Tweede Boek.

Tweede Boek.I.Dien morgen, ’t was in Herfstmaand, nam Uilenspiegel zijnen stok, drie gulden die Katelijne hem gaf, eene snede brood met een stuk verkenslever, en hij vertrok naar Antwerpen, op zoek naar de Zeven. Nele sliep.Onderwege werd hij gevolgd door een hond, die op den reuk van de lever afkwam. Uilenspiegel wilde den hond wegjagen, maar deze bleef halstarrig meeloopen, waarop Uilenspiegel hem de volgende rede hield:—Hondje, mijn beestje, gij handelt verkeerd met uw huis te verlaten, alwaar goede porties, lekkere kliekjes, mergbeenderen u wachten, om op goed valle ’t uit een zwerver te volgen, wien het zelfs aan wortelen zal ontbreken om u toe te werpen. Geloof mij, onbezonnen hondje, keer terug naar uwen baas. Vermijd regen, sneeuw, hagel, mist, ijzel en andere liefelijkheden, die het lot van de zwervers zijn. Blijf u warmen in den hoek van den heerd bij het lustige vuur, en laat mij voortgaan in modder, in stof, in koude en hitte, heden gestoofd en morgen bevroren, des Vrijdags verzadigd en ’s Zondags verhongerd. Keer terug van waar gij komt, hondje van weinig ondervinding, en gij zult verstandig handelen.Het beest scheen Uilenspiegel maar niet te begrijpen. Het kwispelsteertte en sprong zoo hoog als het kon. Uilenspiegel meende dat het uit vriendschap was, maar vergat de lever, die in zijne tassche stak.Hij ging voort, de hond volgde. Als zij alzoo bijna een uur gegaan hadden, zagen zij op de baan eene kar, bespannen met een ezeltje, dat den kop liet hangen. Op den berm van den weg, tusschen twee distelstruiken, zat een man met in eene hand eenen hamelbout en in de andere eene bottel, waaraan hij zich goed deed. Als hij niet at of dronk, zuchtte en weeklaagde hij.Uilenspiegel stond stil, de hond insgelijks. Bout en lever riekend,beklom hij den berm. Daar ging hij nabij den man op zijn achterste zitten, krabde aan zijn wambuis, om beetjes te vragen, doch de man stiet hem terug met den elleboog, en zuchtte erbarmelijk met den bout omhoog. De hond jankte uit begeerlijkheid; en de ezel, grammoedig omdat hij, ingespannen, de distelen niet kon bereiken, begon te balken.—Wat is er, Jan? vroeg de man tot den ezel.—Niets, antwoordde Uilenspiegel, maar hij zou zich willen vergasten aan de distelen, die naast u groeien; en deze hond zou evenmin boos zijn, nadere kennis te maken met het been, dat gij in de hand hebt. In afwachting daarvan, kan hij beginnen met de lever, die ik hier heb.Toen de hond de lever binnen had, keek de man naar zijnen bout. Hij beet er het laatste vleesch af, gaf toen het been aan den hond, die er zijn pooten op stelde en het trachtte te kraken.Toen keek de man naar Uilenspiegel.Deze herkende Lamme Goedzak, van Damme.—Lamme, vroeg hij, waarom zit gij hier te eten, te drinken en te jammeren? Heeft een soldaat u misschien eene schudding gegeven?—Laas! mijne vrouw! sprak Lamme.Hij wilde zijne bottel wijn ledigen, maar Uilenspiegel hield hem tegen.—Drink zoo niet, sprak hij, al te haastig doet geen deugd aan de nieren. Beter zou het komen aan hem, die geene bottel op zak heeft.—Ge spreekt goed, antwoordde Lamme, maar zoudt gij beter drinken?En hij langde hem de bottel.Uilenspiegel nam ze, dronk en gaf ze hem terug.