LXXXV.De lichamen der slachtoffers walmden op de brandstapels. Aan Klaas en Soetkin denkend, weende Uilenspiegel eenzaam in stilte.Op een avond ging hij bij Katelijne, om heur hulp en raad te vragen.Zij was alleen met Nele, die naaide bij het licht. Op ’t gerucht dat hij bij zijn binnenkomen maakte, hief Katelijne het hoofd op, als iemand die uit een zwaren slaap schiet.Hij sprak:—De assche van Klaas klopt op mijne borst, ik wil Vlaanderenland verlossen. Ik vroeg het aan den grooten God van hemel en aarde, doch hij antwoordt mij niet.Katelijne sprak:—De groote God kon u niet hooren; gij moet eerst tot de sylphen spreken, die tusschen hemel en aarde zweven en de klachten der menschen ontvangen en overdragen aan de engelen, om ze naar den troon des hemelrijks te brengen.—Help mij daartoe, sprak hij, en ’k zal u met mijn bloed betalen, als ’t noodig is.Katelijne sprak:—Ik zal u helpen, zoo een meisje dat u bemint, u wil medenemen naar den Sabbat der Lentegeesten, het Pascha van ’t Levenssap.—Ik zal hem meenemen, zegde Nele.In een kristallen beker goot Katelijne een grijsachtig vocht, dat zij streek aan hunne slapen, neusgaten, palmen der handen en polsen; zij deed hun elk een snuifken witte poeier eten, en zei dat ze elkander in de oogen moesten zien, opdat hunne zielen één zouden worden.Uilenspiegel keek Nele aan, en de zoete oogen van ’t meisje ontstaken in hem een blakerend vuur; toen begon het vocht te werken en hij voelde als duizenden spelden in zijn lijf steken.Vervolgens ontkleedden zij zich, en zij waren schoon in hunne schamelheid, verlicht door de lamp: hij in al zijn fiere kracht, zij in heure liefelijke bevalligheid. Maar reeds half ingeslapen, zagen zij elkander niet. Toen legde Katelijne het hoofd van het meisje in Uilenspiegels arm en zijne hand op heur hert.En zoo bleven zij naast malkander liggen.Het scheen hun beiden, dat hunne elkander rakende lichamen de zachte warmte hadden van de zonne, in de maand van de rozen.Zij stonden op, gelijk zij later zeiden, klommen op de vensterbank, vlogen van daar in de ruimte en voelden, dat de lucht hen droeg als het water de schepen draagt.Toen zagen zij niets meer, noch de aarde waar de arme menschenkinderen sliepen, noch den hemel waarin zoo even de wolken voor hunne voeten holden. En zij zetten den voet opSirius, de koude sterre. Van daar werden zij op de pool geworpen.Daar zagen zij, niet zonder schrik, een naakten reus, den reus Winter, met ruig haar, op schotsen, met den rug tegen eenen ijsmuur gezeten. Een huilende troep ijsberen en zeehonden zwommen in de plassen rond hem. Met heesche stemme riep hij op: hagel, sneeuw, koude regenbuien, donderwolken, rosse, stinkende nevelen, dwarrelwinden en de snerpende noordenwinden. En allen woedden te gelijk in dit akelig oord.De reus lachte al dien rampspoed toe en vlijde zich neer op de bloemen die zijne hand verwelkt, op de bladeren die zijn adem verdroogd had. Dan zich vooroverbuigend en den grond met zijne nagelen krabbend, er met de tanden in bijtend, groef hij een hol, ten einde het hert der aarde te bereiken, om het te verslinden, en de lommerige bosschen tot zwarte kolenbedden, de gouden korenaren tot verbrand stroo, de vruchtbare landouwen tot dorre vlakten te verkeeren. Doch het herte der aarde was van vuur, en hij dorst het niet naderen, maar trok zich, bevreesd, terug.Daar troonde hij als koning, en ledigde hij zijnen beker traan, te midden van de beren en zeehonden en van de geraamten dergenen die hij doodde op zee, op het land en in de hutten der armen. Blijde hoorde hij de beren brommen, de zeehonden huilen, de beenderen kletteren van de geraamten van menschen en beesten, onder de klauwen van gieren en raven, die er een laatsten hap vleesch aan zochten, alsook het gekrakkrak van de ijsschotsen, die in het doode water tegen elkander stootten.En de stem van den reus was gelijk het geloei van den orkaan, het geschuifel van den storm en ’t gehuil van den wind in de schoorsteenen.—Ik heb koude en ben bang, zei Uilenspiegel.—Hij vermag niets tegen de geesten, antwoordde Nele.Plotseling ontstond een groote beweging onder de zeehonden, die ijlings in ’t water trokken, onder de ijsberen, die, met neerhangende ooren, jammerlijk bromden en onder de raven, die, krassend van angst in de wolken verdwenen.En nu hoorden Nele en Uilenspiegel de doffe slagen van den stormram tegen de muren van ijs, waarop de reus Winter gezeten was. En de muur kloofde en waggelde op zijne grondvesten.Doch de reus Winter hoorde niets, en hij huilde en tierde blijmoedig, vulde en ledigde zijnen beker en zocht naar hethert van de aarde om het te verstijven, maar hij dorst het niet aanraken.De slagen weerklonken harder en harder, de muur spleet meer en meer, en een regen van ijsscherven viel rondom hem.En de beren gromden jammerlijk en de zeehonden huilden in de doode wateren.De muur stortte in, de zonne werd zichtbaar; een schoone, jonge man met een gouden akst in de hand, daalde neder. Die man was Lucifer, koning Lente.Als de reus hem bemerkte, wierp hij zijn beker traan weg en smeekte hem niet te dooden.En bij den zoelen adem van koning Lente, verloor de reus Winter al zijne kracht. Toen nam de koning een diamanten keten, en hij bond er den reus mee vast aan de pool.Dan riep hij, doch teeder en liefdevol. En uit den hemel daalde een schoone, blonde vrouw. Zij zette zich nevens den koning en zeide tot hem:—Sterke man, gij zijt mijn overwinnaar.Hij antwoordde:—Hebt gij honger, eet; hebt gij dorst, drink; zijt gij bang, kom bij mij: ik ben uw man.—Ik heb honger en dorst alleen naar u, zegde zij.De koning riep nog zeven reizen met verschrikkelijke stemme. En er was een groot gedruisch van donders en bliksemen, en achter hen verrees een gehemelte van zonnen en sterren. En beiden zetten zich op den troon.Toen weerklonk een geroep des konings en der vrouwe; hun edel gelaat verroerde niet, en hun gebaar was niet strijdig met hunne kracht en waardigheid.Op die kreten ontstond een golvende beweging in den grond, in den harden steen, in de ijsschotsen. En Nele en Uilenspiegel hoorden een gerucht lijk dat, welk reusachtige vogelen zouden maken, die de schaal van ontzaglijke eieren wilden doorpikken.En, in die rijzing en daling van den grond, gelijk de baren der zee, waren vormen als van een ei.Eensklaps rezen allerwegen boomen op, wier dorre takken zich strengelden, wier stammen wankelden lijk dronken mannen. Dan scheidden zij, een groote ruimte tusschen zich latend. Aardgeesten stegen uit den geschokten grond; uit het diepst van het woud kwamen de boschgeesten, uit de naburige zee de watergeesten.Uilenspiegel en Nele zagen daar de ruige, gebochelde, grijnzende en mismaakte dwergen, die de schatten bewaren; de vorsten der gesteenten; de boschmannen, die leven als boomen en, in stee van mond en maag, onderaan ’t gezicht vezelige wortels dragen, om aldus hun voedsel uit de aarde te zuigen; de bergvorsten, die niet kunnen spreken, hert noch ingewand hebben, zich bewegen als ledepoppen in schittergewaad. Daar waren dwergen van vleesch en beenderen, met hagedissteerten en kikvorschkoppen, met eene lanteern op het hoofd, die ’s nachts op de schouders van de dronken voetgangers of vreesachtige reizigers springen, en, hunne lanteern zwierend, hen leiden en brengen naar sompen of spelonken, terwijl de arme verdwaalden meenen dat die lanteern de keerse is, die flikkert in hunne woning.Daar waren ook de bloemenmaagden, dochteren vol vrouwelijke kracht en gezondheid, fier over heure schoonheid, en die heur krachtig haar als een zijden mantel openspreidden.Hare vochtige oogen schitterden als perelmoer in het water, het vleesch van heur lichaam was vast, blank, zacht gebronsd door het licht; uit heuren rooden mond kwam een adem, geuriger dan seringabloesem.Zij zijn het, die, minneziek, ’s avonds in waranden en hovingen zwerven, ofwel in het diepst der bosschen, langs de lommerige paden, op zoek naar de ziele eens mans, om de genieting der minne te smaken. Zoodra een jongeling en zijne geliefde voorbij haar komen, beproeven zij het meisje te dooden, of blazen het weerstand biedende meideken liefdelust in, opdat zij heuren minnaar gehoor geve; want dan krijgt de bloemenmaagd de helft van de kussen.Nele en Uilenspiegel zagen ook uit het diepste der hemelen de beschermgeesten der sterren nederdalen, alsmede de geniën van wind, van dauw en van regen, gevleugelde jongelingen die de aarde bevruchten.Dan verschenen aan alle punten des hemelrijks de vogelen der zielen, de lieve zwaluwen. Met hunne komst scheen het licht heller. Bloemenmaagden, vorsten der steenen en der bergen, boschmannen, water-, vuur- en aardgeesten riepen allen te gader: Licht! levenssap! glorie aan den koning Lente!Hoewel het geschal van dien roep machtiger was dan ’t geloei van de woedende zee, en van ’t losgeketend orkaan, klonk het als een zoete muziek in de ooren van Nele en Uilenspiegel, die,stom en onbeweeglijk, achter den knoestigen stam van een eikeboom neergehurkt zaten.Maar heviger werd hunne vrees, toen de geesten, bij duizenden zich zetten op zetels van reusachtige spinnekoppen, kikvorschen met olifantssnuiten, ineengekronkelde slangen, krokodillen die recht op den steert stonden en eene menigte geesten in den muil hielden, slangen die meer dan dertig dwergen van beider kunne schrijlings op haar golvend lijf droegen, en wel honderdduizend insecten, grooter dan reuzen, gewapend met zweerden, spiesen, zeisen, vorken met zeven tanden, en allerhande moordtuigen. Zij vochten met een ijselijk gedruisch, en de sterken verslonden de zwakken, tot bewijs dat de Dood uit het Leven en het Leven uit den Dood komt.En uit heel de wemelende, dichte, verwarde menigte van geesten steeg een gedruisch op, dat leek op het dof gerol van een verren donder en het gerucht van honderden wevers, vollers, slotenmakers, die samen aan den arbeid zijn.Plotseling verschenen de geesten van het levenssap; zij waren kort, dik, met lendenen zoo breed als het Heidelbergsche vat, dijen zoo dik als wijnmudden, en spieren zoo forsig en sterk, dat men zou gezegd hebben dat hun lichaam gemaakt was van groote en kleine eieren, het een op het andere, met een rood vel overdekt, vettig en blinkend als hun dunne baard en rossig haar; en in de handen hielden zij groote bekers met een vreemdsoortig vocht.Als de geesten ze zagen komen, ontstond er onder hen een groote trilling van vreugde; boomen en planten bewogen zich en de aarde scheurde open om te drinken.En de geesten van het levenssap schonken wijn: terstond begon alles te botten, te groeien, te bloeien; het gras was vol gonzende diertjes, en de lucht vol vogels en pepels; de geesten schonken voort, en die van beneden ontvingen den wijn zooals zij konden: de bloemenmaagden openden den mond, of sprongen op heur rosse schenkers en kusten ze, om meer te krijgen; de eenen vouwden de handen smeekend te zamen; anderen zaten stille en lieten zich met wijn beregenen; doch allen, zoo dorstigen als gelaafden, zochten den wijn en bij elk dropje dat zij kregen, werden zij levendiger. En daar waren geene grijsaards, doch allen, schoonen of leelijken, waren vol vinnige kracht en levende jeugd.En zij lachten, riepen, zongen, terwijl zij elkander achtervolgden in de boomen als eekhorentjes, in de lucht als vogelen;en elke man zocht zijn wijfje en verrichtte onder Gods hemel het heilige werk der natuur.En de geesten van het levenssap brachten aan den koning en aan de koningin een grooten beker wijn. En de koning en de koningin dronken, en kusten elkander.Vervolgens omhelsde de koning de koningin, en hij stortte den beker uit op boomen, bloemen en geesten, en riep:—Glorie aan het Leven! glorie aan de vrije Lucht! glorie aan de Kracht!En allen riepen:—Glorie aan de Natuur! glorie aan de Kracht!En Uilenspiegel nam Nele in zijne armen. Aldus ineengestrengeld, begon een dans, als een warreldans van droge bladeren in de macht eener windhoos, in denwelke alles in beweging was, boomen, planten, insecten, vlinders, hemel en aarde, koning en koningin, bloemenmaagden, bergvorsten, watergeesten, gebochelde dwergen, vorsten der steenen, boschmannen, lanteerndragers, beschermgeesten der sterren en de honderd duizenden gruwelijke insecten, die hunne spiesen, zeisen en vorken met zeven tanden ondereenmengden. En aan dien duiveldans, hollend door de ruimte, namen de zon, de maan, de planeten, de sterren, de wind, de wolken insgelijks deel.De eik, waaraan Nele en Uilenspiegel zich vastklemden, draaide in de dwarreling mee, en Uilenspiegel zeide tot Nele:—Liefste, nu gaan wij sterven.Een geest hoorde hen, en zag dat zij stervelingen waren.