.

—Clarus moet overmorgen Erotium spelen in de „Menæchmi” en dan gaan we samen naar het Colosseum. Met ons beidjes....

—Ja, Clarus moet overmorgen....! juichte Cecilianus.

—Clarus!

—Clarus!

—Clarus dan toch! riepen de jongens, degladiatoren.

Clarus zat tusschensenex, „paraziet” en Syrus, die zoo mooi zijn „slave-rol” in de „Bacchides” gespeeld had,moretumte eten....

—Nilus doet er te veel knoflook in, meende Cecilianus.

—Ja, wel wat veel.... was Cecilius het eens; hij veegde zijn oogen af.

Clarus drong zich een weg tusschen de gasten.

—Wat is er, zei Clarus; zoo een echtematrona-jongen, vond Cecilianus; net een oud wijf....

—Clarus, zei Cecilianus met zijn liefste stemmetje; wil jij niet eens, overmorgen....

—In Cecilianus’ plaats? meende, allerliefst vragend, Cecilius, en ging door:

—.... In de „Menæchmi”....

—.... Erotium spelen?? glimlachte schattig Cecilianus naar Clarus op.

—Nou,ikwèl! zei Clarus. Maar jullie spelen altijd de mooie rollen en ik moet maar dematronaspelen.

—Linus kan overmorgen wel dematronaspelen, zei Cecilianus beslist.

—Ja, Linus kan wel.... meende Cecilius.

—Dominus! riep Cecilianus.

—Dominus!! riep Cecilius harder.

—Dominusdan toch! bulderden degladiatoren, vol belang in het komedianten-intriguetje.

Lavinius Gabinius kwam.

—Wat is er? vroeg Lavinius Gabinius.

—Dominus....

—Dominus.... begonnen de jongens, en Cecilianus, voor zijn broêrtje:

—Morgen de „Bacchides”, hè? Overmorgen de „Menæchmi”??

—Neen, de „Bacchides” weêr, zei dedominusbeslist.

Cecilius begon te grienen.

—Dan zie ik nooit.... begon hij.

—Sst!! zei Cecilianus en legde zijn hand op broêrtjes mond.Dominus, ging hij voort; Cecilius is moê.... van iederen dag een groote rol te spelen. „Bacchides”, „Menæchmi”, „Bacchides”, „Menæchmi”....

—En wat woû Cecilius dan....??

—Met een leeuw worstelen, voor de afwisseling, zei Carpoforus.

—Neen, op een stier in de lucht geheschen worden, als ik van middag! zei Colosseros.

—Neen! zei Cecilianus en trok Carpoforus boos aan de ooren. Nou geen màlligheid maken! Het is heel ernstig. Cecilius moest eens rùsten.

—Rùsten? vroeg dedominus, die het niet door zag.

—Ja, zei Cecilianus; Cecilius is moê. Als we nu morgen de „Bacchides” hebben gespeeld, moesten we overmorgen allebei.... rusten.

—O.... Rusten? vroeg dedominus.

—Ja, meende Cecilianus.

—Rustiksoms tijdens de Megalezia?

—Neen,dominus, zei Cecilianus; maar als we moê zijn en slecht gaan spelen....

—Dan krijgen ze tòch niet op hun donder! riep desenex.

—.... Zoû je het lang niet prettig vinden,dominus....

Cecilianus, aan den arm van dendominus, flikkeflooide naar hem op.

—.... en daarom moest je overmorgen de „Menæchmi” geven met Clarus als Erotium.... En Linus als dematrona.

—Zonder repetitie?? riep dedominus.

—Ach, we kunnen immers àllemaal die „Menæchmi” wel droomen! zei Cecilianus.

—We kènnen de rollen,dominus, zeiden Clarus en Linus, die blij waren eens een kàns te hebben omdat Cecilius en Cecilianus samen naar het Colosseum wilden.

—Nu.... goèd dan! zei dedominus. Maar als jullie niet goed spelen, krijgen jullie....!

Clarus, Linus waren niet bang. Nilus schonk de kroezen vol.

—Ga je eens meê naar de Broederschap van Isis,dominus? vroeg Nilus.

—Na de Megalezia, misschien, vriend Nilus, meende dedominus. Mijn hoofd loopt me nu heusch om. En dan nog die dondersche jongens, die altijd weêr wat anders willen....

Op Carpoforus’ en Colosseros’ knieën glunderden Cecilius en Cecilianus.

—Overmorgen! smoesden zij blij. Overmorgen! Gaan we samen naar het Colosseum!

—En Cecilius, vertelde Cecilianus voort; wàt er eigenlijk nòg het aardigst was, dat zijn de haasjes en de haasjes loopen zoo maar los en vrij door den muil heen van een tammen leeuw....

—Ach, hoe lièf! zei Cecilius. Zie ik dat òok, overmorgen?!

