VII.Op een morgen zei Uilenspiegel tot Lamme:—Kom mede: wij gaan een grooten, edelen, machtigen, geduchten heere groeten.—Zal hij mij zeggen waar mijne vrouw is? vroeg Lamme?—Als hij het weet, antwoordde Uilenspiegel.En zij gingen bij Brederode, den machtigen drinker.Hij was in het binnenhof van zijn paleis.—Wat wilt gij? vroeg hij tot Uilenspiegel.—U spreken heer! antwoordde Uilenspiegel.—Spreek, zegde Brederode.—Gij zijt, sprak Uilenspiegel, een schoon, dapper en krachtig man. Eens hebt gij een Franschman in zijn harnas versmacht,als eene mossel in hare schelp; doch zijt gij sterk en dapper, gij zijt mede verstandig. Waarom dan draagt gij dien penning, waarop te lezen staat: „Den koning getrouw tot den bedelzak”?—Ja, heer, waarom? vroeg Lamme.Doch Brederode antwoordde niet en keek Uilenspiegel scherp in de oogen. Deze ging voort:—Waarom wilt gij, edele heeren, den koning getrouw tot den bedelzak blijven? Is ’t voor het goede, dat hij u gunt, of de vriendschap, die hij u toedraagt? Waarom, in stee van hem getrouw te zijn tot den bedelzak, verlost gij niet liever onze landen van dien beul, die met volle gerechtigheid zelf den bedelzak diende te dragen?En Lamme knikte, tot teeken dat hij daarmede instemde.Brederode bezag Uilenspiegel met zijn levendigen blik, lachte en sprak:—Als gij geen spion van koning Philippus zijt, zijt gij een goed Vlaming, en ik ga u loonen voor de beide gevallen.Hij bracht hem naar de keuken en Lamme volgde hem. Daar trok hij hem tot bloedens bij de ooren.—Dit is voor den spion, sprak Brederode.Uilenspiegel schreeuwde niet.—Breng, zegde hij tot zijn bottelier, breng hier dien moor met kaneel-wijn.De bottelier bracht den moor en een grooten beker warmen, geurigen wijn.—Drink, sprak Brederode tot Uilenspiegel, dit is voor den goeden Vlaming.—Ha! sprak Uilenspiegel, wat schoone tale spreekt die wijn met kaneel; zoo spreken de santen zeker in het hemelrijk niet!Als hij de helft van den wijn uitgedronken had, gaf hij de rest aan Lamme.—Wie is die papzak daar, vroeg Brederode, die beloond wordt om niets te doen?—’t Is mijn vriend Lamme, antwoordde Uilenspiegel, telkens dat hij warmen wijn drinkt, verbeeldt hij zich, dat hij zijne vrouw gaat terugvinden.—Ja! sprak Lamme, den beker devotelijk ledigend.—Waar gaat gij nu? vroeg Brederode.—Wij gaan, antwoordde Uilenspiegel, op zoek naar de Zeven, die Vlaanderenland moeten verlossen.—Welke Zeven? vroeg Brederode.Als ik ze gevonden heb, zal ik u zeggen wie ze zijn, antwoordde Uilenspiegel.Maar Lamme, dien de wijn vroolijk gemaakt had, vroeg:—Thijl, als wij eens in de maan naar mijne vrouw gingen zoeken?—Waar is de ladder? vroeg Uilenspiegel.In Mei, de groote Bloeimaand, sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Daar is de schoone Bloeimaand, de heldere, blauwe hemel! De takken der boomen zien rood van levenssap, de grond baart welige groeikracht. Dat is het oogenblik om te hangen en te branden voor het geloof. Daar zijn zij, de goede ketterjagers. Wat edele gezichten! Zij hebben het vermogen een iegelijk te straffen, te tuchtigen, af te zetten, aan de wereldlijke rechters over te leveren, en ook hun eigen gevangenis te hebben.—Ha! wat een schoone Bloeimaand!—in hechtenis nemen, in rechte vervolgen zonder vorm van proces, branden, hangen, onthalzen en vrouwen en meidekens voorbarig begraven. De vinken slaan in de boomen. De goede kettermeesters houden de rijken in ’t oog. En de koning zal erven. Gaat, meidekens, gaat dansen in de beemden, bij geschal van pijpen en schalmeien. Ho! de schoone Bloeimaand.De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.—Laat ons gaan, sprak hij tot Lamme. Gelukkig zij, die het hert hoog en het zweerd gereed houden in de sombere dagen, die op handen zijn.
