XIX.

XIX.Toen volgde er een vreemde, slepende maand. Het was nog zomer, September, en Plinius toefde nog in Toscane, maar Hermes had, op bevel van zijn meester, dendominusen wie van zijnecatervaover waren, huisvesting aangeboden in de villa aan zee, bij Laurentum. En zij waren daar te zamen, aan het strand, dedominuszittende mismoediglijk op een stuk rots, waar de middagvloed om schuimde, om zich, op het strand, de tweelingen en de tweegladiatoren.... Onder de puinhoopen van het huis was ook de „paraziet” gevonden maar met gebroken beenen en hij werd ook in de villa verzorgd en dedominushad hem metmanumissio„vrijgelaten”, maar hoe zoû hij voortaan,vrij, geen slaaf meer, geen komediant meer, zijn brood verdienen, als Plinius hem niet meê zoû laten eten met zijn eigene slaven?? En mismoedig zat dedominus: geruïneerd was hij, als hij zeide: zijncatervabijna geheel verloren door de vreeslijke ramp: o, hoe zoû hij er ooit boven-op nog komen! Zijn eerste razende wanhoop was tot deze gelaten mismoedigheid vervallen; nu hoopte hij op niets meer, nu bezat hij nièts meer, hoe goed de edele Plinius ook was! En de beidegladiatoren, Colosseros en Carpoforus, die zoo goede vrienden waren geworden, poogden dendominusmoed in te spreken, maar hij schudde mismoedig het hoofd, tot eensklaps Cecilius in viel:—Dominus.... We hebben je nu de heele maand hooren jammeren....—.... ja, jàmmeren, viel Cecilianus in. Maar je moest nu eens naar ons luisteren....—.... naar òns luisteren, poogde Cecilius zijn broêrtje, als een vlieg, het woord af te vangen. Je zegt, dat je niets meer hebt, maar....—Maar je hebt òns, wist Cecilianus Cecilius snel in de rede te vallen. Zijn wij dan niets....?—Verbeeldt je, dat wij niets zouden zijn....!—Ik heb toch geen troèp meer!! riep dedominus. Wat kan ik doen met jullie alleen! De Spelen, die de oude Sextilianus woû geven, zijn al afgesprongen, omdat ik niet aan mijn verplichtingen kon voldoen....—Maar de Spelen in Neapolis....—En in Syracuze....—Kunnen doór....—.... dóór gaan!! beweerden de jongens, die het klaarblijkelijk geheel met elkander al eens waren.—Door gaan? vroeg dedominusverbijsterd, terwijl ook degladiatorenniet heel goed wisten hoe ze het met de jongens hadden.—Door gaan!! meenden Cecilius en Cecilianus beslist.—En mag ik de heeren eens vragen: hoè?? vroeg dedominusmet ironie.De jongens, in het rosroode zand, schoven dichter om hundominus, die op den rots zat. Ook degladiatoren, nieuwsgierig, schoven nader. En de jongens, den eenen wijsvinger tegen den andere gelegd, somden dien armen, radeloozendominushunne bewijsredenen op.—Dominus, zeide Cecilius: je hebt crediet....—.... Crediet, bauwde Cecilianus na; zij lagen beiden, aan desdominus’voeten, die van den een naar den ander zag.—Crediet? vroeg dedominus.—Je wisselaar in Alexandrië heeft zich van kant gemaakt, zei Cecilianus; maar dat heb ik wel altijd gedacht, dat die....—Ja, dat diè op een goeden dag er op de een of andere manier van door zoû gaan, viel Cecilius in. Maar je hebt anders nog wàt aardige sommetjes liggen....—In Antiochië....—In Syracuze.... En de wettige bewijzen daarvan....—Ja, de wèttige bewijzen, was Cecilianus er heel snel bij.—Ben je zoo verstandig geweest aan den edelen Plinius, je patroon....—Ja, je patroon ter bewaring te geven, voor dat het huis....—Vóor dat het huis instortte....Zij keken beiden hundominuszegevierend aan.—Wat meenen jullie? vroeg Lavinius Gabinius, met blik van den een naar den ander.—Daarbij....—Daarbij, gingen die „dondersche jongens” voort.—Heb je den edelen Plinius, je patroon, die je niet....—Neen, noóit in den steek zal laten....—Wat meenen jullie? vroeg weêr Lavinius Gabinius.—Dat je een nièuwe troep, zei Cecilius.—Moest koopen, zei Cecilianus.—Of....—Of....—Minstens huren, bauwden ze, zakelijk, eensgezind, steeds aan desdominus’voeten.—Niet je kop laten hangen,dominus....—Verbeeldt je! Waarom zoû je je kop laten hangen.... We koopen nièuwe komedianten, zei Cecilius.En Cecilianus meende:—Of we huren er....—Ja, we huren er! was Cecilius het eens met zijn broêrtje.—Wè, wè! zei dedominus.—Natuurlijk, wè! zeiden de jongens verontwaardigd. Denk je, dat wij....?—Dat wij....?—Ons als je slàven beschouwen??—We dènken....—Neen, we denken er niet aan! We zijn toch je kinderen?—Je jongens?—Denk je, dat wij ons beschouwen als....—Als....Ze keken elkaâr aan en proestten het uit van het lachen.—De kinderen van....—Van....—De edele Crispina!! schaterden zij het uit.—Dondersche jongens! riep dedominusuit. Hoe weten jullie?—Hoe we het weten....?—Dat komt er niet op aan!—Hoe lang weten jullie....?—Hoe lang we het weten....? Dàt komt....—Neen, er niet op aan!—Ik heb ze nooit iets gezegd, zei Colosseros, verbaasd.—Ik ook niet, zei Carpoforus.—Ze weten altijd alles, verzekerde dedominus. Ze weten precies wèlke „aardige” sommetjes ik in depozito heb gegeven in Syracuze en Antiochië, voor mijn ouden dag, als ik lekker en lui dacht te leven.—Lekker en lui? riepen de jongens. Je bent toch nog geen oudesenex??—Al ben je niet meer eenadulescens!—Mijn armeadulescens!! jammerde dedominus. Hij was een uitstekende komediant en de vrouwen, ach, die mochten hem zoo gaarne! Juist die onheilsnacht was hij terug van zijn patricische beschermster! En dan mijn twee „grijsaards”: de een wordt waarachtig Christen en de ander gaat er van door! En mijn „paraziet”, o Bacchus, mijn „paraziet” ligt met gebroken beenen!!En Lavinius Gabinius sloeg de handen wanhopig op en schudde jammerlijk met zijn hoofd.—Niet jammeren! Niet jammeren! bezwoeren de tweelingen bijna imperatief. Je mag niet jammeren, hoor!—Je hebt òns toch gehouden! zei Cecilius.—Tel je dat heelemaal niet? vroeg Cecilianus.—Als je nog niet dadelijk alle noodige komedianten kunt koopen....—Of huren....—Dan kunnen wij immers....—Wij....—Alle rollen, die je niet bezetten kunt....—Als je ze niet bezetten kunt....—Spelen....—Ja, spelen....—Adulescens,senex....—„Paraziet”....—En Syrus, dien hèbben we als „slave”-rol.... Waar zit die toch??—Syrus!! riep Cecilius.—Syrus!! riep Cecilianus hooger. Kom toch hier! We bespreken hoe we een nieuwen troep....—Zullen samen stellen!! schreeuwde Cecilius, handen aan mond naar Syrus, die aanslenterde, uit zijn celletje.—En dan, zei Cecilianus. Hebben we nog Afer!—Ja, Afer!! juichte Cecilius.—Om de komedianten, als ze slecht spelen, op....—Op hun dònder te komen!! viel Cecilius vol geestkracht uit.—Ja,dominus, je bent soms wèl wat zwak....—Op hun dònder moeten de komedianten meer hebben!—Op hun dònder?? vroeg dedominusverbijsterd, blikkende van den een naar den ander. Degladiatorenhadden schik in de jongens: zij bulderden van het lachen.—Op hun dònder, beaâmden de beide jongens. Syrus, zei Cecilianus....—We gaan een nieuwen troep koopen....—Of huren....Syrus werd ingewijd in de plannen....—Het is waarachtig wel een geniaal denkbeeld,dominus! bewonderde Colosseros.—Er is over te denken, gaf dedominustoe. Er is, bij Herkles, wel over te denken....—Natúurlijk is er over te denken! riepen de jongens te zamen uit.—We gaan naar Neapolis, hoor....—En naar Syracuze....—En naar Karthago!! jubelden zij te gelijker tijd.—Dan zie ik jullie niet weêr, zei Carpoforus.—Als we terug komen, toch wel? zei Cecilianus.De Jager schudde het hoofd.—Neen, mijn kind, zeide hij. Als je weg gaat, zie ik je niet weêr.Zijn stem klonk heel droevig uit zijn ruw baardigen mond.—Carpoforus, riep Cecilius op eens. Heb ik je wel ooit bedànkt....?—O ja, zei Cecilianus; dat je naar den Keizer....?—Voor hèm....?—Voor mij bent gegaan?—Ja, ja, zeide de Jager. Ja, zeker, jongens. Kan je komedianten in Rome huren,dominus?—Dat zoû wel gaan, zei dedominus, zwaar in gedachten verzonken. Lentulus en Latinus hebben een paar goede komediante-slaven voor hetexodium-spel, die ze me misschien voor de tournée zouden kunnen verhuren. Maar eenadulescens! Eensenex!! Een „paraziet”!—Die vinden we wel!—Ja, die vìnden we,dominus....!!De jongens waren opgetogen. Ze stonden op: ze wilden dadelijk naar Rome, naar Lentulus en Latinus, de beide „beroemden” opzoeken.... Zij renden naar den stal, om hun ezels te zadelen.—Gaan jullie meê? vroeg dedominusaan degladiatoren.—Gaan we meê, Jager? raadpleegde Colosseros denlanista.—Wij komen wel later,dominus, zei de Jager. We zien elkaâr wel bij Nilus.—Van avond? Met decena??—Ja, ja....—Die dòndersche jongens!! juichte dedominus. Je weet nóoit welke invallen ze plotseling krijgen! Maar waaràchtig: een nieuwe troep: eriswel over te denken....Hij rende ze achterna, om zijn muil en gebood:—Syrus, zadel jij vlug mijn muil eens!Toen zeide Colosseros tot zijn vriend:—Jager! Waarom kijk je zoo somber....?—Om niets, zei de Jager, ontwijkend.—Zeg je het mij niet, Jager?Toen zeide de Jager het.—Als Cecilianus.... begon hij.—Nou, wat??—Uit Rome weg gaat.... is het metmijgedaan.—Gedaan??—Hij heeft me geluk aangebracht, sedert hij zijn oogen opsloegvoor we de portiek van Octavia binnen kwamen.... Toen ik hem droeg.... nadat hij flauw was gevallen.... om den beer.... op den eersten dag der Megalezia....Colosseros zag zijn vriend verschrikt aan.—Was dat werkelijk zoo? vroeg hij.De Jager knikte.Colosseros zeide niets meer, vol sombere peinzing plotseling over zijn jonge, blauwe jongensoogen. Hij zeide niet, dat hij een zelfde talisman meende gevonden te hebben in Cecilius.... Daar ginds, door de uitgang der villa, zagen zij reeds dendominus, op zijn muil en hem ter zijde bereden de jongens hun ezeltjes, die zij zoo erbarmingloos spoorden, dat de beesten met de achterpooten achter-uit sloegen; de jongens schaterden dan van de pret.XX.Het was veertien dagen voor de kalenden van Oktober en hoewel dedominus, met de zijnen, steeds gastvrijheid had mogen genieten bij den edelen Plinius op de villa bij Laurentum, dien vorigen avond, vooravond van zijn reis naar Neapolis, hadhij bij Nilus tot afscheid vroolijk geavondmaald met alle de vrienden: met degladiatoren, met Taurus, met Gymnazium en Lentulus, Latinus en Thymele en over en weêr waren ontroerde woorden gewisseld, met herinnering aan wie in den ramp waren omgekomen, allen verteederd door het naderend vertrek van Lavinius Gabinius en de zijnen. Ja, hij was er dan toch in geslaagd een paar komedianten te koopen, een paar er te huren: hij zoû ze in Neapolis vinden, waar zij op dit oogenblik nog speelden in particuliere Spelen en hijzelve had zich kort geleden een reiskar gekocht met twee buffels: Syrus en Afer zouden voor zitten en om beurten de beesten mennen, en hijzelve en Cecilius en Cecilianus zouden, met de bagage en de nieuwe tooneelmaskers, die hij van zijn edele patronen, Verginius Rufus, Plinius en Frontinus ten geschenke ontvangen had, het geriefelijk hebben binnen de kar, die, nog niet overhuifd, stond te wachten waar de Suburra zich verbreedde en het voertuig met de breede buffels geen verstopping veroorzaakte. En nu was dan het oogenblik gekomen: in een zonnestraal, daar ginds, stond de reiskar te wachten met Syrus en Afer en alle de meiden zouden dendominusen de jongens er heen geleiden. Ja, goede dagen, slechte dagen, dat had elkander afgewisseld; voor het Ongeval was je nooit beveiligd; een huis in de nieuwe wijk, ja, dat stortte wel eens méer in: je moest maar het leven filozofiesch aanvaarden, zelfs al had de Keizer alle filozofen uit Rome verbannen! Veel was er nog ten goede gewend; veel had er nog veel slechter kunnen afloopen, meende dedominus, met een blik naar de jongens, die zich niet meer herinnerden, dat ze „kwijnende lelies” waren geweest, zoo een pleizier hadden ze in de nieuwe toekomst, in den nieuwen troep, in Karthago, dat ze zouden gaan zien.... Zeker, ze zouden dikwijls naar Rome terug verlangen, naar de worstjes en kooltjes van Nilus en naar hun goede vrienden: degladiatoren.... Maar nu verlangden ze eigenlijk wèg te komen, trots al het goeds, dat ze hadden gehad, trots devilla van Plinius, de vleiende epigrammen van Martialis, trots al het moois, dat die edele Crispina—die moeder van jou, Cecilius; neen van jou, Cecilianus!