—Ja, zei Cecilianus. Dat zie je ook, overmorgen. En ik sprak er Martialis: die was er met al de andere edele heeren en die zei me, dat hij epigrammen zoû maken op àl die dingen: op Carpoforus....

—Natuùrlijk op mij! blageerde de Jager.

—Op Colosseros....

—Hij moèst het eens laten! bulderde de „kolossale Eros.”

—Op den olifant, op den rhinoceros, op den beer....

—Op de zwemmertjes?

—Op de zwemmertjes ook.... En op de haasjes!!

—Heerlijk! juichte Cecilianus. Overmorgen naar het Colosseum! En saàmpjes!!

Maar de nachtwacht ging voorbij. Het was het sluitingsuur. Over de taveerne was Taurus’ huis al gesloten.....

X.De Megalezia liepen ten einde en Rome was moê van feest. Zeven dagen hadden de feesten geduurd; zeven dagen hadden de trompetten en tamboerijnen der kinderen getoeterd en gerinkeld door de huizen en langs de straten; zeven dagen lang waren erScenische Spelen, en zes dagen Circensische Spelen geweest; vijf dagen lang waren er wedrennen geweest in den Circus Maximus. Degrexvan Lavinius Gabinius had gegeven vier malen de „Bacchides” en drie malen de „Menæchmi”; in de tusschenspelen enmimus-spelen—atellanæenexodia—was groote verscheidenheid geweest. Maar nu was het Theater gesloten, het Colosseum gesloten, het Circus gesloten, waren de processen weêr in vollen gang, hadden de bazilieken enforawederom het gewone aanzicht van koortsige zakelijkheid, drukke gewichtigheid, hernam het gewone leven zijn recht. Aan de Baden van Titus en het Colosseum—nog immer niet geheel voltooid—werd gewerkt; de voller volde zijn toga’s, de slavenkoopman voerde steeds andere slaven ter markt; de copiïsten van Tryfo schreven geentitulimeer ofdidascaliamaar de allerlaatste epigrammen van Martialis op de Spelen in kleine boekjes over, die overal werden verkocht in de Argiletische wijk. Nilus ging iederen dag op zijn ezel ter markt maar des avonds was het niet zóo vol meer in zijn taveerne, hoewel vol toch nog steeds en Lavinius Gabinius kwam dikwijls des middags, na de siësta, een praatje met hem maken op de bank, buiten de taveerne, over de hooge gestoelten onder obscene reclame-schilderijtjes van het huis van Taurus, waar de meiden nu alleen tegen zonsondergang kwamen tronen.—Decatervaheeft vacantie tot de Floralia, zei Lavinius Gabinius, naast Nilus gezeten op de bank: binnen, in de taveerne, was alles schoon gemaakt en gereed voor wie ’s avonds zoû komen.—En jij ook, zei Nilus.—Ik ook, zei dedominus. Nou, ik ben doodmoê. Zeven dagen achter elkaâr die urenlange voorstelling. En ik sta voor alles alleen, moet bij alles met mijn neus bij zijn. Heb geen nacht eigenlijk geslapen, zoo veel zorgen heb ik gehad. Over zeventien dagen spelen we weêr, met de Floralia, maar nu mogen we dan op adem komen.—Verdiend heb je wel? vroeg Nilus.—Verdiend heb ik wel, zei dedominusbescheiden; deædilenbetalen goed. Maar mijn troep is dan ook prima. Ik ben alleen altijd bang, dat er een paar slaven van door gaan. Ik kan ze niet aan boeien leggen, hè? Hoewel, mijn eerstenadulescens, dien doe ik een kuischheidsgordel voor, want die ruïneert zich met de vrouwen.... Ja,caupo, met patricische vrouwen.... Hij is een knappe jongen, al is hij pedant en hij heeft géen nacht, geloof ik, thuis geslapen. Is het wel,senex?—Géen nacht, zei desenex: iedere nacht sliep desenexthuis.—Doe je hem dus eenfibulavoor,dominus?—Wis en waarachtig,caupo; al was het alleen maar om zijn stem te bewaren; hij was de laatste twee dagen schor als een roestige hengsel.—Ach, zei desenex, half-goedmoedig, tot Nilus; dat zègt dedominusdan, van eenfibulavoor, maar deadulescenskrijgt het ding tòch niet voor.... Trouwens, hij laat het ding immers door vijlen. Die maatregelen waren goed, toen komedianten nog met den zweep werden geregeerd en achter slot en grendel werden gehouden, maar in onzen modernen tijd, lievedominus, zijn die antieke gewoonten toch niet meer te volgen: je komedianten zijn wel je slaven, behalve ik, maar je eigenbelang brengt meê, dat je ze niet héelemaal als slaven behandelt.—Hetiszoo, gaf dedominustoe. Het is ook een moeilijk vak,dominus-gregiste zijn. En toch, ik ben er voor geboren. Een mooie tooneelvoorstelling voor te bereiden.... voor mij gaat daar nièts boven, vriendcaupo....De drie mannen bleven zitten staren in de nauwe straat. Over het nog gesloten huis van Taurus gloeide ros de dalende zon. Nilus’ moeder, uitgeslapen en dik, verscheen op den drempel der taveerne.—Ik ga eens een praatje met Gymnazium maken, zei ze en dribbelde weg.Nilus zeide, starend:—Er zijn misschien dingen, die daar bóven gaan....—Hoe meen je? vroeg dedominus, ietwat verbaasd.—Ja, zei desenexdroevig; dat voel ik ook. Er zijn misschien dingen, die daar boven gaan....