LXVII.Dien Zondag ging te Brugge de Heilig-Bloedprocessie uit. Klaas zei tot zijne vrouw en tot Nele van er heen te gaan, daar zij misschien Uilenspiegel in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou thuis blijven om den pelgrim te ontvangen, mocht hij terugkomen.De vrouwen vertrokken getweeën. Klaas bleef aan zijne deur zitten en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen van eene of andere dorpsklok in ’t ronde, terwijl de wind, bijwijlen uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van falkonetten en van vuurpijlen bracht, die ter eere van het Heilig Bloed afgeschoten werden.Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, doch hij zag niets dan een blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in ’t stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op den schoorsteen glinsteren deed.Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugd en, zijn zoon zoekend, tuurde hij in den dikken damp, die over de weiden hing en spitste het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel niet was. Hij zag hem stilstaan bij een rapenveld en gulzig eenige dier knollen opeten.—Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.Nadat hij hem een oogenblik uit het zicht verloren had, zag hij hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat, en hij herkende den bode van Judocus, die hem zevenhonderdgouden karolusguldens gebracht had. Hij ging hem tegemoet en sprak:—Kom binnen!De man antwoordde:—Gezegend zijn zij, die goed zijn jegens den dolenden reiziger.Buiten op de vensterbank lagen broodkruimelen, die Soetkin voor de vogelen had gestrooid. Zij kwamen daar ’s winters hun eten zoeken. De man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.—Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.—Voor acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man, en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.—’t Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier is, sprak Klaas, de schapraai openend, hier is eene teil vol boonen, hier zijn eieren, pensen, hesp, Gentsche worst, en nog hier is waterzooi. Beneden in den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze van Bourgondië, als robijn zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:—Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel, niet gezien?—Neen, antwoordde hij.—Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij alles opdiende: gerooste pensen, een eierpannekoek, kaas, twee groote bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.De man antwoordde:—Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gevoerd.Klaas was als waanzinnig en beefde, over gansch zijn lijf, zoo groot was zijn gramschap.—De beulen, de moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!—Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, zegde de man.En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:—Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik deed mij doorgaan voor een zijner neven. Ik kom alhier, omdat hij mij zeide: Ga bij mijn broeder Klaas, als gij voor ’t geloove niet sterft als ik; zeg hem van in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te plegen en zijn zoon heimelijkin de wet van Christus op te brengen. Het geld dat ik hem gaf, werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord.Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredekus.En Klaas jammerde:—Op het rad gestorven! mijn arme broeder!En zoo groot was zijn smert, dat hij niet tot bezinning kon komen. Doch, daar hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak, schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de bode de gast van den koolbrander.Al die nachten hoorden zij Katelijne huilen:—Het vuur! het vuur! Maak open, maak open; de ziel wil er uit!En als Klaas naar heure hut ging, stilde hij heur met zoete woorden.Na zeven dagen toog de vreemde henen, zonder iets van Klaas te willen aanveerden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.
LXVII.Dien Zondag ging te Brugge de Heilig-Bloedprocessie uit. Klaas zei tot zijne vrouw en tot Nele van er heen te gaan, daar zij misschien Uilenspiegel in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou thuis blijven om den pelgrim te ontvangen, mocht hij terugkomen.De vrouwen vertrokken getweeën. Klaas bleef aan zijne deur zitten en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen van eene of andere dorpsklok in ’t ronde, terwijl de wind, bijwijlen uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van falkonetten en van vuurpijlen bracht, die ter eere van het Heilig Bloed afgeschoten werden.Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, doch hij zag niets dan een blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in ’t stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op den schoorsteen glinsteren deed.Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugd en, zijn zoon zoekend, tuurde hij in den dikken damp, die over de weiden hing en spitste het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel niet was. Hij zag hem stilstaan bij een rapenveld en gulzig eenige dier knollen opeten.—Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.Nadat hij hem een oogenblik uit het zicht verloren had, zag hij hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat, en hij herkende den bode van Judocus, die hem zevenhonderdgouden karolusguldens gebracht had. Hij ging hem tegemoet en sprak:—Kom binnen!De man antwoordde:—Gezegend zijn zij, die goed zijn jegens den dolenden reiziger.Buiten op de vensterbank lagen broodkruimelen, die Soetkin voor de vogelen had gestrooid. Zij kwamen daar ’s winters hun eten zoeken. De man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.—Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.—Voor acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man, en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.—’t Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier is, sprak Klaas, de schapraai openend, hier is eene teil vol boonen, hier zijn eieren, pensen, hesp, Gentsche worst, en nog hier is waterzooi. Beneden in den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze van Bourgondië, als robijn zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:—Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel, niet gezien?—Neen, antwoordde hij.—Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij alles opdiende: gerooste pensen, een eierpannekoek, kaas, twee groote bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.De man antwoordde:—Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gevoerd.Klaas was als waanzinnig en beefde, over gansch zijn lijf, zoo groot was zijn gramschap.—De beulen, de moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!—Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, zegde de man.En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:—Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik deed mij doorgaan voor een zijner neven. Ik kom alhier, omdat hij mij zeide: Ga bij mijn broeder Klaas, als gij voor ’t geloove niet sterft als ik; zeg hem van in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te plegen en zijn zoon heimelijkin de wet van Christus op te brengen. Het geld dat ik hem gaf, werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord.Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredekus.En Klaas jammerde:—Op het rad gestorven! mijn arme broeder!En zoo groot was zijn smert, dat hij niet tot bezinning kon komen. Doch, daar hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak, schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de bode de gast van den koolbrander.Al die nachten hoorden zij Katelijne huilen:—Het vuur! het vuur! Maak open, maak open; de ziel wil er uit!En als Klaas naar heure hut ging, stilde hij heur met zoete woorden.Na zeven dagen toog de vreemde henen, zonder iets van Klaas te willen aanveerden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.
