LXXXI.

LXXXI.’s Anderen daags, onder ’t ontbijt, sprak Soetkin tot Katelijne:—Gij ziet dat wee en smerte mij overal volgen, wilt gij mij uw huis doen ontvluchten, met uwe verdoemde hekserijen?Maar Katelijne sprak:Nele is stout. Kom weder, mijn Hansken.Den volgenden Woensdag kwamen de beide duivelen terug. Sedert den Zaterdag sliep Nele bij de weduwe Vanden Houte, zeggende dat zij niet langer bij Katelijne mocht vernachten, om Uilenspiegel, mits dit opspraak zou verwekken.Katelijne ontving heuren zwarten heer en zijnen vriend in de keete, die tot waschhuis diende en waar de broodoven stond.En zij onthaalde ze op ouden wijn en gerookte ossetong. De zwarte sprak tot Katelijne:—Om een groot werk te verrichten, hebben wij veel geld van noode; geef ons wat gij kunt.Toen Katelijne hun maar één gulden geven wilde, dreigden ze heur met den dood. Maar zij lieten heur los voor twee gouden karolussen en zeven deniers.—Komt ’s Zaterdags niet meer, zeide zei. Uilenspiegel kent dien dag en gewapend zal hij u wachten om u beiden te dooden, en na u zou ik ook sterven.—Wij zullen den naasten Dinsdag komen, zegden zij.Dien dag sliepen Uilenspiegel en Soetkin zonder vreeze voor de duivelen, want zij meenden dat ze ’s Zaterdags kwamen.Katelijne stond op en ging zien in de keete of heure vrienden daar waren.Zij was zeer ongeduldig, want sedert dat zij Hansken weergezien had, was heure uitzinnigheid grootelijks verminderd, daar het minnegekheid was, naar men zeide.Als zij hen niet zag, was zij droef en troosteloos; maar in het veld, uit de richting van Sluis, hoorde zij ’t geschreeuw van den nachtuil en zij ging er op af. En langs eenen dijk van rijshout en graszoden stappend, hoorde zij aan den anderen kant van dien dijk de beide duivelen samen in gesprek. De eene zei:—Ik moet de helft hebben.De andere antwoordde:—Gij krijgt niets; wat Katelijne behoort, behoort mij.Zij vloekten en twisten wie de have en de minne van Katelijne en Nele al te gader hebben zou. Doch van schrik, bleef Katelijne roerloos luisteren. Weldra hoorde zij ze vechten en een hunner zeggen: „Dat ijzer is koud”, dan een gereutel en den val van een zwaar lichaam.Verschrikt, keerde zij naar heure woning terug. Rond twee uren van den nacht hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil, doch deze reis was ’t in hare lochting. Zij deed open en zag heuren vriend voor de deur staan. Zij vroeg hem:—Wat hebt gij met den andere gedaan?—Hij zal niet meer komen.Hij omhelsde en kuste haar. En zij vond hem nog kouder dan gewoonte. En Katelijne was goed bij heur verstand. Toen hij heenging, eischte hij twintig gulden, alles wat zij bezat: zij gaf er hem zeventien.Door nieuwsgierigheid gedreven, keerde zij ’s anderen daags terug naar den dijk, maar zij vond niets dan op het gras eenen bloedplas zoo groot als eene doodkist, ’s Avonds wischte de regen de bloedvlek uit.En den volgenden Woensdag hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil.En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).