—Boven een mooie tooneelvoorstelling, in een groot theater als dat van Pompeïus?? verbaasde dedominuszich.—Ja.... zeide Nilus.—Ja.... zei desenex.—Wat meenen jullie?? vroeg dedominus: hij keek van links naar rechts.—Dominus, zeide Nilus; nu je het niet meer zoo druk hebt, moest je eens met me meê, naar de Broederschap van Isis....—Ach, vriendcaupo, als ik je daar meê pleizier kan doen.... zei dedominusnaar rechts.—Dominus, zei desenex; en nu we hier zoo rustig wat bij elkaâr zitten te praten, woû ik je eens wat zeggen.—En wat dan,senex? zei dedominusnaar links.—Kijk eens,dominus,zei desenex. Ik ben nooit heel gelukkig geweest als komediant. Ik speel wel vrij goed desenex-rollen, maar ze hebben me nooit gelukkig gemaakt. Ik heb nooit kunnen wennen aan dien zwaren, beroerden, houten maskerkop. Het ding heeft me oud gemaakt voor mijn tijd, hoewel het me gelegenheid heeft gegeven me vrij te koopen. Ik denk,dominus, dat ik er meê uit scheid en je verlaten ga....—Er meê uit scheiden? Me verlaten?! schrikte dedominusop. Me verlaten, terwijl we hier nog met de Floralia spelen moeten! Me verlaten, terwijl ik in onderhandeling ben metKarthago, om daar te komen spelen met de Feesten van de Maan? Maar je denkt er toch niet aan,senex?? En wat zoû je dan willen doen?—Het theater vaarwel zeggen,dominus....—En dàn?—Christen worden,dominus.—Christen?? kreet Lavinius Gabinius uit. Ben je gèk geworden,senex? Waarom moet je Christen worden? Wàt is eigenlijk een Christen?—Een aanhanger van een sekte vol bijgeloof,dominus, zei Nilus. Een filozofische oproermaker tegen de goden.Senex, jij moest ook met me meê naar de Broederschap van Isis.... Dáar zoû je troost vinden, als je droef en moê van het leven was.... Dien heb ik er zoo dikwijls gevonden als ik wanhopig was den eersten tijd, dat het me niet goèd ging, met mijn kroeg hier.Desenexschudde het hoofd....—Ik word liever Christen en verlaat het theater. Ik heb met Christenen gesproken. Nilus, in je taveerne. En gisteren....—Gisteren....? vroegen Nilus endominus.—Gisteren heb ik in de catacomben eensenexgezien en gehoord, een „grijsaard” maar van geen theater....—Hoe heet hij? vroeg dedominus.—Johannes, zeide desenex.—En wat zei hij? vroeg Nilus.—Dat weet ik niet meer. Het waren woorden als vlammende zwaarden.... Ze doorstaken me, hier, op mijn hart.... Het was heel anders dan Terentius en Plautus en ik geloof,dominus....—Wat,senex??—Dat ik gehoor aan zijn woord geef en Christen word....Desenexzat peinzend naar de illustraties op het huis van Taurus te staren. Het opende, nu de zon daalde. De meiden, gapende, kwamen kijken.... Zij voelden aan hare kapsels, of het misschien noodig zoû zijn even naar Gymnazium te gaan.... Maar als Taurus niets zeide, was het brooddronken zich op nieuw te laten kappen, van haar eigen drinkpenningen nog wel. En omdatde drie mannen zaten te praten, gingen zij om hen staan, als goede kennissen groetend, toen luisterend, zich rekkend.... Uit een nauw zijslop kwamen slenterend de „paraziet” en Syrus, de „slave-rol”....—Wie is die Johannes? vroeg dedominus.—Een vreemd man, zei desenex, starende.... Hij is slank en geheel wit van haren.... Hij is vijf-en-tachtig, hoorde ik.... Hij is bisschop van Efezus, zeiden ze me.... Hij is de boezemvriend geweest van Christus.—Christus? vroeg dedominus.De „paraziet”, de „slave-rol” wisten er van.—Christus, zeker.... zei Syrus.—De leeraar van de Christenen, natuurlijk! zei de „paraziet”.Ook de meiden hadden wel eens iets gehoord....—Die is gekruisigd, zei Prisca. Hij had iets gedaan, ik weet niet wat....—En nu die Johannes? vroeg dedominusweêr.—Is altijd bij hem geweest, zei desenex; en was bij zijn terechtstelling aanwezig. En heeft toen zijn leer verkondigd in Griekenland en Klein-Azië.... En is toen bisschop van Efezus geworden....—Nooit van hem gehoord, toen we daar speelden, zei dedominus.—Hier hoor je ook niets van den bisschop,dominus. Dat is Clemens....—Natuurlijk niet, zei dedominus. Hoe zoû ik, wiens hoofd al om loopt tijdens de Megalezia, nog van die zoogenaamde bisschoppen moeten hooren. Zat die Clemens in deorchestra?—Neen, zei desenex. Hoewel er toch wel Christenen waren in het Theater....—Om te kritizeeren, zei Nilus. Het zijn izegrimmen.... Het zijn sombere kerels. Onze Isisdienst is vroom en ernstig maarhèlder. Jullie moesten allen eens meê gaan als er een mysterie gevierd wordt....—Maar wat nu van dien Johannes? vroeg dedominus.—Die is, hier in Rome, ontboden door den Keizer.... zeide desenex.—O ja, zei Matta; ik herinner me. Herinner jij je ook niet, Flacca? Johannes, zoo een heilige man?