—Ge moogt mij Maraan heeten, sprak hij, als er genoeg overbleef voor eene musch.Lamme bezag de bottel, zuchtte en nam uit zijne tassche een andere flesch en een stuk worst, dat hij in schijfjes sneed en weemoedig opat.Eet gij standvastig, Lamme? vroeg Uilenspiegel.—Veelal, mijn jongen, antwoordde Lamme, maar ’t is om mijne droeve gedachten te verjagen. Waar zijt gij, vrouwtje? weeklaagde hij, terwijl hij een traan uit het het oog wischte.En hij sneed tien schijfjes van de worst.—Lamme, sprak Uilenspiegel, eet niet zoo gulzig en zonder medelijden voor den armen pelgrim.Lamme reikte hem weenend vier schijfjes en Uilenspiegel zuchtte om den fijnen smaak.Maar steeds weenend en etend, sprak Lamme:Mijne vrouw, mijne goede vrouw, ze was zoo zoet en zoo goed gevormd van lichaam, licht als de vlinder, vlug als de bliksem, en zij zong als een leeuwerik! Maar toch hield zij te veel van schoone kleeren. Laas! zij hingen heur zoo goed! Immers, hebben de bloemen ook geen schitterenden dos? Zie, hadt gij heure handjes gezien, die tot streelen gemaaakt schenen, nooit hadt gij heur potten of pateelen laten aanraken. Het vuur van de keuken hadde heure hagelblanke tint verzengd. En die oogen! Ik moest ze maar bezien, en ik verging van liefde.—Drink een slok wijn, Thijl, ’k zal na u drinken.—Ha! waarom is zij niet dood! Ik deed alles in huis, om heur den minsten arbeid te sparen: ik veegde den vloer, maakte het huwelijksbed, in hetwelk zij zich ’s avonds behaaglijk uitstrekte, ik waschte de schotels, alsmede het linnen, hetwelk ik zelven ook streek.—Eet, Thijl, ’t is Gentsche worst.—Soms, als zij gaan wandelen was, kwam zij te laat naar huis voor het noenmaal, maar heur zien was zulk een groote vreugde voor mij, dat ik niet kijven dorst, hoogst gelukkig nog, als ze mij ’s nachts den rug niet toekeerde. Ik heb alles verloren.—Drink dien wijn, Thijl, ’t is Brusselsche wijn, bereid naar de wijze van Bourgondië.—En waarom liet zij u zitten? vroeg Uilenspiegel.—Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,—uit vreeze en uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en ’k kuste heure schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan gestoei en gejoel.—Thijl, is er nog wijn in die bottel?—Ja, sprak Uilenspiegel.En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).Lamme dronk en ging voort:—Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken ofop ’t voorhoofd, maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!—Thijl, zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?—Een half, antwoordde Uilenspiegel.Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.—Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan had.—Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien, zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?—Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.—Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?—Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte om het vertrek aan te kondigen.Maar de hond was—als hij goed zijne bekomst had—er stillekens van door gegaan.