—Aardelingen, sprak hij, aardelingen in dit oord!En hij trok hen van den boom en smeet hen in ’t gedrang. En Uilenspiegel en Nele vielen zachtjes op den rug van de geesten, die ze kaatsend naar malkander smeten en spraken:—Gegroet, menschenkinderen! Welkom, aardwormen! Wie wil het knaapje en het meideken? Zij komen ons bezoeken, de weekelingen.—Genade! riepen Nele en Uilenspiegel, die van den een naar den anderen vlogen.Maar de geesten luisterden niet, en beiden vlogen in’t ronde, met het hoofd omlaag en de beenen omhoog, lijk pluimpjes in den winterwind, terwijl de geesten spraken:—Glorie aan de mannekens en aan de vrouwkens! Dat zij dansen als wij!De bloemenmaagden wilden Uilenspiegel en Nele van malkanderscheiden; zij sloegen heur en hadden ze gedood, als de koning geen einde aan den dans gesteld had, met deze woorden:—Men brenge die beide aardwormen vóór mij!Zij werden gescheiden; en elke bloemenmaagd trachtte Uilenspiegel aan de andere te ontrukken, zeggende:—Thijl, wilt gij sterven voor mij?—Fluks, antwoordde Uilenspiegel.En de boschgeesten, die Nele droegen, zeiden:—Waarom zijt gij geene ziel lijk wij, wij zouden u nemen!—Hebt geduld, antwoordde Nele.En zoo kwamen zij vóór den troon van den koning; en zij beefden, als zij zijn gouden akst en zijn ijzeren kroon in het gezicht kregen.Hij vroeg hun:Wat komt gij hier doen, nietelingen?Zij antwoordden niet?—Ik ken u, tooveresseknop, voegde de koning er bij, en ook u, kooldragerswelp; maar zoo gij door allerlei toovermiddelen in deze werkplaats der Natuur zijt gedrongen, waarom houdt gij nu den bek als volgepropte kapoenen?Nele beefde als zij den verschrikkelijken duivel bezag, doch Uilenspiegel hernam zijne mannelijke stoutmoedigheid en antwoordde:—De assche van Klaas klopt op mijn hert. Doorluchtige vorst, in naam des Pausen maait de Dood de krachtigste mannen, de bevalligste vrouwlieden van Vlaanderenland; zijne privileges zijn verbroken, zijne keuren vernietigd, de hongersnood ondermijnt het, zijne wollenwevers verlaten het, om in den vreemde vrijen arbeid te zoeken. Het zal sterven, als men het niet ter hulpe komt. Ik ben maar een arme nieteling, die op de wereld kwam als een iegelijk, leefde als hij kon, onvolmaakt, bekrompen, onwetend, geenszins deugdzaam, en de menschelijke of goddelijke gratie teenemaal onweerdig. Doch Soetkin stierf ten gevolge van de pijnen der tortuur en van droefheid, en Klaas werd in een schrikkelijk vuur verbrand. Ik wilde hen wreken, en ik deed het eenmaal; ik wilde dien bodem, bezaaid met de beenderen zijner telgen, gelukkig zien, en vroeg aan God den dood zijner beulen, maar hij aanhoorde mij niet. Moede van klagen, aanriep ik u door de tooverkracht van Katelijne, en wij vallen u te voet, mijn bevende gezellinne en ik, om u te bidden dit rampzalige land te verlossen.De vorst en zijne vrouwe antwoordden samen:Door den krijg en door het vuur,Door den dood en door het zweerd,Zoek de Zeven.In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Vind de Zeven.Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.Echte geesels der arme aarde,Brand de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.En al de geesten zongen samen:In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Zoek de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.—Maar, sprak Uilenspiegel, Hoogheid en gij, heeren geesten, ik begrijp niets van uwe tale. Zeker spot gij met mij.Doch zonder hem te aanhooren, gingen zij voort:Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.En dat met zooveel overeenstemming en machtigen maatklank, dat de aarde beefde en de hemelen sidderden. En de vogelen floten, de raven krasten, de musschen tjilpten, de nachtuilenkloegen en vlogen uitzinnig in het ronde. En de dieren der aarde, leeuwen, slangen, beren, herten, gemsen, wolven, honden en katten brulden, sisten, bromden, schreeuwden, huilden, jankten, mauwden verschrikkelijk.En de geesten zongen:Wacht, luister en zie,Heb de Zeven liefEn den Gordel.En de hanen kraaiden, en al de geesten verzwonden, buiten een booze bergvorst, die Uilenspiegel en Nele elk bij een arm nam en ze vrij onzacht naar beneden smeet.Zij lagen naast elkander als om te slapen, als de frissche morgenwind hen wakker maakte.En Uilenspiegel zag Nele’s lief gezicht, in gouden glans door de rijzende zonne bestraald.
LXXXV.De lichamen der slachtoffers walmden op de brandstapels. Aan Klaas en Soetkin denkend, weende Uilenspiegel eenzaam in stilte.Op een avond ging hij bij Katelijne, om heur hulp en raad te vragen.Zij was alleen met Nele, die naaide bij het licht. Op ’t gerucht dat hij bij zijn binnenkomen maakte, hief Katelijne het hoofd op, als iemand die uit een zwaren slaap schiet.Hij sprak:—De assche van Klaas klopt op mijne borst, ik wil Vlaanderenland verlossen. Ik vroeg het aan den grooten God van hemel en aarde, doch hij antwoordt mij niet.Katelijne sprak:—De groote God kon u niet hooren; gij moet eerst tot de sylphen spreken, die tusschen hemel en aarde zweven en de klachten der menschen ontvangen en overdragen aan de engelen, om ze naar den troon des hemelrijks te brengen.—Help mij daartoe, sprak hij, en ’k zal u met mijn bloed betalen, als ’t noodig is.Katelijne sprak:—Ik zal u helpen, zoo een meisje dat u bemint, u wil medenemen naar den Sabbat der Lentegeesten, het Pascha van ’t Levenssap.—Ik zal hem meenemen, zegde Nele.In een kristallen beker goot Katelijne een grijsachtig vocht, dat zij streek aan hunne slapen, neusgaten, palmen der handen en polsen; zij deed hun elk een snuifken witte poeier eten, en zei dat ze elkander in de oogen moesten zien, opdat hunne zielen één zouden worden.Uilenspiegel keek Nele aan, en de zoete oogen van ’t meisje ontstaken in hem een blakerend vuur; toen begon het vocht te werken en hij voelde als duizenden spelden in zijn lijf steken.Vervolgens ontkleedden zij zich, en zij waren schoon in hunne schamelheid, verlicht door de lamp: hij in al zijn fiere kracht, zij in heure liefelijke bevalligheid. Maar reeds half ingeslapen, zagen zij elkander niet. Toen legde Katelijne het hoofd van het meisje in Uilenspiegels arm en zijne hand op heur hert.En zoo bleven zij naast malkander liggen.Het scheen hun beiden, dat hunne elkander rakende lichamen de zachte warmte hadden van de zonne, in de maand van de rozen.Zij stonden op, gelijk zij later zeiden, klommen op de vensterbank, vlogen van daar in de ruimte en voelden, dat de lucht hen droeg als het water de schepen draagt.Toen zagen zij niets meer, noch de aarde waar de arme menschenkinderen sliepen, noch den hemel waarin zoo even de wolken voor hunne voeten holden. En zij zetten den voet opSirius, de koude sterre. Van daar werden zij op de pool geworpen.Daar zagen zij, niet zonder schrik, een naakten reus, den reus Winter, met ruig haar, op schotsen, met den rug tegen eenen ijsmuur gezeten. Een huilende troep ijsberen en zeehonden zwommen in de plassen rond hem. Met heesche stemme riep hij op: hagel, sneeuw, koude regenbuien, donderwolken, rosse, stinkende nevelen, dwarrelwinden en de snerpende noordenwinden. En allen woedden te gelijk in dit akelig oord.De reus lachte al dien rampspoed toe en vlijde zich neer op de bloemen die zijne hand verwelkt, op de bladeren die zijn adem verdroogd had. Dan zich vooroverbuigend en den grond met zijne nagelen krabbend, er met de tanden in bijtend, groef hij een hol, ten einde het hert der aarde te bereiken, om het te verslinden, en de lommerige bosschen tot zwarte kolenbedden, de gouden korenaren tot verbrand stroo, de vruchtbare landouwen tot dorre vlakten te verkeeren. Doch het herte der aarde was van vuur, en hij dorst het niet naderen, maar trok zich, bevreesd, terug.Daar troonde hij als koning, en ledigde hij zijnen beker traan, te midden van de beren en zeehonden en van de geraamten dergenen die hij doodde op zee, op het land en in de hutten der armen. Blijde hoorde hij de beren brommen, de zeehonden huilen, de beenderen kletteren van de geraamten van menschen en beesten, onder de klauwen van gieren en raven, die er een laatsten hap vleesch aan zochten, alsook het gekrakkrak van de ijsschotsen, die in het doode water tegen elkander stootten.En de stem van den reus was gelijk het geloei van den orkaan, het geschuifel van den storm en ’t gehuil van den wind in de schoorsteenen.—Ik heb koude en ben bang, zei Uilenspiegel.—Hij vermag niets tegen de geesten, antwoordde Nele.Plotseling ontstond een groote beweging onder de zeehonden, die ijlings in ’t water trokken, onder de ijsberen, die, met neerhangende ooren, jammerlijk bromden en onder de raven, die, krassend van angst in de wolken verdwenen.En nu hoorden Nele en Uilenspiegel de doffe slagen van den stormram tegen de muren van ijs, waarop de reus Winter gezeten was. En de muur kloofde en waggelde op zijne grondvesten.Doch de reus Winter hoorde niets, en hij huilde en tierde blijmoedig, vulde en ledigde zijnen beker en zocht naar hethert van de aarde om het te verstijven, maar hij dorst het niet aanraken.De slagen weerklonken harder en harder, de muur spleet meer en meer, en een regen van ijsscherven viel rondom hem.En de beren gromden jammerlijk en de zeehonden huilden in de doode wateren.De muur stortte in, de zonne werd zichtbaar; een schoone, jonge man met een gouden akst in de hand, daalde neder. Die man was Lucifer, koning Lente.Als de reus hem bemerkte, wierp hij zijn beker traan weg en smeekte hem niet te dooden.En bij den zoelen adem van koning Lente, verloor de reus Winter al zijne kracht. Toen nam de koning een diamanten keten, en hij bond er den reus mee vast aan de pool.Dan riep hij, doch teeder en liefdevol. En uit den hemel daalde een schoone, blonde vrouw. Zij zette zich nevens den koning en zeide tot hem:—Sterke man, gij zijt mijn overwinnaar.Hij antwoordde:—Hebt gij honger, eet; hebt gij dorst, drink; zijt gij bang, kom bij mij: ik ben uw man.