VII.De Megalezia! De Megalezia!! De Groote-Godinnendag, dag, vóor denonævan April! Reeds in den allervroegsten morgen, toen de nacht nog schemerde, was Rome ontwaakt, was Rome krankzinnig geslagen van feestkoorts. Het begon met de kinderen, die reeds vóor de dageraad toeterden met trompetten en oorverdoovend kletterend sloegen met kleine cymbalen op straat. Niemand kon slapen meer; iedereen stond, koortsig, op; in allervroegste ure werden de Baden van Titus bestormd.... Werden in de taveernen bij de Baden de kommetjes gestremde melk uitgedronken.... Liepen de slaven, vrij, galmend, op straat. En was alle bezigheid en arbeid gestaakt. Dacht niemand aan zijn proces en zijn advocaat. Stroomde het naar den Tempel van Rheia Kubele, over de legendarische Cacustrap en voor het kleine Huis van Livia, om de processie te zien....De Megalezia! Het feest der herleving van Attis, der Godenmoeder Geliefde! Alle somberheid en rouw had uit, sedert tien dagen geleden het heilige Mysterie met eindelooze weeklacht en klaagzang gevierd was. Toèn was op den dag van het „Intrat-Arbor” de Denneboom, waaronder Attis gestorven was, viole-omkranst, door den Archigallus van Rome en de Dendroforen in processie rond gedragen, was de Rouw, om Attis, waren de Vasten geweest, hadden op denDies Sanguinis, ter herdenking vanAttis’ Dood en Zelfverminking om zijn ontrouw aan der Goden Moeder, de Gallen in smart en bezetenheid zijn voorbeeld gevolgd, en zich, tot bloedens toe, dànsende, op het plein voor den tempel, de mannelijkheid verminkt en weêr verminkt: in telkens herhaald symbool, schijnbaar, het roode bloed, dat geen bloed was, zichtbaar voor de oogen der menigte vloeiende.... Toen, na zoo veel Smart en Rouw, waren de Hilaria geweest, dag van Herleving en vroolijkheid, van dwaze grappen en uitbundigheid—was het Beeld der Godin—als toen het éenmaal van Pessinus was overgebracht—met groote plechtigheid onder gedompeld in de Almo, had het volk zich daarna gebaad in de Almo....Maar heden, tien dagen later, begonnen de Megalezia! De Megalezia!! Een week van feest, van Scenische Spelen in het Theater van Pompeïus, van Athletische Spelen in het Colosseum en Circus Maximus, van over en weêr gewisselde uitnoodigingen der patriciërs tot avondmaal nà de Spelen, van veel vrijheid voor de slaven, die de schouwspelen mochten bezoeken, van feest, féest, féest voor iedereen!! Wie op was, gebaad had, ontbeten, voegde zich in den stroom, die golfde naar het tempelplein en het óverstroomde. De menigte stond dicht op een gedrongen. De Tempel was open, de zuilen waren omkranst met lauwer en sparrefestoen; in de geurvaten tusschen de zes Corinthische zuilen walmde de wolk van wierook, spiraalde weg in de blauwluchtige lente. In korven, op de treden stapelden de viooltjes,—bloemen van Attis,—die de Gallen uitdeelden onder het volk, tegen vergoeding: ieder stak zich viooltjes in gordel, in boezem, achter het oor....In vroegere eeuwen—die der Republiek—vóor het Keizerrijk, waren de Scenische Spelen, die nu in het Pompeïus-Theater plaats zouden hebben, vertoond op dit plein, op de traptreden des tempels. Nu echter verzamelde zich, ’s vroegmorgens, het volk om den telkens herhaalden omgang te zien. De priesters, die den tempel uit traden, dragende het heel heilige Beeld:—Mater Deum Magna Idææ!galmden zij. Groote Godenmoeder der Ida!Zij gingen de treden af, torsende onder een baldakijn het Beeld, vormenloos, verweerd hout, maar ontzagwekkend heilig, nauwlijks zichtbaar onder een zwaar met goud geborduurden sluier, en die af hing met zware gouden franje. Priesters, als Korybanten verkleed, demonen der bosschen der Ida, dansten om het Beeld den Pyrrhischen dans, zwaard kletterend op schild: herinnering aan Rheia Kubele’s barenswee, toen zij Jupiter had gebaard en hare kreten waren versmoord onder der Korybanten luidruchtig wapengekletter om haar kind te redden voor den vader, Saturnus, die het kroost opvrat tot de Eeuwige zoû worden geboren:—Mater Deum Magna Idææ!bassebrulde de Archigallus; de Gallen galmden na.Een tweede processie trad uit. En de Archigallus, terwijl het Beeld terug in den tempel gevoerd werd, brulde, handen geheven:—Acus Matris! Acus Matris!Heilige Navel der Moeder!!En de Gallen galmden na....Priesters torsten den Navel aan: op een tafel rees de donkere, pyramide-vormige meteoor, die, uit den hemel gevallen, de Navel van Rheia Kubele was: met juweelen ingezet, schitterde de Steen onder een sluier en het volk gaapte, ontzet....En kochten de naveltjes, die de priesters, op de tempeltreden verkochten.... Toen plotse ontroering:—De Keizerin....!!Aller oogen richtten zich van de heilige dingen naar het Huis van Livia,—het kleine, bevallige huis, waar Augustus’ vrouw, Tiberius’ moeder, hare laatste weduwdagen gesleten had. Het was met onderaardsche gangen vereenigd met het Flavische Paleis, dat zijn achtergevels ginds op den heuvel ten Noorden van den Rheia-tempel verhief. Het zuilde kleintjes sierlijk, een kleinood gelijk,aan den voet der reusachtige zuilen van het paleis. En tusschen die bevallige zuiltjes, als in een loge, was de Keizerin, Domitia, met hare vrouwen, zichtbaar geworden. Het wriemelde nu alles van dichte menigte; op de oeroude Trap van Cacus—trap der mythe, waarin Herkules den reus Cacus hier ter plaatse versloeg—verdrong tot stikkens toe zich het volk, om te zien het Beeld, den Navel.... nu, Domitia. In de zuilengangen van het paleis ook verdrong zich de menigte der hofbeambten, stond de, in glinsterkuras de zon weêrspiegelende, wacht der Prætorianen. Het marmer tintelde aan de lange zuilenschachten als met loodrechte lijnen van onversmeltbare sneeuw, de trappen traden met vele treden neêr in even schaduw-aangeblauwde, horizontale vegen; op de hoeken der tympanen, op de eerezuilen schitterden, schel goud, de vergulde beelden, de zegegodinnen, de beeldgroepen, de het azuur insteigerendequadrigæ.... En van overal, uit het volk, gingen de oogen naar Domitia, die daar verschenen was, hoog rond gekapt, de wijde feestchlamysom zich: het keizerinnepurper en -goud. Om haar heure vrouwen en men wees ze elkaâr, zich voorover dringende op de breede treden van de Cacustrap.—Domitilla naast haar....? Maar Nigrina is.... Sst!Zij spraken het niet uit, uit bijgeloof, uit eerbied voor de Megalezia èn voor mogelijke luistervinken in de menigte.—Domitilla, zusterskind van Domitianus.... En daarnaast Crispina....?—Ja, de zuster van Crispinus....—Fabulla.... De vriendin van Nigrina, diè is....—Ja, die is.... Sst!—Domitia’s nicht, Fabulla, zie je? Wel een mooie meid, hè?—Domitilla is mager, hè?—Gekàpt zijn ze, met die ronde krullepruiken....!—Zijn het pruiken?—Sst!!—Nou, ik zeg niets....—Crispina, die is een Egyptische, hè? En Crispinus.... een slaaf uit....?—Ststt! Pas op!! De verklikkers....Het fluisterde nu zachter:—Is, wie Nigrina heeft....?—Sst!!—Al gepakt??—Ze zeggen van ja.... Lang zal het niet duren, àls ze hem hebben gepakt, òf....—Sst!—.... Ze kruisigen hem....—Ze kruisigen hem....—Komt de Keizer niet kijken!—Sssttt....———Mater Deum Magna Idææ!!basgalmde allerplechtigst de Archigallus. De processie trad weder den tempel uit: het Beeld werd vóor de Keizerin heen gedragen....—Acus Matris! Acus Matris!!gilden schril de gesnedene Gallen. En de heilige Navel volgde....Maar de Keizerin, door een hofbeambte, deed den Archigallus aanbieden een schaal, waarop haar gift in goudstukken lag....—Mater Deum! Acus Matris!De processies gleden den tempel weêr in....—Het wordt tijd, roezemoesde het onder het volk, en zij zagen naar de zon.—Zeker wordt het tijd.... Het Theater gaat open....—We moeten er bij zijn.... Vroeg al....—Om goede plaatsen te krijgen....—Vooruit dan!—Vooruit dan! Vooruit dan toch!Zij drongen. Zij verdrongen zich over de Cacustrap, scholden, vloekten, scheurden elkander twistende de feestkleederen. De kinderen schreeuwden of toeterden met de trompetten of sloegen kletterend met de koperen cymbeltjes. De moeders hielden zich de ooren dicht of sleepten, ontzenuwd, de kinderen meê.... Naar het Theater.... Naar het Theater.... En morgen naar het Colosseum.... En danovermorgennaar het Circus Maximus. En dan....—Naar wat we het mooist hebben gevonden!—Van daag is niets in het Colosseum?—Neen, alleen in het Theater.... Scenische Spelen.—Over drie dagen opent het Circus Maximus....—Vooruit toch! Naar het Theater!De straten krioelden. Het stroomde nu van alle kanten in éene richting. Door het Forum Romanum, door de keizerlijkefora, langs den Vicus Tuscus—de winkels gesloten,—over het Velabrum—geen markt!—over het Forum Boarium—geen runderen om den bronzen stier!—langs den langen muur van den Circus Maximus—nog toe!.... En het wriemelde tusschen de driehonderd zuilen van de Portiek van Octavia en langs de Theaters van Marcellus en Balbus....—Die zijn treurig!! grappigde het volk. Omdat ze niet worden geopend!—Die blijven rouwen.... om Attis!—.... Attis! Attis! galmde door de menigte een troep bedelpriesters om een ezel.... Willen jullie de godin niet kussen? Willen jullie geen naveltjes koopen! Tweeas! Drieas!!—Hi-ha! balkte, woedend en verontwaardigd, door de Gallen voort getrapt, de weêrstrevende ezel, die een kastje torste onder vuilen sluier....Uit de menigte drongen zich mannen, vrouwen, kinderen baan.... Zij drongen om den ezel....—Vooruit! riep het naar het Theater stróómende volk.... Doorloopen!Maar die om den ezel versperden den weg: de bedelpriesters beurden den sluier, ontsloten het kastje.... En de dringenden tegen den ezel, die balkte, kusten het armzalige beeldje.—Vooruit! Vooruit!! schreeuwde het ongeduldige volk, duwende, zich verdeelende òm den ezel en de opstopping der bedelpriesters.... Doorloopen!Het galmde, weêrgalmde door de lucht, tegen de huizen, van het gillen en roepen en lokken der priesters, het schreeuwen der vrouwen, het ezelgebalk en het trompetgetoeter en cymbalengekletter der kinderen. Tegen het Pompeïus-Theater golfde als een dichte, bontkleurige zee aan, waaruit de koppen dreven, de armen omhoog staken met wijdvingerige handen als van drenkelingen. Manipelshastatikwamen aan, lansen schuin, om af te zetten den weg, dien de draagstoelen der Senatoren, Consulaire-personen, Aanzienlijken, nemen zouden....Het volk schreeuwde, gilde, galmde. De poorten van het Theater open, slurpte iedere poort de menigte op, zoog haar binnen. Het was of het Theater was een monster, een half ronde monsterkop van zuilende ommegangen, met beelden gediadeemd tegen de lucht, en dan met tal van muilen, van opene muilen, die de menigte slurpten, slurpten, zógen....Het was de tweede ure des morgens; de dag, gelukkig, was zacht goud van zon en wazig effen blauw van lucht; de dag beloofde gunstig te zijn.... Het Theater schitterde òp, met zijn goud-grauwe tufsteen, zijn fijn dooraderd marmeren vakken en honderden zuilen, met zijn fel wit marmeren beeldenkroon. Het waren de zuivere lijnen en vormen der antieke bouwkunst, in deze Latijnsche decadentie nòg zuiver bewaard; het was een dier laatste verwezenlijkte schoonheidsideeën door Hellas aan Rome vermaakt, nog bijna geheel zuiver gehouden.... En het léefde van daag:deze schoonheid van vormen en lijn, van marmer en tufsteen; het léefde, dit immense, ronde Masker met de tallooze monden; dit Monster van Schoonheid met de tallooze muilen, die zogen de menigte in....Binnen vulde zich het Theater. De menigte, de poorten binnen, verdeelde zich aan weêrszijden, depræcinctioneslangs—de ommegangen—de trappen op, die de amfitheater-rijen doorsneden en zocht zich plaats op de trapsgewijze stijgendecuneïvan steen. Velen hadden kussens meê, lage schabellen; groepen formeerden zich reeds; er werd geroepen, gewenkt: kom hier; kom hier! Drie half rondepræcinctionesdoorsneden decuneïmet breede corridors; die corridors werden op hun beurt gesneden door zeven trappen: stralen gelijk, getrokken uit een middenpunt, door den halfcirkel heen des Theaters. Bleef deorchestra, en waar de Senatoren zouden zitten, bleven de eerste veertien rijen, de ridderbanken, nog leêg, de verdere ruimte, decaveavulde zich, meer en meer. Nu was in minder dan éen uur tijds de geheelecaveavol: een kleine veertig-duizend toeschouwers zaten op elkaâr gepakt en maakten het zich gemakkelijk. Geroezemoes als in een bijenkorf, waarboven een luid gedruisch van stemmen: vreugde van wie goed zat, teleurstelling van wie geen plaats meer vond; veertig-duizend plaatsen waren gauw ingenomen, als het de eerste dag der Megalezia was! In de poorten verdrong zich nu kwaad de opgeslorpte massa, want het Monster van Schoonheid was al verzadigd.... En noode keerden de teleurgestelden om....—Er is geen plaats meer!—Wij zijn te laat....!Zij keerden om, met wanhoopsbeweging, met zich teleurgesteld-schikken; zich belovende morgen vroeger te komen: er al te zijn en zich te scharen vóór nog de poorten waren geopend. Geheele families met grootouders en kinderen keerden om: er was niets aan te doen! Van dàag zouden ze de spelen niet kunnen zien. Zie,hoe bont vol decaveaop-een geperst was! Tusschen den half ronden muur, over den immensen put dercuneï, onder de nog wazig blauwe lentelucht, die als een hooge oneindigheid koepelde over het menschengedrang en -gedring. Maar velen konden het niet verduwen geen plaats te vinden, liepen lakoniek depræcinctionesop en neêr, bespiedden in decuneï, ontdekten een betwijfelbaar plekje, drongen zich een trap op, dan tusschen knieën en ruggen der zittenden, vroegen beleefd om het plaatsje.... Meestal werd het ingewilligd, goedhumeurs; slechts zelden ontstond twist, of was er onwil: wàs het plekje te bezitten, dan werd het afgestaan; de rug van den indringer dráaide zich tusschen de schouders der beide inschikkenden en de knieën van wie achter hen zat; zijn billen poogden dalende de zitplaats te bereiken; soms zat hij neêr op de voeten van wie achter hem zat; er waren kwinkslagen, obscene schertsjes: zoo dicht zitten op elkaâr lokte allerlei uit, maar zelden boosheid: meer aardigheid met de vrouwen, geheime liefkoozing; kleine intriguetjes tusschen onbekenden werden voorbereid met een drukje van knie of voet en flegmatische gezichten strak-uit: een stukje kussen werd aan geboden, een bundel mantel werd tot kussen gerold: pakjes met brood, worst, kaas en ooft werden geopend en kleine kruikjes wijn.... Mannen moesten voor hun vrouwen zorgen, zagen toe op voeten en knieën achter haar; op te dicht dij-geschuif ter andere zijde; zitten naast elkaâr in het Theater zoo dicht, zoo lang, broedde wel eens sympathietjes uit. Het werd al spoedig gezellig warm-krijgen naast elkaâr, zweeten schouder aan schouder: de zon rees en de lucht blauwde. Veel hadden de opzichters niet te doen: zij bewaakten alleen de ridderbanken, deorchestra, dat daar geen onrechtmatige binnen sloop, wie géen bronzentesserahad—biljet met maskerkop—; in decaveadeden ze maar als ze wilden.Nu was het vol, vol, vol. Gezellig vol, en het was vòl kennissen. Degladiatorenhadden dadelijk de bovenste ommegang inbeslag genomen om de ruimte te hebben voor hunne breedschouderige gewichtigheden, want gewoonlijk plofte het publiek zoo gauw mogelijk neêr op decuneïachter de ridderbanken, om dichter bij het tooneel te zijn. Tal van soldaten verbroederden zich daar met hen en troepen slaven zaten daar ook, om niet te dicht bij hun meesters te zitten en dus vrijer te zijn, lòl te hebben, te gooien met schillen, te ròepen.... Hoogmoed was hier niet op zijn plaats: tusschen degladiatoren—daar zat de beroemde Carpoforus—en zaten Myrrhinus met Triumfus en Priscus met Verus en Colosseros ook—en de slaven verbroederden al wat mindere winkelstand was—toch òok „veracht beroep”: de vollersbaas had zijn gekrijte toga’s in den steek gelaten en zat er met àl zijn vollers en volsters; Autronius, de slavenkoopman, zat er met de „kostbare” en de Daciërs, die hij nog niet verkocht had; hij vond het maar gemakkelijk al zijn koopwaar meê te nemen naar het Theater en trotsch welfde zijn buik en rondde zijn volle-maansgezicht naast de „kostbare”, de Lydische en deed hij, of hij de man of de minnaar was van die mooie, Grieksche slavin, die, rijk gedost, zat aan zijn zij. Taurus zat niet ver van hem met zijn acht meiden—beter ze meê te nemen dan ze thuis op te sluiten: dan werden ze weêrspannig en braken den boel, en Pampus zat er met de zijne en die oude Galla met de hare: de heele Suburra drong er op elkaâr; zelfs de straatjongens hadden kans gezien.... Dat drong, drong op elkaâr, met de dieven en beulen, de lijkendragers, de matrozen van Ostia en hunne meiden, de bedelende Gallen, die na het eerste morgenuur toch geen zaken meer deden met hunne godin en de nietswaardige naveltjes; en al het personeel van de Thermen en al de werklieden, die werkten aan de nog niet geheel voltooide Titusbaden en het Colosseum; dat drong op elkaâr met al de slagers, de warmoeziers, de sneeuwverkoopers en ooftverkoopers van het Velabrum, terwijl de voornamere winkeliers van den Vicus Tuscus, en de wisselaars, Tryfo en de boekhandelaarsvan het Argiletum en de zijdeverkoopers en de juweliers zich liever een beetje bij elkander hielden, stand bij stand, in aangenaam samen zijn voor dien gehéelen dag, dat de Scenische Spelen duren zouden. Ja, zat je niet prettig, dan was het beroèrd, zoo een dag, als er een blies in je nek of spichtige knieën duwden in je rug of een luizekop vertoonde zich voor je van wie in een week zich niet had gebaad, dan was er, bij Herkles, geen pleizier aan en werd je sceniesch pleizier bedorven door je nabuurschap. Maar als je gezèllig zat, als je voet zoo een beetje zoeken, als je knie zoo een beetje drukken kon, als je hand het daarna dorst wagen—wie zàg wat in die volte, onder de plooien der kleêren!—dan werd je sceniesch pleizier, niet waar, verhóogd door wàrmte van sympathie, door klein gespeel, nadere kennismaking, en onderzoeking, luttele toevalletjes, die niemand kwalijk nam, vluchtige verliefdheidjes, die niet langer duurden dan je sceniesch pleizier zelve zoû duren....—Wat! riep Nilus verontwaardigd in de poort.... Is er geen plaats meer? Zoû er geen plaats meer zijn voormij?? Voor mij, die al sedert de nacht bezig ben geweest te kokerellen, zoo dat van avond decatervawat te eten heeft?? Maar daar komt niets van in, hoor! Plaats moet ik hebben en zal ik hebben, voor mijn moeder, voor mij en mijn slaven....!Maar de opzichters aan de poort, die hij was binnen gedrongen, tegen den stroom van de teleurgestelde laatkomers, die omkeerden, in, beduidden hem, dat het Theater vol was, dat de veertig-duizend plaatsen van decaveawaren ingenomen, dat hij morgen, als hij vroeg kwam, een kans zoû hebben....—Morgen? riep Nilus, die er niet aan dàcht op zijn passen terug te keeren. Morgen? Maar dan is het de eerste voorstelling van het Colosseum! Nu is het de eerste voorstelling in het Theater! Bij de éerste voorstelling moet je zijn, als je in Rome iets beteekenen wil! Beteeken ik niets? Wie heeft er in de Suburra eentaveerne als ik?? Ben ik niet Nilus, die van den Nijl komt!Onder het publiek, dat hier en daar luisterde, lachten zij, vroolijk.Het kòn heusch niet, weêrstreefden de opzichters: zie toch, het Theater was boordevol....—Boordevol? riep Nilus. Boordevol? En wat dan nog? Zoû er, al is het Theater boordevol, geen plaats meer zijn voor mij en de mijnen? Voor mij, wiens ezel waarachtig in den Proloog optreedt! Heeft dedominusmij mijn ézel dan niet gevraagd, omdat hij zonder hem de Bacchides niet spelen kon? Willen jullie, dat ik mij wreek door mijn ézel terug te vragen, zoo dat de voorstelling niet door kan gaan?Nu luisterden allen, wilden weten wat er toch gaande was, schaterden het uit, en overal riepen stemmen:—Nilus! Nilus! Er is wèl plaats: kom toch hier!—Nilus!! donderden degladiatoren, Colosseros en Carpoforus van af de hoogste rij; hièr is een plaats voor jou!—En mijn moeder!? riep Nilus en wees op de dikke Alexandrijnsche.—Alexa! Alexa! noodde Taurus, tusschen zijn acht meiden, zijn overbuurvrouw. Hier is een plaats voor jou!En zijn meiden, met hem, riepen:—Alexa! Alexandrina!—En voor mijn slaven?! riep Nilus.