—Ja, ja, zei Flacca. Met wit, lang haar. We hebben hem eens zien loopen langs de Via Appia, toen we van Taurus moesten naar zijn moeder, die met de koorts lag en die daar woont, in wat een mooi huisje bij de Aqua Claudia; ze verdienen toch maar geld met ons. Moeder en zoon, dat is alles éen potje. En toen zeiden ze om ons heen....—Ja, zei Matta; dat die Johannes in de kokende olie gedompeld was....—Ja, zei desenex, starende; in de kokende olie....—Jawèl zei Nilus; nu je het zegt, herinner ik me ook van dat geval te hebben gehoord.—En de kokende olie, zei desenex; had geen vàt op hem....—Hoe meen je? vroeg dedominus.—Hij stapte uit de olie, ongedeerd.—Geloof je dat? vroeg dedominus.—Nou, zei Flacca. Ik niet.—Ik ook niet, zei Matta.—Ik wel, zei desenex, starende.—Er gebeuren wonderen,dominus, zei Nilus. Bij voorbeeld, als je door een heks in een ezel veranderd bent....—Kàn dat? vroeg dedominus.—Natuurlijk, zeiden zij allen. Natuurlijk....—Dàn, zei Nilus; wordt je weêr een gewoon mensch als je den witte-rozenkrans op eet van een Isis-priester.—Geloòf jij dat?? vroeg dedominus.—Natuurlijk, zei Nilus.Nu, ik weet het niet, hoor, zei dedominus. Ik geloof niet erg aan die vreemde dingen. Het leven is heel eenvoudig en de goden, als ze bestaan, zijn net zoo eenvoudig als wij en je zièt toch nooit zulke dingen gebeuren: in kokende olie verbrandt je en een mensch, die een ezel werd en omgekeerd, heb ik, bij Bacchus, ook nooit gezien....—Maar geloóf jij aan Bacchus,dominus? vroeg Nilus.—Of ik aan Bacchus geloof? Maar natuurlijk geloof ik aan Bacchus. Nilus, wat een gekke vraag! Het heele theater is immers ontstaan uit de mysteriën, ter eere van Bacchus gevierd, en zoû ik dan niet aan Bacchus gelooven? Als Bacchus niet bestond, zoû er immers geen theater bestaan.—Bacchus bestaat wel, zei desenex: maar in den vorm van den Euvele....—Wie is dàt nou weêr? vroeg dedominus.Taurus verscheen op zijn drempel.—Flacca, riep hij. Moet jij zoo den heelen avond met die pruikebol blijven? Gauw! Naar Gymnazium....—Matta, zei Flacca, terwijl zij ging; vertel jij me later wie de Euvele is??—Je kan er op aan, zei Matta....—De Euvele, zei desenex; schuilt in al onze goden.—In ònze goden?? riepen zij allen, verontwaardigd.—En vooral in Bacchus, zei desenex. Hij heeft horens als Bacchus heeft; de Euvele ziet er uit als een sater met bokspooten en een staart.... Dat heb ik ten minste zoo begrepen.—Vertelde Johannes dat?—Neen.... Wat die vertelde, begreep ik niet.... Hij sprak van de groote Hoer, maar wie die daar meê bedoelde, begreep ik niet.... Maar zijn woorden waren als vlammende zwaarden, en die staken me door mijn hart....—En deedt je dat pijn,senex? vroeg Prisca meêlijdend.—Neen, zei desenex. Dat maakte me gelùkkig....Dedominus, zenuwachtig, was opgestaan en dwong Nilus tot opstaan. Zij wandelden, gearmd, op en neêr.—Als die niet op past, wordt die gèk, zei dedominus.Wat moet ik doèn, als die me in eens verlaat!! Ja, als je je komedianten vrij laat, dan ben je niet meer zeker van ze. Ik laat er ook geen een andere zich vrij meer koopen, hoor. Vrij, zijn ze veel te onzeker bezit.... Neen, Nilus, al wil ik wel eens meê naar je Isisdienst, er is niets boven het theater; ik meen als kunst. Maar je moet het heelemaal opvatten, als kùnst. Zonder gruwelen, zonder beer. En het is mooi, het theater: het geeft te denken en te gelijk geeft het het leven weêr. Ernstig òf komiesch, maar dat is precies het zelfde.—Maar weet je waar ik zoo een idee van heb? zei Nilus. Dat het theater, dat uit de godsdienst ontsproten is, weêr heelemaal terug tot de godsdienst zal gaan....—Tot welke godsdienst, Nilus? Tot een nieuwe godsdienst? Want tot Bacchus keert het zeker wel niet terug.... En tot Isis....—Even min, verzekerde, nadenkende, Nilus. Tot een nieuwe godsdienst.... Het zoû niet onmogelijk zijn.... Tot een alles omvattend, algemeen godsdienstig gevoel misschien, dat tot het publiek zoû spreken.... Maar zeker niet....—Tot dat van de Christenen??—Neen, tot dàt zéker niet. Dat geloof is een voorbij gaande filozofische dweperij, die nooit iets met het theater te maken zal hebben. Maar dat het theater weêr eenmaal.... een mysterie kan worden, ja, dàt zie ik bijna zéker.... als ik me herinner welke plechtige voorstellingen in ònze Isisdienst toch bijna dramatiesch.... Maar Christelijk, neen.... nooit....—Een Christelijk mysterie-theater! lachte dedominus. Neen, Nilus, daar zijn we het met elkaâr over eens, dat zal nooitbestaan, niet in der eèuwen loop! Wat ik meen, is dit: kunst mag eigenlijk voor mij niets anders zijn dan kùnst....En dedominus, op en neêr loopende, met dencaupo, in de nauwe Suburra, legde hem uit wat hij meende, dat het theater wel worden mocht in de Toekomst en wat niet. Als er weêr tooneelschrijvers werden geboren, die meer genie zouden hebben dan Plautus, Terentius en hunne Grieksche voorbeelden....

