LXX.

LXX.De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen; omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen en de griffier.Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte toegeloopen, en het sprak:—Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen, maar als slaven in dienst van den Keizer.De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas, koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij, gaan wij tot het verhoor der getuigen over.Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den eed afgelegd had, sprak hij: „Op mijner ziele zaligheid bevestig en verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft, noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken, noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei „dat, gedurende de afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidenereizen in het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer, een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft, vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerneden Blauwen Toren, geene aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten, antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had, maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver, de deken der vischverkoopers, had willen doen.De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak:—De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren, gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en groette hem. De man was in ’t zwart gekleed. Hij ging bij Klaas binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke en menschelijke majesteitsschennis. Alsde man gedaan had met eten, hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: „Arme Judocus, dat God zich uwer ontferme; zij waren wreed jegens u.” Daardoor beschuldigde hij God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te zeggen: „Mijn arme broeder!” Gelijk een kettersch predikant, riep de vreemdeling toen in woede uit: „Zij zal vallen, de Babylonische Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren.” Klaas riep daarop: „De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!” De vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: „Want de engel zal eenen steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en nimmermeer teruggevonden.”—„Heer, sprak Klaas, uw mond is vol grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen leven?”—„Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid is.”—„Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme protestanten gestraft worden.” De vreemdeling antwoordde: „Zeker weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt.” Klaas antwoordde: „Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk vleesch. Mijn arme Judocus!” En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas: „Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen.”... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een kan bier terugkwam: „Ik ga de deur toedoen”, sprak hij vervolgens, en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: „Klaas, ’t is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats; niemand heeft mijzien binnenkomen; alles is stil.” Klaas liet hem binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,—den ketter den weg wijzend,—de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.—Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers, die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich zelven verried. Allen die van ’t gemeen, mannen, vrouwen en meidekens, zeiden tot elkaar:—Arme man, die woorden kosten hem het leven!Doch de griffier ging voort:—De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne Koninklijke Majesteit....—Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men mij daarvan niet beschuldigen!De griffier hernam:—Men heeft andere dingen gehoord. Als de vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne’s akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke afgodenbeelden—en de baljuw sloeg een kruis—van de Allerheiligste Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad, verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in de folterkamer.Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets te antwoorden had; Klaas zegde van neen.De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen uitspreken.Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit,maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige Kerk was.—Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van Christus op dees aarde is, sprak hij:—Neen!—Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij, dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed is en heilzaam, antwoordde hij:—Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond treurig en angstig scheen.Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.

LXX.De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen; omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen en de griffier.Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte toegeloopen, en het sprak:—Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen, maar als slaven in dienst van den Keizer.De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas, koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij, gaan wij tot het verhoor der getuigen over.Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den eed afgelegd had, sprak hij: „Op mijner ziele zaligheid bevestig en verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft, noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken, noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei „dat, gedurende de afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidenereizen in het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer, een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft, vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerneden Blauwen Toren, geene aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten, antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had, maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver, de deken der vischverkoopers, had willen doen.De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak:—De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren, gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en groette hem. De man was in ’t zwart gekleed. Hij ging bij Klaas binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke en menschelijke majesteitsschennis. Alsde man gedaan had met eten, hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: „Arme Judocus, dat God zich uwer ontferme; zij waren wreed jegens u.” Daardoor beschuldigde hij God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te zeggen: „Mijn arme broeder!” Gelijk een kettersch predikant, riep de vreemdeling toen in woede uit: „Zij zal vallen, de Babylonische Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren.” Klaas riep daarop: „De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!” De vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: „Want de engel zal eenen steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en nimmermeer teruggevonden.”—„Heer, sprak Klaas, uw mond is vol grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen leven?”—„Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid is.”—„Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme protestanten gestraft worden.” De vreemdeling antwoordde: „Zeker weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt.” Klaas antwoordde: „Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk vleesch. Mijn arme Judocus!” En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas: „Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen.”... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een kan bier terugkwam: „Ik ga de deur toedoen”, sprak hij vervolgens, en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: „Klaas, ’t is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats; niemand heeft mijzien binnenkomen; alles is stil.” Klaas liet hem binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,—den ketter den weg wijzend,—de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.—Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers, die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich zelven verried. Allen die van ’t gemeen, mannen, vrouwen en meidekens, zeiden tot elkaar:—Arme man, die woorden kosten hem het leven!Doch de griffier ging voort:—De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne Koninklijke Majesteit....—Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men mij daarvan niet beschuldigen!De griffier hernam:—Men heeft andere dingen gehoord. Als de vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne’s akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke afgodenbeelden—en de baljuw sloeg een kruis—van de Allerheiligste Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad, verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in de folterkamer.Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets te antwoorden had; Klaas zegde van neen.De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen uitspreken.Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit,maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige Kerk was.—Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van Christus op dees aarde is, sprak hij:—Neen!—Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij, dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed is en heilzaam, antwoordde hij:—Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond treurig en angstig scheen.Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.