—Hier! Hièr! Hièr! brulde, galmde, gilde het lachende van alle kanten. Hier is een plaats! Hier zijn twee plaatsen!!De eerste ridders, de matronen, die binnen kwamen, door hunne poort, en zich begaven naar hunne zitplaatsen, zagen nieuwsgierig naar decavea, waar zoo veel rumoer was. En de Alexandrijnsche, Nilus, de slaven stegen de verschillende trappen op en nestelden zich zoo goed als het ging: Alexa bij Taurus en zijn meiden, Nilus bij degladiatoren, de slaven her en der.Oorverdoovend, overdruischend lawaai! Wat stemmen vanlachende, elkander herkennende, toewuivende mannen, vrouwen, van schreeuwende en nòg, trots verbod, toeterende en cymbel-kletterende kinderen! Maar de ridderbanken vulden zich en in deorchestrawerden nu ook desubselliaingenomen door de Senatoren, die bij groepen samen kwamen, door de Consulairen, door de Aanzienlijken.—Dus de Keizer zal niet verschijnen? vroeg de oude Verginius Rufus: hij was tusschen Plinius en Frontinus binnen gekomen; zij hadden hun bronzentesseræ, met den maskerkop er op gegraveerd, den opzichter overhandigd; zij namen plaats nadat de opzichters hunne kussens beleefderig hadden opgeschikt: zij groetten, hier en daar, toe naar de ridderbanken; zij wuifden naar de Senatoren de hand; Senatoren stonden op, begroetten hen; er was onderlinge plichtpleging.—De Keizer zal niet verschijnen, hoorde ik, zeide Frontinus; Domitianus is ziek.... Hij moet gisteren, na den moord op Nigrina, als bezeten geweest zijn; hij houdt zich verborgen.... Gegroet, Quintilianus; gegroet, Tacitus!—De Keizer? Neen, de Keizer zal niet verschijnen, verzekerden Tacitus en Quintilianus.—De Keizerin wel, verzekerden enkele Senatoren; wij waren van morgen op het Palatium genoodigd....—Om van uit het achterperistylium de processie te zien op het Tempelplein....—De Keizerin kwam uit het Huis van Livia....—Zij zal komen,zijzal zeker komen....En allen zagen links en rechts, naar de beide Tribunalen: de keizerlijke loge’s ter zijde van hetproscænium. De zuilen er van waren festoen-omslingerd; tapijten hingen over het marmeren hekwerk af; de zetels met kussens stonden er gereed. Twee wierookvaten stonden voor ieder Tribunaal, op bronzen drievoet, in deorchestraen hooge bronzen lampen, om ontstoken teworden mocht tot de schemering de daglange vertooning duren.... Maar de beide Consuls deden hun intrede, de Præfecten van Stad en Schat, Leger en Vloot, de verschillende Colleges van Tienmannen en Viermannen en Twintigmannen, deprætoren deædilen, die de Spelen hadden uitgeschreven. Vol Romeinsche waardigheid vulde zich deorchestra; toga’s ontplooiden zich;laticlaviævielen purperomzoomd langs de zetels; decaveastaarde toe, noemde namen....—Wij komen laat! drongen zich beleefd Juvenalis en de jonge Suetonius tusschen de eerste ridderbanken.—Ik het laatst misschien? hoorden zij een stem: het was Martialis: er was herkenning, begroeting, weêr opstaan, plichtplegerig, sierlijk en hoffelijk; er werd veranderd van plaats met eindeloos weêrzijds vergeving vragen, weigeren, aannemen dan; de letterkundige vrienden, hoewel inorchestraen ridderbanken gescheiden van elkaâr, wisselden toch woorden, konden tot elkander fluisteren.Plotseling—de zon, rijzende, scheen feller uit de blauwe lucht en viel reeds gloeiend, trots dit derde uur van den morgen, den blank den schijn weêrkaatsenden put van het Theater in—rolde boven over de opene ruimte heen als een immense, vuurroode golf, die zich wapperend ontplooide, zich uitbreidde met immense, meer en meer van zwoele bries doorklaterde banen.... Het was hetvelarium, dat langs ijzeren stangen en staven aan koorden getrokken, het geheele Theater overgolfde, den marmeren put af sloot van den Aprilhemel boven en den zonneschijn door liet schemeren met een zacht rooden gloed, weldadig, weelderig van tint, een vloed van getemperd purperen dageschijn, die zich gelijkelijk verdeelde over het geheele, bont overvulde Theater, naar mate het gehéel overdekt werd....—O-o-o-h! zuchtte de menigte op van verluchting, want reeds, zoo dicht op elkaâr, zweetende in den morgengloed.Zoo was het móoi en goed....! Zoo was het heerlijk en zálig! Zoo was het gedempt en knùs....! Kijk, hoe de breede, roode banen zacht klakkerden, zacht wapperden, van de bries, boven die meer dan veertig-duizend koppen, die keken op. Zie je, er waren de Muzen op geschilderd, die dansten op een hemelsche bloemenweide; zie je wel, het was of de Muzen daar zweefden in den zacht rooden gloed van apotheoze, reiende haar dans over het gespikkelde gouden gebloemte....—Het is toch móoi, ons Theater van Pompeïus! bewonderden ze hier en daar: de meiden van Taurus om de Alexandrijnsche, de matrozen, de slaven, de vollers, de kooplui van het Velabrum. Nergens was zoo een mooi Theater! Waar kòn nog zoo een mooi Theater zijn! Van binnen gehéel met marmer bekleed, met regelmatig in den ronden muur, boven de zitplaatsen, de nissen, waarin de marmeren en bronzen beelden of de groote, bronzen bekkens, die op vingen den klank der stemmen van de tooneelspelers en het geluid weêrkaatsten heen door de theaterruimte en al dat marmer en brons, overtogen met een zacht rooden gloed, die neêr zeefde uit hetvelarium.En dan die weidscheorchestra, waar zoo wat zeshonderd Senatoren nu op hunnesubselliazaten met al die andere deftige, Consulaire personen en autoriteiten, en dan die twee prachtige Tribunalen, ter zijde. En dan descæna, àchter hetproscænium: waar zoû zulk een mooiescænaelders gevonden worden, dan in Rome, in hùn Theater van Pompeïus!Want het publiek, dat wachtte, kon nog niet anders dan om zich rond en vóor zich kijken en bewonderde dus descænavooral. Het was de afsluiting van hetproscænium, waarop de tooneelspelers zouden treden: descænawas de monumentale muur, die afsloot het eigenlijke „tooneel”: muur van twee verdiepingen, met in het midden de groote poort, de Koningspoort der tragedie, waar de vorstelijke personen werden gedacht uit hunpaleis te treden; met twee zijpoorten voor de „gasten”; met de twee monumentale trappen links en rechts, toegang gevende tot hoogere poorten in de tweede verdieping, voor de „vreemdelingen” of de „boodschappers”, naar de „zee” of de „stad”, ook om alle mindere personages te doen verschijnen of verdwijnen en diescænawas hier een dubbele, Corinthische kolonnade, de eene òp de andere, met kolommen van de edelste steensoort, marmer van Caristo en Numidië, terwijl in de nissen van denscæna-muur, tusschen pilasters, beelden stonden en groote, schuine, geluid weêrkaatsende, bronzen schalen waren ingevoegd. Descænaverhief haar prachtigen achtergrond even hoog als de hoogstepræcinctioof ommegang—die, waar langs degladiatorenen Nilus zaten—en, beschut door een afdak, met gebeeldhouwde architraaf op hoogste zuilen, verhief zij aan hare uiteinden de marmeren draagkronkels, waarin de korte, zware, vergulde masten zich niet hooger dan éen armlengte beurden om het stangen- en stavensysteem te torsen, waaraan het roodevelariumover het Theater was uitgegolfd, van descænadus af tot óver de hoofden dergladiatoren, wier wel eens speelsch reikende handen de purperen banen toch niet konden bereiken....Deze wachting van het Romeinsche volk in dien immensen halfcirkel, half ronden, marmeren put, allen starende naar de blanke plooiruggen der Senatoren en Aanzienlijken, starende naar de prachtigescæna, onder het geleidelijk overal neêr zevende, roode licht, was de zalige verademing na de eerste reeds zoo drukke morgenuren. Zij zaten nu, geïnstalleerd; zij aten nu, zij dronken gezelligjes wat; er was niet meer dan een ruischend, druischend geroezemoes; de moeders hielden de kinderen zoet. Zij wisten, dat zij làng zouden wachten. Toen er fanfares kletterden buiten, van de poort van het linker-Tribunaal, spitsten zij òp, keken links.... En slaven haastten zich met brandende lonten naar de hooge wierookvaten, die links stonden op bronzen voetstukken in deorchestra, de wijde schalen ontluikende aan weêrszijden van de zuilen des Tribunaals. En zij staken den wierook aan: dadelijk wolkte de walm, spiraalde met dikke wolken omhoog, verijlde blauwig in het roode licht, verviolette weg krinkelend de ruimte door....De Keizerin Domitia was er binnen gekomen, tusschen de Virgo Maxima der Vestalen en Domitilla, des Keizers zusters kind, en men juichte haar allen toe, niet uit liefde maar uit eerbied voor zoo vorstelijk schouwspel van binnenkomst. Paleisofficieren groepeerden zich om de Keizerin, hare paleisvrouwen volgden; de vijf andere Vestaalsche Maagden volgden de Opperpriesteres. Zij zetten zich op hare zetels; het Tribunaal vulde zich achter met de lijfeigenen, met de slavinnen der Keizerin. En men wees elkander, tusschen de insuffibulumomhuifde hoofden der Vestalen, de hoog rond opgekapte kruldiademen van Domitia, Domitilla, van Crispina en Fabulla, die haardracht door de gestorvene Julia, Titus’ dochter, kort geleden nog in de mode gebracht.—Door Titus’ dòchter? vroeg de Alexandrijnsche, die, steeds aan haar rekenbord, niet op de hoogte was van de dingen in Rome.—Ja.... ja, luisterden Flacca, Prisca en Matta: door Julia....—Die is door Domitianus zélf....—Pas op de verklikkers, fluisterde Taurus.—Zoo?—Ja, door haar óom.... Weet je niet? Dat was toch bloedschande wat ze deden.... fluisterden de meiden, geschandalizeerd.—En toen ze zwanger was.... siste toch Taurus, rond kijkend, voorzichtig.—Ja, toen heeft ze de oude Galla bij zich geroepen....—Ach, de arme! Galla....?? Dat monster! verontwaardigde de Alexandrijnsche.—Pas op, zei Taurus; daar zit ze....—En is Julia gestorven....—Natuurlijk!! meende de moeder van Nilus, of het wel niet anders gekund had.En zij schudde weemoedig het hoofd: het was niet àlles, die grootheid daar.—.... Fabulla! wees Colosseros, de „kolossale „Eros”,” blond, met zijn blauwe jongensoogen, op den bovensten ommegang, aan Carpoforus.—Dus, jij....?—Ja, ik.... Ze heeft eerst op mijn knie gehost, bij de worstjes van vriend Nilus, en de volgende nacht....—Waar??—Bij Galla.... Bij de oude Galla....—Bij Herkles! vloekte Carpoforus.... Hij was zelf een Herkules: donker, reusachtig; even ouder dan Colosseros, had hij reeds keer op keer in dearenagezegevierd, zéer in de gunst van Domitianus, door Martialis gevierd in zijn epigrammen; hij worstelde en kampte met wilde dieren; leeuwen, everzwijnen en tijgers; hij werd de Jager bijgenaamd, hij was tevenslanistader allerjongstegladiatoren, hun schermmeester; uit zijn leêren tuniek staken bloot zijn gebruinde, monsterlijk zwaar gespierbundelde schouders en armen; de zwellende kabels vertakten er langs; de litteekens van de wilde-dierklauwen gloeiden aan zijn wang, hals en bovenarmen zichtbaar met vurige plakkaten; zijn donker ruig omkroesde kop was klein, zijn besnorkroesde mond kort en dik en zijn oogen waren gróot, donker en goed als van een lief beest, als van een zachtmoedigen bruut, die zoû toe laten, dat een kinderhand hem zoû streelen.—Bij Herkles! vloekte hij; die meiden dáar zijn allen zoo....—Domitilla’s moeder kenik, van vroeger! zei Priscus: met Verus was hij een veteraan; de Keizer had hun jaren geleden beiden te gelijker tijd denrudisgegeven, schermstok en staf-van-ontslag-en-vrijlating,sinds eenmaal in het Colosseum het publiek voor beiden genade geëischt had, nadat zij uren te zamen gestreden hadden en beiden even sterk waren gebleken.—Dat wil ik gelooven, zei Nilus, ter zij van Carpoforus; in Alexandrië is het nièt anders!En allen waren het met elkander eens, dat het overal het zelfde was.—Ja, zeide de oudere Verus, verweerd grijsaard, uitgevochten. Kùisch zijn jullie niet voor kerels, die moeten bestaan van hun krachten; die patricische meiden zijn de hèl voor jullie: ben je zeker na een patricische nacht je leven er proletariesch af te brengen in dearena, bij Herkles?De kerels bulderden. Maar Colosseros, wijsgeerig:—Bij Herkles, de verleiding is àl te groot voor arme drommels als wij, die wel eens een muntje gebruiken kunnen!—Vooral voor jóu, „kolossale Eros”! plaagde Verus, die zijn vader kon zijn.—En voor begenadigde misdadigers alsik, stemde Murrhinus toe. Ik heb een moord begaan. Maar ik was sterk; dat was mijn heil: ze vonden het te jàmmer een vent als ik te kruisigen.—Je was drìftig, verontschuldigde Carpoforus; zoo erg is een moord niet, als je driftig wordt....Wat erg is, dat is als je vermoordt om te gappen!—Zoo als Nigrina vermoord is, zei Colosseros.—De moordenaar is gepakt, zei Triumfus.—Beide kerels? vroeg Nilus. Klanten van mij, hoor! Dat weet je? Een dief en een weggeloopen slaaf??—Min volk! minachtte Carpoforus.—Wie gepakt is, is een weggeloopen slaaf, zei Triumfus.—Heeft diè dan den moord gepleegd? Of de dief? vroeg, steeds zeer nieuwsgierig, Nilus.Triumfus was er niet zeker van. Ook hij en zijn makker wareneens, te zamen, na onbeslisten tweekamp, terwijl het publiek verdeeld was ten gunste van beiden—de eene helft voor Triumfus, de andere voor Murrhinus—door den Keizer begenadigd geworden. En zij beminden den Keizer daarom allemaal, waren Domitianus wèl genegen, verdedigden hem, verzekerden altijd, dat hij een bliksems goede kerel was.—Pff! riep Carpoforus. Het wordt warm....En hij bewoog wijd uit, met zijn Titanschouders.Het wèrd warm, zoo hoog, dicht onder het toch altijd even, briesbewogene, klakkerendevelum. Degladiatorenzaten, een massa van kracht, de armen gekruist, naast elkaâr, geduldig te wachten, naar de beelden derscænate kijken.... Plotseling kon Colosseros het niet langer harden. En hij begon met de zwaar geschoeide voeten te stampen van ongeduld.—Beginnen ze nòg niet!! bulderde hij los, plotseling boos, woedend zijn blauwe jongensoogen.Het was een signaal. Zijn makkers stampten als hij.... De soldaten stampten als zij. Op alle rijen stampten zij nu. Het gestamp daalde regelmatig de rijen af, als bij afspraak dier duizenden. Het hield op bij descamna, de ridderbanken.De oogen der vrouwen in het Keizerinne-tribunaal waren omhoog gewend naar waar het eerste gestamp van ongeduld had weêrklonken.—Ja, kijk maar! riep Colosseros, uit de hoogte en verte Fabulla’s blik ontmoetend. „Hadt je me maar”; hè?! Zeg—tot zijn makkers—; te rouwen om Nigrina schijnt ze niet.... Kijk, ze lacht!Fabulla, in der daad, lachte. Zij schaterlachte zelfs even, luid, in gescherts met Domitilla naast zich. De hooge zwarte en blonde haardiademen negen boven het gelach naar elkaâr toe. De beide vrouwen toen, achter deVirgo Maxima, die ernstig bleef, fluisterden half Grieksch, half Latijn met Domitia. Het was voornaam Grieksche woorden nu en dan te gebruiken.Naast de Keizerin bleef Crispina gelaten.—Ze zal ze zién.... fluisterde Domitilla tot de Keizerin, achter deVirgo Maxima.—Haar twéelingen!! giechelde Fabulla.Ook de Keizerin lachte.—Wat is er toch? vroeg de Opperpriesteres.Domitilla helde naar haar om, fluisterde, half Grieksch, half Latijn. De duim der Vestaalsche wees even, als vragende, vaagweg, naar Crispina.... Domitilla knikte, fluisterde voort. DeVirgo Maxima, toen, lachte hartelijk. De Vestaalsche Maagden achter haar, wilden weten.... Fabulla fluisterde met wie dichtst achter haar zat.... De Vestale lachte, fluisterde haar buurvrouw in.... Weldra wisten allen, bleef Crispina alleen gelaten.En steeds, als een donder, rolde het gestamp van de zwaar geschoeide voeten dergladiatorenaf, de rijen van het Theater af, vermengde zich met aller gestamp. Luider druischten de stemmen, daverden nu,barsttenlos van ongeduld en eischten den aanvang der Spelen.—Ter eere der Groote Moeder!—Ter eere der Groote Godin!—De Spelen! De Spelen! De Spelen!In het Tribunaal schaterden ter zijde van de Keizerin hare vrouwen.... Maar plotseling bliezen van boven de trappen derscæna, uit de zijpoorten, bazuinen.—O-o-oh! juichte het volk.Het was het Voorspel, dat begon. Het was op Grieksche leest geschoeid: koren van, in wittepeplosgekleede, zangeressen daalden de trappen af. Zij naderden de altaren rechts en links, op hetproscænium, wierpen geurkorrels op de smeulende kolen: de wierook wolkte omhoog. Fluitspeelsters volgden haar. En hare handen brachten het mondstuk der dubbelfluiten ter lippen. Enop het teedere moduleeren der rechterfluiten, op het diepere begeleiden der linkerfluiten zongen de zangeressen, geschaard, de hymne.... Korybanten daalden de trappen af; zij droegen zwaard en schild; tusschen de hymne door, mimeerden zij den Pyrrhischen dans en regelmatig kletterden zij zwaard tegen schild, als zij hadden gedaan toen Jupiter werd geboren.... De hymne steeg hooger op: „Attis’ trad uit de „koningspoort”; hij had dit recht omdat hij half-god was, hij was ook gemaskerd, omdat hij half-god was, met het gestyleerde masker van een jongen god; het was de eerstemimusvan Lavinius Gabinius: hij gebaarde zijn smart om zijn ontrouw aan Rheia Kubele; zijn gebaren vervloeiden op het rhythme van het fluitenspel: het was edel van lijn....—Het is Grieksch, waardeerden de ridders, de Senatoren, de matronen, de vrouwen om de Keizerin.—Een wel aardige nabootsing.... meende Quintilianus glimlachend tot Plinius.Maar achter descæna, voor de kleedkamers van hetproscænium, raasde Lavinius Gabinius. Zoodra hij, uit glurende tusschen de zuilen ter zijde der trappen gezien had, dat zijnmimus, wat diens vijand, deadulescens, ook gedaan had om hem zijn optreden te doen mankeeren, met gratie en Grieksche bevalligheid „Attis” mimeerde tusschen het koor, keerde hij zich plots woedend om, met gebalde vuisten. Het was niet om denadulescens; trouwens, die had zich al uit de beenen gemaakt.... Het was tegen den hoofdopziener van het Theater en tegen een jongenbelluarius, een dierentemmer, die naast hem stond.—Dus het moèt?? vroeg dedominus, razend, vuisten gebald.—Het moet,dominus, zeide de hoofdopziener kalm. Wat wilt ge; als de Keizer het wil, moet het wel, niet waar....De komedianten kwamen van overal aan; zij waren half of heelemaal gecostumeerd: Cosmus kwam aan, Gymnazium....—Kòmt de Keizer? vroeg dedominusrazend.—Ik geloof het niet, zei de hoofdopziener; hoewel natuurlijk alles voor en in het Keizerlijk Tribunaal in gereedheid gebracht is.—Wat is er, vroegen de komedianten door elkaâr, nieuwsgierig; deadulescensnaderde weêr; de tweelingen, met wie Gymnazium en haartonstrixjuist bezig waren, kwamen aan........ Terwijl op hetproscæniumvoort ging de dans, het zangspel, het fluitspel....—Wat er is? riep dedominuswoedend.... Dat de Keizer verlangt....Hij stikte van woede; hij kon het niet zeggen....—De Keizer verlangt, dat aan het slot van het spel van „Laureolus”.... begon de hoofdopziener uit te leggen.De komedianten werden bleek; zij hadden een kreet van schrik, van afgrijzen.—Een Theater is toch geen arena! riep woedend dedominus. Kunst blijft toch altijd kunst! Als ik geweten had, dat zùlke dingen konden bevolen worden in Rome....—Wees stil,dominus! fluisterde de hoofdopziener; denk om de verklikkers....—Het kàn me niet schelen! raasde woedend dedominus. Verklikkers of geen verklikkers! Ik herhaal, als ik ooit had kunnen vermoèden, dat zulke dingen zouden kùnnen bevolen worden op een Romeinsch Theater.... ik nièt aan het verzoek van deædilenhad toe gegeven! Ik ben een vrij man, mijngrexbehoort mij.... niemand kan mij dwingen....—Maar nu bèn je in Rome, zei de hoofdopziener; nu moèt het,dominus: er is niets aan te doen....—Het is een barbaarsche beleediging van de kùnst! riep dedominus. Van de kunst, die wij overnamen van het Grieksche Theater, waar nooit zulke schandelijke kunstverkrachtingen voor zijn gevallen.... Het is een schànde! Het is een schànde!! Watstaan jullie allemaal hier je tijd te verliezen!? Gaat je kleeden, gauw!!En hij dreef met een woedend gebaar den geheelengrexalle richtingen uit, naar links, rechts, naar de kleedkamers achter denscæna-muur.De tweelingen vielen in hun kamertje neêr, voor de metalen spiegels, bleek, zagen elkander aan.... Gymnazium en detonstrixen een kleedster volgden.—O, Gymnazium!! riep Cecilianus, huiverbang, smorend zijn kreet........ Van af hetproscænium, klonk, naar de Lydische wijze, het fluitspel, vierend de Lente....—Kom kind! zei de dikke voormalige en detonstrixhad altijd haar lieve lachje. Dat is immers nièts! Zulke dingen gebeuren zoo dikwijls! In dearenameer dan op het Theater, maar tòch....—Nóoit in Griekenland, Klein-Azië of Egypte! viel Cecilius wereldwijs in.