IX.

IX.Evenals hunne vrienden en gezellen, hadden Uilenspiegel, Lamme en Nele, den kloosters het goed teruggenomen, dat deze vergaard hadden, door middel van begankenissen, valsche mirakelen en andere Roomsche mommerijen, ten koste van ’t onnoozele volk. Dit was in strijd met de bevelen van den Zwijger, den prins van de vrijheid, maar het geld diende voor de kosten des oorlogs. Lamme Goedzak vergenoegde zich niet met het geld, doch hij roofde nog in de kloosters hespen, worsten, bottels bier, flesschen wijn; niet zelden kwam hij terug met eene weitasch vol gevogelte, kalkoenen, ganzen, kapoenen en kiekens op den buik en met eenige monnikenverkens en kloosterkalveren achter zich aan een touw. En dit krachtens het oorlogsrecht, naar hij zeide.Vol blijdschap bij elke verovering, bracht hij zijn buit naar het vaartuig om er lekker mee te smullen; maar hij deed bitter zijn beklag, dat de kok zoo weinig ervaren was in de edele konsten van koken en braden.Nu, dien dag hadden de Geuzen een lekker glaasje op de zege gedronken, en ze zeiden tot Uilenspiegel:—Gij staat steeds met den neus in den wind, om tijdingen van het vasteland te vernemen; gij kent al de krijgsavonturen: zing ze ons eens. Maar Lamme moet op de trom slaan en de bevallige pijpster zal naar de maat van het lied spelen.En Uilenspiegel zeide:—Op een frisschen, helderen Meimorgen, vond Lodewijk van Nassau dewelke Bergen meende binnen te rukken, zijne voetknechten en zijne ruiters niet meer. Eenige vertrouwden hielden eene poort geopend en eene brug was neergelaten, opdat hij de stede kon nemen. Maar de poorters bemachtigden de brug en depoort. Waar zijn de soldaten van graaf Lodewijk? De poorters gaan de brug ophalen. Graaf Lodewijk blaast op den horen.En Uilenspiegel zong:Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?Verdwaald in het bosch, alles vertredend,Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.Vrouw Zon doet blinkenRoode strijdlustige wezensEn glansende manen van rossen.Graaf Lodewijk steekt den hoorn.Ze hooren ’t. Slaat zacht de trom.In gestrekte vaart, met schuimend gebit,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal!Zij vliegen, de zware ruiters!Spoed, spoed! Ter hulp!De brug gaat op.... De spoorIn den bloedenden buik der paarden.De brug gaat op: verloren stad.Er vóór reeds. Is het te laat?Te vierklauw, met schuimend gebit!Chaumont, op zijn gelen vos,Springt op de brug die terugvalt.Gewonnen stad! Hoort gijOp Bergens plaveien,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal?Leve Chaumont en de gele vos!Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;Hooimaand is ’t, de weiden geuren.De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:Leve de vrije vogel!Slaat op de trom der glorie.Leve Chaumont en de vos!Alhier, te drinken!Gewonnen stad. Leve de Geus!En de Geuzen zongen op de schepen:Christus, zie uwe soldaten. Zegen onze wapenen, Heer. Leve de Geus.En Nele met heur lachend gezichtje speelde op de pijp, en Lamme sloeg op de trom, en naar omhoog, naar den hemel, den tempel Gods, verhieven zich gouden kelken en lofzangen van vrijheid. En de baren, helder en frisch, suisden welluidend rondom het schip als meerminnen,

