LXVIII.Nele en Soetkin waren van Brugge teruggekomen. Klaas zat in de keuken als een kleermaker, knoopen aan een oude hooze te naaien. Nele stond naast hem en hitste tegen den ooievaar Titus Bibulus Snuffius op, die beurtelings vooruit en achteruit sprong en kefte. De ooievaar stond, op één poot, hem ernstig te bezien, met zijn langen hals in de pluimen zijner borst. Als Titus Bibulus Snuffius hem zoo vreedzaam zag, kefte hij nog meer. Maar de vogel, wien die muziek op den duur verveelde, gaf eensklaps eenen slag met zijn bek in den rug van den hond, die jankend en jammerend wegvluchtte.Klaas lachte, Nele insgelijks en Soetkin keek gedurig naar de straat of Uilenspiegel niet afkwam.Eensklaps sprak zij:—Daar is de provoost met vier sergeanten. ’t Is toch zeker niet voor ons. Twee van de mannen loopen de hut om.Klaas hief zijn hoofd op.—En de twee anderen blijven staan voor de deur, vervolgde Soetkin.Klaas stond recht.—Wien gaat men hier vangen? sprak zij. Jezus God! man, zij komen hier binnen.Klaas sprong van de keuken in den hof, gevolgd door Nele en zei:—Red de karolussen, ze steken achter den brandmuur van den schoorsteen.Nele begreep hem: toen zag ze dat hij over de haag sprong, dat de serjanten hem bij den kraag vatten, dat hij worstelde om los te geraken en zij weende en riep:—Hij is onschuldig! hij is onschuldig! doet geen kwaad aan Klaas, aan mijn vader! Uilenspiegel, waar zijt gij? Gij zoudt ze den kop inslaan!En zij sprong naar een der serjanten en reet zijn gezicht met heure nagelen vaneen. En zij riep: Zij gaan hem dooden! en zij viel machteloos op het gras van den hof.Op het gerucht kwam Katelijne toegeloopen, en stijf en onbeweeglijk aanzag zij het schouwspel.—Het vuur! het vuur! Maakt open: de ziel wil er uit!Soetkin onkundig van hetgeen er gebeurde, sprak op vroolijken toon tot de serjanten, die binnengekomen waren:—Mijne heeren, wien zoekt gij hier in deze arme woning? Als ’t mijn zoon is, die is verre. Hebt gij lange beenen?Doch op dit oogenblik schreeuwde Nele om hulp; Soetkin liep in den hof. Daar zag zij heuren man tegenspartelend medegesleept door de beide serjanten.—Sla ze dood! riep zij. Uilenspiegel waar zijt gij?En zij wilde heuren man ter hulp komen, maar een der serjanten greep heur vast, niet zonder moeite.Klaas verweerde zich zoo geducht, dat hij ware ontsnapt, hadden de twee andere serjanten hunne gezellen de hand niet geleend.En, met de handen gebonden, brachten ze hem terug naar de keuken, waar Soetkin en Nele heete tranen weenden en snikten.—Heer provoost, sprak Soetkin, wat heeft mijn arme man gedaan, dat gij hem bindt als een dief?—Ketter, sprak een der serjanten.—Ketter? hernam Soetkin, zijt gij een ketter, gij? Die duivels liegen!—Ik stel mijn vertrouwen op God, antwoordde Klaas.Hij werd buitengeleid; Nele en Soetkin volgden hem weenend, in den waan dat zij ook voor den rechter moesten verschijnen.Mannen en vrouwlieden kwamen bij heur; maar als zij hoorden dat Klaas opgeleid werd onder verdenking van ketterije, kregen zij zulken schrik dat zij haastelijk weer in huis liepen en de deuren toededen. Alleen eenige meisjes dorsten bij Klaas komen en hem vragen:—Waar gaat gij alzoo gekoord en gebonden, kooldrager?—Op Gods genade, meidekens, antwoordde hij.—Men bracht hem naar het Steen; Soetkin en Nele zetten zich neer aan de poort. Als het avond werd, zei Soetkin tot Nele te gaan zien of Uilenspiegel niet teruggekomen was.