—Wáar laten ze het beest? vroeg Cecilianus bang. Waar wordt het opgesloten?—Wordt het opgesloten?? vroeg Cecilius, nu niet zoo bang. Bij den ezel van Nilus? Want die treedt op in den Proloog!—Beneden, in het gewelf, zeker, meende Gymnazium.En de kleedster zeide:—Ja, onder de planken!—Onder de plànken?? vroeg bevende Cecilianus.... Ik zal niet kunnen spelen, niet kunnen zingen en dansen, als ik weet, dat er die beer daar onder de planken zit!!Maar dedominuskwam binnen.—Maak, dat jullie klaar zijn op tijd, hé? gebood hij.—Zij zullen klaar zijn,dominus, verzekerde Gymnazium.De jongens, onder den indruk, zaten naast elkaâr, bleek, voorhunne spiegels, waarin de morgenschijn door de hooge raampjes viel....Detonstrixkapte Cecilius, terwijl Cecilianus, roerloos, wachtte. Dedominus, nog woedend, zag toe. Gymnazium zag toe. Vlug was detonstrixen handig, zij, die twintig, dertig meiden des morgens te kappen had. Van dun vlas zette zij Cecilius een pruik op als een kleine toren, een blondemitra, goud-overstuifd, schikte zijne eigene krullen links en rechts, omgaf het geheel met den vergulden haarband, de vergulde rozen breed uit aan zijn slapen. Zij deed het in een oogwenk, en steeds met haar lachje.—Zoo is het móoi,tonstrix! prees dedominus, vergetende van zijn woede....Zij begon daarna Cecilianus te kappen, niet anders dan zij Cecilius gedaan had. Buiten, op de straat, naderde als een vage brom....Allen schrikten, zagen elkander aan.... Cecilianus gaf een gil....—Dat is de beer! riep de jongen.—En hoor! riep Cecilius. Balkt daar niet de ezel van Nilus?Buiten, in de lange gang van hetpostscænium, waar de kleedkamers op uit kwamen, roezemoesde het.—Het is de beer! Het is de beer!! riepen de komedianten. En het is de ezel, die....Dechoragusnaderde, riep zacht:—Dominus....?—Choragus....??—De komedianten spreken te luid achter descæna.... Laat ze zwijgen....—Zwijgen jullie dan toch! bezwoer, fluisterkrijschend, ontzenuwd dedominus.Maar zij riepen het bijna:—Het is de beer! Het is de beer! Pas op, dat hij den ezel van Nilus niet opvreet!En ze kwamen kijken, allen, om den beer te zien, die, op bevel van den Keizer, aan het slot van „Laureolus”....! Zij hieven zich op de teenen, gingen op schabellen staan, rekten zich om uit de raampjes te kijken. En zij zagen nubestiariïmet hunbelluarius, en, in hun midden, aan korte ketting een gemuilbanden beer aanwaggelen.—Een tamme beer....? Tam, nou.... ik geloof.... Hij is toch gemúilband....?De beer bromde.En ergens achter hetpostscæniumbalkte, bescheiden, een ezel.—Nou, die beer bromt.... Dus, aan het slot van „Laureolus”?—Ja, grinnikte Lentulus, demimus, de „beroemde”, die als „gast” in dengrexzoû optreden als „Laureolus”; aan het slot.... moet die beer, als ik eerst gekruisigd ben, mij verslinden!!De komedianten geloofden niet, toch huiverig....—Moet hij mij verslinden! verzekerde Lentulus, griezelig, maar hij lachte en dus....—Hèm niet, zei Thymele, de danseres; maar toch wel....—Sssst! wenkten de beidechoragi, om stilte.Van hetproscænium, uit de „koningspoort”, trad Lavinius’mimus, die Attis gedanst had........ Het koor vervolgde nog, zegevierend de stemmen om Attis’ herleving: het fluitspel vervloeide.... De eerste zangeressen verschenen, nu het Voorspel eindigde, boven aan de zijpoorten der trappen, achter descæna.—Wat is er?? vroegen zij, toen zij de ontroering zagen.En overal fluisterde het:—Een beer.... Een beer.... Aan het slot van „Laureolus”....Van uit decaveakletterde het handengeklap.... De ezel balkte....De tweedechoragusdrong de danseressen weg, naar harekleedkamers. Allen hoorden den beer. Hij bromde, zacht maar gestadig. Of hij, nog niet heelemaal wakker, na snurkte.... De ezel, welopgevoed, balkte niet meer.—Waar wordt de beer opgesloten? vroegen de fluitspeelsters, bleek, toen zij de houten trap af kwamen, achter denscæna-muur. Het Voorspel was geëindigd.—In het gewelf, ònder het tooneel! zei Cecilius.—.... Ja, ònder het tooneel! beâamde Cecilianus bleek. Verschrikkelijk!Zij waren beiden gekapt....—Jongens, zei dedominus. Aan het werk! Hier zijn de Grieksche vrouwemaskers van den edelen Plinius. Vooruit! Jullie zijn weêr te laat!! Het Voorspel is geëindigd en jullie zijn nog niet gekleed....—Maar zij krijgen tòch niet op hun donder! zei desenex, gereed, op zijn maskerkop na.Het woelde door elkaâr, achter descæna. Beneden, in het gewelf, snurkte steeds de beer.—Zou het beest te hóoren zijn in deorchestra? vroegen elkaâr de komedianten.... Die ezel van Nilus houdt zich wel veel beter!—Komt de Keizer?....—Wie weet....—Vooruit, vooruit! drongen dechoragi, dedominus....De twee jongens, in hun kamertje, zaten weêr neêr. Dedominushad de maskers op het tafeltje gelegd.—Jongens, zei dedominusbleek—Gymnazium en haretonstrixwaren de anderen bezig te kappen. Maar Cosmus verscheen, met zijn slaaf, die de verven bracht. Nu niet meer denken aan den beer....—Neen,dominus....—Neen,dominus....—Nu goed je koppen maken....—Ja,dominus....—Ja,dominus....—Volg dit masker na voor de oogen en dat andere voor den mond....—Ja,dominus....—Ja,dominus....—.... Hm!! snurkte beneden de beer....Cecilianus griezelde maar begon zich te schilderen met breede penseelen en staven.—Wacht, zei Cecilius; schilder jij mij, dan schilder ik jou....—.... Ja, zei Cecilianus; jij mij en ik jou....En Cecilius zette zich, neus aan neus, schrijlings op Cecilianus’ schoot en begon hem aandachtig te schilderen.—De oogen héél groot, ried dedominusaan, die wel goed vond, dat zij elkander het deden; de mond niet te klein, hè....En hij zag toe, en Cosmus zag toe, en het was een héel ernstig werk, en het was héel grappig daarbij die twee komediantjes onder de oogen van hundominuste zien zitten de een op des anders schoot, te paard, beiden reeds met het torenkapsel gekapt alsmeretricesuit de hoogerepalliata, en de een schilderend den ander de oogen, den mond, de wangen met blauw, roze, rood, zwart, wit....—Als je nu alles hebt,dominusen jullie, jochies, ook, mag ik dan maar een plaatsje zoeken in decavea, om je straks te bewonderen? vroeg Cosmus.—Ja, Cosmus, zei dedominus.—Ja, Còsmus, herhaalde Cecilius ter loops, bij zijn werk, terwijl Cecilianus, geknepen mondje, zweeg.En Cosmus, door een deur en een gang en een deur weêr, bereikte de laagstepræcinctio, vlak achter het Tribunaal der Keizerin, en zag uit en op in het Theater. Hoe warm was het eral! Het broeide er rood van warmte en gloeide van doorgezeefd licht en tal van stemmen riepen reeds:—Wátèr! Watèr!Het roezemoesde van de duizenden stemmen en de roep schrilde daar hel boven uit:—Water! Laat vloeien het water!De wil van het volk was somtijds de wet voor het Theater. Zelfs al ware de Keizer er geweest, hadden zij het durven roepen:—Wáter! Wáter!! Wáter!!! Laat vloeien het water!....Boven aan de hoogste ommegang, onder het klaterendevelarium, openden de theaterslaven, op bevel van hun opzichter, tal van regelmatig aangebrachte kranen.En het water stroomde, zachtjes tappelend, droppelend, druipelend.... Het stroomde in deze pauze, vóor de Bacchides werden vertoond, langs den hoogen theaterwand en vloot dan in gootjes, depræcinctionesen trappen langs af, lager en lager weg.—O-o-o-oh!! juichte decavea, blijde om de koele verfrissching. En degladiatoren, langs den wand, hielden de handen op en dronken en in de gootjes schepten zij ook hier en daar het water, hoewel het alleen vloeide om de atmosfeer te verfrisschen, niet om gedronken te worden. Maar in deorchestra, tusschen de ridderbanken, ontsprongen lichte fonteintjes sprenkelende saffraangeur; de Senatoren doopten er hunneorariain—zakdoeken—en wischten de voorhoofden zich.Voor het Keizerinne-tribunaal ontsprongen fijne fonteintjes van rozegeur.—Hè.... hè....! snoof decaveaop, met wellustig gespalkte neusgaten.—Hm.... bromde het ergens, en toen:—Hi-ha....—Balkt daar een ézel?? vroeg Colosseros.—Mijn ezel misschien, zei Nilus, die naast hem zat.—Neen, er bromde iets als een beer, meende Carpoforus, de Jager, uitluisterend.—Een beer?? Dat is toch onmogelijk! vond Murrhinus.—Het is wèl mogelijk, dat je ezel balkte, Nilus, zei Triumfus.—Wat! Een ezel, die balkt als een beer, die bromt? vroeg Priscus aan Verus.Degladiatorenverfrischten zich met breede handen-vol water de koppen, de armen, de schouders, namen een badje....—Còsmús!!! riepen de boekhandelaren en de zijdeverkoopers. Kom hier! Hier is een plaats!Cosmus wenkte, dat hij kwam. En terwijl hij de trappen op klom, knarste en ratelde het vóor hetproscæniumen steeg hetaulariumstatig op. Het was het voorgordijn, dat, om een kabel in de planken en aan ijzeren staven achter de zuilen, omhoog rees. Want het rees op, tot afsluiting van hetproscænium: het zoû dalen tot verzichtbaring van het tooneel.Achter hetaulariumhaastten zich de tooneelknechten. Zij deden uit het afdak van denscæna-muur het achterdoek vallen, dat stelde voor, in wijking van klassiek perspectief, een straat in Athene. Descænazelve, met haar nissen en beelden en marmer en brons, werd dus geheel onzichtbaar. En de knechten ter weêrszijden zetten de huiscoulissen op van Bacchis, de Atheensche deerne en van Nicobulus, den vader van Mnesilochus. De Atheensche Bacchis zoû gespeeld worden door Cecilius, die haar tweeling-zuster, Bacchis, die van Creta komt, verwacht; Nicobulus was de nijdigesenex; Mnesilochus heette de zelfbewusteadulescens. Dedominusen dechoragizagen toe: het décor was zéer rijk van schildering. Het was een verschiet van Grieksche architectuur, zuilen, een tempel zeer ver, een blauwe lucht, waartegen donkere cypressen, en het was blank en blauw en donkergroen gehouden. De beide huizen ter zijde, dat van de deerne, dat van den grijsaard, waren monumentaal, ook vanporticusen poort.—Het is mooi, moest dedominuserkennen. Schuif de trappen nu achteruit van de estrade, waarop mijn jongens moeten dansen.De tooneelknechten, tegen den achtergrond, schoven de houten trappen uit.—Het achterdoek iets hooger, zei de eerstechoragus.Het achterdoek steeg.—Genoeg, genoeg!! riepen dechoragi.—Iets lager.... beval dedominus.Het achterdoek daalde.—Genoeg! bevalen dechoragi.—Werkt deexostragoed? vroeg dedominus. Gisteren, toen wij repeteerden, haperde die....De tooneelknechten draaiden deexostra: het draaibare zijtooneel, dat, gedraaid, vertoonde het inwendige van het huis van Bacchis en, terug gedraaid, op nieuw den gevel slechts zichtbaar liet.Deexostradraaide, heen en weêr.—Het gaat nu,dominus, verzekerden de knechten.—Zet dan de meubels, hang de gordijnen....Op deexostrazetten zij de meubels, hingen zij de gordijnen. Het waren kostbare, geborduurde, scharlaken gordijnen aan ringen, die met sierlijke bochten hingen aan dikke vergulde stokken; het was een sierlijk aanligbed in den vorm van een pauw met ontplooiden staart—lectus-pavoninus—en gouden kussens; het waren schabellen van verguld en ivoor; de citroenhouten tafel werd gedekt met servies van verguld, kannen, bekers, ooftschalen vol marmeren ooft, en toen hingen de tooneelknechten dikke slingers van groen en werkelijke rozen van Pæstum langs de zuiltjes, langs het bedde, langs de gordijnen, ter zij van de deur.—Het is prachtig, moèst dedominuswel weêr erkennen. Dit alles is in Rome héel mooi. Mooier dan wij het in Klein-Azië en Alexandrië krijgen. Maar het is bijna àl te mooi, dittricliniumvan een Atheensche hetære. Ik vrees, dat zoo mooi decorafleidt van het spel zelf. Je begrijpt, in Plautus’ tijd was het veel eenvoudiger. Al dat ivoor en verguld en al die rozen, en dat pauwebed.... Zijn die gordijnen van zij....?!—Met zij doorweven, zei de eerstechoragusen zij allen voelden aan de zware stof. In Rome,dominus, wìl het publiek het zoo, vooral het publiek van decavea....—Hmm....! bromde beneden de beer: de ezel, nerveus maar wel-opgevoed, stampte alleen met de hoeven.—En dan, zei de tweedechoragus; moet je niet vergeten,dominus, we zijn betrekkelijk eenvoudig geworden. Lentullus Spinther liet, toen hij zijn spelen gaf, de meubels met echt zilver beslaan, Petreïus met goud en Nero wilde, dat àlles goud was, echt goud: alle meubels, requizieten en alle ornament op de costuums. Heusch, onzeædilenzijn nog verstandig je het niet nog mooier en echter te geven.—Die pracht, zei dedominus, brauwefronsend; zal de dóod zijn van Terentius en Plautus.—Kom,dominus, zei dechoragus; je jongentjes zullen er toch maar wàt goed tusschen doen, hoor....En hij verschikte het lange rozenfestoen, dat de tooneelknecht van bronzen lamp had geslingerd naar geurvat verguld.—Trek dan maar hetsipariumdicht, beval dedominus.Deexostradraaide terug, achter de zij-zuilen; hetsipariumschoof toe: het tweede gordijn, dat het tooneel verdeelde in een grooteren achtergrond en kleinen voorgrond, alleen voor den Proloog.
VII.De Megalezia! De Megalezia!! De Groote-Godinnendag, dag, vóor denonævan April! Reeds in den allervroegsten morgen, toen de nacht nog schemerde, was Rome ontwaakt, was Rome krankzinnig geslagen van feestkoorts. Het begon met de kinderen, die reeds vóor de dageraad toeterden met trompetten en oorverdoovend kletterend sloegen met kleine cymbalen op straat. Niemand kon slapen meer; iedereen stond, koortsig, op; in allervroegste ure werden de Baden van Titus bestormd.... Werden in de taveernen bij de Baden de kommetjes gestremde melk uitgedronken.... Liepen de slaven, vrij, galmend, op straat. En was alle bezigheid en arbeid gestaakt. Dacht niemand aan zijn proces en zijn advocaat. Stroomde het naar den Tempel van Rheia Kubele, over de legendarische Cacustrap en voor het kleine Huis van Livia, om de processie te zien....De Megalezia! Het feest der herleving van Attis, der Godenmoeder Geliefde! Alle somberheid en rouw had uit, sedert tien dagen geleden het heilige Mysterie met eindelooze weeklacht en klaagzang gevierd was. Toèn was op den dag van het „Intrat-Arbor” de Denneboom, waaronder Attis gestorven was, viole-omkranst, door den Archigallus van Rome en de Dendroforen in processie rond gedragen, was de Rouw, om Attis, waren de Vasten geweest, hadden op denDies Sanguinis, ter herdenking vanAttis’ Dood en Zelfverminking om zijn ontrouw aan der Goden Moeder, de Gallen in smart en bezetenheid zijn voorbeeld gevolgd, en zich, tot bloedens toe, dànsende, op het plein voor den tempel, de mannelijkheid verminkt en weêr verminkt: in telkens herhaald symbool, schijnbaar, het roode bloed, dat geen bloed was, zichtbaar voor de oogen der menigte vloeiende.... Toen, na zoo veel Smart en Rouw, waren de Hilaria geweest, dag van Herleving en vroolijkheid, van dwaze grappen en uitbundigheid—was het Beeld der Godin—als toen het éenmaal van Pessinus was overgebracht—met groote plechtigheid onder gedompeld in de Almo, had het volk zich daarna gebaad in de Almo....Maar heden, tien dagen later, begonnen de Megalezia! De Megalezia!! Een week van feest, van Scenische Spelen in het Theater van Pompeïus, van Athletische Spelen in het Colosseum en Circus Maximus, van over en weêr gewisselde uitnoodigingen der patriciërs tot avondmaal nà de Spelen, van veel vrijheid voor de slaven, die de schouwspelen mochten bezoeken, van feest, féest, féest voor iedereen!! Wie op was, gebaad had, ontbeten, voegde zich in den stroom, die golfde naar het tempelplein en het óverstroomde. De menigte stond dicht op een gedrongen. De Tempel was open, de zuilen waren omkranst met lauwer en sparrefestoen; in de geurvaten tusschen de zes Corinthische zuilen walmde de wolk van wierook, spiraalde weg in de blauwluchtige lente. In korven, op de treden stapelden de viooltjes,—bloemen van Attis,—die de Gallen uitdeelden onder het volk, tegen vergoeding: ieder stak zich viooltjes in gordel, in boezem, achter het oor....In vroegere eeuwen—die der Republiek—vóor het Keizerrijk, waren de Scenische Spelen, die nu in het Pompeïus-Theater plaats zouden hebben, vertoond op dit plein, op de traptreden des tempels. Nu echter verzamelde zich, ’s vroegmorgens, het volk om den telkens herhaalden omgang te zien. De priesters, die den tempel uit traden, dragende het heel heilige Beeld:—Mater Deum Magna Idææ!galmden zij. Groote Godenmoeder der Ida!Zij gingen de treden af, torsende onder een baldakijn het Beeld, vormenloos, verweerd hout, maar ontzagwekkend heilig, nauwlijks zichtbaar onder een zwaar met goud geborduurden sluier, en die af hing met zware gouden franje. Priesters, als Korybanten verkleed, demonen der bosschen der Ida, dansten om het Beeld den Pyrrhischen dans, zwaard kletterend op schild: herinnering aan Rheia Kubele’s barenswee, toen zij Jupiter had gebaard en hare kreten waren versmoord onder der Korybanten luidruchtig wapengekletter om haar kind te redden voor den vader, Saturnus, die het kroost opvrat tot de Eeuwige zoû worden geboren:—Mater Deum Magna Idææ!bassebrulde de Archigallus; de Gallen galmden na.Een tweede processie trad uit. En de Archigallus, terwijl het Beeld terug in den tempel gevoerd werd, brulde, handen geheven:—Acus Matris! Acus Matris!Heilige Navel der Moeder!!En de Gallen galmden na....Priesters torsten den Navel aan: op een tafel rees de donkere, pyramide-vormige meteoor, die, uit den hemel gevallen, de Navel van Rheia Kubele was: met juweelen ingezet, schitterde de Steen onder een sluier en het volk gaapte, ontzet....En kochten de naveltjes, die de priesters, op de tempeltreden verkochten.... Toen plotse ontroering:—De Keizerin....!!Aller oogen richtten zich van de heilige dingen naar het Huis van Livia,—het kleine, bevallige huis, waar Augustus’ vrouw, Tiberius’ moeder, hare laatste weduwdagen gesleten had. Het was met onderaardsche gangen vereenigd met het Flavische Paleis, dat zijn achtergevels ginds op den heuvel ten Noorden van den Rheia-tempel verhief. Het zuilde kleintjes sierlijk, een kleinood gelijk,aan den voet der reusachtige zuilen van het paleis. En tusschen die bevallige zuiltjes, als in een loge, was de Keizerin, Domitia, met hare vrouwen, zichtbaar geworden. Het wriemelde nu alles van dichte menigte; op de oeroude Trap van Cacus—trap der mythe, waarin Herkules den reus Cacus hier ter plaatse versloeg—verdrong tot stikkens toe zich het volk, om te zien het Beeld, den Navel.... nu, Domitia. In de zuilengangen van het paleis ook verdrong zich de menigte der hofbeambten, stond de, in glinsterkuras de zon weêrspiegelende, wacht der Prætorianen. Het marmer tintelde aan de lange zuilenschachten als met loodrechte lijnen van onversmeltbare sneeuw, de trappen traden met vele treden neêr in even schaduw-aangeblauwde, horizontale vegen; op de hoeken der tympanen, op de eerezuilen schitterden, schel goud, de vergulde beelden, de zegegodinnen, de beeldgroepen, de het azuur insteigerendequadrigæ.... En van overal, uit het volk, gingen de oogen naar Domitia, die daar verschenen was, hoog rond gekapt, de wijde feestchlamysom zich: het keizerinnepurper en -goud. Om haar heure vrouwen en men wees ze elkaâr, zich voorover dringende op de breede treden van de Cacustrap.—Domitilla naast haar....? Maar Nigrina is.... Sst!Zij spraken het niet uit, uit bijgeloof, uit eerbied voor de Megalezia èn voor mogelijke luistervinken in de menigte.—Domitilla, zusterskind van Domitianus.... En daarnaast Crispina....?—Ja, de zuster van Crispinus....—Fabulla.... De vriendin van Nigrina, diè is....—Ja, die is.... Sst!—Domitia’s nicht, Fabulla, zie je? Wel een mooie meid, hè?—Domitilla is mager, hè?—Gekàpt zijn ze, met die ronde krullepruiken....!—Zijn het pruiken?—Sst!!—Nou, ik zeg niets....—Crispina, die is een Egyptische, hè? En Crispinus.... een slaaf uit....?—Ststt! Pas op!! De verklikkers....Het fluisterde nu zachter:—Is, wie Nigrina heeft....?—Sst!!—Al gepakt??—Ze zeggen van ja.... Lang zal het niet duren, àls ze hem hebben gepakt, òf....—Sst!—.... Ze kruisigen hem....—Ze kruisigen hem....—Komt de Keizer niet kijken!—Sssttt....———Mater Deum Magna Idææ!!basgalmde allerplechtigst de Archigallus. De processie trad weder den tempel uit: het Beeld werd vóor de Keizerin heen gedragen....—Acus Matris! Acus Matris!!gilden schril de gesnedene Gallen. En de heilige Navel volgde....Maar de Keizerin, door een hofbeambte, deed den Archigallus aanbieden een schaal, waarop haar gift in goudstukken lag....—Mater Deum! Acus Matris!De processies gleden den tempel weêr in....