XI.De Cerealia waren geweest maar zonder Scenische Spelen, de Floralia waren geweest met Scenische en Circensische Spelen en Mei gloeide over blank Rome, dat de Romeinen verlieten voor Baïae en Antium, de weelderige zomerplaatsen. Maar wie er niet naar Antium en Baïae gingen, dat waren zoo wel de bewoners van de Suburra en hare nieuw gebouwde, omringende straten en dat waren de bewoners van den Palatinus: dat waren de allerhoogste en dat waren de allerminste.De laatste, zij waren het nooit gewoon geweest, Rome voor de zomerwarmte te ontvluchten. Zij genoten hun langere siësta, zij genoten van lui langen avond, als de dauwige koelte zelfs niet zeefde tusschen de nauwe straten en sloppen maar, hoewel loomer en langzamer, gleed hun zelfde leven voort.... De anderen, de Keizer en wie hem omringden, waren zekerlijk wel gewend Rome’s warmte te ontvluchten, ook al lag het Palatium in tuinen en parken op wijden heuvel, omwaaid van koeleren bries. Maar Domitianus was somber en ziek en wilde niet van reize weten en sloot zich op in zijn kamers om den volgenden dag uit te varen als een waanzinnige en een moòrd te bevelen of de Senaat uit te noodigen bij hem te avondmalen in zwart behangen zaal, met lijkbaren als aanligbedden, met verbleekte schedels als schotels en drinkschalen, met zwart gekleede en gemaskerde, demon-achtig dansende slavenals dienaren. En rondom hem bleven, in het Palatium, Crispinus, Sigirinus, Earinus, zijn gunstelingen en zijn nar en Domitia, Domitilla, Fabulla, Crispina, terwijl het gras van de parken verschroeide, de kruinen der ilexen en tamarisken grijs op stonden, overstuiveld van de stof en de laatste rozen aan de struiken stierven en hare verschrompelde bloembladeren rondom strooiden....Crispina, in hare woning, wachtte Lavinius Gabinius, tijdens het warme middaguur. Toen hij binnen gelaten was in hetatrium, zat zij op de rustbank bij het kleinevasculum. Maar mat murmelde de waterstraal, terwijl de zon schuin neêr gleed door de vierkante dakopening en hel glansde over den gloeiend rood geschilderden wand, waarop in fresco het sierlijk „oogbedrog” zich beeldde van zuilen, portieken, bosch en beemd....Dedominusgroette Crispina.—Domina, zeide Lavinius. Ik heb gesproken met de jongens. Zij vermoeden nog altijd niet....—En....—Ik heb hen voor gesteld als ge mij zeidet. Om, zoo lang het de edele Crispina behaagt, in hare dienst te treden alshistrionesen haar verblijf op den Palatinus te veraangenamen met zang en dans en voordracht. Intusschen niet langer dan de zomermaanden duren, daar in het begin van het najaar wij over Sicilië naar Karthago vertrekken.—Wat hebben zij geantwoord....—Zij hebben wel tegen gestribbeld. Zij zijn gewend aan veel vrijheid, die zij begrijpen hier, op den Palatinus, te missen. Ik heb hen echter—daar ik gewoon ben niet te dwingen—over gehaald door hen onder het oog te brengen hoe moeilijk het is voor eendominus-gregiszijncatervate blijven voeden in de maanden, dat er geen Spelen zijn, zelfs al heeft hij geld verdiend in April. Zij hebben toen toe gegeven: alleen....—Alleen?—Zij hebben mij onder het oog gebracht, dat de geldelijke vergoeding, die gij aanboodt om hen te huren, te weinig was.—En....?—Ik meen, dat zij gelijk hebben,domina. Laten wij dus vast stellen, dat gij Cecilius en Cecilianus van mij huurt, maar tegen honderd sestertiën per dag meer dan gij boodt.—Dus tegen driehonderd sestertiën per dag? Je bent duur,dominus, met je slaven.—Het zijn slaven, die mij veel hebben gekost,domina.—Het zijn slaven, dieikje geschonken heb.—Maar die ik heb opgevoed en aan wie geen kosten gespaard zijn. Zij zijn onvergelijkelijk.... Zij zijn éenig.Crispina glimlachte, verteederd.—Ik kan u ze niet verhuren voor minder dan driehonderd sestertiën per dag.—Het is héel veel,dominus. Driehonderd sestertiën per dag om mijn eigen kinderen een tijdje bij mij te hebben! En als ik nu eens Cecilius huurde en dan weêr eens Cecilianus....?—De jongens kunnen niet buiten elkaâr,domina. Ik kan ze niet scheiden. U moet ze beiden te zamen huren of af zien van uw plan.—Het is goed,dominus: ik huur ze dan beiden te zamen. Ik heb ze ook liever beiden te zamen....—Ik heb ons contract mede gebracht,domina.—Ons contract....?—Ja,domina, opgesteld door een man van vertrouwen. Geen processe-jager. Een eerlijk man: Labienus Posthumus; hij helpt mij in Rome met al mijn zaken. Hij heeft het contract opgesteld, waarmede ik mij verbind u Cecilius en Cecilianus te verhuren voor driehonderd sestertiën per dag, met de voorwaarde, dat ik desniettemin over ze beschikken kan zoo ik plotseling, onverwachts,door particulieren te geven Scenische Spelen heb te vertoonen. Terwijl ik tevens in het contract verzekerd ben voor alle schade, die aan Cecilius en Cecilianus tijdens hun verblijf ten uwent zoû kunnen geschieden en mij, hun eigenaar, nadeel berokkenen.—Voor een som van....?—Tweehonderd-vijftigduizend sestertiën....Crispina rees op.—Dat is te veel,dominus, zeide zij. Dat is onzinnig.—Domina, ik kan de jongens dadelijk voor tweehonderd-vijftigduizend sestertiën verkoopen.—Aan wie?—Aan den edelen Sextilianus. Zij zijn dus tweehonderd-vijftigduizend sestertiën waard. U weet zelf, de minste, een beetje mooie en kundige, jonge slaaf is honderdduizend sestertiën waard. Zoo hoog schat ik niet dus Cecilius en Cecilianus.—Wat zoû hun kunnen overkomen?—Ik weet het niet,domina. Misschien niets. Misschien alles. Hier op den Palatinus is zelfs het ademen niet vrij. Overkwam den beiden jongens iets.... wat ook maar, dan zoû ik dat voelen alsdominus-gregisen ook zoû ik dat voelen als pleegvader. Ik hoû van die jongens,domina, zoo als een vader van zijn jongens houdt.... Het zijn brutale broekjes, en als ze iets deden, dat strafwaardig is binnen de keizerlijke muren, dan zoû ik, zoo niet als pleegvader, toch alsdominusschadevergoeding willen ontvangen.—Het is goed,dominus. Toon mij je contract. En laat mij het eerst met mijn broeders cliënt Trebellius door lezen; die helpt ons, als rechtskundige, in vele zaken: dán zal ik het teekenen.Crispina ontbood Trebellius. Een uur later verliet Lavinius Gabinius de Palatijnsche parken met het onderteekend contract op de borst. Hij liep vol zorg, langzaam, naar huis; de zonnige Mei-middag doorstoofde stof-overstuifeld Rome. Thuis gekomen, vondhij den vollerbaas in vollen arbeid: vele uitgehangene toga’s weêrkaatsten den zonneglans op. Dedominusgroette de vollers en volsters, ging de houten trap reeds op....—Dominus, riep op den drempel de vollersbaas hem na.—Wat is er? vroeg dedominus.—Is het nog in orde bij jullie boven?—Hoe meen je?—Is er niet een verzakking of scheuring in de muren zichtbaar?—Ik heb niets gezien!—Neen, ik geloof ook, dat alles in orde is. Gisteren scheen het me toe, dat er hier beneden een scheur was. Ik heb den architect laten komen; die zeide, dat het niets was en heeft het wat bij laten metselen. Weet je, die nieuwe huizen hier, dat is niet allemaal pluis. Die zijn dikwijls zoo maar opgeblazen, uit speculatie, sedert de Thermen van Titus en het Colosseum werden gebouwd. Maar ik geloof, dat dit huis, dat ik gekocht heb, een van de beste is. Niet een van die rommel, zoo als er wel eens ingestort is, hier in de buurt.—Ingestort, vriend voller?—Nou ja, je hoeft niet bang te zijn, hier. Dit is maar vijf verdiepingen hoog. Die anderen waren zeven verdiepingen en heel slecht gebouwd: wat kalk, leem, en splinters en restjes marmer bij elkaâr getrapt. Je houdt dus de kamertjes, tot je naar Karthago gaat, hè? Zoo vroeg mogelijk opzeggen, niet waar?? Het ga je wel,dominus! Of ik het druk heb, noù! Iedereen, nà de feesten heeft vuile toga’s te vollen: ik kan het werk niet àf met mijn knechts.—Kan ik je een paar lui van mij verhuren?—Dát neem ik gaarne aan....—Dan zend ik je Silus en Afer en nog een paar anderen als je wilt.... En dat rekenen we op de huur dan wel af.... Komt in orde....—Goed,dominus, goed, heel graag....Boven vond dedominusvelen van zijngrexin siësta, rug in rug in de broeiwarme kamertjes. Zij hadden niets te doen. Dedominushad niet gaarne, dat ze doelloos rond zwierven in Rome. Hij was bang, dat ze dan, op een goeden dag, zouden verdwijnen. Hij sloot ze dus dikwijls op en als ze zich dan beklaagden, dat ze stikten, liet hij wel weêr eens een paar dagen de deuren open, ook omdat ze toch valsche sleutels hadden of de sloten open braken.... Ja, het was de tijd van rust maar ook van verveling en van armoê, met al die doodeters. Hij maakte wel een kapitaaltje, dedominus, belegd bij vele goede geldmannen en vertrouwbare wisselaars in Antiochië, in Alexandrië, en in Brundizium en in Syracuze, in Rome maar dat geld was toch maar los bezit. Zijngrexbleef zijn voornaamste inkomstenbron maar kostte veel, als ze niet speelden. En honger kon hij ze niet lijden laten. Ze aten dus bij Nilus wat ze wilden. Maar wel verhuurde hij ze wat hij ze verhuren kon. Densenex, zijn eenigen vrijgelatene, betaalde hij niets in dien donderschen vacantie-tijd maar huisvestte en voedde hij toch.... Denadulescenshad hij—zonderfibula—verhuurd aan een patricische vrouw, die dol op hem was geworden. Den „paraziet” en Syrus, den „slave-rol”, had hij verhuurd bij Tryfo, den boekhandelaar, voor een prikje, als kopiïsten: ze schreven beiden netjes en die brachten dus ook wat geld op, net genoeg, dat ze hun eigen levensonderhoud bedropen. Nu had hij Silus en Afer verhuurd aan den voller, om meê te vollen. En Cecilius en Cecilianus....Dedominusmaakte, vol zorg en ook beducht, dat hij ze niet vinden zoû, het kamertje open waar hij sliep met de beide jongens. Waren ze er....? Waarachtig, ze wàren er. Zij zaten op den grond vijgen te eten, dicht tegen elkander aan. Zij hadden geslapen en dachten er eigenlijk juist aan een bad te nemen in de Thermen van Titus: het was nu, na de siësta, het uur, dat de voorname baders kwamen en de jongens, die zich verveelden,hadden gedacht, je kon nooit weten, wie je ontmoette.... Maar jawel, daar kwam juist dedominusthuis.—Jongens, zei dedominusen zette zich, moê, op de eenige schabel bij het kleine tafeltje; ik heb je verhuurd.—Heb je het waarachtig toch gedaan? vroeg verontwaardigd Cecilius.—Ons verhuurd!? verontwaardigde Cecilianus.—Ja, zei dedominus. Aan de edele Crispina.—Aan onze moeder.... dachten de jongens te gelijker tijd, want ze wisten, sedert de eerste voorstelling, er alles van, maar ze zeiden niets.—Aan de edele Crispina, herhaalde dedominus, verwonderd, dat ze niets zeiden. Weet je, jongens, het gaat me aan mijn hart. Ik hoû van jullie als van mijn eigen kinderen, al zijn jullie bengels....—Waarom doe je het dan ook,dominus!—.... lievedominus! vleiden huilerig de jongens en kropen nader en hurkten bij desdominus’ knieën.—Maar jochies, hoor nu toch eens! verontschuldigde zich dedominus. Ik krijg driehonderd sestertiën voor jullie....—Voor hoeveel tijd?—Driehonderd sestertiën per dag!! riep dedominus; zoo als jullie het hebben geraden te vragen.—Ecastor, giechelde Cecilius.—Ecere, giechelde Cecilianus.En zij barstten in lachen uit en buitelden over elkaâr op den grond.—Driehonderd sestertiën! riepen de jongens. Per dag!!En ze keken elkander veel beteekenend aan en riepen:—Ze heeft wat over, om ons te zien!—Die edele Crispina!En ze knipoogden tegen elkaâr en lachten en buitelden en stompten elkaâr in de ribben.Maar toen te gelijker tijd, werden ze ernstig en flikkeflooiden, ieder aan een knie van dendominus.—En krijgen wij ook wat....?—Van die driehonderd....?—.... die driehonderd sestertiën....—.... per dag?—Natuurlijk, zeide dedominus. Jullie krijgen er ook wat van. Als zakgeld. Om vijgen te koopen.—Meer....!—Ja, wat meèr....!—Nu goed, wat meer, gaf dedominustoe. Kom, jullie weten wel, dat ik het goed met je meen. Jullie zijn mijn jongens, hè, mijn lieve, eigen jongens. Wie weet of ik je nog niet eens vrij laat, later, en je na laat wat ik bezit: mijngrex, en de sommetjes, die ik heb gedeponeerd in Alexandrië en Antiochië ...—En in Brundizium!—En ook nog in Syracuze!—Jawel, jullie zijn op de hoogte. Belooft me nu alleen een ding. Weest nu lieve, zoete jongens, op den Palatinus. Dat jullie geen last krijgen en ik geen last krijg. Want als er jullie iets gebeurt, bij Herkles, ik krijg geenasschadevergoeding voor jullie! loog dedominus.De jongens beloofden op te zullen passen, bij de edele Crispina. Zij moesten dien avond gaan.—De voller maakt onze gele jasjes schoon; nou, die zijn eigenlijk op, meende Cecilianus.—Ik zal er eens om vragen, zei Cecilius en wipte op en weg.—Ik ga meê! en ook Cecilianus wipte op.—Ach wàt! riep dedominusen hield hem tegen. Kunnen jullie geen oogenblik buiten elkaâr?? Het is belachelijk!—Ja, je weet, zei Cecilianus; dat we ook altijd het liefst tweeling-rollen spelen: dat vinden we het aardigst....Dedominuskeek Cecilianus een beetje droef lachend, vol zorg, aan. Toen omhelsde hij hem, hield hem lang tegen zich aan, en zuchtte diep.—Wat is er,dominus?Maar dedominuszeide niets.—Wat is er,dominus? vroeg Cecilius, die met de schoone gele jasjes terug kwam.—Niets, jongens, zei dedominus. Zeg, je weet, ik heb jullie per dàg verhuurd.—Ja, per dàg....—.... per dag, natuurlijk.—Ik weet niet hoe lang het duren kan, maar ik moet je nu en dan zien. Jullie zijn slimme rekels; je moet maken, dat ik je, iederen dag, al is het ook maar voor drie minuten, zie.... Want als ik geen vrijgeleide heb, kàn ik niet den Palatinus binnen.—We zullen er voor zorgen, hoor....—Wees maar niet bang, we zullen er voor zorgen....En zij streelden hem om zijn baard, ieder aan een knie. Zij waren het nu, die het hem voor hielden; bedènk toch eens: driehonderd sestertiën per dag! Hij kon den heelengrexdaar voor gedurende een week, twee weken voeden en huisvesten, hùn nog een aardig zakduitje geven en zelfs nog een spaarpenning beleggen bij zijn wisselaar. Het geld spiegelde hun goùd in de oogen. Zij hadden nu in éens lust te gaan.... Zij zouden hun tuniekjes in hun bundeltjes mee nemen naar de Thermen. En hun dubbelfluiten.... Zij gingen nu baden en ze zouden aan Nilus zijn ezel vragen: zij zouden op den ezel naar de Thermen gaan, en van de Thermen op den ezel naar den Palatinus.—Ach, jullie zijn gek! riep dedominus, ontstemd over hun zorgeloosheid en onbekookte uitvallen. En wie moet den ezel terug brengen van den Palatinus? Jullie vallen immers veel te veel op, als je samen op een ezel zit, met je gele jasjes! Dan scheldthet volk je maar na of gooit je met vuil. Jullie moeten te voet, begrijp je en je rustig gedragen op straat. Niet altijd links en rechts kijken, als of jullie wat zoeken.Ze beloofden het. Zij kusten hem: hij bedwong zijn aandoening, duwde ze zelve de deur uit. En alleen in het broeiwarme kamertje bleef hij zitten, op het schabelletje bij het tafeltje. Toen stond hij op; zorg donkerde over zijn voorhoofd. En hij rolde hun beide matrasjes op en zette die in een hoek. En hij zag uit het eene opene, glaslooze raampje; dat zag uit over de Suburra, de Carinæ en het Forum heen, in de richting van den Palatinus en den Capitolinus.... Achter den tempel van Jupiter Capitolinus daalde de zon in een wijde stofpoeïering van gouden atomen, in een stralenkrans van wemelend goudstof. En doelloos, verdrietig, en de zorg zwaar op zijn borst, stond hij te staren, hij wist niet waarheen, hij wist niet waarom, stond hij te staren, tot de schemering viel.XII.Het was donker, toen de beide jongens zich aanmeldden aan de poort bij het Septizonium. Er was een wacht van Prætorianen, die zaten te dobbelen, te drinken. Het waren andere soldaten en een anderedecanus, dan die zij gezien hadden dien keer toen zij met Martialis in den draagstoel waren meê gekomen, maar dedecanusen zijn soldaten herkenden hen, van het Theater.—We waren toch geschilderd en met pruiken op? zei Cecilius.—Met van die hooge pruiken op? zei Cecilianus.Het deed er niet toe: dedecanushad hen toch herkend.—Hier zijn onzetesseræ, toonden de jongens twee bronzen penningen, die hun dedominushad gegeven.—Waar moeten jullie heen? vroeg dedecanus, die detesseræaannam.—Naar de edele Crispina.—Blijven jullie niet hier een uurtjesaltatiogeven? schertste dedecanus.Neen, neen, ze moesten naar de edele Crispina.—Decius, zei dedecanustot een Prætoriaan. Leid jij eens die heerschapjes naar de edele Crispina.De soldaat wees den jongens den weg, ging met hen meê, door de donkere parken.—Wat is het hier somber.... zei Cecilius.—Nou, het wordt nacht, zei Decius.—Ja, maar het is hier wèl somber, vond Cecilianus. Met die donkere boomen. Het is hier akelig stil....—Je hoort niets, zei Cecilianus; dan je eigen passen....—De Keizer is ziek, zei Decius; het moet hier stil en rustig zijn.—Hoort de Keizer uit het paleis wat hier gebeurt??—Wat hièr gebeurt??—Muziek zoû die hooren....?—Mag er geen muziek gemaakt worden?—Nou, heel zacht...., zei Decius.—Fluitspel....?—Ja, fluitspel toch wel??—Ja, dat misschien wel.—Is die niet aardig, de Keizer? vroeg Cecilius.—Stt, zei Decius. Wie vraagt nou zoo iets....—Mag Cecilius dat niet vragen? vroeg Cecilianus. Ik had het net ook willen vragen....—We mogen zoo niet over den Keizer praten, zei fluisterend Decius. Maar als die niet boos wordt of driftig, is die niet kwaad.—Houden jullie van den Keizer? vroeg Cecilius.—Degladiatorenhouden wel van hem.... verzekerde Cecilianus. Ik ben niet bang van den Keizer, want Carpoforus zegt, dat hij heél goed is.—Ik ben ook niet bang, zei Cecilius.—Hier woont de edele Crispina, zei Decius en toonde het huis. Hij klopte op de poort van hetatrium.... Een slaaf opende.—De twee komediantjes, zei Decius. Cecilius en Cecilianus....—Komt binnen, noodde de slaaf.—Decius, zei Cecilius. Ben je morgen van dienst aan de poort?—Dat weet ik niet, zei Decius. Waarom?—Ik woû je vragen of je een middel wist om onzendominus....Maar Crispina, uit het huis, was getreden. Decius verdween; de slaaf sloot de deur, met grendels.—Welkom, jongens, zeide Crispina vriendelijk.Zij was hunne moeder, maar de jongens verrieden niet, dat zij wisten, na eerst slechts vermoed te hebben.