VII.Op een morgen zei Uilenspiegel tot Lamme:—Kom mede: wij gaan een grooten, edelen, machtigen, geduchten heere groeten.—Zal hij mij zeggen waar mijne vrouw is? vroeg Lamme?—Als hij het weet, antwoordde Uilenspiegel.En zij gingen bij Brederode, den machtigen drinker.Hij was in het binnenhof van zijn paleis.—Wat wilt gij? vroeg hij tot Uilenspiegel.—U spreken heer! antwoordde Uilenspiegel.—Spreek, zegde Brederode.—Gij zijt, sprak Uilenspiegel, een schoon, dapper en krachtig man. Eens hebt gij een Franschman in zijn harnas versmacht,als eene mossel in hare schelp; doch zijt gij sterk en dapper, gij zijt mede verstandig. Waarom dan draagt gij dien penning, waarop te lezen staat: „Den koning getrouw tot den bedelzak”?—Ja, heer, waarom? vroeg Lamme.Doch Brederode antwoordde niet en keek Uilenspiegel scherp in de oogen. Deze ging voort:—Waarom wilt gij, edele heeren, den koning getrouw tot den bedelzak blijven? Is ’t voor het goede, dat hij u gunt, of de vriendschap, die hij u toedraagt? Waarom, in stee van hem getrouw te zijn tot den bedelzak, verlost gij niet liever onze landen van dien beul, die met volle gerechtigheid zelf den bedelzak diende te dragen?En Lamme knikte, tot teeken dat hij daarmede instemde.Brederode bezag Uilenspiegel met zijn levendigen blik, lachte en sprak:—Als gij geen spion van koning Philippus zijt, zijt gij een goed Vlaming, en ik ga u loonen voor de beide gevallen.Hij bracht hem naar de keuken en Lamme volgde hem. Daar trok hij hem tot bloedens bij de ooren.—Dit is voor den spion, sprak Brederode.Uilenspiegel schreeuwde niet.—Breng, zegde hij tot zijn bottelier, breng hier dien moor met kaneel-wijn.De bottelier bracht den moor en een grooten beker warmen, geurigen wijn.—Drink, sprak Brederode tot Uilenspiegel, dit is voor den goeden Vlaming.—Ha! sprak Uilenspiegel, wat schoone tale spreekt die wijn met kaneel; zoo spreken de santen zeker in het hemelrijk niet!Als hij de helft van den wijn uitgedronken had, gaf hij de rest aan Lamme.—Wie is die papzak daar, vroeg Brederode, die beloond wordt om niets te doen?—’t Is mijn vriend Lamme, antwoordde Uilenspiegel, telkens dat hij warmen wijn drinkt, verbeeldt hij zich, dat hij zijne vrouw gaat terugvinden.—Ja! sprak Lamme, den beker devotelijk ledigend.—Waar gaat gij nu? vroeg Brederode.—Wij gaan, antwoordde Uilenspiegel, op zoek naar de Zeven, die Vlaanderenland moeten verlossen.—Welke Zeven? vroeg Brederode.Als ik ze gevonden heb, zal ik u zeggen wie ze zijn, antwoordde Uilenspiegel.Maar Lamme, dien de wijn vroolijk gemaakt had, vroeg:—Thijl, als wij eens in de maan naar mijne vrouw gingen zoeken?—Waar is de ladder? vroeg Uilenspiegel.In Mei, de groote Bloeimaand, sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Daar is de schoone Bloeimaand, de heldere, blauwe hemel! De takken der boomen zien rood van levenssap, de grond baart welige groeikracht. Dat is het oogenblik om te hangen en te branden voor het geloof. Daar zijn zij, de goede ketterjagers. Wat edele gezichten! Zij hebben het vermogen een iegelijk te straffen, te tuchtigen, af te zetten, aan de wereldlijke rechters over te leveren, en ook hun eigen gevangenis te hebben.—Ha! wat een schoone Bloeimaand!—in hechtenis nemen, in rechte vervolgen zonder vorm van proces, branden, hangen, onthalzen en vrouwen en meidekens voorbarig begraven. De vinken slaan in de boomen. De goede kettermeesters houden de rijken in ’t oog. En de koning zal erven. Gaat, meidekens, gaat dansen in de beemden, bij geschal van pijpen en schalmeien. Ho! de schoone Bloeimaand.De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.—Laat ons gaan, sprak hij tot Lamme. Gelukkig zij, die het hert hoog en het zweerd gereed houden in de sombere dagen, die op handen zijn.