—hun nog een paar dagen geleden gegeven had: ze verlangden weg te komen ènkel om te veranderen, om Neapolis weêr te zien, waar ze óok degladiatorenkenden, beweerden ze, om Syracuze weêr te zien, waar ze op school waren geweest en om dan eindelijk naar Karthago te gaan waar het weêr zoo heel anders moest zijn dan in Alexandrië en in Rome.En ze waren opgetogen en ze zoenden iedereen tot afscheid, terwijl dedominusomarmde en omhelsde: ze zoenden Gymnazium en haartonstrixen de meiden van Taurus, die op den drempel verschenen; ze zoenden Alexa; ze zoenden slaven en slavinnen....—Wij loopen meê, zei Colosseros.—Wij brengen jullie tot buiten de Porta Capena, zei Carpoforus.—Ik loop ook meê, zei Nilus; ik hoef van daag niet naar de markt.—Nu, dan loopen we allen maar meê! riep Alexa en Gymnazium vond dat uitstekend.En werkelijk, ze liepen allen meê; ze begeleidden dendominusen de jongens naar de reiskar, en toen die waren ingestegen en Afer riep, trekkende aan de leidsels:—Hù! Hù!en de buffels zwaar aantrokken, bleven zij allen, de vrouwen, de mannen meê loopen om het langzaam voort bolderend voertuig. En zoo was er nog altijd de gelegenheid een kwinkslag hier, een grapje daar elkander toe te gooien: ja, het zoû wel een leêgte zijn, meende Alexa, en Gymnazium schertste, dat ze haar twee laatste minnaars verloor in Cecilius en Cecilianus en dat ze het nièt zoû overleven.—Zijn ze dan nu allemaal òp, Gymnazium? plaagde Cecilianus.—.... allemaal òp?? herhaalde, natuurlijk, vragende Cecilius.En Gymnazium beâamde, kluchtiglijk, dat ze allemaal òp waren. Maar tot de vrouwen smoesde ze, dat ze dat héel rustig vond en allen lachten om de voormalige....—Wat is dat daar? vroeg Alexa eensklaps.—Wat is er, wat is er?? vroegen zij allen om rond.Want nu zij in zicht waren gekomen van het Colosseum, trof hen een joelende, schreeuwende, vechtende menigte, die drong aan en golfde terug van den hoogen, vierkanten toren, van het Septizonium, van den Palatinus. En uit de kazernen om het Colosseum drongenhonderdengladiatoren.Carpoforus, Colosseros, ter zijde van den reiswagen loopende, duwden zich baan door de aangroeiende menigte; zij riepen:—Wat is er, jongens, wat is er??En, plotseling, weêrklonk het uit aller kelen van daar ginds af, terwijl de handen krampten de lucht in:—Hij is vermoord! Hij is vermoord!! Domitianus is vermoord door Domitia!—Domitianus is vermoord door Domitilla!—Wreken, wreken wij den Keizer!! riepen degladiatoren, die uit de kazerne stroomden. Hij was goèd voor ons! Hij was goèd voor ons!!—Domitianus is vermoord door de vrouwen op het paleis!—Neen, weêrklonk het uit een andere massa, die van het Forum golfde. Saturius heeft hem vermoord!—Clodianus, zijncornicularius, zijn lijfwacht!—Domitianus is vermoord door Parthenius!!—Wie heeft hem vermoord? Wie heeft hem vermoord?!—Ze hebben hem allemáal vermoord! Hij is vermóórd door Stefanus!!Een ontzettend gekrijsch galmde op. De reiskar met de komediantenwas in het gewoel van het volk als verzwolgen, met andere voertuigen, wagens vol steen en bouwmateriaal. De vrouwen om de kar gilden van angst, maar de menigte brulde juichende op. En het was meer juichen van genot, dat er een hevige gebeurtenis verstoorde den iederen-daagschen gang van het leven dan haat tegen den Keizer, want zóo zeer haatte het volk hem niet: zijne wraaknemingen en de bloedige grillen van zijn vervolgingswaanzin waren steeds meer tegen de Aanzienlijken gericht geweest. En het waren nu ook de Aanzienlijken, die het volk opstookten te getuigen vóor de moordenaars van den Keizer—wie ze dan ook waren—want bij het Septizonium waar langs, in nissen, de beelden des Keizers stonden, bevalen drie, vier Senatoren, gezaghebbend, uitstekende van wijd gebaar tusschen het volk, ladders te halen en de beelden van Domitianus, den boèf, den ellendeling, stùk te slaan tegen den grond.In deze plotse ontteugeling der hartstochten, om de reiskar der komedianten, was een oogenblik Carpoforus wezenloos blijven staan, de vuisten gebald, de oogen als verblind door een razernij, die al zijn bloed hem naar zijn nauwe brein op deed golven. Tot hij eensklaps bulderde tot Colosseros:—Màkker! Màkker!! De Keizer was altijd goèd voor ons! Moeten wij zijn moord niet wrèken op zijn moordenaars ginds, die zijn beelden bevelen stuk te slaan??—Ja! bulderde Colosseros terug. We zullen hem wreken! We zullen hem wreken! Jongens! Makkers! Hièr! Om Carpoforus heen, onzen Jager, onzenlanista! Om den Keizer te wreken! Om Domitianus te wreken!Degladiatorenliepen, zich verzamelend, toe, in de richting der reiskar, waarbij Carpoforus nog stond, bloed-doorschoten zijn oogen. De vrouwen, gillende, met Nilus en Taurus, wilden vluchten, naar de Suburra terug.—Vaarwel,dominus, vaarwel! Jongens, vaarwel! Wie zalzeggen, òf het een gunstige dag is, dat je reis aanvangt! riep Nilus.—We kunnen niet voort! riep Cecilius. Het is maar beter....!—.... beter, dat we blijven!! riep Cecilianus.Carpoforus hoorde hen, terwijl dedominus, besluiteloos, nog niet wist wat Afer, die de buffels mende, te bevelen. Maar de Jager zei:—Dominus, maak een omweg, niet naar de Porta Capena. Rij naar de Porta Asinaria. Van daar bereik je, rechts-af, óok de Via Appia. Ik wensch je gelukkige reis. Ongeluk voor den éen is geluk voor den ander. Vaarwel, jongens. Vaarwel, mijn Cecilianus: vaarwel, mijn zoet kind, lieve jongen. Ik moet dáar heen, met de makkers, om Domitianus te wreken: hij stond, toen ik het vroeg, toe, dat Cecilius terug kwam. Vaarwel.Hij breidde zijn armen uit en over den wand van de kar, smoorde hij den knaap, die was opgestaan, aan zijn borst en wierp hem toen bijna van zich, als kon het, noodlottig, niet anders dan het was en zoû worden.—Vooruit! bulderde hij. Vooruit, makkers! Om den Keizer te wreken!—Om den goddelijken Keizer te wreken!! bulderden alle degladiatorenen zij drongen in de richting van het Septizonium: dePrætorianenstroomden de poort vandentoren uit en uit de nissen slingerden wie op de ladders waren geklommen de borstbeelden des Keizers neêr op wie zijn moord kwamen wreken....Maar dedominushad Afer bevolen de buffels te wenden, het Colosseum om, om den wijden, stoffigen weg van den Cœlius te nemen, die voerde naar de Porta Asinaria....—Zoo komen we ook de stad uit, zei dedominus. Syrus, zijn de nieuwe tooneelmaskers, die de edele patronen me hebbengegeven, nu waarachtig goed ingepakt? Ja, jongens, Rome.... dat is al weêr gedaan! Zoo gaat het leven voort, tusschen al wat de goden ons voor beschikken. Een Keizer vermoord, ach, dat gebeurde wel eens meer in Rome! Dat is niet eens zoo heel erg. Ik weet niet meer hoeveel Keizers er al in Rome niet zijn vermoord! Dat is politiek en daar houdt eendominus-gregiszich niet meê op. Wat zitten jullie zoo benauwd te kijken, jongens, als of je je laatste oortje versnoept hebt?? Ik ben waarachtig vol hoop weêr en jullie hebben zelve, met jullie beidjes, me nieuwe geestkracht gegeven. Maaradulescens-rollen, ja, die moeten jullie in de toekomst er tusschen door spelen, hoor. Soms, komt het er in een stuk van Plautus meer aan op deadulescens-rollen dan op die „eerste-vrouwe”-rollen, die best door een pas beginnend komediantje kunnen worden gespeeld. Al hebben ze niet altijd jullie lieve, mooie bakkessen, mijn jongens. Dus bij je moeder Crispina blijven, daar hadden jullie toch ook geen zin in, hè? Trouwens, je hebt een gelukkige keuze gedaan, door bij mij te blijven; je begrijpt, op het Palatium is het uit met edelen Crispinus en met je moeder vermoedelijk ook.... Had ik maar in Rome een jong slaafje kunnen vinden om te drillen, voor de vrouwerollen, als jullie beidenadulescenszijn.... Bij de goden, zèg toch eens wat, jullie jongens: anders staan jullie snaters niet stil en bauwen jullie elkanders woorden na of je elkander je rollen voor zegt en nu zitten jullie daar met je mondjes vol tanden en met zulke bedremmelde oogen te kijken alsof je geen tien meer kunt tellen! Zijn dat mijn Cecilius en Cecilianus? Vertel dan toch òp: wat is er? Jullie treuren toch niet om den Keizer?—Neen,dominus, begon Cecilianus.—....dominus, herhaalde Cecilius.—Nou wat dan: wat is er dan toch?—Ach, ik dacht zoo.... zei Cecilius.—Ja, ik dacht ook.... zei Cecilianus.—Ik heb eigenlijk nooit Carpoforus....—Neen, ik ook, eigenlijk, heb nooit Carpoforus....—Wat dan toch, jongens?—Bedankt....—Ja.... bedànkt, stamelden de jongens moeilijk.—Bedankt? vroeg dedominus. Waarvoor bedankt?—Ja, dat hij aan den Keizer.... zei Cecilianus, treurig.—Ja, dat hij aan Domitianus....—Toen gevráagd heeft, of....—Ja, of ik terug mocht komen, bij mijn broêrtje....!—Toen ik ziek was....!En de beide jongens vielen elkander in eens grienende in de armen.—Nou, zei dedominustroostelijk. Dat is nou zoo èrg ook niet. Carpoforus, die heeft wel begrepen, dat jullie het heel aardig vonden, dat hij het vroeg. De Keizer was wèl heel goed voor hem en hij had gelijk, van zijn standpunt, dat hij hem met Colosseros en degladiatorenging wreken, al loopt hij gevaar een marmeren borstbeeld tegen zijn kop te krijgen, zoo als ik zag, dat ze uit de nissen van het Septizonium neêr keilden. Ja, jongens, afscheid nemen is àltijd treurig en ook voor vagebonden als wij. En—het is vreemd—ik heb dat altijd als ik weg ga, na mijn Spelen te hebben vertoond en voór dat ik weêr nieuwe vertoon: àls ik dan afscheid neem van de menschen, die om ons waren, en onder wie toch wel goede harten waren, dan is het of er iets in en òm me sterft.... en ach ja, clan denk ik zoo.... Nilus, zelfs die grove Taurus, de meiden, Alexa, Gymnazium....—En Colosseros, zei Cecilius....—En Carpoforus, zei Cecilianus....—.... dat zijn dan vriènden, vrienden gewéest en we zien ze misschien nooit terug maar dat is zoo het leven: de weg gaat voor je ùit naar Neapolis, naar Syracuze, de zee over naar Karthago....vèrder nog de Toekomst te gemoet: ach, en stil er bij blijven staan, wat geeft dat, als wij toch niets weten, als alleen de góden weten wàt er ons wacht aan het einde van dien moeilijken, hobbeligen, stoffigen weg, die aan onzen levensweg wel gelijk...—Dominus, viel Cecilianus hem in de rede; de „Bacchides”....—Jà, riep Cecilius; de „Bacchides”!!—Daar blijven wij toch altijd door de vròuwerollen in spelen??—In de „Bacchides” wel, zei dedominusbeslist.—Maar als we de „Menæchmi” geven, zei Cecilius bedenkelijk.—Ja, de „Menæchmi”, waarinwijde mannen-hoofdrollen, zonder maskers....—Zònder maskers spelen?—Willen we dàn niet snorren en baarden aandoen??—Hè, dat dàcht ik nu juist ook! riep juichend Cecilius. Willen we dàn niet snorren en baarden aan doen?En ze zagen elkander stralende aan, glànzende, lachende door hunne drie laatste tranen heen.—Dat is een idee! Om eens te varieeren met die eeuwige, gladdeadulescens-smoelen! bewonderde dedominus, uit zijn weemoedig wijsgeerige stemming van afscheid en met elk afscheid wat sterven, terwijl de reiskar, door de zwaarwichtige buffels getrokken, langs de diepe, modderige wagensporen langzaam hobbelde van links naar rechts en klakte de zweep van Afer....