—Ik heb honger en dorst alleen naar u, zegde zij.De koning riep nog zeven reizen met verschrikkelijke stemme. En er was een groot gedruisch van donders en bliksemen, en achter hen verrees een gehemelte van zonnen en sterren. En beiden zetten zich op den troon.Toen weerklonk een geroep des konings en der vrouwe; hun edel gelaat verroerde niet, en hun gebaar was niet strijdig met hunne kracht en waardigheid.Op die kreten ontstond een golvende beweging in den grond, in den harden steen, in de ijsschotsen. En Nele en Uilenspiegel hoorden een gerucht lijk dat, welk reusachtige vogelen zouden maken, die de schaal van ontzaglijke eieren wilden doorpikken.En, in die rijzing en daling van den grond, gelijk de baren der zee, waren vormen als van een ei.Eensklaps rezen allerwegen boomen op, wier dorre takken zich strengelden, wier stammen wankelden lijk dronken mannen. Dan scheidden zij, een groote ruimte tusschen zich latend. Aardgeesten stegen uit den geschokten grond; uit het diepst van het woud kwamen de boschgeesten, uit de naburige zee de watergeesten.Uilenspiegel en Nele zagen daar de ruige, gebochelde, grijnzende en mismaakte dwergen, die de schatten bewaren; de vorsten der gesteenten; de boschmannen, die leven als boomen en, in stee van mond en maag, onderaan ’t gezicht vezelige wortels dragen, om aldus hun voedsel uit de aarde te zuigen; de bergvorsten, die niet kunnen spreken, hert noch ingewand hebben, zich bewegen als ledepoppen in schittergewaad. Daar waren dwergen van vleesch en beenderen, met hagedissteerten en kikvorschkoppen, met eene lanteern op het hoofd, die ’s nachts op de schouders van de dronken voetgangers of vreesachtige reizigers springen, en, hunne lanteern zwierend, hen leiden en brengen naar sompen of spelonken, terwijl de arme verdwaalden meenen dat die lanteern de keerse is, die flikkert in hunne woning.Daar waren ook de bloemenmaagden, dochteren vol vrouwelijke kracht en gezondheid, fier over heure schoonheid, en die heur krachtig haar als een zijden mantel openspreidden.Hare vochtige oogen schitterden als perelmoer in het water, het vleesch van heur lichaam was vast, blank, zacht gebronsd door het licht; uit heuren rooden mond kwam een adem, geuriger dan seringabloesem.Zij zijn het, die, minneziek, ’s avonds in waranden en hovingen zwerven, ofwel in het diepst der bosschen, langs de lommerige paden, op zoek naar de ziele eens mans, om de genieting der minne te smaken. Zoodra een jongeling en zijne geliefde voorbij haar komen, beproeven zij het meisje te dooden, of blazen het weerstand biedende meideken liefdelust in, opdat zij heuren minnaar gehoor geve; want dan krijgt de bloemenmaagd de helft van de kussen.Nele en Uilenspiegel zagen ook uit het diepste der hemelen de beschermgeesten der sterren nederdalen, alsmede de geniën van wind, van dauw en van regen, gevleugelde jongelingen die de aarde bevruchten.Dan verschenen aan alle punten des hemelrijks de vogelen der zielen, de lieve zwaluwen. Met hunne komst scheen het licht heller. Bloemenmaagden, vorsten der steenen en der bergen, boschmannen, water-, vuur- en aardgeesten riepen allen te gader: Licht! levenssap! glorie aan den koning Lente!Hoewel het geschal van dien roep machtiger was dan ’t geloei van de woedende zee, en van ’t losgeketend orkaan, klonk het als een zoete muziek in de ooren van Nele en Uilenspiegel, die,stom en onbeweeglijk, achter den knoestigen stam van een eikeboom neergehurkt zaten.Maar heviger werd hunne vrees, toen de geesten, bij duizenden zich zetten op zetels van reusachtige spinnekoppen, kikvorschen met olifantssnuiten, ineengekronkelde slangen, krokodillen die recht op den steert stonden en eene menigte geesten in den muil hielden, slangen die meer dan dertig dwergen van beider kunne schrijlings op haar golvend lijf droegen, en wel honderdduizend insecten, grooter dan reuzen, gewapend met zweerden, spiesen, zeisen, vorken met zeven tanden, en allerhande moordtuigen. Zij vochten met een ijselijk gedruisch, en de sterken verslonden de zwakken, tot bewijs dat de Dood uit het Leven en het Leven uit den Dood komt.En uit heel de wemelende, dichte, verwarde menigte van geesten steeg een gedruisch op, dat leek op het dof gerol van een verren donder en het gerucht van honderden wevers, vollers, slotenmakers, die samen aan den arbeid zijn.Plotseling verschenen de geesten van het levenssap; zij waren kort, dik, met lendenen zoo breed als het Heidelbergsche vat, dijen zoo dik als wijnmudden, en spieren zoo forsig en sterk, dat men zou gezegd hebben dat hun lichaam gemaakt was van groote en kleine eieren, het een op het andere, met een rood vel overdekt, vettig en blinkend als hun dunne baard en rossig haar; en in de handen hielden zij groote bekers met een vreemdsoortig vocht.Als de geesten ze zagen komen, ontstond er onder hen een groote trilling van vreugde; boomen en planten bewogen zich en de aarde scheurde open om te drinken.En de geesten van het levenssap schonken wijn: terstond begon alles te botten, te groeien, te bloeien; het gras was vol gonzende diertjes, en de lucht vol vogels en pepels; de geesten schonken voort, en die van beneden ontvingen den wijn zooals zij konden: de bloemenmaagden openden den mond, of sprongen op heur rosse schenkers en kusten ze, om meer te krijgen; de eenen vouwden de handen smeekend te zamen; anderen zaten stille en lieten zich met wijn beregenen; doch allen, zoo dorstigen als gelaafden, zochten den wijn en bij elk dropje dat zij kregen, werden zij levendiger. En daar waren geene grijsaards, doch allen, schoonen of leelijken, waren vol vinnige kracht en levende jeugd.En zij lachten, riepen, zongen, terwijl zij elkander achtervolgden in de boomen als eekhorentjes, in de lucht als vogelen;en elke man zocht zijn wijfje en verrichtte onder Gods hemel het heilige werk der natuur.En de geesten van het levenssap brachten aan den koning en aan de koningin een grooten beker wijn. En de koning en de koningin dronken, en kusten elkander.Vervolgens omhelsde de koning de koningin, en hij stortte den beker uit op boomen, bloemen en geesten, en riep:—Glorie aan het Leven! glorie aan de vrije Lucht! glorie aan de Kracht!En allen riepen:—Glorie aan de Natuur! glorie aan de Kracht!En Uilenspiegel nam Nele in zijne armen. Aldus ineengestrengeld, begon een dans, als een warreldans van droge bladeren in de macht eener windhoos, in denwelke alles in beweging was, boomen, planten, insecten, vlinders, hemel en aarde, koning en koningin, bloemenmaagden, bergvorsten, watergeesten, gebochelde dwergen, vorsten der steenen, boschmannen, lanteerndragers, beschermgeesten der sterren en de honderd duizenden gruwelijke insecten, die hunne spiesen, zeisen en vorken met zeven tanden ondereenmengden. En aan dien duiveldans, hollend door de ruimte, namen de zon, de maan, de planeten, de sterren, de wind, de wolken insgelijks deel.De eik, waaraan Nele en Uilenspiegel zich vastklemden, draaide in de dwarreling mee, en Uilenspiegel zeide tot Nele:—Liefste, nu gaan wij sterven.Een geest hoorde hen, en zag dat zij stervelingen waren.—Aardelingen, sprak hij, aardelingen in dit oord!En hij trok hen van den boom en smeet hen in ’t gedrang. En Uilenspiegel en Nele vielen zachtjes op den rug van de geesten, die ze kaatsend naar malkander smeten en spraken:—Gegroet, menschenkinderen! Welkom, aardwormen! Wie wil het knaapje en het meideken? Zij komen ons bezoeken, de weekelingen.—Genade! riepen Nele en Uilenspiegel, die van den een naar den anderen vlogen.Maar de geesten luisterden niet, en beiden vlogen in’t ronde, met het hoofd omlaag en de beenen omhoog, lijk pluimpjes in den winterwind, terwijl de geesten spraken:—Glorie aan de mannekens en aan de vrouwkens! Dat zij dansen als wij!De bloemenmaagden wilden Uilenspiegel en Nele van malkanderscheiden; zij sloegen heur en hadden ze gedood, als de koning geen einde aan den dans gesteld had, met deze woorden:—Men brenge die beide aardwormen vóór mij!Zij werden gescheiden; en elke bloemenmaagd trachtte Uilenspiegel aan de andere te ontrukken, zeggende:—Thijl, wilt gij sterven voor mij?—Fluks, antwoordde Uilenspiegel.En de boschgeesten, die Nele droegen, zeiden:—Waarom zijt gij geene ziel lijk wij, wij zouden u nemen!—Hebt geduld, antwoordde Nele.En zoo kwamen zij vóór den troon van den koning; en zij beefden, als zij zijn gouden akst en zijn ijzeren kroon in het gezicht kregen.Hij vroeg hun:Wat komt gij hier doen, nietelingen?Zij antwoordden niet?—Ik ken u, tooveresseknop, voegde de koning er bij, en ook u, kooldragerswelp; maar zoo gij door allerlei toovermiddelen in deze werkplaats der Natuur zijt gedrongen, waarom houdt gij nu den bek als volgepropte kapoenen?Nele beefde als zij den verschrikkelijken duivel bezag, doch Uilenspiegel hernam zijne mannelijke stoutmoedigheid en antwoordde:—De assche van Klaas klopt op mijn hert. Doorluchtige vorst, in naam des Pausen maait de Dood de krachtigste mannen, de bevalligste vrouwlieden van Vlaanderenland; zijne privileges zijn verbroken, zijne keuren vernietigd, de hongersnood ondermijnt het, zijne wollenwevers verlaten het, om in den vreemde vrijen arbeid te zoeken. Het zal sterven, als men het niet ter hulpe komt. Ik ben maar een arme nieteling, die op de wereld kwam als een iegelijk, leefde als hij kon, onvolmaakt, bekrompen, onwetend, geenszins deugdzaam, en de menschelijke of goddelijke gratie teenemaal onweerdig. Doch Soetkin stierf ten gevolge van de pijnen der tortuur en van droefheid, en Klaas werd in een schrikkelijk vuur verbrand. Ik wilde hen wreken, en ik deed het eenmaal; ik wilde dien bodem, bezaaid met de beenderen zijner telgen, gelukkig zien, en vroeg aan God den dood zijner beulen, maar hij aanhoorde mij niet. Moede van klagen, aanriep ik u door de tooverkracht van Katelijne, en wij vallen u te voet, mijn bevende gezellinne en ik, om u te bidden dit rampzalige land te verlossen.De vorst en zijne vrouwe antwoordden samen:Door den krijg en door het vuur,Door den dood en door het zweerd,Zoek de Zeven.In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Vind de Zeven.Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.Echte geesels der arme aarde,Brand de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.En al de geesten zongen samen:In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Zoek de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.—Maar, sprak Uilenspiegel, Hoogheid en gij, heeren geesten, ik begrijp niets van uwe tale. Zeker spot gij met mij.Doch zonder hem te aanhooren, gingen zij voort:Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.En dat met zooveel overeenstemming en machtigen maatklank, dat de aarde beefde en de hemelen sidderden. En de vogelen floten, de raven krasten, de musschen tjilpten, de nachtuilenkloegen en vlogen uitzinnig in het ronde. En de dieren der aarde, leeuwen, slangen, beren, herten, gemsen, wolven, honden en katten brulden, sisten, bromden, schreeuwden, huilden, jankten, mauwden verschrikkelijk.En de geesten zongen:Wacht, luister en zie,Heb de Zeven liefEn den Gordel.En de hanen kraaiden, en al de geesten verzwonden, buiten een booze bergvorst, die Uilenspiegel en Nele elk bij een arm nam en ze vrij onzacht naar beneden smeet.Zij lagen naast elkander als om te slapen, als de frissche morgenwind hen wakker maakte.En Uilenspiegel zag Nele’s lief gezicht, in gouden glans door de rijzende zonne bestraald.