—Het wordt tijd, roezemoesde het onder het volk, en zij zagen naar de zon.—Zeker wordt het tijd.... Het Theater gaat open....—We moeten er bij zijn.... Vroeg al....—Om goede plaatsen te krijgen....—Vooruit dan!—Vooruit dan! Vooruit dan toch!Zij drongen. Zij verdrongen zich over de Cacustrap, scholden, vloekten, scheurden elkander twistende de feestkleederen. De kinderen schreeuwden of toeterden met de trompetten of sloegen kletterend met de koperen cymbeltjes. De moeders hielden zich de ooren dicht of sleepten, ontzenuwd, de kinderen meê.... Naar het Theater.... Naar het Theater.... En morgen naar het Colosseum.... En danovermorgennaar het Circus Maximus. En dan....—Naar wat we het mooist hebben gevonden!—Van daag is niets in het Colosseum?—Neen, alleen in het Theater.... Scenische Spelen.—Over drie dagen opent het Circus Maximus....—Vooruit toch! Naar het Theater!De straten krioelden. Het stroomde nu van alle kanten in éene richting. Door het Forum Romanum, door de keizerlijkefora, langs den Vicus Tuscus—de winkels gesloten,—over het Velabrum—geen markt!—over het Forum Boarium—geen runderen om den bronzen stier!—langs den langen muur van den Circus Maximus—nog toe!.... En het wriemelde tusschen de driehonderd zuilen van de Portiek van Octavia en langs de Theaters van Marcellus en Balbus....—Die zijn treurig!! grappigde het volk. Omdat ze niet worden geopend!—Die blijven rouwen.... om Attis!—.... Attis! Attis! galmde door de menigte een troep bedelpriesters om een ezel.... Willen jullie de godin niet kussen? Willen jullie geen naveltjes koopen! Tweeas! Drieas!!—Hi-ha! balkte, woedend en verontwaardigd, door de Gallen voort getrapt, de weêrstrevende ezel, die een kastje torste onder vuilen sluier....Uit de menigte drongen zich mannen, vrouwen, kinderen baan.... Zij drongen om den ezel....—Vooruit! riep het naar het Theater stróómende volk.... Doorloopen!Maar die om den ezel versperden den weg: de bedelpriesters beurden den sluier, ontsloten het kastje.... En de dringenden tegen den ezel, die balkte, kusten het armzalige beeldje.—Vooruit! Vooruit!! schreeuwde het ongeduldige volk, duwende, zich verdeelende òm den ezel en de opstopping der bedelpriesters.... Doorloopen!Het galmde, weêrgalmde door de lucht, tegen de huizen, van het gillen en roepen en lokken der priesters, het schreeuwen der vrouwen, het ezelgebalk en het trompetgetoeter en cymbalengekletter der kinderen. Tegen het Pompeïus-Theater golfde als een dichte, bontkleurige zee aan, waaruit de koppen dreven, de armen omhoog staken met wijdvingerige handen als van drenkelingen. Manipelshastatikwamen aan, lansen schuin, om af te zetten den weg, dien de draagstoelen der Senatoren, Consulaire-personen, Aanzienlijken, nemen zouden....Het volk schreeuwde, gilde, galmde. De poorten van het Theater open, slurpte iedere poort de menigte op, zoog haar binnen. Het was of het Theater was een monster, een half ronde monsterkop van zuilende ommegangen, met beelden gediadeemd tegen de lucht, en dan met tal van muilen, van opene muilen, die de menigte slurpten, slurpten, zógen....Het was de tweede ure des morgens; de dag, gelukkig, was zacht goud van zon en wazig effen blauw van lucht; de dag beloofde gunstig te zijn.... Het Theater schitterde òp, met zijn goud-grauwe tufsteen, zijn fijn dooraderd marmeren vakken en honderden zuilen, met zijn fel wit marmeren beeldenkroon. Het waren de zuivere lijnen en vormen der antieke bouwkunst, in deze Latijnsche decadentie nòg zuiver bewaard; het was een dier laatste verwezenlijkte schoonheidsideeën door Hellas aan Rome vermaakt, nog bijna geheel zuiver gehouden.... En het léefde van daag:deze schoonheid van vormen en lijn, van marmer en tufsteen; het léefde, dit immense, ronde Masker met de tallooze monden; dit Monster van Schoonheid met de tallooze muilen, die zogen de menigte in....Binnen vulde zich het Theater. De menigte, de poorten binnen, verdeelde zich aan weêrszijden, depræcinctioneslangs—de ommegangen—de trappen op, die de amfitheater-rijen doorsneden en zocht zich plaats op de trapsgewijze stijgendecuneïvan steen. Velen hadden kussens meê, lage schabellen; groepen formeerden zich reeds; er werd geroepen, gewenkt: kom hier; kom hier! Drie half rondepræcinctionesdoorsneden decuneïmet breede corridors; die corridors werden op hun beurt gesneden door zeven trappen: stralen gelijk, getrokken uit een middenpunt, door den halfcirkel heen des Theaters. Bleef deorchestra, en waar de Senatoren zouden zitten, bleven de eerste veertien rijen, de ridderbanken, nog leêg, de verdere ruimte, decaveavulde zich, meer en meer. Nu was in minder dan éen uur tijds de geheelecaveavol: een kleine veertig-duizend toeschouwers zaten op elkaâr gepakt en maakten het zich gemakkelijk. Geroezemoes als in een bijenkorf, waarboven een luid gedruisch van stemmen: vreugde van wie goed zat, teleurstelling van wie geen plaats meer vond; veertig-duizend plaatsen waren gauw ingenomen, als het de eerste dag der Megalezia was! In de poorten verdrong zich nu kwaad de opgeslorpte massa, want het Monster van Schoonheid was al verzadigd.... En noode keerden de teleurgestelden om....—Er is geen plaats meer!—Wij zijn te laat....!Zij keerden om, met wanhoopsbeweging, met zich teleurgesteld-schikken; zich belovende morgen vroeger te komen: er al te zijn en zich te scharen vóór nog de poorten waren geopend. Geheele families met grootouders en kinderen keerden om: er was niets aan te doen! Van dàag zouden ze de spelen niet kunnen zien. Zie,hoe bont vol decaveaop-een geperst was! Tusschen den half ronden muur, over den immensen put dercuneï, onder de nog wazig blauwe lentelucht, die als een hooge oneindigheid koepelde over het menschengedrang en -gedring. Maar velen konden het niet verduwen geen plaats te vinden, liepen lakoniek depræcinctionesop en neêr, bespiedden in decuneï, ontdekten een betwijfelbaar plekje, drongen zich een trap op, dan tusschen knieën en ruggen der zittenden, vroegen beleefd om het plaatsje.... Meestal werd het ingewilligd, goedhumeurs; slechts zelden ontstond twist, of was er onwil: wàs het plekje te bezitten, dan werd het afgestaan; de rug van den indringer dráaide zich tusschen de schouders der beide inschikkenden en de knieën van wie achter hen zat; zijn billen poogden dalende de zitplaats te bereiken; soms zat hij neêr op de voeten van wie achter hem zat; er waren kwinkslagen, obscene schertsjes: zoo dicht zitten op elkaâr lokte allerlei uit, maar zelden boosheid: meer aardigheid met de vrouwen, geheime liefkoozing; kleine intriguetjes tusschen onbekenden werden voorbereid met een drukje van knie of voet en flegmatische gezichten strak-uit: een stukje kussen werd aan geboden, een bundel mantel werd tot kussen gerold: pakjes met brood, worst, kaas en ooft werden geopend en kleine kruikjes wijn.... Mannen moesten voor hun vrouwen zorgen, zagen toe op voeten en knieën achter haar; op te dicht dij-geschuif ter andere zijde; zitten naast elkaâr in het Theater zoo dicht, zoo lang, broedde wel eens sympathietjes uit. Het werd al spoedig gezellig warm-krijgen naast elkaâr, zweeten schouder aan schouder: de zon rees en de lucht blauwde. Veel hadden de opzichters niet te doen: zij bewaakten alleen de ridderbanken, deorchestra, dat daar geen onrechtmatige binnen sloop, wie géen bronzentesserahad—biljet met maskerkop—; in decaveadeden ze maar als ze wilden.Nu was het vol, vol, vol. Gezellig vol, en het was vòl kennissen. Degladiatorenhadden dadelijk de bovenste ommegang inbeslag genomen om de ruimte te hebben voor hunne breedschouderige gewichtigheden, want gewoonlijk plofte het publiek zoo gauw mogelijk neêr op decuneïachter de ridderbanken, om dichter bij het tooneel te zijn. Tal van soldaten verbroederden zich daar met hen en troepen slaven zaten daar ook, om niet te dicht bij hun meesters te zitten en dus vrijer te zijn, lòl te hebben, te gooien met schillen, te ròepen.... Hoogmoed was hier niet op zijn plaats: tusschen degladiatoren—daar zat de beroemde Carpoforus—en zaten Myrrhinus met Triumfus en Priscus met Verus en Colosseros ook—en de slaven verbroederden al wat mindere winkelstand was—toch òok „veracht beroep”: de vollersbaas had zijn gekrijte toga’s in den steek gelaten en zat er met àl zijn vollers en volsters; Autronius, de slavenkoopman, zat er met de „kostbare” en de Daciërs, die hij nog niet verkocht had; hij vond het maar gemakkelijk al zijn koopwaar meê te nemen naar het Theater en trotsch welfde zijn buik en rondde zijn volle-maansgezicht naast de „kostbare”, de Lydische en deed hij, of hij de man of de minnaar was van die mooie, Grieksche slavin, die, rijk gedost, zat aan zijn zij. Taurus zat niet ver van hem met zijn acht meiden—beter ze meê te nemen dan ze thuis op te sluiten: dan werden ze weêrspannig en braken den boel, en Pampus zat er met de zijne en die oude Galla met de hare: de heele Suburra drong er op elkaâr; zelfs de straatjongens hadden kans gezien.... Dat drong, drong op elkaâr, met de dieven en beulen, de lijkendragers, de matrozen van Ostia en hunne meiden, de bedelende Gallen, die na het eerste morgenuur toch geen zaken meer deden met hunne godin en de nietswaardige naveltjes; en al het personeel van de Thermen en al de werklieden, die werkten aan de nog niet geheel voltooide Titusbaden en het Colosseum; dat drong op elkaâr met al de slagers, de warmoeziers, de sneeuwverkoopers en ooftverkoopers van het Velabrum, terwijl de voornamere winkeliers van den Vicus Tuscus, en de wisselaars, Tryfo en de boekhandelaarsvan het Argiletum en de zijdeverkoopers en de juweliers zich liever een beetje bij elkander hielden, stand bij stand, in aangenaam samen zijn voor dien gehéelen dag, dat de Scenische Spelen duren zouden. Ja, zat je niet prettig, dan was het beroèrd, zoo een dag, als er een blies in je nek of spichtige knieën duwden in je rug of een luizekop vertoonde zich voor je van wie in een week zich niet had gebaad, dan was er, bij Herkles, geen pleizier aan en werd je sceniesch pleizier bedorven door je nabuurschap. Maar als je gezèllig zat, als je voet zoo een beetje zoeken, als je knie zoo een beetje drukken kon, als je hand het daarna dorst wagen—wie zàg wat in die volte, onder de plooien der kleêren!—dan werd je sceniesch pleizier, niet waar, verhóogd door wàrmte van sympathie, door klein gespeel, nadere kennismaking, en onderzoeking, luttele toevalletjes, die niemand kwalijk nam, vluchtige verliefdheidjes, die niet langer duurden dan je sceniesch pleizier zelve zoû duren....—Wat! riep Nilus verontwaardigd in de poort.... Is er geen plaats meer? Zoû er geen plaats meer zijn voormij?? Voor mij, die al sedert de nacht bezig ben geweest te kokerellen, zoo dat van avond decatervawat te eten heeft?? Maar daar komt niets van in, hoor! Plaats moet ik hebben en zal ik hebben, voor mijn moeder, voor mij en mijn slaven....!Maar de opzichters aan de poort, die hij was binnen gedrongen, tegen den stroom van de teleurgestelde laatkomers, die omkeerden, in, beduidden hem, dat het Theater vol was, dat de veertig-duizend plaatsen van decaveawaren ingenomen, dat hij morgen, als hij vroeg kwam, een kans zoû hebben....—Morgen? riep Nilus, die er niet aan dàcht op zijn passen terug te keeren. Morgen? Maar dan is het de eerste voorstelling van het Colosseum! Nu is het de eerste voorstelling in het Theater! Bij de éerste voorstelling moet je zijn, als je in Rome iets beteekenen wil! Beteeken ik niets? Wie heeft er in de Suburra eentaveerne als ik?? Ben ik niet Nilus, die van den Nijl komt!Onder het publiek, dat hier en daar luisterde, lachten zij, vroolijk.Het kòn heusch niet, weêrstreefden de opzichters: zie toch, het Theater was boordevol....—Boordevol? riep Nilus. Boordevol? En wat dan nog? Zoû er, al is het Theater boordevol, geen plaats meer zijn voor mij en de mijnen? Voor mij, wiens ezel waarachtig in den Proloog optreedt! Heeft dedominusmij mijn ézel dan niet gevraagd, omdat hij zonder hem de Bacchides niet spelen kon? Willen jullie, dat ik mij wreek door mijn ézel terug te vragen, zoo dat de voorstelling niet door kan gaan?Nu luisterden allen, wilden weten wat er toch gaande was, schaterden het uit, en overal riepen stemmen:—Nilus! Nilus! Er is wèl plaats: kom toch hier!—Nilus!! donderden degladiatoren, Colosseros en Carpoforus van af de hoogste rij; hièr is een plaats voor jou!—En mijn moeder!? riep Nilus en wees op de dikke Alexandrijnsche.—Alexa! Alexa! noodde Taurus, tusschen zijn acht meiden, zijn overbuurvrouw. Hier is een plaats voor jou!En zijn meiden, met hem, riepen:—Alexa! Alexandrina!—En voor mijn slaven?! riep Nilus.—Hier! Hièr! Hièr! brulde, galmde, gilde het lachende van alle kanten. Hier is een plaats! Hier zijn twee plaatsen!!De eerste ridders, de matronen, die binnen kwamen, door hunne poort, en zich begaven naar hunne zitplaatsen, zagen nieuwsgierig naar decavea, waar zoo veel rumoer was. En de Alexandrijnsche, Nilus, de slaven stegen de verschillende trappen op en nestelden zich zoo goed als het ging: Alexa bij Taurus en zijn meiden, Nilus bij degladiatoren, de slaven her en der.Oorverdoovend, overdruischend lawaai! Wat stemmen vanlachende, elkander herkennende, toewuivende mannen, vrouwen, van schreeuwende en nòg, trots verbod, toeterende en cymbel-kletterende kinderen! Maar de ridderbanken vulden zich en in deorchestrawerden nu ook desubselliaingenomen door de Senatoren, die bij groepen samen kwamen, door de Consulairen, door de Aanzienlijken.—Dus de Keizer zal niet verschijnen? vroeg de oude Verginius Rufus: hij was tusschen Plinius en Frontinus binnen gekomen; zij hadden hun bronzentesseræ, met den maskerkop er op gegraveerd, den opzichter overhandigd; zij namen plaats nadat de opzichters hunne kussens beleefderig hadden opgeschikt: zij groetten, hier en daar, toe naar de ridderbanken; zij wuifden naar de Senatoren de hand; Senatoren stonden op, begroetten hen; er was onderlinge plichtpleging.—De Keizer zal niet verschijnen, hoorde ik, zeide Frontinus; Domitianus is ziek.... Hij moet gisteren, na den moord op Nigrina, als bezeten geweest zijn; hij houdt zich verborgen.... Gegroet, Quintilianus; gegroet, Tacitus!—De Keizer? Neen, de Keizer zal niet verschijnen, verzekerden Tacitus en Quintilianus.—De Keizerin wel, verzekerden enkele Senatoren; wij waren van morgen op het Palatium genoodigd....—Om van uit het achterperistylium de processie te zien op het Tempelplein....—De Keizerin kwam uit het Huis van Livia....—Zij zal komen,zijzal zeker komen....En allen zagen links en rechts, naar de beide Tribunalen: de keizerlijke loge’s ter zijde van hetproscænium. De zuilen er van waren festoen-omslingerd; tapijten hingen over het marmeren hekwerk af; de zetels met kussens stonden er gereed. Twee wierookvaten stonden voor ieder Tribunaal, op bronzen drievoet, in deorchestraen hooge bronzen lampen, om ontstoken teworden mocht tot de schemering de daglange vertooning duren.... Maar de beide Consuls deden hun intrede, de Præfecten van Stad en Schat, Leger en Vloot, de verschillende Colleges van Tienmannen en Viermannen en Twintigmannen, deprætoren deædilen, die de Spelen hadden uitgeschreven. Vol Romeinsche waardigheid vulde zich deorchestra; toga’s ontplooiden zich;laticlaviævielen purperomzoomd langs de zetels; decaveastaarde toe, noemde namen....—Wij komen laat! drongen zich beleefd Juvenalis en de jonge Suetonius tusschen de eerste ridderbanken.—Ik het laatst misschien? hoorden zij een stem: het was Martialis: er was herkenning, begroeting, weêr opstaan, plichtplegerig, sierlijk en hoffelijk; er werd veranderd van plaats met eindeloos weêrzijds vergeving vragen, weigeren, aannemen dan; de letterkundige vrienden, hoewel inorchestraen ridderbanken gescheiden van elkaâr, wisselden toch woorden, konden tot elkander fluisteren.Plotseling—de zon, rijzende, scheen feller uit de blauwe lucht en viel reeds gloeiend, trots dit derde uur van den morgen, den blank den schijn weêrkaatsenden put van het Theater in—rolde boven over de opene ruimte heen als een immense, vuurroode golf, die zich wapperend ontplooide, zich uitbreidde met immense, meer en meer van zwoele bries doorklaterde banen.... Het was hetvelarium, dat langs ijzeren stangen en staven aan koorden getrokken, het geheele Theater overgolfde, den marmeren put af sloot van den Aprilhemel boven en den zonneschijn door liet schemeren met een zacht rooden gloed, weldadig, weelderig van tint, een vloed van getemperd purperen dageschijn, die zich gelijkelijk verdeelde over het geheele, bont overvulde Theater, naar mate het gehéel overdekt werd....—O-o-o-h! zuchtte de menigte op van verluchting, want reeds, zoo dicht op elkaâr, zweetende in den morgengloed.Zoo was het móoi en goed....! Zoo was het heerlijk en zálig! Zoo was het gedempt en knùs....! Kijk, hoe de breede, roode banen zacht klakkerden, zacht wapperden, van de bries, boven die meer dan veertig-duizend koppen, die keken op. Zie je, er waren de Muzen op geschilderd, die dansten op een hemelsche bloemenweide; zie je wel, het was of de Muzen daar zweefden in den zacht rooden gloed van apotheoze, reiende haar dans over het gespikkelde gouden gebloemte....—Het is toch móoi, ons Theater van Pompeïus! bewonderden ze hier en daar: de meiden van Taurus om de Alexandrijnsche, de matrozen, de slaven, de vollers, de kooplui van het Velabrum. Nergens was zoo een mooi Theater! Waar kòn nog zoo een mooi Theater zijn! Van binnen gehéel met marmer bekleed, met regelmatig in den ronden muur, boven de zitplaatsen, de nissen, waarin de marmeren en bronzen beelden of de groote, bronzen bekkens, die op vingen den klank der stemmen van de tooneelspelers en het geluid weêrkaatsten heen door de theaterruimte en al dat marmer en brons, overtogen met een zacht rooden gloed, die neêr zeefde uit hetvelarium.En dan die weidscheorchestra, waar zoo wat zeshonderd Senatoren nu op hunnesubselliazaten met al die andere deftige, Consulaire personen en autoriteiten, en dan die twee prachtige Tribunalen, ter zijde. En dan descæna, àchter hetproscænium: waar zoû zulk een mooiescænaelders gevonden worden, dan in Rome, in hùn Theater van Pompeïus!Want het publiek, dat wachtte, kon nog niet anders dan om zich rond en vóor zich kijken en bewonderde dus descænavooral. Het was de afsluiting van hetproscænium, waarop de tooneelspelers zouden treden: descænawas de monumentale muur, die afsloot het eigenlijke „tooneel”: muur van twee verdiepingen, met in het midden de groote poort, de Koningspoort der tragedie, waar de vorstelijke personen werden gedacht uit hunpaleis te treden; met twee zijpoorten voor de „gasten”; met de twee monumentale trappen links en rechts, toegang gevende tot hoogere poorten in de tweede verdieping, voor de „vreemdelingen” of de „boodschappers”, naar de „zee” of de „stad”, ook om alle mindere personages te doen verschijnen of verdwijnen en diescænawas hier een dubbele, Corinthische kolonnade, de eene òp de andere, met kolommen van de edelste steensoort, marmer van Caristo en Numidië, terwijl in de nissen van denscæna-muur, tusschen pilasters, beelden stonden en groote, schuine, geluid weêrkaatsende, bronzen schalen waren ingevoegd. Descænaverhief haar prachtigen achtergrond even hoog als de hoogstepræcinctioof ommegang—die, waar langs degladiatorenen Nilus zaten—en, beschut door een afdak, met gebeeldhouwde architraaf op hoogste zuilen, verhief zij aan hare uiteinden de marmeren draagkronkels, waarin de korte, zware, vergulde masten zich niet hooger dan éen armlengte beurden om het stangen- en stavensysteem te torsen, waaraan het roodevelariumover het Theater was uitgegolfd, van descænadus af tot óver de hoofden dergladiatoren, wier wel eens speelsch reikende handen de purperen banen toch niet konden bereiken....Deze wachting van het Romeinsche volk in dien immensen halfcirkel, half ronden, marmeren put, allen starende naar de blanke plooiruggen der Senatoren en Aanzienlijken, starende naar de prachtigescæna, onder het geleidelijk overal neêr zevende, roode licht, was de zalige verademing na de eerste reeds zoo drukke morgenuren. Zij zaten nu, geïnstalleerd; zij aten nu, zij dronken gezelligjes wat; er was niet meer dan een ruischend, druischend geroezemoes; de moeders hielden de kinderen zoet. Zij wisten, dat zij làng zouden wachten. Toen er fanfares kletterden buiten, van de poort van het linker-Tribunaal, spitsten zij òp, keken links.... En slaven haastten zich met brandende lonten naar de hooge wierookvaten, die links stonden op bronzen voetstukken in deorchestra, de wijde schalen ontluikende aan weêrszijden van de zuilen des Tribunaals. En zij staken den wierook aan: dadelijk wolkte de walm, spiraalde met dikke wolken omhoog, verijlde blauwig in het roode licht, verviolette weg krinkelend de ruimte door....De Keizerin Domitia was er binnen gekomen, tusschen de Virgo Maxima der Vestalen en Domitilla, des Keizers zusters kind, en men juichte haar allen toe, niet uit liefde maar uit eerbied voor zoo vorstelijk schouwspel van binnenkomst. Paleisofficieren groepeerden zich om de Keizerin, hare paleisvrouwen volgden; de vijf andere Vestaalsche Maagden volgden de Opperpriesteres. Zij zetten zich op hare zetels; het Tribunaal vulde zich achter met de lijfeigenen, met de slavinnen der Keizerin. En men wees elkander, tusschen de insuffibulumomhuifde hoofden der Vestalen, de hoog rond opgekapte kruldiademen van Domitia, Domitilla, van Crispina en Fabulla, die haardracht door de gestorvene Julia, Titus’ dochter, kort geleden nog in de mode gebracht.