XIX.Toen volgde er een vreemde, slepende maand. Het was nog zomer, September, en Plinius toefde nog in Toscane, maar Hermes had, op bevel van zijn meester, dendominusen wie van zijnecatervaover waren, huisvesting aangeboden in de villa aan zee, bij Laurentum. En zij waren daar te zamen, aan het strand, dedominuszittende mismoediglijk op een stuk rots, waar de middagvloed om schuimde, om zich, op het strand, de tweelingen en de tweegladiatoren.... Onder de puinhoopen van het huis was ook de „paraziet” gevonden maar met gebroken beenen en hij werd ook in de villa verzorgd en dedominushad hem metmanumissio„vrijgelaten”, maar hoe zoû hij voortaan,vrij, geen slaaf meer, geen komediant meer, zijn brood verdienen, als Plinius hem niet meê zoû laten eten met zijn eigene slaven?? En mismoedig zat dedominus: geruïneerd was hij, als hij zeide: zijncatervabijna geheel verloren door de vreeslijke ramp: o, hoe zoû hij er ooit boven-op nog komen! Zijn eerste razende wanhoop was tot deze gelaten mismoedigheid vervallen; nu hoopte hij op niets meer, nu bezat hij nièts meer, hoe goed de edele Plinius ook was! En de beidegladiatoren, Colosseros en Carpoforus, die zoo goede vrienden waren geworden, poogden dendominusmoed in te spreken, maar hij schudde mismoedig het hoofd, tot eensklaps Cecilius in viel:—Dominus.... We hebben je nu de heele maand hooren jammeren....—.... ja, jàmmeren, viel Cecilianus in. Maar je moest nu eens naar ons luisteren....—.... naar òns luisteren, poogde Cecilius zijn broêrtje, als een vlieg, het woord af te vangen. Je zegt, dat je niets meer hebt, maar....—Maar je hebt òns, wist Cecilianus Cecilius snel in de rede te vallen. Zijn wij dan niets....?—Verbeeldt je, dat wij niets zouden zijn....!—Ik heb toch geen troèp meer!! riep dedominus. Wat kan ik doen met jullie alleen! De Spelen, die de oude Sextilianus woû geven, zijn al afgesprongen, omdat ik niet aan mijn verplichtingen kon voldoen....—Maar de Spelen in Neapolis....—En in Syracuze....—Kunnen doór....—.... dóór gaan!! beweerden de jongens, die het klaarblijkelijk geheel met elkander al eens waren.—Door gaan? vroeg dedominusverbijsterd, terwijl ook degladiatorenniet heel goed wisten hoe ze het met de jongens hadden.—Door gaan!! meenden Cecilius en Cecilianus beslist.—En mag ik de heeren eens vragen: hoè?? vroeg dedominusmet ironie.De jongens, in het rosroode zand, schoven dichter om hundominus, die op den rots zat. Ook degladiatoren, nieuwsgierig, schoven nader. En de jongens, den eenen wijsvinger tegen den andere gelegd, somden dien armen, radeloozendominushunne bewijsredenen op.—Dominus, zeide Cecilius: je hebt crediet....—.... Crediet, bauwde Cecilianus na; zij lagen beiden, aan desdominus’voeten, die van den een naar den ander zag.—Crediet? vroeg dedominus.—Je wisselaar in Alexandrië heeft zich van kant gemaakt, zei Cecilianus; maar dat heb ik wel altijd gedacht, dat die....—Ja, dat diè op een goeden dag er op de een of andere manier van door zoû gaan, viel Cecilius in. Maar je hebt anders nog wàt aardige sommetjes liggen....—In Antiochië....—In Syracuze.... En de wettige bewijzen daarvan....—Ja, de wèttige bewijzen, was Cecilianus er heel snel bij.—Ben je zoo verstandig geweest aan den edelen Plinius, je patroon....—Ja, je patroon ter bewaring te geven, voor dat het huis....—Vóor dat het huis instortte....Zij keken beiden hundominuszegevierend aan.—Wat meenen jullie? vroeg Lavinius Gabinius, met blik van den een naar den ander.—Daarbij....—Daarbij, gingen die „dondersche jongens” voort.—Heb je den edelen Plinius, je patroon, die je niet....—Neen, noóit in den steek zal laten....—Wat meenen jullie? vroeg weêr Lavinius Gabinius.—Dat je een nièuwe troep, zei Cecilius.—Moest koopen, zei Cecilianus.—Of....—Of....—Minstens huren, bauwden ze, zakelijk, eensgezind, steeds aan desdominus’voeten.—Niet je kop laten hangen,dominus....—Verbeeldt je! Waarom zoû je je kop laten hangen.... We koopen nièuwe komedianten, zei Cecilius.En Cecilianus meende:—Of we huren er....—Ja, we huren er! was Cecilius het eens met zijn broêrtje.—Wè, wè! zei dedominus.—Natuurlijk, wè! zeiden de jongens verontwaardigd. Denk je, dat wij....?—Dat wij....?—Ons als je slàven beschouwen??—We dènken....—Neen, we denken er niet aan! We zijn toch je kinderen?—Je jongens?—Denk je, dat wij ons beschouwen als....—Als....Ze keken elkaâr aan en proestten het uit van het lachen.—De kinderen van....—Van....—De edele Crispina!! schaterden zij het uit.—Dondersche jongens! riep dedominusuit. Hoe weten jullie?—Hoe we het weten....?—Dat komt er niet op aan!—Hoe lang weten jullie....?—Hoe lang we het weten....? Dàt komt....—Neen, er niet op aan!—Ik heb ze nooit iets gezegd, zei Colosseros, verbaasd.—Ik ook niet, zei Carpoforus.—Ze weten altijd alles, verzekerde dedominus. Ze weten precies wèlke „aardige” sommetjes ik in depozito heb gegeven in Syracuze en Antiochië, voor mijn ouden dag, als ik lekker en lui dacht te leven.—Lekker en lui? riepen de jongens. Je bent toch nog geen oudesenex??—Al ben je niet meer eenadulescens!—Mijn armeadulescens!! jammerde dedominus. Hij was een uitstekende komediant en de vrouwen, ach, die mochten hem zoo gaarne! Juist die onheilsnacht was hij terug van zijn patricische beschermster! En dan mijn twee „grijsaards”: de een wordt waarachtig Christen en de ander gaat er van door! En mijn „paraziet”, o Bacchus, mijn „paraziet” ligt met gebroken beenen!!En Lavinius Gabinius sloeg de handen wanhopig op en schudde jammerlijk met zijn hoofd.—Niet jammeren! Niet jammeren! bezwoeren de tweelingen bijna imperatief. Je mag niet jammeren, hoor!—Je hebt òns toch gehouden! zei Cecilius.—Tel je dat heelemaal niet? vroeg Cecilianus.—Als je nog niet dadelijk alle noodige komedianten kunt koopen....—Of huren....—Dan kunnen wij immers....—Wij....—Alle rollen, die je niet bezetten kunt....—Als je ze niet bezetten kunt....—Spelen....—Ja, spelen....—Adulescens,senex....—„Paraziet”....—En Syrus, dien hèbben we als „slave”-rol.... Waar zit die toch??—Syrus!! riep Cecilius.—Syrus!! riep Cecilianus hooger. Kom toch hier! We bespreken hoe we een nieuwen troep....—Zullen samen stellen!! schreeuwde Cecilius, handen aan mond naar Syrus, die aanslenterde, uit zijn celletje.—En dan, zei Cecilianus. Hebben we nog Afer!—Ja, Afer!! juichte Cecilius.—Om de komedianten, als ze slecht spelen, op....—Op hun dònder te komen!! viel Cecilius vol geestkracht uit.—Ja,dominus, je bent soms wèl wat zwak....—Op hun dònder moeten de komedianten meer hebben!—Op hun dònder?? vroeg dedominusverbijsterd, blikkende van den een naar den ander. Degladiatorenhadden schik in de jongens: zij bulderden van het lachen.—Op hun dònder, beaâmden de beide jongens. Syrus, zei Cecilianus....—We gaan een nieuwen troep koopen....—Of huren....Syrus werd ingewijd in de plannen....—Het is waarachtig wel een geniaal denkbeeld,dominus! bewonderde Colosseros.—Er is over te denken, gaf dedominustoe. Er is, bij Herkles, wel over te denken....—Natúurlijk is er over te denken! riepen de jongens te zamen uit.—We gaan naar Neapolis, hoor....—En naar Syracuze....—En naar Karthago!! jubelden zij te gelijker tijd.—Dan zie ik jullie niet weêr, zei Carpoforus.—Als we terug komen, toch wel? zei Cecilianus.De Jager schudde het hoofd.—Neen, mijn kind, zeide hij. Als je weg gaat, zie ik je niet weêr.Zijn stem klonk heel droevig uit zijn ruw baardigen mond.—Carpoforus, riep Cecilius op eens. Heb ik je wel ooit bedànkt....?—O ja, zei Cecilianus; dat je naar den Keizer....?—Voor hèm....?—Voor mij bent gegaan?—Ja, ja, zeide de Jager. Ja, zeker, jongens. Kan je komedianten in Rome huren,dominus?—Dat zoû wel gaan, zei dedominus, zwaar in gedachten verzonken. Lentulus en Latinus hebben een paar goede komediante-slaven voor hetexodium-spel, die ze me misschien voor de tournée zouden kunnen verhuren. Maar eenadulescens! Eensenex!! Een „paraziet”!—Die vinden we wel!—Ja, die vìnden we,dominus....!!De jongens waren opgetogen. Ze stonden op: ze wilden dadelijk naar Rome, naar Lentulus en Latinus, de beide „beroemden” opzoeken.... Zij renden naar den stal, om hun ezels te zadelen.—Gaan jullie meê? vroeg dedominusaan degladiatoren.—Gaan we meê, Jager? raadpleegde Colosseros denlanista.—Wij komen wel later,dominus, zei de Jager. We zien elkaâr wel bij Nilus.—Van avond? Met decena??—Ja, ja....—Die dòndersche jongens!! juichte dedominus. Je weet nóoit welke invallen ze plotseling krijgen! Maar waaràchtig: een nieuwe troep: eriswel over te denken....Hij rende ze achterna, om zijn muil en gebood:—Syrus, zadel jij vlug mijn muil eens!Toen zeide Colosseros tot zijn vriend:—Jager! Waarom kijk je zoo somber....?—Om niets, zei de Jager, ontwijkend.—Zeg je het mij niet, Jager?Toen zeide de Jager het.—Als Cecilianus.... begon hij.—Nou, wat??—Uit Rome weg gaat.... is het metmijgedaan.—Gedaan??—Hij heeft me geluk aangebracht, sedert hij zijn oogen opsloegvoor we de portiek van Octavia binnen kwamen.... Toen ik hem droeg.... nadat hij flauw was gevallen.... om den beer.... op den eersten dag der Megalezia....Colosseros zag zijn vriend verschrikt aan.—Was dat werkelijk zoo? vroeg hij.De Jager knikte.Colosseros zeide niets meer, vol sombere peinzing plotseling over zijn jonge, blauwe jongensoogen. Hij zeide niet, dat hij een zelfde talisman meende gevonden te hebben in Cecilius.... Daar ginds, door de uitgang der villa, zagen zij reeds dendominus, op zijn muil en hem ter zijde bereden de jongens hun ezeltjes, die zij zoo erbarmingloos spoorden, dat de beesten met de achterpooten achter-uit sloegen; de jongens schaterden dan van de pret.