De Megalezia liepen ten einde en Rome was moê van feest. Zeven dagen hadden de feesten geduurd; zeven dagen hadden de trompetten en tamboerijnen der kinderen getoeterd en gerinkeld door de huizen en langs de straten; zeven dagen lang waren erScenische Spelen, en zes dagen Circensische Spelen geweest; vijf dagen lang waren er wedrennen geweest in den Circus Maximus. Degrexvan Lavinius Gabinius had gegeven vier malen de „Bacchides” en drie malen de „Menæchmi”; in de tusschenspelen enmimus-spelen—atellanæenexodia—was groote verscheidenheid geweest. Maar nu was het Theater gesloten, het Colosseum gesloten, het Circus gesloten, waren de processen weêr in vollen gang, hadden de bazilieken enforawederom het gewone aanzicht van koortsige zakelijkheid, drukke gewichtigheid, hernam het gewone leven zijn recht. Aan de Baden van Titus en het Colosseum—nog immer niet geheel voltooid—werd gewerkt; de voller volde zijn toga’s, de slavenkoopman voerde steeds andere slaven ter markt; de copiïsten van Tryfo schreven geentitulimeer ofdidascaliamaar de allerlaatste epigrammen van Martialis op de Spelen in kleine boekjes over, die overal werden verkocht in de Argiletische wijk. Nilus ging iederen dag op zijn ezel ter markt maar des avonds was het niet zóo vol meer in zijn taveerne, hoewel vol toch nog steeds en Lavinius Gabinius kwam dikwijls des middags, na de siësta, een praatje met hem maken op de bank, buiten de taveerne, over de hooge gestoelten onder obscene reclame-schilderijtjes van het huis van Taurus, waar de meiden nu alleen tegen zonsondergang kwamen tronen.