—Door Titus’ dòchter? vroeg de Alexandrijnsche, die, steeds aan haar rekenbord, niet op de hoogte was van de dingen in Rome.—Ja.... ja, luisterden Flacca, Prisca en Matta: door Julia....—Die is door Domitianus zélf....—Pas op de verklikkers, fluisterde Taurus.—Zoo?—Ja, door haar óom.... Weet je niet? Dat was toch bloedschande wat ze deden.... fluisterden de meiden, geschandalizeerd.—En toen ze zwanger was.... siste toch Taurus, rond kijkend, voorzichtig.—Ja, toen heeft ze de oude Galla bij zich geroepen....—Ach, de arme! Galla....?? Dat monster! verontwaardigde de Alexandrijnsche.—Pas op, zei Taurus; daar zit ze....—En is Julia gestorven....—Natuurlijk!! meende de moeder van Nilus, of het wel niet anders gekund had.En zij schudde weemoedig het hoofd: het was niet àlles, die grootheid daar.—.... Fabulla! wees Colosseros, de „kolossale „Eros”,” blond, met zijn blauwe jongensoogen, op den bovensten ommegang, aan Carpoforus.—Dus, jij....?—Ja, ik.... Ze heeft eerst op mijn knie gehost, bij de worstjes van vriend Nilus, en de volgende nacht....—Waar??—Bij Galla.... Bij de oude Galla....—Bij Herkles! vloekte Carpoforus.... Hij was zelf een Herkules: donker, reusachtig; even ouder dan Colosseros, had hij reeds keer op keer in dearenagezegevierd, zéer in de gunst van Domitianus, door Martialis gevierd in zijn epigrammen; hij worstelde en kampte met wilde dieren; leeuwen, everzwijnen en tijgers; hij werd de Jager bijgenaamd, hij was tevenslanistader allerjongstegladiatoren, hun schermmeester; uit zijn leêren tuniek staken bloot zijn gebruinde, monsterlijk zwaar gespierbundelde schouders en armen; de zwellende kabels vertakten er langs; de litteekens van de wilde-dierklauwen gloeiden aan zijn wang, hals en bovenarmen zichtbaar met vurige plakkaten; zijn donker ruig omkroesde kop was klein, zijn besnorkroesde mond kort en dik en zijn oogen waren gróot, donker en goed als van een lief beest, als van een zachtmoedigen bruut, die zoû toe laten, dat een kinderhand hem zoû streelen.—Bij Herkles! vloekte hij; die meiden dáar zijn allen zoo....—Domitilla’s moeder kenik, van vroeger! zei Priscus: met Verus was hij een veteraan; de Keizer had hun jaren geleden beiden te gelijker tijd denrudisgegeven, schermstok en staf-van-ontslag-en-vrijlating,sinds eenmaal in het Colosseum het publiek voor beiden genade geëischt had, nadat zij uren te zamen gestreden hadden en beiden even sterk waren gebleken.—Dat wil ik gelooven, zei Nilus, ter zij van Carpoforus; in Alexandrië is het nièt anders!En allen waren het met elkander eens, dat het overal het zelfde was.—Ja, zeide de oudere Verus, verweerd grijsaard, uitgevochten. Kùisch zijn jullie niet voor kerels, die moeten bestaan van hun krachten; die patricische meiden zijn de hèl voor jullie: ben je zeker na een patricische nacht je leven er proletariesch af te brengen in dearena, bij Herkles?De kerels bulderden. Maar Colosseros, wijsgeerig:—Bij Herkles, de verleiding is àl te groot voor arme drommels als wij, die wel eens een muntje gebruiken kunnen!—Vooral voor jóu, „kolossale Eros”! plaagde Verus, die zijn vader kon zijn.—En voor begenadigde misdadigers alsik, stemde Murrhinus toe. Ik heb een moord begaan. Maar ik was sterk; dat was mijn heil: ze vonden het te jàmmer een vent als ik te kruisigen.—Je was drìftig, verontschuldigde Carpoforus; zoo erg is een moord niet, als je driftig wordt....Wat erg is, dat is als je vermoordt om te gappen!—Zoo als Nigrina vermoord is, zei Colosseros.—De moordenaar is gepakt, zei Triumfus.—Beide kerels? vroeg Nilus. Klanten van mij, hoor! Dat weet je? Een dief en een weggeloopen slaaf??—Min volk! minachtte Carpoforus.—Wie gepakt is, is een weggeloopen slaaf, zei Triumfus.—Heeft diè dan den moord gepleegd? Of de dief? vroeg, steeds zeer nieuwsgierig, Nilus.Triumfus was er niet zeker van. Ook hij en zijn makker wareneens, te zamen, na onbeslisten tweekamp, terwijl het publiek verdeeld was ten gunste van beiden—de eene helft voor Triumfus, de andere voor Murrhinus—door den Keizer begenadigd geworden. En zij beminden den Keizer daarom allemaal, waren Domitianus wèl genegen, verdedigden hem, verzekerden altijd, dat hij een bliksems goede kerel was.—Pff! riep Carpoforus. Het wordt warm....En hij bewoog wijd uit, met zijn Titanschouders.Het wèrd warm, zoo hoog, dicht onder het toch altijd even, briesbewogene, klakkerendevelum. Degladiatorenzaten, een massa van kracht, de armen gekruist, naast elkaâr, geduldig te wachten, naar de beelden derscænate kijken.... Plotseling kon Colosseros het niet langer harden. En hij begon met de zwaar geschoeide voeten te stampen van ongeduld.—Beginnen ze nòg niet!! bulderde hij los, plotseling boos, woedend zijn blauwe jongensoogen.Het was een signaal. Zijn makkers stampten als hij.... De soldaten stampten als zij. Op alle rijen stampten zij nu. Het gestamp daalde regelmatig de rijen af, als bij afspraak dier duizenden. Het hield op bij descamna, de ridderbanken.De oogen der vrouwen in het Keizerinne-tribunaal waren omhoog gewend naar waar het eerste gestamp van ongeduld had weêrklonken.—Ja, kijk maar! riep Colosseros, uit de hoogte en verte Fabulla’s blik ontmoetend. „Hadt je me maar”; hè?! Zeg—tot zijn makkers—; te rouwen om Nigrina schijnt ze niet.... Kijk, ze lacht!Fabulla, in der daad, lachte. Zij schaterlachte zelfs even, luid, in gescherts met Domitilla naast zich. De hooge zwarte en blonde haardiademen negen boven het gelach naar elkaâr toe. De beide vrouwen toen, achter deVirgo Maxima, die ernstig bleef, fluisterden half Grieksch, half Latijn met Domitia. Het was voornaam Grieksche woorden nu en dan te gebruiken.Naast de Keizerin bleef Crispina gelaten.—Ze zal ze zién.... fluisterde Domitilla tot de Keizerin, achter deVirgo Maxima.—Haar twéelingen!! giechelde Fabulla.Ook de Keizerin lachte.—Wat is er toch? vroeg de Opperpriesteres.Domitilla helde naar haar om, fluisterde, half Grieksch, half Latijn. De duim der Vestaalsche wees even, als vragende, vaagweg, naar Crispina.... Domitilla knikte, fluisterde voort. DeVirgo Maxima, toen, lachte hartelijk. De Vestaalsche Maagden achter haar, wilden weten.... Fabulla fluisterde met wie dichtst achter haar zat.... De Vestale lachte, fluisterde haar buurvrouw in.... Weldra wisten allen, bleef Crispina alleen gelaten.En steeds, als een donder, rolde het gestamp van de zwaar geschoeide voeten dergladiatorenaf, de rijen van het Theater af, vermengde zich met aller gestamp. Luider druischten de stemmen, daverden nu,barsttenlos van ongeduld en eischten den aanvang der Spelen.—Ter eere der Groote Moeder!—Ter eere der Groote Godin!—De Spelen! De Spelen! De Spelen!In het Tribunaal schaterden ter zijde van de Keizerin hare vrouwen.... Maar plotseling bliezen van boven de trappen derscæna, uit de zijpoorten, bazuinen.—O-o-oh! juichte het volk.Het was het Voorspel, dat begon. Het was op Grieksche leest geschoeid: koren van, in wittepeplosgekleede, zangeressen daalden de trappen af. Zij naderden de altaren rechts en links, op hetproscænium, wierpen geurkorrels op de smeulende kolen: de wierook wolkte omhoog. Fluitspeelsters volgden haar. En hare handen brachten het mondstuk der dubbelfluiten ter lippen. Enop het teedere moduleeren der rechterfluiten, op het diepere begeleiden der linkerfluiten zongen de zangeressen, geschaard, de hymne.... Korybanten daalden de trappen af; zij droegen zwaard en schild; tusschen de hymne door, mimeerden zij den Pyrrhischen dans en regelmatig kletterden zij zwaard tegen schild, als zij hadden gedaan toen Jupiter werd geboren.... De hymne steeg hooger op: „Attis’ trad uit de „koningspoort”; hij had dit recht omdat hij half-god was, hij was ook gemaskerd, omdat hij half-god was, met het gestyleerde masker van een jongen god; het was de eerstemimusvan Lavinius Gabinius: hij gebaarde zijn smart om zijn ontrouw aan Rheia Kubele; zijn gebaren vervloeiden op het rhythme van het fluitenspel: het was edel van lijn....—Het is Grieksch, waardeerden de ridders, de Senatoren, de matronen, de vrouwen om de Keizerin.—Een wel aardige nabootsing.... meende Quintilianus glimlachend tot Plinius.Maar achter descæna, voor de kleedkamers van hetproscænium, raasde Lavinius Gabinius. Zoodra hij, uit glurende tusschen de zuilen ter zijde der trappen gezien had, dat zijnmimus, wat diens vijand, deadulescens, ook gedaan had om hem zijn optreden te doen mankeeren, met gratie en Grieksche bevalligheid „Attis” mimeerde tusschen het koor, keerde hij zich plots woedend om, met gebalde vuisten. Het was niet om denadulescens; trouwens, die had zich al uit de beenen gemaakt.... Het was tegen den hoofdopziener van het Theater en tegen een jongenbelluarius, een dierentemmer, die naast hem stond.—Dus het moèt?? vroeg dedominus, razend, vuisten gebald.—Het moet,dominus, zeide de hoofdopziener kalm. Wat wilt ge; als de Keizer het wil, moet het wel, niet waar....De komedianten kwamen van overal aan; zij waren half of heelemaal gecostumeerd: Cosmus kwam aan, Gymnazium....—Kòmt de Keizer? vroeg dedominusrazend.—Ik geloof het niet, zei de hoofdopziener; hoewel natuurlijk alles voor en in het Keizerlijk Tribunaal in gereedheid gebracht is.—Wat is er, vroegen de komedianten door elkaâr, nieuwsgierig; deadulescensnaderde weêr; de tweelingen, met wie Gymnazium en haartonstrixjuist bezig waren, kwamen aan........ Terwijl op hetproscæniumvoort ging de dans, het zangspel, het fluitspel....—Wat er is? riep dedominuswoedend.... Dat de Keizer verlangt....Hij stikte van woede; hij kon het niet zeggen....—De Keizer verlangt, dat aan het slot van het spel van „Laureolus”.... begon de hoofdopziener uit te leggen.De komedianten werden bleek; zij hadden een kreet van schrik, van afgrijzen.—Een Theater is toch geen arena! riep woedend dedominus. Kunst blijft toch altijd kunst! Als ik geweten had, dat zùlke dingen konden bevolen worden in Rome....—Wees stil,dominus! fluisterde de hoofdopziener; denk om de verklikkers....—Het kàn me niet schelen! raasde woedend dedominus. Verklikkers of geen verklikkers! Ik herhaal, als ik ooit had kunnen vermoèden, dat zulke dingen zouden kùnnen bevolen worden op een Romeinsch Theater.... ik nièt aan het verzoek van deædilenhad toe gegeven! Ik ben een vrij man, mijngrexbehoort mij.... niemand kan mij dwingen....—Maar nu bèn je in Rome, zei de hoofdopziener; nu moèt het,dominus: er is niets aan te doen....—Het is een barbaarsche beleediging van de kùnst! riep dedominus. Van de kunst, die wij overnamen van het Grieksche Theater, waar nooit zulke schandelijke kunstverkrachtingen voor zijn gevallen.... Het is een schànde! Het is een schànde!! Watstaan jullie allemaal hier je tijd te verliezen!? Gaat je kleeden, gauw!!En hij dreef met een woedend gebaar den geheelengrexalle richtingen uit, naar links, rechts, naar de kleedkamers achter denscæna-muur.De tweelingen vielen in hun kamertje neêr, voor de metalen spiegels, bleek, zagen elkander aan.... Gymnazium en detonstrixen een kleedster volgden.—O, Gymnazium!! riep Cecilianus, huiverbang, smorend zijn kreet........ Van af hetproscænium, klonk, naar de Lydische wijze, het fluitspel, vierend de Lente....—Kom kind! zei de dikke voormalige en detonstrixhad altijd haar lieve lachje. Dat is immers nièts! Zulke dingen gebeuren zoo dikwijls! In dearenameer dan op het Theater, maar tòch....—Nóoit in Griekenland, Klein-Azië of Egypte! viel Cecilius wereldwijs in.—Wáar laten ze het beest? vroeg Cecilianus bang. Waar wordt het opgesloten?—Wordt het opgesloten?? vroeg Cecilius, nu niet zoo bang. Bij den ezel van Nilus? Want die treedt op in den Proloog!—Beneden, in het gewelf, zeker, meende Gymnazium.En de kleedster zeide:—Ja, onder de planken!—Onder de plànken?? vroeg bevende Cecilianus.... Ik zal niet kunnen spelen, niet kunnen zingen en dansen, als ik weet, dat er die beer daar onder de planken zit!!Maar dedominuskwam binnen.—Maak, dat jullie klaar zijn op tijd, hé? gebood hij.—Zij zullen klaar zijn,dominus, verzekerde Gymnazium.De jongens, onder den indruk, zaten naast elkaâr, bleek, voorhunne spiegels, waarin de morgenschijn door de hooge raampjes viel....Detonstrixkapte Cecilius, terwijl Cecilianus, roerloos, wachtte. Dedominus, nog woedend, zag toe. Gymnazium zag toe. Vlug was detonstrixen handig, zij, die twintig, dertig meiden des morgens te kappen had. Van dun vlas zette zij Cecilius een pruik op als een kleine toren, een blondemitra, goud-overstuifd, schikte zijne eigene krullen links en rechts, omgaf het geheel met den vergulden haarband, de vergulde rozen breed uit aan zijn slapen. Zij deed het in een oogwenk, en steeds met haar lachje.—Zoo is het móoi,tonstrix! prees dedominus, vergetende van zijn woede....Zij begon daarna Cecilianus te kappen, niet anders dan zij Cecilius gedaan had. Buiten, op de straat, naderde als een vage brom....Allen schrikten, zagen elkander aan.... Cecilianus gaf een gil....—Dat is de beer! riep de jongen.—En hoor! riep Cecilius. Balkt daar niet de ezel van Nilus?Buiten, in de lange gang van hetpostscænium, waar de kleedkamers op uit kwamen, roezemoesde het.—Het is de beer! Het is de beer!! riepen de komedianten. En het is de ezel, die....Dechoragusnaderde, riep zacht:—Dominus....?—Choragus....??—De komedianten spreken te luid achter descæna.... Laat ze zwijgen....—Zwijgen jullie dan toch! bezwoer, fluisterkrijschend, ontzenuwd dedominus.Maar zij riepen het bijna:—Het is de beer! Het is de beer! Pas op, dat hij den ezel van Nilus niet opvreet!En ze kwamen kijken, allen, om den beer te zien, die, op bevel van den Keizer, aan het slot van „Laureolus”....! Zij hieven zich op de teenen, gingen op schabellen staan, rekten zich om uit de raampjes te kijken. En zij zagen nubestiariïmet hunbelluarius, en, in hun midden, aan korte ketting een gemuilbanden beer aanwaggelen.—Een tamme beer....? Tam, nou.... ik geloof.... Hij is toch gemúilband....?De beer bromde.En ergens achter hetpostscæniumbalkte, bescheiden, een ezel.—Nou, die beer bromt.... Dus, aan het slot van „Laureolus”?—Ja, grinnikte Lentulus, demimus, de „beroemde”, die als „gast” in dengrexzoû optreden als „Laureolus”; aan het slot.... moet die beer, als ik eerst gekruisigd ben, mij verslinden!!De komedianten geloofden niet, toch huiverig....—Moet hij mij verslinden! verzekerde Lentulus, griezelig, maar hij lachte en dus....—Hèm niet, zei Thymele, de danseres; maar toch wel....—Sssst! wenkten de beidechoragi, om stilte.Van hetproscænium, uit de „koningspoort”, trad Lavinius’mimus, die Attis gedanst had........ Het koor vervolgde nog, zegevierend de stemmen om Attis’ herleving: het fluitspel vervloeide.... De eerste zangeressen verschenen, nu het Voorspel eindigde, boven aan de zijpoorten der trappen, achter descæna.—Wat is er?? vroegen zij, toen zij de ontroering zagen.En overal fluisterde het:—Een beer.... Een beer.... Aan het slot van „Laureolus”....Van uit decaveakletterde het handengeklap.... De ezel balkte....De tweedechoragusdrong de danseressen weg, naar harekleedkamers. Allen hoorden den beer. Hij bromde, zacht maar gestadig. Of hij, nog niet heelemaal wakker, na snurkte.... De ezel, welopgevoed, balkte niet meer.—Waar wordt de beer opgesloten? vroegen de fluitspeelsters, bleek, toen zij de houten trap af kwamen, achter denscæna-muur. Het Voorspel was geëindigd.—In het gewelf, ònder het tooneel! zei Cecilius.—.... Ja, ònder het tooneel! beâamde Cecilianus bleek. Verschrikkelijk!Zij waren beiden gekapt....—Jongens, zei dedominus. Aan het werk! Hier zijn de Grieksche vrouwemaskers van den edelen Plinius. Vooruit! Jullie zijn weêr te laat!! Het Voorspel is geëindigd en jullie zijn nog niet gekleed....—Maar zij krijgen tòch niet op hun donder! zei desenex, gereed, op zijn maskerkop na.Het woelde door elkaâr, achter descæna. Beneden, in het gewelf, snurkte steeds de beer.—Zou het beest te hóoren zijn in deorchestra? vroegen elkaâr de komedianten.... Die ezel van Nilus houdt zich wel veel beter!—Komt de Keizer?....—Wie weet....—Vooruit, vooruit! drongen dechoragi, dedominus....De twee jongens, in hun kamertje, zaten weêr neêr. Dedominushad de maskers op het tafeltje gelegd.—Jongens, zei dedominusbleek—Gymnazium en haretonstrixwaren de anderen bezig te kappen. Maar Cosmus verscheen, met zijn slaaf, die de verven bracht. Nu niet meer denken aan den beer....—Neen,dominus....—Neen,dominus....—Nu goed je koppen maken....—Ja,dominus....—Ja,dominus....—Volg dit masker na voor de oogen en dat andere voor den mond....—Ja,dominus....—Ja,dominus....—.... Hm!! snurkte beneden de beer....Cecilianus griezelde maar begon zich te schilderen met breede penseelen en staven.—Wacht, zei Cecilius; schilder jij mij, dan schilder ik jou....—.... Ja, zei Cecilianus; jij mij en ik jou....En Cecilius zette zich, neus aan neus, schrijlings op Cecilianus’ schoot en begon hem aandachtig te schilderen.—De oogen héél groot, ried dedominusaan, die wel goed vond, dat zij elkander het deden; de mond niet te klein, hè....En hij zag toe, en Cosmus zag toe, en het was een héel ernstig werk, en het was héel grappig daarbij die twee komediantjes onder de oogen van hundominuste zien zitten de een op des anders schoot, te paard, beiden reeds met het torenkapsel gekapt alsmeretricesuit de hoogerepalliata, en de een schilderend den ander de oogen, den mond, de wangen met blauw, roze, rood, zwart, wit....—Als je nu alles hebt,dominusen jullie, jochies, ook, mag ik dan maar een plaatsje zoeken in decavea, om je straks te bewonderen? vroeg Cosmus.—Ja, Cosmus, zei dedominus.—Ja, Còsmus, herhaalde Cecilius ter loops, bij zijn werk, terwijl Cecilianus, geknepen mondje, zweeg.En Cosmus, door een deur en een gang en een deur weêr, bereikte de laagstepræcinctio, vlak achter het Tribunaal der Keizerin, en zag uit en op in het Theater. Hoe warm was het eral! Het broeide er rood van warmte en gloeide van doorgezeefd licht en tal van stemmen riepen reeds:—Wátèr! Watèr!Het roezemoesde van de duizenden stemmen en de roep schrilde daar hel boven uit:—Water! Laat vloeien het water!De wil van het volk was somtijds de wet voor het Theater. Zelfs al ware de Keizer er geweest, hadden zij het durven roepen:—Wáter! Wáter!! Wáter!!! Laat vloeien het water!....Boven aan de hoogste ommegang, onder het klaterendevelarium, openden de theaterslaven, op bevel van hun opzichter, tal van regelmatig aangebrachte kranen.En het water stroomde, zachtjes tappelend, droppelend, druipelend.... Het stroomde in deze pauze, vóor de Bacchides werden vertoond, langs den hoogen theaterwand en vloot dan in gootjes, depræcinctionesen trappen langs af, lager en lager weg.—O-o-o-oh!! juichte decavea, blijde om de koele verfrissching. En degladiatoren, langs den wand, hielden de handen op en dronken en in de gootjes schepten zij ook hier en daar het water, hoewel het alleen vloeide om de atmosfeer te verfrisschen, niet om gedronken te worden. Maar in deorchestra, tusschen de ridderbanken, ontsprongen lichte fonteintjes sprenkelende saffraangeur; de Senatoren doopten er hunneorariain—zakdoeken—en wischten de voorhoofden zich.Voor het Keizerinne-tribunaal ontsprongen fijne fonteintjes van rozegeur.