Toen volgde er een vreemde, slepende maand. Het was nog zomer, September, en Plinius toefde nog in Toscane, maar Hermes had, op bevel van zijn meester, dendominusen wie van zijnecatervaover waren, huisvesting aangeboden in de villa aan zee, bij Laurentum. En zij waren daar te zamen, aan het strand, dedominuszittende mismoediglijk op een stuk rots, waar de middagvloed om schuimde, om zich, op het strand, de tweelingen en de tweegladiatoren.... Onder de puinhoopen van het huis was ook de „paraziet” gevonden maar met gebroken beenen en hij werd ook in de villa verzorgd en dedominushad hem metmanumissio„vrijgelaten”, maar hoe zoû hij voortaan,vrij, geen slaaf meer, geen komediant meer, zijn brood verdienen, als Plinius hem niet meê zoû laten eten met zijn eigene slaven?? En mismoedig zat dedominus: geruïneerd was hij, als hij zeide: zijncatervabijna geheel verloren door de vreeslijke ramp: o, hoe zoû hij er ooit boven-op nog komen! Zijn eerste razende wanhoop was tot deze gelaten mismoedigheid vervallen; nu hoopte hij op niets meer, nu bezat hij nièts meer, hoe goed de edele Plinius ook was! En de beidegladiatoren, Colosseros en Carpoforus, die zoo goede vrienden waren geworden, poogden dendominusmoed in te spreken, maar hij schudde mismoedig het hoofd, tot eensklaps Cecilius in viel:

—Dominus.... We hebben je nu de heele maand hooren jammeren....

—.... ja, jàmmeren, viel Cecilianus in. Maar je moest nu eens naar ons luisteren....

—.... naar òns luisteren, poogde Cecilius zijn broêrtje, als een vlieg, het woord af te vangen. Je zegt, dat je niets meer hebt, maar....

—Maar je hebt òns, wist Cecilianus Cecilius snel in de rede te vallen. Zijn wij dan niets....?

—Verbeeldt je, dat wij niets zouden zijn....!

—Ik heb toch geen troèp meer!! riep dedominus. Wat kan ik doen met jullie alleen! De Spelen, die de oude Sextilianus woû geven, zijn al afgesprongen, omdat ik niet aan mijn verplichtingen kon voldoen....

—Maar de Spelen in Neapolis....

—En in Syracuze....

—Kunnen doór....