Tweede Boek.I.Dien morgen, ’t was in Herfstmaand, nam Uilenspiegel zijnen stok, drie gulden die Katelijne hem gaf, eene snede brood met een stuk verkenslever, en hij vertrok naar Antwerpen, op zoek naar de Zeven. Nele sliep.Onderwege werd hij gevolgd door een hond, die op den reuk van de lever afkwam. Uilenspiegel wilde den hond wegjagen, maar deze bleef halstarrig meeloopen, waarop Uilenspiegel hem de volgende rede hield:—Hondje, mijn beestje, gij handelt verkeerd met uw huis te verlaten, alwaar goede porties, lekkere kliekjes, mergbeenderen u wachten, om op goed valle ’t uit een zwerver te volgen, wien het zelfs aan wortelen zal ontbreken om u toe te werpen. Geloof mij, onbezonnen hondje, keer terug naar uwen baas. Vermijd regen, sneeuw, hagel, mist, ijzel en andere liefelijkheden, die het lot van de zwervers zijn. Blijf u warmen in den hoek van den heerd bij het lustige vuur, en laat mij voortgaan in modder, in stof, in koude en hitte, heden gestoofd en morgen bevroren, des Vrijdags verzadigd en ’s Zondags verhongerd. Keer terug van waar gij komt, hondje van weinig ondervinding, en gij zult verstandig handelen.Het beest scheen Uilenspiegel maar niet te begrijpen. Het kwispelsteertte en sprong zoo hoog als het kon. Uilenspiegel meende dat het uit vriendschap was, maar vergat de lever, die in zijne tassche stak.Hij ging voort, de hond volgde. Als zij alzoo bijna een uur gegaan hadden, zagen zij op de baan eene kar, bespannen met een ezeltje, dat den kop liet hangen. Op den berm van den weg, tusschen twee distelstruiken, zat een man met in eene hand eenen hamelbout en in de andere eene bottel, waaraan hij zich goed deed. Als hij niet at of dronk, zuchtte en weeklaagde hij.Uilenspiegel stond stil, de hond insgelijks. Bout en lever riekend,beklom hij den berm. Daar ging hij nabij den man op zijn achterste zitten, krabde aan zijn wambuis, om beetjes te vragen, doch de man stiet hem terug met den elleboog, en zuchtte erbarmelijk met den bout omhoog. De hond jankte uit begeerlijkheid; en de ezel, grammoedig omdat hij, ingespannen, de distelen niet kon bereiken, begon te balken.—Wat is er, Jan? vroeg de man tot den ezel.—Niets, antwoordde Uilenspiegel, maar hij zou zich willen vergasten aan de distelen, die naast u groeien; en deze hond zou evenmin boos zijn, nadere kennis te maken met het been, dat gij in de hand hebt. In afwachting daarvan, kan hij beginnen met de lever, die ik hier heb.Toen de hond de lever binnen had, keek de man naar zijnen bout. Hij beet er het laatste vleesch af, gaf toen het been aan den hond, die er zijn pooten op stelde en het trachtte te kraken.Toen keek de man naar Uilenspiegel.Deze herkende Lamme Goedzak, van Damme.—Lamme, vroeg hij, waarom zit gij hier te eten, te drinken en te jammeren? Heeft een soldaat u misschien eene schudding gegeven?—Laas! mijne vrouw! sprak Lamme.Hij wilde zijne bottel wijn ledigen, maar Uilenspiegel hield hem tegen.—Drink zoo niet, sprak hij, al te haastig doet geen deugd aan de nieren. Beter zou het komen aan hem, die geene bottel op zak heeft.—Ge spreekt goed, antwoordde Lamme, maar zoudt gij beter drinken?En hij langde hem de bottel.Uilenspiegel nam ze, dronk en gaf ze hem terug.