LVIII.De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en Nele, sprak Klaas:—’t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant, kunnen zien?—Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.Katelijne zegde heur:—Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf van keizer Karel.—Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal, met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, ’t is koning Philippus. Zijne Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij, dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, ’t zij maagd, gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten, in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger, Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die zich den neus zouden laten afsnijden, zoozij het op den borst aan een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe, aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote menigte spreken zal, hikkend en hoestend,—want wederom heb ik te veel gegeten, mijn zoon,—en gij zoudt een steenen hert moeten hebben, zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.—Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht Dubois.—Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan; men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:—Zie ik er goed uit, neef Willem?—Maar de man geeft geen antwoord.Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit—half lachend, half grammoedig:—Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen, Zwijger?—Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is, laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.Drie uren slaat de klok.—Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een grootezaal binnen, zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste, die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten, op gestoffeerde banken, mannen in ’t rood gekleed, die om den hals een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit, een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw, die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit hoestend en met zwakke stemme afleest:—Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods, den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.Hij weent en allen weenen mede.Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept hij uit:—Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon, zonder recht te staan:—Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht, mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.—Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongenkoning zoo fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid; hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar het huis der Warande.Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:—Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op ’t einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die ’t volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen ’t liefst, die ons ’t duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij denken dat mijn ijver voor ’t Roomsch geloove oprecht is, en ’t spijt hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden, uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen aan ’t gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was: zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges, doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met een sterken arm breekt. Bestrijd deketterije, niet om haar verschil met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden, eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven, gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede vorst! En zij zullen weenen!—En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in den heerd flikkerde.
LVIII.De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en Nele, sprak Klaas:—’t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant, kunnen zien?—Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.Katelijne zegde heur:—Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf van keizer Karel.—Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal, met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, ’t is koning Philippus. Zijne Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij, dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, ’t zij maagd, gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten, in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger, Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die zich den neus zouden laten afsnijden, zoozij het op den borst aan een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe, aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote menigte spreken zal, hikkend en hoestend,—want wederom heb ik te veel gegeten, mijn zoon,—en gij zoudt een steenen hert moeten hebben, zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.—Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht Dubois.—Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan; men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:—Zie ik er goed uit, neef Willem?—Maar de man geeft geen antwoord.Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit—half lachend, half grammoedig:—Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen, Zwijger?—Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is, laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.Drie uren slaat de klok.—Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een grootezaal binnen, zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste, die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten, op gestoffeerde banken, mannen in ’t rood gekleed, die om den hals een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit, een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw, die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit hoestend en met zwakke stemme afleest:—Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods, den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.Hij weent en allen weenen mede.Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept hij uit:—Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon, zonder recht te staan:—Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht, mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.—Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongenkoning zoo fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid; hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar het huis der Warande.Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:—Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op ’t einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die ’t volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen ’t liefst, die ons ’t duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij denken dat mijn ijver voor ’t Roomsch geloove oprecht is, en ’t spijt hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden, uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen aan ’t gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was: zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges, doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met een sterken arm breekt. Bestrijd deketterije, niet om haar verschil met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden, eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven, gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede vorst! En zij zullen weenen!—En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in den heerd flikkerde.
LVIII.De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en Nele, sprak Klaas:—’t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant, kunnen zien?—Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.Katelijne zegde heur:—Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf van keizer Karel.—Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal, met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, ’t is koning Philippus. Zijne Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij, dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, ’t zij maagd, gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten, in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger, Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die zich den neus zouden laten afsnijden, zoozij het op den borst aan een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe, aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote menigte spreken zal, hikkend en hoestend,—want wederom heb ik te veel gegeten, mijn zoon,—en gij zoudt een steenen hert moeten hebben, zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.—Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht Dubois.—Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan; men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:—Zie ik er goed uit, neef Willem?—Maar de man geeft geen antwoord.Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit—half lachend, half grammoedig:—Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen, Zwijger?—Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is, laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.Drie uren slaat de klok.—Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een grootezaal binnen, zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste, die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten, op gestoffeerde banken, mannen in ’t rood gekleed, die om den hals een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit, een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw, die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit hoestend en met zwakke stemme afleest:—Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods, den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.Hij weent en allen weenen mede.Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept hij uit:—Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon, zonder recht te staan:—Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht, mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.—Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongenkoning zoo fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid; hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar het huis der Warande.Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:—Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op ’t einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die ’t volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen ’t liefst, die ons ’t duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij denken dat mijn ijver voor ’t Roomsch geloove oprecht is, en ’t spijt hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden, uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen aan ’t gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was: zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges, doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met een sterken arm breekt. Bestrijd deketterije, niet om haar verschil met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden, eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven, gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede vorst! En zij zullen weenen!—En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in den heerd flikkerde.
