X.Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:—Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?En Uilenspiegel zei hem:—Gij wordt mager, mijn jongen.—ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar, terwijl deze hier—zeide hij, naar Nele wijzend—heuren man moest ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig, het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het kunnen versterken, dan zij.—Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.—Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op de bodems des konings hebben zij viermaal vleeschin de week—als er geene vasten in valt—en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter, gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout, boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, ’t zij poorter, abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier, noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).—Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt onze vreugde. Tref de vijanden, ’t zij Roomschen of Spanjaards, overal waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen, doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom en met gansche karrevrachten in ’t water gestort. Hoort gij, Lamme, dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen, dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot, die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu; en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden aan schoone freulesvan Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar ander vleesch, naar koud vleesch!—Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm, kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!En Uilenspiegel sprak:Leve de Geus! Niet weenen broeders.In puinen en bloedBloeit de roos der vrijheid.Is God met ons, wie tegen?Zegeviert de hyena,Dra komt de leeuw.Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.En de Geuzen op de schepen zongen:De hertog bescheert ons het eigenst lot.Oog voor oog, tand voor tand,Wond voor wond. Leve de Geus!
X.Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:—Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?En Uilenspiegel zei hem:—Gij wordt mager, mijn jongen.—ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar, terwijl deze hier—zeide hij, naar Nele wijzend—heuren man moest ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig, het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het kunnen versterken, dan zij.—Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.—Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op de bodems des konings hebben zij viermaal vleeschin de week—als er geene vasten in valt—en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter, gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout, boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, ’t zij poorter, abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier, noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).—Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt onze vreugde. Tref de vijanden, ’t zij Roomschen of Spanjaards, overal waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen, doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom en met gansche karrevrachten in ’t water gestort. Hoort gij, Lamme, dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen, dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot, die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu; en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden aan schoone freulesvan Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar ander vleesch, naar koud vleesch!—Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm, kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!En Uilenspiegel sprak:Leve de Geus! Niet weenen broeders.In puinen en bloedBloeit de roos der vrijheid.Is God met ons, wie tegen?Zegeviert de hyena,Dra komt de leeuw.Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.En de Geuzen op de schepen zongen:De hertog bescheert ons het eigenst lot.Oog voor oog, tand voor tand,Wond voor wond. Leve de Geus!
X.Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:—Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?En Uilenspiegel zei hem:—Gij wordt mager, mijn jongen.—ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar, terwijl deze hier—zeide hij, naar Nele wijzend—heuren man moest ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig, het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het kunnen versterken, dan zij.—Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.—Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op de bodems des konings hebben zij viermaal vleeschin de week—als er geene vasten in valt—en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter, gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout, boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, ’t zij poorter, abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier, noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).—Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt onze vreugde. Tref de vijanden, ’t zij Roomschen of Spanjaards, overal waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen, doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom en met gansche karrevrachten in ’t water gestort. Hoort gij, Lamme, dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen, dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot, die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu; en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden aan schoone freulesvan Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar ander vleesch, naar koud vleesch!—Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm, kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!En Uilenspiegel sprak:Leve de Geus! Niet weenen broeders.In puinen en bloedBloeit de roos der vrijheid.Is God met ons, wie tegen?Zegeviert de hyena,Dra komt de leeuw.Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.En de Geuzen op de schepen zongen:De hertog bescheert ons het eigenst lot.Oog voor oog, tand voor tand,Wond voor wond. Leve de Geus!
X.
Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:—Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?En Uilenspiegel zei hem:—Gij wordt mager, mijn jongen.—ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar, terwijl deze hier—zeide hij, naar Nele wijzend—heuren man moest ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig, het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het kunnen versterken, dan zij.—Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.—Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op de bodems des konings hebben zij viermaal vleeschin de week—als er geene vasten in valt—en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter, gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout, boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, ’t zij poorter, abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier, noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).—Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt onze vreugde. Tref de vijanden, ’t zij Roomschen of Spanjaards, overal waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen, doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom en met gansche karrevrachten in ’t water gestort. Hoort gij, Lamme, dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen, dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot, die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu; en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden aan schoone freulesvan Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar ander vleesch, naar koud vleesch!—Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm, kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!En Uilenspiegel sprak:Leve de Geus! Niet weenen broeders.In puinen en bloedBloeit de roos der vrijheid.Is God met ons, wie tegen?Zegeviert de hyena,Dra komt de leeuw.Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.En de Geuzen op de schepen zongen:De hertog bescheert ons het eigenst lot.Oog voor oog, tand voor tand,Wond voor wond. Leve de Geus!
Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!
En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:
—Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?
En Uilenspiegel zei hem:
—Gij wordt mager, mijn jongen.
—ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar, terwijl deze hier—zeide hij, naar Nele wijzend—heuren man moest ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig, het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het kunnen versterken, dan zij.
—Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.
—Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op de bodems des konings hebben zij viermaal vleeschin de week—als er geene vasten in valt—en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter, gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout, boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, ’t zij poorter, abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier, noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?
Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).
Door de gangen van ’t kasteel van Valladolid. (Blz. 430).
—Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt onze vreugde. Tref de vijanden, ’t zij Roomschen of Spanjaards, overal waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen, doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom en met gansche karrevrachten in ’t water gestort. Hoort gij, Lamme, dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen, dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot, die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu; en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden aan schoone freulesvan Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar ander vleesch, naar koud vleesch!
—Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm, kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!
En Uilenspiegel sprak:
Leve de Geus! Niet weenen broeders.In puinen en bloedBloeit de roos der vrijheid.Is God met ons, wie tegen?Zegeviert de hyena,Dra komt de leeuw.Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.
Leve de Geus! Niet weenen broeders.In puinen en bloedBloeit de roos der vrijheid.Is God met ons, wie tegen?
Leve de Geus! Niet weenen broeders.
In puinen en bloed
Bloeit de roos der vrijheid.
Is God met ons, wie tegen?
Zegeviert de hyena,Dra komt de leeuw.Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.
Zegeviert de hyena,
Dra komt de leeuw.
Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.
Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.
En de Geuzen op de schepen zongen:
De hertog bescheert ons het eigenst lot.Oog voor oog, tand voor tand,Wond voor wond. Leve de Geus!
De hertog bescheert ons het eigenst lot.
Oog voor oog, tand voor tand,
Wond voor wond. Leve de Geus!