VII.Op een morgen zei Uilenspiegel tot Lamme:—Kom mede: wij gaan een grooten, edelen, machtigen, geduchten heere groeten.—Zal hij mij zeggen waar mijne vrouw is? vroeg Lamme?—Als hij het weet, antwoordde Uilenspiegel.En zij gingen bij Brederode, den machtigen drinker.Hij was in het binnenhof van zijn paleis.—Wat wilt gij? vroeg hij tot Uilenspiegel.—U spreken heer! antwoordde Uilenspiegel.—Spreek, zegde Brederode.—Gij zijt, sprak Uilenspiegel, een schoon, dapper en krachtig man. Eens hebt gij een Franschman in zijn harnas versmacht,als eene mossel in hare schelp; doch zijt gij sterk en dapper, gij zijt mede verstandig. Waarom dan draagt gij dien penning, waarop te lezen staat: „Den koning getrouw tot den bedelzak”?—Ja, heer, waarom? vroeg Lamme.Doch Brederode antwoordde niet en keek Uilenspiegel scherp in de oogen. Deze ging voort:—Waarom wilt gij, edele heeren, den koning getrouw tot den bedelzak blijven? Is ’t voor het goede, dat hij u gunt, of de vriendschap, die hij u toedraagt? Waarom, in stee van hem getrouw te zijn tot den bedelzak, verlost gij niet liever onze landen van dien beul, die met volle gerechtigheid zelf den bedelzak diende te dragen?En Lamme knikte, tot teeken dat hij daarmede instemde.Brederode bezag Uilenspiegel met zijn levendigen blik, lachte en sprak:—Als gij geen spion van koning Philippus zijt, zijt gij een goed Vlaming, en ik ga u loonen voor de beide gevallen.Hij bracht hem naar de keuken en Lamme volgde hem. Daar trok hij hem tot bloedens bij de ooren.—Dit is voor den spion, sprak Brederode.Uilenspiegel schreeuwde niet.—Breng, zegde hij tot zijn bottelier, breng hier dien moor met kaneel-wijn.De bottelier bracht den moor en een grooten beker warmen, geurigen wijn.—Drink, sprak Brederode tot Uilenspiegel, dit is voor den goeden Vlaming.—Ha! sprak Uilenspiegel, wat schoone tale spreekt die wijn met kaneel; zoo spreken de santen zeker in het hemelrijk niet!Als hij de helft van den wijn uitgedronken had, gaf hij de rest aan Lamme.—Wie is die papzak daar, vroeg Brederode, die beloond wordt om niets te doen?—’t Is mijn vriend Lamme, antwoordde Uilenspiegel, telkens dat hij warmen wijn drinkt, verbeeldt hij zich, dat hij zijne vrouw gaat terugvinden.—Ja! sprak Lamme, den beker devotelijk ledigend.—Waar gaat gij nu? vroeg Brederode.—Wij gaan, antwoordde Uilenspiegel, op zoek naar de Zeven, die Vlaanderenland moeten verlossen.—Welke Zeven? vroeg Brederode.Als ik ze gevonden heb, zal ik u zeggen wie ze zijn, antwoordde Uilenspiegel.Maar Lamme, dien de wijn vroolijk gemaakt had, vroeg:—Thijl, als wij eens in de maan naar mijne vrouw gingen zoeken?—Waar is de ladder? vroeg Uilenspiegel.In Mei, de groote Bloeimaand, sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Daar is de schoone Bloeimaand, de heldere, blauwe hemel! De takken der boomen zien rood van levenssap, de grond baart welige groeikracht. Dat is het oogenblik om te hangen en te branden voor het geloof. Daar zijn zij, de goede ketterjagers. Wat edele gezichten! Zij hebben het vermogen een iegelijk te straffen, te tuchtigen, af te zetten, aan de wereldlijke rechters over te leveren, en ook hun eigen gevangenis te hebben.—Ha! wat een schoone Bloeimaand!—in hechtenis nemen, in rechte vervolgen zonder vorm van proces, branden, hangen, onthalzen en vrouwen en meidekens voorbarig begraven. De vinken slaan in de boomen. De goede kettermeesters houden de rijken in ’t oog. En de koning zal erven. Gaat, meidekens, gaat dansen in de beemden, bij geschal van pijpen en schalmeien. Ho! de schoone Bloeimaand.De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.—Laat ons gaan, sprak hij tot Lamme. Gelukkig zij, die het hert hoog en het zweerd gereed houden in de sombere dagen, die op handen zijn.
