LXVI.

LXVI.Uilenspiegel naderde Ronse, en hij had honger en dorst, doch wilde niet klagen; hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood te geraken. Maar het ging hem niet af, de menschen kwamen en gingen en gaven hem niets.Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den rug van den zwerver. Als hij een hond een been zag afknagen, kwam het water hem in den mond. Hij had wel een gulden willen verdienen, doch wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.Omhoog zoekend, zag hij duiven die van hunne piere witte plakjes op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht langs de groote wegen, maar ook tusschen de kasseien schoten geene guldens omhoog.Rechts zoekend, zag hij wel een grimmige wolk in de lucht drijven, maar hij wist wel dat, zoo er uit dien gieter iets moest vallen, het geene guldenbui zou wezen. Links vorschend, zag hij een grooten, luien kastanjelaar, die leefde en waste zonder iets te verrichten.—Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenaars? Daar zouden schoone vruchten aan groeien.Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen en sloegen geducht op Uilenspiegel’s rug.—Laas, sprak hij, ik voel het wel, ’t is alleen naar dwalende honden dat men steenen smijt.—Toen zette hij het op een loopen.—’t Is mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geen tent heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, ’t is mijne schuld niet, als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, ’t is enkellijk omdat het mij behaagt. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen.—En hij liep.—Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij doorboord, en kunt gij dienen tot pepervat op de festijnen van de grooten der aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. En zijne kaken afwisschend, sprak hij:—Deze kunnen weldra dienen tot schuimspanen voor de koks, die het te warm bij hunne ovens hebben. Ha! verre herinnering aan heerlijke pastijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag u niet, jammerende ingewanden, houdt u stil. Fortuin, waar zit gij nu? breng mij ergens waar ik te eten vind.Terwijl hij aldus tot zich zelven sprak, werd de hemel helder; het hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak:—Daar is de zonne, mijne eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar eensklaps zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen, met hangende tong en puilende oogen.—Dat beest is razend, riep Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen op en klom gezwind in een boom; nauwelijks had hij den eersten tak bereikt, of de hond was dáár, en Uilenspiegel smeet hem den steen op den kop. De hond bleef staan, trachtte nog Uilenspiegel te bijten, maar hij kon niet en viel dood ten gronde.Dat deed Uilenspiegel geen genoegen en te minder daar hij, beneden gekomen, zag dat de hond geen drogen muil had, gelijk gewoonlijk bij dolle honden ’t geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte het, waschte het, hing het aan een paal, liet het in de zonne wat drogen en stak het in zijne tassche.Daar honger en dorst hem kwelden, ging hij eenige hoeven binnen, doch dorst het vel niet te koop bieden, uit vreeze dat de hond aan den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid en hij ging een kleine afspanning binnen. Daar zag hij een oude bazin, die een ouden hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.—Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.Uilenspiegel antwoordde:—Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid genas, die hem grootelijks hinderde.—Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.—Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen toegestaan geweest zijn heilige voeten en zijn doorluchtige muilen te kussen.De oude hond van de bazinne kuchte, doch spuwde niet.—Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.—Nu twee maanden geleden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte mij, ik kwam en klopte:—Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige, aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaal-kamerheer van Zijne Zeer Heilige Heiligheid.—Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik kom opzettelijk uit Vlaanderen om de voeten van den Paus te kussen en zijnen hond van het slijm te verlossen.