LXXXV.De lichamen der slachtoffers walmden op de brandstapels. Aan Klaas en Soetkin denkend, weende Uilenspiegel eenzaam in stilte.Op een avond ging hij bij Katelijne, om heur hulp en raad te vragen.Zij was alleen met Nele, die naaide bij het licht. Op ’t gerucht dat hij bij zijn binnenkomen maakte, hief Katelijne het hoofd op, als iemand die uit een zwaren slaap schiet.Hij sprak:—De assche van Klaas klopt op mijne borst, ik wil Vlaanderenland verlossen. Ik vroeg het aan den grooten God van hemel en aarde, doch hij antwoordt mij niet.Katelijne sprak:—De groote God kon u niet hooren; gij moet eerst tot de sylphen spreken, die tusschen hemel en aarde zweven en de klachten der menschen ontvangen en overdragen aan de engelen, om ze naar den troon des hemelrijks te brengen.—Help mij daartoe, sprak hij, en ’k zal u met mijn bloed betalen, als ’t noodig is.Katelijne sprak:—Ik zal u helpen, zoo een meisje dat u bemint, u wil medenemen naar den Sabbat der Lentegeesten, het Pascha van ’t Levenssap.—Ik zal hem meenemen, zegde Nele.In een kristallen beker goot Katelijne een grijsachtig vocht, dat zij streek aan hunne slapen, neusgaten, palmen der handen en polsen; zij deed hun elk een snuifken witte poeier eten, en zei dat ze elkander in de oogen moesten zien, opdat hunne zielen één zouden worden.Uilenspiegel keek Nele aan, en de zoete oogen van ’t meisje ontstaken in hem een blakerend vuur; toen begon het vocht te werken en hij voelde als duizenden spelden in zijn lijf steken.Vervolgens ontkleedden zij zich, en zij waren schoon in hunne schamelheid, verlicht door de lamp: hij in al zijn fiere kracht, zij in heure liefelijke bevalligheid. Maar reeds half ingeslapen, zagen zij elkander niet. Toen legde Katelijne het hoofd van het meisje in Uilenspiegels arm en zijne hand op heur hert.En zoo bleven zij naast malkander liggen.Het scheen hun beiden, dat hunne elkander rakende lichamen de zachte warmte hadden van de zonne, in de maand van de rozen.Zij stonden op, gelijk zij later zeiden, klommen op de vensterbank, vlogen van daar in de ruimte en voelden, dat de lucht hen droeg als het water de schepen draagt.Toen zagen zij niets meer, noch de aarde waar de arme menschenkinderen sliepen, noch den hemel waarin zoo even de wolken voor hunne voeten holden. En zij zetten den voet opSirius, de koude sterre. Van daar werden zij op de pool geworpen.Daar zagen zij, niet zonder schrik, een naakten reus, den reus Winter, met ruig haar, op schotsen, met den rug tegen eenen ijsmuur gezeten. Een huilende troep ijsberen en zeehonden zwommen in de plassen rond hem. Met heesche stemme riep hij op: hagel, sneeuw, koude regenbuien, donderwolken, rosse, stinkende nevelen, dwarrelwinden en de snerpende noordenwinden. En allen woedden te gelijk in dit akelig oord.De reus lachte al dien rampspoed toe en vlijde zich neer op de bloemen die zijne hand verwelkt, op de bladeren die zijn adem verdroogd had. Dan zich vooroverbuigend en den grond met zijne nagelen krabbend, er met de tanden in bijtend, groef hij een hol, ten einde het hert der aarde te bereiken, om het te verslinden, en de lommerige bosschen tot zwarte kolenbedden, de gouden korenaren tot verbrand stroo, de vruchtbare landouwen tot dorre vlakten te verkeeren. Doch het herte der aarde was van vuur, en hij dorst het niet naderen, maar trok zich, bevreesd, terug.Daar troonde hij als koning, en ledigde hij zijnen beker traan, te midden van de beren en zeehonden en van de geraamten dergenen die hij doodde op zee, op het land en in de hutten der armen. Blijde hoorde hij de beren brommen, de zeehonden huilen, de beenderen kletteren van de geraamten van menschen en beesten, onder de klauwen van gieren en raven, die er een laatsten hap vleesch aan zochten, alsook het gekrakkrak van de ijsschotsen, die in het doode water tegen elkander stootten.En de stem van den reus was gelijk het geloei van den orkaan, het geschuifel van den storm en ’t gehuil van den wind in de schoorsteenen.—Ik heb koude en ben bang, zei Uilenspiegel.—Hij vermag niets tegen de geesten, antwoordde Nele.Plotseling ontstond een groote beweging onder de zeehonden, die ijlings in ’t water trokken, onder de ijsberen, die, met neerhangende ooren, jammerlijk bromden en onder de raven, die, krassend van angst in de wolken verdwenen.En nu hoorden Nele en Uilenspiegel de doffe slagen van den stormram tegen de muren van ijs, waarop de reus Winter gezeten was. En de muur kloofde en waggelde op zijne grondvesten.Doch de reus Winter hoorde niets, en hij huilde en tierde blijmoedig, vulde en ledigde zijnen beker en zocht naar hethert van de aarde om het te verstijven, maar hij dorst het niet aanraken.De slagen weerklonken harder en harder, de muur spleet meer en meer, en een regen van ijsscherven viel rondom hem.En de beren gromden jammerlijk en de zeehonden huilden in de doode wateren.De muur stortte in, de zonne werd zichtbaar; een schoone, jonge man met een gouden akst in de hand, daalde neder. Die man was Lucifer, koning Lente.Als de reus hem bemerkte, wierp hij zijn beker traan weg en smeekte hem niet te dooden.En bij den zoelen adem van koning Lente, verloor de reus Winter al zijne kracht. Toen nam de koning een diamanten keten, en hij bond er den reus mee vast aan de pool.Dan riep hij, doch teeder en liefdevol. En uit den hemel daalde een schoone, blonde vrouw. Zij zette zich nevens den koning en zeide tot hem:—Sterke man, gij zijt mijn overwinnaar.Hij antwoordde:—Hebt gij honger, eet; hebt gij dorst, drink; zijt gij bang, kom bij mij: ik ben uw man.—Ik heb honger en dorst alleen naar u, zegde zij.De koning riep nog zeven reizen met verschrikkelijke stemme. En er was een groot gedruisch van donders en bliksemen, en achter hen verrees een gehemelte van zonnen en sterren. En beiden zetten zich op den troon.Toen weerklonk een geroep des konings en der vrouwe; hun edel gelaat verroerde niet, en hun gebaar was niet strijdig met hunne kracht en waardigheid.Op die kreten ontstond een golvende beweging in den grond, in den harden steen, in de ijsschotsen. En Nele en Uilenspiegel hoorden een gerucht lijk dat, welk reusachtige vogelen zouden maken, die de schaal van ontzaglijke eieren wilden doorpikken.En, in die rijzing en daling van den grond, gelijk de baren der zee, waren vormen als van een ei.Eensklaps rezen allerwegen boomen op, wier dorre takken zich strengelden, wier stammen wankelden lijk dronken mannen. Dan scheidden zij, een groote ruimte tusschen zich latend. Aardgeesten stegen uit den geschokten grond; uit het diepst van het woud kwamen de boschgeesten, uit de naburige zee de watergeesten.Uilenspiegel en Nele zagen daar de ruige, gebochelde, grijnzende en mismaakte dwergen, die de schatten bewaren; de vorsten der gesteenten; de boschmannen, die leven als boomen en, in stee van mond en maag, onderaan ’t gezicht vezelige wortels dragen, om aldus hun voedsel uit de aarde te zuigen; de bergvorsten, die niet kunnen spreken, hert noch ingewand hebben, zich bewegen als ledepoppen in schittergewaad. Daar waren dwergen van vleesch en beenderen, met hagedissteerten en kikvorschkoppen, met eene lanteern op het hoofd, die ’s nachts op de schouders van de dronken voetgangers of vreesachtige reizigers springen, en, hunne lanteern zwierend, hen leiden en brengen naar sompen of spelonken, terwijl de arme verdwaalden meenen dat die lanteern de keerse is, die flikkert in hunne woning.Daar waren ook de bloemenmaagden, dochteren vol vrouwelijke kracht en gezondheid, fier over heure schoonheid, en die heur krachtig haar als een zijden mantel openspreidden.Hare vochtige oogen schitterden als perelmoer in het water, het vleesch van heur lichaam was vast, blank, zacht gebronsd door het licht; uit heuren rooden mond kwam een adem, geuriger dan seringabloesem.Zij zijn het, die, minneziek, ’s avonds in waranden en hovingen zwerven, ofwel in het diepst der bosschen, langs de lommerige paden, op zoek naar de ziele eens mans, om de genieting der minne te smaken. Zoodra een jongeling en zijne geliefde voorbij haar komen, beproeven zij het meisje te dooden, of blazen het weerstand biedende meideken liefdelust in, opdat zij heuren minnaar gehoor geve; want dan krijgt de bloemenmaagd de helft van de kussen.Nele en Uilenspiegel zagen ook uit het diepste der hemelen de beschermgeesten der sterren nederdalen, alsmede de geniën van wind, van dauw en van regen, gevleugelde jongelingen die de aarde bevruchten.Dan verschenen aan alle punten des