IX.Evenals hunne vrienden en gezellen, hadden Uilenspiegel, Lamme en Nele, den kloosters het goed teruggenomen, dat deze vergaard hadden, door middel van begankenissen, valsche mirakelen en andere Roomsche mommerijen, ten koste van ’t onnoozele volk. Dit was in strijd met de bevelen van den Zwijger, den prins van de vrijheid, maar het geld diende voor de kosten des oorlogs. Lamme Goedzak vergenoegde zich niet met het geld, doch hij roofde nog in de kloosters hespen, worsten, bottels bier, flesschen wijn; niet zelden kwam hij terug met eene weitasch vol gevogelte, kalkoenen, ganzen, kapoenen en kiekens op den buik en met eenige monnikenverkens en kloosterkalveren achter zich aan een touw. En dit krachtens het oorlogsrecht, naar hij zeide.Vol blijdschap bij elke verovering, bracht hij zijn buit naar het vaartuig om er lekker mee te smullen; maar hij deed bitter zijn beklag, dat de kok zoo weinig ervaren was in de edele konsten van koken en braden.Nu, dien dag hadden de Geuzen een lekker glaasje op de zege gedronken, en ze zeiden tot Uilenspiegel:—Gij staat steeds met den neus in den wind, om tijdingen van het vasteland te vernemen; gij kent al de krijgsavonturen: zing ze ons eens. Maar Lamme moet op de trom slaan en de bevallige pijpster zal naar de maat van het lied spelen.En Uilenspiegel zeide:—Op een frisschen, helderen Meimorgen, vond Lodewijk van Nassau dewelke Bergen meende binnen te rukken, zijne voetknechten en zijne ruiters niet meer. Eenige vertrouwden hielden eene poort geopend en eene brug was neergelaten, opdat hij de stede kon nemen. Maar de poorters bemachtigden de brug en depoort. Waar zijn de soldaten van graaf Lodewijk? De poorters gaan de brug ophalen. Graaf Lodewijk blaast op den horen.En Uilenspiegel zong:Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?Verdwaald in het bosch, alles vertredend,Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.Vrouw Zon doet blinkenRoode strijdlustige wezensEn glansende manen van rossen.Graaf Lodewijk steekt den hoorn.Ze hooren ’t. Slaat zacht de trom.In gestrekte vaart, met schuimend gebit,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal!Zij vliegen, de zware ruiters!Spoed, spoed! Ter hulp!De brug gaat op.... De spoorIn den bloedenden buik der paarden.De brug gaat op: verloren stad.Er vóór reeds. Is het te laat?Te vierklauw, met schuimend gebit!Chaumont, op zijn gelen vos,Springt op de brug die terugvalt.Gewonnen stad! Hoort gijOp Bergens plaveien,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal?Leve Chaumont en de gele vos!Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;Hooimaand is ’t, de weiden geuren.De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:Leve de vrije vogel!Slaat op de trom der glorie.Leve Chaumont en de vos!Alhier, te drinken!Gewonnen stad. Leve de Geus!En de Geuzen zongen op de schepen:Christus, zie uwe soldaten. Zegen onze wapenen, Heer. Leve de Geus.En Nele met heur lachend gezichtje speelde op de pijp, en Lamme sloeg op de trom, en naar omhoog, naar den hemel, den tempel Gods, verhieven zich gouden kelken en lofzangen van vrijheid. En de baren, helder en frisch, suisden welluidend rondom het schip als meerminnen,