—Hè.... hè....! snoof decaveaop, met wellustig gespalkte neusgaten.—Hm.... bromde het ergens, en toen:—Hi-ha....—Balkt daar een ézel?? vroeg Colosseros.—Mijn ezel misschien, zei Nilus, die naast hem zat.—Neen, er bromde iets als een beer, meende Carpoforus, de Jager, uitluisterend.—Een beer?? Dat is toch onmogelijk! vond Murrhinus.—Het is wèl mogelijk, dat je ezel balkte, Nilus, zei Triumfus.—Wat! Een ezel, die balkt als een beer, die bromt? vroeg Priscus aan Verus.Degladiatorenverfrischten zich met breede handen-vol water de koppen, de armen, de schouders, namen een badje....—Còsmús!!! riepen de boekhandelaren en de zijdeverkoopers. Kom hier! Hier is een plaats!Cosmus wenkte, dat hij kwam. En terwijl hij de trappen op klom, knarste en ratelde het vóor hetproscæniumen steeg hetaulariumstatig op. Het was het voorgordijn, dat, om een kabel in de planken en aan ijzeren staven achter de zuilen, omhoog rees. Want het rees op, tot afsluiting van hetproscænium: het zoû dalen tot verzichtbaring van het tooneel.Achter hetaulariumhaastten zich de tooneelknechten. Zij deden uit het afdak van denscæna-muur het achterdoek vallen, dat stelde voor, in wijking van klassiek perspectief, een straat in Athene. Descænazelve, met haar nissen en beelden en marmer en brons, werd dus geheel onzichtbaar. En de knechten ter weêrszijden zetten de huiscoulissen op van Bacchis, de Atheensche deerne en van Nicobulus, den vader van Mnesilochus. De Atheensche Bacchis zoû gespeeld worden door Cecilius, die haar tweeling-zuster, Bacchis, die van Creta komt, verwacht; Nicobulus was de nijdigesenex; Mnesilochus heette de zelfbewusteadulescens. Dedominusen dechoragizagen toe: het décor was zéer rijk van schildering. Het was een verschiet van Grieksche architectuur, zuilen, een tempel zeer ver, een blauwe lucht, waartegen donkere cypressen, en het was blank en blauw en donkergroen gehouden. De beide huizen ter zijde, dat van de deerne, dat van den grijsaard, waren monumentaal, ook vanporticusen poort.—Het is mooi, moest dedominuserkennen. Schuif de trappen nu achteruit van de estrade, waarop mijn jongens moeten dansen.De tooneelknechten, tegen den achtergrond, schoven de houten trappen uit.—Het achterdoek iets hooger, zei de eerstechoragus.Het achterdoek steeg.—Genoeg, genoeg!! riepen dechoragi.—Iets lager.... beval dedominus.Het achterdoek daalde.—Genoeg! bevalen dechoragi.—Werkt deexostragoed? vroeg dedominus. Gisteren, toen wij repeteerden, haperde die....De tooneelknechten draaiden deexostra: het draaibare zijtooneel, dat, gedraaid, vertoonde het inwendige van het huis van Bacchis en, terug gedraaid, op nieuw den gevel slechts zichtbaar liet.Deexostradraaide, heen en weêr.—Het gaat nu,dominus, verzekerden de knechten.—Zet dan de meubels, hang de gordijnen....Op deexostrazetten zij de meubels, hingen zij de gordijnen. Het waren kostbare, geborduurde, scharlaken gordijnen aan ringen, die met sierlijke bochten hingen aan dikke vergulde stokken; het was een sierlijk aanligbed in den vorm van een pauw met ontplooiden staart—lectus-pavoninus—en gouden kussens; het waren schabellen van verguld en ivoor; de citroenhouten tafel werd gedekt met servies van verguld, kannen, bekers, ooftschalen vol marmeren ooft, en toen hingen de tooneelknechten dikke slingers van groen en werkelijke rozen van Pæstum langs de zuiltjes, langs het bedde, langs de gordijnen, ter zij van de deur.—Het is prachtig, moèst dedominuswel weêr erkennen. Dit alles is in Rome héel mooi. Mooier dan wij het in Klein-Azië en Alexandrië krijgen. Maar het is bijna àl te mooi, dittricliniumvan een Atheensche hetære. Ik vrees, dat zoo mooi decorafleidt van het spel zelf. Je begrijpt, in Plautus’ tijd was het veel eenvoudiger. Al dat ivoor en verguld en al die rozen, en dat pauwebed.... Zijn die gordijnen van zij....?!—Met zij doorweven, zei de eerstechoragusen zij allen voelden aan de zware stof. In Rome,dominus, wìl het publiek het zoo, vooral het publiek van decavea....—Hmm....! bromde beneden de beer: de ezel, nerveus maar wel-opgevoed, stampte alleen met de hoeven.—En dan, zei de tweedechoragus; moet je niet vergeten,dominus, we zijn betrekkelijk eenvoudig geworden. Lentullus Spinther liet, toen hij zijn spelen gaf, de meubels met echt zilver beslaan, Petreïus met goud en Nero wilde, dat àlles goud was, echt goud: alle meubels, requizieten en alle ornament op de costuums. Heusch, onzeædilenzijn nog verstandig je het niet nog mooier en echter te geven.—Die pracht, zei dedominus, brauwefronsend; zal de dóod zijn van Terentius en Plautus.—Kom,dominus, zei dechoragus; je jongentjes zullen er toch maar wàt goed tusschen doen, hoor....En hij verschikte het lange rozenfestoen, dat de tooneelknecht van bronzen lamp had geslingerd naar geurvat verguld.—Trek dan maar hetsipariumdicht, beval dedominus.Deexostradraaide terug, achter de zij-zuilen; hetsipariumschoof toe: het tweede gordijn, dat het tooneel verdeelde in een grooteren achtergrond en kleinen voorgrond, alleen voor den Proloog.
De Megalezia! De Megalezia!! De Groote-Godinnendag, dag, vóor denonævan April! Reeds in den allervroegsten morgen, toen de nacht nog schemerde, was Rome ontwaakt, was Rome krankzinnig geslagen van feestkoorts. Het begon met de kinderen, die reeds vóor de dageraad toeterden met trompetten en oorverdoovend kletterend sloegen met kleine cymbalen op straat. Niemand kon slapen meer; iedereen stond, koortsig, op; in allervroegste ure werden de Baden van Titus bestormd.... Werden in de taveernen bij de Baden de kommetjes gestremde melk uitgedronken.... Liepen de slaven, vrij, galmend, op straat. En was alle bezigheid en arbeid gestaakt. Dacht niemand aan zijn proces en zijn advocaat. Stroomde het naar den Tempel van Rheia Kubele, over de legendarische Cacustrap en voor het kleine Huis van Livia, om de processie te zien....
De Megalezia! Het feest der herleving van Attis, der Godenmoeder Geliefde! Alle somberheid en rouw had uit, sedert tien dagen geleden het heilige Mysterie met eindelooze weeklacht en klaagzang gevierd was. Toèn was op den dag van het „Intrat-Arbor” de Denneboom, waaronder Attis gestorven was, viole-omkranst, door den Archigallus van Rome en de Dendroforen in processie rond gedragen, was de Rouw, om Attis, waren de Vasten geweest, hadden op denDies Sanguinis, ter herdenking vanAttis’ Dood en Zelfverminking om zijn ontrouw aan der Goden Moeder, de Gallen in smart en bezetenheid zijn voorbeeld gevolgd, en zich, tot bloedens toe, dànsende, op het plein voor den tempel, de mannelijkheid verminkt en weêr verminkt: in telkens herhaald symbool, schijnbaar, het roode bloed, dat geen bloed was, zichtbaar voor de oogen der menigte vloeiende.... Toen, na zoo veel Smart en Rouw, waren de Hilaria geweest, dag van Herleving en vroolijkheid, van dwaze grappen en uitbundigheid—was het Beeld der Godin—als toen het éenmaal van Pessinus was overgebracht—met groote plechtigheid onder gedompeld in de Almo, had het volk zich daarna gebaad in de Almo....
Maar heden, tien dagen later, begonnen de Megalezia! De Megalezia!! Een week van feest, van Scenische Spelen in het Theater van Pompeïus, van Athletische Spelen in het Colosseum en Circus Maximus, van over en weêr gewisselde uitnoodigingen der patriciërs tot avondmaal nà de Spelen, van veel vrijheid voor de slaven, die de schouwspelen mochten bezoeken, van feest, féest, féest voor iedereen!! Wie op was, gebaad had, ontbeten, voegde zich in den stroom, die golfde naar het tempelplein en het óverstroomde. De menigte stond dicht op een gedrongen. De Tempel was open, de zuilen waren omkranst met lauwer en sparrefestoen; in de geurvaten tusschen de zes Corinthische zuilen walmde de wolk van wierook, spiraalde weg in de blauwluchtige lente. In korven, op de treden stapelden de viooltjes,—bloemen van Attis,—die de Gallen uitdeelden onder het volk, tegen vergoeding: ieder stak zich viooltjes in gordel, in boezem, achter het oor....
In vroegere eeuwen—die der Republiek—vóor het Keizerrijk, waren de Scenische Spelen, die nu in het Pompeïus-Theater plaats zouden hebben, vertoond op dit plein, op de traptreden des tempels. Nu echter verzamelde zich, ’s vroegmorgens, het volk om den telkens herhaalden omgang te zien. De priesters, die den tempel uit traden, dragende het heel heilige Beeld:
—Mater Deum Magna Idææ!galmden zij. Groote Godenmoeder der Ida!
Zij gingen de treden af, torsende onder een baldakijn het Beeld, vormenloos, verweerd hout, maar ontzagwekkend heilig, nauwlijks zichtbaar onder een zwaar met goud geborduurden sluier, en die af hing met zware gouden franje. Priesters, als Korybanten verkleed, demonen der bosschen der Ida, dansten om het Beeld den Pyrrhischen dans, zwaard kletterend op schild: herinnering aan Rheia Kubele’s barenswee, toen zij Jupiter had gebaard en hare kreten waren versmoord onder der Korybanten luidruchtig wapengekletter om haar kind te redden voor den vader, Saturnus, die het kroost opvrat tot de Eeuwige zoû worden geboren:
—Mater Deum Magna Idææ!bassebrulde de Archigallus; de Gallen galmden na.
Een tweede processie trad uit. En de Archigallus, terwijl het Beeld terug in den tempel gevoerd werd, brulde, handen geheven:
—Acus Matris! Acus Matris!Heilige Navel der Moeder!!
En de Gallen galmden na....
Priesters torsten den Navel aan: op een tafel rees de donkere, pyramide-vormige meteoor, die, uit den hemel gevallen, de Navel van Rheia Kubele was: met juweelen ingezet, schitterde de Steen onder een sluier en het volk gaapte, ontzet....
En kochten de naveltjes, die de priesters, op de tempeltreden verkochten.... Toen plotse ontroering:
—De Keizerin....!!
Aller oogen richtten zich van de heilige dingen naar het Huis van Livia,—het kleine, bevallige huis, waar Augustus’ vrouw, Tiberius’ moeder, hare laatste weduwdagen gesleten had. Het was met onderaardsche gangen vereenigd met het Flavische Paleis, dat zijn achtergevels ginds op den heuvel ten Noorden van den Rheia-tempel verhief. Het zuilde kleintjes sierlijk, een kleinood gelijk,aan den voet der reusachtige zuilen van het paleis. En tusschen die bevallige zuiltjes, als in een loge, was de Keizerin, Domitia, met hare vrouwen, zichtbaar geworden. Het wriemelde nu alles van dichte menigte; op de oeroude Trap van Cacus—trap der mythe, waarin Herkules den reus Cacus hier ter plaatse versloeg—verdrong tot stikkens toe zich het volk, om te zien het Beeld, den Navel.... nu, Domitia. In de zuilengangen van het paleis ook verdrong zich de menigte der hofbeambten, stond de, in glinsterkuras de zon weêrspiegelende, wacht der Prætorianen. Het marmer tintelde aan de lange zuilenschachten als met loodrechte lijnen van onversmeltbare sneeuw, de trappen traden met vele treden neêr in even schaduw-aangeblauwde, horizontale vegen; op de hoeken der tympanen, op de eerezuilen schitterden, schel goud, de vergulde beelden, de zegegodinnen, de beeldgroepen, de het azuur insteigerendequadrigæ.... En van overal, uit het volk, gingen de oogen naar Domitia, die daar verschenen was, hoog rond gekapt, de wijde feestchlamysom zich: het keizerinnepurper en -goud. Om haar heure vrouwen en men wees ze elkaâr, zich voorover dringende op de breede treden van de Cacustrap.
—Domitilla naast haar....? Maar Nigrina is.... Sst!
Zij spraken het niet uit, uit bijgeloof, uit eerbied voor de Megalezia èn voor mogelijke luistervinken in de menigte.
—Domitilla, zusterskind van Domitianus.... En daarnaast Crispina....?
—Ja, de zuster van Crispinus....
—Fabulla.... De vriendin van Nigrina, diè is....
—Ja, die is.... Sst!
—Domitia’s nicht, Fabulla, zie je? Wel een mooie meid, hè?
—Domitilla is mager, hè?
—Gekàpt zijn ze, met die ronde krullepruiken....!
—Zijn het pruiken?
—Sst!!
—Nou, ik zeg niets....
—Crispina, die is een Egyptische, hè? En Crispinus.... een slaaf uit....?
—Ststt! Pas op!! De verklikkers....
Het fluisterde nu zachter:
—Is, wie Nigrina heeft....?
—Sst!!
—Al gepakt??
—Ze zeggen van ja.... Lang zal het niet duren, àls ze hem hebben gepakt, òf....
—Sst!
—.... Ze kruisigen hem....
—Ze kruisigen hem....
—Komt de Keizer niet kijken!
—Sssttt....——
—Mater Deum Magna Idææ!!basgalmde allerplechtigst de Archigallus. De processie trad weder den tempel uit: het Beeld werd vóor de Keizerin heen gedragen....
—Acus Matris! Acus Matris!!gilden schril de gesnedene Gallen. En de heilige Navel volgde....
Maar de Keizerin, door een hofbeambte, deed den Archigallus aanbieden een schaal, waarop haar gift in goudstukken lag....
—Mater Deum! Acus Matris!
De processies gleden den tempel weêr in....
—Het wordt tijd, roezemoesde het onder het volk, en zij zagen naar de zon.
—Zeker wordt het tijd.... Het Theater gaat open....
—We moeten er bij zijn.... Vroeg al....
—Om goede plaatsen te krijgen....
—Vooruit dan!
—Vooruit dan! Vooruit dan toch!
Zij drongen. Zij verdrongen zich over de Cacustrap, scholden, vloekten, scheurden elkander twistende de feestkleederen. De kinderen schreeuwden of toeterden met de trompetten of sloegen kletterend met de koperen cymbeltjes. De moeders hielden zich de ooren dicht of sleepten, ontzenuwd, de kinderen meê.... Naar het Theater.... Naar het Theater.... En morgen naar het Colosseum.... En danovermorgennaar het Circus Maximus. En dan....
—Naar wat we het mooist hebben gevonden!
—Van daag is niets in het Colosseum?
—Neen, alleen in het Theater.... Scenische Spelen.
—Over drie dagen opent het Circus Maximus....
—Vooruit toch! Naar het Theater!
De straten krioelden. Het stroomde nu van alle kanten in éene richting. Door het Forum Romanum, door de keizerlijkefora, langs den Vicus Tuscus—de winkels gesloten,—over het Velabrum—geen markt!—over het Forum Boarium—geen runderen om den bronzen stier!—langs den langen muur van den Circus Maximus—nog toe!.... En het wriemelde tusschen de driehonderd zuilen van de Portiek van Octavia en langs de Theaters van Marcellus en Balbus....
—Die zijn treurig!! grappigde het volk. Omdat ze niet worden geopend!
—Die blijven rouwen.... om Attis!
—.... Attis! Attis! galmde door de menigte een troep bedelpriesters om een ezel.... Willen jullie de godin niet kussen? Willen jullie geen naveltjes koopen! Tweeas! Drieas!!
—Hi-ha! balkte, woedend en verontwaardigd, door de Gallen voort getrapt, de weêrstrevende ezel, die een kastje torste onder vuilen sluier....
Uit de menigte drongen zich mannen, vrouwen, kinderen baan.... Zij drongen om den ezel....
—Vooruit! riep het naar het Theater stróómende volk.... Doorloopen!
Maar die om den ezel versperden den weg: de bedelpriesters beurden den sluier, ontsloten het kastje.... En de dringenden tegen den ezel, die balkte, kusten het armzalige beeldje.
—Vooruit! Vooruit!! schreeuwde het ongeduldige volk, duwende, zich verdeelende òm den ezel en de opstopping der bedelpriesters.... Doorloopen!
Het galmde, weêrgalmde door de lucht, tegen de huizen, van het gillen en roepen en lokken der priesters, het schreeuwen der vrouwen, het ezelgebalk en het trompetgetoeter en cymbalengekletter der kinderen. Tegen het Pompeïus-Theater golfde als een dichte, bontkleurige zee aan, waaruit de koppen dreven, de armen omhoog staken met wijdvingerige handen als van drenkelingen. Manipelshastatikwamen aan, lansen schuin, om af te zetten den weg, dien de draagstoelen der Senatoren, Consulaire-personen, Aanzienlijken, nemen zouden....
Het volk schreeuwde, gilde, galmde. De poorten van het Theater open, slurpte iedere poort de menigte op, zoog haar binnen. Het was of het Theater was een monster, een half ronde monsterkop van zuilende ommegangen, met beelden gediadeemd tegen de lucht, en dan met tal van muilen, van opene muilen, die de menigte slurpten, slurpten, zógen....
Het was de tweede ure des morgens; de dag, gelukkig, was zacht goud van zon en wazig effen blauw van lucht; de dag beloofde gunstig te zijn.... Het Theater schitterde òp, met zijn goud-grauwe tufsteen, zijn fijn dooraderd marmeren vakken en honderden zuilen, met zijn fel wit marmeren beeldenkroon. Het waren de zuivere lijnen en vormen der antieke bouwkunst, in deze Latijnsche decadentie nòg zuiver bewaard; het was een dier laatste verwezenlijkte schoonheidsideeën door Hellas aan Rome vermaakt, nog bijna geheel zuiver gehouden.... En het léefde van daag:deze schoonheid van vormen en lijn, van marmer en tufsteen; het léefde, dit immense, ronde Masker met de tallooze monden; dit Monster van Schoonheid met de tallooze muilen, die zogen de menigte in....
Binnen vulde zich het Theater. De menigte, de poorten binnen, verdeelde zich aan weêrszijden, depræcinctioneslangs—de ommegangen—de trappen op, die de amfitheater-rijen doorsneden en zocht zich plaats op de trapsgewijze stijgendecuneïvan steen. Velen hadden kussens meê, lage schabellen; groepen formeerden zich reeds; er werd geroepen, gewenkt: kom hier; kom hier! Drie half rondepræcinctionesdoorsneden decuneïmet breede corridors; die corridors werden op hun beurt gesneden door zeven trappen: stralen gelijk, getrokken uit een middenpunt, door den halfcirkel heen des Theaters. Bleef deorchestra, en waar de Senatoren zouden zitten, bleven de eerste veertien rijen, de ridderbanken, nog leêg, de verdere ruimte, decaveavulde zich, meer en meer. Nu was in minder dan éen uur tijds de geheelecaveavol: een kleine veertig-duizend toeschouwers zaten op elkaâr gepakt en maakten het zich gemakkelijk. Geroezemoes als in een bijenkorf, waarboven een luid gedruisch van stemmen: vreugde van wie goed zat, teleurstelling van wie geen plaats meer vond; veertig-duizend plaatsen waren gauw ingenomen, als het de eerste dag der Megalezia was! In de poorten verdrong zich nu kwaad de opgeslorpte massa, want het Monster van Schoonheid was al verzadigd.... En noode keerden de teleurgestelden om....
—Er is geen plaats meer!
—Wij zijn te laat....!
Zij keerden om, met wanhoopsbeweging, met zich teleurgesteld-schikken; zich belovende morgen vroeger te komen: er al te zijn en zich te scharen vóór nog de poorten waren geopend. Geheele families met grootouders en kinderen keerden om: er was niets aan te doen! Van dàag zouden ze de spelen niet kunnen zien. Zie,hoe bont vol decaveaop-een geperst was! Tusschen den half ronden muur, over den immensen put dercuneï, onder de nog wazig blauwe lentelucht, die als een hooge oneindigheid koepelde over het menschengedrang en -gedring. Maar velen konden het niet verduwen geen plaats te vinden, liepen lakoniek depræcinctionesop en neêr, bespiedden in decuneï, ontdekten een betwijfelbaar plekje, drongen zich een trap op, dan tusschen knieën en ruggen der zittenden, vroegen beleefd om het plaatsje.... Meestal werd het ingewilligd, goedhumeurs; slechts zelden ontstond twist, of was er onwil: wàs het plekje te bezitten, dan werd het afgestaan; de rug van den indringer dráaide zich tusschen de schouders der beide inschikkenden en de knieën van wie achter hen zat; zijn billen poogden dalende de zitplaats te bereiken; soms zat hij neêr op de voeten van wie achter hem zat; er waren kwinkslagen, obscene schertsjes: zoo dicht zitten op elkaâr lokte allerlei uit, maar zelden boosheid: meer aardigheid met de vrouwen, geheime liefkoozing; kleine intriguetjes tusschen onbekenden werden voorbereid met een drukje van knie of voet en flegmatische gezichten strak-uit: een stukje kussen werd aan geboden, een bundel mantel werd tot kussen gerold: pakjes met brood, worst, kaas en ooft werden geopend en kleine kruikjes wijn.... Mannen moesten voor hun vrouwen zorgen, zagen toe op voeten en knieën achter haar; op te dicht dij-geschuif ter andere zijde; zitten naast elkaâr in het Theater zoo dicht, zoo lang, broedde wel eens sympathietjes uit. Het werd al spoedig gezellig warm-krijgen naast elkaâr, zweeten schouder aan schouder: de zon rees en de lucht blauwde. Veel hadden de opzichters niet te doen: zij bewaakten alleen de ridderbanken, deorchestra, dat daar geen onrechtmatige binnen sloop, wie géen bronzentesserahad—biljet met maskerkop—; in decaveadeden ze maar als ze wilden.