—Decatervaheeft vacantie tot de Floralia, zei Lavinius Gabinius, naast Nilus gezeten op de bank: binnen, in de taveerne, was alles schoon gemaakt en gereed voor wie ’s avonds zoû komen.

—En jij ook, zei Nilus.

—Ik ook, zei dedominus. Nou, ik ben doodmoê. Zeven dagen achter elkaâr die urenlange voorstelling. En ik sta voor alles alleen, moet bij alles met mijn neus bij zijn. Heb geen nacht eigenlijk geslapen, zoo veel zorgen heb ik gehad. Over zeventien dagen spelen we weêr, met de Floralia, maar nu mogen we dan op adem komen.

—Verdiend heb je wel? vroeg Nilus.

—Verdiend heb ik wel, zei dedominusbescheiden; deædilenbetalen goed. Maar mijn troep is dan ook prima. Ik ben alleen altijd bang, dat er een paar slaven van door gaan. Ik kan ze niet aan boeien leggen, hè? Hoewel, mijn eerstenadulescens, dien doe ik een kuischheidsgordel voor, want die ruïneert zich met de vrouwen.... Ja,caupo, met patricische vrouwen.... Hij is een knappe jongen, al is hij pedant en hij heeft géen nacht, geloof ik, thuis geslapen. Is het wel,senex?

—Géen nacht, zei desenex: iedere nacht sliep desenexthuis.

—Doe je hem dus eenfibulavoor,dominus?

—Wis en waarachtig,caupo; al was het alleen maar om zijn stem te bewaren; hij was de laatste twee dagen schor als een roestige hengsel.

—Ach, zei desenex, half-goedmoedig, tot Nilus; dat zègt dedominusdan, van eenfibulavoor, maar deadulescenskrijgt het ding tòch niet voor.... Trouwens, hij laat het ding immers door vijlen. Die maatregelen waren goed, toen komedianten nog met den zweep werden geregeerd en achter slot en grendel werden gehouden, maar in onzen modernen tijd, lievedominus, zijn die antieke gewoonten toch niet meer te volgen: je komedianten zijn wel je slaven, behalve ik, maar je eigenbelang brengt meê, dat je ze niet héelemaal als slaven behandelt.

—Hetiszoo, gaf dedominustoe. Het is ook een moeilijk vak,dominus-gregiste zijn. En toch, ik ben er voor geboren. Een mooie tooneelvoorstelling voor te bereiden.... voor mij gaat daar nièts boven, vriendcaupo....

De drie mannen bleven zitten staren in de nauwe straat. Over het nog gesloten huis van Taurus gloeide ros de dalende zon. Nilus’ moeder, uitgeslapen en dik, verscheen op den drempel der taveerne.

—Ik ga eens een praatje met Gymnazium maken, zei ze en dribbelde weg.

Nilus zeide, starend:

—Er zijn misschien dingen, die daar bóven gaan....

—Hoe meen je? vroeg dedominus, ietwat verbaasd.

—Ja, zei desenexdroevig; dat voel ik ook. Er zijn misschien dingen, die daar boven gaan....

—Boven een mooie tooneelvoorstelling, in een groot theater als dat van Pompeïus?? verbaasde dedominuszich.

—Ja.... zeide Nilus.

—Ja.... zei desenex.

—Wat meenen jullie?? vroeg dedominus: hij keek van links naar rechts.

—Dominus, zeide Nilus; nu je het niet meer zoo druk hebt, moest je eens met me meê, naar de Broederschap van Isis....

—Ach, vriendcaupo, als ik je daar meê pleizier kan doen.... zei dedominusnaar rechts.

—Dominus, zei desenex; en nu we hier zoo rustig wat bij elkaâr zitten te praten, woû ik je eens wat zeggen.

—En wat dan,senex? zei dedominusnaar links.

—Kijk eens,dominus,zei desenex. Ik ben nooit heel gelukkig geweest als komediant. Ik speel wel vrij goed desenex-rollen, maar ze hebben me nooit gelukkig gemaakt. Ik heb nooit kunnen wennen aan dien zwaren, beroerden, houten maskerkop. Het ding heeft me oud gemaakt voor mijn tijd, hoewel het me gelegenheid heeft gegeven me vrij te koopen. Ik denk,dominus, dat ik er meê uit scheid en je verlaten ga....

—Er meê uit scheiden? Me verlaten?! schrikte dedominusop. Me verlaten, terwijl we hier nog met de Floralia spelen moeten! Me verlaten, terwijl ik in onderhandeling ben metKarthago, om daar te komen spelen met de Feesten van de Maan? Maar je denkt er toch niet aan,senex?? En wat zoû je dan willen doen?

—Het theater vaarwel zeggen,dominus....

—En dàn?

—Christen worden,dominus.

—Christen?? kreet Lavinius Gabinius uit. Ben je gèk geworden,senex? Waarom moet je Christen worden? Wàt is eigenlijk een Christen?

—Een aanhanger van een sekte vol bijgeloof,dominus, zei Nilus. Een filozofische oproermaker tegen de goden.Senex, jij moest ook met me meê naar de Broederschap van Isis.... Dáar zoû je troost vinden, als je droef en moê van het leven was.... Dien heb ik er zoo dikwijls gevonden als ik wanhopig was den eersten tijd, dat het me niet goèd ging, met mijn kroeg hier.