VII.
Op een morgen zei Uilenspiegel tot Lamme:—Kom mede: wij gaan een grooten, edelen, machtigen, geduchten heere groeten.—Zal hij mij zeggen waar mijne vrouw is? vroeg Lamme?—Als hij het weet, antwoordde Uilenspiegel.En zij gingen bij Brederode, den machtigen drinker.Hij was in het binnenhof van zijn paleis.—Wat wilt gij? vroeg hij tot Uilenspiegel.—U spreken heer! antwoordde Uilenspiegel.—Spreek, zegde Brederode.—Gij zijt, sprak Uilenspiegel, een schoon, dapper en krachtig man. Eens hebt gij een Franschman in zijn harnas versmacht,als eene mossel in hare schelp; doch zijt gij sterk en dapper, gij zijt mede verstandig. Waarom dan draagt gij dien penning, waarop te lezen staat: „Den koning getrouw tot den bedelzak”?—Ja, heer, waarom? vroeg Lamme.Doch Brederode antwoordde niet en keek Uilenspiegel scherp in de oogen. Deze ging voort:—Waarom wilt gij, edele heeren, den koning getrouw tot den bedelzak blijven? Is ’t voor het goede, dat hij u gunt, of de vriendschap, die hij u toedraagt? Waarom, in stee van hem getrouw te zijn tot den bedelzak, verlost gij niet liever onze landen van dien beul, die met volle gerechtigheid zelf den bedelzak diende te dragen?En Lamme knikte, tot teeken dat hij daarmede instemde.Brederode bezag Uilenspiegel met zijn levendigen blik, lachte en sprak:—Als gij geen spion van koning Philippus zijt, zijt gij een goed Vlaming, en ik ga u loonen voor de beide gevallen.Hij bracht hem naar de keuken en Lamme volgde hem. Daar trok hij hem tot bloedens bij de ooren.—Dit is voor den spion, sprak Brederode.Uilenspiegel schreeuwde niet.—Breng, zegde hij tot zijn bottelier, breng hier dien moor met kaneel-wijn.De bottelier bracht den moor en een grooten beker warmen, geurigen wijn.—Drink, sprak Brederode tot Uilenspiegel, dit is voor den goeden Vlaming.—Ha! sprak Uilenspiegel, wat schoone tale spreekt die wijn met kaneel; zoo spreken de santen zeker in het hemelrijk niet!Als hij de helft van den wijn uitgedronken had, gaf hij de rest aan Lamme.—Wie is die papzak daar, vroeg Brederode, die beloond wordt om niets te doen?—’t Is mijn vriend Lamme, antwoordde Uilenspiegel, telkens dat hij warmen wijn drinkt, verbeeldt hij zich, dat hij zijne vrouw gaat terugvinden.—Ja! sprak Lamme, den beker devotelijk ledigend.—Waar gaat gij nu? vroeg Brederode.—Wij gaan, antwoordde Uilenspiegel, op zoek naar de Zeven, die Vlaanderenland moeten verlossen.—Welke Zeven? vroeg Brederode.Als ik ze gevonden heb, zal ik u zeggen wie ze zijn, antwoordde Uilenspiegel.Maar Lamme, dien de wijn vroolijk gemaakt had, vroeg:—Thijl, als wij eens in de maan naar mijne vrouw gingen zoeken?—Waar is de ladder? vroeg Uilenspiegel.In Mei, de groote Bloeimaand, sprak Uilenspiegel tot Lamme:—Daar is de schoone Bloeimaand, de heldere, blauwe hemel! De takken der boomen zien rood van levenssap, de grond baart welige groeikracht. Dat is het oogenblik om te hangen en te branden voor het geloof. Daar zijn zij, de goede ketterjagers. Wat edele gezichten! Zij hebben het vermogen een iegelijk te straffen, te tuchtigen, af te zetten, aan de wereldlijke rechters over te leveren, en ook hun eigen gevangenis te hebben.