LXIX.Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek zou bestieren.Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd, tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen, smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.En hij liep regelrecht naar Damme.De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.Een rondleurder vroeg hem in ’t voorbijgaan:—Waar loopt gij zoo haastig?—Naar Damme, naar mijn huis, was ’t antwoord van Uilenspiegel.De rondleurder sprak:—De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men er pakt.En hij ging voort.Aan de afspanninghet Roode Schildgekomen, ging Uilenspiegel er binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.De baas zei hem:—Zijt gij de zoon van Klaas niet?—Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.—Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen vader geslagen.Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw zou weten.En Uilenspiegel liep voort.Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:—Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar niet levend verbranden!Uilenspiegel liep nog harder.Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:—Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker gesteld van wege den keizer.Uilenspiegel bleef staan.—Nele, sprak hij, is ’t waar dat zij Klaas, mijn vader in ’t gevang hebben gestoken?—Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:—Ik wil ze zien.—Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen, zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij eerst redden, want zij zijn ’t erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar ’t gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme Soetkin en Uilenspiegel.Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen,die men uit Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd geerne gezien door de burgers van Damme.De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.En schuddebollend sprak Katelijne: „Het vuur! Maakt open, mijne ziel wil er uit!”
LXIX.Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek zou bestieren.Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd, tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen, smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.En hij liep regelrecht naar Damme.De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.Een rondleurder vroeg hem in ’t voorbijgaan:—Waar loopt gij zoo haastig?—Naar Damme, naar mijn huis, was ’t antwoord van Uilenspiegel.De rondleurder sprak:—De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men er pakt.En hij ging voort.Aan de afspanninghet Roode Schildgekomen, ging Uilenspiegel er binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.De baas zei hem:—Zijt gij de zoon van Klaas niet?—Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.—Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen vader geslagen.Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw zou weten.En Uilenspiegel liep voort.Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:—Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar niet levend verbranden!Uilenspiegel liep nog harder.Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:—Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker gesteld van wege den keizer.Uilenspiegel bleef staan.—Nele, sprak hij, is ’t waar dat zij Klaas, mijn vader in ’t gevang hebben gestoken?—Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:—Ik wil ze zien.—Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen, zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij eerst redden, want zij zijn ’t erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar ’t gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme Soetkin en Uilenspiegel.Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen,die men uit Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd geerne gezien door de burgers van Damme.De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.En schuddebollend sprak Katelijne: „Het vuur! Maakt open, mijne ziel wil er uit!”
LXIX.Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek zou bestieren.Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd, tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen, smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.En hij liep regelrecht naar Damme.De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.Een rondleurder vroeg hem in ’t voorbijgaan:—Waar loopt gij zoo haastig?—Naar Damme, naar mijn huis, was ’t antwoord van Uilenspiegel.De rondleurder sprak:—De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men er pakt.En hij ging voort.Aan de afspanninghet Roode Schildgekomen, ging Uilenspiegel er binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.De baas zei hem:—Zijt gij de zoon van Klaas niet?—Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.—Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen vader geslagen.Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw zou weten.En Uilenspiegel liep voort.Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:—Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar niet levend verbranden!Uilenspiegel liep nog harder.Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:—Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker gesteld van wege den keizer.Uilenspiegel bleef staan.—Nele, sprak hij, is ’t waar dat zij Klaas, mijn vader in ’t gevang hebben gestoken?—Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:—Ik wil ze zien.—Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen, zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij eerst redden, want zij zijn ’t erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar ’t gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme Soetkin en Uilenspiegel.Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen,die men uit Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd geerne gezien door de burgers van Damme.De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.En schuddebollend sprak Katelijne: „Het vuur! Maakt open, mijne ziel wil er uit!”
LXIX.
Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek zou bestieren.Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd, tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen, smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.En hij liep regelrecht naar Damme.De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.Een rondleurder vroeg hem in ’t voorbijgaan:—Waar loopt gij zoo haastig?—Naar Damme, naar mijn huis, was ’t antwoord van Uilenspiegel.De rondleurder sprak:—De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men er pakt.En hij ging voort.Aan de afspanninghet Roode Schildgekomen, ging Uilenspiegel er binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.De baas zei hem:—Zijt gij de zoon van Klaas niet?—Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.—Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen vader geslagen.Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw zou weten.En Uilenspiegel liep voort.Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:—Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar niet levend verbranden!Uilenspiegel liep nog harder.Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:—Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker gesteld van wege den keizer.Uilenspiegel bleef staan.—Nele, sprak hij, is ’t waar dat zij Klaas, mijn vader in ’t gevang hebben gestoken?—Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:—Ik wil ze zien.—Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen, zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij eerst redden, want zij zijn ’t erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar ’t gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme Soetkin en Uilenspiegel.Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen,die men uit Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd geerne gezien door de burgers van Damme.De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.En schuddebollend sprak Katelijne: „Het vuur! Maakt open, mijne ziel wil er uit!”
Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek zou bestieren.
Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd, tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen, smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.
Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.
En hij liep regelrecht naar Damme.
De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.
Een rondleurder vroeg hem in ’t voorbijgaan:
—Waar loopt gij zoo haastig?
—Naar Damme, naar mijn huis, was ’t antwoord van Uilenspiegel.
De rondleurder sprak:
—De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men er pakt.
En hij ging voort.
Aan de afspanninghet Roode Schildgekomen, ging Uilenspiegel er binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.
De baas zei hem:
—Zijt gij de zoon van Klaas niet?
—Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.
—Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen vader geslagen.
Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.
De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw zou weten.
En Uilenspiegel liep voort.
Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:
—Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar niet levend verbranden!
Uilenspiegel liep nog harder.
Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:
—Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker gesteld van wege den keizer.
Uilenspiegel bleef staan.
—Nele, sprak hij, is ’t waar dat zij Klaas, mijn vader in ’t gevang hebben gestoken?
—Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.
Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:
—Ik wil ze zien.
—Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen, zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij eerst redden, want zij zijn ’t erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.
Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar ’t gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme Soetkin en Uilenspiegel.
Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen,die men uit Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd geerne gezien door de burgers van Damme.
De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.
Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.
En schuddebollend sprak Katelijne: „Het vuur! Maakt open, mijne ziel wil er uit!”