—Ge moogt mij Maraan heeten, sprak hij, als er genoeg overbleef voor eene musch.Lamme bezag de bottel, zuchtte en nam uit zijne tassche een andere flesch en een stuk worst, dat hij in schijfjes sneed en weemoedig opat.Eet gij standvastig, Lamme? vroeg Uilenspiegel.—Veelal, mijn jongen, antwoordde Lamme, maar ’t is om mijne droeve gedachten te verjagen. Waar zijt gij, vrouwtje? weeklaagde hij, terwijl hij een traan uit het het oog wischte.En hij sneed tien schijfjes van de worst.—Lamme, sprak Uilenspiegel, eet niet zoo gulzig en zonder medelijden voor den armen pelgrim.Lamme reikte hem weenend vier schijfjes en Uilenspiegel zuchtte om den fijnen smaak.Maar steeds weenend en etend, sprak Lamme:Mijne vrouw, mijne goede vrouw, ze was zoo zoet en zoo goed gevormd van lichaam, licht als de vlinder, vlug als de bliksem, en zij zong als een leeuwerik! Maar toch hield zij te veel van schoone kleeren. Laas! zij hingen heur zoo goed! Immers, hebben de bloemen ook geen schitterenden dos? Zie, hadt gij heure handjes gezien, die tot streelen gemaaakt schenen, nooit hadt gij heur potten of pateelen laten aanraken. Het vuur van de keuken hadde heure hagelblanke tint verzengd. En die oogen! Ik moest ze maar bezien, en ik verging van liefde.—Drink een slok wijn, Thijl, ’k zal na u drinken.—Ha! waarom is zij niet dood! Ik deed alles in huis, om heur den minsten arbeid te sparen: ik veegde den vloer, maakte het huwelijksbed, in hetwelk zij zich ’s avonds behaaglijk uitstrekte, ik waschte de schotels, alsmede het linnen, hetwelk ik zelven ook streek.—Eet, Thijl, ’t is Gentsche worst.—Soms, als zij gaan wandelen was, kwam zij te laat naar huis voor het noenmaal, maar heur zien was zulk een groote vreugde voor mij, dat ik niet kijven dorst, hoogst gelukkig nog, als ze mij ’s nachts den rug niet toekeerde. Ik heb alles verloren.—Drink dien wijn, Thijl, ’t is Brusselsche wijn, bereid naar de wijze van Bourgondië.—En waarom liet zij u zitten? vroeg Uilenspiegel.—Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,—uit vreeze en uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en ’k kuste heure schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan gestoei en gejoel.—Thijl, is er nog wijn in die bottel?—Ja, sprak Uilenspiegel.En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).Lamme dronk en ging voort:—Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken ofop ’t voorhoofd, maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!—Thijl, zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?—Een half, antwoordde Uilenspiegel.Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.—Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan had.—Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien, zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?—Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.—Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?—Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte om het vertrek aan te kondigen.Maar de hond was—als hij goed zijne bekomst had—er stillekens van door gegaan.