—Edeledomina.... groetten zij, buigend.Zij hijgde lichtelijk, van aandoening. Zij had hun vader, Manlius, denhistrio, lief gehad. Zij geleken op hem, maar hunne oogen waren de hare. Zij waren beiden heel mooi, heel blond,heelfijn en toch zoo gezond, frisch en jong. Zij waren als groote kinderen, dezecomœdi, die al zoo veel hadden gezien, gezworven, gedaan, ondervonden. Zij voelde in zich een behoefte hen tegen zich aan te drukken. Zij bedwong zich. Zij zette zich neêr op de rustbank. Achter haar brandden enkele pitten aan de verschillende tuiten van de hooge, bronzen lamp.... De duisternis weifelde in hetatrium. Boven, vierkant, nachteblauw, scheen de hemel vèr....—Kom eens hier, zeide Crispina.De jongens naderden, stonden, opzettelijk wat kinderlijker dan zij zich voelden.—Zullen jullie mooi dansen, spelen en zingen? vroeg zij.—Mogen wij zingen,domina?—En spelen....?—Ja.... De Keizer hoort dat niet.... Er mag alleen geen rumoer worden gemaakt....—Het is alles zoo gedrukt, zei Cecilianus.—Ja, zei Cecilius; of je niet adem kan halen....Crispina zag hen aan. Heel haar hart ging naar hen toe. En plotseling bedwong zij zich niet, greep zij hun ieder een hand.—Mijn lieve jongens....! zeide zij, ontroerd.Zij knielden bij haar neêr. Zij deed hen zitten aan hare voeten en zij gedroegen zich als heel zoete jongentjes. Lieten niet merken, dat zij wisten. Zij voelden niets voor deze moeder en vonden haar eigenlijk vermakelijk. En dan, ze gaf driehonderd sestertiën per dag, om ze een tijdje bij zich te hebben.Zij streelde hen over de blonde hoofden, zag hun in de oogen, die schuin, guitig, flonkerden in den lampeschijn. Zij vroeg hun allerlei dingen, waar en wanneer zij het laatst hadden gespeeld, of zij het Theater van Pompeïus niet mooi vonden.... Zij zeide hun, dat zij zoo prachtig waren geweest als de Bacchides.... En zij kuste hen hartstochtelijk. Moederliefde gloeide in haar op, voor deze mooie kinderen, die haar het geluk van haar leven herinnerden en wier vreemde jeugd, half kinderlijk, half pervers, den geur had van het komediante-leven.—Kom meê, zeide zij.Zij ging met hen het huis binnen. Het was een dier bevallige pavillioenen, zoo als er in de keizerlijke parken stonden ten gerieve van hooge hofbeambten. Zij woonde hier met haar broeder Crispinus, hoewel hij meestal op het Palatium zelve toefde. Zij trad eerst een klein, eleganttricliniumbinnen, dikke rozenslingers op den wand geschilderd. Enkele sierlijke schabellen en tafels van citroenhout. Een bronzen Faun, die danste.... Een tapijt van Sidon, Babylonische kussens.... Zij ging met hen een smalle gang door, wees de deuren.—Hier slaap ik, zeide zij. Hier slaapt de edele Crispinus. En hier is jullie kamer....De bronzen lampen waren overal ontstoken: het waren slangenom boomtwijgen of opgerichte, slanke chimera’s, uit wier opene bekken de brandende pitten vlamden als tongen van vuur. En de jongens dachten dadelijk:—.... Zij laat ons niet met de slaven slapen....Neen, zij sliepen niet met de slaven, die achter het bevallige huisje hun ris van vertrekjes hadden, door een smallen, langen tuin gescheiden van het huis zelve. En Crispina voerde hen hunne kamer binnen. Die was de kamer der gasten. Die zag uit, rameloos, op een kleineratrium, maar allersierlijkst den wand geschilderd met „oogbedrog” van zee, lucht, zuilen, dat vaag tusschen de wit bloeiende klimrozen in het avondgeschemer maar even verduidelijkte. Een marmeren dolfijn, in het waterbekken, blies een waterstraal, terwijl hij in zijn opgeheven staart omkrinkeld een Amor hield, die zijn teedere voeten omhoog stak. In de kamer zelve stonden twee lage bedden, met fijn lijnwaad bedekt, met geborduurde kussens, met dekens van kleurigebombyx. Er lag een panthervel. Er brandden de pitten in de bronzen lamp. Er schemerde een metalen spiegel op een rood marmeren tafel, door gebeeldhouwde griffioenen getorst. Aan bronzen haken hingen kleurige kleederen....—Kiest hier uit, zei Crispina; en verkleedt je.... Over een uur komt de Keizerin, en moeten jullie dansen en spelen....De jongens keken om zich rond. Het was in den nachtschemer en lampeschijn een nauwe, beslotene, elegante en geurige weelde. De lampe-olie geurde. Debombyx-dekens voelden aan als een schapenvacht, maar van zij.... Op rood marmeren tafel lagen, tusschen vergulde toiletvoorwerpen, twee vergulde rozenkransen.—Moeten wij die op zetten? vroeg Cecilianus.—Ja, zeide Crispina.Zij zat op een der bedden en zag glimlachend de jongens kijken en vragen. Zij deden het met een zekere bescheidenheid, gewend aan alles. Zij vonden dit alles heel mooi en het was voorhèn.... Een slaaf bracht ooft en gebak op een schaal van verguld en zij aten.—Zullen wij ons nu verkleeden? vroeg Cecilius.—Ja, zeide Crispina. Wil ik een van mijn slavinnen roepen?—Wij kunnen het zelf wel,domina, zei Cecilius.—Ja,domina, wij kunnen het zelf wel, zei Cecilianus.En zij kleedden zich uit, rustig-weg, voor de edele Crispina, die hunne moeder was. Zij stonden naakt en borgen hun eigen plunje, netjes gevouwen, weg. Zij kon haar oogen niet van hen af houden. Zij wieschen zich in een bronzen kom. De lampepitten flikkerden in lichtspelingen over hun blonde naakt. Zij kamden elkaâr voor den spiegel. Zonder er bij te denken, omdat zijhistrioneswaren, verfden zij zich de oogen, de lippen, natuurlijk-weg. Zij wilden kiezen uit de kleederen, die daar hingen.—Blijf liever zoo, zei Crispina.—Het is zoo koud, zoo,domina, zei Cecilianus, even rillende, van de avondkoelte.Zij naderde hen en plots omarmde zij hen beiden, in hare armen. Zij was verliefd op hare kinderen, omdat ze zoo mooi waren. Zij wilde ze een pooze bij zich hebben, omdat ze zoo mooi waren....—Je moet niet koû vatten, zeide zij moederlijk zorgzaam; kleedt je dan maar....En zij hielp ze zelve de tunieken aan te doen, die zij kozen. Het waren zacht malve-kleurige, half zijden, lange tunieken zoo als dehistrionesdie in patricische huizen droegen, de armen, de beenen, de borst verzichtbarend. Zij zocht zelve de schoentjes, die er bij behoorden. Zij strikte zelve de linten om hunne kuiten vast. Deze jongens, zij waren hare kinderen en haar speeltuig, haar pleizier. Zij voelde voor hen wat een meisje voelt voor haar poppen. Haar groote poppen. Zij zette ze nu de vergulde rozekransen op. Zij bewonderde hen.—Blijft nu een oogenblik hier, zeide zij; straks komt de Keizerin....En zij liet ze alleen. Zij zagen elkander aan. En poèften het uit van het lachen....—Stil toch! riep Cecilius, die zelve stil gierde als Cecilianus gierde.—Niet zoo lachen! waarschuwde te gelijker tijd Cecilianus.En zij gierden te zamen, hun vuisten voor den mond.—Hoe vindt je die moèder van ons? en Cecilius hield zijn maag vast en kromp in een.—Wat heeft ze ons gezoènd!.... En met onze schoentjes.... geholpen!!—Hè, ik stik van het lachen!....—Is dat làchen!....—En het is hier zoo benauwd!!—Met dat kleine stukje lucht, daar boven....—Maar het is hier wèl mooi....—Ja, mooi wel! Maar ademen, dat kan je hier niet....—.... kan je hier nièt! Hoe vindt je toch....—.... die moeder van ons!!En ze poèften weêr, tegen elkander aan, in een dollach, dien zij onderdrukten. Plotseling stonden zij, recht, lachten niet meer.Crispina opende de kamerdeur.—De Keizerin is daar. Met Domitilla en Fabulla. Kom....Zij wenkte ze.Zij traden ernstig achter haar aan. Zij waren dadelijk weêr geworden de gehuurde komedianten, die moesten dansen en spelen. Crispina voerde hen in hettriclinium....—Hier zijn ze, Augusta, zei Crispina en toonde de jongens.De vrouwen zaten op rustbank, schabellen. Zij waren de onverdraagbare somberheid van het Palatium ontvlucht. Zij wisten, dat Crispina hare zonen wachtte....—Wetenzijiets? vroeg Domitia, lacherig.—Niets, Augusta, zei Crispina.—Weten zij niets? fluistervroegen Domitilla, Fabulla.—Niets, herhaalde Crispina.Zij zette zich tusschen de anderen in de zoo bevallige beslotenheid van dit kleine vertrek, dat op hetatriumuitkwam. En Crispina beval de jongens te dansen.Zij dansten en floten, om beurt elkaâr begeleidend, op hunne dubbelfluiten. Het was een nacht van vaag licht, zonder maan, zonder sterren; een lucht van damp drukte over de tuinen. En in die grauwheid van atmosfeer, zevende hetatriumbinnen, dansten de jongens. Zij wisten hoe zij hier moesten dansen. Geheel anders dan zij gemimeerd hadden bij den voornamen Plinius.... O, zij doorzagen dadelijk hun volkje! Hier, voor de Keizerin, die denhistrioPâris bemind had, voor die uit hare oogen brandende, magere Domitilla, voor die Fabulla, die zij nooit vergeten konden, hossende op de eene knie van Colosseros en zij beiden op zijn andere knie, voor hun eigen moeder, die hen van de hand had gedaan, toen zij drie jaren waren geweest, dansten zij ànders.... In dit nauwe, sierlijke binnenhofje op den Palatinus, in deze grauwe nacht, die drukte en ontzenuwde—vooral om de nooit wijkende gedachte aan den Keizer in het Palatium....—dansten zij voor deze vrouwen anders dan zij in het zonnige landhuis aan de zee het klassieke spel van Hero en Leandros hadden gemimeerd. Zij floten nu met de lippen nauwelijks hoorbaar, zeér zacht, en zij dansten te zamen hun meest ontroerendenkordax, Attiesch van oorsprong, maar in Klein-Azië gedanst in de krotten en kroegen, door jongens of meisjes. Het was een langzaam wulpsch slepend beweeg en soepel gebreek van wringende ledematen tegen elkander aan, terwijl hunne vingers steeds in elkander bleven en hun lippengefluit meer kreunde van verlangen dan wel melodie ontblies. Uit hunne malve-kleurige, lange tunieken blankten telkens schokkendhunne knieën te voorschijn en hun dans was om hun wringen en buigen en breken en schuiven en schudden obscener en dubbelzinniger dan zoo zij, geheel naakt in de zon, hadden gedanst. Onder hun vergulde rozenkransen smachtten hun oogen. Tot zij wirrelden, als in een zelfde spiraal, die vertrilde en zij stil stonden in elkanders armen.—Wat die jongens dànsen! zei de Keizerin. Ik zoû de heele nacht naar ze kunnen zien!!Domitia, Domitilla, Crispina fluisterden onder elkaâr.... Of zij zouden durven zich vermommen om zich te vermaken in de achterbuurten.—Licht is het er vermakelijker dan op den Palatinus, meende Domitilla. Fabulla, wat meen je?Maar Fabulla was als veranderd. Zij zat meestal stil, naast de anderen.—Jij kènt die buurten, lieve nicht, zei de Keizerin hoog. Jij bent er dikwijls genoeg geweest met Nigrina. Jij moest er ons brengen. Begrijp je.—Ik kom er niet meer, zei Fabulla, bijna weemoedig.—Waarom? vroeg Crispina.—Omdat me dat niet voldoet.... Ik ben treurig den laatsten tijd.... Om Nigrina.... Om allerlei.Zij was treurig ook om haar verdwenen illuzie: die van geen tooneelspeelster te zullen worden. Tevens was zij bang, dat Domitianus, wien zij er eéns over gesproken had, haar nu zoû dwingen de planken te betreden!—Waar ga je dan heen, ’s avonds? vroeg de Keizerin.—Ik ga wel eens naar de Catacomben.... om den heiligen man van de Christenen te hooren....—Er is er een gekomen, zei Domitilla; die in kokende olie is gedompeld geworden.—Die is het, zeide Fabulla.—Dan moet je ons brengen naar dien heiligen man, beval Domitia.—Goed, zeide Fabulla.—Wij hebben donkere mantels, zei Domitilla.Zij stonden reeds op, grepen hare mantels. Om te vergéten wat haar drukte, beangstigde in het Palatium, zochten zij, zochten zij naar telkens andere ontroering.—Ik blijf liever thuis, verontschuldigde zich Crispina.—Moedervreugd! spotte Domitilla.—Stt! smeekte Crispina.Maar de vrouwen lachten en de tweelingen hadden gehoord. Zij lieten dat echter niet merken: zaten, hun giechel bedwingend, nu zoet op den rand van het kleinenymfæum.Domitia, Domitilla, Fabulla gingen, in donkere mantels gehuld. Crispina bleef alleen met de jongens.—Kom hier, zeide zij, gezeten.Zij kwamen, hurkten bij haar neêr.—Ik ben blij, dat jullie hier zijn, zeide zij. Vertel mij van jullie omzwervingen....Zij begonnen te vertellen.... Crispinus, door de poort, door hetatriumkwam binnen. Zij rezen op.—Ik dacht de Keizerin hier te vinden....—Zij is naar de Christenen, met Domitilla en Fabulla.—Fabulla, ja, dat weet ik: diè wordt nog Christin.... Heb je dus je jongens bij je....?—In der Goden naam, Crispinus, smeekte Crispina, in het Grieksch. Wees voorzichtig....Maar de jongens, bescheiden, wendden zich af.—Denk je, dat die jongens geen Grieksch verstaan? lachte Crispinus. Nu, wees niet bang; ik zal niets meer zeggen....En, nu fluisterend, sprak hij over den Keizer. Hij, Crispinus, was in ongenade. De Keizer ontving hem wel, maar....—Oh! riep hij uit. Als ik nog maar eens een Tàrbot of wat ook wist te verzinnen! Ik weet niets meer, ik weet nièts meer....Zij fluisterden te zamen. De ongenade kon ieder oogenblik treffen. En dan, zelfs al liet Domitianus hun het leven, hadden zij niets, stonden zij op straat....De jongens zaten op den rand van hetvasculum.—Cecilius....—Wat, Cecilianus.—Ik verveel me gruwelijk.... Ik woû, dat ik bij Nilus zat, met degladiatoren.—Driehonderd sestertiën per dag....—Nou ja.... Ik verveel me tòch gruwelijk. Bij jou moeder.—Ik ook.... Gruwelijk.... Ik kan hier niet adem halen. Bij jou moeder.—.... Het is hier ook zoo benauwd.—Vreeselijk benauwd.—Ik ben moê.... van verveling....—Ik ook.... Van verveling....—We zullen aan die moeder van jou maar vragen naar bed te gaan.—Ja, we zullen aan die moeder van jou maar vragen naar bed te gaan.Zij stonden, bescheiden, op, naderden.—Domina....—Domina....—Wat is er, jongens?—Vergunt dedomina, dat wij ons....—Ja, dat wij ons terug trekken,domina....Zij mochten zich terug trekken.—Twee mooie Tarbotjes misschien, hoorden zij Crispinus nog zeggen.Het maakte geen indruk op hen. Omdat zij zich zoo gruwelijk verveelden, moê waren van de verveling.—Hoe lang moeten we blijven? vroeg Cecilianus.—Zoo lang mogelijk.... Driehonderd sestertiën per dag....—Driehonderd sestertiën per dag, herhaalde kwijnend Cecilianus, de armen al mat langs zijn lijf.Zij waren nu in hun mooie kamertje en keken rond en keken naar elkaâr.—Het is wel mooi....—Ja, dat wel....—Als je er maar eens ùit kon....—Wat is er achter het muurtje van hetatrium?—Eens kijken....?Zij liepen langs het marmeren dolfijntje, dat in zijn staart een Amor omkrinkeld hield, die de voetjes stak in de lucht. En zij heschen zich op, aan het muurtje.—Pas op je mooie tuniek, zei Cecilius.—Kanmijwat schelen! meende Cecilianus.Ze heschen zich en tuurden uit.—Een gangetje.... zei Cecilius.—Ja, een gangetje.—Een smàl gangetje....—Een heel smal gangetje....—En àchter het gangetje....—Ik denk het park....—Ik denk ook, het park....Zij dachten het zelfde. Wip, zaten zij op het muurtje. Met de malve tunieken aan en de vergulde rozekransen op de blonde bollen. Wip, waren zij in het gangetje. Krr....—Je tuniek scheurt, zei Cecilianus.—Kanmijwat schelen! meende Cecilius.Het gangetje was zeker voor de keukenslaven.... Wip, waren zij op het andere muurtje.... Wip, waren zij er af.In het donker. In het dichte gras....—Het park, geloof ik, zei Cecilius.—Geloof ik ook, zei Cecilianus.Beiden, poogden zij te ademen.—Je kan hier nòg niet ademen, zei Cecilianus. Wat is het toch....?—Ik zal het je zeggen, fluisterde Cecilianus. Het is de Keizer....—Geloof je?—Ja....—Ik geloof het ook: het is de Keizer....—Die is daàr: in het Palatium.—Het is altijd toe....—En donker....Zij liepen den muur van de kleine villa om. Herkenden toen den weg, tusschen de ilexen en tamarisken. Vonden het nu wel een avontuur. Zoo beiden, alleen, in de parken van den Palatinus!—Verbeeldt je, als we in eens den Keizer....—Tegen kwamen??Zij rilden tegen elkaâr, blij om hun vrees, die de verveling verjoeg.—Laten wij eens gaan....?—Ja, juist....Zij wisten waarheen, zonder het elkaâr te zeggen. Naar de poort van het Septizonium.Zij gingen. Als ze nu maar niemand tegen kwamen....? Waarachtig, stappen! Wie kwam daar....! Ze wilden zich verstoppen.—Wie verstoppen zich daar? riep een stem bekend.—Martialis!! riepen zij beiden.—Bèngels, die jullie zijn! Wat doe je hier??Zij zeiden het hem. En dat ze stikten. Zich zoo gruwelijk verveelden....—Pas op, waarschuwde Martialis. Als je hier doet, wat je niet màg.... Wip maar weêr gauw de muurtjes over.... Kwâjongens, die jullie toch zijn....—We moèten de Prætorianen spreken, zei Cecilius.—Om te zeggen van dendominus.... Dat hij ons morgen avond daàr vindt. Bij hun wacht.—Weest maar voorzichtig, bengels....Valete.—Vale, Martialis.Martialis haastte zich, ontboden. De jongens daalden het park af.Zij kwamen aan de poort, nog niet gesloten. Buiten zaten de Prætorianen, op hun bank. Er waren er bij, die zij kenden: er was dedecanusvan den eersten keer....—Nacht,decanus....—Zoo, komen jullie toch eens een kroes wijn meê drinken?Heu, wat zien ze er mooi uit!—Mag ik een stuk brood? vroeg Cecilianus, die op een tafel een soldatenbrood zag.—Prætorianenbrood? vroeg een der soldaten.—Hè ja!—Hè ja!En zij zetten zich schrijlings, in hun malve tunieken, over de bank. Het roode lampje-licht speelde in hun gouden rozen, aan de slapen. Zij knabbelden hartelijk in een homp soldatenbrood en dronken den wat zuren wijn. Zij vonden dien heerlijk. Zij dobbelden meê, hadden wel een paardenariïop zak....—Je hoeft als je verliest niet te betalen, zei dedecanus.En ze vroegen of ze iederen avond even mochten komen....En of dedecanusdendominuswoû waarschuwen........ Bij Nilus of in het huis van den voller.... Dat hij ze hier iederen avond zoû kunnen zien.... De wacht was niet altijdde zelfde? Nou ja.... ze kenden nu bijna àl de Prætorianen van de lijfwacht.... Het mocht wel, hè?Zoû dedecanushet doen....??Dedecanuszoû het doen.—Maar, ventjes, zoodra we stappen hooren.... door het park, of buiten op straat.... als de bliksem in het wachthuis, begrijp je.... En morgen niet met gouden rozen op jullie koppetjes.... Oppassen.... want van nacht wachten we niet minder dan de Keizerin af, die is er met Fabulla en Domitilla van door....