LXXXI.’s Anderen daags, onder ’t ontbijt, sprak Soetkin tot Katelijne:—Gij ziet dat wee en smerte mij overal volgen, wilt gij mij uw huis doen ontvluchten, met uwe verdoemde hekserijen?Maar Katelijne sprak:Nele is stout. Kom weder, mijn Hansken.Den volgenden Woensdag kwamen de beide duivelen terug. Sedert den Zaterdag sliep Nele bij de weduwe Vanden Houte, zeggende dat zij niet langer bij Katelijne mocht vernachten, om Uilenspiegel, mits dit opspraak zou verwekken.Katelijne ontving heuren zwarten heer en zijnen vriend in de keete, die tot waschhuis diende en waar de broodoven stond.En zij onthaalde ze op ouden wijn en gerookte ossetong. De zwarte sprak tot Katelijne:—Om een groot werk te verrichten, hebben wij veel geld van noode; geef ons wat gij kunt.Toen Katelijne hun maar één gulden geven wilde, dreigden ze heur met den dood. Maar zij lieten heur los voor twee gouden karolussen en zeven deniers.—Komt ’s Zaterdags niet meer, zeide zei. Uilenspiegel kent dien dag en gewapend zal hij u wachten om u beiden te dooden, en na u zou ik ook sterven.—Wij zullen den naasten Dinsdag komen, zegden zij.Dien dag sliepen Uilenspiegel en Soetkin zonder vreeze voor de duivelen, want zij meenden dat ze ’s Zaterdags kwamen.Katelijne stond op en ging zien in de keete of heure vrienden daar waren.Zij was zeer ongeduldig, want sedert dat zij Hansken weergezien had, was heure uitzinnigheid grootelijks verminderd, daar het minnegekheid was, naar men zeide.Als zij hen niet zag, was zij droef en troosteloos; maar in het veld, uit de richting van Sluis, hoorde zij ’t geschreeuw van den nachtuil en zij ging er op af. En langs eenen dijk van rijshout en graszoden stappend, hoorde zij aan den anderen kant van dien dijk de beide duivelen samen in gesprek. De eene zei:—Ik moet de helft hebben.De andere antwoordde:—Gij krijgt niets; wat Katelijne behoort, behoort mij.Zij vloekten en twisten wie de have en de minne van Katelijne en Nele al te gader hebben zou. Doch van schrik, bleef Katelijne roerloos luisteren. Weldra hoorde zij ze vechten en een hunner zeggen: „Dat ijzer is koud”, dan een gereutel en den val van een zwaar lichaam.Verschrikt, keerde zij naar heure woning terug. Rond twee uren van den nacht hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil, doch deze reis was ’t in hare lochting. Zij deed open en zag heuren vriend voor de deur staan. Zij vroeg hem:—Wat hebt gij met den andere gedaan?—Hij zal niet meer komen.Hij omhelsde en kuste haar. En zij vond hem nog kouder dan gewoonte. En Katelijne was goed bij heur verstand. Toen hij heenging, eischte hij twintig gulden, alles wat zij bezat: zij gaf er hem zeventien.Door nieuwsgierigheid gedreven, keerde zij ’s anderen daags terug naar den dijk, maar zij vond niets dan op het gras eenen bloedplas zoo groot als eene doodkist, ’s Avonds wischte de regen de bloedvlek uit.En den volgenden Woensdag hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil.En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).

LXXXI.’s Anderen daags, onder ’t ontbijt, sprak Soetkin tot Katelijne:—Gij ziet dat wee en smerte mij overal volgen, wilt gij mij uw huis doen ontvluchten, met uwe verdoemde hekserijen?Maar Katelijne sprak:Nele is stout. Kom weder, mijn Hansken.Den volgenden Woensdag kwamen de beide duivelen terug. Sedert den Zaterdag sliep Nele bij de weduwe Vanden Houte, zeggende dat zij niet langer bij Katelijne mocht vernachten, om Uilenspiegel, mits dit opspraak zou verwekken.Katelijne ontving heuren zwarten heer en zijnen vriend in de keete, die tot waschhuis diende en waar de broodoven stond.En zij onthaalde ze op ouden wijn en gerookte ossetong. De zwarte sprak tot Katelijne:—Om een groot werk te verrichten, hebben wij veel geld van noode; geef ons wat gij kunt.Toen Katelijne hun maar één gulden geven wilde, dreigden ze heur met den dood. Maar zij lieten heur los voor twee gouden karolussen en zeven deniers.—Komt ’s Zaterdags niet meer, zeide zei. Uilenspiegel kent dien dag en gewapend zal hij u wachten om u beiden te dooden, en na u zou ik ook sterven.—Wij zullen den naasten Dinsdag komen, zegden zij.Dien dag sliepen Uilenspiegel en Soetkin zonder vreeze voor de duivelen, want zij meenden dat ze ’s Zaterdags kwamen.Katelijne stond op en ging zien in de keete of heure vrienden daar waren.Zij was zeer ongeduldig, want sedert dat zij Hansken weergezien had, was heure uitzinnigheid grootelijks verminderd, daar het minnegekheid was, naar men zeide.Als zij hen niet zag, was zij droef en troosteloos; maar in het veld, uit de richting van Sluis, hoorde zij ’t geschreeuw van den nachtuil en zij ging er op af. En langs eenen dijk van rijshout en graszoden stappend, hoorde zij aan den anderen kant van dien dijk de beide duivelen samen in gesprek. De eene zei:—Ik moet de helft hebben.De andere antwoordde:—Gij krijgt niets; wat Katelijne behoort, behoort mij.Zij vloekten en twisten wie de have en de minne van Katelijne en Nele al te gader hebben zou. Doch van schrik, bleef Katelijne roerloos luisteren. Weldra hoorde zij ze vechten en een hunner zeggen: „Dat ijzer is koud”, dan een gereutel en den val van een zwaar lichaam.Verschrikt, keerde zij naar heure woning terug. Rond twee uren van den nacht hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil, doch deze reis was ’t in hare lochting. Zij deed open en zag heuren vriend voor de deur staan. Zij vroeg hem:—Wat hebt gij met den andere gedaan?—Hij zal niet meer komen.Hij omhelsde en kuste haar. En zij vond hem nog kouder dan gewoonte. En Katelijne was goed bij heur verstand. Toen hij heenging, eischte hij twintig gulden, alles wat zij bezat: zij gaf er hem zeventien.Door nieuwsgierigheid gedreven, keerde zij ’s anderen daags terug naar den dijk, maar zij vond niets dan op het gras eenen bloedplas zoo groot als eene doodkist, ’s Avonds wischte de regen de bloedvlek uit.En den volgenden Woensdag hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil.En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).