—Ha! zijt gij het, Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een deurken. Het zou mij veel genoegen doen u te zien, maar nu is dat onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes over gaat—Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen gekomen om devoeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het slijm te genezen. Moet ik onverrichter zake terugkeeren?—Neen, sprak de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen:—Aartskamerheer, schuif mijn stoel tot bij de deur en open het schuifken. Zoo werd gedaan.—En door het schuifje zag ik twee voeten steken met gouden muilen aan, en ’k hoorde eene stem die als de donder rolde, zeggen:—Dit zijn de doorluchtige voeten van den Prins der Prinsen, den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, geloovige, kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en mijn neus was gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen ging het schuifken weder toe en dezelfde geduchte stemme gebood mij te wachten. De deur ging toen open en daar kwam een hond te voorschijn, om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen en zoo opgeblazen, dat hij schier niet gaan kon.De Heilige Vader verweerdigde zich nog mij te zeggen:—Uilenspiegel, gij ziet mijnen hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen met te knagen aan het gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem, mijn zoon, gij zult er u wel mee bevinden.—Drink, sprak de oude.—Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij: Ik deed den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje, dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drie dagen en drie nachten aan één stuk, en was toen genezen.—Jezus, Maria! sprak de oude, laat mij u kussen, doorluchtige pelgrim, die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude, sprak:—Zij, wier lippen de heilige muilen aangeraakt hebben, mogen, twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij wat goede karbonaden, een koppel bloedworsten en bier in overvloed, en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven, dat hij gemakkelijk zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.—Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf u een gulden voor uwe moeite.—Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijn bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij niet gezegd dat dit niet mogelijk was.Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere; vervolgens sprak hij tot de hospita:—Wat zoudt gij doen, als iemand bij u at en niet wilde betalen?—Ik zou den dief zijn opperste kleed afnemen, sprak de oude.—Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij nam het vel van den dooden hond en, bij de oude terugkomend, vroeg hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het opperste kleed zou uitdoen van dengene die at zonder betalen.—Zeker, antwoordde zij.—Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb hem volgens uw voorschrift zijn opperste en eenig kleed uitgedaan.En hij toonde heur de huid van den dooden hond.—Ha! snikte de oude, dat is wreed van u, mijnheer de dokter. Arm hondje! het was mij als een kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen vriend, dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven!—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel.—Weder in ’t leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de dokter; niet alleenlijk zult gij voor niet een lekker maal hebben genoten, maar ’k geef u nog een gulden op den koop toe.—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar ik moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuw vel toe te plakken, eene naald en garen, en saus van karbonaden, en men moet mij alleen laten.De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den dooden hond naar den stal.Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet begaan; van onderen op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij groote streepen met siroop.Hij stiet driemaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik beveel het, vuile hond!Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne tassche, gaf den levenden hond een schop en joeg hem alzoo de gelagkamer binnen.Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.—Gij moogt uwen hond maar streelen, sprak hij, als hij alde siroop afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.—Eén had ik gezeid, sprak de oude.—Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in ’t leven te roepen.En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den dooden hond in de gelagkamer, zeggende:—Daar, vrouwe, bewaar het oude vel, het kan dienen om het nieuwe te vermaken, als de mot er in komt.