—.... dóór gaan!! beweerden de jongens, die het klaarblijkelijk geheel met elkander al eens waren.

—Door gaan? vroeg dedominusverbijsterd, terwijl ook degladiatorenniet heel goed wisten hoe ze het met de jongens hadden.

—Door gaan!! meenden Cecilius en Cecilianus beslist.

—En mag ik de heeren eens vragen: hoè?? vroeg dedominusmet ironie.

De jongens, in het rosroode zand, schoven dichter om hundominus, die op den rots zat. Ook degladiatoren, nieuwsgierig, schoven nader. En de jongens, den eenen wijsvinger tegen den andere gelegd, somden dien armen, radeloozendominushunne bewijsredenen op.

—Dominus, zeide Cecilius: je hebt crediet....

—.... Crediet, bauwde Cecilianus na; zij lagen beiden, aan desdominus’voeten, die van den een naar den ander zag.

—Crediet? vroeg dedominus.

—Je wisselaar in Alexandrië heeft zich van kant gemaakt, zei Cecilianus; maar dat heb ik wel altijd gedacht, dat die....

—Ja, dat diè op een goeden dag er op de een of andere manier van door zoû gaan, viel Cecilius in. Maar je hebt anders nog wàt aardige sommetjes liggen....

—In Antiochië....

—In Syracuze.... En de wettige bewijzen daarvan....

—Ja, de wèttige bewijzen, was Cecilianus er heel snel bij.

—Ben je zoo verstandig geweest aan den edelen Plinius, je patroon....

—Ja, je patroon ter bewaring te geven, voor dat het huis....

—Vóor dat het huis instortte....

Zij keken beiden hundominuszegevierend aan.

—Wat meenen jullie? vroeg Lavinius Gabinius, met blik van den een naar den ander.

—Daarbij....

—Daarbij, gingen die „dondersche jongens” voort.

—Heb je den edelen Plinius, je patroon, die je niet....

—Neen, noóit in den steek zal laten....

—Wat meenen jullie? vroeg weêr Lavinius Gabinius.

—Dat je een nièuwe troep, zei Cecilius.

—Moest koopen, zei Cecilianus.

—Of....

—Of....

—Minstens huren, bauwden ze, zakelijk, eensgezind, steeds aan desdominus’voeten.

—Niet je kop laten hangen,dominus....

—Verbeeldt je! Waarom zoû je je kop laten hangen.... We koopen nièuwe komedianten, zei Cecilius.

En Cecilianus meende:

—Of we huren er....

—Ja, we huren er! was Cecilius het eens met zijn broêrtje.

—Wè, wè! zei dedominus.

—Natuurlijk, wè! zeiden de jongens verontwaardigd. Denk je, dat wij....?

—Dat wij....?

—Ons als je slàven beschouwen??

—We dènken....

—Neen, we denken er niet aan! We zijn toch je kinderen?

—Je jongens?

—Denk je, dat wij ons beschouwen als....

—Als....

Ze keken elkaâr aan en proestten het uit van het lachen.

—De kinderen van....

—Van....

—De edele Crispina!! schaterden zij het uit.

—Dondersche jongens! riep dedominusuit. Hoe weten jullie?

—Hoe we het weten....?

—Dat komt er niet op aan!

—Hoe lang weten jullie....?

—Hoe lang we het weten....? Dàt komt....

—Neen, er niet op aan!

—Ik heb ze nooit iets gezegd, zei Colosseros, verbaasd.

—Ik ook niet, zei Carpoforus.

—Ze weten altijd alles, verzekerde dedominus. Ze weten precies wèlke „aardige” sommetjes ik in depozito heb gegeven in Syracuze en Antiochië, voor mijn ouden dag, als ik lekker en lui dacht te leven.

—Lekker en lui? riepen de jongens. Je bent toch nog geen oudesenex??

—Al ben je niet meer eenadulescens!

—Mijn armeadulescens!! jammerde dedominus. Hij was een uitstekende komediant en de vrouwen, ach, die mochten hem zoo gaarne! Juist die onheilsnacht was hij terug van zijn patricische beschermster! En dan mijn twee „grijsaards”: de een wordt waarachtig Christen en de ander gaat er van door! En mijn „paraziet”, o Bacchus, mijn „paraziet” ligt met gebroken beenen!!

En Lavinius Gabinius sloeg de handen wanhopig op en schudde jammerlijk met zijn hoofd.

—Niet jammeren! Niet jammeren! bezwoeren de tweelingen bijna imperatief. Je mag niet jammeren, hoor!

—Je hebt òns toch gehouden! zei Cecilius.

—Tel je dat heelemaal niet? vroeg Cecilianus.

—Als je nog niet dadelijk alle noodige komedianten kunt koopen....

—Of huren....

—Dan kunnen wij immers....

—Wij....

—Alle rollen, die je niet bezetten kunt....

—Als je ze niet bezetten kunt....

—Spelen....

—Ja, spelen....

—Adulescens,senex....

—„Paraziet”....

—En Syrus, dien hèbben we als „slave”-rol.... Waar zit die toch??

—Syrus!! riep Cecilius.

—Syrus!! riep Cecilianus hooger. Kom toch hier! We bespreken hoe we een nieuwen troep....

—Zullen samen stellen!! schreeuwde Cecilius, handen aan mond naar Syrus, die aanslenterde, uit zijn celletje.

—En dan, zei Cecilianus. Hebben we nog Afer!

—Ja, Afer!! juichte Cecilius.

—Om de komedianten, als ze slecht spelen, op....

—Op hun dònder te komen!! viel Cecilius vol geestkracht uit.

—Ja,dominus, je bent soms wèl wat zwak....

—Op hun dònder moeten de komedianten meer hebben!

—Op hun dònder?? vroeg dedominusverbijsterd, blikkende van den een naar den ander. Degladiatorenhadden schik in de jongens: zij bulderden van het lachen.

—Op hun dònder, beaâmden de beide jongens. Syrus, zei Cecilianus....

—We gaan een nieuwen troep koopen....

—Of huren....

Syrus werd ingewijd in de plannen....

—Het is waarachtig wel een geniaal denkbeeld,dominus! bewonderde Colosseros.

—Er is over te denken, gaf dedominustoe. Er is, bij Herkles, wel over te denken....

—Natúurlijk is er over te denken! riepen de jongens te zamen uit.

—We gaan naar Neapolis, hoor....

—En naar Syracuze....

—En naar Karthago!! jubelden zij te gelijker tijd.

—Dan zie ik jullie niet weêr, zei Carpoforus.

—Als we terug komen, toch wel? zei Cecilianus.

De Jager schudde het hoofd.

—Neen, mijn kind, zeide hij. Als je weg gaat, zie ik je niet weêr.

Zijn stem klonk heel droevig uit zijn ruw baardigen mond.

—Carpoforus, riep Cecilius op eens. Heb ik je wel ooit bedànkt....?

—O ja, zei Cecilianus; dat je naar den Keizer....?

—Voor hèm....?

—Voor mij bent gegaan?

—Ja, ja, zeide de Jager. Ja, zeker, jongens. Kan je komedianten in Rome huren,dominus?

—Dat zoû wel gaan, zei dedominus, zwaar in gedachten verzonken. Lentulus en Latinus hebben een paar goede komediante-slaven voor hetexodium-spel, die ze me misschien voor de tournée zouden kunnen verhuren. Maar eenadulescens! Eensenex!! Een „paraziet”!

—Die vinden we wel!

—Ja, die vìnden we,dominus....!!

De jongens waren opgetogen. Ze stonden op: ze wilden dadelijk naar Rome, naar Lentulus en Latinus, de beide „beroemden” opzoeken.... Zij renden naar den stal, om hun ezels te zadelen.

—Gaan jullie meê? vroeg dedominusaan degladiatoren.

—Gaan we meê, Jager? raadpleegde Colosseros denlanista.

—Wij komen wel later,dominus, zei de Jager. We zien elkaâr wel bij Nilus.

—Van avond? Met decena??

—Ja, ja....

—Die dòndersche jongens!! juichte dedominus. Je weet nóoit welke invallen ze plotseling krijgen! Maar waaràchtig: een nieuwe troep: eriswel over te denken....

Hij rende ze achterna, om zijn muil en gebood:

—Syrus, zadel jij vlug mijn muil eens!

Toen zeide Colosseros tot zijn vriend:

—Jager! Waarom kijk je zoo somber....?

—Om niets, zei de Jager, ontwijkend.

—Zeg je het mij niet, Jager?

Toen zeide de Jager het.

—Als Cecilianus.... begon hij.

—Nou, wat??

—Uit Rome weg gaat.... is het metmijgedaan.

—Gedaan??

—Hij heeft me geluk aangebracht, sedert hij zijn oogen opsloegvoor we de portiek van Octavia binnen kwamen.... Toen ik hem droeg.... nadat hij flauw was gevallen.... om den beer.... op den eersten dag der Megalezia....

Colosseros zag zijn vriend verschrikt aan.

—Was dat werkelijk zoo? vroeg hij.

De Jager knikte.

Colosseros zeide niets meer, vol sombere peinzing plotseling over zijn jonge, blauwe jongensoogen. Hij zeide niet, dat hij een zelfde talisman meende gevonden te hebben in Cecilius.... Daar ginds, door de uitgang der villa, zagen zij reeds dendominus, op zijn muil en hem ter zijde bereden de jongens hun ezeltjes, die zij zoo erbarmingloos spoorden, dat de beesten met de achterpooten achter-uit sloegen; de jongens schaterden dan van de pret.