—Naar de Christenen maar, zei Cecilianus.XIII.Dedominushoorde er van door dendecanus, die boodschap zond. En hij kwam meestal ’s avonds laat even aan de Prætorianenwacht bij de Septizonische poort, en hij zag dan even de tweelingen. Hij hoorde hunne klachten. Noù, het was me een leven daar in het huis van.... van die edele Crispina! Nu ja, ze sliepen onder dekens vanbombyxen hun kamer was bijna even zoo mooi als hunexostra-kamer in de Bacchides! Zij baadden zich in een bad van porfier en zij aten allerlei fijne dingen. Goden nog toe, hoe zij smachtten naar de kooltjes van Nilus! Ze liepen den geheelen dag in lange, kleurige tunieken en zij hadden niets te doen dan eens wat te zingen, te fluitspelen, te dansen. De Keizerin kwam bijna iederen avond naar hen kijken met Domitilla. Fabulla hadden zij eens weten te vragen of zij nog dacht over het tooneel en verbeeldt je, Fabulla had gezegd, dat het tooneel zòndig was, ja, zòndig, en dat ze Christin was geworden! De beide achterneven van den Keizer, die de edele Quintilianus had opgevoed, waren ook Christen geworden: dat scheen in de lucht te hangen, sedert die heilige man van de Christenen uit de kokende olie ongedeerd was gestapt. Ook de Keizerin ging naar de Christenenhooren. Omdat ze zich zoo verveelde op het Palatium. Noù, zullie verveelden zich ook. Er was niet te àdemen op den Palatinus. Er hing zoo iets angstigs, zoo iets dreigends: dat gaf ze een rilling. ’s Nachts werden ze wakker en luisterden uit.... Dat kwam omdat het stil moest zijn in de parken, zeiden dan de Prætorianen, en omdat de Keizer ziek was. Maar de Keizer was wel goed voor de Prætorianen, zeiden ook de soldaten, en zij hielden van hem. En de jongens zeiden, dat degladiatorenook geen kwaad van den Keizer hooren konden, maar dat het toch niet vroolijk was.... Zij verlangden weg te komen; nou ja, driehonderd sestertiën per dag.... Daar deden ze het ook om. Iederen dag, die er voorbij was, was driehonderd sestertiën waard. Maar ze verveelden zich gruwelijk, net als de Keizerin, en de Christenen, die hadden ze al gezien in de taveerne van Nilus. Zulke trieste smoelen, zoo nooit eens vroolijk. Hè, hoe ze verlangden er eens van door te gaan. Maar ze dorsten niet: ze dorsten alleen dit uurtje, wip over het eene, wip over het andere muurtje en dan zich wat uit rekken, hè-è! bij de Prætorianen, die hen allen kenden. Nou ja, anders was alles in orde en dedominusvertrok en de twee bengels bleven nog wat dobbelen en drinken met de soldaten en slopen dan naar huis, wip over het eene, wip over het andere muurtje....Maar op een avond, einde van Mei, vond dedominusbij de Prætorianenwacht Cecilianus alleen. De jongen zat zacht snikkende op de bank, met druipende oogen en de Prætorianen poogden hem te troosten: dedecanusdrukte hem tegen zich aan en zei, dat het niet zoû erg zou zijn....—Wat is er? vroeg dedominus, ontsteld.Cecilianus snikte en kon bijna niet spreken. En toen zei dedecanushet.—Het schijnt,dominus, zei dedecanus; dat Cecilius van daag bij den Keizer ontboden is. Nou, dat is toch zoo erg niet....De Keizer is niet altijd kwaad. Hij zal Cecilius hebben willen zien dansen of hooren fluit spelen....—Hij is nog niet terug gekomen, snikte Cecilianus. Hij is al den heelen dag op het Palatium.... Nu is het er al lang donker en alles is toe. Hij komt van avond niet terug.... De edele Crispina was ook ongerust....—Cecilius! stamelde doodsbleek dedominus. Cecilius bij den Keizer! Hoe is dat gebeurd?!—Het is die edele Crispinus, zei snikkend Cecilianus, terwijl de soldaten meêlijdend den jongen omringden. We waren samen ’s morgens in ons kamertje—het was zoò vervelend en je weet nooit wat te doen—en toen kwam Crispinus, en die zei, dat Cecilius meê met hem moest. Waarheen, vroeg ik. Naar den Keizer, zei Crispinus. Crispina kwam ook en die was heel boos.... Maar Crispinus beval Cecilius meê te komen. Ik vroeg, ofikdan met mijn broêrtje meê mocht.... Maar Crispinus zei van neen, en dat ik misschien een anderen keer mocht komen. Hij noemde ons de Tarbotjes.—Nou, dat deed die maar voor de grap, troostten de Prætorianen.—Neen, zei Cecilianus, schuddend het hoofd. Dat deed die niet voor de grap. Ik heb hem wel in de gaten. Het is een gemeene schurk, die edele Crispinus.—Sttt! zeiden de Prætorianen. Dat mag je hier zoo niet zeggen....—En ik zeg het toch, zei Cecilianus, steeds snikkend. Het is een gemeene schurk. Die edele Crispinus is een gemeene schurk. Wat hoefde die mijn broêrtje meê te nemen.... Had die mij dan ook maar meê genomen.... Maar hij zei: eén Tarbotje was genoeg....De Prætorianen poogden te lachen.—Jullie moeten niet lachen, zei Cecilianus, boos, de vuisten gebald. Mijn broêrtje is zeker nu dood....!En hij snikte het uit, terwijl dedecanushem troostte.—Neen, neen, zeiden de soldaten.—Decanus, zeide dedominusbleek; ik moet oogenblikkelijk de edele Crispina spreken.—Dominus, zei dedecanus. Dat gaat niet. Het is veel te laat. Kom morgen vroeg; dan kan mijn plaatsvervanger je aankondigen. We weten allemaal wie je bent. En hier, Decius, zal Cecilianus terug brengen naar Crispina’s huis, bij het muurtje, waarover de jongens gewoon zijn te wippen....Den volgenden morgen, vroeg, kwam dedominusterug. De verwisselde wacht wist van het geval. Een Prætoriaan ging met dendominusmeê, om hem aan te kondigen.Crispina ontving hem in hetatrium.—Domina, zeide dedominus. Ik heb gehoord....—Hoe weet je? vroeg Crispina bleek.—Dat doet er niet toe, zei dedominus. Ik weet. Ik weet, dat Cecilius bij den Keizer is. En ik herinner u aan ons contract.Crispinus verscheen uit zijn kamer, ongekleed, de haren verward.—Welk contract? vroeg hij.—Dat kan de edele Crispina u zeggen, edele Crispinus. Het contract, tusschen haar en mij gesloten, waarbij zij zich verbindt mij tweehonderd-vijftigduizend sestertiën schadeloosstelling te geven, zoo er eenig nadeel mij wordt berokkend in de persoon van eèn der beide jongens.—Wàt!? riep Crispinus razend uit. Is dat waàr? Toon dat contract!—De edele Crispina kan u het hare toonen; het mijne berust op veilige plaats.—Toon dat contract! raasde Crispinus tot zijn zuster. Ben jij gek geweest?! Heb jij om die bastaards van je bij je te hebben, zoo een contract geteekend?!—Ja! bekende zij, rillend van angst.—Ben jij krankzinnig geslagen!! raasde hij en greep haar ruw de polsen. Toon dat contract! Toòn dat contract!—Het is, als Lavinius het zegt.... Als Cecilius iets overkomt, moet ik honderd-vijf-en-twintig-duizend sestertiën aan dendominusbetalen.—Tweehonderd-vijftigduizend,domina, zei dedominuskoel.—Schadevergoeding voor beiden, vroeg Crispina: zoû toch tweehonderd-vijftigduizend sestertiën zijn?—Lees uw contract nog eens over, zei dedominus. Er staat duidelijk in: in geval er eenig nadeel berokkend wordt in de persoon van éen der aan de edele Crispina verhuurde komedianten, Cecilius en Cecilianus, wordt hundominustoe gezegd een schadevergoeding van tweehonderd....—Toòn dat contract! raasde Crispinus.—Trebellius heeft het gelezen! riep Crispina.—En Labienus Posthumus, zei dedominus.—Toòn dat contract! raasde Crispinus.Crispina liep het huis binnen: zij kwam terug met het contract: Crispinus rukte het haar uit de handen, las het....—Het staàt er! raasde hij. Jij,jijbent gèk,jijkomediantemeid.... Hoe heb je dat dùrven teekenen!Dominus, ik verscheur dat contract! Ik blijf de voogd over mijn zuster: zij kan niets doen zonder mij....—Verscheur het, edele Crispinus, zei dedominus. Verscheur het. Ik heb het mijne. Ik heb aanzienlijke patronen: deprætor, deædilen, de edele Verginius Rufus, de edele Plinius, de edele Frontinus: ik heb hun allen gevraagd hun cliënt te zijn: zij hebben toe gestemd. Ik ben een vrij man, edele Crispinus: verscheur het contract en Rome zal van een proces hooren, dat onder zijn belangrijkste tellen zal. Ik deins voor niets terug. Ik ben misschien onvoorzichtig geweest de tweelingen hier op den Palatinus teverhuren; het geld heeft mij verleid, maar zoo werkelijk iets aan Cecilius geschiedt, dat mij nadeel berokkent, offer ik àl mijn geld, dat ik op verschillende plaatsen in het Romeinsche Rijk heb geborgen, òp om tot mijn doel te geraken.—En als die gelden verbeùrd worden verklaard??Dedominusslaakte een minachtenden grinnik.—Zoò gemakkelijk gaat dat niet door een gunsteling in ongenade. Er is nog recht in Rome, edele Crispinus. Bedenk, ik heb de màchtigste bescherming en zoò de Keizer zich vergrepen heeft aan Cecilius en het kind heeft vermoord, zal hij, al ware het alleen om de zaak te sussen, dit contract handhaven. Weét wel: er waait een nieuwe wind door Rome heen. Pas òp!!En dedominus, den vinger gestrekt, bliksemende oogen, dreigde met autoritairen vinger, zoo als hij dreigde een van zijngrex, den Egyptischen gunsteling-in-ongenade.Crispinus hoorde bevende toe. Zijn oogen loenschten, hij sidderde. Hij geloofde aan zijn noodlot: voorbij was elke goedgunstigheid van het Lot. Wat hij deed, gewerd niet in zijn voordeel. Hij vouwde het contract langzaam op.—De Keizer heeft den knaap niet vermoord, zei hij alleen. De Keizer is ziek en de jongen verstrooit hem. Hij moet voor hem dansen; dat is alles....—Wanneer komt Cecilius terug? smeekte Crispina.—Dat weet ik niet, zei Crispinus somber. Ik dacht, dat hij gisteren avond al terug zoû komen. De Keizer heeft zijn plotse grillen. Toen ik hem sprak van de jongens, herinnerde hij zich die gezien te hebben, in het Theater van Pompeïus. Ik vroeg of hij de jongens wilde zien dansen. „Ja”, zeide hij: „de eene. De oudste. Later de andere....” Keizerlijke gunst,dominus, is niet te verwerpen, ook niet voor een komediant....Zij zagen elkander met woedende oogen aan.—Domina, zeide dedominus; ik wenschCecilianuste zien.Zijn toon was hoog, als van een meester.—Kom meê, zeide Crispina.Zij geleidde hem de smalle gang door langs den rooden fresco-wand. Zij opende hem de deur van het sierlijke kamertje.—Cecilianus, zeide zij zacht; hier is dedominus.De jongen lag op bed. Hij was niet opgestaan. Hij was bleek, met blauwe kringen de oogen omcirkeld. Hij lag in de weeke weelde van zijn sierlijk bed en kreunde heel zacht.—Wat is er, kind? vroeg dedominus.De jongen bewoog niet....—Ben je ziek?—Ben je ziek, mijn jongen? vroeg Crispina.Cecilianus kreunde.—Wat is er, mijn ventje? vroeg teeder dedominus.—Ik ben ziek.... kreunde de knaap.—Sta je niet op?—Ik kan niet....—Wat heb je?—Ik weet niet.—Sta dan op....—Neen....—Je broêrtje komt gauw terug....De knaap zweég. Crispina bracht hem ooft en gebak. Hij weerde af en weende....—Wat zoû je dan willen? vroeg zij.—Mijn broêrtje.... kreunde hij.—Hij komt gauw terug, verzekerde dedominus. Maar je moet niet ziek worden. Als je niet ziek wordt en Cecilius is terug, dan kom je weêr bij ons, achter de Suburra....—Cecilianus, zei Crispina. Cecilius komt gauw terug. Maar je moet niet ziek worden. Zeg mij, wat wil je, wat kàn ik je geven....—Mijn broêrtje.... kreunde de knaap.En hij lag bewegingloos. Hij sloot de oogen. Het was als stierf hij Hij lag als een witte bloem, die verwelkte. Een lichte rilling, als een koorts, liep hem telkens en telkens over.—Het is hier kil, zei dedominus. Laten wij hem meer naar de zon toe leggen.De zon scheen schuin in hetatrium. Dedominuswilde het bed met den zieken knaap naar de zon toe schuiven....—Neen, kreunde Cecilius....—Waarom niet? vroeg Crispina.—Hier blijven.... kreunde de zieke knaap. Naast het andere bed....En zij zagen nu beiden eerst, dat hij zijn broeders kussen stijf in de armen hield omvat....
XI.De Cerealia waren geweest maar zonder Scenische Spelen, de Floralia waren geweest met Scenische en Circensische Spelen en Mei gloeide over blank Rome, dat de Romeinen verlieten voor Baïae en Antium, de weelderige zomerplaatsen. Maar wie er niet naar Antium en Baïae gingen, dat waren zoo wel de bewoners van de Suburra en hare nieuw gebouwde, omringende straten en dat waren de bewoners van den Palatinus: dat waren de allerhoogste en dat waren de allerminste.De laatste, zij waren het nooit gewoon geweest, Rome voor de zomerwarmte te ontvluchten. Zij genoten hun langere siësta, zij genoten van lui langen avond, als de dauwige koelte zelfs niet zeefde tusschen de nauwe straten en sloppen maar, hoewel loomer en langzamer, gleed hun zelfde leven voort.... De anderen, de Keizer en wie hem omringden, waren zekerlijk wel gewend Rome’s warmte te ontvluchten, ook al lag het Palatium in tuinen en parken op wijden heuvel, omwaaid van koeleren bries. Maar Domitianus was somber en ziek en wilde niet van reize weten en sloot zich op in zijn kamers om den volgenden dag uit te varen als een waanzinnige en een moòrd te bevelen of de Senaat uit te noodigen bij hem te avondmalen in zwart behangen zaal, met lijkbaren als aanligbedden, met verbleekte schedels als schotels en drinkschalen, met zwart gekleede en gemaskerde, demon-achtig dansende slavenals dienaren. En rondom hem bleven, in het Palatium, Crispinus, Sigirinus, Earinus, zijn gunstelingen en zijn nar en Domitia, Domitilla, Fabulla, Crispina, terwijl het gras van de parken verschroeide, de kruinen der ilexen en tamarisken grijs op stonden, overstuiveld van de stof en de laatste rozen aan de struiken stierven en hare verschrompelde bloembladeren rondom strooiden....Crispina, in hare woning, wachtte Lavinius Gabinius, tijdens het warme middaguur. Toen hij binnen gelaten was in hetatrium, zat zij op de rustbank bij het kleinevasculum. Maar mat murmelde de waterstraal, terwijl de zon schuin neêr gleed door de vierkante dakopening en hel glansde over den gloeiend rood geschilderden wand, waarop in fresco het sierlijk „oogbedrog” zich beeldde van zuilen, portieken, bosch en beemd....Dedominusgroette Crispina.—Domina, zeide Lavinius. Ik heb gesproken met de jongens. Zij vermoeden nog altijd niet....—En....—Ik heb hen voor gesteld als ge mij zeidet. Om, zoo lang het de edele Crispina behaagt, in hare dienst te treden alshistrionesen haar verblijf op den Palatinus te veraangenamen met zang en dans en voordracht. Intusschen niet langer dan de zomermaanden duren, daar in het begin van het najaar wij over Sicilië naar Karthago vertrekken.—Wat hebben zij geantwoord....—Zij hebben wel tegen gestribbeld. Zij zijn gewend aan veel vrijheid, die zij begrijpen hier, op den Palatinus, te missen. Ik heb hen echter—daar ik gewoon ben niet te dwingen—over gehaald door hen onder het oog te brengen hoe moeilijk het is voor eendominus-gregiszijncatervate blijven voeden in de maanden, dat er geen Spelen zijn, zelfs al heeft hij geld verdiend in April. Zij hebben toen toe gegeven: alleen....—Alleen?—Zij hebben mij onder het oog gebracht, dat de geldelijke vergoeding, die gij aanboodt om hen te huren, te weinig was.—En....?—Ik meen, dat zij gelijk hebben,domina. Laten wij dus vast stellen, dat gij Cecilius en Cecilianus van mij huurt, maar tegen honderd sestertiën per dag meer dan gij boodt.—Dus tegen driehonderd sestertiën per dag? Je bent duur,dominus, met je slaven.—Het zijn slaven, die mij veel hebben gekost,domina.—Het zijn slaven, dieikje geschonken heb.—Maar die ik heb opgevoed en aan wie geen kosten gespaard zijn. Zij zijn onvergelijkelijk.... Zij zijn éenig.Crispina glimlachte, verteederd.—Ik kan u ze niet verhuren voor minder dan driehonderd sestertiën per dag.—Het is héel veel,dominus. Driehonderd sestertiën per dag om mijn eigen kinderen een tijdje bij mij te hebben! En als ik nu eens Cecilius huurde en dan weêr eens Cecilianus....?—De jongens kunnen niet buiten elkaâr,domina. Ik kan ze niet scheiden. U moet ze beiden te zamen huren of af zien van uw plan.—Het is goed,dominus: ik huur ze dan beiden te zamen. Ik heb ze ook liever beiden te zamen....—Ik heb ons contract mede gebracht,domina.—Ons contract....?—Ja,domina, opgesteld door een man van vertrouwen. Geen processe-jager. Een eerlijk man: Labienus Posthumus; hij helpt mij in Rome met al mijn zaken. Hij heeft het contract opgesteld, waarmede ik mij verbind u Cecilius en Cecilianus te verhuren voor driehonderd sestertiën per dag, met de voorwaarde, dat ik desniettemin over ze beschikken kan zoo ik plotseling, onverwachts,door particulieren te geven Scenische Spelen heb te vertoonen. Terwijl ik tevens in het contract verzekerd ben voor alle schade, die aan Cecilius en Cecilianus tijdens hun verblijf ten uwent zoû kunnen geschieden en mij, hun eigenaar, nadeel berokkenen.—Voor een som van....?—Tweehonderd-vijftigduizend sestertiën....Crispina rees op.—Dat is te veel,dominus, zeide zij. Dat is onzinnig.—Domina, ik kan de jongens dadelijk voor tweehonderd-vijftigduizend sestertiën verkoopen.—Aan wie?—Aan den edelen Sextilianus. Zij zijn dus tweehonderd-vijftigduizend sestertiën waard. U weet zelf, de minste, een beetje mooie en kundige, jonge slaaf is honderdduizend sestertiën waard. Zoo hoog schat ik niet dus Cecilius en Cecilianus.—Wat zoû hun kunnen overkomen?—Ik weet het niet,domina. Misschien niets. Misschien alles. Hier op den Palatinus is zelfs het ademen niet vrij. Overkwam den beiden jongens iets.... wat ook maar, dan zoû ik dat voelen alsdominus-gregisen ook zoû ik dat voelen als pleegvader. Ik hoû van die jongens,domina, zoo als een vader van zijn jongens houdt.... Het zijn brutale broekjes, en als ze iets deden, dat strafwaardig is binnen de keizerlijke muren, dan zoû ik, zoo niet als pleegvader, toch alsdominusschadevergoeding willen ontvangen.—Het is goed,dominus. Toon mij je contract. En laat mij het eerst met mijn broeders cliënt Trebellius door lezen; die helpt ons, als rechtskundige, in vele zaken: dán zal ik het teekenen.Crispina ontbood Trebellius. Een uur later verliet Lavinius Gabinius de Palatijnsche parken met het onderteekend contract op de borst. Hij liep vol zorg, langzaam, naar huis; de zonnige Mei-middag doorstoofde stof-overstuifeld Rome. Thuis gekomen, vondhij den vollerbaas in vollen arbeid: vele uitgehangene toga’s weêrkaatsten den zonneglans op. Dedominusgroette de vollers en volsters, ging de houten trap reeds op....—Dominus, riep op den drempel de vollersbaas hem na.—Wat is er? vroeg dedominus.—Is het nog in orde bij jullie boven?—Hoe meen je?—Is er niet een verzakking of scheuring in de muren zichtbaar?—Ik heb niets gezien!