LXVI.Uilenspiegel naderde Ronse, en hij had honger en dorst, doch wilde niet klagen; hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood te geraken. Maar het ging hem niet af, de menschen kwamen en gingen en gaven hem niets.Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den rug van den zwerver. Als hij een hond een been zag afknagen, kwam het water hem in den mond. Hij had wel een gulden willen verdienen, doch wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.Omhoog zoekend, zag hij duiven die van hunne piere witte plakjes op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht langs de groote wegen, maar ook tusschen de kasseien schoten geene guldens omhoog.Rechts zoekend, zag hij wel een grimmige wolk in de lucht drijven, maar hij wist wel dat, zoo er uit dien gieter iets moest vallen, het geene guldenbui zou wezen. Links vorschend, zag hij een grooten, luien kastanjelaar, die leefde en waste zonder iets te verrichten.—Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenaars? Daar zouden schoone vruchten aan groeien.Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen en sloegen geducht op Uilenspiegel’s rug.—Laas, sprak hij, ik voel het wel, ’t is alleen naar dwalende honden dat men steenen smijt.—Toen zette hij het op een loopen.—’t Is mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geen tent heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, ’t is mijne schuld niet, als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, ’t is enkellijk omdat het mij behaagt. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen.—En hij liep.—Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij doorboord, en kunt gij dienen tot pepervat op de festijnen van de grooten der aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. En zijne kaken afwisschend, sprak hij:—Deze kunnen weldra dienen tot schuimspanen voor de koks, die het te warm bij hunne ovens hebben. Ha! verre herinnering aan heerlijke pastijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag u niet, jammerende ingewanden, houdt u stil. Fortuin, waar zit gij nu? breng mij ergens waar ik te eten vind.Terwijl hij aldus tot zich zelven sprak, werd de hemel helder; het hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak:—Daar is de zonne, mijne eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar eensklaps zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen, met hangende tong en puilende oogen.—Dat beest is razend, riep Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen op en klom gezwind in een boom; nauwelijks had hij den eersten tak bereikt, of de hond was dáár, en Uilenspiegel smeet hem den steen op den kop. De hond bleef staan, trachtte nog Uilenspiegel te bijten, maar hij kon niet en viel dood ten gronde.Dat deed Uilenspiegel geen genoegen en te minder daar hij, beneden gekomen, zag dat de hond geen drogen muil had, gelijk gewoonlijk bij dolle honden ’t geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte het, waschte het, hing het aan een paal, liet het in de zonne wat drogen en stak het in zijne tassche.Daar honger en dorst hem kwelden, ging hij eenige hoeven binnen, doch dorst het vel niet te koop bieden, uit vreeze dat de hond aan den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid en hij ging een kleine afspanning binnen. Daar zag hij een oude bazin, die een ouden hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.—Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.Uilenspiegel antwoordde:—Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid genas, die hem grootelijks hinderde.—Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.—Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen toegestaan geweest zijn heilige voeten en zijn doorluchtige muilen te kussen.De oude hond van de bazinne kuchte, doch spuwde niet.—Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.—Nu twee maanden geleden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte mij, ik kwam en klopte:—Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige, aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaal-kamerheer van Zijne Zeer Heilige Heiligheid.—Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik kom opzettelijk uit Vlaanderen om de voeten van den Paus te kussen en zijnen hond van het slijm te verlossen.—Ha! zijt gij het, Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een deurken. Het zou mij veel genoegen doen u te zien, maar nu is dat onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes over gaat—Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen gekomen om devoeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het slijm te genezen. Moet ik onverrichter zake terugkeeren?—Neen, sprak de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen:—Aartskamerheer, schuif mijn stoel tot bij de deur en open het schuifken. Zoo werd gedaan.—En door het schuifje zag ik twee voeten steken met gouden muilen aan, en ’k hoorde eene stem die als de donder rolde, zeggen:—Dit zijn de doorluchtige voeten van den Prins der Prinsen, den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, geloovige, kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en mijn neus was gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen ging het schuifken weder toe en dezelfde geduchte stemme gebood mij te wachten. De deur ging toen open en daar kwam een hond te voorschijn, om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen en zoo opgeblazen, dat hij schier niet gaan kon.De Heilige Vader verweerdigde zich nog mij te zeggen:—Uilenspiegel, gij ziet mijnen hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen met te knagen aan het gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem, mijn zoon, gij zult er u wel mee bevinden.—Drink, sprak de oude.—Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij: Ik deed den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje, dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drie dagen en drie nachten aan één stuk, en was toen genezen.—Jezus, Maria! sprak de oude, laat mij u kussen, doorluchtige pelgrim, die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude, sprak:—Zij, wier lippen de heilige muilen aangeraakt hebben, mogen, twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij wat goede karbonaden, een koppel bloedworsten en bier in overvloed, en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven, dat hij gemakkelijk zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.—Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf u een gulden voor uwe moeite.—Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijn bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij niet gezegd dat dit niet mogelijk was.Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere; vervolgens sprak hij tot de hospita:—Wat zoudt gij doen, als iemand bij u at en niet wilde betalen?—Ik zou den dief zijn opperste kleed afnemen, sprak de oude.—Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij nam het vel van den dooden hond en, bij de oude terugkomend, vroeg hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het opperste kleed zou uitdoen van dengene die at zonder betalen.—Zeker, antwoordde zij.—Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb hem volgens uw voorschrift zijn opperste en eenig kleed uitgedaan.En hij toonde heur de huid van den dooden hond.—Ha! snikte de oude, dat is wreed van u, mijnheer de dokter. Arm hondje! het was mij als een kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen vriend, dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven!—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel.—Weder in ’t leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de dokter; niet alleenlijk zult gij voor niet een lekker maal hebben genoten, maar ’k geef u nog een gulden op den koop toe.—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar ik moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuw vel toe te plakken, eene naald en garen, en saus van karbonaden, en men moet mij alleen laten.De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den dooden hond naar den stal.Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet begaan; van onderen op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij groote streepen met siroop.Hij stiet driemaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik beveel het, vuile hond!Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne tassche, gaf den levenden hond een schop en joeg hem alzoo de gelagkamer binnen.Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.—Gij moogt uwen hond maar streelen, sprak hij, als hij alde siroop afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.—Eén had ik gezeid, sprak de oude.—Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in ’t leven te roepen.En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den dooden hond in de gelagkamer, zeggende:—Daar, vrouwe, bewaar het oude vel, het kan dienen om het nieuwe te vermaken, als de mot er in komt.