I.Dien morgen, ’t was in Herfstmaand, nam Uilenspiegel zijnen stok, drie gulden die Katelijne hem gaf, eene snede brood met een stuk verkenslever, en hij vertrok naar Antwerpen, op zoek naar de Zeven. Nele sliep.Onderwege werd hij gevolgd door een hond, die op den reuk van de lever afkwam. Uilenspiegel wilde den hond wegjagen, maar deze bleef halstarrig meeloopen, waarop Uilenspiegel hem de volgende rede hield:—Hondje, mijn beestje, gij handelt verkeerd met uw huis te verlaten, alwaar goede porties, lekkere kliekjes, mergbeenderen u wachten, om op goed valle ’t uit een zwerver te volgen, wien het zelfs aan wortelen zal ontbreken om u toe te werpen. Geloof mij, onbezonnen hondje, keer terug naar uwen baas. Vermijd regen, sneeuw, hagel, mist, ijzel en andere liefelijkheden, die het lot van de zwervers zijn. Blijf u warmen in den hoek van den heerd bij het lustige vuur, en laat mij voortgaan in modder, in stof, in koude en hitte, heden gestoofd en morgen bevroren, des Vrijdags verzadigd en ’s Zondags verhongerd. Keer terug van waar gij komt, hondje van weinig ondervinding, en gij zult verstandig handelen.Het beest scheen Uilenspiegel maar niet te begrijpen. Het kwispelsteertte en sprong zoo hoog als het kon. Uilenspiegel meende dat het uit vriendschap was, maar vergat de lever, die in zijne tassche stak.Hij ging voort, de hond volgde. Als zij alzoo bijna een uur gegaan hadden, zagen zij op de baan eene kar, bespannen met een ezeltje, dat den kop liet hangen. Op den berm van den weg, tusschen twee distelstruiken, zat een man met in eene hand eenen hamelbout en in de andere eene bottel, waaraan hij zich goed deed. Als hij niet at of dronk, zuchtte en weeklaagde hij.Uilenspiegel stond stil, de hond insgelijks. Bout en lever riekend,beklom hij den berm. Daar ging hij nabij den man op zijn achterste zitten, krabde aan zijn wambuis, om beetjes te vragen, doch de man stiet hem terug met den elleboog, en zuchtte erbarmelijk met den bout omhoog. De hond jankte uit begeerlijkheid; en de ezel, grammoedig omdat hij, ingespannen, de distelen niet kon bereiken, begon te balken.—Wat is er, Jan? vroeg de man tot den ezel.—Niets, antwoordde Uilenspiegel, maar hij zou zich willen vergasten aan de distelen, die naast u groeien; en deze hond zou evenmin boos zijn, nadere kennis te maken met het been, dat gij in de hand hebt. In afwachting daarvan, kan hij beginnen met de lever, die ik hier heb.Toen de hond de lever binnen had, keek de man naar zijnen bout. Hij beet er het laatste vleesch af, gaf toen het been aan den hond, die er zijn pooten op stelde en het trachtte te kraken.Toen keek de man naar Uilenspiegel.Deze herkende Lamme Goedzak, van Damme.—Lamme, vroeg hij, waarom zit gij hier te eten, te drinken en te jammeren? Heeft een soldaat u misschien eene schudding gegeven?—Laas! mijne vrouw! sprak Lamme.Hij wilde zijne bottel wijn ledigen, maar Uilenspiegel hield hem tegen.—Drink zoo niet, sprak hij, al te haastig doet geen deugd aan de nieren. Beter zou het komen aan hem, die geene bottel op zak heeft.—Ge spreekt goed, antwoordde Lamme, maar zoudt gij beter drinken?En hij langde hem de bottel.Uilenspiegel nam ze, dronk en gaf ze hem terug.—Ge moogt mij Maraan heeten, sprak hij, als er genoeg overbleef voor eene musch.Lamme bezag de bottel, zuchtte en nam uit zijne tassche een andere flesch en een stuk worst, dat hij in schijfjes sneed en weemoedig opat.Eet gij standvastig, Lamme? vroeg Uilenspiegel.—Veelal, mijn jongen, antwoordde Lamme, maar ’t is om mijne droeve gedachten te verjagen. Waar zijt gij, vrouwtje? weeklaagde hij, terwijl hij een traan uit het het oog wischte.En hij sneed tien schijfjes van de worst.—Lamme, sprak Uilenspiegel, eet niet zoo gulzig en zonder medelijden voor den armen pelgrim.Lamme reikte hem weenend vier schijfjes en Uilenspiegel zuchtte om den fijnen smaak.Maar steeds weenend en etend, sprak Lamme:Mijne vrouw, mijne goede vrouw, ze was zoo zoet en zoo goed gevormd van lichaam, licht als de vlinder, vlug als de bliksem, en zij zong als een leeuwerik! Maar toch hield zij te veel van schoone kleeren. Laas! zij hingen heur zoo goed! Immers, hebben de bloemen ook geen schitterenden dos? Zie, hadt gij heure handjes gezien, die tot streelen gemaaakt schenen, nooit hadt gij heur potten of pateelen laten aanraken. Het vuur van de keuken hadde heure hagelblanke tint verzengd. En die oogen! Ik moest ze maar bezien, en ik verging van liefde.—Drink een slok wijn, Thijl, ’k zal na u drinken.—Ha! waarom is zij niet dood! Ik deed alles in huis, om heur den minsten arbeid te sparen: ik veegde den vloer, maakte het huwelijksbed, in hetwelk zij zich ’s avonds behaaglijk uitstrekte, ik waschte de schotels, alsmede het linnen, hetwelk ik zelven ook streek.—Eet, Thijl, ’t is Gentsche worst.—Soms, als zij gaan wandelen was, kwam zij te laat naar huis voor het noenmaal, maar heur zien was zulk een groote vreugde voor mij, dat ik niet kijven dorst, hoogst gelukkig nog, als ze mij ’s nachts den rug niet toekeerde. Ik heb alles verloren.—Drink dien wijn, Thijl, ’t is Brusselsche wijn, bereid naar de wijze van Bourgondië.—En waarom liet zij u zitten? vroeg Uilenspiegel.—Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,—uit vreeze en uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en ’k kuste heure schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan gestoei en gejoel.—Thijl, is er nog wijn in die bottel?—Ja, sprak Uilenspiegel.En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).Lamme dronk en ging voort:—Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken ofop ’t voorhoofd, maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!—Thijl, zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?—Een half, antwoordde Uilenspiegel.Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.—Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan had.—Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien, zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?—Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.—Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?—Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte om het vertrek aan te kondigen.Maar de hond was—als hij goed zijne bekomst had—er stillekens van door gegaan.

