LXXXIV.Sedert Soetkin’s dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond hij ’s nachts op.Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zeide Katelijne hem, dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was; steeds antwoordde Uilenspiegel:De assche klopt.En hij geleek een waanzinnige en Nele weende als zij hem zoo naargeestig zag.En de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder, en dorst slechts ’s avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de kleine kinderen vluchtten voor hem, daar men hun gezegd had, dat hij de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam in ’t ronde, zonder eene taveerne te durven binnengaan; want men wees er hem met den vinger, en, al bleef hij er slechts een korte wijl, de andere klanten ledigden hun glas en gingen heen.Daarom zagen de weerden hem noode komen, en zij sloten liever de deur vóór zijn neus. Toen deed de vischverkooper hun nederig zijn beklag, maar zij antwoordden hem, dat zij wel mochten tappen, maar dat zij daartoe geenszins waren gedwongen.Eindelijk ging de vischverkooper drinken inden Rooden Valk, eene kleine herberg buiten de stad, aan de vaart naar Sluis. Daar wilde men hem bedienen, want ’t waren arme lieden, wien alle geldstukken welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uitden Rooden Valkspraken nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als hij den hond riep, toonde deze brommend zijn tanden.Op een avond stond Uilenspiegel aan de zulle; als Mathijssen, de kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:—Gij moet werken met uwe handen, om de smert te vergeten.—De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.—Ha! zei Mathijssen, de ellendige vischverkooper leidt een nog treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem, zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uitden Rooden Valkte gaan, om zijn kapperken bruinbier in eenzaamheid te drinken. ’t Is een groote straffe.—De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.Dien zelfden avond, terwijl het negen uren sloeg op Onze-Lieve-Vrouwetoren, ging Uilenspiegel naarden Rooden Valken, ziende dat de vischverkooper er niet was, ging hij traagzaam slenteren onder de boomen langs de vaart. ’t Was een heldere maneschijn.Hij zag den moordenaar komen.Juist als hij voorbij hem kwam, kon hij hem van dichtbij zien, en, luide sprekend lijk de menschen die in alleenigheid leven, hooren zeggen:—Waar mogen die karolussen steken?—Waar de duivel ze gevonden heeft, antwoordde Uilenspiegel, en meteen gaf hij hem een vuistslag in ’t gezicht.—Laas! sprak de vischverkooper, ik herken u, gij zijt de zoon, heb medelijden, ik ben oud en krachteloos! Wat ik deed was geenszins uit haat, maar om Zijne Majesteit te dienen. Schenk mij vergiffenis. Ik zal u het huisraad afstaan dat ik gekocht heb, en gij moet er mij geen oortje voor geven. Is ’t niet genoeg? Ik kocht het voor zeven gouden florijnen. Ik geef u alles en nog een halven gulden daarbij, want ik ben niet rijk, dat moet gij niet denken.En knielend vroeg hij vergiffenis.Als Uilenspiegel hem zoo verachtelijk, zoo bang en zoo lafhertig zag, smeet hij hem in de vaart.En hij toog henen.
LXXXIV.Sedert Soetkin’s dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond hij ’s nachts op.Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zeide Katelijne hem, dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was; steeds antwoordde Uilenspiegel:De assche klopt.En hij geleek een waanzinnige en Nele weende als zij hem zoo naargeestig zag.En de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder, en dorst slechts ’s avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de kleine kinderen vluchtten voor hem, daar men hun gezegd had, dat hij de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam in ’t ronde, zonder eene taveerne te durven binnengaan; want men wees er hem met den vinger, en, al bleef hij er slechts een korte wijl, de andere klanten ledigden hun glas en gingen heen.Daarom zagen de weerden hem noode komen, en zij sloten liever de deur vóór zijn neus. Toen deed de vischverkooper hun nederig zijn beklag, maar zij antwoordden hem, dat zij wel mochten tappen, maar dat zij daartoe geenszins waren gedwongen.Eindelijk ging de vischverkooper drinken inden Rooden Valk, eene kleine herberg buiten de stad, aan de vaart naar Sluis. Daar wilde men hem bedienen, want ’t waren arme lieden, wien alle geldstukken welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uitden Rooden Valkspraken nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als hij den hond riep, toonde deze brommend zijn tanden.Op een avond stond Uilenspiegel aan de zulle; als Mathijssen, de kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:—Gij moet werken met uwe handen, om de smert te vergeten.—De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.—Ha! zei Mathijssen, de ellendige vischverkooper leidt een nog treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem, zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uitden Rooden Valkte gaan, om zijn kapperken bruinbier in eenzaamheid te drinken. ’t Is een groote straffe.—De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.Dien zelfden avond, terwijl het negen uren sloeg op Onze-Lieve-Vrouwetoren, ging Uilenspiegel naarden Rooden Valken, ziende dat de vischverkooper er niet was, ging hij traagzaam slenteren onder de boomen langs de vaart. ’t Was een heldere maneschijn.Hij zag den moordenaar komen.Juist als hij voorbij hem kwam, kon hij hem van dichtbij zien, en, luide sprekend lijk de menschen die in alleenigheid leven, hooren zeggen:—Waar mogen die karolussen steken?—Waar de duivel ze gevonden heeft, antwoordde Uilenspiegel, en meteen gaf hij hem een vuistslag in ’t gezicht.—Laas! sprak de vischverkooper, ik herken u, gij zijt de zoon, heb medelijden, ik ben oud en krachteloos! Wat ik deed was geenszins uit haat, maar om Zijne Majesteit te dienen. Schenk mij vergiffenis. Ik zal u het huisraad afstaan dat ik gekocht heb, en gij moet er mij geen oortje voor geven. Is ’t niet genoeg? Ik kocht het voor zeven gouden florijnen. Ik geef u alles en nog een halven gulden daarbij, want ik ben niet rijk, dat moet gij niet denken.En knielend vroeg hij vergiffenis.Als Uilenspiegel hem zoo verachtelijk, zoo bang en zoo lafhertig zag, smeet hij hem in de vaart.En hij toog henen.