XX.Het was veertien dagen voor de kalenden van Oktober en hoewel dedominus, met de zijnen, steeds gastvrijheid had mogen genieten bij den edelen Plinius op de villa bij Laurentum, dien vorigen avond, vooravond van zijn reis naar Neapolis, hadhij bij Nilus tot afscheid vroolijk geavondmaald met alle de vrienden: met degladiatoren, met Taurus, met Gymnazium en Lentulus, Latinus en Thymele en over en weêr waren ontroerde woorden gewisseld, met herinnering aan wie in den ramp waren omgekomen, allen verteederd door het naderend vertrek van Lavinius Gabinius en de zijnen. Ja, hij was er dan toch in geslaagd een paar komedianten te koopen, een paar er te huren: hij zoû ze in Neapolis vinden, waar zij op dit oogenblik nog speelden in particuliere Spelen en hijzelve had zich kort geleden een reiskar gekocht met twee buffels: Syrus en Afer zouden voor zitten en om beurten de beesten mennen, en hijzelve en Cecilius en Cecilianus zouden, met de bagage en de nieuwe tooneelmaskers, die hij van zijn edele patronen, Verginius Rufus, Plinius en Frontinus ten geschenke ontvangen had, het geriefelijk hebben binnen de kar, die, nog niet overhuifd, stond te wachten waar de Suburra zich verbreedde en het voertuig met de breede buffels geen verstopping veroorzaakte. En nu was dan het oogenblik gekomen: in een zonnestraal, daar ginds, stond de reiskar te wachten met Syrus en Afer en alle de meiden zouden dendominusen de jongens er heen geleiden. Ja, goede dagen, slechte dagen, dat had elkander afgewisseld; voor het Ongeval was je nooit beveiligd; een huis in de nieuwe wijk, ja, dat stortte wel eens méer in: je moest maar het leven filozofiesch aanvaarden, zelfs al had de Keizer alle filozofen uit Rome verbannen! Veel was er nog ten goede gewend; veel had er nog veel slechter kunnen afloopen, meende dedominus, met een blik naar de jongens, die zich niet meer herinnerden, dat ze „kwijnende lelies” waren geweest, zoo een pleizier hadden ze in de nieuwe toekomst, in den nieuwen troep, in Karthago, dat ze zouden gaan zien.... Zeker, ze zouden dikwijls naar Rome terug verlangen, naar de worstjes en kooltjes van Nilus en naar hun goede vrienden: degladiatoren.... Maar nu verlangden ze eigenlijk wèg te komen, trots al het goeds, dat ze hadden gehad, trots devilla van Plinius, de vleiende epigrammen van Martialis, trots al het moois, dat die edele Crispina—die moeder van jou, Cecilius; neen van jou, Cecilianus!—hun nog een paar dagen geleden gegeven had: ze verlangden weg te komen ènkel om te veranderen, om Neapolis weêr te zien, waar ze óok degladiatorenkenden, beweerden ze, om Syracuze weêr te zien, waar ze op school waren geweest en om dan eindelijk naar Karthago te gaan waar het weêr zoo heel anders moest zijn dan in Alexandrië en in Rome.En ze waren opgetogen en ze zoenden iedereen tot afscheid, terwijl dedominusomarmde en omhelsde: ze zoenden Gymnazium en haartonstrixen de meiden van Taurus, die op den drempel verschenen; ze zoenden Alexa; ze zoenden slaven en slavinnen....—Wij loopen meê, zei Colosseros.—Wij brengen jullie tot buiten de Porta Capena, zei Carpoforus.—Ik loop ook meê, zei Nilus; ik hoef van daag niet naar de markt.—Nu, dan loopen we allen maar meê! riep Alexa en Gymnazium vond dat uitstekend.En werkelijk, ze liepen allen meê; ze begeleidden dendominusen de jongens naar de reiskar, en toen die waren ingestegen en Afer riep, trekkende aan de leidsels:—Hù! Hù!en de buffels zwaar aantrokken, bleven zij allen, de vrouwen, de mannen meê loopen om het langzaam voort bolderend voertuig. En zoo was er nog altijd de gelegenheid een kwinkslag hier, een grapje daar elkander toe te gooien: ja, het zoû wel een leêgte zijn, meende Alexa, en Gymnazium schertste, dat ze haar twee laatste minnaars verloor in Cecilius en Cecilianus en dat ze het nièt zoû overleven.—Zijn ze dan nu allemaal òp, Gymnazium? plaagde Cecilianus.—.... allemaal òp?? herhaalde, natuurlijk, vragende Cecilius.En Gymnazium beâamde, kluchtiglijk, dat ze allemaal òp waren. Maar tot de vrouwen smoesde ze, dat ze dat héel rustig vond en allen lachten om de voormalige....—Wat is dat daar? vroeg Alexa eensklaps.—Wat is er, wat is er?? vroegen zij allen om rond.Want nu zij in zicht waren gekomen van het Colosseum, trof hen een joelende, schreeuwende, vechtende menigte, die drong aan en golfde terug van den hoogen, vierkanten toren, van het Septizonium, van den Palatinus. En uit de kazernen om het Colosseum drongenhonderdengladiatoren.Carpoforus, Colosseros, ter zijde van den reiswagen loopende, duwden zich baan door de aangroeiende menigte; zij riepen:—Wat is er, jongens, wat is er??En, plotseling, weêrklonk het uit aller kelen van daar ginds af, terwijl de handen krampten de lucht in:—Hij is vermoord! Hij is vermoord!! Domitianus is vermoord door Domitia!—Domitianus is vermoord door Domitilla!—Wreken, wreken wij den Keizer!! riepen degladiatoren, die uit de kazerne stroomden. Hij was goèd voor ons! Hij was goèd voor ons!!—Domitianus is vermoord door de vrouwen op het paleis!—Neen, weêrklonk het uit een andere massa, die van het Forum golfde. Saturius heeft hem vermoord!—Clodianus, zijncornicularius, zijn lijfwacht!—Domitianus is vermoord door Parthenius!!—Wie heeft hem vermoord? Wie heeft hem vermoord?!—Ze hebben hem allemáal vermoord! Hij is vermóórd door Stefanus!!Een ontzettend gekrijsch galmde op. De reiskar met de komediantenwas in het gewoel van het volk als verzwolgen, met andere voertuigen, wagens vol steen en bouwmateriaal. De vrouwen om de kar gilden van angst, maar de menigte brulde juichende op. En het was meer juichen van genot, dat er een hevige gebeurtenis verstoorde den iederen-daagschen gang van het leven dan haat tegen den Keizer, want zóo zeer haatte het volk hem niet: zijne wraaknemingen en de bloedige grillen van zijn vervolgingswaanzin waren steeds meer tegen de Aanzienlijken gericht geweest. En het waren nu ook de Aanzienlijken, die het volk opstookten te getuigen vóor de moordenaars van den Keizer—wie ze dan ook waren—want bij het Septizonium waar langs, in nissen, de beelden des Keizers stonden, bevalen drie, vier Senatoren, gezaghebbend, uitstekende van wijd gebaar tusschen het volk, ladders te halen en de beelden van Domitianus, den boèf, den ellendeling, stùk te slaan tegen den grond.In deze plotse ontteugeling der hartstochten, om de reiskar der komedianten, was een oogenblik Carpoforus wezenloos blijven staan, de vuisten gebald, de oogen als verblind door een razernij, die al zijn bloed hem naar zijn nauwe brein op deed golven. Tot hij eensklaps bulderde tot Colosseros:—Màkker! Màkker!! De Keizer was altijd goèd voor ons! Moeten wij zijn moord niet wrèken op zijn moordenaars ginds, die zijn beelden bevelen stuk te slaan??—Ja! bulderde Colosseros terug. We zullen hem wreken! We zullen hem wreken! Jongens! Makkers! Hièr! Om Carpoforus heen, onzen Jager, onzenlanista! Om den Keizer te wreken! Om Domitianus te wreken!Degladiatorenliepen, zich verzamelend, toe, in de richting der reiskar, waarbij Carpoforus nog stond, bloed-doorschoten zijn oogen. De vrouwen, gillende, met Nilus en Taurus, wilden vluchten, naar de Suburra terug.—Vaarwel,dominus, vaarwel! Jongens, vaarwel! Wie zalzeggen, òf het een gunstige dag is, dat je reis aanvangt! riep Nilus.—We kunnen niet voort! riep Cecilius. Het is maar beter....!—.... beter, dat we blijven!! riep Cecilianus.Carpoforus hoorde hen, terwijl dedominus, besluiteloos, nog niet wist wat Afer, die de buffels mende, te bevelen. Maar de Jager zei:—Dominus, maak een omweg, niet naar de Porta Capena. Rij naar de Porta Asinaria. Van daar bereik je, rechts-af, óok de Via Appia. Ik wensch je gelukkige reis. Ongeluk voor den éen is geluk voor den ander. Vaarwel, jongens. Vaarwel, mijn Cecilianus: vaarwel, mijn zoet kind, lieve jongen. Ik moet dáar heen, met de makkers, om Domitianus te wreken: hij stond, toen ik het vroeg, toe, dat Cecilius terug kwam. Vaarwel.Hij breidde zijn armen uit en over den wand van de kar, smoorde hij den knaap, die was opgestaan, aan zijn borst en wierp hem toen bijna van zich, als kon het, noodlottig, niet anders dan het was en zoû worden.—Vooruit! bulderde hij. Vooruit, makkers! Om den Keizer te wreken!—Om den goddelijken Keizer te wreken!! bulderden alle degladiatorenen zij drongen in de richting van het Septizonium: dePrætorianenstroomden de poort vandentoren uit en uit de nissen slingerden wie op de ladders waren geklommen de borstbeelden des Keizers neêr op wie zijn moord kwamen wreken....Maar dedominushad Afer bevolen de buffels te wenden, het Colosseum om, om den wijden, stoffigen weg van den Cœlius te nemen, die voerde naar de Porta Asinaria....—Zoo komen we ook de stad uit, zei dedominus. Syrus, zijn de nieuwe tooneelmaskers, die de edele patronen me hebbengegeven, nu waarachtig goed ingepakt? Ja, jongens, Rome.... dat is al weêr gedaan! Zoo gaat het leven voort, tusschen al wat de goden ons voor beschikken. Een Keizer vermoord, ach, dat gebeurde wel eens meer in Rome! Dat is niet eens zoo heel erg. Ik weet niet meer hoeveel Keizers er al in Rome niet zijn vermoord! Dat is politiek en daar houdt eendominus-gregiszich niet meê op. Wat zitten jullie zoo benauwd te kijken, jongens, als of je je laatste oortje versnoept hebt?? Ik ben waarachtig vol hoop weêr en jullie hebben zelve, met jullie beidjes, me nieuwe geestkracht gegeven. Maaradulescens-rollen, ja, die moeten jullie in de toekomst er tusschen door spelen, hoor. Soms, komt het er in een stuk van Plautus meer aan op deadulescens-rollen dan op die „eerste-vrouwe”-rollen, die best door een pas beginnend komediantje kunnen worden gespeeld. Al hebben ze niet altijd jullie lieve, mooie bakkessen, mijn jongens. Dus bij je moeder Crispina blijven, daar hadden jullie toch ook geen zin in, hè? Trouwens, je hebt een gelukkige keuze gedaan, door bij mij te blijven; je begrijpt, op het Palatium is het uit met edelen Crispinus en met je moeder vermoedelijk ook.... Had ik maar in Rome een jong slaafje kunnen vinden om te drillen, voor de vrouwerollen, als jullie beidenadulescenszijn.... Bij de goden, zèg toch eens wat, jullie jongens: anders staan jullie snaters niet stil en bauwen jullie elkanders woorden na of je elkander je rollen voor zegt en nu zitten jullie daar met je mondjes vol tanden en met zulke bedremmelde oogen te kijken alsof je geen tien meer kunt tellen! Zijn dat mijn Cecilius en Cecilianus? Vertel dan toch òp: wat is er? Jullie treuren toch niet om den Keizer?—Neen,dominus, begon Cecilianus.—....dominus, herhaalde Cecilius.—Nou wat dan: wat is er dan toch?—Ach, ik dacht zoo.... zei Cecilius.—Ja, ik dacht ook.... zei Cecilianus.—Ik heb eigenlijk nooit Carpoforus....—Neen, ik ook, eigenlijk, heb nooit Carpoforus....—Wat dan toch, jongens?—Bedankt....—Ja.... bedànkt, stamelden de jongens moeilijk.—Bedankt? vroeg dedominus. Waarvoor bedankt?—Ja, dat hij aan den Keizer.... zei Cecilianus, treurig.—Ja, dat hij aan Domitianus....—Toen gevráagd heeft, of....—Ja, of ik terug mocht komen, bij mijn broêrtje....!—Toen ik ziek was....!En de beide jongens vielen elkander in eens grienende in de armen.—Nou, zei dedominustroostelijk. Dat is nou zoo èrg ook niet. Carpoforus, die heeft wel begrepen, dat jullie het heel aardig vonden, dat hij het vroeg. De Keizer was wèl heel goed voor hem en hij had gelijk, van zijn standpunt, dat hij hem met Colosseros en degladiatorenging wreken, al loopt hij gevaar een marmeren borstbeeld tegen zijn kop te krijgen, zoo als ik zag, dat ze uit de nissen van het Septizonium neêr keilden. Ja, jongens, afscheid nemen is àltijd treurig en ook voor vagebonden als wij. En—het is vreemd—ik heb dat altijd als ik weg ga, na mijn Spelen te hebben vertoond en voór dat ik weêr nieuwe vertoon: àls ik dan afscheid neem van de menschen, die om ons waren, en onder wie toch wel goede harten waren, dan is het of er iets in en òm me sterft.... en ach ja, clan denk ik zoo.... Nilus, zelfs die grove Taurus, de meiden, Alexa, Gymnazium....—En Colosseros, zei Cecilius....—En Carpoforus, zei Cecilianus....—.... dat zijn dan vriènden, vrienden gewéest en we zien ze misschien nooit terug maar dat is zoo het leven: de weg gaat voor je ùit naar Neapolis, naar Syracuze, de zee over naar Karthago....vèrder nog de Toekomst te gemoet: ach, en stil er bij blijven staan, wat geeft dat, als wij toch niets weten, als alleen de góden weten wàt er ons wacht aan het einde van dien moeilijken, hobbeligen, stoffigen weg, die aan onzen levensweg wel gelijk...—Dominus, viel Cecilianus hem in de rede; de „Bacchides”....—Jà, riep Cecilius; de „Bacchides”!!—Daar blijven wij toch altijd door de vròuwerollen in spelen??—In de „Bacchides” wel, zei dedominusbeslist.—Maar als we de „Menæchmi” geven, zei Cecilius bedenkelijk.—Ja, de „Menæchmi”, waarinwijde mannen-hoofdrollen, zonder maskers....—Zònder maskers spelen?—Willen we dàn niet snorren en baarden aandoen??—Hè, dat dàcht ik nu juist ook! riep juichend Cecilius. Willen we dàn niet snorren en baarden aan doen?En ze zagen elkander stralende aan, glànzende, lachende door hunne drie laatste tranen heen.—Dat is een idee! Om eens te varieeren met die eeuwige, gladdeadulescens-smoelen! bewonderde dedominus, uit zijn weemoedig wijsgeerige stemming van afscheid en met elk afscheid wat sterven, terwijl de reiskar, door de zwaarwichtige buffels getrokken, langs de diepe, modderige wagensporen langzaam hobbelde van links naar rechts en klakte de zweep van Afer....