LXVI.Uilenspiegel naderde Ronse, en hij had honger en dorst, doch wilde niet klagen; hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood te geraken. Maar het ging hem niet af, de menschen kwamen en gingen en gaven hem niets.Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den rug van den zwerver. Als hij een hond een been zag afknagen, kwam het water hem in den mond. Hij had wel een gulden willen verdienen, doch wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.Omhoog zoekend, zag hij duiven die van hunne piere witte plakjes op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht langs de groote wegen, maar ook tusschen de kasseien schoten geene guldens omhoog.Rechts zoekend, zag hij wel een grimmige wolk in de lucht drijven, maar hij wist wel dat, zoo er uit dien gieter iets moest vallen, het geene guldenbui zou wezen. Links vorschend, zag hij een grooten, luien kastanjelaar, die leefde en waste zonder iets te verrichten.—Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenaars? Daar zouden schoone vruchten aan groeien.Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen en sloegen geducht op Uilenspiegel’s rug.—Laas, sprak hij, ik voel het wel, ’t is alleen naar dwalende honden dat men steenen smijt.—Toen zette hij het op een loopen.—’t Is mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geen tent heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, ’t is mijne schuld niet, als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, ’t is enkellijk omdat het mij behaagt. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen.—En hij liep.—Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij doorboord, en kunt gij dienen tot pepervat op de festijnen van de grooten der aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. En zijne kaken afwisschend, sprak hij:—Deze kunnen weldra dienen tot schuimspanen voor de koks, die het te warm bij hunne ovens hebben. Ha! verre herinnering aan heerlijke pastijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag u niet, jammerende ingewanden, houdt u stil. Fortuin, waar zit gij nu? breng mij ergens waar ik te eten vind.Terwijl hij aldus tot zich zelven sprak, werd de hemel helder; het hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak:—Daar is de zonne, mijne eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar eensklaps zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen, met hangende tong en puilende oogen.—Dat beest is razend, riep Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen op en klom gezwind in een boom; nauwelijks had hij den eersten tak bereikt, of de hond was dáár, en Uilenspiegel smeet hem den steen op den kop. De hond bleef staan, trachtte nog Uilenspiegel te bijten, maar hij kon niet en viel dood ten gronde.Dat deed Uilenspiegel geen genoegen en te minder daar hij, beneden gekomen, zag dat de hond geen drogen muil had, gelijk gewoonlijk bij dolle honden ’t geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte het, waschte het, hing het aan een paal, liet het in de zonne wat drogen en stak het in zijne tassche.Daar honger en dorst hem kwelden, ging hij eenige hoeven binnen, doch dorst het vel niet te koop bieden, uit vreeze dat de hond aan den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid en hij ging een kleine afspanning binnen. Daar zag hij een oude bazin, die een ouden hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.—Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.Uilenspiegel antwoordde:—Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid genas, die hem grootelijks hinderde.—Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.—Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen toegestaan geweest zijn heilige voeten en zijn doorluchtige muilen te kussen.De oude hond van de bazinne kuchte, doch spuwde niet.—Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.—Nu twee maanden geleden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte mij, ik kwam en klopte:—Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige, aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaal-kamerheer van Zijne Zeer Heilige Heiligheid.—Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik kom opzettelijk uit Vlaanderen om de voeten van den Paus te kussen en zijnen hond van het slijm te verlossen.—Ha! zijt gij het, Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een deurken. Het zou mij veel genoegen doen u te zien, maar nu is dat onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes over gaat—Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen gekomen om devoeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het slijm te genezen. Moet ik onverrichter zake terugkeeren?—Neen, sprak de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen:—Aartskamerheer, schuif mijn stoel tot bij de deur en open het schuifken. Zoo werd gedaan.—En door het schuifje zag ik twee voeten steken met gouden muilen aan, en ’k hoorde eene stem die als de donder rolde, zeggen:—Dit zijn de doorluchtige voeten van den Prins der Prinsen, den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, geloovige, kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en mijn neus was gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen ging het schuifken weder toe en dezelfde geduchte stemme gebood mij te wachten. De deur ging toen open en daar kwam een hond te voorschijn, om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen en zoo opgeblazen, dat hij schier niet gaan kon.De Heilige Vader verweerdigde zich nog mij te zeggen:—Uilenspiegel, gij ziet mijnen hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen met te knagen aan het gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem, mijn zoon, gij zult er u wel mee bevinden.—Drink, sprak de oude.—Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij: Ik deed den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje, dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drie dagen en drie nachten aan één stuk, en was toen genezen.—Jezus, Maria! sprak de oude, laat mij u kussen, doorluchtige pelgrim, die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude, sprak:—Zij, wier lippen de heilige muilen aangeraakt hebben, mogen, twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij wat goede karbonaden, een koppel bloedworsten en bier in overvloed, en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven, dat hij gemakkelijk zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.—Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf u een gulden voor uwe moeite.—Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijn bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij niet gezegd dat dit niet mogelijk was.Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere; vervolgens sprak hij tot de hospita:—Wat zoudt gij doen, als iemand bij u at en niet wilde betalen?—Ik zou den dief zijn opperste kleed afnemen, sprak de oude.—Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij nam het vel van den dooden hond en, bij de oude terugkomend, vroeg hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het opperste kleed zou uitdoen van dengene die at zonder betalen.—Zeker, antwoordde zij.—Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb hem volgens uw voorschrift zijn opperste en eenig kleed uitgedaan.En hij toonde heur de huid van den dooden hond.—Ha! snikte de oude, dat is wreed van u, mijnheer de dokter. Arm hondje! het was mij als een kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen vriend, dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven!—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel.—Weder in ’t leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de dokter; niet alleenlijk zult gij voor niet een lekker maal hebben genoten, maar ’k geef u nog een gulden op den koop toe.—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar ik moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuw vel toe te plakken, eene naald en garen, en saus van karbonaden, en men moet mij alleen laten.De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den dooden hond naar den stal.Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet begaan; van onderen op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij groote streepen met siroop.Hij stiet driemaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik beveel het, vuile hond!Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne tassche, gaf den levenden hond een schop en joeg hem alzoo de gelagkamer binnen.Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.—Gij moogt uwen hond maar streelen, sprak hij, als hij alde siroop afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.—Eén had ik gezeid, sprak de oude.—Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in ’t leven te roepen.En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den dooden hond in de gelagkamer, zeggende:—Daar, vrouwe, bewaar het oude vel, het kan dienen om het nieuwe te vermaken, als de mot er in komt.