LXX.De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen; omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen en de griffier.Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte toegeloopen, en het sprak:—Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen, maar als slaven in dienst van den Keizer.De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas, koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij, gaan wij tot het verhoor der getuigen over.Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den eed afgelegd had, sprak hij: „Op mijner ziele zaligheid bevestig en verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft, noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken, noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei „dat, gedurende de afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidenereizen in het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer, een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft, vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerneden Blauwen Toren, geene aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten, antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had, maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver, de deken der vischverkoopers, had willen doen.De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak:—De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren, gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en groette hem. De man was in ’t zwart gekleed. Hij ging bij Klaas binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke en menschelijke majesteitsschennis. Alsde man gedaan had met eten, hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: „Arme Judocus, dat God zich uwer ontferme; zij waren wreed jegens u.” Daardoor beschuldigde hij God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te zeggen: „Mijn arme broeder!” Gelijk een kettersch predikant, riep de vreemdeling toen in woede uit: „Zij zal vallen, de Babylonische Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren.” Klaas riep daarop: „De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!” De vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: „Want de engel zal eenen steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en nimmermeer teruggevonden.”—„Heer, sprak Klaas, uw mond is vol grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen leven?”—„Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid is.”—„Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme protestanten gestraft worden.” De vreemdeling antwoordde: „Zeker weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt.” Klaas antwoordde: „Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk vleesch. Mijn arme Judocus!” En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas: „Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen.”... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een kan bier terugkwam: „Ik ga de deur toedoen”, sprak hij vervolgens, en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: „Klaas, ’t is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats; niemand heeft mijzien binnenkomen; alles is stil.” Klaas liet hem binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,—den ketter den weg wijzend,—de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.—Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers, die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich zelven verried. Allen die van ’t gemeen, mannen, vrouwen en meidekens, zeiden tot elkaar:—Arme man, die woorden kosten hem het leven!Doch de griffier ging voort:—De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne Koninklijke Majesteit....—Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men mij daarvan niet beschuldigen!De griffier hernam:—Men heeft andere dingen gehoord. Als de vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne’s akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke afgodenbeelden—en de baljuw sloeg een kruis—van de Allerheiligste Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad, verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in de folterkamer.Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets te antwoorden had; Klaas zegde van neen.De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen uitspreken.Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit,maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige Kerk was.—Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van Christus op dees aarde is, sprak hij:—Neen!—Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij, dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed is en heilzaam, antwoordde hij:—Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond treurig en angstig scheen.Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.

LXX.

