LXXVIII.

LXXVIII.Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in de folterkamer gebracht.Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge, zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon achterhouden.—En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.—Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis karolussen gezien.De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven volherden.Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer toekwam.Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles gekocht wat er was.—Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de vrouwen verdragen.Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was, zeide zij nog:—Ik haat en ’k ben sterk.—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.—Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid te ontrukken.De beul antwoordde:Alles is gereed.De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen met de vrouw, om ’t stuk te doen bekennen.—Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.De baljuw sprak tot den scherprechter:—Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen en voeten.De beul gehoorzaamde.—Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!—De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en ’k ben sterk.Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn veroorzaken.Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.—Trek aan, zei de baljuw.De hangman deed het wreedelijk.Toen sprak de baljuw tot Soetkin:—Zeg mij waar de karolussen liggen.—Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.—Nijp harder, sprak hij.Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.—Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet; heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.—De vischverkooper! riep Soetkin.En Uilenspiegel zweeg.Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen, riep hij opnieuw:—Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen gaan! Erbarming, heeren!—Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.En heure beenderen kraakten en ’t bloed van heure voeten gutste ten gronde.Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:—Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.—De vischverkooper! zuchtte Soetkin.En heure stem was zacht als de stem van eene schim.—Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van ’t bloed. Men heeft heure beenderen gekraakt.De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet van smerte.—Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder een woord te uiten.—Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit te rekken.Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die zij uitstond.Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het litteeken geen tooverije verborg. Op ’t bevel van den baljuw, werden Uilenspiegel’s handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters, hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van vijf en twintig pond te hebben gebonden.Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels ontwricht.—Belijd, sprak de baljuw.—Neen, antwoordde Uilenspiegel.Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten teeken dat men die folteringen zou staken.Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.—Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.—De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.—Is ’t om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.—Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe, ge moogt mij gelooven.Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug, uitroepende:—Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg met dat vuur!—De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.—Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide onder de vlamme.Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:—Doe dat vuur weg.—Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor hem, vrouwe.En Uilenspiegel sprak:—De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin met verwilderde oogen naar heuren zoon.Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:—Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.—En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.—Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel,gij ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft gelogen.—Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.Soetkin knikte van ja.—Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons, riep zij uit:—Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.Toen riep Soetkin:—Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.—Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker de beenderen weer in de gewrichten bracht.En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters, als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts getweeën op de wereld.Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:„Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl, zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;„Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staatu toe, niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede, waar het u believen zal.„Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten van Wijnmaand van ’t jaar onzes Heeren 1558.”—Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.En moeder en zoon werden op eene kar naar ’t huis van Katelijne gevoerd.

LXXVIII.Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in de folterkamer gebracht.Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge, zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon achterhouden.—En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.—Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis karolussen gezien.De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven volherden.Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer toekwam.Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles gekocht wat er was.—Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de vrouwen verdragen.Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was, zeide zij nog:—Ik haat en ’k ben sterk.—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.—Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid te ontrukken.De beul antwoordde:Alles is gereed.De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen met de vrouw, om ’t stuk te doen bekennen.—Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.De baljuw sprak tot den scherprechter:—Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen en voeten.De beul gehoorzaamde.—Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!—De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en ’k ben sterk.Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn veroorzaken.Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.—Trek aan, zei de baljuw.De hangman deed het wreedelijk.Toen sprak de baljuw tot Soetkin:—Zeg mij waar de karolussen liggen.—Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.—Nijp harder, sprak hij.Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.—Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet; heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.—De vischverkooper! riep Soetkin.En Uilenspiegel zweeg.Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen, riep hij opnieuw:—Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen gaan! Erbarming, heeren!—Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.En heure beenderen kraakten en ’t bloed van heure voeten gutste ten gronde.Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:—Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.—De vischverkooper! zuchtte Soetkin.En heure stem was zacht als de stem van eene schim.—Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van ’t bloed. Men heeft heure beenderen gekraakt.De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet van smerte.—Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder een woord te uiten.—Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit te rekken.Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die zij uitstond.Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het litteeken geen tooverije verborg. Op ’t bevel van den baljuw, werden Uilenspiegel’s handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters, hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van vijf en twintig pond te hebben gebonden.Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels ontwricht.—Belijd, sprak de baljuw.—Neen, antwoordde Uilenspiegel.Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten teeken dat men die folteringen zou staken.Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.—Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.—De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.—Is ’t om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.—Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe, ge moogt mij gelooven.Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug, uitroepende:—Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg met dat vuur!—De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.—Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide onder de vlamme.Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:—Doe dat vuur weg.—Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor hem, vrouwe.En Uilenspiegel sprak:—De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin met verwilderde oogen naar heuren zoon.Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:—Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.—En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.—Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel,gij ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft gelogen.—Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.Soetkin knikte van ja.—Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons, riep zij uit:—Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.Toen riep Soetkin:—Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.—Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker de beenderen weer in de gewrichten bracht.En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters, als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts getweeën op de wereld.Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:„Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl, zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;„Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staatu toe, niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede, waar het u believen zal.„Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten van Wijnmaand van ’t jaar onzes Heeren 1558.”—Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.En moeder en zoon werden op eene kar naar ’t huis van Katelijne gevoerd.