LXVI.

Uilenspiegel naderde Ronse, en hij had honger en dorst, doch wilde niet klagen; hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood te geraken. Maar het ging hem niet af, de menschen kwamen en gingen en gaven hem niets.Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den rug van den zwerver. Als hij een hond een been zag afknagen, kwam het water hem in den mond. Hij had wel een gulden willen verdienen, doch wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.Omhoog zoekend, zag hij duiven die van hunne piere witte plakjes op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht langs de groote wegen, maar ook tusschen de kasseien schoten geene guldens omhoog.Rechts zoekend, zag hij wel een grimmige wolk in de lucht drijven, maar hij wist wel dat, zoo er uit dien gieter iets moest vallen, het geene guldenbui zou wezen. Links vorschend, zag hij een grooten, luien kastanjelaar, die leefde en waste zonder iets te verrichten.—Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenaars? Daar zouden schoone vruchten aan groeien.Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen en sloegen geducht op Uilenspiegel’s rug.—Laas, sprak hij, ik voel het wel, ’t is alleen naar dwalende honden dat men steenen smijt.—Toen zette hij het op een loopen.—’t Is mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geen tent heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, ’t is mijne schuld niet, als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, ’t is enkellijk omdat het mij behaagt. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen.—En hij liep.—Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij doorboord, en kunt gij dienen tot pepervat op de festijnen van de grooten der aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. En zijne kaken afwisschend, sprak hij:—Deze kunnen weldra dienen tot schuimspanen voor de koks, die het te warm bij hunne ovens hebben. Ha! verre herinnering aan heerlijke pastijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag u niet, jammerende ingewanden, houdt u stil. Fortuin, waar zit gij nu? breng mij ergens waar ik te eten vind.Terwijl hij aldus tot zich zelven sprak, werd de hemel helder; het hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak:—Daar is de zonne, mijne eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar eensklaps zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen, met hangende tong en puilende oogen.—Dat beest is razend, riep Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen op en klom gezwind in een boom; nauwelijks had hij den eersten tak bereikt, of de hond was dáár, en Uilenspiegel smeet hem den steen op den kop. De hond bleef staan, trachtte nog Uilenspiegel te bijten, maar hij kon niet en viel dood ten gronde.Dat deed Uilenspiegel geen genoegen en te minder daar hij, beneden gekomen, zag dat de hond geen drogen muil had, gelijk gewoonlijk bij dolle honden ’t geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte het, waschte het, hing het aan een paal, liet het in de zonne wat drogen en stak het in zijne tassche.Daar honger en dorst hem kwelden, ging hij eenige hoeven binnen, doch dorst het vel niet te koop bieden, uit vreeze dat de hond aan den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid en hij ging een kleine afspanning binnen. Daar zag hij een oude bazin, die een ouden hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.—Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.Uilenspiegel antwoordde:—Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid genas, die hem grootelijks hinderde.—Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.—Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen toegestaan geweest zijn heilige voeten en zijn doorluchtige muilen te kussen.De oude hond van de bazinne kuchte, doch spuwde niet.—Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.—Nu twee maanden geleden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte mij, ik kwam en klopte:—Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige, aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaal-kamerheer van Zijne Zeer Heilige Heiligheid.—Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik kom opzettelijk uit Vlaanderen om de voeten van den Paus te kussen en zijnen hond van het slijm te verlossen.