Nu was het vol, vol, vol. Gezellig vol, en het was vòl kennissen. Degladiatorenhadden dadelijk de bovenste ommegang inbeslag genomen om de ruimte te hebben voor hunne breedschouderige gewichtigheden, want gewoonlijk plofte het publiek zoo gauw mogelijk neêr op decuneïachter de ridderbanken, om dichter bij het tooneel te zijn. Tal van soldaten verbroederden zich daar met hen en troepen slaven zaten daar ook, om niet te dicht bij hun meesters te zitten en dus vrijer te zijn, lòl te hebben, te gooien met schillen, te ròepen.... Hoogmoed was hier niet op zijn plaats: tusschen degladiatoren—daar zat de beroemde Carpoforus—en zaten Myrrhinus met Triumfus en Priscus met Verus en Colosseros ook—en de slaven verbroederden al wat mindere winkelstand was—toch òok „veracht beroep”: de vollersbaas had zijn gekrijte toga’s in den steek gelaten en zat er met àl zijn vollers en volsters; Autronius, de slavenkoopman, zat er met de „kostbare” en de Daciërs, die hij nog niet verkocht had; hij vond het maar gemakkelijk al zijn koopwaar meê te nemen naar het Theater en trotsch welfde zijn buik en rondde zijn volle-maansgezicht naast de „kostbare”, de Lydische en deed hij, of hij de man of de minnaar was van die mooie, Grieksche slavin, die, rijk gedost, zat aan zijn zij. Taurus zat niet ver van hem met zijn acht meiden—beter ze meê te nemen dan ze thuis op te sluiten: dan werden ze weêrspannig en braken den boel, en Pampus zat er met de zijne en die oude Galla met de hare: de heele Suburra drong er op elkaâr; zelfs de straatjongens hadden kans gezien.... Dat drong, drong op elkaâr, met de dieven en beulen, de lijkendragers, de matrozen van Ostia en hunne meiden, de bedelende Gallen, die na het eerste morgenuur toch geen zaken meer deden met hunne godin en de nietswaardige naveltjes; en al het personeel van de Thermen en al de werklieden, die werkten aan de nog niet geheel voltooide Titusbaden en het Colosseum; dat drong op elkaâr met al de slagers, de warmoeziers, de sneeuwverkoopers en ooftverkoopers van het Velabrum, terwijl de voornamere winkeliers van den Vicus Tuscus, en de wisselaars, Tryfo en de boekhandelaarsvan het Argiletum en de zijdeverkoopers en de juweliers zich liever een beetje bij elkander hielden, stand bij stand, in aangenaam samen zijn voor dien gehéelen dag, dat de Scenische Spelen duren zouden. Ja, zat je niet prettig, dan was het beroèrd, zoo een dag, als er een blies in je nek of spichtige knieën duwden in je rug of een luizekop vertoonde zich voor je van wie in een week zich niet had gebaad, dan was er, bij Herkles, geen pleizier aan en werd je sceniesch pleizier bedorven door je nabuurschap. Maar als je gezèllig zat, als je voet zoo een beetje zoeken, als je knie zoo een beetje drukken kon, als je hand het daarna dorst wagen—wie zàg wat in die volte, onder de plooien der kleêren!—dan werd je sceniesch pleizier, niet waar, verhóogd door wàrmte van sympathie, door klein gespeel, nadere kennismaking, en onderzoeking, luttele toevalletjes, die niemand kwalijk nam, vluchtige verliefdheidjes, die niet langer duurden dan je sceniesch pleizier zelve zoû duren....
—Wat! riep Nilus verontwaardigd in de poort.... Is er geen plaats meer? Zoû er geen plaats meer zijn voormij?? Voor mij, die al sedert de nacht bezig ben geweest te kokerellen, zoo dat van avond decatervawat te eten heeft?? Maar daar komt niets van in, hoor! Plaats moet ik hebben en zal ik hebben, voor mijn moeder, voor mij en mijn slaven....!
Maar de opzichters aan de poort, die hij was binnen gedrongen, tegen den stroom van de teleurgestelde laatkomers, die omkeerden, in, beduidden hem, dat het Theater vol was, dat de veertig-duizend plaatsen van decaveawaren ingenomen, dat hij morgen, als hij vroeg kwam, een kans zoû hebben....
—Morgen? riep Nilus, die er niet aan dàcht op zijn passen terug te keeren. Morgen? Maar dan is het de eerste voorstelling van het Colosseum! Nu is het de eerste voorstelling in het Theater! Bij de éerste voorstelling moet je zijn, als je in Rome iets beteekenen wil! Beteeken ik niets? Wie heeft er in de Suburra eentaveerne als ik?? Ben ik niet Nilus, die van den Nijl komt!
Onder het publiek, dat hier en daar luisterde, lachten zij, vroolijk.
Het kòn heusch niet, weêrstreefden de opzichters: zie toch, het Theater was boordevol....
—Boordevol? riep Nilus. Boordevol? En wat dan nog? Zoû er, al is het Theater boordevol, geen plaats meer zijn voor mij en de mijnen? Voor mij, wiens ezel waarachtig in den Proloog optreedt! Heeft dedominusmij mijn ézel dan niet gevraagd, omdat hij zonder hem de Bacchides niet spelen kon? Willen jullie, dat ik mij wreek door mijn ézel terug te vragen, zoo dat de voorstelling niet door kan gaan?
Nu luisterden allen, wilden weten wat er toch gaande was, schaterden het uit, en overal riepen stemmen:
—Nilus! Nilus! Er is wèl plaats: kom toch hier!
—Nilus!! donderden degladiatoren, Colosseros en Carpoforus van af de hoogste rij; hièr is een plaats voor jou!
—En mijn moeder!? riep Nilus en wees op de dikke Alexandrijnsche.
—Alexa! Alexa! noodde Taurus, tusschen zijn acht meiden, zijn overbuurvrouw. Hier is een plaats voor jou!
En zijn meiden, met hem, riepen:
—Alexa! Alexandrina!
—En voor mijn slaven?! riep Nilus.
—Hier! Hièr! Hièr! brulde, galmde, gilde het lachende van alle kanten. Hier is een plaats! Hier zijn twee plaatsen!!
De eerste ridders, de matronen, die binnen kwamen, door hunne poort, en zich begaven naar hunne zitplaatsen, zagen nieuwsgierig naar decavea, waar zoo veel rumoer was. En de Alexandrijnsche, Nilus, de slaven stegen de verschillende trappen op en nestelden zich zoo goed als het ging: Alexa bij Taurus en zijn meiden, Nilus bij degladiatoren, de slaven her en der.
Oorverdoovend, overdruischend lawaai! Wat stemmen vanlachende, elkander herkennende, toewuivende mannen, vrouwen, van schreeuwende en nòg, trots verbod, toeterende en cymbel-kletterende kinderen! Maar de ridderbanken vulden zich en in deorchestrawerden nu ook desubselliaingenomen door de Senatoren, die bij groepen samen kwamen, door de Consulairen, door de Aanzienlijken.
—Dus de Keizer zal niet verschijnen? vroeg de oude Verginius Rufus: hij was tusschen Plinius en Frontinus binnen gekomen; zij hadden hun bronzentesseræ, met den maskerkop er op gegraveerd, den opzichter overhandigd; zij namen plaats nadat de opzichters hunne kussens beleefderig hadden opgeschikt: zij groetten, hier en daar, toe naar de ridderbanken; zij wuifden naar de Senatoren de hand; Senatoren stonden op, begroetten hen; er was onderlinge plichtpleging.
—De Keizer zal niet verschijnen, hoorde ik, zeide Frontinus; Domitianus is ziek.... Hij moet gisteren, na den moord op Nigrina, als bezeten geweest zijn; hij houdt zich verborgen.... Gegroet, Quintilianus; gegroet, Tacitus!
—De Keizer? Neen, de Keizer zal niet verschijnen, verzekerden Tacitus en Quintilianus.
—De Keizerin wel, verzekerden enkele Senatoren; wij waren van morgen op het Palatium genoodigd....
—Om van uit het achterperistylium de processie te zien op het Tempelplein....
—De Keizerin kwam uit het Huis van Livia....
—Zij zal komen,zijzal zeker komen....
En allen zagen links en rechts, naar de beide Tribunalen: de keizerlijke loge’s ter zijde van hetproscænium. De zuilen er van waren festoen-omslingerd; tapijten hingen over het marmeren hekwerk af; de zetels met kussens stonden er gereed. Twee wierookvaten stonden voor ieder Tribunaal, op bronzen drievoet, in deorchestraen hooge bronzen lampen, om ontstoken teworden mocht tot de schemering de daglange vertooning duren.... Maar de beide Consuls deden hun intrede, de Præfecten van Stad en Schat, Leger en Vloot, de verschillende Colleges van Tienmannen en Viermannen en Twintigmannen, deprætoren deædilen, die de Spelen hadden uitgeschreven. Vol Romeinsche waardigheid vulde zich deorchestra; toga’s ontplooiden zich;laticlaviævielen purperomzoomd langs de zetels; decaveastaarde toe, noemde namen....
—Wij komen laat! drongen zich beleefd Juvenalis en de jonge Suetonius tusschen de eerste ridderbanken.
—Ik het laatst misschien? hoorden zij een stem: het was Martialis: er was herkenning, begroeting, weêr opstaan, plichtplegerig, sierlijk en hoffelijk; er werd veranderd van plaats met eindeloos weêrzijds vergeving vragen, weigeren, aannemen dan; de letterkundige vrienden, hoewel inorchestraen ridderbanken gescheiden van elkaâr, wisselden toch woorden, konden tot elkander fluisteren.
Plotseling—de zon, rijzende, scheen feller uit de blauwe lucht en viel reeds gloeiend, trots dit derde uur van den morgen, den blank den schijn weêrkaatsenden put van het Theater in—rolde boven over de opene ruimte heen als een immense, vuurroode golf, die zich wapperend ontplooide, zich uitbreidde met immense, meer en meer van zwoele bries doorklaterde banen.... Het was hetvelarium, dat langs ijzeren stangen en staven aan koorden getrokken, het geheele Theater overgolfde, den marmeren put af sloot van den Aprilhemel boven en den zonneschijn door liet schemeren met een zacht rooden gloed, weldadig, weelderig van tint, een vloed van getemperd purperen dageschijn, die zich gelijkelijk verdeelde over het geheele, bont overvulde Theater, naar mate het gehéel overdekt werd....
—O-o-o-h! zuchtte de menigte op van verluchting, want reeds, zoo dicht op elkaâr, zweetende in den morgengloed.
Zoo was het móoi en goed....! Zoo was het heerlijk en zálig! Zoo was het gedempt en knùs....! Kijk, hoe de breede, roode banen zacht klakkerden, zacht wapperden, van de bries, boven die meer dan veertig-duizend koppen, die keken op. Zie je, er waren de Muzen op geschilderd, die dansten op een hemelsche bloemenweide; zie je wel, het was of de Muzen daar zweefden in den zacht rooden gloed van apotheoze, reiende haar dans over het gespikkelde gouden gebloemte....
—Het is toch móoi, ons Theater van Pompeïus! bewonderden ze hier en daar: de meiden van Taurus om de Alexandrijnsche, de matrozen, de slaven, de vollers, de kooplui van het Velabrum. Nergens was zoo een mooi Theater! Waar kòn nog zoo een mooi Theater zijn! Van binnen gehéel met marmer bekleed, met regelmatig in den ronden muur, boven de zitplaatsen, de nissen, waarin de marmeren en bronzen beelden of de groote, bronzen bekkens, die op vingen den klank der stemmen van de tooneelspelers en het geluid weêrkaatsten heen door de theaterruimte en al dat marmer en brons, overtogen met een zacht rooden gloed, die neêr zeefde uit hetvelarium.
En dan die weidscheorchestra, waar zoo wat zeshonderd Senatoren nu op hunnesubselliazaten met al die andere deftige, Consulaire personen en autoriteiten, en dan die twee prachtige Tribunalen, ter zijde. En dan descæna, àchter hetproscænium: waar zoû zulk een mooiescænaelders gevonden worden, dan in Rome, in hùn Theater van Pompeïus!
Want het publiek, dat wachtte, kon nog niet anders dan om zich rond en vóor zich kijken en bewonderde dus descænavooral. Het was de afsluiting van hetproscænium, waarop de tooneelspelers zouden treden: descænawas de monumentale muur, die afsloot het eigenlijke „tooneel”: muur van twee verdiepingen, met in het midden de groote poort, de Koningspoort der tragedie, waar de vorstelijke personen werden gedacht uit hunpaleis te treden; met twee zijpoorten voor de „gasten”; met de twee monumentale trappen links en rechts, toegang gevende tot hoogere poorten in de tweede verdieping, voor de „vreemdelingen” of de „boodschappers”, naar de „zee” of de „stad”, ook om alle mindere personages te doen verschijnen of verdwijnen en diescænawas hier een dubbele, Corinthische kolonnade, de eene òp de andere, met kolommen van de edelste steensoort, marmer van Caristo en Numidië, terwijl in de nissen van denscæna-muur, tusschen pilasters, beelden stonden en groote, schuine, geluid weêrkaatsende, bronzen schalen waren ingevoegd. Descænaverhief haar prachtigen achtergrond even hoog als de hoogstepræcinctioof ommegang—die, waar langs degladiatorenen Nilus zaten—en, beschut door een afdak, met gebeeldhouwde architraaf op hoogste zuilen, verhief zij aan hare uiteinden de marmeren draagkronkels, waarin de korte, zware, vergulde masten zich niet hooger dan éen armlengte beurden om het stangen- en stavensysteem te torsen, waaraan het roodevelariumover het Theater was uitgegolfd, van descænadus af tot óver de hoofden dergladiatoren, wier wel eens speelsch reikende handen de purperen banen toch niet konden bereiken....
Deze wachting van het Romeinsche volk in dien immensen halfcirkel, half ronden, marmeren put, allen starende naar de blanke plooiruggen der Senatoren en Aanzienlijken, starende naar de prachtigescæna, onder het geleidelijk overal neêr zevende, roode licht, was de zalige verademing na de eerste reeds zoo drukke morgenuren. Zij zaten nu, geïnstalleerd; zij aten nu, zij dronken gezelligjes wat; er was niet meer dan een ruischend, druischend geroezemoes; de moeders hielden de kinderen zoet. Zij wisten, dat zij làng zouden wachten. Toen er fanfares kletterden buiten, van de poort van het linker-Tribunaal, spitsten zij òp, keken links.... En slaven haastten zich met brandende lonten naar de hooge wierookvaten, die links stonden op bronzen voetstukken in deorchestra, de wijde schalen ontluikende aan weêrszijden van de zuilen des Tribunaals. En zij staken den wierook aan: dadelijk wolkte de walm, spiraalde met dikke wolken omhoog, verijlde blauwig in het roode licht, verviolette weg krinkelend de ruimte door....
De Keizerin Domitia was er binnen gekomen, tusschen de Virgo Maxima der Vestalen en Domitilla, des Keizers zusters kind, en men juichte haar allen toe, niet uit liefde maar uit eerbied voor zoo vorstelijk schouwspel van binnenkomst. Paleisofficieren groepeerden zich om de Keizerin, hare paleisvrouwen volgden; de vijf andere Vestaalsche Maagden volgden de Opperpriesteres. Zij zetten zich op hare zetels; het Tribunaal vulde zich achter met de lijfeigenen, met de slavinnen der Keizerin. En men wees elkander, tusschen de insuffibulumomhuifde hoofden der Vestalen, de hoog rond opgekapte kruldiademen van Domitia, Domitilla, van Crispina en Fabulla, die haardracht door de gestorvene Julia, Titus’ dochter, kort geleden nog in de mode gebracht.
—Door Titus’ dòchter? vroeg de Alexandrijnsche, die, steeds aan haar rekenbord, niet op de hoogte was van de dingen in Rome.
—Ja.... ja, luisterden Flacca, Prisca en Matta: door Julia....
—Die is door Domitianus zélf....
—Pas op de verklikkers, fluisterde Taurus.
—Zoo?
—Ja, door haar óom.... Weet je niet? Dat was toch bloedschande wat ze deden.... fluisterden de meiden, geschandalizeerd.
—En toen ze zwanger was.... siste toch Taurus, rond kijkend, voorzichtig.
—Ja, toen heeft ze de oude Galla bij zich geroepen....
—Ach, de arme! Galla....?? Dat monster! verontwaardigde de Alexandrijnsche.
—Pas op, zei Taurus; daar zit ze....
—En is Julia gestorven....
—Natuurlijk!! meende de moeder van Nilus, of het wel niet anders gekund had.
En zij schudde weemoedig het hoofd: het was niet àlles, die grootheid daar.
—.... Fabulla! wees Colosseros, de „kolossale „Eros”,” blond, met zijn blauwe jongensoogen, op den bovensten ommegang, aan Carpoforus.
—Dus, jij....?
—Ja, ik.... Ze heeft eerst op mijn knie gehost, bij de worstjes van vriend Nilus, en de volgende nacht....
—Waar??
—Bij Galla.... Bij de oude Galla....
—Bij Herkles! vloekte Carpoforus.... Hij was zelf een Herkules: donker, reusachtig; even ouder dan Colosseros, had hij reeds keer op keer in dearenagezegevierd, zéer in de gunst van Domitianus, door Martialis gevierd in zijn epigrammen; hij worstelde en kampte met wilde dieren; leeuwen, everzwijnen en tijgers; hij werd de Jager bijgenaamd, hij was tevenslanistader allerjongstegladiatoren, hun schermmeester; uit zijn leêren tuniek staken bloot zijn gebruinde, monsterlijk zwaar gespierbundelde schouders en armen; de zwellende kabels vertakten er langs; de litteekens van de wilde-dierklauwen gloeiden aan zijn wang, hals en bovenarmen zichtbaar met vurige plakkaten; zijn donker ruig omkroesde kop was klein, zijn besnorkroesde mond kort en dik en zijn oogen waren gróot, donker en goed als van een lief beest, als van een zachtmoedigen bruut, die zoû toe laten, dat een kinderhand hem zoû streelen.
—Bij Herkles! vloekte hij; die meiden dáar zijn allen zoo....
—Domitilla’s moeder kenik, van vroeger! zei Priscus: met Verus was hij een veteraan; de Keizer had hun jaren geleden beiden te gelijker tijd denrudisgegeven, schermstok en staf-van-ontslag-en-vrijlating,sinds eenmaal in het Colosseum het publiek voor beiden genade geëischt had, nadat zij uren te zamen gestreden hadden en beiden even sterk waren gebleken.
—Dat wil ik gelooven, zei Nilus, ter zij van Carpoforus; in Alexandrië is het nièt anders!
En allen waren het met elkander eens, dat het overal het zelfde was.
—Ja, zeide de oudere Verus, verweerd grijsaard, uitgevochten. Kùisch zijn jullie niet voor kerels, die moeten bestaan van hun krachten; die patricische meiden zijn de hèl voor jullie: ben je zeker na een patricische nacht je leven er proletariesch af te brengen in dearena, bij Herkles?
De kerels bulderden. Maar Colosseros, wijsgeerig:
—Bij Herkles, de verleiding is àl te groot voor arme drommels als wij, die wel eens een muntje gebruiken kunnen!
—Vooral voor jóu, „kolossale Eros”! plaagde Verus, die zijn vader kon zijn.
—En voor begenadigde misdadigers alsik, stemde Murrhinus toe. Ik heb een moord begaan. Maar ik was sterk; dat was mijn heil: ze vonden het te jàmmer een vent als ik te kruisigen.
—Je was drìftig, verontschuldigde Carpoforus; zoo erg is een moord niet, als je driftig wordt....Wat erg is, dat is als je vermoordt om te gappen!
—Zoo als Nigrina vermoord is, zei Colosseros.
—De moordenaar is gepakt, zei Triumfus.
—Beide kerels? vroeg Nilus. Klanten van mij, hoor! Dat weet je? Een dief en een weggeloopen slaaf??
—Min volk! minachtte Carpoforus.
—Wie gepakt is, is een weggeloopen slaaf, zei Triumfus.
—Heeft diè dan den moord gepleegd? Of de dief? vroeg, steeds zeer nieuwsgierig, Nilus.
Triumfus was er niet zeker van. Ook hij en zijn makker wareneens, te zamen, na onbeslisten tweekamp, terwijl het publiek verdeeld was ten gunste van beiden—de eene helft voor Triumfus, de andere voor Murrhinus—door den Keizer begenadigd geworden. En zij beminden den Keizer daarom allemaal, waren Domitianus wèl genegen, verdedigden hem, verzekerden altijd, dat hij een bliksems goede kerel was.
—Pff! riep Carpoforus. Het wordt warm....
En hij bewoog wijd uit, met zijn Titanschouders.
Het wèrd warm, zoo hoog, dicht onder het toch altijd even, briesbewogene, klakkerendevelum. Degladiatorenzaten, een massa van kracht, de armen gekruist, naast elkaâr, geduldig te wachten, naar de beelden derscænate kijken.... Plotseling kon Colosseros het niet langer harden. En hij begon met de zwaar geschoeide voeten te stampen van ongeduld.
—Beginnen ze nòg niet!! bulderde hij los, plotseling boos, woedend zijn blauwe jongensoogen.
Het was een signaal. Zijn makkers stampten als hij.... De soldaten stampten als zij. Op alle rijen stampten zij nu. Het gestamp daalde regelmatig de rijen af, als bij afspraak dier duizenden. Het hield op bij descamna, de ridderbanken.