De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen; omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen en de griffier.Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte toegeloopen, en het sprak:—Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen, maar als slaven in dienst van den Keizer.De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas, koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij, gaan wij tot het verhoor der getuigen over.Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den eed afgelegd had, sprak hij: „Op mijner ziele zaligheid bevestig en verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft, noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken, noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei „dat, gedurende de afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidenereizen in het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer, een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft, vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerneden Blauwen Toren, geene aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten, antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had, maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver, de deken der vischverkoopers, had willen doen.De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak:—De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren, gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en groette hem. De man was in ’t zwart gekleed. Hij ging bij Klaas binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke en menschelijke majesteitsschennis. Alsde man gedaan had met eten, hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: „Arme Judocus, dat God zich uwer ontferme; zij waren wreed jegens u.” Daardoor beschuldigde hij God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te zeggen: „Mijn arme broeder!” Gelijk een kettersch predikant, riep de vreemdeling toen in woede uit: „Zij zal vallen, de Babylonische Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren.” Klaas riep daarop: „De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!” De vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: „Want de engel zal eenen steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en nimmermeer teruggevonden.”—„Heer, sprak Klaas, uw mond is vol grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen leven?”—„Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid is.”—„Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme protestanten gestraft worden.” De vreemdeling antwoordde: „Zeker weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt.” Klaas antwoordde: „Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk vleesch. Mijn arme Judocus!” En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas: „Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen.”... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een kan bier terugkwam: „Ik ga de deur toedoen”, sprak hij vervolgens, en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: „Klaas, ’t is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats; niemand heeft mijzien binnenkomen; alles is stil.” Klaas liet hem binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,—den ketter den weg wijzend,—de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.—Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers, die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich zelven verried. Allen die van ’t gemeen, mannen, vrouwen en meidekens, zeiden tot elkaar:—Arme man, die woorden kosten hem het leven!Doch de griffier ging voort:—De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne Koninklijke Majesteit....—Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men mij daarvan niet beschuldigen!De griffier hernam:—Men heeft andere dingen gehoord. Als de vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne’s akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke afgodenbeelden—en de baljuw sloeg een kruis—van de Allerheiligste Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad, verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in de folterkamer.Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets te antwoorden had; Klaas zegde van neen.De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen uitspreken.Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit,maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige Kerk was.—Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van Christus op dees aarde is, sprak hij:—Neen!—Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij, dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed is en heilzaam, antwoordde hij:—Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond treurig en angstig scheen.Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.

De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen; omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.

Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen en de griffier.

Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte toegeloopen, en het sprak:

—Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen, maar als slaven in dienst van den Keizer.

De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas, koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij, gaan wij tot het verhoor der getuigen over.

Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den eed afgelegd had, sprak hij: „Op mijner ziele zaligheid bevestig en verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft, noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken, noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”

Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei „dat, gedurende de afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidenereizen in het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer, een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft, vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo helpen mij God en al zijne santen.”

Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerneden Blauwen Toren, geene aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten, antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had, maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver, de deken der vischverkoopers, had willen doen.

De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak:

—De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren, gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en groette hem. De man was in ’t zwart gekleed. Hij ging bij Klaas binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke en menschelijke majesteitsschennis. Alsde man gedaan had met eten, hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: „Arme Judocus, dat God zich uwer ontferme; zij waren wreed jegens u.” Daardoor beschuldigde hij God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te zeggen: „Mijn arme broeder!” Gelijk een kettersch predikant, riep de vreemdeling toen in woede uit: „Zij zal vallen, de Babylonische Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren.” Klaas riep daarop: „De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!” De vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: „Want de engel zal eenen steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en nimmermeer teruggevonden.”—„Heer, sprak Klaas, uw mond is vol grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen leven?”—„Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid is.”—„Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme protestanten gestraft worden.” De vreemdeling antwoordde: „Zeker weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt.” Klaas antwoordde: „Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk vleesch. Mijn arme Judocus!” En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas: „Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen.”

... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een kan bier terugkwam: „Ik ga de deur toedoen”, sprak hij vervolgens, en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: „Klaas, ’t is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats; niemand heeft mijzien binnenkomen; alles is stil.” Klaas liet hem binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,—den ketter den weg wijzend,—de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.

—Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?

En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers, die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.

De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich zelven verried. Allen die van ’t gemeen, mannen, vrouwen en meidekens, zeiden tot elkaar:

—Arme man, die woorden kosten hem het leven!

Doch de griffier ging voort:

—De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne Koninklijke Majesteit....

—Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men mij daarvan niet beschuldigen!

De griffier hernam:—Men heeft andere dingen gehoord. Als de vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne’s akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke afgodenbeelden—en de baljuw sloeg een kruis—van de Allerheiligste Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad, verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in de folterkamer.

Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets te antwoorden had; Klaas zegde van neen.

De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen uitspreken.

Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit,maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige Kerk was.

—Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.

Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van Christus op dees aarde is, sprak hij:

—Neen!

—Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij, dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed is en heilzaam, antwoordde hij:

—Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.

Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond treurig en angstig scheen.

Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.


Back to IndexNext