hemelrijks de vogelen der zielen, de lieve zwaluwen. Met hunne komst scheen het licht heller. Bloemenmaagden, vorsten der steenen en der bergen, boschmannen, water-, vuur- en aardgeesten riepen allen te gader: Licht! levenssap! glorie aan den koning Lente!Hoewel het geschal van dien roep machtiger was dan ’t geloei van de woedende zee, en van ’t losgeketend orkaan, klonk het als een zoete muziek in de ooren van Nele en Uilenspiegel, die,stom en onbeweeglijk, achter den knoestigen stam van een eikeboom neergehurkt zaten.Maar heviger werd hunne vrees, toen de geesten, bij duizenden zich zetten op zetels van reusachtige spinnekoppen, kikvorschen met olifantssnuiten, ineengekronkelde slangen, krokodillen die recht op den steert stonden en eene menigte geesten in den muil hielden, slangen die meer dan dertig dwergen van beider kunne schrijlings op haar golvend lijf droegen, en wel honderdduizend insecten, grooter dan reuzen, gewapend met zweerden, spiesen, zeisen, vorken met zeven tanden, en allerhande moordtuigen. Zij vochten met een ijselijk gedruisch, en de sterken verslonden de zwakken, tot bewijs dat de Dood uit het Leven en het Leven uit den Dood komt.En uit heel de wemelende, dichte, verwarde menigte van geesten steeg een gedruisch op, dat leek op het dof gerol van een verren donder en het gerucht van honderden wevers, vollers, slotenmakers, die samen aan den arbeid zijn.Plotseling verschenen de geesten van het levenssap; zij waren kort, dik, met lendenen zoo breed als het Heidelbergsche vat, dijen zoo dik als wijnmudden, en spieren zoo forsig en sterk, dat men zou gezegd hebben dat hun lichaam gemaakt was van groote en kleine eieren, het een op het andere, met een rood vel overdekt, vettig en blinkend als hun dunne baard en rossig haar; en in de handen hielden zij groote bekers met een vreemdsoortig vocht.Als de geesten ze zagen komen, ontstond er onder hen een groote trilling van vreugde; boomen en planten bewogen zich en de aarde scheurde open om te drinken.En de geesten van het levenssap schonken wijn: terstond begon alles te botten, te groeien, te bloeien; het gras was vol gonzende diertjes, en de lucht vol vogels en pepels; de geesten schonken voort, en die van beneden ontvingen den wijn zooals zij konden: de bloemenmaagden openden den mond, of sprongen op heur rosse schenkers en kusten ze, om meer te krijgen; de eenen vouwden de handen smeekend te zamen; anderen zaten stille en lieten zich met wijn beregenen; doch allen, zoo dorstigen als gelaafden, zochten den wijn en bij elk dropje dat zij kregen, werden zij levendiger. En daar waren geene grijsaards, doch allen, schoonen of leelijken, waren vol vinnige kracht en levende jeugd.En zij lachten, riepen, zongen, terwijl zij elkander achtervolgden in de boomen als eekhorentjes, in de lucht als vogelen;en elke man zocht zijn wijfje en verrichtte onder Gods hemel het heilige werk der natuur.En de geesten van het levenssap brachten aan den koning en aan de koningin een grooten beker wijn. En de koning en de koningin dronken, en kusten elkander.Vervolgens omhelsde de koning de koningin, en hij stortte den beker uit op boomen, bloemen en geesten, en riep:—Glorie aan het Leven! glorie aan de vrije Lucht! glorie aan de Kracht!En allen riepen:—Glorie aan de Natuur! glorie aan de Kracht!En Uilenspiegel nam Nele in zijne armen. Aldus ineengestrengeld, begon een dans, als een warreldans van droge bladeren in de macht eener windhoos, in denwelke alles in beweging was, boomen, planten, insecten, vlinders, hemel en aarde, koning en koningin, bloemenmaagden, bergvorsten, watergeesten, gebochelde dwergen, vorsten der steenen, boschmannen, lanteerndragers, beschermgeesten der sterren en de honderd duizenden gruwelijke insecten, die hunne spiesen, zeisen en vorken met zeven tanden ondereenmengden. En aan dien duiveldans, hollend door de ruimte, namen de zon, de maan, de planeten, de sterren, de wind, de wolken insgelijks deel.De eik, waaraan Nele en Uilenspiegel zich vastklemden, draaide in de dwarreling mee, en Uilenspiegel zeide tot Nele:—Liefste, nu gaan wij sterven.Een geest hoorde hen, en zag dat zij stervelingen waren.—Aardelingen, sprak hij, aardelingen in dit oord!En hij trok hen van den boom en smeet hen in ’t gedrang. En Uilenspiegel en Nele vielen zachtjes op den rug van de geesten, die ze kaatsend naar malkander smeten en spraken:—Gegroet, menschenkinderen! Welkom, aardwormen! Wie wil het knaapje en het meideken? Zij komen ons bezoeken, de weekelingen.—Genade! riepen Nele en Uilenspiegel, die van den een naar den anderen vlogen.Maar de geesten luisterden niet, en beiden vlogen in’t ronde, met het hoofd omlaag en de beenen omhoog, lijk pluimpjes in den winterwind, terwijl de geesten spraken:—Glorie aan de mannekens en aan de vrouwkens! Dat zij dansen als wij!De bloemenmaagden wilden Uilenspiegel en Nele van malkanderscheiden; zij sloegen heur en hadden ze gedood, als de koning geen einde aan den dans gesteld had, met deze woorden:—Men brenge die beide aardwormen vóór mij!Zij werden gescheiden; en elke bloemenmaagd trachtte Uilenspiegel aan de andere te ontrukken, zeggende:—Thijl, wilt gij sterven voor mij?—Fluks, antwoordde Uilenspiegel.En de boschgeesten, die Nele droegen, zeiden:—Waarom zijt gij geene ziel lijk wij, wij zouden u nemen!—Hebt geduld, antwoordde Nele.En zoo kwamen zij vóór den troon van den koning; en zij beefden, als zij zijn gouden akst en zijn ijzeren kroon in het gezicht kregen.Hij vroeg hun:Wat komt gij hier doen, nietelingen?Zij antwoordden niet?—Ik ken u, tooveresseknop, voegde de koning er bij, en ook u, kooldragerswelp; maar zoo gij door allerlei toovermiddelen in deze werkplaats der Natuur zijt gedrongen, waarom houdt gij nu den bek als volgepropte kapoenen?Nele beefde als zij den verschrikkelijken duivel bezag, doch Uilenspiegel hernam zijne mannelijke stoutmoedigheid en antwoordde:—De assche van Klaas klopt op mijn hert. Doorluchtige vorst, in naam des Pausen maait de Dood de krachtigste mannen, de bevalligste vrouwlieden van Vlaanderenland; zijne privileges zijn verbroken, zijne keuren vernietigd, de hongersnood ondermijnt het, zijne wollenwevers verlaten het, om in den vreemde vrijen arbeid te zoeken. Het zal sterven, als men het niet ter hulpe komt. Ik ben maar een arme nieteling, die op de wereld kwam als een iegelijk, leefde als hij kon, onvolmaakt, bekrompen, onwetend, geenszins deugdzaam, en de menschelijke of goddelijke gratie teenemaal onweerdig. Doch Soetkin stierf ten gevolge van de pijnen der tortuur en van droefheid, en Klaas werd in een schrikkelijk vuur verbrand. Ik wilde hen wreken, en ik deed het eenmaal; ik wilde dien bodem, bezaaid met de beenderen zijner telgen, gelukkig zien, en vroeg aan God den dood zijner beulen, maar hij aanhoorde mij niet. Moede van klagen, aanriep ik u door de tooverkracht van Katelijne, en wij vallen u te voet, mijn bevende gezellinne en ik, om u te bidden dit rampzalige land te verlossen.De vorst en zijne vrouwe antwoordden samen:Door den krijg en door het vuur,Door den dood en door het zweerd,Zoek de Zeven.In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Vind de Zeven.Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.Echte geesels der arme aarde,Brand de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.En al de geesten zongen samen:In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Zoek de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.—Maar, sprak Uilenspiegel, Hoogheid en gij, heeren geesten, ik begrijp niets van uwe tale. Zeker spot gij met mij.Doch zonder hem te aanhooren, gingen zij voort:Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.En dat met zooveel overeenstemming en machtigen maatklank, dat de aarde beefde en de hemelen sidderden. En de vogelen floten, de raven krasten, de musschen tjilpten, de nachtuilenkloegen en vlogen uitzinnig in het ronde. En de dieren der aarde, leeuwen, slangen, beren, herten, gemsen, wolven, honden en katten brulden, sisten, bromden, schreeuwden, huilden, jankten, mauwden verschrikkelijk.En de geesten zongen:Wacht, luister en zie,Heb de Zeven liefEn den Gordel.En de hanen kraaiden, en al de geesten verzwonden, buiten een booze bergvorst, die Uilenspiegel en Nele elk bij een arm nam en ze vrij onzacht naar beneden smeet.Zij lagen naast elkander als om te slapen, als de frissche morgenwind hen wakker maakte.En Uilenspiegel zag Nele’s lief gezicht, in gouden glans door de rijzende zonne bestraald.
LXXXV.