IX.Evenals hunne vrienden en gezellen, hadden Uilenspiegel, Lamme en Nele, den kloosters het goed teruggenomen, dat deze vergaard hadden, door middel van begankenissen, valsche mirakelen en andere Roomsche mommerijen, ten koste van ’t onnoozele volk. Dit was in strijd met de bevelen van den Zwijger, den prins van de vrijheid, maar het geld diende voor de kosten des oorlogs. Lamme Goedzak vergenoegde zich niet met het geld, doch hij roofde nog in de kloosters hespen, worsten, bottels bier, flesschen wijn; niet zelden kwam hij terug met eene weitasch vol gevogelte, kalkoenen, ganzen, kapoenen en kiekens op den buik en met eenige monnikenverkens en kloosterkalveren achter zich aan een touw. En dit krachtens het oorlogsrecht, naar hij zeide.Vol blijdschap bij elke verovering, bracht hij zijn buit naar het vaartuig om er lekker mee te smullen; maar hij deed bitter zijn beklag, dat de kok zoo weinig ervaren was in de edele konsten van koken en braden.Nu, dien dag hadden de Geuzen een lekker glaasje op de zege gedronken, en ze zeiden tot Uilenspiegel:—Gij staat steeds met den neus in den wind, om tijdingen van het vasteland te vernemen; gij kent al de krijgsavonturen: zing ze ons eens. Maar Lamme moet op de trom slaan en de bevallige pijpster zal naar de maat van het lied spelen.En Uilenspiegel zeide:—Op een frisschen, helderen Meimorgen, vond Lodewijk van Nassau dewelke Bergen meende binnen te rukken, zijne voetknechten en zijne ruiters niet meer. Eenige vertrouwden hielden eene poort geopend en eene brug was neergelaten, opdat hij de stede kon nemen. Maar de poorters bemachtigden de brug en depoort. Waar zijn de soldaten van graaf Lodewijk? De poorters gaan de brug ophalen. Graaf Lodewijk blaast op den horen.En Uilenspiegel zong:Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?Verdwaald in het bosch, alles vertredend,Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.Vrouw Zon doet blinkenRoode strijdlustige wezensEn glansende manen van rossen.Graaf Lodewijk steekt den hoorn.Ze hooren ’t. Slaat zacht de trom.In gestrekte vaart, met schuimend gebit,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal!Zij vliegen, de zware ruiters!Spoed, spoed! Ter hulp!De brug gaat op.... De spoorIn den bloedenden buik der paarden.De brug gaat op: verloren stad.Er vóór reeds. Is het te laat?Te vierklauw, met schuimend gebit!Chaumont, op zijn gelen vos,Springt op de brug die terugvalt.Gewonnen stad! Hoort gijOp Bergens plaveien,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal?Leve Chaumont en de gele vos!Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;Hooimaand is ’t, de weiden geuren.De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:Leve de vrije vogel!Slaat op de trom der glorie.Leve Chaumont en de vos!Alhier, te drinken!Gewonnen stad. Leve de Geus!En de Geuzen zongen op de schepen:Christus, zie uwe soldaten. Zegen onze wapenen, Heer. Leve de Geus.En Nele met heur lachend gezichtje speelde op de pijp, en Lamme sloeg op de trom, en naar omhoog, naar den hemel, den tempel Gods, verhieven zich gouden kelken en lofzangen van vrijheid. En de baren, helder en frisch, suisden welluidend rondom het schip als meerminnen,

IX.