De oogen der vrouwen in het Keizerinne-tribunaal waren omhoog gewend naar waar het eerste gestamp van ongeduld had weêrklonken.
—Ja, kijk maar! riep Colosseros, uit de hoogte en verte Fabulla’s blik ontmoetend. „Hadt je me maar”; hè?! Zeg—tot zijn makkers—; te rouwen om Nigrina schijnt ze niet.... Kijk, ze lacht!
Fabulla, in der daad, lachte. Zij schaterlachte zelfs even, luid, in gescherts met Domitilla naast zich. De hooge zwarte en blonde haardiademen negen boven het gelach naar elkaâr toe. De beide vrouwen toen, achter deVirgo Maxima, die ernstig bleef, fluisterden half Grieksch, half Latijn met Domitia. Het was voornaam Grieksche woorden nu en dan te gebruiken.
Naast de Keizerin bleef Crispina gelaten.
—Ze zal ze zién.... fluisterde Domitilla tot de Keizerin, achter deVirgo Maxima.
—Haar twéelingen!! giechelde Fabulla.
Ook de Keizerin lachte.
—Wat is er toch? vroeg de Opperpriesteres.
Domitilla helde naar haar om, fluisterde, half Grieksch, half Latijn. De duim der Vestaalsche wees even, als vragende, vaagweg, naar Crispina.... Domitilla knikte, fluisterde voort. DeVirgo Maxima, toen, lachte hartelijk. De Vestaalsche Maagden achter haar, wilden weten.... Fabulla fluisterde met wie dichtst achter haar zat.... De Vestale lachte, fluisterde haar buurvrouw in.... Weldra wisten allen, bleef Crispina alleen gelaten.
En steeds, als een donder, rolde het gestamp van de zwaar geschoeide voeten dergladiatorenaf, de rijen van het Theater af, vermengde zich met aller gestamp. Luider druischten de stemmen, daverden nu,barsttenlos van ongeduld en eischten den aanvang der Spelen.
—Ter eere der Groote Moeder!
—Ter eere der Groote Godin!
—De Spelen! De Spelen! De Spelen!
In het Tribunaal schaterden ter zijde van de Keizerin hare vrouwen.... Maar plotseling bliezen van boven de trappen derscæna, uit de zijpoorten, bazuinen.
—O-o-oh! juichte het volk.
Het was het Voorspel, dat begon. Het was op Grieksche leest geschoeid: koren van, in wittepeplosgekleede, zangeressen daalden de trappen af. Zij naderden de altaren rechts en links, op hetproscænium, wierpen geurkorrels op de smeulende kolen: de wierook wolkte omhoog. Fluitspeelsters volgden haar. En hare handen brachten het mondstuk der dubbelfluiten ter lippen. Enop het teedere moduleeren der rechterfluiten, op het diepere begeleiden der linkerfluiten zongen de zangeressen, geschaard, de hymne.... Korybanten daalden de trappen af; zij droegen zwaard en schild; tusschen de hymne door, mimeerden zij den Pyrrhischen dans en regelmatig kletterden zij zwaard tegen schild, als zij hadden gedaan toen Jupiter werd geboren.... De hymne steeg hooger op: „Attis’ trad uit de „koningspoort”; hij had dit recht omdat hij half-god was, hij was ook gemaskerd, omdat hij half-god was, met het gestyleerde masker van een jongen god; het was de eerstemimusvan Lavinius Gabinius: hij gebaarde zijn smart om zijn ontrouw aan Rheia Kubele; zijn gebaren vervloeiden op het rhythme van het fluitenspel: het was edel van lijn....
—Het is Grieksch, waardeerden de ridders, de Senatoren, de matronen, de vrouwen om de Keizerin.
—Een wel aardige nabootsing.... meende Quintilianus glimlachend tot Plinius.
Maar achter descæna, voor de kleedkamers van hetproscænium, raasde Lavinius Gabinius. Zoodra hij, uit glurende tusschen de zuilen ter zijde der trappen gezien had, dat zijnmimus, wat diens vijand, deadulescens, ook gedaan had om hem zijn optreden te doen mankeeren, met gratie en Grieksche bevalligheid „Attis” mimeerde tusschen het koor, keerde hij zich plots woedend om, met gebalde vuisten. Het was niet om denadulescens; trouwens, die had zich al uit de beenen gemaakt.... Het was tegen den hoofdopziener van het Theater en tegen een jongenbelluarius, een dierentemmer, die naast hem stond.
—Dus het moèt?? vroeg dedominus, razend, vuisten gebald.
—Het moet,dominus, zeide de hoofdopziener kalm. Wat wilt ge; als de Keizer het wil, moet het wel, niet waar....
De komedianten kwamen van overal aan; zij waren half of heelemaal gecostumeerd: Cosmus kwam aan, Gymnazium....
—Kòmt de Keizer? vroeg dedominusrazend.
—Ik geloof het niet, zei de hoofdopziener; hoewel natuurlijk alles voor en in het Keizerlijk Tribunaal in gereedheid gebracht is.
—Wat is er, vroegen de komedianten door elkaâr, nieuwsgierig; deadulescensnaderde weêr; de tweelingen, met wie Gymnazium en haartonstrixjuist bezig waren, kwamen aan....
.... Terwijl op hetproscæniumvoort ging de dans, het zangspel, het fluitspel....
—Wat er is? riep dedominuswoedend.... Dat de Keizer verlangt....
Hij stikte van woede; hij kon het niet zeggen....
—De Keizer verlangt, dat aan het slot van het spel van „Laureolus”.... begon de hoofdopziener uit te leggen.
De komedianten werden bleek; zij hadden een kreet van schrik, van afgrijzen.
—Een Theater is toch geen arena! riep woedend dedominus. Kunst blijft toch altijd kunst! Als ik geweten had, dat zùlke dingen konden bevolen worden in Rome....
—Wees stil,dominus! fluisterde de hoofdopziener; denk om de verklikkers....
—Het kàn me niet schelen! raasde woedend dedominus. Verklikkers of geen verklikkers! Ik herhaal, als ik ooit had kunnen vermoèden, dat zulke dingen zouden kùnnen bevolen worden op een Romeinsch Theater.... ik nièt aan het verzoek van deædilenhad toe gegeven! Ik ben een vrij man, mijngrexbehoort mij.... niemand kan mij dwingen....
—Maar nu bèn je in Rome, zei de hoofdopziener; nu moèt het,dominus: er is niets aan te doen....
—Het is een barbaarsche beleediging van de kùnst! riep dedominus. Van de kunst, die wij overnamen van het Grieksche Theater, waar nooit zulke schandelijke kunstverkrachtingen voor zijn gevallen.... Het is een schànde! Het is een schànde!! Watstaan jullie allemaal hier je tijd te verliezen!? Gaat je kleeden, gauw!!
En hij dreef met een woedend gebaar den geheelengrexalle richtingen uit, naar links, rechts, naar de kleedkamers achter denscæna-muur.
De tweelingen vielen in hun kamertje neêr, voor de metalen spiegels, bleek, zagen elkander aan.... Gymnazium en detonstrixen een kleedster volgden.
—O, Gymnazium!! riep Cecilianus, huiverbang, smorend zijn kreet....
.... Van af hetproscænium, klonk, naar de Lydische wijze, het fluitspel, vierend de Lente....
—Kom kind! zei de dikke voormalige en detonstrixhad altijd haar lieve lachje. Dat is immers nièts! Zulke dingen gebeuren zoo dikwijls! In dearenameer dan op het Theater, maar tòch....
—Nóoit in Griekenland, Klein-Azië of Egypte! viel Cecilius wereldwijs in.
—Wáar laten ze het beest? vroeg Cecilianus bang. Waar wordt het opgesloten?
—Wordt het opgesloten?? vroeg Cecilius, nu niet zoo bang. Bij den ezel van Nilus? Want die treedt op in den Proloog!
—Beneden, in het gewelf, zeker, meende Gymnazium.
En de kleedster zeide:
—Ja, onder de planken!
—Onder de plànken?? vroeg bevende Cecilianus.... Ik zal niet kunnen spelen, niet kunnen zingen en dansen, als ik weet, dat er die beer daar onder de planken zit!!
Maar dedominuskwam binnen.
—Maak, dat jullie klaar zijn op tijd, hé? gebood hij.
—Zij zullen klaar zijn,dominus, verzekerde Gymnazium.
De jongens, onder den indruk, zaten naast elkaâr, bleek, voorhunne spiegels, waarin de morgenschijn door de hooge raampjes viel....
Detonstrixkapte Cecilius, terwijl Cecilianus, roerloos, wachtte. Dedominus, nog woedend, zag toe. Gymnazium zag toe. Vlug was detonstrixen handig, zij, die twintig, dertig meiden des morgens te kappen had. Van dun vlas zette zij Cecilius een pruik op als een kleine toren, een blondemitra, goud-overstuifd, schikte zijne eigene krullen links en rechts, omgaf het geheel met den vergulden haarband, de vergulde rozen breed uit aan zijn slapen. Zij deed het in een oogwenk, en steeds met haar lachje.
—Zoo is het móoi,tonstrix! prees dedominus, vergetende van zijn woede....
Zij begon daarna Cecilianus te kappen, niet anders dan zij Cecilius gedaan had. Buiten, op de straat, naderde als een vage brom....
Allen schrikten, zagen elkander aan.... Cecilianus gaf een gil....
—Dat is de beer! riep de jongen.
—En hoor! riep Cecilius. Balkt daar niet de ezel van Nilus?
Buiten, in de lange gang van hetpostscænium, waar de kleedkamers op uit kwamen, roezemoesde het.
—Het is de beer! Het is de beer!! riepen de komedianten. En het is de ezel, die....
Dechoragusnaderde, riep zacht:
—Dominus....?
—Choragus....??
—De komedianten spreken te luid achter descæna.... Laat ze zwijgen....
—Zwijgen jullie dan toch! bezwoer, fluisterkrijschend, ontzenuwd dedominus.
Maar zij riepen het bijna:
—Het is de beer! Het is de beer! Pas op, dat hij den ezel van Nilus niet opvreet!
En ze kwamen kijken, allen, om den beer te zien, die, op bevel van den Keizer, aan het slot van „Laureolus”....! Zij hieven zich op de teenen, gingen op schabellen staan, rekten zich om uit de raampjes te kijken. En zij zagen nubestiariïmet hunbelluarius, en, in hun midden, aan korte ketting een gemuilbanden beer aanwaggelen.
—Een tamme beer....? Tam, nou.... ik geloof.... Hij is toch gemúilband....?
De beer bromde.
En ergens achter hetpostscæniumbalkte, bescheiden, een ezel.
—Nou, die beer bromt.... Dus, aan het slot van „Laureolus”?
—Ja, grinnikte Lentulus, demimus, de „beroemde”, die als „gast” in dengrexzoû optreden als „Laureolus”; aan het slot.... moet die beer, als ik eerst gekruisigd ben, mij verslinden!!
De komedianten geloofden niet, toch huiverig....
—Moet hij mij verslinden! verzekerde Lentulus, griezelig, maar hij lachte en dus....
—Hèm niet, zei Thymele, de danseres; maar toch wel....
—Sssst! wenkten de beidechoragi, om stilte.
Van hetproscænium, uit de „koningspoort”, trad Lavinius’mimus, die Attis gedanst had....
.... Het koor vervolgde nog, zegevierend de stemmen om Attis’ herleving: het fluitspel vervloeide.... De eerste zangeressen verschenen, nu het Voorspel eindigde, boven aan de zijpoorten der trappen, achter descæna.
—Wat is er?? vroegen zij, toen zij de ontroering zagen.
En overal fluisterde het:
—Een beer.... Een beer.... Aan het slot van „Laureolus”....
Van uit decaveakletterde het handengeklap.... De ezel balkte....
De tweedechoragusdrong de danseressen weg, naar harekleedkamers. Allen hoorden den beer. Hij bromde, zacht maar gestadig. Of hij, nog niet heelemaal wakker, na snurkte.... De ezel, welopgevoed, balkte niet meer.
—Waar wordt de beer opgesloten? vroegen de fluitspeelsters, bleek, toen zij de houten trap af kwamen, achter denscæna-muur. Het Voorspel was geëindigd.
—In het gewelf, ònder het tooneel! zei Cecilius.
—.... Ja, ònder het tooneel! beâamde Cecilianus bleek. Verschrikkelijk!
Zij waren beiden gekapt....
—Jongens, zei dedominus. Aan het werk! Hier zijn de Grieksche vrouwemaskers van den edelen Plinius. Vooruit! Jullie zijn weêr te laat!! Het Voorspel is geëindigd en jullie zijn nog niet gekleed....
—Maar zij krijgen tòch niet op hun donder! zei desenex, gereed, op zijn maskerkop na.
Het woelde door elkaâr, achter descæna. Beneden, in het gewelf, snurkte steeds de beer.
—Zou het beest te hóoren zijn in deorchestra? vroegen elkaâr de komedianten.... Die ezel van Nilus houdt zich wel veel beter!
—Komt de Keizer?....
—Wie weet....
—Vooruit, vooruit! drongen dechoragi, dedominus....
De twee jongens, in hun kamertje, zaten weêr neêr. Dedominushad de maskers op het tafeltje gelegd.
—Jongens, zei dedominusbleek—Gymnazium en haretonstrixwaren de anderen bezig te kappen. Maar Cosmus verscheen, met zijn slaaf, die de verven bracht. Nu niet meer denken aan den beer....
—Neen,dominus....
—Neen,dominus....
—Nu goed je koppen maken....
—Ja,dominus....
—Ja,dominus....
—Volg dit masker na voor de oogen en dat andere voor den mond....
—Ja,dominus....
—Ja,dominus....
—.... Hm!! snurkte beneden de beer....
Cecilianus griezelde maar begon zich te schilderen met breede penseelen en staven.
—Wacht, zei Cecilius; schilder jij mij, dan schilder ik jou....
—.... Ja, zei Cecilianus; jij mij en ik jou....
En Cecilius zette zich, neus aan neus, schrijlings op Cecilianus’ schoot en begon hem aandachtig te schilderen.
—De oogen héél groot, ried dedominusaan, die wel goed vond, dat zij elkander het deden; de mond niet te klein, hè....
En hij zag toe, en Cosmus zag toe, en het was een héel ernstig werk, en het was héel grappig daarbij die twee komediantjes onder de oogen van hundominuste zien zitten de een op des anders schoot, te paard, beiden reeds met het torenkapsel gekapt alsmeretricesuit de hoogerepalliata, en de een schilderend den ander de oogen, den mond, de wangen met blauw, roze, rood, zwart, wit....
—Als je nu alles hebt,dominusen jullie, jochies, ook, mag ik dan maar een plaatsje zoeken in decavea, om je straks te bewonderen? vroeg Cosmus.
—Ja, Cosmus, zei dedominus.
—Ja, Còsmus, herhaalde Cecilius ter loops, bij zijn werk, terwijl Cecilianus, geknepen mondje, zweeg.
En Cosmus, door een deur en een gang en een deur weêr, bereikte de laagstepræcinctio, vlak achter het Tribunaal der Keizerin, en zag uit en op in het Theater. Hoe warm was het eral! Het broeide er rood van warmte en gloeide van doorgezeefd licht en tal van stemmen riepen reeds:
—Wátèr! Watèr!
Het roezemoesde van de duizenden stemmen en de roep schrilde daar hel boven uit:
—Water! Laat vloeien het water!
De wil van het volk was somtijds de wet voor het Theater. Zelfs al ware de Keizer er geweest, hadden zij het durven roepen:
—Wáter! Wáter!! Wáter!!! Laat vloeien het water!....
Boven aan de hoogste ommegang, onder het klaterendevelarium, openden de theaterslaven, op bevel van hun opzichter, tal van regelmatig aangebrachte kranen.
En het water stroomde, zachtjes tappelend, droppelend, druipelend.... Het stroomde in deze pauze, vóor de Bacchides werden vertoond, langs den hoogen theaterwand en vloot dan in gootjes, depræcinctionesen trappen langs af, lager en lager weg.
—O-o-o-oh!! juichte decavea, blijde om de koele verfrissching. En degladiatoren, langs den wand, hielden de handen op en dronken en in de gootjes schepten zij ook hier en daar het water, hoewel het alleen vloeide om de atmosfeer te verfrisschen, niet om gedronken te worden. Maar in deorchestra, tusschen de ridderbanken, ontsprongen lichte fonteintjes sprenkelende saffraangeur; de Senatoren doopten er hunneorariain—zakdoeken—en wischten de voorhoofden zich.
Voor het Keizerinne-tribunaal ontsprongen fijne fonteintjes van rozegeur.
—Hè.... hè....! snoof decaveaop, met wellustig gespalkte neusgaten.
—Hm.... bromde het ergens, en toen:
—Hi-ha....
—Balkt daar een ézel?? vroeg Colosseros.
—Mijn ezel misschien, zei Nilus, die naast hem zat.
—Neen, er bromde iets als een beer, meende Carpoforus, de Jager, uitluisterend.
—Een beer?? Dat is toch onmogelijk! vond Murrhinus.
—Het is wèl mogelijk, dat je ezel balkte, Nilus, zei Triumfus.
—Wat! Een ezel, die balkt als een beer, die bromt? vroeg Priscus aan Verus.
Degladiatorenverfrischten zich met breede handen-vol water de koppen, de armen, de schouders, namen een badje....
—Còsmús!!! riepen de boekhandelaren en de zijdeverkoopers. Kom hier! Hier is een plaats!
Cosmus wenkte, dat hij kwam. En terwijl hij de trappen op klom, knarste en ratelde het vóor hetproscæniumen steeg hetaulariumstatig op. Het was het voorgordijn, dat, om een kabel in de planken en aan ijzeren staven achter de zuilen, omhoog rees. Want het rees op, tot afsluiting van hetproscænium: het zoû dalen tot verzichtbaring van het tooneel.
Achter hetaulariumhaastten zich de tooneelknechten. Zij deden uit het afdak van denscæna-muur het achterdoek vallen, dat stelde voor, in wijking van klassiek perspectief, een straat in Athene. Descænazelve, met haar nissen en beelden en marmer en brons, werd dus geheel onzichtbaar. En de knechten ter weêrszijden zetten de huiscoulissen op van Bacchis, de Atheensche deerne en van Nicobulus, den vader van Mnesilochus. De Atheensche Bacchis zoû gespeeld worden door Cecilius, die haar tweeling-zuster, Bacchis, die van Creta komt, verwacht; Nicobulus was de nijdigesenex; Mnesilochus heette de zelfbewusteadulescens. Dedominusen dechoragizagen toe: het décor was zéer rijk van schildering. Het was een verschiet van Grieksche architectuur, zuilen, een tempel zeer ver, een blauwe lucht, waartegen donkere cypressen, en het was blank en blauw en donkergroen gehouden. De beide huizen ter zijde, dat van de deerne, dat van den grijsaard, waren monumentaal, ook vanporticusen poort.
—Het is mooi, moest dedominuserkennen. Schuif de trappen nu achteruit van de estrade, waarop mijn jongens moeten dansen.
De tooneelknechten, tegen den achtergrond, schoven de houten trappen uit.
—Het achterdoek iets hooger, zei de eerstechoragus.
Het achterdoek steeg.
—Genoeg, genoeg!! riepen dechoragi.
—Iets lager.... beval dedominus.
Het achterdoek daalde.
—Genoeg! bevalen dechoragi.
—Werkt deexostragoed? vroeg dedominus. Gisteren, toen wij repeteerden, haperde die....
De tooneelknechten draaiden deexostra: het draaibare zijtooneel, dat, gedraaid, vertoonde het inwendige van het huis van Bacchis en, terug gedraaid, op nieuw den gevel slechts zichtbaar liet.
Deexostradraaide, heen en weêr.
—Het gaat nu,dominus, verzekerden de knechten.
—Zet dan de meubels, hang de gordijnen....
Op deexostrazetten zij de meubels, hingen zij de gordijnen. Het waren kostbare, geborduurde, scharlaken gordijnen aan ringen, die met sierlijke bochten hingen aan dikke vergulde stokken; het was een sierlijk aanligbed in den vorm van een pauw met ontplooiden staart—lectus-pavoninus—en gouden kussens; het waren schabellen van verguld en ivoor; de citroenhouten tafel werd gedekt met servies van verguld, kannen, bekers, ooftschalen vol marmeren ooft, en toen hingen de tooneelknechten dikke slingers van groen en werkelijke rozen van Pæstum langs de zuiltjes, langs het bedde, langs de gordijnen, ter zij van de deur.
—Het is prachtig, moèst dedominuswel weêr erkennen. Dit alles is in Rome héel mooi. Mooier dan wij het in Klein-Azië en Alexandrië krijgen. Maar het is bijna àl te mooi, dittricliniumvan een Atheensche hetære. Ik vrees, dat zoo mooi decorafleidt van het spel zelf. Je begrijpt, in Plautus’ tijd was het veel eenvoudiger. Al dat ivoor en verguld en al die rozen, en dat pauwebed.... Zijn die gordijnen van zij....?!
—Met zij doorweven, zei de eerstechoragusen zij allen voelden aan de zware stof. In Rome,dominus, wìl het publiek het zoo, vooral het publiek van decavea....
—Hmm....! bromde beneden de beer: de ezel, nerveus maar wel-opgevoed, stampte alleen met de hoeven.
—En dan, zei de tweedechoragus; moet je niet vergeten,dominus, we zijn betrekkelijk eenvoudig geworden. Lentullus Spinther liet, toen hij zijn spelen gaf, de meubels met echt zilver beslaan, Petreïus met goud en Nero wilde, dat àlles goud was, echt goud: alle meubels, requizieten en alle ornament op de costuums. Heusch, onzeædilenzijn nog verstandig je het niet nog mooier en echter te geven.
—Die pracht, zei dedominus, brauwefronsend; zal de dóod zijn van Terentius en Plautus.
—Kom,dominus, zei dechoragus; je jongentjes zullen er toch maar wàt goed tusschen doen, hoor....
En hij verschikte het lange rozenfestoen, dat de tooneelknecht van bronzen lamp had geslingerd naar geurvat verguld.
—Trek dan maar hetsipariumdicht, beval dedominus.
Deexostradraaide terug, achter de zij-zuilen; hetsipariumschoof toe: het tweede gordijn, dat het tooneel verdeelde in een grooteren achtergrond en kleinen voorgrond, alleen voor den Proloog.