De lichamen der slachtoffers walmden op de brandstapels. Aan Klaas en Soetkin denkend, weende Uilenspiegel eenzaam in stilte.Op een avond ging hij bij Katelijne, om heur hulp en raad te vragen.Zij was alleen met Nele, die naaide bij het licht. Op ’t gerucht dat hij bij zijn binnenkomen maakte, hief Katelijne het hoofd op, als iemand die uit een zwaren slaap schiet.Hij sprak:—De assche van Klaas klopt op mijne borst, ik wil Vlaanderenland verlossen. Ik vroeg het aan den grooten God van hemel en aarde, doch hij antwoordt mij niet.Katelijne sprak:—De groote God kon u niet hooren; gij moet eerst tot de sylphen spreken, die tusschen hemel en aarde zweven en de klachten der menschen ontvangen en overdragen aan de engelen, om ze naar den troon des hemelrijks te brengen.—Help mij daartoe, sprak hij, en ’k zal u met mijn bloed betalen, als ’t noodig is.Katelijne sprak:—Ik zal u helpen, zoo een meisje dat u bemint, u wil medenemen naar den Sabbat der Lentegeesten, het Pascha van ’t Levenssap.—Ik zal hem meenemen, zegde Nele.In een kristallen beker goot Katelijne een grijsachtig vocht, dat zij streek aan hunne slapen, neusgaten, palmen der handen en polsen; zij deed hun elk een snuifken witte poeier eten, en zei dat ze elkander in de oogen moesten zien, opdat hunne zielen één zouden worden.Uilenspiegel keek Nele aan, en de zoete oogen van ’t meisje ontstaken in hem een blakerend vuur; toen begon het vocht te werken en hij voelde als duizenden spelden in zijn lijf steken.Vervolgens ontkleedden zij zich, en zij waren schoon in hunne schamelheid, verlicht door de lamp: hij in al zijn fiere kracht, zij in heure liefelijke bevalligheid. Maar reeds half ingeslapen, zagen zij elkander niet. Toen legde Katelijne het hoofd van het meisje in Uilenspiegels arm en zijne hand op heur hert.En zoo bleven zij naast malkander liggen.Het scheen hun beiden, dat hunne elkander rakende lichamen de zachte warmte hadden van de zonne, in de maand van de rozen.Zij stonden op, gelijk zij later zeiden, klommen op de vensterbank, vlogen van daar in de ruimte en voelden, dat de lucht hen droeg als het water de schepen draagt.Toen zagen zij niets meer, noch de aarde waar de arme menschenkinderen sliepen, noch den hemel waarin zoo even de wolken voor hunne voeten holden. En zij zetten den voet opSirius, de koude sterre. Van daar werden zij op de pool geworpen.Daar zagen zij, niet zonder schrik, een naakten reus, den reus Winter, met ruig haar, op schotsen, met den rug tegen eenen ijsmuur gezeten. Een huilende troep ijsberen en zeehonden zwommen in de plassen rond hem. Met heesche stemme riep hij op: hagel, sneeuw, koude regenbuien, donderwolken, rosse, stinkende nevelen, dwarrelwinden en de snerpende noordenwinden. En allen woedden te gelijk in dit akelig oord.De reus lachte al dien rampspoed toe en vlijde zich neer op de bloemen die zijne hand verwelkt, op de bladeren die zijn adem verdroogd had. Dan zich vooroverbuigend en den grond met zijne nagelen krabbend, er met de tanden in bijtend, groef hij een hol, ten einde het hert der aarde te bereiken, om het te verslinden, en de lommerige bosschen tot zwarte kolenbedden, de gouden korenaren tot verbrand stroo, de vruchtbare landouwen tot dorre vlakten te verkeeren. Doch het herte der aarde was van vuur, en hij dorst het niet naderen, maar trok zich, bevreesd, terug.Daar troonde hij als koning, en ledigde hij zijnen beker traan, te midden van de beren en zeehonden en van de geraamten dergenen die hij doodde op zee, op het land en in de hutten der armen. Blijde hoorde hij de beren brommen, de zeehonden huilen, de beenderen kletteren van de geraamten van menschen en beesten, onder de klauwen van gieren en raven, die er een laatsten hap vleesch aan zochten, alsook het gekrakkrak van de ijsschotsen, die in het doode water tegen elkander stootten.En de stem van den reus was gelijk het geloei van den orkaan, het geschuifel van den storm en ’t gehuil van den wind in de schoorsteenen.—Ik heb koude en ben bang, zei Uilenspiegel.—Hij vermag niets tegen de geesten, antwoordde Nele.Plotseling ontstond een groote beweging onder de zeehonden, die ijlings in ’t water trokken, onder de ijsberen, die, met neerhangende ooren, jammerlijk bromden en onder de raven, die, krassend van angst in de wolken verdwenen.En nu hoorden Nele en Uilenspiegel de doffe slagen van den stormram tegen de muren van ijs, waarop de reus Winter gezeten was. En de muur kloofde en waggelde op zijne grondvesten.Doch de reus Winter hoorde niets, en hij huilde en tierde blijmoedig, vulde en ledigde zijnen beker en zocht naar hethert van de aarde om het te verstijven, maar hij dorst het niet aanraken.De slagen weerklonken harder en harder, de muur spleet meer en meer, en een regen van ijsscherven viel rondom hem.En de beren gromden jammerlijk en de zeehonden huilden in de doode wateren.De muur stortte in, de zonne werd zichtbaar; een schoone, jonge man met een gouden akst in de hand, daalde neder. Die man was Lucifer, koning Lente.Als de reus hem bemerkte, wierp hij zijn beker traan weg en smeekte hem niet te dooden.En bij den zoelen adem van koning Lente, verloor de reus Winter al zijne kracht. Toen nam de koning een diamanten keten, en hij bond er den reus mee vast aan de pool.Dan riep hij, doch teeder en liefdevol. En uit den hemel daalde een schoone, blonde vrouw. Zij zette zich nevens den koning en zeide tot hem:—Sterke man, gij zijt mijn overwinnaar.Hij antwoordde:—Hebt gij honger, eet; hebt gij dorst, drink; zijt gij bang, kom bij mij: ik ben uw man.—Ik heb honger en dorst alleen naar u, zegde zij.De koning riep nog zeven reizen met verschrikkelijke stemme. En er was een groot gedruisch van donders en bliksemen, en achter hen verrees een gehemelte van zonnen en sterren. En beiden zetten zich op den troon.Toen weerklonk een geroep des konings en der vrouwe; hun edel gelaat verroerde niet, en hun gebaar was niet strijdig met hunne kracht en waardigheid.Op die kreten ontstond een golvende beweging in den grond, in den harden steen, in de ijsschotsen. En Nele en Uilenspiegel hoorden een gerucht lijk dat, welk reusachtige vogelen zouden maken, die de schaal van ontzaglijke eieren wilden doorpikken.En, in die rijzing en daling van den grond, gelijk de baren der zee, waren vormen als van een ei.Eensklaps rezen allerwegen boomen op, wier dorre takken zich strengelden, wier stammen wankelden lijk dronken mannen. Dan scheidden zij, een groote ruimte tusschen zich latend. Aardgeesten stegen uit den geschokten grond; uit het diepst van het woud kwamen de boschgeesten, uit de naburige zee de watergeesten.Uilenspiegel en Nele zagen daar de ruige, gebochelde, grijnzende en mismaakte dwergen, die de schatten bewaren; de vorsten der gesteenten; de boschmannen, die leven als boomen en, in stee van mond en maag, onderaan ’t gezicht vezelige wortels dragen, om aldus hun voedsel uit de aarde te zuigen; de bergvorsten, die niet kunnen spreken, hert noch ingewand hebben, zich bewegen als ledepoppen in schittergewaad. Daar waren dwergen van vleesch en beenderen, met hagedissteerten en kikvorschkoppen, met eene lanteern op het hoofd, die ’s nachts op de schouders van de dronken voetgangers of vreesachtige reizigers springen, en, hunne lanteern zwierend, hen leiden en brengen naar sompen of spelonken, terwijl de arme verdwaalden meenen dat die lanteern de keerse is, die flikkert in hunne woning.Daar waren ook de bloemenmaagden, dochteren vol vrouwelijke kracht en gezondheid, fier over heure schoonheid, en die heur krachtig haar als een zijden mantel openspreidden.Hare vochtige oogen schitterden als perelmoer in het water, het vleesch van heur lichaam was vast, blank, zacht gebronsd door het licht; uit heuren rooden mond kwam een adem, geuriger dan seringabloesem.Zij zijn het, die, minneziek, ’s avonds in waranden en hovingen zwerven, ofwel in het diepst der bosschen, langs de lommerige paden, op zoek naar de ziele eens mans, om de genieting der minne te smaken. Zoodra een jongeling en zijne geliefde voorbij haar komen, beproeven zij het meisje te dooden, of blazen het weerstand biedende meideken liefdelust in, opdat zij heuren minnaar gehoor geve; want dan krijgt de bloemenmaagd de helft van de kussen.Nele en Uilenspiegel zagen ook uit het diepste der hemelen de beschermgeesten der sterren nederdalen, alsmede de geniën van wind, van dauw en van regen, gevleugelde jongelingen die de aarde bevruchten.Dan verschenen aan alle punten des hemelrijks de vogelen der zielen, de lieve zwaluwen. Met hunne komst scheen het licht heller. Bloemenmaagden, vorsten der steenen en der bergen, boschmannen, water-, vuur- en aardgeesten riepen allen te gader: Licht! levenssap! glorie aan den koning Lente!Hoewel het geschal van dien roep machtiger was dan ’t geloei van de woedende zee, en van ’t losgeketend orkaan, klonk het als een zoete muziek in de ooren van Nele en Uilenspiegel, die,stom en onbeweeglijk, achter den knoestigen stam van een eikeboom neergehurkt zaten.Maar heviger werd hunne vrees, toen de geesten, bij duizenden zich zetten op zetels van reusachtige spinnekoppen, kikvorschen met olifantssnuiten, ineengekronkelde slangen, krokodillen die recht op den steert stonden en eene menigte geesten in den muil hielden, slangen die meer dan dertig dwergen van beider kunne schrijlings op haar golvend lijf droegen, en wel honderdduizend insecten, grooter dan reuzen, gewapend met zweerden, spiesen, zeisen, vorken met zeven tanden, en allerhande moordtuigen. Zij vochten met een ijselijk gedruisch, en de sterken verslonden de zwakken, tot bewijs dat de Dood uit het Leven en het Leven uit den Dood komt.En uit heel de wemelende, dichte, verwarde menigte van geesten steeg een gedruisch op, dat leek op het dof gerol van een verren donder en het gerucht van honderden wevers, vollers, slotenmakers, die samen aan den arbeid zijn.Plotseling verschenen de geesten van het levenssap; zij waren kort, dik, met lendenen zoo breed als het Heidelbergsche vat, dijen zoo dik als wijnmudden, en spieren zoo forsig en sterk, dat men zou gezegd hebben dat hun lichaam gemaakt was van groote en kleine eieren, het een op het andere, met een rood vel overdekt, vettig en blinkend als hun dunne baard en rossig haar; en in de handen hielden zij groote bekers met een vreemdsoortig vocht.Als de geesten ze zagen komen, ontstond er onder hen een groote trilling van vreugde; boomen en planten bewogen zich en de aarde scheurde open om te drinken.En de geesten van het levenssap schonken wijn: terstond begon alles te botten, te groeien, te bloeien; het gras was vol gonzende diertjes, en de lucht vol vogels en pepels; de geesten schonken voort, en die van beneden ontvingen den wijn zooals zij konden: de bloemenmaagden openden den mond, of sprongen op heur rosse schenkers en kusten ze, om meer te krijgen; de eenen vouwden de handen smeekend te zamen; anderen zaten stille en lieten zich met wijn beregenen; doch allen, zoo dorstigen als gelaafden, zochten den wijn en bij elk dropje dat zij kregen, werden zij levendiger. En daar waren geene grijsaards, doch allen, schoonen of leelijken, waren vol vinnige kracht en levende jeugd.En zij lachten, riepen, zongen, terwijl zij elkander achtervolgden in de boomen als eekhorentjes, in de lucht als vogelen;en elke man zocht zijn wijfje en verrichtte onder Gods hemel het heilige werk der natuur.En de geesten van het levenssap brachten aan den koning en aan de koningin een grooten beker wijn. En de koning en de koningin dronken, en kusten elkander.Vervolgens omhelsde de koning de koningin, en hij stortte den beker uit op boomen, bloemen en geesten, en riep:—Glorie aan het Leven! glorie aan de vrije Lucht! glorie aan de Kracht!En allen riepen:—Glorie aan de Natuur! glorie aan de Kracht!En Uilenspiegel nam Nele in zijne armen. Aldus ineengestrengeld, begon een dans, als een warreldans van droge bladeren in de macht eener windhoos, in denwelke alles in beweging was, boomen, planten, insecten, vlinders, hemel en aarde, koning en koningin, bloemenmaagden, bergvorsten, watergeesten, gebochelde dwergen, vorsten der steenen, boschmannen, lanteerndragers, beschermgeesten der sterren en de honderd duizenden gruwelijke insecten, die hunne spiesen, zeisen en vorken met zeven tanden ondereenmengden. En aan dien duiveldans, hollend door de ruimte, namen de zon, de maan, de planeten, de sterren, de wind, de wolken insgelijks deel.De eik, waaraan Nele en Uilenspiegel zich vastklemden, draaide in de dwarreling mee, en Uilenspiegel zeide tot Nele:—Liefste, nu gaan wij sterven.Een geest hoorde hen, en zag dat zij stervelingen waren.