Evenals hunne vrienden en gezellen, hadden Uilenspiegel, Lamme en Nele, den kloosters het goed teruggenomen, dat deze vergaard hadden, door middel van begankenissen, valsche mirakelen en andere Roomsche mommerijen, ten koste van ’t onnoozele volk. Dit was in strijd met de bevelen van den Zwijger, den prins van de vrijheid, maar het geld diende voor de kosten des oorlogs. Lamme Goedzak vergenoegde zich niet met het geld, doch hij roofde nog in de kloosters hespen, worsten, bottels bier, flesschen wijn; niet zelden kwam hij terug met eene weitasch vol gevogelte, kalkoenen, ganzen, kapoenen en kiekens op den buik en met eenige monnikenverkens en kloosterkalveren achter zich aan een touw. En dit krachtens het oorlogsrecht, naar hij zeide.Vol blijdschap bij elke verovering, bracht hij zijn buit naar het vaartuig om er lekker mee te smullen; maar hij deed bitter zijn beklag, dat de kok zoo weinig ervaren was in de edele konsten van koken en braden.Nu, dien dag hadden de Geuzen een lekker glaasje op de zege gedronken, en ze zeiden tot Uilenspiegel:—Gij staat steeds met den neus in den wind, om tijdingen van het vasteland te vernemen; gij kent al de krijgsavonturen: zing ze ons eens. Maar Lamme moet op de trom slaan en de bevallige pijpster zal naar de maat van het lied spelen.En Uilenspiegel zeide:—Op een frisschen, helderen Meimorgen, vond Lodewijk van Nassau dewelke Bergen meende binnen te rukken, zijne voetknechten en zijne ruiters niet meer. Eenige vertrouwden hielden eene poort geopend en eene brug was neergelaten, opdat hij de stede kon nemen. Maar de poorters bemachtigden de brug en depoort. Waar zijn de soldaten van graaf Lodewijk? De poorters gaan de brug ophalen. Graaf Lodewijk blaast op den horen.En Uilenspiegel zong:Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?Verdwaald in het bosch, alles vertredend,Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.Vrouw Zon doet blinkenRoode strijdlustige wezensEn glansende manen van rossen.Graaf Lodewijk steekt den hoorn.Ze hooren ’t. Slaat zacht de trom.In gestrekte vaart, met schuimend gebit,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal!Zij vliegen, de zware ruiters!Spoed, spoed! Ter hulp!De brug gaat op.... De spoorIn den bloedenden buik der paarden.De brug gaat op: verloren stad.Er vóór reeds. Is het te laat?Te vierklauw, met schuimend gebit!Chaumont, op zijn gelen vos,Springt op de brug die terugvalt.Gewonnen stad! Hoort gijOp Bergens plaveien,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal?Leve Chaumont en de gele vos!Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;Hooimaand is ’t, de weiden geuren.De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:Leve de vrije vogel!Slaat op de trom der glorie.Leve Chaumont en de vos!Alhier, te drinken!Gewonnen stad. Leve de Geus!En de Geuzen zongen op de schepen:Christus, zie uwe soldaten. Zegen onze wapenen, Heer. Leve de Geus.En Nele met heur lachend gezichtje speelde op de pijp, en Lamme sloeg op de trom, en naar omhoog, naar den hemel, den tempel Gods, verhieven zich gouden kelken en lofzangen van vrijheid. En de baren, helder en frisch, suisden welluidend rondom het schip als meerminnen,

Evenals hunne vrienden en gezellen, hadden Uilenspiegel, Lamme en Nele, den kloosters het goed teruggenomen, dat deze vergaard hadden, door middel van begankenissen, valsche mirakelen en andere Roomsche mommerijen, ten koste van ’t onnoozele volk. Dit was in strijd met de bevelen van den Zwijger, den prins van de vrijheid, maar het geld diende voor de kosten des oorlogs. Lamme Goedzak vergenoegde zich niet met het geld, doch hij roofde nog in de kloosters hespen, worsten, bottels bier, flesschen wijn; niet zelden kwam hij terug met eene weitasch vol gevogelte, kalkoenen, ganzen, kapoenen en kiekens op den buik en met eenige monnikenverkens en kloosterkalveren achter zich aan een touw. En dit krachtens het oorlogsrecht, naar hij zeide.

Vol blijdschap bij elke verovering, bracht hij zijn buit naar het vaartuig om er lekker mee te smullen; maar hij deed bitter zijn beklag, dat de kok zoo weinig ervaren was in de edele konsten van koken en braden.

Nu, dien dag hadden de Geuzen een lekker glaasje op de zege gedronken, en ze zeiden tot Uilenspiegel:

—Gij staat steeds met den neus in den wind, om tijdingen van het vasteland te vernemen; gij kent al de krijgsavonturen: zing ze ons eens. Maar Lamme moet op de trom slaan en de bevallige pijpster zal naar de maat van het lied spelen.

En Uilenspiegel zeide:

—Op een frisschen, helderen Meimorgen, vond Lodewijk van Nassau dewelke Bergen meende binnen te rukken, zijne voetknechten en zijne ruiters niet meer. Eenige vertrouwden hielden eene poort geopend en eene brug was neergelaten, opdat hij de stede kon nemen. Maar de poorters bemachtigden de brug en depoort. Waar zijn de soldaten van graaf Lodewijk? De poorters gaan de brug ophalen. Graaf Lodewijk blaast op den horen.