Het was veertien dagen voor de kalenden van Oktober en hoewel dedominus, met de zijnen, steeds gastvrijheid had mogen genieten bij den edelen Plinius op de villa bij Laurentum, dien vorigen avond, vooravond van zijn reis naar Neapolis, hadhij bij Nilus tot afscheid vroolijk geavondmaald met alle de vrienden: met degladiatoren, met Taurus, met Gymnazium en Lentulus, Latinus en Thymele en over en weêr waren ontroerde woorden gewisseld, met herinnering aan wie in den ramp waren omgekomen, allen verteederd door het naderend vertrek van Lavinius Gabinius en de zijnen. Ja, hij was er dan toch in geslaagd een paar komedianten te koopen, een paar er te huren: hij zoû ze in Neapolis vinden, waar zij op dit oogenblik nog speelden in particuliere Spelen en hijzelve had zich kort geleden een reiskar gekocht met twee buffels: Syrus en Afer zouden voor zitten en om beurten de beesten mennen, en hijzelve en Cecilius en Cecilianus zouden, met de bagage en de nieuwe tooneelmaskers, die hij van zijn edele patronen, Verginius Rufus, Plinius en Frontinus ten geschenke ontvangen had, het geriefelijk hebben binnen de kar, die, nog niet overhuifd, stond te wachten waar de Suburra zich verbreedde en het voertuig met de breede buffels geen verstopping veroorzaakte. En nu was dan het oogenblik gekomen: in een zonnestraal, daar ginds, stond de reiskar te wachten met Syrus en Afer en alle de meiden zouden dendominusen de jongens er heen geleiden. Ja, goede dagen, slechte dagen, dat had elkander afgewisseld; voor het Ongeval was je nooit beveiligd; een huis in de nieuwe wijk, ja, dat stortte wel eens méer in: je moest maar het leven filozofiesch aanvaarden, zelfs al had de Keizer alle filozofen uit Rome verbannen! Veel was er nog ten goede gewend; veel had er nog veel slechter kunnen afloopen, meende dedominus, met een blik naar de jongens, die zich niet meer herinnerden, dat ze „kwijnende lelies” waren geweest, zoo een pleizier hadden ze in de nieuwe toekomst, in den nieuwen troep, in Karthago, dat ze zouden gaan zien.... Zeker, ze zouden dikwijls naar Rome terug verlangen, naar de worstjes en kooltjes van Nilus en naar hun goede vrienden: degladiatoren.... Maar nu verlangden ze eigenlijk wèg te komen, trots al het goeds, dat ze hadden gehad, trots devilla van Plinius, de vleiende epigrammen van Martialis, trots al het moois, dat die edele Crispina—die moeder van jou, Cecilius; neen van jou, Cecilianus!—hun nog een paar dagen geleden gegeven had: ze verlangden weg te komen ènkel om te veranderen, om Neapolis weêr te zien, waar ze óok degladiatorenkenden, beweerden ze, om Syracuze weêr te zien, waar ze op school waren geweest en om dan eindelijk naar Karthago te gaan waar het weêr zoo heel anders moest zijn dan in Alexandrië en in Rome.

En ze waren opgetogen en ze zoenden iedereen tot afscheid, terwijl dedominusomarmde en omhelsde: ze zoenden Gymnazium en haartonstrixen de meiden van Taurus, die op den drempel verschenen; ze zoenden Alexa; ze zoenden slaven en slavinnen....

—Wij loopen meê, zei Colosseros.

—Wij brengen jullie tot buiten de Porta Capena, zei Carpoforus.

—Ik loop ook meê, zei Nilus; ik hoef van daag niet naar de markt.

—Nu, dan loopen we allen maar meê! riep Alexa en Gymnazium vond dat uitstekend.

En werkelijk, ze liepen allen meê; ze begeleidden dendominusen de jongens naar de reiskar, en toen die waren ingestegen en Afer riep, trekkende aan de leidsels:

—Hù! Hù!

en de buffels zwaar aantrokken, bleven zij allen, de vrouwen, de mannen meê loopen om het langzaam voort bolderend voertuig. En zoo was er nog altijd de gelegenheid een kwinkslag hier, een grapje daar elkander toe te gooien: ja, het zoû wel een leêgte zijn, meende Alexa, en Gymnazium schertste, dat ze haar twee laatste minnaars verloor in Cecilius en Cecilianus en dat ze het nièt zoû overleven.

—Zijn ze dan nu allemaal òp, Gymnazium? plaagde Cecilianus.

—.... allemaal òp?? herhaalde, natuurlijk, vragende Cecilius.

En Gymnazium beâamde, kluchtiglijk, dat ze allemaal òp waren. Maar tot de vrouwen smoesde ze, dat ze dat héel rustig vond en allen lachten om de voormalige....

—Wat is dat daar? vroeg Alexa eensklaps.

—Wat is er, wat is er?? vroegen zij allen om rond.

Want nu zij in zicht waren gekomen van het Colosseum, trof hen een joelende, schreeuwende, vechtende menigte, die drong aan en golfde terug van den hoogen, vierkanten toren, van het Septizonium, van den Palatinus. En uit de kazernen om het Colosseum drongenhonderdengladiatoren.

Carpoforus, Colosseros, ter zijde van den reiswagen loopende, duwden zich baan door de aangroeiende menigte; zij riepen:

—Wat is er, jongens, wat is er??

En, plotseling, weêrklonk het uit aller kelen van daar ginds af, terwijl de handen krampten de lucht in:

—Hij is vermoord! Hij is vermoord!! Domitianus is vermoord door Domitia!

—Domitianus is vermoord door Domitilla!