I.

Dien morgen, ’t was in Herfstmaand, nam Uilenspiegel zijnen stok, drie gulden die Katelijne hem gaf, eene snede brood met een stuk verkenslever, en hij vertrok naar Antwerpen, op zoek naar de Zeven. Nele sliep.Onderwege werd hij gevolgd door een hond, die op den reuk van de lever afkwam. Uilenspiegel wilde den hond wegjagen, maar deze bleef halstarrig meeloopen, waarop Uilenspiegel hem de volgende rede hield:—Hondje, mijn beestje, gij handelt verkeerd met uw huis te verlaten, alwaar goede porties, lekkere kliekjes, mergbeenderen u wachten, om op goed valle ’t uit een zwerver te volgen, wien het zelfs aan wortelen zal ontbreken om u toe te werpen. Geloof mij, onbezonnen hondje, keer terug naar uwen baas. Vermijd regen, sneeuw, hagel, mist, ijzel en andere liefelijkheden, die het lot van de zwervers zijn. Blijf u warmen in den hoek van den heerd bij het lustige vuur, en laat mij voortgaan in modder, in stof, in koude en hitte, heden gestoofd en morgen bevroren, des Vrijdags verzadigd en ’s Zondags verhongerd. Keer terug van waar gij komt, hondje van weinig ondervinding, en gij zult verstandig handelen.Het beest scheen Uilenspiegel maar niet te begrijpen. Het kwispelsteertte en sprong zoo hoog als het kon. Uilenspiegel meende dat het uit vriendschap was, maar vergat de lever, die in zijne tassche stak.Hij ging voort, de hond volgde. Als zij alzoo bijna een uur gegaan hadden, zagen zij op de baan eene kar, bespannen met een ezeltje, dat den kop liet hangen. Op den berm van den weg, tusschen twee distelstruiken, zat een man met in eene hand eenen hamelbout en in de andere eene bottel, waaraan hij zich goed deed. Als hij niet at of dronk, zuchtte en weeklaagde hij.Uilenspiegel stond stil, de hond insgelijks. Bout en lever riekend,beklom hij den berm. Daar ging hij nabij den man op zijn achterste zitten, krabde aan zijn wambuis, om beetjes te vragen, doch de man stiet hem terug met den elleboog, en zuchtte erbarmelijk met den bout omhoog. De hond jankte uit begeerlijkheid; en de ezel, grammoedig omdat hij, ingespannen, de distelen niet kon bereiken, begon te balken.—Wat is er, Jan? vroeg de man tot den ezel.—Niets, antwoordde Uilenspiegel, maar hij zou zich willen vergasten aan de distelen, die naast u groeien; en deze hond zou evenmin boos zijn, nadere kennis te maken met het been, dat gij in de hand hebt. In afwachting daarvan, kan hij beginnen met de lever, die ik hier heb.Toen de hond de lever binnen had, keek de man naar zijnen bout. Hij beet er het laatste vleesch af, gaf toen het been aan den hond, die er zijn pooten op stelde en het trachtte te kraken.Toen keek de man naar Uilenspiegel.Deze herkende Lamme Goedzak, van Damme.—Lamme, vroeg hij, waarom zit gij hier te eten, te drinken en te jammeren? Heeft een soldaat u misschien eene schudding gegeven?—Laas! mijne vrouw! sprak Lamme.Hij wilde zijne bottel wijn ledigen, maar Uilenspiegel hield hem tegen.—Drink zoo niet, sprak hij, al te haastig doet geen deugd aan de nieren. Beter zou het komen aan hem, die geene bottel op zak heeft.—Ge spreekt goed, antwoordde Lamme, maar zoudt gij beter drinken?En hij langde hem de bottel.Uilenspiegel nam ze, dronk en gaf ze hem terug.—Ge moogt mij Maraan heeten, sprak hij, als er genoeg overbleef voor eene musch.Lamme bezag de bottel, zuchtte en nam uit zijne tassche een andere flesch en een stuk worst, dat hij in schijfjes sneed en weemoedig opat.Eet gij standvastig, Lamme? vroeg Uilenspiegel.—Veelal, mijn jongen, antwoordde Lamme, maar ’t is om mijne droeve gedachten te verjagen. Waar zijt gij, vrouwtje? weeklaagde hij, terwijl hij een traan uit het het oog wischte.En hij sneed tien schijfjes van de worst.—Lamme, sprak Uilenspiegel, eet niet zoo gulzig en zonder medelijden voor den armen pelgrim.Lamme reikte hem weenend vier schijfjes en Uilenspiegel zuchtte om den fijnen smaak.Maar steeds weenend en etend, sprak Lamme:Mijne vrouw, mijne goede vrouw, ze was zoo zoet en zoo goed gevormd van lichaam, licht als de vlinder, vlug als de bliksem, en zij zong als een leeuwerik! Maar toch hield zij te veel van schoone kleeren. Laas! zij hingen heur zoo goed! Immers, hebben de bloemen ook geen schitterenden dos? Zie, hadt gij heure handjes gezien, die tot streelen gemaaakt schenen, nooit hadt gij heur potten of pateelen laten aanraken. Het vuur van de keuken hadde heure hagelblanke tint verzengd. En die oogen! Ik moest ze maar bezien, en ik verging van liefde.—Drink een slok wijn, Thijl, ’k zal na u drinken.—Ha! waarom is zij niet dood! Ik deed alles in huis, om heur den minsten arbeid te sparen: ik veegde den vloer, maakte het huwelijksbed, in hetwelk zij zich ’s avonds behaaglijk uitstrekte, ik waschte de schotels, alsmede het linnen, hetwelk ik zelven ook streek.—Eet, Thijl, ’t is Gentsche worst.—Soms, als zij gaan wandelen was, kwam zij te laat naar huis voor het noenmaal, maar heur zien was zulk een groote vreugde voor mij, dat ik niet kijven dorst, hoogst gelukkig nog, als ze mij ’s nachts den rug niet toekeerde. Ik heb alles verloren.—Drink dien wijn, Thijl, ’t is Brusselsche wijn, bereid naar de wijze van Bourgondië.—En waarom liet zij u zitten? vroeg Uilenspiegel.—Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,—uit vreeze en uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en ’k kuste heure schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan gestoei en gejoel.—Thijl, is er nog wijn in die bottel?—Ja, sprak Uilenspiegel.En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).Lamme dronk en ging voort:—Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken ofop ’t voorhoofd, maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!—Thijl, zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?—Een half, antwoordde Uilenspiegel.Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.—Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan had.—Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien, zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?—Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.—Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?—Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte om het vertrek aan te kondigen.Maar de hond was—als hij goed zijne bekomst had—er stillekens van door gegaan.