Desenexschudde het hoofd....

—Ik word liever Christen en verlaat het theater. Ik heb met Christenen gesproken. Nilus, in je taveerne. En gisteren....

—Gisteren....? vroegen Nilus endominus.

—Gisteren heb ik in de catacomben eensenexgezien en gehoord, een „grijsaard” maar van geen theater....

—Hoe heet hij? vroeg dedominus.

—Johannes, zeide desenex.

—En wat zei hij? vroeg Nilus.

—Dat weet ik niet meer. Het waren woorden als vlammende zwaarden.... Ze doorstaken me, hier, op mijn hart.... Het was heel anders dan Terentius en Plautus en ik geloof,dominus....

—Wat,senex??

—Dat ik gehoor aan zijn woord geef en Christen word....

Desenexzat peinzend naar de illustraties op het huis van Taurus te staren. Het opende, nu de zon daalde. De meiden, gapende, kwamen kijken.... Zij voelden aan hare kapsels, of het misschien noodig zoû zijn even naar Gymnazium te gaan.... Maar als Taurus niets zeide, was het brooddronken zich op nieuw te laten kappen, van haar eigen drinkpenningen nog wel. En omdatde drie mannen zaten te praten, gingen zij om hen staan, als goede kennissen groetend, toen luisterend, zich rekkend.... Uit een nauw zijslop kwamen slenterend de „paraziet” en Syrus, de „slave-rol”....

—Wie is die Johannes? vroeg dedominus.

—Een vreemd man, zei desenex, starende.... Hij is slank en geheel wit van haren.... Hij is vijf-en-tachtig, hoorde ik.... Hij is bisschop van Efezus, zeiden ze me.... Hij is de boezemvriend geweest van Christus.

—Christus? vroeg dedominus.

De „paraziet”, de „slave-rol” wisten er van.

—Christus, zeker.... zei Syrus.

—De leeraar van de Christenen, natuurlijk! zei de „paraziet”.

Ook de meiden hadden wel eens iets gehoord....

—Die is gekruisigd, zei Prisca. Hij had iets gedaan, ik weet niet wat....

—En nu die Johannes? vroeg dedominusweêr.

—Is altijd bij hem geweest, zei desenex; en was bij zijn terechtstelling aanwezig. En heeft toen zijn leer verkondigd in Griekenland en Klein-Azië.... En is toen bisschop van Efezus geworden....

—Nooit van hem gehoord, toen we daar speelden, zei dedominus.

—Hier hoor je ook niets van den bisschop,dominus. Dat is Clemens....

—Natuurlijk niet, zei dedominus. Hoe zoû ik, wiens hoofd al om loopt tijdens de Megalezia, nog van die zoogenaamde bisschoppen moeten hooren. Zat die Clemens in deorchestra?

—Neen, zei desenex. Hoewel er toch wel Christenen waren in het Theater....

—Om te kritizeeren, zei Nilus. Het zijn izegrimmen.... Het zijn sombere kerels. Onze Isisdienst is vroom en ernstig maarhèlder. Jullie moesten allen eens meê gaan als er een mysterie gevierd wordt....

—Maar wat nu van dien Johannes? vroeg dedominus.

—Die is, hier in Rome, ontboden door den Keizer.... zeide desenex.

—O ja, zei Matta; ik herinner me. Herinner jij je ook niet, Flacca? Johannes, zoo een heilige man?

—Ja, ja, zei Flacca. Met wit, lang haar. We hebben hem eens zien loopen langs de Via Appia, toen we van Taurus moesten naar zijn moeder, die met de koorts lag en die daar woont, in wat een mooi huisje bij de Aqua Claudia; ze verdienen toch maar geld met ons. Moeder en zoon, dat is alles éen potje. En toen zeiden ze om ons heen....

—Ja, zei Matta; dat die Johannes in de kokende olie gedompeld was....

—Ja, zei desenex, starende; in de kokende olie....

—Jawèl zei Nilus; nu je het zegt, herinner ik me ook van dat geval te hebben gehoord.

—En de kokende olie, zei desenex; had geen vàt op hem....

—Hoe meen je? vroeg dedominus.

—Hij stapte uit de olie, ongedeerd.

—Geloof je dat? vroeg dedominus.

—Nou, zei Flacca. Ik niet.

—Ik ook niet, zei Matta.

—Ik wel, zei desenex, starende.

—Er gebeuren wonderen,dominus, zei Nilus. Bij voorbeeld, als je door een heks in een ezel veranderd bent....

—Kàn dat? vroeg dedominus.

—Natuurlijk, zeiden zij allen. Natuurlijk....