—Neen, ik geloof ook, dat alles in orde is. Gisteren scheen het me toe, dat er hier beneden een scheur was. Ik heb den architect laten komen; die zeide, dat het niets was en heeft het wat bij laten metselen. Weet je, die nieuwe huizen hier, dat is niet allemaal pluis. Die zijn dikwijls zoo maar opgeblazen, uit speculatie, sedert de Thermen van Titus en het Colosseum werden gebouwd. Maar ik geloof, dat dit huis, dat ik gekocht heb, een van de beste is. Niet een van die rommel, zoo als er wel eens ingestort is, hier in de buurt.—Ingestort, vriend voller?—Nou ja, je hoeft niet bang te zijn, hier. Dit is maar vijf verdiepingen hoog. Die anderen waren zeven verdiepingen en heel slecht gebouwd: wat kalk, leem, en splinters en restjes marmer bij elkaâr getrapt. Je houdt dus de kamertjes, tot je naar Karthago gaat, hè? Zoo vroeg mogelijk opzeggen, niet waar?? Het ga je wel,dominus! Of ik het druk heb, noù! Iedereen, nà de feesten heeft vuile toga’s te vollen: ik kan het werk niet àf met mijn knechts.—Kan ik je een paar lui van mij verhuren?—Dát neem ik gaarne aan....—Dan zend ik je Silus en Afer en nog een paar anderen als je wilt.... En dat rekenen we op de huur dan wel af.... Komt in orde....—Goed,dominus, goed, heel graag....Boven vond dedominusvelen van zijngrexin siësta, rug in rug in de broeiwarme kamertjes. Zij hadden niets te doen. Dedominushad niet gaarne, dat ze doelloos rond zwierven in Rome. Hij was bang, dat ze dan, op een goeden dag, zouden verdwijnen. Hij sloot ze dus dikwijls op en als ze zich dan beklaagden, dat ze stikten, liet hij wel weêr eens een paar dagen de deuren open, ook omdat ze toch valsche sleutels hadden of de sloten open braken.... Ja, het was de tijd van rust maar ook van verveling en van armoê, met al die doodeters. Hij maakte wel een kapitaaltje, dedominus, belegd bij vele goede geldmannen en vertrouwbare wisselaars in Antiochië, in Alexandrië, en in Brundizium en in Syracuze, in Rome maar dat geld was toch maar los bezit. Zijngrexbleef zijn voornaamste inkomstenbron maar kostte veel, als ze niet speelden. En honger kon hij ze niet lijden laten. Ze aten dus bij Nilus wat ze wilden. Maar wel verhuurde hij ze wat hij ze verhuren kon. Densenex, zijn eenigen vrijgelatene, betaalde hij niets in dien donderschen vacantie-tijd maar huisvestte en voedde hij toch.... Denadulescenshad hij—zonderfibula—verhuurd aan een patricische vrouw, die dol op hem was geworden. Den „paraziet” en Syrus, den „slave-rol”, had hij verhuurd bij Tryfo, den boekhandelaar, voor een prikje, als kopiïsten: ze schreven beiden netjes en die brachten dus ook wat geld op, net genoeg, dat ze hun eigen levensonderhoud bedropen. Nu had hij Silus en Afer verhuurd aan den voller, om meê te vollen. En Cecilius en Cecilianus....Dedominusmaakte, vol zorg en ook beducht, dat hij ze niet vinden zoû, het kamertje open waar hij sliep met de beide jongens. Waren ze er....? Waarachtig, ze wàren er. Zij zaten op den grond vijgen te eten, dicht tegen elkander aan. Zij hadden geslapen en dachten er eigenlijk juist aan een bad te nemen in de Thermen van Titus: het was nu, na de siësta, het uur, dat de voorname baders kwamen en de jongens, die zich verveelden,hadden gedacht, je kon nooit weten, wie je ontmoette.... Maar jawel, daar kwam juist dedominusthuis.—Jongens, zei dedominusen zette zich, moê, op de eenige schabel bij het kleine tafeltje; ik heb je verhuurd.—Heb je het waarachtig toch gedaan? vroeg verontwaardigd Cecilius.—Ons verhuurd!? verontwaardigde Cecilianus.—Ja, zei dedominus. Aan de edele Crispina.—Aan onze moeder.... dachten de jongens te gelijker tijd, want ze wisten, sedert de eerste voorstelling, er alles van, maar ze zeiden niets.—Aan de edele Crispina, herhaalde dedominus, verwonderd, dat ze niets zeiden. Weet je, jongens, het gaat me aan mijn hart. Ik hoû van jullie als van mijn eigen kinderen, al zijn jullie bengels....—Waarom doe je het dan ook,dominus!—.... lievedominus! vleiden huilerig de jongens en kropen nader en hurkten bij desdominus’ knieën.—Maar jochies, hoor nu toch eens! verontschuldigde zich dedominus. Ik krijg driehonderd sestertiën voor jullie....—Voor hoeveel tijd?—Driehonderd sestertiën per dag!! riep dedominus; zoo als jullie het hebben geraden te vragen.—Ecastor, giechelde Cecilius.—Ecere, giechelde Cecilianus.En zij barstten in lachen uit en buitelden over elkaâr op den grond.—Driehonderd sestertiën! riepen de jongens. Per dag!!En ze keken elkander veel beteekenend aan en riepen:—Ze heeft wat over, om ons te zien!—Die edele Crispina!En ze knipoogden tegen elkaâr en lachten en buitelden en stompten elkaâr in de ribben.Maar toen te gelijker tijd, werden ze ernstig en flikkeflooiden, ieder aan een knie van dendominus.—En krijgen wij ook wat....?—Van die driehonderd....?—.... die driehonderd sestertiën....—.... per dag?—Natuurlijk, zeide dedominus. Jullie krijgen er ook wat van. Als zakgeld. Om vijgen te koopen.—Meer....!—Ja, wat meèr....!—Nu goed, wat meer, gaf dedominustoe. Kom, jullie weten wel, dat ik het goed met je meen. Jullie zijn mijn jongens, hè, mijn lieve, eigen jongens. Wie weet of ik je nog niet eens vrij laat, later, en je na laat wat ik bezit: mijngrex, en de sommetjes, die ik heb gedeponeerd in Alexandrië en Antiochië ...—En in Brundizium!—En ook nog in Syracuze!—Jawel, jullie zijn op de hoogte. Belooft me nu alleen een ding. Weest nu lieve, zoete jongens, op den Palatinus. Dat jullie geen last krijgen en ik geen last krijg. Want als er jullie iets gebeurt, bij Herkles, ik krijg geenasschadevergoeding voor jullie! loog dedominus.De jongens beloofden op te zullen passen, bij de edele Crispina. Zij moesten dien avond gaan.—De voller maakt onze gele jasjes schoon; nou, die zijn eigenlijk op, meende Cecilianus.—Ik zal er eens om vragen, zei Cecilius en wipte op en weg.—Ik ga meê! en ook Cecilianus wipte op.—Ach wàt! riep dedominusen hield hem tegen. Kunnen jullie geen oogenblik buiten elkaâr?? Het is belachelijk!—Ja, je weet, zei Cecilianus; dat we ook altijd het liefst tweeling-rollen spelen: dat vinden we het aardigst....Dedominuskeek Cecilianus een beetje droef lachend, vol zorg, aan. Toen omhelsde hij hem, hield hem lang tegen zich aan, en zuchtte diep.—Wat is er,dominus?Maar dedominuszeide niets.—Wat is er,dominus? vroeg Cecilius, die met de schoone gele jasjes terug kwam.—Niets, jongens, zei dedominus. Zeg, je weet, ik heb jullie per dàg verhuurd.—Ja, per dàg....—.... per dag, natuurlijk.—Ik weet niet hoe lang het duren kan, maar ik moet je nu en dan zien. Jullie zijn slimme rekels; je moet maken, dat ik je, iederen dag, al is het ook maar voor drie minuten, zie.... Want als ik geen vrijgeleide heb, kàn ik niet den Palatinus binnen.—We zullen er voor zorgen, hoor....—Wees maar niet bang, we zullen er voor zorgen....En zij streelden hem om zijn baard, ieder aan een knie. Zij waren het nu, die het hem voor hielden; bedènk toch eens: driehonderd sestertiën per dag! Hij kon den heelengrexdaar voor gedurende een week, twee weken voeden en huisvesten, hùn nog een aardig zakduitje geven en zelfs nog een spaarpenning beleggen bij zijn wisselaar. Het geld spiegelde hun goùd in de oogen. Zij hadden nu in éens lust te gaan.... Zij zouden hun tuniekjes in hun bundeltjes mee nemen naar de Thermen. En hun dubbelfluiten.... Zij gingen nu baden en ze zouden aan Nilus zijn ezel vragen: zij zouden op den ezel naar de Thermen gaan, en van de Thermen op den ezel naar den Palatinus.—Ach, jullie zijn gek! riep dedominus, ontstemd over hun zorgeloosheid en onbekookte uitvallen. En wie moet den ezel terug brengen van den Palatinus? Jullie vallen immers veel te veel op, als je samen op een ezel zit, met je gele jasjes! Dan scheldthet volk je maar na of gooit je met vuil. Jullie moeten te voet, begrijp je en je rustig gedragen op straat. Niet altijd links en rechts kijken, als of jullie wat zoeken.Ze beloofden het. Zij kusten hem: hij bedwong zijn aandoening, duwde ze zelve de deur uit. En alleen in het broeiwarme kamertje bleef hij zitten, op het schabelletje bij het tafeltje. Toen stond hij op; zorg donkerde over zijn voorhoofd. En hij rolde hun beide matrasjes op en zette die in een hoek. En hij zag uit het eene opene, glaslooze raampje; dat zag uit over de Suburra, de Carinæ en het Forum heen, in de richting van den Palatinus en den Capitolinus.... Achter den tempel van Jupiter Capitolinus daalde de zon in een wijde stofpoeïering van gouden atomen, in een stralenkrans van wemelend goudstof. En doelloos, verdrietig, en de zorg zwaar op zijn borst, stond hij te staren, hij wist niet waarheen, hij wist niet waarom, stond hij te staren, tot de schemering viel.
De Cerealia waren geweest maar zonder Scenische Spelen, de Floralia waren geweest met Scenische en Circensische Spelen en Mei gloeide over blank Rome, dat de Romeinen verlieten voor Baïae en Antium, de weelderige zomerplaatsen. Maar wie er niet naar Antium en Baïae gingen, dat waren zoo wel de bewoners van de Suburra en hare nieuw gebouwde, omringende straten en dat waren de bewoners van den Palatinus: dat waren de allerhoogste en dat waren de allerminste.
De laatste, zij waren het nooit gewoon geweest, Rome voor de zomerwarmte te ontvluchten. Zij genoten hun langere siësta, zij genoten van lui langen avond, als de dauwige koelte zelfs niet zeefde tusschen de nauwe straten en sloppen maar, hoewel loomer en langzamer, gleed hun zelfde leven voort.... De anderen, de Keizer en wie hem omringden, waren zekerlijk wel gewend Rome’s warmte te ontvluchten, ook al lag het Palatium in tuinen en parken op wijden heuvel, omwaaid van koeleren bries. Maar Domitianus was somber en ziek en wilde niet van reize weten en sloot zich op in zijn kamers om den volgenden dag uit te varen als een waanzinnige en een moòrd te bevelen of de Senaat uit te noodigen bij hem te avondmalen in zwart behangen zaal, met lijkbaren als aanligbedden, met verbleekte schedels als schotels en drinkschalen, met zwart gekleede en gemaskerde, demon-achtig dansende slavenals dienaren. En rondom hem bleven, in het Palatium, Crispinus, Sigirinus, Earinus, zijn gunstelingen en zijn nar en Domitia, Domitilla, Fabulla, Crispina, terwijl het gras van de parken verschroeide, de kruinen der ilexen en tamarisken grijs op stonden, overstuiveld van de stof en de laatste rozen aan de struiken stierven en hare verschrompelde bloembladeren rondom strooiden....
Crispina, in hare woning, wachtte Lavinius Gabinius, tijdens het warme middaguur. Toen hij binnen gelaten was in hetatrium, zat zij op de rustbank bij het kleinevasculum. Maar mat murmelde de waterstraal, terwijl de zon schuin neêr gleed door de vierkante dakopening en hel glansde over den gloeiend rood geschilderden wand, waarop in fresco het sierlijk „oogbedrog” zich beeldde van zuilen, portieken, bosch en beemd....
Dedominusgroette Crispina.
—Domina, zeide Lavinius. Ik heb gesproken met de jongens. Zij vermoeden nog altijd niet....
—En....
—Ik heb hen voor gesteld als ge mij zeidet. Om, zoo lang het de edele Crispina behaagt, in hare dienst te treden alshistrionesen haar verblijf op den Palatinus te veraangenamen met zang en dans en voordracht. Intusschen niet langer dan de zomermaanden duren, daar in het begin van het najaar wij over Sicilië naar Karthago vertrekken.
—Wat hebben zij geantwoord....
—Zij hebben wel tegen gestribbeld. Zij zijn gewend aan veel vrijheid, die zij begrijpen hier, op den Palatinus, te missen. Ik heb hen echter—daar ik gewoon ben niet te dwingen—over gehaald door hen onder het oog te brengen hoe moeilijk het is voor eendominus-gregiszijncatervate blijven voeden in de maanden, dat er geen Spelen zijn, zelfs al heeft hij geld verdiend in April. Zij hebben toen toe gegeven: alleen....
—Alleen?
—Zij hebben mij onder het oog gebracht, dat de geldelijke vergoeding, die gij aanboodt om hen te huren, te weinig was.
—En....?
—Ik meen, dat zij gelijk hebben,domina. Laten wij dus vast stellen, dat gij Cecilius en Cecilianus van mij huurt, maar tegen honderd sestertiën per dag meer dan gij boodt.
—Dus tegen driehonderd sestertiën per dag? Je bent duur,dominus, met je slaven.
—Het zijn slaven, die mij veel hebben gekost,domina.
—Het zijn slaven, dieikje geschonken heb.
—Maar die ik heb opgevoed en aan wie geen kosten gespaard zijn. Zij zijn onvergelijkelijk.... Zij zijn éenig.
Crispina glimlachte, verteederd.
—Ik kan u ze niet verhuren voor minder dan driehonderd sestertiën per dag.
—Het is héel veel,dominus. Driehonderd sestertiën per dag om mijn eigen kinderen een tijdje bij mij te hebben! En als ik nu eens Cecilius huurde en dan weêr eens Cecilianus....?
—De jongens kunnen niet buiten elkaâr,domina. Ik kan ze niet scheiden. U moet ze beiden te zamen huren of af zien van uw plan.
—Het is goed,dominus: ik huur ze dan beiden te zamen. Ik heb ze ook liever beiden te zamen....
—Ik heb ons contract mede gebracht,domina.
—Ons contract....?
—Ja,domina, opgesteld door een man van vertrouwen. Geen processe-jager. Een eerlijk man: Labienus Posthumus; hij helpt mij in Rome met al mijn zaken. Hij heeft het contract opgesteld, waarmede ik mij verbind u Cecilius en Cecilianus te verhuren voor driehonderd sestertiën per dag, met de voorwaarde, dat ik desniettemin over ze beschikken kan zoo ik plotseling, onverwachts,door particulieren te geven Scenische Spelen heb te vertoonen. Terwijl ik tevens in het contract verzekerd ben voor alle schade, die aan Cecilius en Cecilianus tijdens hun verblijf ten uwent zoû kunnen geschieden en mij, hun eigenaar, nadeel berokkenen.
—Voor een som van....?
—Tweehonderd-vijftigduizend sestertiën....
Crispina rees op.
—Dat is te veel,dominus, zeide zij. Dat is onzinnig.
—Domina, ik kan de jongens dadelijk voor tweehonderd-vijftigduizend sestertiën verkoopen.
—Aan wie?
—Aan den edelen Sextilianus. Zij zijn dus tweehonderd-vijftigduizend sestertiën waard. U weet zelf, de minste, een beetje mooie en kundige, jonge slaaf is honderdduizend sestertiën waard. Zoo hoog schat ik niet dus Cecilius en Cecilianus.
—Wat zoû hun kunnen overkomen?
—Ik weet het niet,domina. Misschien niets. Misschien alles. Hier op den Palatinus is zelfs het ademen niet vrij. Overkwam den beiden jongens iets.... wat ook maar, dan zoû ik dat voelen alsdominus-gregisen ook zoû ik dat voelen als pleegvader. Ik hoû van die jongens,domina, zoo als een vader van zijn jongens houdt.... Het zijn brutale broekjes, en als ze iets deden, dat strafwaardig is binnen de keizerlijke muren, dan zoû ik, zoo niet als pleegvader, toch alsdominusschadevergoeding willen ontvangen.
—Het is goed,dominus. Toon mij je contract. En laat mij het eerst met mijn broeders cliënt Trebellius door lezen; die helpt ons, als rechtskundige, in vele zaken: dán zal ik het teekenen.
Crispina ontbood Trebellius. Een uur later verliet Lavinius Gabinius de Palatijnsche parken met het onderteekend contract op de borst. Hij liep vol zorg, langzaam, naar huis; de zonnige Mei-middag doorstoofde stof-overstuifeld Rome. Thuis gekomen, vondhij den vollerbaas in vollen arbeid: vele uitgehangene toga’s weêrkaatsten den zonneglans op. Dedominusgroette de vollers en volsters, ging de houten trap reeds op....
—Dominus, riep op den drempel de vollersbaas hem na.
—Wat is er? vroeg dedominus.
—Is het nog in orde bij jullie boven?
—Hoe meen je?
—Is er niet een verzakking of scheuring in de muren zichtbaar?
—Ik heb niets gezien!
—Neen, ik geloof ook, dat alles in orde is. Gisteren scheen het me toe, dat er hier beneden een scheur was. Ik heb den architect laten komen; die zeide, dat het niets was en heeft het wat bij laten metselen. Weet je, die nieuwe huizen hier, dat is niet allemaal pluis. Die zijn dikwijls zoo maar opgeblazen, uit speculatie, sedert de Thermen van Titus en het Colosseum werden gebouwd. Maar ik geloof, dat dit huis, dat ik gekocht heb, een van de beste is. Niet een van die rommel, zoo als er wel eens ingestort is, hier in de buurt.
—Ingestort, vriend voller?
—Nou ja, je hoeft niet bang te zijn, hier. Dit is maar vijf verdiepingen hoog. Die anderen waren zeven verdiepingen en heel slecht gebouwd: wat kalk, leem, en splinters en restjes marmer bij elkaâr getrapt. Je houdt dus de kamertjes, tot je naar Karthago gaat, hè? Zoo vroeg mogelijk opzeggen, niet waar?? Het ga je wel,dominus! Of ik het druk heb, noù! Iedereen, nà de feesten heeft vuile toga’s te vollen: ik kan het werk niet àf met mijn knechts.
—Kan ik je een paar lui van mij verhuren?
—Dát neem ik gaarne aan....
—Dan zend ik je Silus en Afer en nog een paar anderen als je wilt.... En dat rekenen we op de huur dan wel af.... Komt in orde....
—Goed,dominus, goed, heel graag....
Boven vond dedominusvelen van zijngrexin siësta, rug in rug in de broeiwarme kamertjes. Zij hadden niets te doen. Dedominushad niet gaarne, dat ze doelloos rond zwierven in Rome. Hij was bang, dat ze dan, op een goeden dag, zouden verdwijnen. Hij sloot ze dus dikwijls op en als ze zich dan beklaagden, dat ze stikten, liet hij wel weêr eens een paar dagen de deuren open, ook omdat ze toch valsche sleutels hadden of de sloten open braken.... Ja, het was de tijd van rust maar ook van verveling en van armoê, met al die doodeters. Hij maakte wel een kapitaaltje, dedominus, belegd bij vele goede geldmannen en vertrouwbare wisselaars in Antiochië, in Alexandrië, en in Brundizium en in Syracuze, in Rome maar dat geld was toch maar los bezit. Zijngrexbleef zijn voornaamste inkomstenbron maar kostte veel, als ze niet speelden. En honger kon hij ze niet lijden laten. Ze aten dus bij Nilus wat ze wilden. Maar wel verhuurde hij ze wat hij ze verhuren kon. Densenex, zijn eenigen vrijgelatene, betaalde hij niets in dien donderschen vacantie-tijd maar huisvestte en voedde hij toch.... Denadulescenshad hij—zonderfibula—verhuurd aan een patricische vrouw, die dol op hem was geworden. Den „paraziet” en Syrus, den „slave-rol”, had hij verhuurd bij Tryfo, den boekhandelaar, voor een prikje, als kopiïsten: ze schreven beiden netjes en die brachten dus ook wat geld op, net genoeg, dat ze hun eigen levensonderhoud bedropen. Nu had hij Silus en Afer verhuurd aan den voller, om meê te vollen. En Cecilius en Cecilianus....