En Uilenspiegel zong:

Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?Verdwaald in het bosch, alles vertredend,Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.Vrouw Zon doet blinkenRoode strijdlustige wezensEn glansende manen van rossen.Graaf Lodewijk steekt den hoorn.Ze hooren ’t. Slaat zacht de trom.In gestrekte vaart, met schuimend gebit,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal!Zij vliegen, de zware ruiters!Spoed, spoed! Ter hulp!De brug gaat op.... De spoorIn den bloedenden buik der paarden.De brug gaat op: verloren stad.Er vóór reeds. Is het te laat?Te vierklauw, met schuimend gebit!Chaumont, op zijn gelen vos,Springt op de brug die terugvalt.Gewonnen stad! Hoort gijOp Bergens plaveien,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal?Leve Chaumont en de gele vos!Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;Hooimaand is ’t, de weiden geuren.De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:Leve de vrije vogel!Slaat op de trom der glorie.Leve Chaumont en de vos!Alhier, te drinken!Gewonnen stad. Leve de Geus!

Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?Verdwaald in het bosch, alles vertredend,Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.Vrouw Zon doet blinkenRoode strijdlustige wezensEn glansende manen van rossen.Graaf Lodewijk steekt den hoorn.Ze hooren ’t. Slaat zacht de trom.

Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?

Verdwaald in het bosch, alles vertredend,

Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.

Vrouw Zon doet blinken

Roode strijdlustige wezens

En glansende manen van rossen.

Graaf Lodewijk steekt den hoorn.

Ze hooren ’t. Slaat zacht de trom.

In gestrekte vaart, met schuimend gebit,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal!Zij vliegen, de zware ruiters!Spoed, spoed! Ter hulp!De brug gaat op.... De spoorIn den bloedenden buik der paarden.De brug gaat op: verloren stad.

In gestrekte vaart, met schuimend gebit,

Bliksemren, wolkenren,

Een hoos van kletterend staal!

Zij vliegen, de zware ruiters!

Spoed, spoed! Ter hulp!

De brug gaat op.... De spoor

In den bloedenden buik der paarden.

De brug gaat op: verloren stad.

Er vóór reeds. Is het te laat?Te vierklauw, met schuimend gebit!Chaumont, op zijn gelen vos,Springt op de brug die terugvalt.Gewonnen stad! Hoort gijOp Bergens plaveien,Bliksemren, wolkenren,Een hoos van kletterend staal?

Er vóór reeds. Is het te laat?

Te vierklauw, met schuimend gebit!

Chaumont, op zijn gelen vos,

Springt op de brug die terugvalt.

Gewonnen stad! Hoort gij

Op Bergens plaveien,

Bliksemren, wolkenren,

Een hoos van kletterend staal?

Leve Chaumont en de gele vos!Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;Hooimaand is ’t, de weiden geuren.De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:Leve de vrije vogel!Slaat op de trom der glorie.Leve Chaumont en de vos!Alhier, te drinken!Gewonnen stad. Leve de Geus!

Leve Chaumont en de gele vos!

Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;

Hooimaand is ’t, de weiden geuren.

De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:

Leve de vrije vogel!

Slaat op de trom der glorie.

Leve Chaumont en de vos!

Alhier, te drinken!

Gewonnen stad. Leve de Geus!

En de Geuzen zongen op de schepen:

Christus, zie uwe soldaten. Zegen onze wapenen, Heer. Leve de Geus.

En Nele met heur lachend gezichtje speelde op de pijp, en Lamme sloeg op de trom, en naar omhoog, naar den hemel, den tempel Gods, verhieven zich gouden kelken en lofzangen van vrijheid. En de baren, helder en frisch, suisden welluidend rondom het schip als meerminnen,


Back to IndexNext