—Ha! zijt gij het, Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een deurken. Het zou mij veel genoegen doen u te zien, maar nu is dat onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes over gaat—Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen gekomen om devoeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het slijm te genezen. Moet ik onverrichter zake terugkeeren?—Neen, sprak de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen:—Aartskamerheer, schuif mijn stoel tot bij de deur en open het schuifken. Zoo werd gedaan.—En door het schuifje zag ik twee voeten steken met gouden muilen aan, en ’k hoorde eene stem die als de donder rolde, zeggen:—Dit zijn de doorluchtige voeten van den Prins der Prinsen, den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, geloovige, kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en mijn neus was gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen ging het schuifken weder toe en dezelfde geduchte stemme gebood mij te wachten. De deur ging toen open en daar kwam een hond te voorschijn, om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen en zoo opgeblazen, dat hij schier niet gaan kon.De Heilige Vader verweerdigde zich nog mij te zeggen:—Uilenspiegel, gij ziet mijnen hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen met te knagen aan het gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem, mijn zoon, gij zult er u wel mee bevinden.—Drink, sprak de oude.—Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij: Ik deed den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje, dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drie dagen en drie nachten aan één stuk, en was toen genezen.—Jezus, Maria! sprak de oude, laat mij u kussen, doorluchtige pelgrim, die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude, sprak:—Zij, wier lippen de heilige muilen aangeraakt hebben, mogen, twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij wat goede karbonaden, een koppel bloedworsten en bier in overvloed, en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven, dat hij gemakkelijk zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.—Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf u een gulden voor uwe moeite.—Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijn bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij niet gezegd dat dit niet mogelijk was.Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere; vervolgens sprak hij tot de hospita:—Wat zoudt gij doen, als iemand bij u at en niet wilde betalen?—Ik zou den dief zijn opperste kleed afnemen, sprak de oude.—Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij nam het vel van den dooden hond en, bij de oude terugkomend, vroeg hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het opperste kleed zou uitdoen van dengene die at zonder betalen.—Zeker, antwoordde zij.—Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb hem volgens uw voorschrift zijn opperste en eenig kleed uitgedaan.En hij toonde heur de huid van den dooden hond.—Ha! snikte de oude, dat is wreed van u, mijnheer de dokter. Arm hondje! het was mij als een kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen vriend, dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven!—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel.—Weder in ’t leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de dokter; niet alleenlijk zult gij voor niet een lekker maal hebben genoten, maar ’k geef u nog een gulden op den koop toe.—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar ik moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuw vel toe te plakken, eene naald en garen, en saus van karbonaden, en men moet mij alleen laten.De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den dooden hond naar den stal.Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet begaan; van onderen op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij groote streepen met siroop.Hij stiet driemaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik beveel het, vuile hond!Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne tassche, gaf den levenden hond een schop en joeg hem alzoo de gelagkamer binnen.Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.—Gij moogt uwen hond maar streelen, sprak hij, als hij alde siroop afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.—Eén had ik gezeid, sprak de oude.—Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in ’t leven te roepen.En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den dooden hond in de gelagkamer, zeggende:—Daar, vrouwe, bewaar het oude vel, het kan dienen om het nieuwe te vermaken, als de mot er in komt.