Dien morgen, ’t was in Herfstmaand, nam Uilenspiegel zijnen stok, drie gulden die Katelijne hem gaf, eene snede brood met een stuk verkenslever, en hij vertrok naar Antwerpen, op zoek naar de Zeven. Nele sliep.

Onderwege werd hij gevolgd door een hond, die op den reuk van de lever afkwam. Uilenspiegel wilde den hond wegjagen, maar deze bleef halstarrig meeloopen, waarop Uilenspiegel hem de volgende rede hield:

—Hondje, mijn beestje, gij handelt verkeerd met uw huis te verlaten, alwaar goede porties, lekkere kliekjes, mergbeenderen u wachten, om op goed valle ’t uit een zwerver te volgen, wien het zelfs aan wortelen zal ontbreken om u toe te werpen. Geloof mij, onbezonnen hondje, keer terug naar uwen baas. Vermijd regen, sneeuw, hagel, mist, ijzel en andere liefelijkheden, die het lot van de zwervers zijn. Blijf u warmen in den hoek van den heerd bij het lustige vuur, en laat mij voortgaan in modder, in stof, in koude en hitte, heden gestoofd en morgen bevroren, des Vrijdags verzadigd en ’s Zondags verhongerd. Keer terug van waar gij komt, hondje van weinig ondervinding, en gij zult verstandig handelen.

Het beest scheen Uilenspiegel maar niet te begrijpen. Het kwispelsteertte en sprong zoo hoog als het kon. Uilenspiegel meende dat het uit vriendschap was, maar vergat de lever, die in zijne tassche stak.

Hij ging voort, de hond volgde. Als zij alzoo bijna een uur gegaan hadden, zagen zij op de baan eene kar, bespannen met een ezeltje, dat den kop liet hangen. Op den berm van den weg, tusschen twee distelstruiken, zat een man met in eene hand eenen hamelbout en in de andere eene bottel, waaraan hij zich goed deed. Als hij niet at of dronk, zuchtte en weeklaagde hij.

Uilenspiegel stond stil, de hond insgelijks. Bout en lever riekend,beklom hij den berm. Daar ging hij nabij den man op zijn achterste zitten, krabde aan zijn wambuis, om beetjes te vragen, doch de man stiet hem terug met den elleboog, en zuchtte erbarmelijk met den bout omhoog. De hond jankte uit begeerlijkheid; en de ezel, grammoedig omdat hij, ingespannen, de distelen niet kon bereiken, begon te balken.

—Wat is er, Jan? vroeg de man tot den ezel.

—Niets, antwoordde Uilenspiegel, maar hij zou zich willen vergasten aan de distelen, die naast u groeien; en deze hond zou evenmin boos zijn, nadere kennis te maken met het been, dat gij in de hand hebt. In afwachting daarvan, kan hij beginnen met de lever, die ik hier heb.