LXXXI.

’s Anderen daags, onder ’t ontbijt, sprak Soetkin tot Katelijne:—Gij ziet dat wee en smerte mij overal volgen, wilt gij mij uw huis doen ontvluchten, met uwe verdoemde hekserijen?Maar Katelijne sprak:Nele is stout. Kom weder, mijn Hansken.Den volgenden Woensdag kwamen de beide duivelen terug. Sedert den Zaterdag sliep Nele bij de weduwe Vanden Houte, zeggende dat zij niet langer bij Katelijne mocht vernachten, om Uilenspiegel, mits dit opspraak zou verwekken.Katelijne ontving heuren zwarten heer en zijnen vriend in de keete, die tot waschhuis diende en waar de broodoven stond.En zij onthaalde ze op ouden wijn en gerookte ossetong. De zwarte sprak tot Katelijne:—Om een groot werk te verrichten, hebben wij veel geld van noode; geef ons wat gij kunt.Toen Katelijne hun maar één gulden geven wilde, dreigden ze heur met den dood. Maar zij lieten heur los voor twee gouden karolussen en zeven deniers.—Komt ’s Zaterdags niet meer, zeide zei. Uilenspiegel kent dien dag en gewapend zal hij u wachten om u beiden te dooden, en na u zou ik ook sterven.—Wij zullen den naasten Dinsdag komen, zegden zij.Dien dag sliepen Uilenspiegel en Soetkin zonder vreeze voor de duivelen, want zij meenden dat ze ’s Zaterdags kwamen.Katelijne stond op en ging zien in de keete of heure vrienden daar waren.Zij was zeer ongeduldig, want sedert dat zij Hansken weergezien had, was heure uitzinnigheid grootelijks verminderd, daar het minnegekheid was, naar men zeide.Als zij hen niet zag, was zij droef en troosteloos; maar in het veld, uit de richting van Sluis, hoorde zij ’t geschreeuw van den nachtuil en zij ging er op af. En langs eenen dijk van rijshout en graszoden stappend, hoorde zij aan den anderen kant van dien dijk de beide duivelen samen in gesprek. De eene zei:—Ik moet de helft hebben.De andere antwoordde:—Gij krijgt niets; wat Katelijne behoort, behoort mij.Zij vloekten en twisten wie de have en de minne van Katelijne en Nele al te gader hebben zou. Doch van schrik, bleef Katelijne roerloos luisteren. Weldra hoorde zij ze vechten en een hunner zeggen: „Dat ijzer is koud”, dan een gereutel en den val van een zwaar lichaam.Verschrikt, keerde zij naar heure woning terug. Rond twee uren van den nacht hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil, doch deze reis was ’t in hare lochting. Zij deed open en zag heuren vriend voor de deur staan. Zij vroeg hem:—Wat hebt gij met den andere gedaan?—Hij zal niet meer komen.Hij omhelsde en kuste haar. En zij vond hem nog kouder dan gewoonte. En Katelijne was goed bij heur verstand. Toen hij heenging, eischte hij twintig gulden, alles wat zij bezat: zij gaf er hem zeventien.Door nieuwsgierigheid gedreven, keerde zij ’s anderen daags terug naar den dijk, maar zij vond niets dan op het gras eenen bloedplas zoo groot als eene doodkist, ’s Avonds wischte de regen de bloedvlek uit.En den volgenden Woensdag hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil.En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).