Dedominusmaakte, vol zorg en ook beducht, dat hij ze niet vinden zoû, het kamertje open waar hij sliep met de beide jongens. Waren ze er....? Waarachtig, ze wàren er. Zij zaten op den grond vijgen te eten, dicht tegen elkander aan. Zij hadden geslapen en dachten er eigenlijk juist aan een bad te nemen in de Thermen van Titus: het was nu, na de siësta, het uur, dat de voorname baders kwamen en de jongens, die zich verveelden,hadden gedacht, je kon nooit weten, wie je ontmoette.... Maar jawel, daar kwam juist dedominusthuis.
—Jongens, zei dedominusen zette zich, moê, op de eenige schabel bij het kleine tafeltje; ik heb je verhuurd.
—Heb je het waarachtig toch gedaan? vroeg verontwaardigd Cecilius.
—Ons verhuurd!? verontwaardigde Cecilianus.
—Ja, zei dedominus. Aan de edele Crispina.
—Aan onze moeder.... dachten de jongens te gelijker tijd, want ze wisten, sedert de eerste voorstelling, er alles van, maar ze zeiden niets.
—Aan de edele Crispina, herhaalde dedominus, verwonderd, dat ze niets zeiden. Weet je, jongens, het gaat me aan mijn hart. Ik hoû van jullie als van mijn eigen kinderen, al zijn jullie bengels....
—Waarom doe je het dan ook,dominus!
—.... lievedominus! vleiden huilerig de jongens en kropen nader en hurkten bij desdominus’ knieën.
—Maar jochies, hoor nu toch eens! verontschuldigde zich dedominus. Ik krijg driehonderd sestertiën voor jullie....
—Voor hoeveel tijd?
—Driehonderd sestertiën per dag!! riep dedominus; zoo als jullie het hebben geraden te vragen.
—Ecastor, giechelde Cecilius.
—Ecere, giechelde Cecilianus.
En zij barstten in lachen uit en buitelden over elkaâr op den grond.
—Driehonderd sestertiën! riepen de jongens. Per dag!!
En ze keken elkander veel beteekenend aan en riepen:
—Ze heeft wat over, om ons te zien!
—Die edele Crispina!
En ze knipoogden tegen elkaâr en lachten en buitelden en stompten elkaâr in de ribben.
Maar toen te gelijker tijd, werden ze ernstig en flikkeflooiden, ieder aan een knie van dendominus.
—En krijgen wij ook wat....?
—Van die driehonderd....?
—.... die driehonderd sestertiën....
—.... per dag?
—Natuurlijk, zeide dedominus. Jullie krijgen er ook wat van. Als zakgeld. Om vijgen te koopen.
—Meer....!
—Ja, wat meèr....!
—Nu goed, wat meer, gaf dedominustoe. Kom, jullie weten wel, dat ik het goed met je meen. Jullie zijn mijn jongens, hè, mijn lieve, eigen jongens. Wie weet of ik je nog niet eens vrij laat, later, en je na laat wat ik bezit: mijngrex, en de sommetjes, die ik heb gedeponeerd in Alexandrië en Antiochië ...
—En in Brundizium!
—En ook nog in Syracuze!
—Jawel, jullie zijn op de hoogte. Belooft me nu alleen een ding. Weest nu lieve, zoete jongens, op den Palatinus. Dat jullie geen last krijgen en ik geen last krijg. Want als er jullie iets gebeurt, bij Herkles, ik krijg geenasschadevergoeding voor jullie! loog dedominus.
De jongens beloofden op te zullen passen, bij de edele Crispina. Zij moesten dien avond gaan.
—De voller maakt onze gele jasjes schoon; nou, die zijn eigenlijk op, meende Cecilianus.
—Ik zal er eens om vragen, zei Cecilius en wipte op en weg.
—Ik ga meê! en ook Cecilianus wipte op.
—Ach wàt! riep dedominusen hield hem tegen. Kunnen jullie geen oogenblik buiten elkaâr?? Het is belachelijk!
—Ja, je weet, zei Cecilianus; dat we ook altijd het liefst tweeling-rollen spelen: dat vinden we het aardigst....
Dedominuskeek Cecilianus een beetje droef lachend, vol zorg, aan. Toen omhelsde hij hem, hield hem lang tegen zich aan, en zuchtte diep.
—Wat is er,dominus?
Maar dedominuszeide niets.
—Wat is er,dominus? vroeg Cecilius, die met de schoone gele jasjes terug kwam.
—Niets, jongens, zei dedominus. Zeg, je weet, ik heb jullie per dàg verhuurd.
—Ja, per dàg....
—.... per dag, natuurlijk.
—Ik weet niet hoe lang het duren kan, maar ik moet je nu en dan zien. Jullie zijn slimme rekels; je moet maken, dat ik je, iederen dag, al is het ook maar voor drie minuten, zie.... Want als ik geen vrijgeleide heb, kàn ik niet den Palatinus binnen.
—We zullen er voor zorgen, hoor....
—Wees maar niet bang, we zullen er voor zorgen....
En zij streelden hem om zijn baard, ieder aan een knie. Zij waren het nu, die het hem voor hielden; bedènk toch eens: driehonderd sestertiën per dag! Hij kon den heelengrexdaar voor gedurende een week, twee weken voeden en huisvesten, hùn nog een aardig zakduitje geven en zelfs nog een spaarpenning beleggen bij zijn wisselaar. Het geld spiegelde hun goùd in de oogen. Zij hadden nu in éens lust te gaan.... Zij zouden hun tuniekjes in hun bundeltjes mee nemen naar de Thermen. En hun dubbelfluiten.... Zij gingen nu baden en ze zouden aan Nilus zijn ezel vragen: zij zouden op den ezel naar de Thermen gaan, en van de Thermen op den ezel naar den Palatinus.
—Ach, jullie zijn gek! riep dedominus, ontstemd over hun zorgeloosheid en onbekookte uitvallen. En wie moet den ezel terug brengen van den Palatinus? Jullie vallen immers veel te veel op, als je samen op een ezel zit, met je gele jasjes! Dan scheldthet volk je maar na of gooit je met vuil. Jullie moeten te voet, begrijp je en je rustig gedragen op straat. Niet altijd links en rechts kijken, als of jullie wat zoeken.
Ze beloofden het. Zij kusten hem: hij bedwong zijn aandoening, duwde ze zelve de deur uit. En alleen in het broeiwarme kamertje bleef hij zitten, op het schabelletje bij het tafeltje. Toen stond hij op; zorg donkerde over zijn voorhoofd. En hij rolde hun beide matrasjes op en zette die in een hoek. En hij zag uit het eene opene, glaslooze raampje; dat zag uit over de Suburra, de Carinæ en het Forum heen, in de richting van den Palatinus en den Capitolinus.... Achter den tempel van Jupiter Capitolinus daalde de zon in een wijde stofpoeïering van gouden atomen, in een stralenkrans van wemelend goudstof. En doelloos, verdrietig, en de zorg zwaar op zijn borst, stond hij te staren, hij wist niet waarheen, hij wist niet waarom, stond hij te staren, tot de schemering viel.
XII.Het was donker, toen de beide jongens zich aanmeldden aan de poort bij het Septizonium. Er was een wacht van Prætorianen, die zaten te dobbelen, te drinken. Het waren andere soldaten en een anderedecanus, dan die zij gezien hadden dien keer toen zij met Martialis in den draagstoel waren meê gekomen, maar dedecanusen zijn soldaten herkenden hen, van het Theater.—We waren toch geschilderd en met pruiken op? zei Cecilius.—Met van die hooge pruiken op? zei Cecilianus.Het deed er niet toe: dedecanushad hen toch herkend.—Hier zijn onzetesseræ, toonden de jongens twee bronzen penningen, die hun dedominushad gegeven.—Waar moeten jullie heen? vroeg dedecanus, die detesseræaannam.—Naar de edele Crispina.—Blijven jullie niet hier een uurtjesaltatiogeven? schertste dedecanus.Neen, neen, ze moesten naar de edele Crispina.—Decius, zei dedecanustot een Prætoriaan. Leid jij eens die heerschapjes naar de edele Crispina.De soldaat wees den jongens den weg, ging met hen meê, door de donkere parken.—Wat is het hier somber.... zei Cecilius.—Nou, het wordt nacht, zei Decius.—Ja, maar het is hier wèl somber, vond Cecilianus. Met die donkere boomen. Het is hier akelig stil....—Je hoort niets, zei Cecilianus; dan je eigen passen....—De Keizer is ziek, zei Decius; het moet hier stil en rustig zijn.—Hoort de Keizer uit het paleis wat hier gebeurt??—Wat hièr gebeurt??—Muziek zoû die hooren....?—Mag er geen muziek gemaakt worden?—Nou, heel zacht...., zei Decius.—Fluitspel....?—Ja, fluitspel toch wel??—Ja, dat misschien wel.—Is die niet aardig, de Keizer? vroeg Cecilius.—Stt, zei Decius. Wie vraagt nou zoo iets....—Mag Cecilius dat niet vragen? vroeg Cecilianus. Ik had het net ook willen vragen....—We mogen zoo niet over den Keizer praten, zei fluisterend Decius. Maar als die niet boos wordt of driftig, is die niet kwaad.—Houden jullie van den Keizer? vroeg Cecilius.—Degladiatorenhouden wel van hem.... verzekerde Cecilianus. Ik ben niet bang van den Keizer, want Carpoforus zegt, dat hij heél goed is.—Ik ben ook niet bang, zei Cecilius.—Hier woont de edele Crispina, zei Decius en toonde het huis. Hij klopte op de poort van hetatrium.... Een slaaf opende.—De twee komediantjes, zei Decius. Cecilius en Cecilianus....—Komt binnen, noodde de slaaf.—Decius, zei Cecilius. Ben je morgen van dienst aan de poort?—Dat weet ik niet, zei Decius. Waarom?—Ik woû je vragen of je een middel wist om onzendominus....Maar Crispina, uit het huis, was getreden. Decius verdween; de slaaf sloot de deur, met grendels.—Welkom, jongens, zeide Crispina vriendelijk.Zij was hunne moeder, maar de jongens verrieden niet, dat zij wisten, na eerst slechts vermoed te hebben.—Edeledomina.... groetten zij, buigend.Zij hijgde lichtelijk, van aandoening. Zij had hun vader, Manlius, denhistrio, lief gehad. Zij geleken op hem, maar hunne oogen waren de hare. Zij waren beiden heel mooi, heel blond,heelfijn en toch zoo gezond, frisch en jong. Zij waren als groote kinderen, dezecomœdi, die al zoo veel hadden gezien, gezworven, gedaan, ondervonden. Zij voelde in zich een behoefte hen tegen zich aan te drukken. Zij bedwong zich. Zij zette zich neêr op de rustbank. Achter haar brandden enkele pitten aan de verschillende tuiten van de hooge, bronzen lamp.... De duisternis weifelde in hetatrium. Boven, vierkant, nachteblauw, scheen de hemel vèr....—Kom eens hier, zeide Crispina.De jongens naderden, stonden, opzettelijk wat kinderlijker dan zij zich voelden.—Zullen jullie mooi dansen, spelen en zingen? vroeg zij.—Mogen wij zingen,domina?—En spelen....?—Ja.... De Keizer hoort dat niet.... Er mag alleen geen rumoer worden gemaakt....—Het is alles zoo gedrukt, zei Cecilianus.—Ja, zei Cecilius; of je niet adem kan halen....Crispina zag hen aan. Heel haar hart ging naar hen toe. En plotseling bedwong zij zich niet, greep zij hun ieder een hand.—Mijn lieve jongens....! zeide zij, ontroerd.Zij knielden bij haar neêr. Zij deed hen zitten aan hare voeten en zij gedroegen zich als heel zoete jongentjes. Lieten niet merken, dat zij wisten. Zij voelden niets voor deze moeder en vonden haar eigenlijk vermakelijk. En dan, ze gaf driehonderd sestertiën per dag, om ze een tijdje bij zich te hebben.Zij streelde hen over de blonde hoofden, zag hun in de oogen, die schuin, guitig, flonkerden in den lampeschijn. Zij vroeg hun allerlei dingen, waar en wanneer zij het laatst hadden gespeeld, of zij het Theater van Pompeïus niet mooi vonden.... Zij zeide hun, dat zij zoo prachtig waren geweest als de Bacchides.... En zij kuste hen hartstochtelijk. Moederliefde gloeide in haar op, voor deze mooie kinderen, die haar het geluk van haar leven herinnerden en wier vreemde jeugd, half kinderlijk, half pervers, den geur had van het komediante-leven.—Kom meê, zeide zij.Zij ging met hen het huis binnen. Het was een dier bevallige pavillioenen, zoo als er in de keizerlijke parken stonden ten gerieve van hooge hofbeambten. Zij woonde hier met haar broeder Crispinus, hoewel hij meestal op het Palatium zelve toefde. Zij trad eerst een klein, eleganttricliniumbinnen, dikke rozenslingers op den wand geschilderd. Enkele sierlijke schabellen en tafels van citroenhout. Een bronzen Faun, die danste.... Een tapijt van Sidon, Babylonische kussens.... Zij ging met hen een smalle gang door, wees de deuren.—Hier slaap ik, zeide zij. Hier slaapt de edele Crispinus. En hier is jullie kamer....De bronzen lampen waren overal ontstoken: het waren slangenom boomtwijgen of opgerichte, slanke chimera’s, uit wier opene bekken de brandende pitten vlamden als tongen van vuur. En de jongens dachten dadelijk:—.... Zij laat ons niet met de slaven slapen....Neen, zij sliepen niet met de slaven, die achter het bevallige huisje hun ris van vertrekjes hadden, door een smallen, langen tuin gescheiden van het huis zelve. En Crispina voerde hen hunne kamer binnen. Die was de kamer der gasten. Die zag uit, rameloos, op een kleineratrium, maar allersierlijkst den wand geschilderd met „oogbedrog” van zee, lucht, zuilen, dat vaag tusschen de wit bloeiende klimrozen in het avondgeschemer maar even verduidelijkte. Een marmeren dolfijn, in het waterbekken, blies een waterstraal, terwijl hij in zijn opgeheven staart omkrinkeld een Amor hield, die zijn teedere voeten omhoog stak. In de kamer zelve stonden twee lage bedden, met fijn lijnwaad bedekt, met geborduurde kussens, met dekens van kleurigebombyx. Er lag een panthervel. Er brandden de pitten in de bronzen lamp. Er schemerde een metalen spiegel op een rood marmeren tafel, door gebeeldhouwde griffioenen getorst. Aan bronzen haken hingen kleurige kleederen....—Kiest hier uit, zei Crispina; en verkleedt je.... Over een uur komt de Keizerin, en moeten jullie dansen en spelen....De jongens keken om zich rond. Het was in den nachtschemer en lampeschijn een nauwe, beslotene, elegante en geurige weelde. De lampe-olie geurde. Debombyx-dekens voelden aan als een schapenvacht, maar van zij.... Op rood marmeren tafel lagen, tusschen vergulde toiletvoorwerpen, twee vergulde rozenkransen.—Moeten wij die op zetten? vroeg Cecilianus.—Ja, zeide Crispina.Zij zat op een der bedden en zag glimlachend de jongens kijken en vragen. Zij deden het met een zekere bescheidenheid, gewend aan alles. Zij vonden dit alles heel mooi en het was voorhèn.... Een slaaf bracht ooft en gebak op een schaal van verguld en zij aten.—Zullen wij ons nu verkleeden? vroeg Cecilius.—Ja, zeide Crispina. Wil ik een van mijn slavinnen roepen?—Wij kunnen het zelf wel,domina, zei Cecilius.—Ja,domina, wij kunnen het zelf wel, zei Cecilianus.En zij kleedden zich uit, rustig-weg, voor de edele Crispina, die hunne moeder was. Zij stonden naakt en borgen hun eigen plunje, netjes gevouwen, weg. Zij kon haar oogen niet van hen af houden. Zij wieschen zich in een bronzen kom. De lampepitten flikkerden in lichtspelingen over hun blonde naakt. Zij kamden elkaâr voor den spiegel. Zonder er bij te denken, omdat zijhistrioneswaren, verfden zij zich de oogen, de lippen, natuurlijk-weg. Zij wilden kiezen uit de kleederen, die daar hingen.—Blijf liever zoo, zei Crispina.—Het is zoo koud, zoo,domina, zei Cecilianus, even rillende, van de avondkoelte.Zij naderde hen en plots omarmde zij hen beiden, in hare armen. Zij was verliefd op hare kinderen, omdat ze zoo mooi waren. Zij wilde ze een pooze bij zich hebben, omdat ze zoo mooi waren....—Je moet niet koû vatten, zeide zij moederlijk zorgzaam; kleedt je dan maar....En zij hielp ze zelve de tunieken aan te doen, die zij kozen. Het waren zacht malve-kleurige, half zijden, lange tunieken zoo als dehistrionesdie in patricische huizen droegen, de armen, de beenen, de borst verzichtbarend. Zij zocht zelve de schoentjes, die er bij behoorden. Zij strikte zelve de linten om hunne kuiten vast. Deze jongens, zij waren hare kinderen en haar speeltuig, haar pleizier. Zij voelde voor hen wat een meisje voelt voor haar poppen. Haar groote poppen. Zij zette ze nu de vergulde rozekransen op. Zij bewonderde hen.—Blijft nu een oogenblik hier, zeide zij; straks komt de Keizerin....En zij liet ze alleen. Zij zagen elkander aan. En poèften het uit van het lachen....—Stil toch! riep Cecilius, die zelve stil gierde als Cecilianus gierde.—Niet zoo lachen! waarschuwde te gelijker tijd Cecilianus.En zij gierden te zamen, hun vuisten voor den mond.—Hoe vindt je die moèder van ons? en Cecilius hield zijn maag vast en kromp in een.—Wat heeft ze ons gezoènd!.... En met onze schoentjes.... geholpen!!—Hè, ik stik van het lachen!....—Is dat làchen!....—En het is hier zoo benauwd!!—Met dat kleine stukje lucht, daar boven....—Maar het is hier wèl mooi....—Ja, mooi wel! Maar ademen, dat kan je hier niet....—.... kan je hier nièt! Hoe vindt je toch....—.... die moeder van ons!!En ze poèften weêr, tegen elkander aan, in een dollach, dien zij onderdrukten. Plotseling stonden zij, recht, lachten niet meer.Crispina opende de kamerdeur.—De Keizerin is daar. Met Domitilla en Fabulla. Kom....Zij wenkte ze.Zij traden ernstig achter haar aan. Zij waren dadelijk weêr geworden de gehuurde komedianten, die moesten dansen en spelen. Crispina voerde hen in hettriclinium....—Hier zijn ze, Augusta, zei Crispina en toonde de jongens.De vrouwen zaten op rustbank, schabellen. Zij waren de onverdraagbare somberheid van het Palatium ontvlucht. Zij wisten, dat Crispina hare zonen wachtte....—Wetenzijiets? vroeg Domitia, lacherig.—Niets, Augusta, zei Crispina.—Weten zij niets? fluistervroegen Domitilla, Fabulla.—Niets, herhaalde Crispina.Zij zette zich tusschen de anderen in de zoo bevallige beslotenheid van dit kleine vertrek, dat op hetatriumuitkwam. En Crispina beval de jongens te dansen.Zij dansten en floten, om beurt elkaâr begeleidend, op hunne dubbelfluiten. Het was een nacht van vaag licht, zonder maan, zonder sterren; een lucht van damp drukte over de tuinen. En in die grauwheid van atmosfeer, zevende hetatriumbinnen, dansten de jongens. Zij wisten hoe zij hier moesten dansen. Geheel anders dan zij gemimeerd hadden bij den voornamen Plinius.... O, zij doorzagen dadelijk hun volkje! Hier, voor de Keizerin, die denhistrioPâris bemind had, voor die uit hare oogen brandende, magere Domitilla, voor die Fabulla, die zij nooit vergeten konden, hossende op de eene knie van Colosseros en zij beiden op zijn andere knie, voor hun eigen moeder, die hen van de hand had gedaan, toen zij drie jaren waren geweest, dansten zij ànders.... In dit nauwe, sierlijke binnenhofje op den Palatinus, in deze grauwe nacht, die drukte en ontzenuwde—vooral om de nooit wijkende gedachte aan den Keizer in het Palatium....