Toen de hond de lever binnen had, keek de man naar zijnen bout. Hij beet er het laatste vleesch af, gaf toen het been aan den hond, die er zijn pooten op stelde en het trachtte te kraken.

Toen keek de man naar Uilenspiegel.

Deze herkende Lamme Goedzak, van Damme.

—Lamme, vroeg hij, waarom zit gij hier te eten, te drinken en te jammeren? Heeft een soldaat u misschien eene schudding gegeven?

—Laas! mijne vrouw! sprak Lamme.

Hij wilde zijne bottel wijn ledigen, maar Uilenspiegel hield hem tegen.

—Drink zoo niet, sprak hij, al te haastig doet geen deugd aan de nieren. Beter zou het komen aan hem, die geene bottel op zak heeft.

—Ge spreekt goed, antwoordde Lamme, maar zoudt gij beter drinken?

En hij langde hem de bottel.

Uilenspiegel nam ze, dronk en gaf ze hem terug.

—Ge moogt mij Maraan heeten, sprak hij, als er genoeg overbleef voor eene musch.

Lamme bezag de bottel, zuchtte en nam uit zijne tassche een andere flesch en een stuk worst, dat hij in schijfjes sneed en weemoedig opat.

Eet gij standvastig, Lamme? vroeg Uilenspiegel.

—Veelal, mijn jongen, antwoordde Lamme, maar ’t is om mijne droeve gedachten te verjagen. Waar zijt gij, vrouwtje? weeklaagde hij, terwijl hij een traan uit het het oog wischte.

En hij sneed tien schijfjes van de worst.

—Lamme, sprak Uilenspiegel, eet niet zoo gulzig en zonder medelijden voor den armen pelgrim.

Lamme reikte hem weenend vier schijfjes en Uilenspiegel zuchtte om den fijnen smaak.

Maar steeds weenend en etend, sprak Lamme:

Mijne vrouw, mijne goede vrouw, ze was zoo zoet en zoo goed gevormd van lichaam, licht als de vlinder, vlug als de bliksem, en zij zong als een leeuwerik! Maar toch hield zij te veel van schoone kleeren. Laas! zij hingen heur zoo goed! Immers, hebben de bloemen ook geen schitterenden dos? Zie, hadt gij heure handjes gezien, die tot streelen gemaaakt schenen, nooit hadt gij heur potten of pateelen laten aanraken. Het vuur van de keuken hadde heure hagelblanke tint verzengd. En die oogen! Ik moest ze maar bezien, en ik verging van liefde.—Drink een slok wijn, Thijl, ’k zal na u drinken.—Ha! waarom is zij niet dood! Ik deed alles in huis, om heur den minsten arbeid te sparen: ik veegde den vloer, maakte het huwelijksbed, in hetwelk zij zich ’s avonds behaaglijk uitstrekte, ik waschte de schotels, alsmede het linnen, hetwelk ik zelven ook streek.—Eet, Thijl, ’t is Gentsche worst.—Soms, als zij gaan wandelen was, kwam zij te laat naar huis voor het noenmaal, maar heur zien was zulk een groote vreugde voor mij, dat ik niet kijven dorst, hoogst gelukkig nog, als ze mij ’s nachts den rug niet toekeerde. Ik heb alles verloren.—Drink dien wijn, Thijl, ’t is Brusselsche wijn, bereid naar de wijze van Bourgondië.

—En waarom liet zij u zitten? vroeg Uilenspiegel.

—Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,—uit vreeze en uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en ’k kuste heure schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan gestoei en gejoel.—Thijl, is er nog wijn in die bottel?

—Ja, sprak Uilenspiegel.

En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).

En zij zagen vrouwen, meidekens en knapen met bloemen getooid. (Blz. 199).

Lamme dronk en ging voort:

—Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken ofop ’t voorhoofd, maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!—Thijl, zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?

—Een half, antwoordde Uilenspiegel.

Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.

—Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan had.

—Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien, zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?

—Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.

—Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?

—Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.

En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte om het vertrek aan te kondigen.

Maar de hond was—als hij goed zijne bekomst had—er stillekens van door gegaan.


Back to IndexNext