—Aardelingen, sprak hij, aardelingen in dit oord!En hij trok hen van den boom en smeet hen in ’t gedrang. En Uilenspiegel en Nele vielen zachtjes op den rug van de geesten, die ze kaatsend naar malkander smeten en spraken:—Gegroet, menschenkinderen! Welkom, aardwormen! Wie wil het knaapje en het meideken? Zij komen ons bezoeken, de weekelingen.—Genade! riepen Nele en Uilenspiegel, die van den een naar den anderen vlogen.Maar de geesten luisterden niet, en beiden vlogen in’t ronde, met het hoofd omlaag en de beenen omhoog, lijk pluimpjes in den winterwind, terwijl de geesten spraken:—Glorie aan de mannekens en aan de vrouwkens! Dat zij dansen als wij!De bloemenmaagden wilden Uilenspiegel en Nele van malkanderscheiden; zij sloegen heur en hadden ze gedood, als de koning geen einde aan den dans gesteld had, met deze woorden:—Men brenge die beide aardwormen vóór mij!Zij werden gescheiden; en elke bloemenmaagd trachtte Uilenspiegel aan de andere te ontrukken, zeggende:—Thijl, wilt gij sterven voor mij?—Fluks, antwoordde Uilenspiegel.En de boschgeesten, die Nele droegen, zeiden:—Waarom zijt gij geene ziel lijk wij, wij zouden u nemen!—Hebt geduld, antwoordde Nele.En zoo kwamen zij vóór den troon van den koning; en zij beefden, als zij zijn gouden akst en zijn ijzeren kroon in het gezicht kregen.Hij vroeg hun:Wat komt gij hier doen, nietelingen?Zij antwoordden niet?—Ik ken u, tooveresseknop, voegde de koning er bij, en ook u, kooldragerswelp; maar zoo gij door allerlei toovermiddelen in deze werkplaats der Natuur zijt gedrongen, waarom houdt gij nu den bek als volgepropte kapoenen?Nele beefde als zij den verschrikkelijken duivel bezag, doch Uilenspiegel hernam zijne mannelijke stoutmoedigheid en antwoordde:—De assche van Klaas klopt op mijn hert. Doorluchtige vorst, in naam des Pausen maait de Dood de krachtigste mannen, de bevalligste vrouwlieden van Vlaanderenland; zijne privileges zijn verbroken, zijne keuren vernietigd, de hongersnood ondermijnt het, zijne wollenwevers verlaten het, om in den vreemde vrijen arbeid te zoeken. Het zal sterven, als men het niet ter hulpe komt. Ik ben maar een arme nieteling, die op de wereld kwam als een iegelijk, leefde als hij kon, onvolmaakt, bekrompen, onwetend, geenszins deugdzaam, en de menschelijke of goddelijke gratie teenemaal onweerdig. Doch Soetkin stierf ten gevolge van de pijnen der tortuur en van droefheid, en Klaas werd in een schrikkelijk vuur verbrand. Ik wilde hen wreken, en ik deed het eenmaal; ik wilde dien bodem, bezaaid met de beenderen zijner telgen, gelukkig zien, en vroeg aan God den dood zijner beulen, maar hij aanhoorde mij niet. Moede van klagen, aanriep ik u door de tooverkracht van Katelijne, en wij vallen u te voet, mijn bevende gezellinne en ik, om u te bidden dit rampzalige land te verlossen.De vorst en zijne vrouwe antwoordden samen:Door den krijg en door het vuur,Door den dood en door het zweerd,Zoek de Zeven.In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Vind de Zeven.Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.Echte geesels der arme aarde,Brand de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.En al de geesten zongen samen:In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Zoek de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.—Maar, sprak Uilenspiegel, Hoogheid en gij, heeren geesten, ik begrijp niets van uwe tale. Zeker spot gij met mij.Doch zonder hem te aanhooren, gingen zij voort:Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.En dat met zooveel overeenstemming en machtigen maatklank, dat de aarde beefde en de hemelen sidderden. En de vogelen floten, de raven krasten, de musschen tjilpten, de nachtuilenkloegen en vlogen uitzinnig in het ronde. En de dieren der aarde, leeuwen, slangen, beren, herten, gemsen, wolven, honden en katten brulden, sisten, bromden, schreeuwden, huilden, jankten, mauwden verschrikkelijk.En de geesten zongen:Wacht, luister en zie,Heb de Zeven liefEn den Gordel.En de hanen kraaiden, en al de geesten verzwonden, buiten een booze bergvorst, die Uilenspiegel en Nele elk bij een arm nam en ze vrij onzacht naar beneden smeet.Zij lagen naast elkander als om te slapen, als de frissche morgenwind hen wakker maakte.En Uilenspiegel zag Nele’s lief gezicht, in gouden glans door de rijzende zonne bestraald.
De lichamen der slachtoffers walmden op de brandstapels. Aan Klaas en Soetkin denkend, weende Uilenspiegel eenzaam in stilte.
Op een avond ging hij bij Katelijne, om heur hulp en raad te vragen.
Zij was alleen met Nele, die naaide bij het licht. Op ’t gerucht dat hij bij zijn binnenkomen maakte, hief Katelijne het hoofd op, als iemand die uit een zwaren slaap schiet.
Hij sprak:
—De assche van Klaas klopt op mijne borst, ik wil Vlaanderenland verlossen. Ik vroeg het aan den grooten God van hemel en aarde, doch hij antwoordt mij niet.
Katelijne sprak:
—De groote God kon u niet hooren; gij moet eerst tot de sylphen spreken, die tusschen hemel en aarde zweven en de klachten der menschen ontvangen en overdragen aan de engelen, om ze naar den troon des hemelrijks te brengen.
—Help mij daartoe, sprak hij, en ’k zal u met mijn bloed betalen, als ’t noodig is.
Katelijne sprak:
—Ik zal u helpen, zoo een meisje dat u bemint, u wil medenemen naar den Sabbat der Lentegeesten, het Pascha van ’t Levenssap.
—Ik zal hem meenemen, zegde Nele.
In een kristallen beker goot Katelijne een grijsachtig vocht, dat zij streek aan hunne slapen, neusgaten, palmen der handen en polsen; zij deed hun elk een snuifken witte poeier eten, en zei dat ze elkander in de oogen moesten zien, opdat hunne zielen één zouden worden.
Uilenspiegel keek Nele aan, en de zoete oogen van ’t meisje ontstaken in hem een blakerend vuur; toen begon het vocht te werken en hij voelde als duizenden spelden in zijn lijf steken.
Vervolgens ontkleedden zij zich, en zij waren schoon in hunne schamelheid, verlicht door de lamp: hij in al zijn fiere kracht, zij in heure liefelijke bevalligheid. Maar reeds half ingeslapen, zagen zij elkander niet. Toen legde Katelijne het hoofd van het meisje in Uilenspiegels arm en zijne hand op heur hert.
En zoo bleven zij naast malkander liggen.
Het scheen hun beiden, dat hunne elkander rakende lichamen de zachte warmte hadden van de zonne, in de maand van de rozen.
Zij stonden op, gelijk zij later zeiden, klommen op de vensterbank, vlogen van daar in de ruimte en voelden, dat de lucht hen droeg als het water de schepen draagt.
Toen zagen zij niets meer, noch de aarde waar de arme menschenkinderen sliepen, noch den hemel waarin zoo even de wolken voor hunne voeten holden. En zij zetten den voet opSirius, de koude sterre. Van daar werden zij op de pool geworpen.
Daar zagen zij, niet zonder schrik, een naakten reus, den reus Winter, met ruig haar, op schotsen, met den rug tegen eenen ijsmuur gezeten. Een huilende troep ijsberen en zeehonden zwommen in de plassen rond hem. Met heesche stemme riep hij op: hagel, sneeuw, koude regenbuien, donderwolken, rosse, stinkende nevelen, dwarrelwinden en de snerpende noordenwinden. En allen woedden te gelijk in dit akelig oord.
De reus lachte al dien rampspoed toe en vlijde zich neer op de bloemen die zijne hand verwelkt, op de bladeren die zijn adem verdroogd had. Dan zich vooroverbuigend en den grond met zijne nagelen krabbend, er met de tanden in bijtend, groef hij een hol, ten einde het hert der aarde te bereiken, om het te verslinden, en de lommerige bosschen tot zwarte kolenbedden, de gouden korenaren tot verbrand stroo, de vruchtbare landouwen tot dorre vlakten te verkeeren. Doch het herte der aarde was van vuur, en hij dorst het niet naderen, maar trok zich, bevreesd, terug.
Daar troonde hij als koning, en ledigde hij zijnen beker traan, te midden van de beren en zeehonden en van de geraamten dergenen die hij doodde op zee, op het land en in de hutten der armen. Blijde hoorde hij de beren brommen, de zeehonden huilen, de beenderen kletteren van de geraamten van menschen en beesten, onder de klauwen van gieren en raven, die er een laatsten hap vleesch aan zochten, alsook het gekrakkrak van de ijsschotsen, die in het doode water tegen elkander stootten.
En de stem van den reus was gelijk het geloei van den orkaan, het geschuifel van den storm en ’t gehuil van den wind in de schoorsteenen.
—Ik heb koude en ben bang, zei Uilenspiegel.
—Hij vermag niets tegen de geesten, antwoordde Nele.
Plotseling ontstond een groote beweging onder de zeehonden, die ijlings in ’t water trokken, onder de ijsberen, die, met neerhangende ooren, jammerlijk bromden en onder de raven, die, krassend van angst in de wolken verdwenen.
En nu hoorden Nele en Uilenspiegel de doffe slagen van den stormram tegen de muren van ijs, waarop de reus Winter gezeten was. En de muur kloofde en waggelde op zijne grondvesten.
Doch de reus Winter hoorde niets, en hij huilde en tierde blijmoedig, vulde en ledigde zijnen beker en zocht naar hethert van de aarde om het te verstijven, maar hij dorst het niet aanraken.
De slagen weerklonken harder en harder, de muur spleet meer en meer, en een regen van ijsscherven viel rondom hem.
En de beren gromden jammerlijk en de zeehonden huilden in de doode wateren.
De muur stortte in, de zonne werd zichtbaar; een schoone, jonge man met een gouden akst in de hand, daalde neder. Die man was Lucifer, koning Lente.
Als de reus hem bemerkte, wierp hij zijn beker traan weg en smeekte hem niet te dooden.
En bij den zoelen adem van koning Lente, verloor de reus Winter al zijne kracht. Toen nam de koning een diamanten keten, en hij bond er den reus mee vast aan de pool.
Dan riep hij, doch teeder en liefdevol. En uit den hemel daalde een schoone, blonde vrouw. Zij zette zich nevens den koning en zeide tot hem:
—Sterke man, gij zijt mijn overwinnaar.
Hij antwoordde:
—Hebt gij honger, eet; hebt gij dorst, drink; zijt gij bang, kom bij mij: ik ben uw man.
—Ik heb honger en dorst alleen naar u, zegde zij.
De koning riep nog zeven reizen met verschrikkelijke stemme. En er was een groot gedruisch van donders en bliksemen, en achter hen verrees een gehemelte van zonnen en sterren. En beiden zetten zich op den troon.
Toen weerklonk een geroep des konings en der vrouwe; hun edel gelaat verroerde niet, en hun gebaar was niet strijdig met hunne kracht en waardigheid.
Op die kreten ontstond een golvende beweging in den grond, in den harden steen, in de ijsschotsen. En Nele en Uilenspiegel hoorden een gerucht lijk dat, welk reusachtige vogelen zouden maken, die de schaal van ontzaglijke eieren wilden doorpikken.
En, in die rijzing en daling van den grond, gelijk de baren der zee, waren vormen als van een ei.
Eensklaps rezen allerwegen boomen op, wier dorre takken zich strengelden, wier stammen wankelden lijk dronken mannen. Dan scheidden zij, een groote ruimte tusschen zich latend. Aardgeesten stegen uit den geschokten grond; uit het diepst van het woud kwamen de boschgeesten, uit de naburige zee de watergeesten.
Uilenspiegel en Nele zagen daar de ruige, gebochelde, grijnzende en mismaakte dwergen, die de schatten bewaren; de vorsten der gesteenten; de boschmannen, die leven als boomen en, in stee van mond en maag, onderaan ’t gezicht vezelige wortels dragen, om aldus hun voedsel uit de aarde te zuigen; de bergvorsten, die niet kunnen spreken, hert noch ingewand hebben, zich bewegen als ledepoppen in schittergewaad. Daar waren dwergen van vleesch en beenderen, met hagedissteerten en kikvorschkoppen, met eene lanteern op het hoofd, die ’s nachts op de schouders van de dronken voetgangers of vreesachtige reizigers springen, en, hunne lanteern zwierend, hen leiden en brengen naar sompen of spelonken, terwijl de arme verdwaalden meenen dat die lanteern de keerse is, die flikkert in hunne woning.