—dansten zij voor deze vrouwen anders dan zij in het zonnige landhuis aan de zee het klassieke spel van Hero en Leandros hadden gemimeerd. Zij floten nu met de lippen nauwelijks hoorbaar, zeér zacht, en zij dansten te zamen hun meest ontroerendenkordax, Attiesch van oorsprong, maar in Klein-Azië gedanst in de krotten en kroegen, door jongens of meisjes. Het was een langzaam wulpsch slepend beweeg en soepel gebreek van wringende ledematen tegen elkander aan, terwijl hunne vingers steeds in elkander bleven en hun lippengefluit meer kreunde van verlangen dan wel melodie ontblies. Uit hunne malve-kleurige, lange tunieken blankten telkens schokkendhunne knieën te voorschijn en hun dans was om hun wringen en buigen en breken en schuiven en schudden obscener en dubbelzinniger dan zoo zij, geheel naakt in de zon, hadden gedanst. Onder hun vergulde rozenkransen smachtten hun oogen. Tot zij wirrelden, als in een zelfde spiraal, die vertrilde en zij stil stonden in elkanders armen.—Wat die jongens dànsen! zei de Keizerin. Ik zoû de heele nacht naar ze kunnen zien!!Domitia, Domitilla, Crispina fluisterden onder elkaâr.... Of zij zouden durven zich vermommen om zich te vermaken in de achterbuurten.—Licht is het er vermakelijker dan op den Palatinus, meende Domitilla. Fabulla, wat meen je?Maar Fabulla was als veranderd. Zij zat meestal stil, naast de anderen.—Jij kènt die buurten, lieve nicht, zei de Keizerin hoog. Jij bent er dikwijls genoeg geweest met Nigrina. Jij moest er ons brengen. Begrijp je.—Ik kom er niet meer, zei Fabulla, bijna weemoedig.—Waarom? vroeg Crispina.—Omdat me dat niet voldoet.... Ik ben treurig den laatsten tijd.... Om Nigrina.... Om allerlei.Zij was treurig ook om haar verdwenen illuzie: die van geen tooneelspeelster te zullen worden. Tevens was zij bang, dat Domitianus, wien zij er eéns over gesproken had, haar nu zoû dwingen de planken te betreden!—Waar ga je dan heen, ’s avonds? vroeg de Keizerin.—Ik ga wel eens naar de Catacomben.... om den heiligen man van de Christenen te hooren....—Er is er een gekomen, zei Domitilla; die in kokende olie is gedompeld geworden.—Die is het, zeide Fabulla.—Dan moet je ons brengen naar dien heiligen man, beval Domitia.—Goed, zeide Fabulla.—Wij hebben donkere mantels, zei Domitilla.Zij stonden reeds op, grepen hare mantels. Om te vergéten wat haar drukte, beangstigde in het Palatium, zochten zij, zochten zij naar telkens andere ontroering.—Ik blijf liever thuis, verontschuldigde zich Crispina.—Moedervreugd! spotte Domitilla.—Stt! smeekte Crispina.Maar de vrouwen lachten en de tweelingen hadden gehoord. Zij lieten dat echter niet merken: zaten, hun giechel bedwingend, nu zoet op den rand van het kleinenymfæum.Domitia, Domitilla, Fabulla gingen, in donkere mantels gehuld. Crispina bleef alleen met de jongens.—Kom hier, zeide zij, gezeten.Zij kwamen, hurkten bij haar neêr.—Ik ben blij, dat jullie hier zijn, zeide zij. Vertel mij van jullie omzwervingen....Zij begonnen te vertellen.... Crispinus, door de poort, door hetatriumkwam binnen. Zij rezen op.—Ik dacht de Keizerin hier te vinden....—Zij is naar de Christenen, met Domitilla en Fabulla.—Fabulla, ja, dat weet ik: diè wordt nog Christin.... Heb je dus je jongens bij je....?—In der Goden naam, Crispinus, smeekte Crispina, in het Grieksch. Wees voorzichtig....Maar de jongens, bescheiden, wendden zich af.—Denk je, dat die jongens geen Grieksch verstaan? lachte Crispinus. Nu, wees niet bang; ik zal niets meer zeggen....En, nu fluisterend, sprak hij over den Keizer. Hij, Crispinus, was in ongenade. De Keizer ontving hem wel, maar....—Oh! riep hij uit. Als ik nog maar eens een Tàrbot of wat ook wist te verzinnen! Ik weet niets meer, ik weet nièts meer....Zij fluisterden te zamen. De ongenade kon ieder oogenblik treffen. En dan, zelfs al liet Domitianus hun het leven, hadden zij niets, stonden zij op straat....De jongens zaten op den rand van hetvasculum.—Cecilius....—Wat, Cecilianus.—Ik verveel me gruwelijk.... Ik woû, dat ik bij Nilus zat, met degladiatoren.—Driehonderd sestertiën per dag....—Nou ja.... Ik verveel me tòch gruwelijk. Bij jou moeder.—Ik ook.... Gruwelijk.... Ik kan hier niet adem halen. Bij jou moeder.—.... Het is hier ook zoo benauwd.—Vreeselijk benauwd.—Ik ben moê.... van verveling....—Ik ook.... Van verveling....—We zullen aan die moeder van jou maar vragen naar bed te gaan.—Ja, we zullen aan die moeder van jou maar vragen naar bed te gaan.Zij stonden, bescheiden, op, naderden.—Domina....—Domina....—Wat is er, jongens?—Vergunt dedomina, dat wij ons....—Ja, dat wij ons terug trekken,domina....Zij mochten zich terug trekken.—Twee mooie Tarbotjes misschien, hoorden zij Crispinus nog zeggen.Het maakte geen indruk op hen. Omdat zij zich zoo gruwelijk verveelden, moê waren van de verveling.—Hoe lang moeten we blijven? vroeg Cecilianus.—Zoo lang mogelijk.... Driehonderd sestertiën per dag....—Driehonderd sestertiën per dag, herhaalde kwijnend Cecilianus, de armen al mat langs zijn lijf.Zij waren nu in hun mooie kamertje en keken rond en keken naar elkaâr.—Het is wel mooi....—Ja, dat wel....—Als je er maar eens ùit kon....—Wat is er achter het muurtje van hetatrium?—Eens kijken....?Zij liepen langs het marmeren dolfijntje, dat in zijn staart een Amor omkrinkeld hield, die de voetjes stak in de lucht. En zij heschen zich op, aan het muurtje.—Pas op je mooie tuniek, zei Cecilius.—Kanmijwat schelen! meende Cecilianus.Ze heschen zich en tuurden uit.—Een gangetje.... zei Cecilius.—Ja, een gangetje.—Een smàl gangetje....—Een heel smal gangetje....—En àchter het gangetje....—Ik denk het park....—Ik denk ook, het park....Zij dachten het zelfde. Wip, zaten zij op het muurtje. Met de malve tunieken aan en de vergulde rozekransen op de blonde bollen. Wip, waren zij in het gangetje. Krr....—Je tuniek scheurt, zei Cecilianus.—Kanmijwat schelen! meende Cecilius.Het gangetje was zeker voor de keukenslaven.... Wip, waren zij op het andere muurtje.... Wip, waren zij er af.In het donker. In het dichte gras....—Het park, geloof ik, zei Cecilius.—Geloof ik ook, zei Cecilianus.Beiden, poogden zij te ademen.—Je kan hier nòg niet ademen, zei Cecilianus. Wat is het toch....?—Ik zal het je zeggen, fluisterde Cecilianus. Het is de Keizer....—Geloof je?—Ja....—Ik geloof het ook: het is de Keizer....—Die is daàr: in het Palatium.—Het is altijd toe....—En donker....Zij liepen den muur van de kleine villa om. Herkenden toen den weg, tusschen de ilexen en tamarisken. Vonden het nu wel een avontuur. Zoo beiden, alleen, in de parken van den Palatinus!—Verbeeldt je, als we in eens den Keizer....—Tegen kwamen??Zij rilden tegen elkaâr, blij om hun vrees, die de verveling verjoeg.—Laten wij eens gaan....?—Ja, juist....Zij wisten waarheen, zonder het elkaâr te zeggen. Naar de poort van het Septizonium.Zij gingen. Als ze nu maar niemand tegen kwamen....? Waarachtig, stappen! Wie kwam daar....! Ze wilden zich verstoppen.—Wie verstoppen zich daar? riep een stem bekend.—Martialis!! riepen zij beiden.—Bèngels, die jullie zijn! Wat doe je hier??Zij zeiden het hem. En dat ze stikten. Zich zoo gruwelijk verveelden....—Pas op, waarschuwde Martialis. Als je hier doet, wat je niet màg.... Wip maar weêr gauw de muurtjes over.... Kwâjongens, die jullie toch zijn....—We moèten de Prætorianen spreken, zei Cecilius.—Om te zeggen van dendominus.... Dat hij ons morgen avond daàr vindt. Bij hun wacht.—Weest maar voorzichtig, bengels....Valete.—Vale, Martialis.Martialis haastte zich, ontboden. De jongens daalden het park af.Zij kwamen aan de poort, nog niet gesloten. Buiten zaten de Prætorianen, op hun bank. Er waren er bij, die zij kenden: er was dedecanusvan den eersten keer....—Nacht,decanus....—Zoo, komen jullie toch eens een kroes wijn meê drinken?Heu, wat zien ze er mooi uit!—Mag ik een stuk brood? vroeg Cecilianus, die op een tafel een soldatenbrood zag.—Prætorianenbrood? vroeg een der soldaten.—Hè ja!—Hè ja!En zij zetten zich schrijlings, in hun malve tunieken, over de bank. Het roode lampje-licht speelde in hun gouden rozen, aan de slapen. Zij knabbelden hartelijk in een homp soldatenbrood en dronken den wat zuren wijn. Zij vonden dien heerlijk. Zij dobbelden meê, hadden wel een paardenariïop zak....—Je hoeft als je verliest niet te betalen, zei dedecanus.En ze vroegen of ze iederen avond even mochten komen....En of dedecanusdendominuswoû waarschuwen........ Bij Nilus of in het huis van den voller.... Dat hij ze hier iederen avond zoû kunnen zien.... De wacht was niet altijdde zelfde? Nou ja.... ze kenden nu bijna àl de Prætorianen van de lijfwacht.... Het mocht wel, hè?Zoû dedecanushet doen....??Dedecanuszoû het doen.—Maar, ventjes, zoodra we stappen hooren.... door het park, of buiten op straat.... als de bliksem in het wachthuis, begrijp je.... En morgen niet met gouden rozen op jullie koppetjes.... Oppassen.... want van nacht wachten we niet minder dan de Keizerin af, die is er met Fabulla en Domitilla van door....—Naar de Christenen maar, zei Cecilianus.
Het was donker, toen de beide jongens zich aanmeldden aan de poort bij het Septizonium. Er was een wacht van Prætorianen, die zaten te dobbelen, te drinken. Het waren andere soldaten en een anderedecanus, dan die zij gezien hadden dien keer toen zij met Martialis in den draagstoel waren meê gekomen, maar dedecanusen zijn soldaten herkenden hen, van het Theater.
—We waren toch geschilderd en met pruiken op? zei Cecilius.
—Met van die hooge pruiken op? zei Cecilianus.
Het deed er niet toe: dedecanushad hen toch herkend.
—Hier zijn onzetesseræ, toonden de jongens twee bronzen penningen, die hun dedominushad gegeven.
—Waar moeten jullie heen? vroeg dedecanus, die detesseræaannam.
—Naar de edele Crispina.
—Blijven jullie niet hier een uurtjesaltatiogeven? schertste dedecanus.
Neen, neen, ze moesten naar de edele Crispina.
—Decius, zei dedecanustot een Prætoriaan. Leid jij eens die heerschapjes naar de edele Crispina.
De soldaat wees den jongens den weg, ging met hen meê, door de donkere parken.
—Wat is het hier somber.... zei Cecilius.
—Nou, het wordt nacht, zei Decius.
—Ja, maar het is hier wèl somber, vond Cecilianus. Met die donkere boomen. Het is hier akelig stil....
—Je hoort niets, zei Cecilianus; dan je eigen passen....
—De Keizer is ziek, zei Decius; het moet hier stil en rustig zijn.
—Hoort de Keizer uit het paleis wat hier gebeurt??
—Wat hièr gebeurt??
—Muziek zoû die hooren....?
—Mag er geen muziek gemaakt worden?
—Nou, heel zacht...., zei Decius.
—Fluitspel....?
—Ja, fluitspel toch wel??
—Ja, dat misschien wel.
—Is die niet aardig, de Keizer? vroeg Cecilius.
—Stt, zei Decius. Wie vraagt nou zoo iets....
—Mag Cecilius dat niet vragen? vroeg Cecilianus. Ik had het net ook willen vragen....
—We mogen zoo niet over den Keizer praten, zei fluisterend Decius. Maar als die niet boos wordt of driftig, is die niet kwaad.
—Houden jullie van den Keizer? vroeg Cecilius.
—Degladiatorenhouden wel van hem.... verzekerde Cecilianus. Ik ben niet bang van den Keizer, want Carpoforus zegt, dat hij heél goed is.
—Ik ben ook niet bang, zei Cecilius.
—Hier woont de edele Crispina, zei Decius en toonde het huis. Hij klopte op de poort van hetatrium.... Een slaaf opende.
—De twee komediantjes, zei Decius. Cecilius en Cecilianus....
—Komt binnen, noodde de slaaf.
—Decius, zei Cecilius. Ben je morgen van dienst aan de poort?
—Dat weet ik niet, zei Decius. Waarom?
—Ik woû je vragen of je een middel wist om onzendominus....
Maar Crispina, uit het huis, was getreden. Decius verdween; de slaaf sloot de deur, met grendels.
—Welkom, jongens, zeide Crispina vriendelijk.
Zij was hunne moeder, maar de jongens verrieden niet, dat zij wisten, na eerst slechts vermoed te hebben.
—Edeledomina.... groetten zij, buigend.
Zij hijgde lichtelijk, van aandoening. Zij had hun vader, Manlius, denhistrio, lief gehad. Zij geleken op hem, maar hunne oogen waren de hare. Zij waren beiden heel mooi, heel blond,heelfijn en toch zoo gezond, frisch en jong. Zij waren als groote kinderen, dezecomœdi, die al zoo veel hadden gezien, gezworven, gedaan, ondervonden. Zij voelde in zich een behoefte hen tegen zich aan te drukken. Zij bedwong zich. Zij zette zich neêr op de rustbank. Achter haar brandden enkele pitten aan de verschillende tuiten van de hooge, bronzen lamp.... De duisternis weifelde in hetatrium. Boven, vierkant, nachteblauw, scheen de hemel vèr....
—Kom eens hier, zeide Crispina.
De jongens naderden, stonden, opzettelijk wat kinderlijker dan zij zich voelden.
—Zullen jullie mooi dansen, spelen en zingen? vroeg zij.
—Mogen wij zingen,domina?
—En spelen....?
—Ja.... De Keizer hoort dat niet.... Er mag alleen geen rumoer worden gemaakt....
—Het is alles zoo gedrukt, zei Cecilianus.
—Ja, zei Cecilius; of je niet adem kan halen....
Crispina zag hen aan. Heel haar hart ging naar hen toe. En plotseling bedwong zij zich niet, greep zij hun ieder een hand.
—Mijn lieve jongens....! zeide zij, ontroerd.
Zij knielden bij haar neêr. Zij deed hen zitten aan hare voeten en zij gedroegen zich als heel zoete jongentjes. Lieten niet merken, dat zij wisten. Zij voelden niets voor deze moeder en vonden haar eigenlijk vermakelijk. En dan, ze gaf driehonderd sestertiën per dag, om ze een tijdje bij zich te hebben.
Zij streelde hen over de blonde hoofden, zag hun in de oogen, die schuin, guitig, flonkerden in den lampeschijn. Zij vroeg hun allerlei dingen, waar en wanneer zij het laatst hadden gespeeld, of zij het Theater van Pompeïus niet mooi vonden.... Zij zeide hun, dat zij zoo prachtig waren geweest als de Bacchides.... En zij kuste hen hartstochtelijk. Moederliefde gloeide in haar op, voor deze mooie kinderen, die haar het geluk van haar leven herinnerden en wier vreemde jeugd, half kinderlijk, half pervers, den geur had van het komediante-leven.
—Kom meê, zeide zij.
Zij ging met hen het huis binnen. Het was een dier bevallige pavillioenen, zoo als er in de keizerlijke parken stonden ten gerieve van hooge hofbeambten. Zij woonde hier met haar broeder Crispinus, hoewel hij meestal op het Palatium zelve toefde. Zij trad eerst een klein, eleganttricliniumbinnen, dikke rozenslingers op den wand geschilderd. Enkele sierlijke schabellen en tafels van citroenhout. Een bronzen Faun, die danste.... Een tapijt van Sidon, Babylonische kussens.... Zij ging met hen een smalle gang door, wees de deuren.
—Hier slaap ik, zeide zij. Hier slaapt de edele Crispinus. En hier is jullie kamer....
De bronzen lampen waren overal ontstoken: het waren slangenom boomtwijgen of opgerichte, slanke chimera’s, uit wier opene bekken de brandende pitten vlamden als tongen van vuur. En de jongens dachten dadelijk:
—.... Zij laat ons niet met de slaven slapen....
Neen, zij sliepen niet met de slaven, die achter het bevallige huisje hun ris van vertrekjes hadden, door een smallen, langen tuin gescheiden van het huis zelve. En Crispina voerde hen hunne kamer binnen. Die was de kamer der gasten. Die zag uit, rameloos, op een kleineratrium, maar allersierlijkst den wand geschilderd met „oogbedrog” van zee, lucht, zuilen, dat vaag tusschen de wit bloeiende klimrozen in het avondgeschemer maar even verduidelijkte. Een marmeren dolfijn, in het waterbekken, blies een waterstraal, terwijl hij in zijn opgeheven staart omkrinkeld een Amor hield, die zijn teedere voeten omhoog stak. In de kamer zelve stonden twee lage bedden, met fijn lijnwaad bedekt, met geborduurde kussens, met dekens van kleurigebombyx. Er lag een panthervel. Er brandden de pitten in de bronzen lamp. Er schemerde een metalen spiegel op een rood marmeren tafel, door gebeeldhouwde griffioenen getorst. Aan bronzen haken hingen kleurige kleederen....
—Kiest hier uit, zei Crispina; en verkleedt je.... Over een uur komt de Keizerin, en moeten jullie dansen en spelen....
De jongens keken om zich rond. Het was in den nachtschemer en lampeschijn een nauwe, beslotene, elegante en geurige weelde. De lampe-olie geurde. Debombyx-dekens voelden aan als een schapenvacht, maar van zij.... Op rood marmeren tafel lagen, tusschen vergulde toiletvoorwerpen, twee vergulde rozenkransen.
—Moeten wij die op zetten? vroeg Cecilianus.
—Ja, zeide Crispina.
Zij zat op een der bedden en zag glimlachend de jongens kijken en vragen. Zij deden het met een zekere bescheidenheid, gewend aan alles. Zij vonden dit alles heel mooi en het was voorhèn.... Een slaaf bracht ooft en gebak op een schaal van verguld en zij aten.
—Zullen wij ons nu verkleeden? vroeg Cecilius.
—Ja, zeide Crispina. Wil ik een van mijn slavinnen roepen?
—Wij kunnen het zelf wel,domina, zei Cecilius.
—Ja,domina, wij kunnen het zelf wel, zei Cecilianus.
En zij kleedden zich uit, rustig-weg, voor de edele Crispina, die hunne moeder was. Zij stonden naakt en borgen hun eigen plunje, netjes gevouwen, weg. Zij kon haar oogen niet van hen af houden. Zij wieschen zich in een bronzen kom. De lampepitten flikkerden in lichtspelingen over hun blonde naakt. Zij kamden elkaâr voor den spiegel. Zonder er bij te denken, omdat zijhistrioneswaren, verfden zij zich de oogen, de lippen, natuurlijk-weg. Zij wilden kiezen uit de kleederen, die daar hingen.
—Blijf liever zoo, zei Crispina.
—Het is zoo koud, zoo,domina, zei Cecilianus, even rillende, van de avondkoelte.
Zij naderde hen en plots omarmde zij hen beiden, in hare armen. Zij was verliefd op hare kinderen, omdat ze zoo mooi waren. Zij wilde ze een pooze bij zich hebben, omdat ze zoo mooi waren....
—Je moet niet koû vatten, zeide zij moederlijk zorgzaam; kleedt je dan maar....