’s Anderen daags, onder ’t ontbijt, sprak Soetkin tot Katelijne:

—Gij ziet dat wee en smerte mij overal volgen, wilt gij mij uw huis doen ontvluchten, met uwe verdoemde hekserijen?

Maar Katelijne sprak:

Nele is stout. Kom weder, mijn Hansken.

Den volgenden Woensdag kwamen de beide duivelen terug. Sedert den Zaterdag sliep Nele bij de weduwe Vanden Houte, zeggende dat zij niet langer bij Katelijne mocht vernachten, om Uilenspiegel, mits dit opspraak zou verwekken.

Katelijne ontving heuren zwarten heer en zijnen vriend in de keete, die tot waschhuis diende en waar de broodoven stond.En zij onthaalde ze op ouden wijn en gerookte ossetong. De zwarte sprak tot Katelijne:

—Om een groot werk te verrichten, hebben wij veel geld van noode; geef ons wat gij kunt.

Toen Katelijne hun maar één gulden geven wilde, dreigden ze heur met den dood. Maar zij lieten heur los voor twee gouden karolussen en zeven deniers.

—Komt ’s Zaterdags niet meer, zeide zei. Uilenspiegel kent dien dag en gewapend zal hij u wachten om u beiden te dooden, en na u zou ik ook sterven.

—Wij zullen den naasten Dinsdag komen, zegden zij.

Dien dag sliepen Uilenspiegel en Soetkin zonder vreeze voor de duivelen, want zij meenden dat ze ’s Zaterdags kwamen.

Katelijne stond op en ging zien in de keete of heure vrienden daar waren.

Zij was zeer ongeduldig, want sedert dat zij Hansken weergezien had, was heure uitzinnigheid grootelijks verminderd, daar het minnegekheid was, naar men zeide.

Als zij hen niet zag, was zij droef en troosteloos; maar in het veld, uit de richting van Sluis, hoorde zij ’t geschreeuw van den nachtuil en zij ging er op af. En langs eenen dijk van rijshout en graszoden stappend, hoorde zij aan den anderen kant van dien dijk de beide duivelen samen in gesprek. De eene zei:

—Ik moet de helft hebben.

De andere antwoordde:

—Gij krijgt niets; wat Katelijne behoort, behoort mij.

Zij vloekten en twisten wie de have en de minne van Katelijne en Nele al te gader hebben zou. Doch van schrik, bleef Katelijne roerloos luisteren. Weldra hoorde zij ze vechten en een hunner zeggen: „Dat ijzer is koud”, dan een gereutel en den val van een zwaar lichaam.

Verschrikt, keerde zij naar heure woning terug. Rond twee uren van den nacht hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil, doch deze reis was ’t in hare lochting. Zij deed open en zag heuren vriend voor de deur staan. Zij vroeg hem:

—Wat hebt gij met den andere gedaan?

—Hij zal niet meer komen.

Hij omhelsde en kuste haar. En zij vond hem nog kouder dan gewoonte. En Katelijne was goed bij heur verstand. Toen hij heenging, eischte hij twintig gulden, alles wat zij bezat: zij gaf er hem zeventien.

Door nieuwsgierigheid gedreven, keerde zij ’s anderen daags terug naar den dijk, maar zij vond niets dan op het gras eenen bloedplas zoo groot als eene doodkist, ’s Avonds wischte de regen de bloedvlek uit.

En den volgenden Woensdag hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil.

En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).

En overal lazen de stadsherauten bij geschal van trompetten de plakaten af. (Blz. 186).


Back to IndexNext