LXVIII.Nele en Soetkin waren van Brugge teruggekomen. Klaas zat in de keuken als een kleermaker, knoopen aan een oude hooze te naaien. Nele stond naast hem en hitste tegen den ooievaar Titus Bibulus Snuffius op, die beurtelings vooruit en achteruit sprong en kefte. De ooievaar stond, op één poot, hem ernstig te bezien, met zijn langen hals in de pluimen zijner borst. Als Titus Bibulus Snuffius hem zoo vreedzaam zag, kefte hij nog meer. Maar de vogel, wien die muziek op den duur verveelde, gaf eensklaps eenen slag met zijn bek in den rug van den hond, die jankend en jammerend wegvluchtte.Klaas lachte, Nele insgelijks en Soetkin keek gedurig naar de straat of Uilenspiegel niet afkwam.Eensklaps sprak zij:—Daar is de provoost met vier sergeanten. ’t Is toch zeker niet voor ons. Twee van de mannen loopen de hut om.Klaas hief zijn hoofd op.—En de twee anderen blijven staan voor de deur, vervolgde Soetkin.Klaas stond recht.—Wien gaat men hier vangen? sprak zij. Jezus God! man, zij komen hier binnen.Klaas sprong van de keuken in den hof, gevolgd door Nele en zei:—Red de karolussen, ze steken achter den brandmuur van den schoorsteen.Nele begreep hem: toen zag ze dat hij over de haag sprong, dat de serjanten hem bij den kraag vatten, dat hij worstelde om los te geraken en zij weende en riep:—Hij is onschuldig! hij is onschuldig! doet geen kwaad aan Klaas, aan mijn vader! Uilenspiegel, waar zijt gij? Gij zoudt ze den kop inslaan!En zij sprong naar een der serjanten en reet zijn gezicht met heure nagelen vaneen. En zij riep: Zij gaan hem dooden! en zij viel machteloos op het gras van den hof.Op het gerucht kwam Katelijne toegeloopen, en stijf en onbeweeglijk aanzag zij het schouwspel.—Het vuur! het vuur! Maakt open: de ziel wil er uit!Soetkin onkundig van hetgeen er gebeurde, sprak op vroolijken toon tot de serjanten, die binnengekomen waren:—Mijne heeren, wien zoekt gij hier in deze arme woning? Als ’t mijn zoon is, die is verre. Hebt gij lange beenen?Doch op dit oogenblik schreeuwde Nele om hulp; Soetkin liep in den hof. Daar zag zij heuren man tegenspartelend medegesleept door de beide serjanten.—Sla ze dood! riep zij. Uilenspiegel waar zijt gij?En zij wilde heuren man ter hulp komen, maar een der serjanten greep heur vast, niet zonder moeite.Klaas verweerde zich zoo geducht, dat hij ware ontsnapt, hadden de twee andere serjanten hunne gezellen de hand niet geleend.En, met de handen gebonden, brachten ze hem terug naar de keuken, waar Soetkin en Nele heete tranen weenden en snikten.—Heer provoost, sprak Soetkin, wat heeft mijn arme man gedaan, dat gij hem bindt als een dief?—Ketter, sprak een der serjanten.—Ketter? hernam Soetkin, zijt gij een ketter, gij? Die duivels liegen!—Ik stel mijn vertrouwen op God, antwoordde Klaas.Hij werd buitengeleid; Nele en Soetkin volgden hem weenend, in den waan dat zij ook voor den rechter moesten verschijnen.Mannen en vrouwlieden kwamen bij heur; maar als zij hoorden dat Klaas opgeleid werd onder verdenking van ketterije, kregen zij zulken schrik dat zij haastelijk weer in huis liepen en de deuren toededen. Alleen eenige meisjes dorsten bij Klaas komen en hem vragen:—Waar gaat gij alzoo gekoord en gebonden, kooldrager?—Op Gods genade, meidekens, antwoordde hij.—Men bracht hem naar het Steen; Soetkin en Nele zetten zich neer aan de poort. Als het avond werd, zei Soetkin tot Nele te gaan zien of Uilenspiegel niet teruggekomen was.