LVIII.
De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en Nele, sprak Klaas:—’t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant, kunnen zien?—Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.Katelijne zegde heur:—Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf van keizer Karel.—Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal, met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, ’t is koning Philippus. Zijne Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij, dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, ’t zij maagd, gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten, in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger, Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die zich den neus zouden laten afsnijden, zoozij het op den borst aan een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe, aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote menigte spreken zal, hikkend en hoestend,—want wederom heb ik te veel gegeten, mijn zoon,—en gij zoudt een steenen hert moeten hebben, zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.—Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht Dubois.—Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan; men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:—Zie ik er goed uit, neef Willem?—Maar de man geeft geen antwoord.Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit—half lachend, half grammoedig:—Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen, Zwijger?—Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is, laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.Drie uren slaat de klok.—Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een grootezaal binnen, zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste, die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten, op gestoffeerde banken, mannen in ’t rood gekleed, die om den hals een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit, een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw, die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit hoestend en met zwakke stemme afleest:—Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods, den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.Hij weent en allen weenen mede.Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept hij uit:—Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon, zonder recht te staan:—Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht, mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.—Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongenkoning zoo fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid; hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar het huis der Warande.Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:—Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op ’t einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die ’t volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen ’t liefst, die ons ’t duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij denken dat mijn ijver voor ’t Roomsch geloove oprecht is, en ’t spijt hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden, uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen aan ’t gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was: zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges, doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met een sterken arm breekt. Bestrijd deketterije, niet om haar verschil met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden, eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven, gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede vorst! En zij zullen weenen!—En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in den heerd flikkerde.
De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.
Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en Nele, sprak Klaas:
—’t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant, kunnen zien?
—Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.
Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.
Katelijne zegde heur:
—Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf van keizer Karel.
—Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal, met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, ’t is koning Philippus. Zijne Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij, dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, ’t zij maagd, gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten, in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.
De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.
Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger, Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die zich den neus zouden laten afsnijden, zoozij het op den borst aan een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.
Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe, aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote menigte spreken zal, hikkend en hoestend,—want wederom heb ik te veel gegeten, mijn zoon,—en gij zoudt een steenen hert moeten hebben, zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.
—Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.
Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht Dubois.
—Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.
Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan; men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.
Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.
Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:
—Zie ik er goed uit, neef Willem?
—Maar de man geeft geen antwoord.
Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit—half lachend, half grammoedig:
—Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen, Zwijger?
—Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is, laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.
Drie uren slaat de klok.
—Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.
En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een grootezaal binnen, zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste, die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten, op gestoffeerde banken, mannen in ’t rood gekleed, die om den hals een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit, een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.
Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw, die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit hoestend en met zwakke stemme afleest:
—Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods, den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.
Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.
Hij weent en allen weenen mede.
Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept hij uit:
—Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?
Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.
Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon, zonder recht te staan:
—Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht, mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.
—Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.
En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongenkoning zoo fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid; hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar het huis der Warande.
Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:
—Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op ’t einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die ’t volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen ’t liefst, die ons ’t duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij denken dat mijn ijver voor ’t Roomsch geloove oprecht is, en ’t spijt hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden, uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen aan ’t gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was: zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges, doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met een sterken arm breekt. Bestrijd deketterije, niet om haar verschil met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden, eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven, gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede vorst! En zij zullen weenen!
—En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.
Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.
En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in den heerd flikkerde.