En zij hielp ze zelve de tunieken aan te doen, die zij kozen. Het waren zacht malve-kleurige, half zijden, lange tunieken zoo als dehistrionesdie in patricische huizen droegen, de armen, de beenen, de borst verzichtbarend. Zij zocht zelve de schoentjes, die er bij behoorden. Zij strikte zelve de linten om hunne kuiten vast. Deze jongens, zij waren hare kinderen en haar speeltuig, haar pleizier. Zij voelde voor hen wat een meisje voelt voor haar poppen. Haar groote poppen. Zij zette ze nu de vergulde rozekransen op. Zij bewonderde hen.
—Blijft nu een oogenblik hier, zeide zij; straks komt de Keizerin....
En zij liet ze alleen. Zij zagen elkander aan. En poèften het uit van het lachen....
—Stil toch! riep Cecilius, die zelve stil gierde als Cecilianus gierde.
—Niet zoo lachen! waarschuwde te gelijker tijd Cecilianus.
En zij gierden te zamen, hun vuisten voor den mond.
—Hoe vindt je die moèder van ons? en Cecilius hield zijn maag vast en kromp in een.
—Wat heeft ze ons gezoènd!.... En met onze schoentjes.... geholpen!!
—Hè, ik stik van het lachen!....
—Is dat làchen!....
—En het is hier zoo benauwd!!
—Met dat kleine stukje lucht, daar boven....
—Maar het is hier wèl mooi....
—Ja, mooi wel! Maar ademen, dat kan je hier niet....
—.... kan je hier nièt! Hoe vindt je toch....
—.... die moeder van ons!!
En ze poèften weêr, tegen elkander aan, in een dollach, dien zij onderdrukten. Plotseling stonden zij, recht, lachten niet meer.
Crispina opende de kamerdeur.
—De Keizerin is daar. Met Domitilla en Fabulla. Kom....
Zij wenkte ze.
Zij traden ernstig achter haar aan. Zij waren dadelijk weêr geworden de gehuurde komedianten, die moesten dansen en spelen. Crispina voerde hen in hettriclinium....
—Hier zijn ze, Augusta, zei Crispina en toonde de jongens.
De vrouwen zaten op rustbank, schabellen. Zij waren de onverdraagbare somberheid van het Palatium ontvlucht. Zij wisten, dat Crispina hare zonen wachtte....
—Wetenzijiets? vroeg Domitia, lacherig.
—Niets, Augusta, zei Crispina.
—Weten zij niets? fluistervroegen Domitilla, Fabulla.
—Niets, herhaalde Crispina.
Zij zette zich tusschen de anderen in de zoo bevallige beslotenheid van dit kleine vertrek, dat op hetatriumuitkwam. En Crispina beval de jongens te dansen.
Zij dansten en floten, om beurt elkaâr begeleidend, op hunne dubbelfluiten. Het was een nacht van vaag licht, zonder maan, zonder sterren; een lucht van damp drukte over de tuinen. En in die grauwheid van atmosfeer, zevende hetatriumbinnen, dansten de jongens. Zij wisten hoe zij hier moesten dansen. Geheel anders dan zij gemimeerd hadden bij den voornamen Plinius.... O, zij doorzagen dadelijk hun volkje! Hier, voor de Keizerin, die denhistrioPâris bemind had, voor die uit hare oogen brandende, magere Domitilla, voor die Fabulla, die zij nooit vergeten konden, hossende op de eene knie van Colosseros en zij beiden op zijn andere knie, voor hun eigen moeder, die hen van de hand had gedaan, toen zij drie jaren waren geweest, dansten zij ànders.... In dit nauwe, sierlijke binnenhofje op den Palatinus, in deze grauwe nacht, die drukte en ontzenuwde—vooral om de nooit wijkende gedachte aan den Keizer in het Palatium....—dansten zij voor deze vrouwen anders dan zij in het zonnige landhuis aan de zee het klassieke spel van Hero en Leandros hadden gemimeerd. Zij floten nu met de lippen nauwelijks hoorbaar, zeér zacht, en zij dansten te zamen hun meest ontroerendenkordax, Attiesch van oorsprong, maar in Klein-Azië gedanst in de krotten en kroegen, door jongens of meisjes. Het was een langzaam wulpsch slepend beweeg en soepel gebreek van wringende ledematen tegen elkander aan, terwijl hunne vingers steeds in elkander bleven en hun lippengefluit meer kreunde van verlangen dan wel melodie ontblies. Uit hunne malve-kleurige, lange tunieken blankten telkens schokkendhunne knieën te voorschijn en hun dans was om hun wringen en buigen en breken en schuiven en schudden obscener en dubbelzinniger dan zoo zij, geheel naakt in de zon, hadden gedanst. Onder hun vergulde rozenkransen smachtten hun oogen. Tot zij wirrelden, als in een zelfde spiraal, die vertrilde en zij stil stonden in elkanders armen.
—Wat die jongens dànsen! zei de Keizerin. Ik zoû de heele nacht naar ze kunnen zien!!
Domitia, Domitilla, Crispina fluisterden onder elkaâr.... Of zij zouden durven zich vermommen om zich te vermaken in de achterbuurten.
—Licht is het er vermakelijker dan op den Palatinus, meende Domitilla. Fabulla, wat meen je?
Maar Fabulla was als veranderd. Zij zat meestal stil, naast de anderen.
—Jij kènt die buurten, lieve nicht, zei de Keizerin hoog. Jij bent er dikwijls genoeg geweest met Nigrina. Jij moest er ons brengen. Begrijp je.
—Ik kom er niet meer, zei Fabulla, bijna weemoedig.
—Waarom? vroeg Crispina.
—Omdat me dat niet voldoet.... Ik ben treurig den laatsten tijd.... Om Nigrina.... Om allerlei.
Zij was treurig ook om haar verdwenen illuzie: die van geen tooneelspeelster te zullen worden. Tevens was zij bang, dat Domitianus, wien zij er eéns over gesproken had, haar nu zoû dwingen de planken te betreden!
—Waar ga je dan heen, ’s avonds? vroeg de Keizerin.
—Ik ga wel eens naar de Catacomben.... om den heiligen man van de Christenen te hooren....
—Er is er een gekomen, zei Domitilla; die in kokende olie is gedompeld geworden.
—Die is het, zeide Fabulla.
—Dan moet je ons brengen naar dien heiligen man, beval Domitia.
—Goed, zeide Fabulla.
—Wij hebben donkere mantels, zei Domitilla.
Zij stonden reeds op, grepen hare mantels. Om te vergéten wat haar drukte, beangstigde in het Palatium, zochten zij, zochten zij naar telkens andere ontroering.
—Ik blijf liever thuis, verontschuldigde zich Crispina.
—Moedervreugd! spotte Domitilla.
—Stt! smeekte Crispina.
Maar de vrouwen lachten en de tweelingen hadden gehoord. Zij lieten dat echter niet merken: zaten, hun giechel bedwingend, nu zoet op den rand van het kleinenymfæum.
Domitia, Domitilla, Fabulla gingen, in donkere mantels gehuld. Crispina bleef alleen met de jongens.
—Kom hier, zeide zij, gezeten.
Zij kwamen, hurkten bij haar neêr.
—Ik ben blij, dat jullie hier zijn, zeide zij. Vertel mij van jullie omzwervingen....
Zij begonnen te vertellen.... Crispinus, door de poort, door hetatriumkwam binnen. Zij rezen op.
—Ik dacht de Keizerin hier te vinden....
—Zij is naar de Christenen, met Domitilla en Fabulla.
—Fabulla, ja, dat weet ik: diè wordt nog Christin.... Heb je dus je jongens bij je....?
—In der Goden naam, Crispinus, smeekte Crispina, in het Grieksch. Wees voorzichtig....
Maar de jongens, bescheiden, wendden zich af.
—Denk je, dat die jongens geen Grieksch verstaan? lachte Crispinus. Nu, wees niet bang; ik zal niets meer zeggen....
En, nu fluisterend, sprak hij over den Keizer. Hij, Crispinus, was in ongenade. De Keizer ontving hem wel, maar....
—Oh! riep hij uit. Als ik nog maar eens een Tàrbot of wat ook wist te verzinnen! Ik weet niets meer, ik weet nièts meer....
Zij fluisterden te zamen. De ongenade kon ieder oogenblik treffen. En dan, zelfs al liet Domitianus hun het leven, hadden zij niets, stonden zij op straat....
De jongens zaten op den rand van hetvasculum.
—Cecilius....
—Wat, Cecilianus.
—Ik verveel me gruwelijk.... Ik woû, dat ik bij Nilus zat, met degladiatoren.
—Driehonderd sestertiën per dag....
—Nou ja.... Ik verveel me tòch gruwelijk. Bij jou moeder.
—Ik ook.... Gruwelijk.... Ik kan hier niet adem halen. Bij jou moeder.
—.... Het is hier ook zoo benauwd.
—Vreeselijk benauwd.
—Ik ben moê.... van verveling....
—Ik ook.... Van verveling....
—We zullen aan die moeder van jou maar vragen naar bed te gaan.
—Ja, we zullen aan die moeder van jou maar vragen naar bed te gaan.
Zij stonden, bescheiden, op, naderden.
—Domina....
—Domina....
—Wat is er, jongens?
—Vergunt dedomina, dat wij ons....
—Ja, dat wij ons terug trekken,domina....
Zij mochten zich terug trekken.
—Twee mooie Tarbotjes misschien, hoorden zij Crispinus nog zeggen.
Het maakte geen indruk op hen. Omdat zij zich zoo gruwelijk verveelden, moê waren van de verveling.
—Hoe lang moeten we blijven? vroeg Cecilianus.
—Zoo lang mogelijk.... Driehonderd sestertiën per dag....
—Driehonderd sestertiën per dag, herhaalde kwijnend Cecilianus, de armen al mat langs zijn lijf.
Zij waren nu in hun mooie kamertje en keken rond en keken naar elkaâr.
—Het is wel mooi....
—Ja, dat wel....
—Als je er maar eens ùit kon....
—Wat is er achter het muurtje van hetatrium?
—Eens kijken....?
Zij liepen langs het marmeren dolfijntje, dat in zijn staart een Amor omkrinkeld hield, die de voetjes stak in de lucht. En zij heschen zich op, aan het muurtje.
—Pas op je mooie tuniek, zei Cecilius.
—Kanmijwat schelen! meende Cecilianus.
Ze heschen zich en tuurden uit.
—Een gangetje.... zei Cecilius.
—Ja, een gangetje.
—Een smàl gangetje....
—Een heel smal gangetje....
—En àchter het gangetje....
—Ik denk het park....
—Ik denk ook, het park....
Zij dachten het zelfde. Wip, zaten zij op het muurtje. Met de malve tunieken aan en de vergulde rozekransen op de blonde bollen. Wip, waren zij in het gangetje. Krr....
—Je tuniek scheurt, zei Cecilianus.
—Kanmijwat schelen! meende Cecilius.
Het gangetje was zeker voor de keukenslaven.... Wip, waren zij op het andere muurtje.... Wip, waren zij er af.
In het donker. In het dichte gras....
—Het park, geloof ik, zei Cecilius.
—Geloof ik ook, zei Cecilianus.
Beiden, poogden zij te ademen.
—Je kan hier nòg niet ademen, zei Cecilianus. Wat is het toch....?
—Ik zal het je zeggen, fluisterde Cecilianus. Het is de Keizer....
—Geloof je?
—Ja....
—Ik geloof het ook: het is de Keizer....
—Die is daàr: in het Palatium.
—Het is altijd toe....
—En donker....
Zij liepen den muur van de kleine villa om. Herkenden toen den weg, tusschen de ilexen en tamarisken. Vonden het nu wel een avontuur. Zoo beiden, alleen, in de parken van den Palatinus!
—Verbeeldt je, als we in eens den Keizer....
—Tegen kwamen??
Zij rilden tegen elkaâr, blij om hun vrees, die de verveling verjoeg.
—Laten wij eens gaan....?
—Ja, juist....
Zij wisten waarheen, zonder het elkaâr te zeggen. Naar de poort van het Septizonium.
Zij gingen. Als ze nu maar niemand tegen kwamen....? Waarachtig, stappen! Wie kwam daar....! Ze wilden zich verstoppen.
—Wie verstoppen zich daar? riep een stem bekend.
—Martialis!! riepen zij beiden.
—Bèngels, die jullie zijn! Wat doe je hier??
Zij zeiden het hem. En dat ze stikten. Zich zoo gruwelijk verveelden....
—Pas op, waarschuwde Martialis. Als je hier doet, wat je niet màg.... Wip maar weêr gauw de muurtjes over.... Kwâjongens, die jullie toch zijn....
—We moèten de Prætorianen spreken, zei Cecilius.
—Om te zeggen van dendominus.... Dat hij ons morgen avond daàr vindt. Bij hun wacht.
—Weest maar voorzichtig, bengels....Valete.
—Vale, Martialis.
Martialis haastte zich, ontboden. De jongens daalden het park af.
Zij kwamen aan de poort, nog niet gesloten. Buiten zaten de Prætorianen, op hun bank. Er waren er bij, die zij kenden: er was dedecanusvan den eersten keer....
—Nacht,decanus....
—Zoo, komen jullie toch eens een kroes wijn meê drinken?
Heu, wat zien ze er mooi uit!
—Mag ik een stuk brood? vroeg Cecilianus, die op een tafel een soldatenbrood zag.
—Prætorianenbrood? vroeg een der soldaten.
—Hè ja!
—Hè ja!
En zij zetten zich schrijlings, in hun malve tunieken, over de bank. Het roode lampje-licht speelde in hun gouden rozen, aan de slapen. Zij knabbelden hartelijk in een homp soldatenbrood en dronken den wat zuren wijn. Zij vonden dien heerlijk. Zij dobbelden meê, hadden wel een paardenariïop zak....
—Je hoeft als je verliest niet te betalen, zei dedecanus.
En ze vroegen of ze iederen avond even mochten komen....
En of dedecanusdendominuswoû waarschuwen....
.... Bij Nilus of in het huis van den voller.... Dat hij ze hier iederen avond zoû kunnen zien.... De wacht was niet altijdde zelfde? Nou ja.... ze kenden nu bijna àl de Prætorianen van de lijfwacht.... Het mocht wel, hè?
Zoû dedecanushet doen....??
Dedecanuszoû het doen.
—Maar, ventjes, zoodra we stappen hooren.... door het park, of buiten op straat.... als de bliksem in het wachthuis, begrijp je.... En morgen niet met gouden rozen op jullie koppetjes.... Oppassen.... want van nacht wachten we niet minder dan de Keizerin af, die is er met Fabulla en Domitilla van door....
—Naar de Christenen maar, zei Cecilianus.