—Wreken, wreken wij den Keizer!! riepen degladiatoren, die uit de kazerne stroomden. Hij was goèd voor ons! Hij was goèd voor ons!!

—Domitianus is vermoord door de vrouwen op het paleis!

—Neen, weêrklonk het uit een andere massa, die van het Forum golfde. Saturius heeft hem vermoord!

—Clodianus, zijncornicularius, zijn lijfwacht!

—Domitianus is vermoord door Parthenius!!

—Wie heeft hem vermoord? Wie heeft hem vermoord?!

—Ze hebben hem allemáal vermoord! Hij is vermóórd door Stefanus!!

Een ontzettend gekrijsch galmde op. De reiskar met de komediantenwas in het gewoel van het volk als verzwolgen, met andere voertuigen, wagens vol steen en bouwmateriaal. De vrouwen om de kar gilden van angst, maar de menigte brulde juichende op. En het was meer juichen van genot, dat er een hevige gebeurtenis verstoorde den iederen-daagschen gang van het leven dan haat tegen den Keizer, want zóo zeer haatte het volk hem niet: zijne wraaknemingen en de bloedige grillen van zijn vervolgingswaanzin waren steeds meer tegen de Aanzienlijken gericht geweest. En het waren nu ook de Aanzienlijken, die het volk opstookten te getuigen vóor de moordenaars van den Keizer—wie ze dan ook waren—want bij het Septizonium waar langs, in nissen, de beelden des Keizers stonden, bevalen drie, vier Senatoren, gezaghebbend, uitstekende van wijd gebaar tusschen het volk, ladders te halen en de beelden van Domitianus, den boèf, den ellendeling, stùk te slaan tegen den grond.

In deze plotse ontteugeling der hartstochten, om de reiskar der komedianten, was een oogenblik Carpoforus wezenloos blijven staan, de vuisten gebald, de oogen als verblind door een razernij, die al zijn bloed hem naar zijn nauwe brein op deed golven. Tot hij eensklaps bulderde tot Colosseros:

—Màkker! Màkker!! De Keizer was altijd goèd voor ons! Moeten wij zijn moord niet wrèken op zijn moordenaars ginds, die zijn beelden bevelen stuk te slaan??

—Ja! bulderde Colosseros terug. We zullen hem wreken! We zullen hem wreken! Jongens! Makkers! Hièr! Om Carpoforus heen, onzen Jager, onzenlanista! Om den Keizer te wreken! Om Domitianus te wreken!

Degladiatorenliepen, zich verzamelend, toe, in de richting der reiskar, waarbij Carpoforus nog stond, bloed-doorschoten zijn oogen. De vrouwen, gillende, met Nilus en Taurus, wilden vluchten, naar de Suburra terug.

—Vaarwel,dominus, vaarwel! Jongens, vaarwel! Wie zalzeggen, òf het een gunstige dag is, dat je reis aanvangt! riep Nilus.

—We kunnen niet voort! riep Cecilius. Het is maar beter....!

—.... beter, dat we blijven!! riep Cecilianus.

Carpoforus hoorde hen, terwijl dedominus, besluiteloos, nog niet wist wat Afer, die de buffels mende, te bevelen. Maar de Jager zei:

—Dominus, maak een omweg, niet naar de Porta Capena. Rij naar de Porta Asinaria. Van daar bereik je, rechts-af, óok de Via Appia. Ik wensch je gelukkige reis. Ongeluk voor den éen is geluk voor den ander. Vaarwel, jongens. Vaarwel, mijn Cecilianus: vaarwel, mijn zoet kind, lieve jongen. Ik moet dáar heen, met de makkers, om Domitianus te wreken: hij stond, toen ik het vroeg, toe, dat Cecilius terug kwam. Vaarwel.

Hij breidde zijn armen uit en over den wand van de kar, smoorde hij den knaap, die was opgestaan, aan zijn borst en wierp hem toen bijna van zich, als kon het, noodlottig, niet anders dan het was en zoû worden.

—Vooruit! bulderde hij. Vooruit, makkers! Om den Keizer te wreken!

—Om den goddelijken Keizer te wreken!! bulderden alle degladiatorenen zij drongen in de richting van het Septizonium: dePrætorianenstroomden de poort vandentoren uit en uit de nissen slingerden wie op de ladders waren geklommen de borstbeelden des Keizers neêr op wie zijn moord kwamen wreken....

Maar dedominushad Afer bevolen de buffels te wenden, het Colosseum om, om den wijden, stoffigen weg van den Cœlius te nemen, die voerde naar de Porta Asinaria....

—Zoo komen we ook de stad uit, zei dedominus. Syrus, zijn de nieuwe tooneelmaskers, die de edele patronen me hebbengegeven, nu waarachtig goed ingepakt? Ja, jongens, Rome.... dat is al weêr gedaan! Zoo gaat het leven voort, tusschen al wat de goden ons voor beschikken. Een Keizer vermoord, ach, dat gebeurde wel eens meer in Rome! Dat is niet eens zoo heel erg. Ik weet niet meer hoeveel Keizers er al in Rome niet zijn vermoord! Dat is politiek en daar houdt eendominus-gregiszich niet meê op. Wat zitten jullie zoo benauwd te kijken, jongens, als of je je laatste oortje versnoept hebt?? Ik ben waarachtig vol hoop weêr en jullie hebben zelve, met jullie beidjes, me nieuwe geestkracht gegeven. Maaradulescens-rollen, ja, die moeten jullie in de toekomst er tusschen door spelen, hoor. Soms, komt het er in een stuk van Plautus meer aan op deadulescens-rollen dan op die „eerste-vrouwe”-rollen, die best door een pas beginnend komediantje kunnen worden gespeeld. Al hebben ze niet altijd jullie lieve, mooie bakkessen, mijn jongens. Dus bij je moeder Crispina blijven, daar hadden jullie toch ook geen zin in, hè? Trouwens, je hebt een gelukkige keuze gedaan, door bij mij te blijven; je begrijpt, op het Palatium is het uit met edelen Crispinus en met je moeder vermoedelijk ook.... Had ik maar in Rome een jong slaafje kunnen vinden om te drillen, voor de vrouwerollen, als jullie beidenadulescenszijn.... Bij de goden, zèg toch eens wat, jullie jongens: anders staan jullie snaters niet stil en bauwen jullie elkanders woorden na of je elkander je rollen voor zegt en nu zitten jullie daar met je mondjes vol tanden en met zulke bedremmelde oogen te kijken alsof je geen tien meer kunt tellen! Zijn dat mijn Cecilius en Cecilianus? Vertel dan toch òp: wat is er? Jullie treuren toch niet om den Keizer?

—Neen,dominus, begon Cecilianus.

—....dominus, herhaalde Cecilius.

—Nou wat dan: wat is er dan toch?

—Ach, ik dacht zoo.... zei Cecilius.

—Ja, ik dacht ook.... zei Cecilianus.

—Ik heb eigenlijk nooit Carpoforus....

—Neen, ik ook, eigenlijk, heb nooit Carpoforus....

—Wat dan toch, jongens?

—Bedankt....

—Ja.... bedànkt, stamelden de jongens moeilijk.

—Bedankt? vroeg dedominus. Waarvoor bedankt?

—Ja, dat hij aan den Keizer.... zei Cecilianus, treurig.

—Ja, dat hij aan Domitianus....

—Toen gevráagd heeft, of....

—Ja, of ik terug mocht komen, bij mijn broêrtje....!

—Toen ik ziek was....!

En de beide jongens vielen elkander in eens grienende in de armen.

—Nou, zei dedominustroostelijk. Dat is nou zoo èrg ook niet. Carpoforus, die heeft wel begrepen, dat jullie het heel aardig vonden, dat hij het vroeg. De Keizer was wèl heel goed voor hem en hij had gelijk, van zijn standpunt, dat hij hem met Colosseros en degladiatorenging wreken, al loopt hij gevaar een marmeren borstbeeld tegen zijn kop te krijgen, zoo als ik zag, dat ze uit de nissen van het Septizonium neêr keilden. Ja, jongens, afscheid nemen is àltijd treurig en ook voor vagebonden als wij. En—het is vreemd—ik heb dat altijd als ik weg ga, na mijn Spelen te hebben vertoond en voór dat ik weêr nieuwe vertoon: àls ik dan afscheid neem van de menschen, die om ons waren, en onder wie toch wel goede harten waren, dan is het of er iets in en òm me sterft.... en ach ja, clan denk ik zoo.... Nilus, zelfs die grove Taurus, de meiden, Alexa, Gymnazium....

—En Colosseros, zei Cecilius....

—En Carpoforus, zei Cecilianus....

—.... dat zijn dan vriènden, vrienden gewéest en we zien ze misschien nooit terug maar dat is zoo het leven: de weg gaat voor je ùit naar Neapolis, naar Syracuze, de zee over naar Karthago....vèrder nog de Toekomst te gemoet: ach, en stil er bij blijven staan, wat geeft dat, als wij toch niets weten, als alleen de góden weten wàt er ons wacht aan het einde van dien moeilijken, hobbeligen, stoffigen weg, die aan onzen levensweg wel gelijk...

—Dominus, viel Cecilianus hem in de rede; de „Bacchides”....

—Jà, riep Cecilius; de „Bacchides”!!

—Daar blijven wij toch altijd door de vròuwerollen in spelen??

—In de „Bacchides” wel, zei dedominusbeslist.

—Maar als we de „Menæchmi” geven, zei Cecilius bedenkelijk.

—Ja, de „Menæchmi”, waarinwijde mannen-hoofdrollen, zonder maskers....

—Zònder maskers spelen?

—Willen we dàn niet snorren en baarden aandoen??

—Hè, dat dàcht ik nu juist ook! riep juichend Cecilius. Willen we dàn niet snorren en baarden aan doen?

En ze zagen elkander stralende aan, glànzende, lachende door hunne drie laatste tranen heen.

—Dat is een idee! Om eens te varieeren met die eeuwige, gladdeadulescens-smoelen! bewonderde dedominus, uit zijn weemoedig wijsgeerige stemming van afscheid en met elk afscheid wat sterven, terwijl de reiskar, door de zwaarwichtige buffels getrokken, langs de diepe, modderige wagensporen langzaam hobbelde van links naar rechts en klakte de zweep van Afer....


Back to IndexNext