LXXXIV.Sedert Soetkin’s dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond hij ’s nachts op.Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zeide Katelijne hem, dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was; steeds antwoordde Uilenspiegel:De assche klopt.En hij geleek een waanzinnige en Nele weende als zij hem zoo naargeestig zag.En de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder, en dorst slechts ’s avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de kleine kinderen vluchtten voor hem, daar men hun gezegd had, dat hij de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam in ’t ronde, zonder eene taveerne te durven binnengaan; want men wees er hem met den vinger, en, al bleef hij er slechts een korte wijl, de andere klanten ledigden hun glas en gingen heen.Daarom zagen de weerden hem noode komen, en zij sloten liever de deur vóór zijn neus. Toen deed de vischverkooper hun nederig zijn beklag, maar zij antwoordden hem, dat zij wel mochten tappen, maar dat zij daartoe geenszins waren gedwongen.Eindelijk ging de vischverkooper drinken inden Rooden Valk, eene kleine herberg buiten de stad, aan de vaart naar Sluis. Daar wilde men hem bedienen, want ’t waren arme lieden, wien alle geldstukken welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uitden Rooden Valkspraken nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als hij den hond riep, toonde deze brommend zijn tanden.Op een avond stond Uilenspiegel aan de zulle; als Mathijssen, de kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:—Gij moet werken met uwe handen, om de smert te vergeten.—De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.—Ha! zei Mathijssen, de ellendige vischverkooper leidt een nog treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem, zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uitden Rooden Valkte gaan, om zijn kapperken bruinbier in eenzaamheid te drinken. ’t Is een groote straffe.—De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.Dien zelfden avond, terwijl het negen uren sloeg op Onze-Lieve-Vrouwetoren, ging Uilenspiegel naarden Rooden Valken, ziende dat de vischverkooper er niet was, ging hij traagzaam slenteren onder de boomen langs de vaart. ’t Was een heldere maneschijn.Hij zag den moordenaar komen.Juist als hij voorbij hem kwam, kon hij hem van dichtbij zien, en, luide sprekend lijk de menschen die in alleenigheid leven, hooren zeggen:—Waar mogen die karolussen steken?—Waar de duivel ze gevonden heeft, antwoordde Uilenspiegel, en meteen gaf hij hem een vuistslag in ’t gezicht.—Laas! sprak de vischverkooper, ik herken u, gij zijt de zoon, heb medelijden, ik ben oud en krachteloos! Wat ik deed was geenszins uit haat, maar om Zijne Majesteit te dienen. Schenk mij vergiffenis. Ik zal u het huisraad afstaan dat ik gekocht heb, en gij moet er mij geen oortje voor geven. Is ’t niet genoeg? Ik kocht het voor zeven gouden florijnen. Ik geef u alles en nog een halven gulden daarbij, want ik ben niet rijk, dat moet gij niet denken.En knielend vroeg hij vergiffenis.Als Uilenspiegel hem zoo verachtelijk, zoo bang en zoo lafhertig zag, smeet hij hem in de vaart.En hij toog henen.
LXXXIV.