XIII.Dedominushoorde er van door dendecanus, die boodschap zond. En hij kwam meestal ’s avonds laat even aan de Prætorianenwacht bij de Septizonische poort, en hij zag dan even de tweelingen. Hij hoorde hunne klachten. Noù, het was me een leven daar in het huis van.... van die edele Crispina! Nu ja, ze sliepen onder dekens vanbombyxen hun kamer was bijna even zoo mooi als hunexostra-kamer in de Bacchides! Zij baadden zich in een bad van porfier en zij aten allerlei fijne dingen. Goden nog toe, hoe zij smachtten naar de kooltjes van Nilus! Ze liepen den geheelen dag in lange, kleurige tunieken en zij hadden niets te doen dan eens wat te zingen, te fluitspelen, te dansen. De Keizerin kwam bijna iederen avond naar hen kijken met Domitilla. Fabulla hadden zij eens weten te vragen of zij nog dacht over het tooneel en verbeeldt je, Fabulla had gezegd, dat het tooneel zòndig was, ja, zòndig, en dat ze Christin was geworden! De beide achterneven van den Keizer, die de edele Quintilianus had opgevoed, waren ook Christen geworden: dat scheen in de lucht te hangen, sedert die heilige man van de Christenen uit de kokende olie ongedeerd was gestapt. Ook de Keizerin ging naar de Christenenhooren. Omdat ze zich zoo verveelde op het Palatium. Noù, zullie verveelden zich ook. Er was niet te àdemen op den Palatinus. Er hing zoo iets angstigs, zoo iets dreigends: dat gaf ze een rilling. ’s Nachts werden ze wakker en luisterden uit.... Dat kwam omdat het stil moest zijn in de parken, zeiden dan de Prætorianen, en omdat de Keizer ziek was. Maar de Keizer was wel goed voor de Prætorianen, zeiden ook de soldaten, en zij hielden van hem. En de jongens zeiden, dat degladiatorenook geen kwaad van den Keizer hooren konden, maar dat het toch niet vroolijk was.... Zij verlangden weg te komen; nou ja, driehonderd sestertiën per dag.... Daar deden ze het ook om. Iederen dag, die er voorbij was, was driehonderd sestertiën waard. Maar ze verveelden zich gruwelijk, net als de Keizerin, en de Christenen, die hadden ze al gezien in de taveerne van Nilus. Zulke trieste smoelen, zoo nooit eens vroolijk. Hè, hoe ze verlangden er eens van door te gaan. Maar ze dorsten niet: ze dorsten alleen dit uurtje, wip over het eene, wip over het andere muurtje en dan zich wat uit rekken, hè-è! bij de Prætorianen, die hen allen kenden. Nou ja, anders was alles in orde en dedominusvertrok en de twee bengels bleven nog wat dobbelen en drinken met de soldaten en slopen dan naar huis, wip over het eene, wip over het andere muurtje....Maar op een avond, einde van Mei, vond dedominusbij de Prætorianenwacht Cecilianus alleen. De jongen zat zacht snikkende op de bank, met druipende oogen en de Prætorianen poogden hem te troosten: dedecanusdrukte hem tegen zich aan en zei, dat het niet zoû erg zou zijn....—Wat is er? vroeg dedominus, ontsteld.Cecilianus snikte en kon bijna niet spreken. En toen zei dedecanushet.—Het schijnt,dominus, zei dedecanus; dat Cecilius van daag bij den Keizer ontboden is. Nou, dat is toch zoo erg niet....De Keizer is niet altijd kwaad. Hij zal Cecilius hebben willen zien dansen of hooren fluit spelen....—Hij is nog niet terug gekomen, snikte Cecilianus. Hij is al den heelen dag op het Palatium.... Nu is het er al lang donker en alles is toe. Hij komt van avond niet terug.... De edele Crispina was ook ongerust....—Cecilius! stamelde doodsbleek dedominus. Cecilius bij den Keizer! Hoe is dat gebeurd?!—Het is die edele Crispinus, zei snikkend Cecilianus, terwijl de soldaten meêlijdend den jongen omringden. We waren samen ’s morgens in ons kamertje—het was zoò vervelend en je weet nooit wat te doen—en toen kwam Crispinus, en die zei, dat Cecilius meê met hem moest. Waarheen, vroeg ik. Naar den Keizer, zei Crispinus. Crispina kwam ook en die was heel boos.... Maar Crispinus beval Cecilius meê te komen. Ik vroeg, ofikdan met mijn broêrtje meê mocht.... Maar Crispinus zei van neen, en dat ik misschien een anderen keer mocht komen. Hij noemde ons de Tarbotjes.—Nou, dat deed die maar voor de grap, troostten de Prætorianen.—Neen, zei Cecilianus, schuddend het hoofd. Dat deed die niet voor de grap. Ik heb hem wel in de gaten. Het is een gemeene schurk, die edele Crispinus.—Sttt! zeiden de Prætorianen. Dat mag je hier zoo niet zeggen....—En ik zeg het toch, zei Cecilianus, steeds snikkend. Het is een gemeene schurk. Die edele Crispinus is een gemeene schurk. Wat hoefde die mijn broêrtje meê te nemen.... Had die mij dan ook maar meê genomen.... Maar hij zei: eén Tarbotje was genoeg....De Prætorianen poogden te lachen.—Jullie moeten niet lachen, zei Cecilianus, boos, de vuisten gebald. Mijn broêrtje is zeker nu dood....!En hij snikte het uit, terwijl dedecanushem troostte.—Neen, neen, zeiden de soldaten.—Decanus, zeide dedominusbleek; ik moet oogenblikkelijk de edele Crispina spreken.—Dominus, zei dedecanus. Dat gaat niet. Het is veel te laat. Kom morgen vroeg; dan kan mijn plaatsvervanger je aankondigen. We weten allemaal wie je bent. En hier, Decius, zal Cecilianus terug brengen naar Crispina’s huis, bij het muurtje, waarover de jongens gewoon zijn te wippen....Den volgenden morgen, vroeg, kwam dedominusterug. De verwisselde wacht wist van het geval. Een Prætoriaan ging met dendominusmeê, om hem aan te kondigen.Crispina ontving hem in hetatrium.—Domina, zeide dedominus. Ik heb gehoord....—Hoe weet je? vroeg Crispina bleek.—Dat doet er niet toe, zei dedominus. Ik weet. Ik weet, dat Cecilius bij den Keizer is. En ik herinner u aan ons contract.Crispinus verscheen uit zijn kamer, ongekleed, de haren verward.—Welk contract? vroeg hij.—Dat kan de edele Crispina u zeggen, edele Crispinus. Het contract, tusschen haar en mij gesloten, waarbij zij zich verbindt mij tweehonderd-vijftigduizend sestertiën schadeloosstelling te geven, zoo er eenig nadeel mij wordt berokkend in de persoon van eèn der beide jongens.—Wàt!? riep Crispinus razend uit. Is dat waàr? Toon dat contract!—De edele Crispina kan u het hare toonen; het mijne berust op veilige plaats.—Toon dat contract! raasde Crispinus tot zijn zuster. Ben jij gek geweest?! Heb jij om die bastaards van je bij je te hebben, zoo een contract geteekend?!—Ja! bekende zij, rillend van angst.—Ben jij krankzinnig geslagen!! raasde hij en greep haar ruw de polsen. Toon dat contract! Toòn dat contract!—Het is, als Lavinius het zegt.... Als Cecilius iets overkomt, moet ik honderd-vijf-en-twintig-duizend sestertiën aan dendominusbetalen.—Tweehonderd-vijftigduizend,domina, zei dedominuskoel.—Schadevergoeding voor beiden, vroeg Crispina: zoû toch tweehonderd-vijftigduizend sestertiën zijn?—Lees uw contract nog eens over, zei dedominus. Er staat duidelijk in: in geval er eenig nadeel berokkend wordt in de persoon van éen der aan de edele Crispina verhuurde komedianten, Cecilius en Cecilianus, wordt hundominustoe gezegd een schadevergoeding van tweehonderd....—Toòn dat contract! raasde Crispinus.—Trebellius heeft het gelezen! riep Crispina.—En Labienus Posthumus, zei dedominus.—Toòn dat contract! raasde Crispinus.Crispina liep het huis binnen: zij kwam terug met het contract: Crispinus rukte het haar uit de handen, las het....—Het staàt er! raasde hij. Jij,jijbent gèk,jijkomediantemeid.... Hoe heb je dat dùrven teekenen!Dominus, ik verscheur dat contract! Ik blijf de voogd over mijn zuster: zij kan niets doen zonder mij....—Verscheur het, edele Crispinus, zei dedominus. Verscheur het. Ik heb het mijne. Ik heb aanzienlijke patronen: deprætor, deædilen, de edele Verginius Rufus, de edele Plinius, de edele Frontinus: ik heb hun allen gevraagd hun cliënt te zijn: zij hebben toe gestemd. Ik ben een vrij man, edele Crispinus: verscheur het contract en Rome zal van een proces hooren, dat onder zijn belangrijkste tellen zal. Ik deins voor niets terug. Ik ben misschien onvoorzichtig geweest de tweelingen hier op den Palatinus teverhuren; het geld heeft mij verleid, maar zoo werkelijk iets aan Cecilius geschiedt, dat mij nadeel berokkent, offer ik àl mijn geld, dat ik op verschillende plaatsen in het Romeinsche Rijk heb geborgen, òp om tot mijn doel te geraken.—En als die gelden verbeùrd worden verklaard??Dedominusslaakte een minachtenden grinnik.—Zoò gemakkelijk gaat dat niet door een gunsteling in ongenade. Er is nog recht in Rome, edele Crispinus. Bedenk, ik heb de màchtigste bescherming en zoò de Keizer zich vergrepen heeft aan Cecilius en het kind heeft vermoord, zal hij, al ware het alleen om de zaak te sussen, dit contract handhaven. Weét wel: er waait een nieuwe wind door Rome heen. Pas òp!!En dedominus, den vinger gestrekt, bliksemende oogen, dreigde met autoritairen vinger, zoo als hij dreigde een van zijngrex, den Egyptischen gunsteling-in-ongenade.Crispinus hoorde bevende toe. Zijn oogen loenschten, hij sidderde. Hij geloofde aan zijn noodlot: voorbij was elke goedgunstigheid van het Lot. Wat hij deed, gewerd niet in zijn voordeel. Hij vouwde het contract langzaam op.—De Keizer heeft den knaap niet vermoord, zei hij alleen. De Keizer is ziek en de jongen verstrooit hem. Hij moet voor hem dansen; dat is alles....—Wanneer komt Cecilius terug? smeekte Crispina.—Dat weet ik niet, zei Crispinus somber. Ik dacht, dat hij gisteren avond al terug zoû komen. De Keizer heeft zijn plotse grillen. Toen ik hem sprak van de jongens, herinnerde hij zich die gezien te hebben, in het Theater van Pompeïus. Ik vroeg of hij de jongens wilde zien dansen. „Ja”, zeide hij: „de eene. De oudste. Later de andere....” Keizerlijke gunst,dominus, is niet te verwerpen, ook niet voor een komediant....Zij zagen elkander met woedende oogen aan.—Domina, zeide dedominus; ik wenschCecilianuste zien.Zijn toon was hoog, als van een meester.—Kom meê, zeide Crispina.Zij geleidde hem de smalle gang door langs den rooden fresco-wand. Zij opende hem de deur van het sierlijke kamertje.—Cecilianus, zeide zij zacht; hier is dedominus.De jongen lag op bed. Hij was niet opgestaan. Hij was bleek, met blauwe kringen de oogen omcirkeld. Hij lag in de weeke weelde van zijn sierlijk bed en kreunde heel zacht.—Wat is er, kind? vroeg dedominus.De jongen bewoog niet....—Ben je ziek?—Ben je ziek, mijn jongen? vroeg Crispina.Cecilianus kreunde.—Wat is er, mijn ventje? vroeg teeder dedominus.—Ik ben ziek.... kreunde de knaap.—Sta je niet op?—Ik kan niet....—Wat heb je?—Ik weet niet.—Sta dan op....—Neen....—Je broêrtje komt gauw terug....De knaap zweég. Crispina bracht hem ooft en gebak. Hij weerde af en weende....—Wat zoû je dan willen? vroeg zij.—Mijn broêrtje.... kreunde hij.—Hij komt gauw terug, verzekerde dedominus. Maar je moet niet ziek worden. Als je niet ziek wordt en Cecilius is terug, dan kom je weêr bij ons, achter de Suburra....—Cecilianus, zei Crispina. Cecilius komt gauw terug. Maar je moet niet ziek worden. Zeg mij, wat wil je, wat kàn ik je geven....—Mijn broêrtje.... kreunde de knaap.En hij lag bewegingloos. Hij sloot de oogen. Het was als stierf hij Hij lag als een witte bloem, die verwelkte. Een lichte rilling, als een koorts, liep hem telkens en telkens over.—Het is hier kil, zei dedominus. Laten wij hem meer naar de zon toe leggen.De zon scheen schuin in hetatrium. Dedominuswilde het bed met den zieken knaap naar de zon toe schuiven....—Neen, kreunde Cecilius....—Waarom niet? vroeg Crispina.—Hier blijven.... kreunde de zieke knaap. Naast het andere bed....En zij zagen nu beiden eerst, dat hij zijn broeders kussen stijf in de armen hield omvat....
Dedominushoorde er van door dendecanus, die boodschap zond. En hij kwam meestal ’s avonds laat even aan de Prætorianenwacht bij de Septizonische poort, en hij zag dan even de tweelingen. Hij hoorde hunne klachten. Noù, het was me een leven daar in het huis van.... van die edele Crispina! Nu ja, ze sliepen onder dekens vanbombyxen hun kamer was bijna even zoo mooi als hunexostra-kamer in de Bacchides! Zij baadden zich in een bad van porfier en zij aten allerlei fijne dingen. Goden nog toe, hoe zij smachtten naar de kooltjes van Nilus! Ze liepen den geheelen dag in lange, kleurige tunieken en zij hadden niets te doen dan eens wat te zingen, te fluitspelen, te dansen. De Keizerin kwam bijna iederen avond naar hen kijken met Domitilla. Fabulla hadden zij eens weten te vragen of zij nog dacht over het tooneel en verbeeldt je, Fabulla had gezegd, dat het tooneel zòndig was, ja, zòndig, en dat ze Christin was geworden! De beide achterneven van den Keizer, die de edele Quintilianus had opgevoed, waren ook Christen geworden: dat scheen in de lucht te hangen, sedert die heilige man van de Christenen uit de kokende olie ongedeerd was gestapt. Ook de Keizerin ging naar de Christenenhooren. Omdat ze zich zoo verveelde op het Palatium. Noù, zullie verveelden zich ook. Er was niet te àdemen op den Palatinus. Er hing zoo iets angstigs, zoo iets dreigends: dat gaf ze een rilling. ’s Nachts werden ze wakker en luisterden uit.... Dat kwam omdat het stil moest zijn in de parken, zeiden dan de Prætorianen, en omdat de Keizer ziek was. Maar de Keizer was wel goed voor de Prætorianen, zeiden ook de soldaten, en zij hielden van hem. En de jongens zeiden, dat degladiatorenook geen kwaad van den Keizer hooren konden, maar dat het toch niet vroolijk was.... Zij verlangden weg te komen; nou ja, driehonderd sestertiën per dag.... Daar deden ze het ook om. Iederen dag, die er voorbij was, was driehonderd sestertiën waard. Maar ze verveelden zich gruwelijk, net als de Keizerin, en de Christenen, die hadden ze al gezien in de taveerne van Nilus. Zulke trieste smoelen, zoo nooit eens vroolijk. Hè, hoe ze verlangden er eens van door te gaan. Maar ze dorsten niet: ze dorsten alleen dit uurtje, wip over het eene, wip over het andere muurtje en dan zich wat uit rekken, hè-è! bij de Prætorianen, die hen allen kenden. Nou ja, anders was alles in orde en dedominusvertrok en de twee bengels bleven nog wat dobbelen en drinken met de soldaten en slopen dan naar huis, wip over het eene, wip over het andere muurtje....
Maar op een avond, einde van Mei, vond dedominusbij de Prætorianenwacht Cecilianus alleen. De jongen zat zacht snikkende op de bank, met druipende oogen en de Prætorianen poogden hem te troosten: dedecanusdrukte hem tegen zich aan en zei, dat het niet zoû erg zou zijn....
—Wat is er? vroeg dedominus, ontsteld.
Cecilianus snikte en kon bijna niet spreken. En toen zei dedecanushet.
—Het schijnt,dominus, zei dedecanus; dat Cecilius van daag bij den Keizer ontboden is. Nou, dat is toch zoo erg niet....De Keizer is niet altijd kwaad. Hij zal Cecilius hebben willen zien dansen of hooren fluit spelen....
—Hij is nog niet terug gekomen, snikte Cecilianus. Hij is al den heelen dag op het Palatium.... Nu is het er al lang donker en alles is toe. Hij komt van avond niet terug.... De edele Crispina was ook ongerust....
—Cecilius! stamelde doodsbleek dedominus. Cecilius bij den Keizer! Hoe is dat gebeurd?!
—Het is die edele Crispinus, zei snikkend Cecilianus, terwijl de soldaten meêlijdend den jongen omringden. We waren samen ’s morgens in ons kamertje—het was zoò vervelend en je weet nooit wat te doen—en toen kwam Crispinus, en die zei, dat Cecilius meê met hem moest. Waarheen, vroeg ik. Naar den Keizer, zei Crispinus. Crispina kwam ook en die was heel boos.... Maar Crispinus beval Cecilius meê te komen. Ik vroeg, ofikdan met mijn broêrtje meê mocht.... Maar Crispinus zei van neen, en dat ik misschien een anderen keer mocht komen. Hij noemde ons de Tarbotjes.
—Nou, dat deed die maar voor de grap, troostten de Prætorianen.
—Neen, zei Cecilianus, schuddend het hoofd. Dat deed die niet voor de grap. Ik heb hem wel in de gaten. Het is een gemeene schurk, die edele Crispinus.
—Sttt! zeiden de Prætorianen. Dat mag je hier zoo niet zeggen....
—En ik zeg het toch, zei Cecilianus, steeds snikkend. Het is een gemeene schurk. Die edele Crispinus is een gemeene schurk. Wat hoefde die mijn broêrtje meê te nemen.... Had die mij dan ook maar meê genomen.... Maar hij zei: eén Tarbotje was genoeg....
De Prætorianen poogden te lachen.
—Jullie moeten niet lachen, zei Cecilianus, boos, de vuisten gebald. Mijn broêrtje is zeker nu dood....!
En hij snikte het uit, terwijl dedecanushem troostte.
—Neen, neen, zeiden de soldaten.
—Decanus, zeide dedominusbleek; ik moet oogenblikkelijk de edele Crispina spreken.
—Dominus, zei dedecanus. Dat gaat niet. Het is veel te laat. Kom morgen vroeg; dan kan mijn plaatsvervanger je aankondigen. We weten allemaal wie je bent. En hier, Decius, zal Cecilianus terug brengen naar Crispina’s huis, bij het muurtje, waarover de jongens gewoon zijn te wippen....
Den volgenden morgen, vroeg, kwam dedominusterug. De verwisselde wacht wist van het geval. Een Prætoriaan ging met dendominusmeê, om hem aan te kondigen.
Crispina ontving hem in hetatrium.
—Domina, zeide dedominus. Ik heb gehoord....
—Hoe weet je? vroeg Crispina bleek.
—Dat doet er niet toe, zei dedominus. Ik weet. Ik weet, dat Cecilius bij den Keizer is. En ik herinner u aan ons contract.
Crispinus verscheen uit zijn kamer, ongekleed, de haren verward.
—Welk contract? vroeg hij.
—Dat kan de edele Crispina u zeggen, edele Crispinus. Het contract, tusschen haar en mij gesloten, waarbij zij zich verbindt mij tweehonderd-vijftigduizend sestertiën schadeloosstelling te geven, zoo er eenig nadeel mij wordt berokkend in de persoon van eèn der beide jongens.
—Wàt!? riep Crispinus razend uit. Is dat waàr? Toon dat contract!
—De edele Crispina kan u het hare toonen; het mijne berust op veilige plaats.
—Toon dat contract! raasde Crispinus tot zijn zuster. Ben jij gek geweest?! Heb jij om die bastaards van je bij je te hebben, zoo een contract geteekend?!
—Ja! bekende zij, rillend van angst.
—Ben jij krankzinnig geslagen!! raasde hij en greep haar ruw de polsen. Toon dat contract! Toòn dat contract!
—Het is, als Lavinius het zegt.... Als Cecilius iets overkomt, moet ik honderd-vijf-en-twintig-duizend sestertiën aan dendominusbetalen.
—Tweehonderd-vijftigduizend,domina, zei dedominuskoel.
—Schadevergoeding voor beiden, vroeg Crispina: zoû toch tweehonderd-vijftigduizend sestertiën zijn?
—Lees uw contract nog eens over, zei dedominus. Er staat duidelijk in: in geval er eenig nadeel berokkend wordt in de persoon van éen der aan de edele Crispina verhuurde komedianten, Cecilius en Cecilianus, wordt hundominustoe gezegd een schadevergoeding van tweehonderd....
—Toòn dat contract! raasde Crispinus.
—Trebellius heeft het gelezen! riep Crispina.
—En Labienus Posthumus, zei dedominus.
—Toòn dat contract! raasde Crispinus.
Crispina liep het huis binnen: zij kwam terug met het contract: Crispinus rukte het haar uit de handen, las het....
—Het staàt er! raasde hij. Jij,jijbent gèk,jijkomediantemeid.... Hoe heb je dat dùrven teekenen!Dominus, ik verscheur dat contract! Ik blijf de voogd over mijn zuster: zij kan niets doen zonder mij....
—Verscheur het, edele Crispinus, zei dedominus. Verscheur het. Ik heb het mijne. Ik heb aanzienlijke patronen: deprætor, deædilen, de edele Verginius Rufus, de edele Plinius, de edele Frontinus: ik heb hun allen gevraagd hun cliënt te zijn: zij hebben toe gestemd. Ik ben een vrij man, edele Crispinus: verscheur het contract en Rome zal van een proces hooren, dat onder zijn belangrijkste tellen zal. Ik deins voor niets terug. Ik ben misschien onvoorzichtig geweest de tweelingen hier op den Palatinus teverhuren; het geld heeft mij verleid, maar zoo werkelijk iets aan Cecilius geschiedt, dat mij nadeel berokkent, offer ik àl mijn geld, dat ik op verschillende plaatsen in het Romeinsche Rijk heb geborgen, òp om tot mijn doel te geraken.
—En als die gelden verbeùrd worden verklaard??
Dedominusslaakte een minachtenden grinnik.
—Zoò gemakkelijk gaat dat niet door een gunsteling in ongenade. Er is nog recht in Rome, edele Crispinus. Bedenk, ik heb de màchtigste bescherming en zoò de Keizer zich vergrepen heeft aan Cecilius en het kind heeft vermoord, zal hij, al ware het alleen om de zaak te sussen, dit contract handhaven. Weét wel: er waait een nieuwe wind door Rome heen. Pas òp!!
En dedominus, den vinger gestrekt, bliksemende oogen, dreigde met autoritairen vinger, zoo als hij dreigde een van zijngrex, den Egyptischen gunsteling-in-ongenade.
Crispinus hoorde bevende toe. Zijn oogen loenschten, hij sidderde. Hij geloofde aan zijn noodlot: voorbij was elke goedgunstigheid van het Lot. Wat hij deed, gewerd niet in zijn voordeel. Hij vouwde het contract langzaam op.
—De Keizer heeft den knaap niet vermoord, zei hij alleen. De Keizer is ziek en de jongen verstrooit hem. Hij moet voor hem dansen; dat is alles....
—Wanneer komt Cecilius terug? smeekte Crispina.
—Dat weet ik niet, zei Crispinus somber. Ik dacht, dat hij gisteren avond al terug zoû komen. De Keizer heeft zijn plotse grillen. Toen ik hem sprak van de jongens, herinnerde hij zich die gezien te hebben, in het Theater van Pompeïus. Ik vroeg of hij de jongens wilde zien dansen. „Ja”, zeide hij: „de eene. De oudste. Later de andere....” Keizerlijke gunst,dominus, is niet te verwerpen, ook niet voor een komediant....
Zij zagen elkander met woedende oogen aan.
—Domina, zeide dedominus; ik wenschCecilianuste zien.
Zijn toon was hoog, als van een meester.
—Kom meê, zeide Crispina.
Zij geleidde hem de smalle gang door langs den rooden fresco-wand. Zij opende hem de deur van het sierlijke kamertje.
—Cecilianus, zeide zij zacht; hier is dedominus.
De jongen lag op bed. Hij was niet opgestaan. Hij was bleek, met blauwe kringen de oogen omcirkeld. Hij lag in de weeke weelde van zijn sierlijk bed en kreunde heel zacht.
—Wat is er, kind? vroeg dedominus.
De jongen bewoog niet....
—Ben je ziek?
—Ben je ziek, mijn jongen? vroeg Crispina.
Cecilianus kreunde.
—Wat is er, mijn ventje? vroeg teeder dedominus.
—Ik ben ziek.... kreunde de knaap.
—Sta je niet op?
—Ik kan niet....
—Wat heb je?
—Ik weet niet.
—Sta dan op....
—Neen....
—Je broêrtje komt gauw terug....
De knaap zweég. Crispina bracht hem ooft en gebak. Hij weerde af en weende....
—Wat zoû je dan willen? vroeg zij.
—Mijn broêrtje.... kreunde hij.
—Hij komt gauw terug, verzekerde dedominus. Maar je moet niet ziek worden. Als je niet ziek wordt en Cecilius is terug, dan kom je weêr bij ons, achter de Suburra....
—Cecilianus, zei Crispina. Cecilius komt gauw terug. Maar je moet niet ziek worden. Zeg mij, wat wil je, wat kàn ik je geven....
—Mijn broêrtje.... kreunde de knaap.
En hij lag bewegingloos. Hij sloot de oogen. Het was als stierf hij Hij lag als een witte bloem, die verwelkte. Een lichte rilling, als een koorts, liep hem telkens en telkens over.
—Het is hier kil, zei dedominus. Laten wij hem meer naar de zon toe leggen.
De zon scheen schuin in hetatrium. Dedominuswilde het bed met den zieken knaap naar de zon toe schuiven....
—Neen, kreunde Cecilius....
—Waarom niet? vroeg Crispina.
—Hier blijven.... kreunde de zieke knaap. Naast het andere bed....
En zij zagen nu beiden eerst, dat hij zijn broeders kussen stijf in de armen hield omvat....