LXXVIII.Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in de folterkamer gebracht.Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge, zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon achterhouden.—En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.—Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis karolussen gezien.De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven volherden.Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer toekwam.Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles gekocht wat er was.—Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de vrouwen verdragen.Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was, zeide zij nog:—Ik haat en ’k ben sterk.—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.—Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid te ontrukken.De beul antwoordde:Alles is gereed.De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen met de vrouw, om ’t stuk te doen bekennen.—Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.De baljuw sprak tot den scherprechter:—Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen en voeten.De beul gehoorzaamde.—Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!—De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en ’k ben sterk.Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn veroorzaken.Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.—Trek aan, zei de baljuw.De hangman deed het wreedelijk.Toen sprak de baljuw tot Soetkin:—Zeg mij waar de karolussen liggen.—Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.—Nijp harder, sprak hij.Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.—Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet; heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.—De vischverkooper! riep Soetkin.En Uilenspiegel zweeg.Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen, riep hij opnieuw:—Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen gaan! Erbarming, heeren!—Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.En heure beenderen kraakten en ’t bloed van heure voeten gutste ten gronde.Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:—Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.—De vischverkooper! zuchtte Soetkin.En heure stem was zacht als de stem van eene schim.—Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van ’t bloed. Men heeft heure beenderen gekraakt.De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet van smerte.—Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder een woord te uiten.—Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit te rekken.Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die zij uitstond.Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het litteeken geen tooverije verborg. Op ’t bevel van den baljuw, werden Uilenspiegel’s handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters, hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van vijf en twintig pond te hebben gebonden.Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels ontwricht.—Belijd, sprak de baljuw.—Neen, antwoordde Uilenspiegel.Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten teeken dat men die folteringen zou staken.Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.—Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.—De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.—Is ’t om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.—Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe, ge moogt mij gelooven.Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug, uitroepende:—Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg met dat vuur!—De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.—Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide onder de vlamme.Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:—Doe dat vuur weg.—Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor hem, vrouwe.En Uilenspiegel sprak:—De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin met verwilderde oogen naar heuren zoon.Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:—Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.—En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.—Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel,gij ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft gelogen.—Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.Soetkin knikte van ja.—Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons, riep zij uit:—Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.Toen riep Soetkin:—Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.—Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker de beenderen weer in de gewrichten bracht.En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters, als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts getweeën op de wereld.Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:„Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl, zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;„Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staatu toe, niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede, waar het u believen zal.„Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten van Wijnmaand van ’t jaar onzes Heeren 1558.”—Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.En moeder en zoon werden op eene kar naar ’t huis van Katelijne gevoerd.

LXXVIII.

Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in de folterkamer gebracht.Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge, zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon achterhouden.—En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.—Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis karolussen gezien.De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven volherden.Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer toekwam.Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles gekocht wat er was.—Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de vrouwen verdragen.Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was, zeide zij nog:—Ik haat en ’k ben sterk.—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.—Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid te ontrukken.De beul antwoordde:Alles is gereed.De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen met de vrouw, om ’t stuk te doen bekennen.—Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.De baljuw sprak tot den scherprechter:—Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen en voeten.De beul gehoorzaamde.—Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!—De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en ’k ben sterk.Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn veroorzaken.Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.—Trek aan, zei de baljuw.De hangman deed het wreedelijk.Toen sprak de baljuw tot Soetkin:—Zeg mij waar de karolussen liggen.—Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.—Nijp harder, sprak hij.Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.—Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet; heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.—De vischverkooper! riep Soetkin.En Uilenspiegel zweeg.Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen, riep hij opnieuw:—Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen gaan! Erbarming, heeren!—Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.En heure beenderen kraakten en ’t bloed van heure voeten gutste ten gronde.Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:—Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.—De vischverkooper! zuchtte Soetkin.En heure stem was zacht als de stem van eene schim.—Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van ’t bloed. Men heeft heure beenderen gekraakt.De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet van smerte.—Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder een woord te uiten.—Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit te rekken.Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die zij uitstond.Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het litteeken geen tooverije verborg. Op ’t bevel van den baljuw, werden Uilenspiegel’s handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters, hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van vijf en twintig pond te hebben gebonden.Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels ontwricht.—Belijd, sprak de baljuw.—Neen, antwoordde Uilenspiegel.Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten teeken dat men die folteringen zou staken.Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.—Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.—De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.—Is ’t om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.—Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe, ge moogt mij gelooven.Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug, uitroepende:—Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg met dat vuur!—De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.—Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide onder de vlamme.Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:—Doe dat vuur weg.—Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor hem, vrouwe.En Uilenspiegel sprak:—De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin met verwilderde oogen naar heuren zoon.Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:—Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.—En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.—Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel,gij ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft gelogen.—Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.Soetkin knikte van ja.—Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons, riep zij uit:—Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.Toen riep Soetkin:—Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.—Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker de beenderen weer in de gewrichten bracht.En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters, als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts getweeën op de wereld.Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:„Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl, zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;„Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staatu toe, niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede, waar het u believen zal.„Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten van Wijnmaand van ’t jaar onzes Heeren 1558.”—Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.En moeder en zoon werden op eene kar naar ’t huis van Katelijne gevoerd.

Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in de folterkamer gebracht.

Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge, zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.

De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon achterhouden.

—En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.

—Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis karolussen gezien.

De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven volherden.

Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer toekwam.

Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:

Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.

—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles gekocht wat er was.

—Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de vrouwen verdragen.

Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was, zeide zij nog:

—Ik haat en ’k ben sterk.

—Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.

—Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.

De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid te ontrukken.

De beul antwoordde:

Alles is gereed.

De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen met de vrouw, om ’t stuk te doen bekennen.

—Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.

De baljuw sprak tot den scherprechter:

—Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen en voeten.

De beul gehoorzaamde.

—Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!

—De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en ’k ben sterk.

Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.

De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn veroorzaken.

Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.

—Trek aan, zei de baljuw.

De hangman deed het wreedelijk.

Toen sprak de baljuw tot Soetkin:

—Zeg mij waar de karolussen liggen.

—Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.

—Nijp harder, sprak hij.

Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.

—Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet; heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.

—De vischverkooper! riep Soetkin.

En Uilenspiegel zweeg.

Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen, riep hij opnieuw:

—Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen gaan! Erbarming, heeren!

—Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.

En heure beenderen kraakten en ’t bloed van heure voeten gutste ten gronde.

Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:

—Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.

—De vischverkooper! zuchtte Soetkin.

En heure stem was zacht als de stem van eene schim.

—Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van ’t bloed. Men heeft heure beenderen gekraakt.

De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet van smerte.

—Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.

Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder een woord te uiten.

—Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit te rekken.

Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die zij uitstond.

Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.

Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het litteeken geen tooverije verborg. Op ’t bevel van den baljuw, werden Uilenspiegel’s handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters, hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van vijf en twintig pond te hebben gebonden.

Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels ontwricht.

—Belijd, sprak de baljuw.

—Neen, antwoordde Uilenspiegel.

Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten teeken dat men die folteringen zou staken.

Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.

Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.

—Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.

—De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.

—Is ’t om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.

—Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe, ge moogt mij gelooven.

Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.

Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug, uitroepende:

—Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg met dat vuur!

—De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.

—Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.

De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide onder de vlamme.

Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:

—Doe dat vuur weg.

—Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor hem, vrouwe.

En Uilenspiegel sprak:

—De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!

Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin met verwilderde oogen naar heuren zoon.

Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:

—Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.

—En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.

—Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel,gij ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft gelogen.

—Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.

Soetkin knikte van ja.

—Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.

Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.

Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons, riep zij uit:

—Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!

—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.

Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.

Toen riep Soetkin:

—Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.

—Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.

Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.

De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker de beenderen weer in de gewrichten bracht.

En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:

Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters, als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts getweeën op de wereld.

Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:

„Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl, zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;

„Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staatu toe, niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede, waar het u believen zal.

„Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten van Wijnmaand van ’t jaar onzes Heeren 1558.”

—Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.

—De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.

En moeder en zoon werden op eene kar naar ’t huis van Katelijne gevoerd.


Back to IndexNext