Daar waren ook de bloemenmaagden, dochteren vol vrouwelijke kracht en gezondheid, fier over heure schoonheid, en die heur krachtig haar als een zijden mantel openspreidden.
Hare vochtige oogen schitterden als perelmoer in het water, het vleesch van heur lichaam was vast, blank, zacht gebronsd door het licht; uit heuren rooden mond kwam een adem, geuriger dan seringabloesem.
Zij zijn het, die, minneziek, ’s avonds in waranden en hovingen zwerven, ofwel in het diepst der bosschen, langs de lommerige paden, op zoek naar de ziele eens mans, om de genieting der minne te smaken. Zoodra een jongeling en zijne geliefde voorbij haar komen, beproeven zij het meisje te dooden, of blazen het weerstand biedende meideken liefdelust in, opdat zij heuren minnaar gehoor geve; want dan krijgt de bloemenmaagd de helft van de kussen.
Nele en Uilenspiegel zagen ook uit het diepste der hemelen de beschermgeesten der sterren nederdalen, alsmede de geniën van wind, van dauw en van regen, gevleugelde jongelingen die de aarde bevruchten.
Dan verschenen aan alle punten des hemelrijks de vogelen der zielen, de lieve zwaluwen. Met hunne komst scheen het licht heller. Bloemenmaagden, vorsten der steenen en der bergen, boschmannen, water-, vuur- en aardgeesten riepen allen te gader: Licht! levenssap! glorie aan den koning Lente!
Hoewel het geschal van dien roep machtiger was dan ’t geloei van de woedende zee, en van ’t losgeketend orkaan, klonk het als een zoete muziek in de ooren van Nele en Uilenspiegel, die,stom en onbeweeglijk, achter den knoestigen stam van een eikeboom neergehurkt zaten.
Maar heviger werd hunne vrees, toen de geesten, bij duizenden zich zetten op zetels van reusachtige spinnekoppen, kikvorschen met olifantssnuiten, ineengekronkelde slangen, krokodillen die recht op den steert stonden en eene menigte geesten in den muil hielden, slangen die meer dan dertig dwergen van beider kunne schrijlings op haar golvend lijf droegen, en wel honderdduizend insecten, grooter dan reuzen, gewapend met zweerden, spiesen, zeisen, vorken met zeven tanden, en allerhande moordtuigen. Zij vochten met een ijselijk gedruisch, en de sterken verslonden de zwakken, tot bewijs dat de Dood uit het Leven en het Leven uit den Dood komt.
En uit heel de wemelende, dichte, verwarde menigte van geesten steeg een gedruisch op, dat leek op het dof gerol van een verren donder en het gerucht van honderden wevers, vollers, slotenmakers, die samen aan den arbeid zijn.
Plotseling verschenen de geesten van het levenssap; zij waren kort, dik, met lendenen zoo breed als het Heidelbergsche vat, dijen zoo dik als wijnmudden, en spieren zoo forsig en sterk, dat men zou gezegd hebben dat hun lichaam gemaakt was van groote en kleine eieren, het een op het andere, met een rood vel overdekt, vettig en blinkend als hun dunne baard en rossig haar; en in de handen hielden zij groote bekers met een vreemdsoortig vocht.
Als de geesten ze zagen komen, ontstond er onder hen een groote trilling van vreugde; boomen en planten bewogen zich en de aarde scheurde open om te drinken.
En de geesten van het levenssap schonken wijn: terstond begon alles te botten, te groeien, te bloeien; het gras was vol gonzende diertjes, en de lucht vol vogels en pepels; de geesten schonken voort, en die van beneden ontvingen den wijn zooals zij konden: de bloemenmaagden openden den mond, of sprongen op heur rosse schenkers en kusten ze, om meer te krijgen; de eenen vouwden de handen smeekend te zamen; anderen zaten stille en lieten zich met wijn beregenen; doch allen, zoo dorstigen als gelaafden, zochten den wijn en bij elk dropje dat zij kregen, werden zij levendiger. En daar waren geene grijsaards, doch allen, schoonen of leelijken, waren vol vinnige kracht en levende jeugd.
En zij lachten, riepen, zongen, terwijl zij elkander achtervolgden in de boomen als eekhorentjes, in de lucht als vogelen;en elke man zocht zijn wijfje en verrichtte onder Gods hemel het heilige werk der natuur.
En de geesten van het levenssap brachten aan den koning en aan de koningin een grooten beker wijn. En de koning en de koningin dronken, en kusten elkander.
Vervolgens omhelsde de koning de koningin, en hij stortte den beker uit op boomen, bloemen en geesten, en riep:
—Glorie aan het Leven! glorie aan de vrije Lucht! glorie aan de Kracht!
En allen riepen:
—Glorie aan de Natuur! glorie aan de Kracht!
En Uilenspiegel nam Nele in zijne armen. Aldus ineengestrengeld, begon een dans, als een warreldans van droge bladeren in de macht eener windhoos, in denwelke alles in beweging was, boomen, planten, insecten, vlinders, hemel en aarde, koning en koningin, bloemenmaagden, bergvorsten, watergeesten, gebochelde dwergen, vorsten der steenen, boschmannen, lanteerndragers, beschermgeesten der sterren en de honderd duizenden gruwelijke insecten, die hunne spiesen, zeisen en vorken met zeven tanden ondereenmengden. En aan dien duiveldans, hollend door de ruimte, namen de zon, de maan, de planeten, de sterren, de wind, de wolken insgelijks deel.
De eik, waaraan Nele en Uilenspiegel zich vastklemden, draaide in de dwarreling mee, en Uilenspiegel zeide tot Nele:
—Liefste, nu gaan wij sterven.
Een geest hoorde hen, en zag dat zij stervelingen waren.
—Aardelingen, sprak hij, aardelingen in dit oord!
En hij trok hen van den boom en smeet hen in ’t gedrang. En Uilenspiegel en Nele vielen zachtjes op den rug van de geesten, die ze kaatsend naar malkander smeten en spraken:
—Gegroet, menschenkinderen! Welkom, aardwormen! Wie wil het knaapje en het meideken? Zij komen ons bezoeken, de weekelingen.
—Genade! riepen Nele en Uilenspiegel, die van den een naar den anderen vlogen.
Maar de geesten luisterden niet, en beiden vlogen in’t ronde, met het hoofd omlaag en de beenen omhoog, lijk pluimpjes in den winterwind, terwijl de geesten spraken:
—Glorie aan de mannekens en aan de vrouwkens! Dat zij dansen als wij!
De bloemenmaagden wilden Uilenspiegel en Nele van malkanderscheiden; zij sloegen heur en hadden ze gedood, als de koning geen einde aan den dans gesteld had, met deze woorden:
—Men brenge die beide aardwormen vóór mij!
Zij werden gescheiden; en elke bloemenmaagd trachtte Uilenspiegel aan de andere te ontrukken, zeggende:
—Thijl, wilt gij sterven voor mij?
—Fluks, antwoordde Uilenspiegel.
En de boschgeesten, die Nele droegen, zeiden:
—Waarom zijt gij geene ziel lijk wij, wij zouden u nemen!
—Hebt geduld, antwoordde Nele.
En zoo kwamen zij vóór den troon van den koning; en zij beefden, als zij zijn gouden akst en zijn ijzeren kroon in het gezicht kregen.
Hij vroeg hun:
Wat komt gij hier doen, nietelingen?
Zij antwoordden niet?
—Ik ken u, tooveresseknop, voegde de koning er bij, en ook u, kooldragerswelp; maar zoo gij door allerlei toovermiddelen in deze werkplaats der Natuur zijt gedrongen, waarom houdt gij nu den bek als volgepropte kapoenen?
Nele beefde als zij den verschrikkelijken duivel bezag, doch Uilenspiegel hernam zijne mannelijke stoutmoedigheid en antwoordde:
—De assche van Klaas klopt op mijn hert. Doorluchtige vorst, in naam des Pausen maait de Dood de krachtigste mannen, de bevalligste vrouwlieden van Vlaanderenland; zijne privileges zijn verbroken, zijne keuren vernietigd, de hongersnood ondermijnt het, zijne wollenwevers verlaten het, om in den vreemde vrijen arbeid te zoeken. Het zal sterven, als men het niet ter hulpe komt. Ik ben maar een arme nieteling, die op de wereld kwam als een iegelijk, leefde als hij kon, onvolmaakt, bekrompen, onwetend, geenszins deugdzaam, en de menschelijke of goddelijke gratie teenemaal onweerdig. Doch Soetkin stierf ten gevolge van de pijnen der tortuur en van droefheid, en Klaas werd in een schrikkelijk vuur verbrand. Ik wilde hen wreken, en ik deed het eenmaal; ik wilde dien bodem, bezaaid met de beenderen zijner telgen, gelukkig zien, en vroeg aan God den dood zijner beulen, maar hij aanhoorde mij niet. Moede van klagen, aanriep ik u door de tooverkracht van Katelijne, en wij vallen u te voet, mijn bevende gezellinne en ik, om u te bidden dit rampzalige land te verlossen.
De vorst en zijne vrouwe antwoordden samen:
Door den krijg en door het vuur,Door den dood en door het zweerd,Zoek de Zeven.In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Vind de Zeven.Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.Echte geesels der arme aarde,Brand de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.
Door den krijg en door het vuur,Door den dood en door het zweerd,Zoek de Zeven.
Door den krijg en door het vuur,
Door den dood en door het zweerd,
Zoek de Zeven.
In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Vind de Zeven.
In den dood en in het bloed,
In de puinen en de tranen,
Vind de Zeven.
Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.Echte geesels der arme aarde,Brand de Zeven.
Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.
Echte geesels der arme aarde,
Brand de Zeven.
Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.
Wacht, luister en zie,
Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?
Vind de Zeven.
En al de geesten zongen samen:
In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Zoek de Zeven.Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.
In den dood en in het bloed,In de puinen en de tranen,Zoek de Zeven.
In den dood en in het bloed,
In de puinen en de tranen,
Zoek de Zeven.
Wacht, luister en zie,Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?Vind de Zeven.
Wacht, luister en zie,
Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?
Vind de Zeven.
—Maar, sprak Uilenspiegel, Hoogheid en gij, heeren geesten, ik begrijp niets van uwe tale. Zeker spot gij met mij.
Doch zonder hem te aanhooren, gingen zij voort:
Raakt het NoordenKussend het WestenRampspoed is uit.Vind de ZevenEn den Gordel.
Raakt het Noorden
Kussend het Westen
Rampspoed is uit.
Vind de Zeven
En den Gordel.
En dat met zooveel overeenstemming en machtigen maatklank, dat de aarde beefde en de hemelen sidderden. En de vogelen floten, de raven krasten, de musschen tjilpten, de nachtuilenkloegen en vlogen uitzinnig in het ronde. En de dieren der aarde, leeuwen, slangen, beren, herten, gemsen, wolven, honden en katten brulden, sisten, bromden, schreeuwden, huilden, jankten, mauwden verschrikkelijk.
En de geesten zongen:
Wacht, luister en zie,Heb de Zeven liefEn den Gordel.
Wacht, luister en zie,
Heb de Zeven lief
En den Gordel.
En de hanen kraaiden, en al de geesten verzwonden, buiten een booze bergvorst, die Uilenspiegel en Nele elk bij een arm nam en ze vrij onzacht naar beneden smeet.
Zij lagen naast elkander als om te slapen, als de frissche morgenwind hen wakker maakte.
En Uilenspiegel zag Nele’s lief gezicht, in gouden glans door de rijzende zonne bestraald.