Uilenspiegel naderde Ronse, en hij had honger en dorst, doch wilde niet klagen; hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood te geraken. Maar het ging hem niet af, de menschen kwamen en gingen en gaven hem niets.

Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den rug van den zwerver. Als hij een hond een been zag afknagen, kwam het water hem in den mond. Hij had wel een gulden willen verdienen, doch wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.

Omhoog zoekend, zag hij duiven die van hunne piere witte plakjes op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht langs de groote wegen, maar ook tusschen de kasseien schoten geene guldens omhoog.

Rechts zoekend, zag hij wel een grimmige wolk in de lucht drijven, maar hij wist wel dat, zoo er uit dien gieter iets moest vallen, het geene guldenbui zou wezen. Links vorschend, zag hij een grooten, luien kastanjelaar, die leefde en waste zonder iets te verrichten.

—Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenaars? Daar zouden schoone vruchten aan groeien.

Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen en sloegen geducht op Uilenspiegel’s rug.

—Laas, sprak hij, ik voel het wel, ’t is alleen naar dwalende honden dat men steenen smijt.—Toen zette hij het op een loopen.—’t Is mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geen tent heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, ’t is mijne schuld niet, als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, ’t is enkellijk omdat het mij behaagt. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen.—En hij liep.—Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij doorboord, en kunt gij dienen tot pepervat op de festijnen van de grooten der aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. En zijne kaken afwisschend, sprak hij:—Deze kunnen weldra dienen tot schuimspanen voor de koks, die het te warm bij hunne ovens hebben. Ha! verre herinnering aan heerlijke pastijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag u niet, jammerende ingewanden, houdt u stil. Fortuin, waar zit gij nu? breng mij ergens waar ik te eten vind.

Terwijl hij aldus tot zich zelven sprak, werd de hemel helder; het hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak:—Daar is de zonne, mijne eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar eensklaps zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen, met hangende tong en puilende oogen.

—Dat beest is razend, riep Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen op en klom gezwind in een boom; nauwelijks had hij den eersten tak bereikt, of de hond was dáár, en Uilenspiegel smeet hem den steen op den kop. De hond bleef staan, trachtte nog Uilenspiegel te bijten, maar hij kon niet en viel dood ten gronde.

Dat deed Uilenspiegel geen genoegen en te minder daar hij, beneden gekomen, zag dat de hond geen drogen muil had, gelijk gewoonlijk bij dolle honden ’t geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte het, waschte het, hing het aan een paal, liet het in de zonne wat drogen en stak het in zijne tassche.