LXVIII.Nele en Soetkin waren van Brugge teruggekomen. Klaas zat in de keuken als een kleermaker, knoopen aan een oude hooze te naaien. Nele stond naast hem en hitste tegen den ooievaar Titus Bibulus Snuffius op, die beurtelings vooruit en achteruit sprong en kefte. De ooievaar stond, op één poot, hem ernstig te bezien, met zijn langen hals in de pluimen zijner borst. Als Titus Bibulus Snuffius hem zoo vreedzaam zag, kefte hij nog meer. Maar de vogel, wien die muziek op den duur verveelde, gaf eensklaps eenen slag met zijn bek in den rug van den hond, die jankend en jammerend wegvluchtte.Klaas lachte, Nele insgelijks en Soetkin keek gedurig naar de straat of Uilenspiegel niet afkwam.Eensklaps sprak zij:—Daar is de provoost met vier sergeanten. ’t Is toch zeker niet voor ons. Twee van de mannen loopen de hut om.Klaas hief zijn hoofd op.—En de twee anderen blijven staan voor de deur, vervolgde Soetkin.Klaas stond recht.—Wien gaat men hier vangen? sprak zij. Jezus God! man, zij komen hier binnen.Klaas sprong van de keuken in den hof, gevolgd door Nele en zei:—Red de karolussen, ze steken achter den brandmuur van den schoorsteen.Nele begreep hem: toen zag ze dat hij over de haag sprong, dat de serjanten hem bij den kraag vatten, dat hij worstelde om los te geraken en zij weende en riep:—Hij is onschuldig! hij is onschuldig! doet geen kwaad aan Klaas, aan mijn vader! Uilenspiegel, waar zijt gij? Gij zoudt ze den kop inslaan!En zij sprong naar een der serjanten en reet zijn gezicht met heure nagelen vaneen. En zij riep: Zij gaan hem dooden! en zij viel machteloos op het gras van den hof.Op het gerucht kwam Katelijne toegeloopen, en stijf en onbeweeglijk aanzag zij het schouwspel.—Het vuur! het vuur! Maakt open: de ziel wil er uit!Soetkin onkundig van hetgeen er gebeurde, sprak op vroolijken toon tot de serjanten, die binnengekomen waren:—Mijne heeren, wien zoekt gij hier in deze arme woning? Als ’t mijn zoon is, die is verre. Hebt gij lange beenen?Doch op dit oogenblik schreeuwde Nele om hulp; Soetkin liep in den hof. Daar zag zij heuren man tegenspartelend medegesleept door de beide serjanten.—Sla ze dood! riep zij. Uilenspiegel waar zijt gij?En zij wilde heuren man ter hulp komen, maar een der serjanten greep heur vast, niet zonder moeite.Klaas verweerde zich zoo geducht, dat hij ware ontsnapt, hadden de twee andere serjanten hunne gezellen de hand niet geleend.En, met de handen gebonden, brachten ze hem terug naar de keuken, waar Soetkin en Nele heete tranen weenden en snikten.—Heer provoost, sprak Soetkin, wat heeft mijn arme man gedaan, dat gij hem bindt als een dief?—Ketter, sprak een der serjanten.—Ketter? hernam Soetkin, zijt gij een ketter, gij? Die duivels liegen!—Ik stel mijn vertrouwen op God, antwoordde Klaas.Hij werd buitengeleid; Nele en Soetkin volgden hem weenend, in den waan dat zij ook voor den rechter moesten verschijnen.Mannen en vrouwlieden kwamen bij heur; maar als zij hoorden dat Klaas opgeleid werd onder verdenking van ketterije, kregen zij zulken schrik dat zij haastelijk weer in huis liepen en de deuren toededen. Alleen eenige meisjes dorsten bij Klaas komen en hem vragen:—Waar gaat gij alzoo gekoord en gebonden, kooldrager?—Op Gods genade, meidekens, antwoordde hij.—Men bracht hem naar het Steen; Soetkin en Nele zetten zich neer aan de poort. Als het avond werd, zei Soetkin tot Nele te gaan zien of Uilenspiegel niet teruggekomen was.
LXVIII.