LXVII.Dien Zondag ging te Brugge de Heilig-Bloedprocessie uit. Klaas zei tot zijne vrouw en tot Nele van er heen te gaan, daar zij misschien Uilenspiegel in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou thuis blijven om den pelgrim te ontvangen, mocht hij terugkomen.De vrouwen vertrokken getweeën. Klaas bleef aan zijne deur zitten en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen van eene of andere dorpsklok in ’t ronde, terwijl de wind, bijwijlen uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van falkonetten en van vuurpijlen bracht, die ter eere van het Heilig Bloed afgeschoten werden.Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, doch hij zag niets dan een blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in ’t stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op den schoorsteen glinsteren deed.Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugd en, zijn zoon zoekend, tuurde hij in den dikken damp, die over de weiden hing en spitste het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel niet was. Hij zag hem stilstaan bij een rapenveld en gulzig eenige dier knollen opeten.—Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.Nadat hij hem een oogenblik uit het zicht verloren had, zag hij hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat, en hij herkende den bode van Judocus, die hem zevenhonderdgouden karolusguldens gebracht had. Hij ging hem tegemoet en sprak:—Kom binnen!De man antwoordde:—Gezegend zijn zij, die goed zijn jegens den dolenden reiziger.Buiten op de vensterbank lagen broodkruimelen, die Soetkin voor de vogelen had gestrooid. Zij kwamen daar ’s winters hun eten zoeken. De man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.—Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.—Voor acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man, en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.—’t Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier is, sprak Klaas, de schapraai openend, hier is eene teil vol boonen, hier zijn eieren, pensen, hesp, Gentsche worst, en nog hier is waterzooi. Beneden in den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze van Bourgondië, als robijn zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:—Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel, niet gezien?—Neen, antwoordde hij.—Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij alles opdiende: gerooste pensen, een eierpannekoek, kaas, twee groote bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.De man antwoordde:—Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gevoerd.Klaas was als waanzinnig en beefde, over gansch zijn lijf, zoo groot was zijn gramschap.—De beulen, de moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!—Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, zegde de man.En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:—Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik deed mij doorgaan voor een zijner neven. Ik kom alhier, omdat hij mij zeide: Ga bij mijn broeder Klaas, als gij voor ’t geloove niet sterft als ik; zeg hem van in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te plegen en zijn zoon heimelijkin de wet van Christus op te brengen. Het geld dat ik hem gaf, werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord.Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredekus.En Klaas jammerde:—Op het rad gestorven! mijn arme broeder!En zoo groot was zijn smert, dat hij niet tot bezinning kon komen. Doch, daar hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak, schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de bode de gast van den koolbrander.Al die nachten hoorden zij Katelijne huilen:—Het vuur! het vuur! Maak open, maak open; de ziel wil er uit!En als Klaas naar heure hut ging, stilde hij heur met zoete woorden.Na zeven dagen toog de vreemde henen, zonder iets van Klaas te willen aanveerden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.
LXVII.