Daar honger en dorst hem kwelden, ging hij eenige hoeven binnen, doch dorst het vel niet te koop bieden, uit vreeze dat de hond aan den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid en hij ging een kleine afspanning binnen. Daar zag hij een oude bazin, die een ouden hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.

—Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.

Uilenspiegel antwoordde:

—Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid genas, die hem grootelijks hinderde.

—Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.

—Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen toegestaan geweest zijn heilige voeten en zijn doorluchtige muilen te kussen.

De oude hond van de bazinne kuchte, doch spuwde niet.

—Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.

—Nu twee maanden geleden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte mij, ik kwam en klopte:—Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige, aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaal-kamerheer van Zijne Zeer Heilige Heiligheid.—Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik kom opzettelijk uit Vlaanderen om de voeten van den Paus te kussen en zijnen hond van het slijm te verlossen.—Ha! zijt gij het, Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een deurken. Het zou mij veel genoegen doen u te zien, maar nu is dat onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes over gaat—Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen gekomen om devoeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het slijm te genezen. Moet ik onverrichter zake terugkeeren?—Neen, sprak de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen:—Aartskamerheer, schuif mijn stoel tot bij de deur en open het schuifken. Zoo werd gedaan.—En door het schuifje zag ik twee voeten steken met gouden muilen aan, en ’k hoorde eene stem die als de donder rolde, zeggen:—Dit zijn de doorluchtige voeten van den Prins der Prinsen, den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, geloovige, kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en mijn neus was gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen ging het schuifken weder toe en dezelfde geduchte stemme gebood mij te wachten. De deur ging toen open en daar kwam een hond te voorschijn, om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen en zoo opgeblazen, dat hij schier niet gaan kon.

De Heilige Vader verweerdigde zich nog mij te zeggen:—Uilenspiegel, gij ziet mijnen hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen met te knagen aan het gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem, mijn zoon, gij zult er u wel mee bevinden.

—Drink, sprak de oude.

—Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij: Ik deed den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje, dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drie dagen en drie nachten aan één stuk, en was toen genezen.

—Jezus, Maria! sprak de oude, laat mij u kussen, doorluchtige pelgrim, die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.

Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude, sprak:—Zij, wier lippen de heilige muilen aangeraakt hebben, mogen, twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij wat goede karbonaden, een koppel bloedworsten en bier in overvloed, en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven, dat hij gemakkelijk zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.

—Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf u een gulden voor uwe moeite.

—Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.

Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijn bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij niet gezegd dat dit niet mogelijk was.

Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere; vervolgens sprak hij tot de hospita:

—Wat zoudt gij doen, als iemand bij u at en niet wilde betalen?

—Ik zou den dief zijn opperste kleed afnemen, sprak de oude.

—Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij nam het vel van den dooden hond en, bij de oude terugkomend, vroeg hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het opperste kleed zou uitdoen van dengene die at zonder betalen.

—Zeker, antwoordde zij.

—Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb hem volgens uw voorschrift zijn opperste en eenig kleed uitgedaan.

En hij toonde heur de huid van den dooden hond.

—Ha! snikte de oude, dat is wreed van u, mijnheer de dokter. Arm hondje! het was mij als een kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen vriend, dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven!

—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel.

—Weder in ’t leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de dokter; niet alleenlijk zult gij voor niet een lekker maal hebben genoten, maar ’k geef u nog een gulden op den koop toe.

—Ik zal hem weder in ’t leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar ik moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuw vel toe te plakken, eene naald en garen, en saus van karbonaden, en men moet mij alleen laten.

De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den dooden hond naar den stal.

Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet begaan; van onderen op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij groote streepen met siroop.

Hij stiet driemaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik beveel het, vuile hond!

Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne tassche, gaf den levenden hond een schop en joeg hem alzoo de gelagkamer binnen.

Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.

—Gij moogt uwen hond maar streelen, sprak hij, als hij alde siroop afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.

—Eén had ik gezeid, sprak de oude.

—Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in ’t leven te roepen.

En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den dooden hond in de gelagkamer, zeggende:—Daar, vrouwe, bewaar het oude vel, het kan dienen om het nieuwe te vermaken, als de mot er in komt.


Back to IndexNext