Nele en Soetkin waren van Brugge teruggekomen. Klaas zat in de keuken als een kleermaker, knoopen aan een oude hooze te naaien. Nele stond naast hem en hitste tegen den ooievaar Titus Bibulus Snuffius op, die beurtelings vooruit en achteruit sprong en kefte. De ooievaar stond, op één poot, hem ernstig te bezien, met zijn langen hals in de pluimen zijner borst. Als Titus Bibulus Snuffius hem zoo vreedzaam zag, kefte hij nog meer. Maar de vogel, wien die muziek op den duur verveelde, gaf eensklaps eenen slag met zijn bek in den rug van den hond, die jankend en jammerend wegvluchtte.Klaas lachte, Nele insgelijks en Soetkin keek gedurig naar de straat of Uilenspiegel niet afkwam.Eensklaps sprak zij:—Daar is de provoost met vier sergeanten. ’t Is toch zeker niet voor ons. Twee van de mannen loopen de hut om.Klaas hief zijn hoofd op.—En de twee anderen blijven staan voor de deur, vervolgde Soetkin.Klaas stond recht.—Wien gaat men hier vangen? sprak zij. Jezus God! man, zij komen hier binnen.Klaas sprong van de keuken in den hof, gevolgd door Nele en zei:—Red de karolussen, ze steken achter den brandmuur van den schoorsteen.Nele begreep hem: toen zag ze dat hij over de haag sprong, dat de serjanten hem bij den kraag vatten, dat hij worstelde om los te geraken en zij weende en riep:—Hij is onschuldig! hij is onschuldig! doet geen kwaad aan Klaas, aan mijn vader! Uilenspiegel, waar zijt gij? Gij zoudt ze den kop inslaan!En zij sprong naar een der serjanten en reet zijn gezicht met heure nagelen vaneen. En zij riep: Zij gaan hem dooden! en zij viel machteloos op het gras van den hof.Op het gerucht kwam Katelijne toegeloopen, en stijf en onbeweeglijk aanzag zij het schouwspel.—Het vuur! het vuur! Maakt open: de ziel wil er uit!Soetkin onkundig van hetgeen er gebeurde, sprak op vroolijken toon tot de serjanten, die binnengekomen waren:—Mijne heeren, wien zoekt gij hier in deze arme woning? Als ’t mijn zoon is, die is verre. Hebt gij lange beenen?Doch op dit oogenblik schreeuwde Nele om hulp; Soetkin liep in den hof. Daar zag zij heuren man tegenspartelend medegesleept door de beide serjanten.—Sla ze dood! riep zij. Uilenspiegel waar zijt gij?En zij wilde heuren man ter hulp komen, maar een der serjanten greep heur vast, niet zonder moeite.Klaas verweerde zich zoo geducht, dat hij ware ontsnapt, hadden de twee andere serjanten hunne gezellen de hand niet geleend.En, met de handen gebonden, brachten ze hem terug naar de keuken, waar Soetkin en Nele heete tranen weenden en snikten.—Heer provoost, sprak Soetkin, wat heeft mijn arme man gedaan, dat gij hem bindt als een dief?—Ketter, sprak een der serjanten.—Ketter? hernam Soetkin, zijt gij een ketter, gij? Die duivels liegen!—Ik stel mijn vertrouwen op God, antwoordde Klaas.Hij werd buitengeleid; Nele en Soetkin volgden hem weenend, in den waan dat zij ook voor den rechter moesten verschijnen.Mannen en vrouwlieden kwamen bij heur; maar als zij hoorden dat Klaas opgeleid werd onder verdenking van ketterije, kregen zij zulken schrik dat zij haastelijk weer in huis liepen en de deuren toededen. Alleen eenige meisjes dorsten bij Klaas komen en hem vragen:—Waar gaat gij alzoo gekoord en gebonden, kooldrager?—Op Gods genade, meidekens, antwoordde hij.—Men bracht hem naar het Steen; Soetkin en Nele zetten zich neer aan de poort. Als het avond werd, zei Soetkin tot Nele te gaan zien of Uilenspiegel niet teruggekomen was.