Dien Zondag ging te Brugge de Heilig-Bloedprocessie uit. Klaas zei tot zijne vrouw en tot Nele van er heen te gaan, daar zij misschien Uilenspiegel in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou thuis blijven om den pelgrim te ontvangen, mocht hij terugkomen.De vrouwen vertrokken getweeën. Klaas bleef aan zijne deur zitten en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen van eene of andere dorpsklok in ’t ronde, terwijl de wind, bijwijlen uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van falkonetten en van vuurpijlen bracht, die ter eere van het Heilig Bloed afgeschoten werden.Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, doch hij zag niets dan een blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in ’t stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op den schoorsteen glinsteren deed.Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugd en, zijn zoon zoekend, tuurde hij in den dikken damp, die over de weiden hing en spitste het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel niet was. Hij zag hem stilstaan bij een rapenveld en gulzig eenige dier knollen opeten.—Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.Nadat hij hem een oogenblik uit het zicht verloren had, zag hij hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat, en hij herkende den bode van Judocus, die hem zevenhonderdgouden karolusguldens gebracht had. Hij ging hem tegemoet en sprak:—Kom binnen!De man antwoordde:—Gezegend zijn zij, die goed zijn jegens den dolenden reiziger.Buiten op de vensterbank lagen broodkruimelen, die Soetkin voor de vogelen had gestrooid. Zij kwamen daar ’s winters hun eten zoeken. De man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.—Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.—Voor acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man, en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.—’t Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier is, sprak Klaas, de schapraai openend, hier is eene teil vol boonen, hier zijn eieren, pensen, hesp, Gentsche worst, en nog hier is waterzooi. Beneden in den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze van Bourgondië, als robijn zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:—Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel, niet gezien?—Neen, antwoordde hij.—Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij alles opdiende: gerooste pensen, een eierpannekoek, kaas, twee groote bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.De man antwoordde:—Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gevoerd.Klaas was als waanzinnig en beefde, over gansch zijn lijf, zoo groot was zijn gramschap.—De beulen, de moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!—Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, zegde de man.En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:—Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik deed mij doorgaan voor een zijner neven. Ik kom alhier, omdat hij mij zeide: Ga bij mijn broeder Klaas, als gij voor ’t geloove niet sterft als ik; zeg hem van in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te plegen en zijn zoon heimelijkin de wet van Christus op te brengen. Het geld dat ik hem gaf, werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord.Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredekus.En Klaas jammerde:—Op het rad gestorven! mijn arme broeder!En zoo groot was zijn smert, dat hij niet tot bezinning kon komen. Doch, daar hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak, schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de bode de gast van den koolbrander.Al die nachten hoorden zij Katelijne huilen:—Het vuur! het vuur! Maak open, maak open; de ziel wil er uit!En als Klaas naar heure hut ging, stilde hij heur met zoete woorden.Na zeven dagen toog de vreemde henen, zonder iets van Klaas te willen aanveerden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.
Dien Zondag ging te Brugge de Heilig-Bloedprocessie uit. Klaas zei tot zijne vrouw en tot Nele van er heen te gaan, daar zij misschien Uilenspiegel in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou thuis blijven om den pelgrim te ontvangen, mocht hij terugkomen.
De vrouwen vertrokken getweeën. Klaas bleef aan zijne deur zitten en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen van eene of andere dorpsklok in ’t ronde, terwijl de wind, bijwijlen uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van falkonetten en van vuurpijlen bracht, die ter eere van het Heilig Bloed afgeschoten werden.
Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, doch hij zag niets dan een blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in ’t stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op den schoorsteen glinsteren deed.
Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugd en, zijn zoon zoekend, tuurde hij in den dikken damp, die over de weiden hing en spitste het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel niet was. Hij zag hem stilstaan bij een rapenveld en gulzig eenige dier knollen opeten.
—Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.
Nadat hij hem een oogenblik uit het zicht verloren had, zag hij hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat, en hij herkende den bode van Judocus, die hem zevenhonderdgouden karolusguldens gebracht had. Hij ging hem tegemoet en sprak:
—Kom binnen!
De man antwoordde:
—Gezegend zijn zij, die goed zijn jegens den dolenden reiziger.
Buiten op de vensterbank lagen broodkruimelen, die Soetkin voor de vogelen had gestrooid. Zij kwamen daar ’s winters hun eten zoeken. De man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.
—Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.
—Voor acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man, en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.
—’t Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier is, sprak Klaas, de schapraai openend, hier is eene teil vol boonen, hier zijn eieren, pensen, hesp, Gentsche worst, en nog hier is waterzooi. Beneden in den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze van Bourgondië, als robijn zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.
Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:
—Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel, niet gezien?
—Neen, antwoordde hij.
—Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij alles opdiende: gerooste pensen, een eierpannekoek, kaas, twee groote bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.
De man antwoordde:
—Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gevoerd.
Klaas was als waanzinnig en beefde, over gansch zijn lijf, zoo groot was zijn gramschap.
—De beulen, de moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!
—Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, zegde de man.
En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:
—Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik deed mij doorgaan voor een zijner neven. Ik kom alhier, omdat hij mij zeide: Ga bij mijn broeder Klaas, als gij voor ’t geloove niet sterft als ik; zeg hem van in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te plegen en zijn zoon heimelijkin de wet van Christus op te brengen. Het geld dat ik hem gaf, werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord.
Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredekus.
En Klaas jammerde:
—Op het rad gestorven! mijn arme broeder!
En zoo groot was zijn smert, dat hij niet tot bezinning kon komen. Doch, daar hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak, schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.
Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de bode de gast van den koolbrander.
Al die nachten hoorden zij Katelijne huilen:
—Het vuur! het vuur! Maak open, maak open; de ziel wil er uit!
En als Klaas naar heure hut ging, stilde hij heur met zoete woorden.
Na zeven dagen toog de vreemde henen, zonder iets van Klaas te willen aanveerden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.