—Dàn, zei Nilus; wordt je weêr een gewoon mensch als je den witte-rozenkrans op eet van een Isis-priester.

—Geloòf jij dat?? vroeg dedominus.

—Natuurlijk, zei Nilus.

Nu, ik weet het niet, hoor, zei dedominus. Ik geloof niet erg aan die vreemde dingen. Het leven is heel eenvoudig en de goden, als ze bestaan, zijn net zoo eenvoudig als wij en je zièt toch nooit zulke dingen gebeuren: in kokende olie verbrandt je en een mensch, die een ezel werd en omgekeerd, heb ik, bij Bacchus, ook nooit gezien....

—Maar geloóf jij aan Bacchus,dominus? vroeg Nilus.

—Of ik aan Bacchus geloof? Maar natuurlijk geloof ik aan Bacchus. Nilus, wat een gekke vraag! Het heele theater is immers ontstaan uit de mysteriën, ter eere van Bacchus gevierd, en zoû ik dan niet aan Bacchus gelooven? Als Bacchus niet bestond, zoû er immers geen theater bestaan.

—Bacchus bestaat wel, zei desenex: maar in den vorm van den Euvele....

—Wie is dàt nou weêr? vroeg dedominus.

Taurus verscheen op zijn drempel.

—Flacca, riep hij. Moet jij zoo den heelen avond met die pruikebol blijven? Gauw! Naar Gymnazium....

—Matta, zei Flacca, terwijl zij ging; vertel jij me later wie de Euvele is??

—Je kan er op aan, zei Matta....

—De Euvele, zei desenex; schuilt in al onze goden.

—In ònze goden?? riepen zij allen, verontwaardigd.

—En vooral in Bacchus, zei desenex. Hij heeft horens als Bacchus heeft; de Euvele ziet er uit als een sater met bokspooten en een staart.... Dat heb ik ten minste zoo begrepen.

—Vertelde Johannes dat?

—Neen.... Wat die vertelde, begreep ik niet.... Hij sprak van de groote Hoer, maar wie die daar meê bedoelde, begreep ik niet.... Maar zijn woorden waren als vlammende zwaarden, en die staken me door mijn hart....

—En deedt je dat pijn,senex? vroeg Prisca meêlijdend.

—Neen, zei desenex. Dat maakte me gelùkkig....

Dedominus, zenuwachtig, was opgestaan en dwong Nilus tot opstaan. Zij wandelden, gearmd, op en neêr.

—Als die niet op past, wordt die gèk, zei dedominus.Wat moet ik doèn, als die me in eens verlaat!! Ja, als je je komedianten vrij laat, dan ben je niet meer zeker van ze. Ik laat er ook geen een andere zich vrij meer koopen, hoor. Vrij, zijn ze veel te onzeker bezit.... Neen, Nilus, al wil ik wel eens meê naar je Isisdienst, er is niets boven het theater; ik meen als kunst. Maar je moet het heelemaal opvatten, als kùnst. Zonder gruwelen, zonder beer. En het is mooi, het theater: het geeft te denken en te gelijk geeft het het leven weêr. Ernstig òf komiesch, maar dat is precies het zelfde.

—Maar weet je waar ik zoo een idee van heb? zei Nilus. Dat het theater, dat uit de godsdienst ontsproten is, weêr heelemaal terug tot de godsdienst zal gaan....

—Tot welke godsdienst, Nilus? Tot een nieuwe godsdienst? Want tot Bacchus keert het zeker wel niet terug.... En tot Isis....

—Even min, verzekerde, nadenkende, Nilus. Tot een nieuwe godsdienst.... Het zoû niet onmogelijk zijn.... Tot een alles omvattend, algemeen godsdienstig gevoel misschien, dat tot het publiek zoû spreken.... Maar zeker niet....

—Tot dat van de Christenen??

—Neen, tot dàt zéker niet. Dat geloof is een voorbij gaande filozofische dweperij, die nooit iets met het theater te maken zal hebben. Maar dat het theater weêr eenmaal.... een mysterie kan worden, ja, dàt zie ik bijna zéker.... als ik me herinner welke plechtige voorstellingen in ònze Isisdienst toch bijna dramatiesch.... Maar Christelijk, neen.... nooit....

—Een Christelijk mysterie-theater! lachte dedominus. Neen, Nilus, daar zijn we het met elkaâr over eens, dat zal nooitbestaan, niet in der eèuwen loop! Wat ik meen, is dit: kunst mag eigenlijk voor mij niets anders zijn dan kùnst....

En dedominus, op en neêr loopende, met dencaupo, in de nauwe Suburra, legde hem uit wat hij meende, dat het theater wel worden mocht in de Toekomst en wat niet. Als er weêr tooneelschrijvers werden geboren, die meer genie zouden hebben dan Plautus, Terentius en hunne Grieksche voorbeelden....


Back to IndexNext