Nele en Soetkin waren van Brugge teruggekomen. Klaas zat in de keuken als een kleermaker, knoopen aan een oude hooze te naaien. Nele stond naast hem en hitste tegen den ooievaar Titus Bibulus Snuffius op, die beurtelings vooruit en achteruit sprong en kefte. De ooievaar stond, op één poot, hem ernstig te bezien, met zijn langen hals in de pluimen zijner borst. Als Titus Bibulus Snuffius hem zoo vreedzaam zag, kefte hij nog meer. Maar de vogel, wien die muziek op den duur verveelde, gaf eensklaps eenen slag met zijn bek in den rug van den hond, die jankend en jammerend wegvluchtte.
Klaas lachte, Nele insgelijks en Soetkin keek gedurig naar de straat of Uilenspiegel niet afkwam.
Eensklaps sprak zij:
—Daar is de provoost met vier sergeanten. ’t Is toch zeker niet voor ons. Twee van de mannen loopen de hut om.
Klaas hief zijn hoofd op.
—En de twee anderen blijven staan voor de deur, vervolgde Soetkin.
Klaas stond recht.
—Wien gaat men hier vangen? sprak zij. Jezus God! man, zij komen hier binnen.
Klaas sprong van de keuken in den hof, gevolgd door Nele en zei:
—Red de karolussen, ze steken achter den brandmuur van den schoorsteen.
Nele begreep hem: toen zag ze dat hij over de haag sprong, dat de serjanten hem bij den kraag vatten, dat hij worstelde om los te geraken en zij weende en riep:
—Hij is onschuldig! hij is onschuldig! doet geen kwaad aan Klaas, aan mijn vader! Uilenspiegel, waar zijt gij? Gij zoudt ze den kop inslaan!
En zij sprong naar een der serjanten en reet zijn gezicht met heure nagelen vaneen. En zij riep: Zij gaan hem dooden! en zij viel machteloos op het gras van den hof.
Op het gerucht kwam Katelijne toegeloopen, en stijf en onbeweeglijk aanzag zij het schouwspel.
—Het vuur! het vuur! Maakt open: de ziel wil er uit!
Soetkin onkundig van hetgeen er gebeurde, sprak op vroolijken toon tot de serjanten, die binnengekomen waren:
—Mijne heeren, wien zoekt gij hier in deze arme woning? Als ’t mijn zoon is, die is verre. Hebt gij lange beenen?
Doch op dit oogenblik schreeuwde Nele om hulp; Soetkin liep in den hof. Daar zag zij heuren man tegenspartelend medegesleept door de beide serjanten.
—Sla ze dood! riep zij. Uilenspiegel waar zijt gij?
En zij wilde heuren man ter hulp komen, maar een der serjanten greep heur vast, niet zonder moeite.
Klaas verweerde zich zoo geducht, dat hij ware ontsnapt, hadden de twee andere serjanten hunne gezellen de hand niet geleend.
En, met de handen gebonden, brachten ze hem terug naar de keuken, waar Soetkin en Nele heete tranen weenden en snikten.
—Heer provoost, sprak Soetkin, wat heeft mijn arme man gedaan, dat gij hem bindt als een dief?
—Ketter, sprak een der serjanten.
—Ketter? hernam Soetkin, zijt gij een ketter, gij? Die duivels liegen!
—Ik stel mijn vertrouwen op God, antwoordde Klaas.
Hij werd buitengeleid; Nele en Soetkin volgden hem weenend, in den waan dat zij ook voor den rechter moesten verschijnen.Mannen en vrouwlieden kwamen bij heur; maar als zij hoorden dat Klaas opgeleid werd onder verdenking van ketterije, kregen zij zulken schrik dat zij haastelijk weer in huis liepen en de deuren toededen. Alleen eenige meisjes dorsten bij Klaas komen en hem vragen:
—Waar gaat gij alzoo gekoord en gebonden, kooldrager?
—Op Gods genade, meidekens, antwoordde hij.
—Men bracht hem naar het Steen; Soetkin en Nele zetten zich neer aan de poort. Als het avond werd, zei Soetkin tot Nele te gaan zien of Uilenspiegel niet teruggekomen was.