Sedert Soetkin’s dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond hij ’s nachts op.Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zeide Katelijne hem, dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was; steeds antwoordde Uilenspiegel:De assche klopt.En hij geleek een waanzinnige en Nele weende als zij hem zoo naargeestig zag.En de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder, en dorst slechts ’s avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de kleine kinderen vluchtten voor hem, daar men hun gezegd had, dat hij de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam in ’t ronde, zonder eene taveerne te durven binnengaan; want men wees er hem met den vinger, en, al bleef hij er slechts een korte wijl, de andere klanten ledigden hun glas en gingen heen.Daarom zagen de weerden hem noode komen, en zij sloten liever de deur vóór zijn neus. Toen deed de vischverkooper hun nederig zijn beklag, maar zij antwoordden hem, dat zij wel mochten tappen, maar dat zij daartoe geenszins waren gedwongen.Eindelijk ging de vischverkooper drinken inden Rooden Valk, eene kleine herberg buiten de stad, aan de vaart naar Sluis. Daar wilde men hem bedienen, want ’t waren arme lieden, wien alle geldstukken welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uitden Rooden Valkspraken nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als hij den hond riep, toonde deze brommend zijn tanden.Op een avond stond Uilenspiegel aan de zulle; als Mathijssen, de kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:—Gij moet werken met uwe handen, om de smert te vergeten.—De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.—Ha! zei Mathijssen, de ellendige vischverkooper leidt een nog treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem, zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uitden Rooden Valkte gaan, om zijn kapperken bruinbier in eenzaamheid te drinken. ’t Is een groote straffe.—De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.Dien zelfden avond, terwijl het negen uren sloeg op Onze-Lieve-Vrouwetoren, ging Uilenspiegel naarden Rooden Valken, ziende dat de vischverkooper er niet was, ging hij traagzaam slenteren onder de boomen langs de vaart. ’t Was een heldere maneschijn.Hij zag den moordenaar komen.Juist als hij voorbij hem kwam, kon hij hem van dichtbij zien, en, luide sprekend lijk de menschen die in alleenigheid leven, hooren zeggen:—Waar mogen die karolussen steken?—Waar de duivel ze gevonden heeft, antwoordde Uilenspiegel, en meteen gaf hij hem een vuistslag in ’t gezicht.—Laas! sprak de vischverkooper, ik herken u, gij zijt de zoon, heb medelijden, ik ben oud en krachteloos! Wat ik deed was geenszins uit haat, maar om Zijne Majesteit te dienen. Schenk mij vergiffenis. Ik zal u het huisraad afstaan dat ik gekocht heb, en gij moet er mij geen oortje voor geven. Is ’t niet genoeg? Ik kocht het voor zeven gouden florijnen. Ik geef u alles en nog een halven gulden daarbij, want ik ben niet rijk, dat moet gij niet denken.En knielend vroeg hij vergiffenis.Als Uilenspiegel hem zoo verachtelijk, zoo bang en zoo lafhertig zag, smeet hij hem in de vaart.En hij toog henen.
Sedert Soetkin’s dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond hij ’s nachts op.
Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zeide Katelijne hem, dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was; steeds antwoordde Uilenspiegel:
De assche klopt.
En hij geleek een waanzinnige en Nele weende als zij hem zoo naargeestig zag.
En de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder, en dorst slechts ’s avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de kleine kinderen vluchtten voor hem, daar men hun gezegd had, dat hij de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam in ’t ronde, zonder eene taveerne te durven binnengaan; want men wees er hem met den vinger, en, al bleef hij er slechts een korte wijl, de andere klanten ledigden hun glas en gingen heen.
Daarom zagen de weerden hem noode komen, en zij sloten liever de deur vóór zijn neus. Toen deed de vischverkooper hun nederig zijn beklag, maar zij antwoordden hem, dat zij wel mochten tappen, maar dat zij daartoe geenszins waren gedwongen.
Eindelijk ging de vischverkooper drinken inden Rooden Valk, eene kleine herberg buiten de stad, aan de vaart naar Sluis. Daar wilde men hem bedienen, want ’t waren arme lieden, wien alle geldstukken welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uitden Rooden Valkspraken nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als hij den hond riep, toonde deze brommend zijn tanden.
Op een avond stond Uilenspiegel aan de zulle; als Mathijssen, de kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:
—Gij moet werken met uwe handen, om de smert te vergeten.
—De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
—Ha! zei Mathijssen, de ellendige vischverkooper leidt een nog treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem, zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uitden Rooden Valkte gaan, om zijn kapperken bruinbier in eenzaamheid te drinken. ’t Is een groote straffe.
—De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.
Dien zelfden avond, terwijl het negen uren sloeg op Onze-Lieve-Vrouwetoren, ging Uilenspiegel naarden Rooden Valken, ziende dat de vischverkooper er niet was, ging hij traagzaam slenteren onder de boomen langs de vaart. ’t Was een heldere maneschijn.
Hij zag den moordenaar komen.
Juist als hij voorbij hem kwam, kon hij hem van dichtbij zien, en, luide sprekend lijk de menschen die in alleenigheid leven, hooren zeggen:—Waar mogen die karolussen steken?
—Waar de duivel ze gevonden heeft, antwoordde Uilenspiegel, en meteen gaf hij hem een vuistslag in ’t gezicht.
—Laas! sprak de vischverkooper, ik herken u, gij zijt de zoon, heb medelijden, ik ben oud en krachteloos! Wat ik deed was geenszins uit haat, maar om Zijne Majesteit te dienen. Schenk mij vergiffenis. Ik zal u het huisraad afstaan dat ik gekocht heb, en gij moet er mij geen oortje voor geven. Is ’t niet genoeg? Ik kocht het voor zeven gouden florijnen. Ik geef u alles en nog een halven gulden daarbij, want ik ben niet rijk, dat moet gij niet denken.
En knielend vroeg hij vergiffenis.
Als Uilenspiegel hem zoo verachtelijk, zoo bang en zoo lafhertig zag, smeet hij hem in de vaart.
En hij toog henen.