—Ha! wat een schoone Bloeimaand!—in hechtenis nemen, in rechte vervolgen zonder vorm van proces, branden, hangen, onthalzen en vrouwen en meidekens voorbarig begraven. De vinken slaan in de boomen. De goede kettermeesters houden de rijken in ’t oog. En de koning zal erven. Gaat, meidekens, gaat dansen in de beemden, bij geschal van pijpen en schalmeien. Ho! de schoone Bloeimaand.De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.—Laat ons gaan, sprak hij tot Lamme. Gelukkig zij, die het hert hoog en het zweerd gereed houden in de sombere dagen, die op handen zijn.
Op een morgen zei Uilenspiegel tot Lamme:
—Kom mede: wij gaan een grooten, edelen, machtigen, geduchten heere groeten.
—Zal hij mij zeggen waar mijne vrouw is? vroeg Lamme?
—Als hij het weet, antwoordde Uilenspiegel.
En zij gingen bij Brederode, den machtigen drinker.
Hij was in het binnenhof van zijn paleis.
—Wat wilt gij? vroeg hij tot Uilenspiegel.
—U spreken heer! antwoordde Uilenspiegel.
—Spreek, zegde Brederode.
—Gij zijt, sprak Uilenspiegel, een schoon, dapper en krachtig man. Eens hebt gij een Franschman in zijn harnas versmacht,als eene mossel in hare schelp; doch zijt gij sterk en dapper, gij zijt mede verstandig. Waarom dan draagt gij dien penning, waarop te lezen staat: „Den koning getrouw tot den bedelzak”?
—Ja, heer, waarom? vroeg Lamme.
Doch Brederode antwoordde niet en keek Uilenspiegel scherp in de oogen. Deze ging voort:
—Waarom wilt gij, edele heeren, den koning getrouw tot den bedelzak blijven? Is ’t voor het goede, dat hij u gunt, of de vriendschap, die hij u toedraagt? Waarom, in stee van hem getrouw te zijn tot den bedelzak, verlost gij niet liever onze landen van dien beul, die met volle gerechtigheid zelf den bedelzak diende te dragen?
En Lamme knikte, tot teeken dat hij daarmede instemde.
Brederode bezag Uilenspiegel met zijn levendigen blik, lachte en sprak:
—Als gij geen spion van koning Philippus zijt, zijt gij een goed Vlaming, en ik ga u loonen voor de beide gevallen.
Hij bracht hem naar de keuken en Lamme volgde hem. Daar trok hij hem tot bloedens bij de ooren.
—Dit is voor den spion, sprak Brederode.
Uilenspiegel schreeuwde niet.
—Breng, zegde hij tot zijn bottelier, breng hier dien moor met kaneel-wijn.
De bottelier bracht den moor en een grooten beker warmen, geurigen wijn.
—Drink, sprak Brederode tot Uilenspiegel, dit is voor den goeden Vlaming.
—Ha! sprak Uilenspiegel, wat schoone tale spreekt die wijn met kaneel; zoo spreken de santen zeker in het hemelrijk niet!
Als hij de helft van den wijn uitgedronken had, gaf hij de rest aan Lamme.
—Wie is die papzak daar, vroeg Brederode, die beloond wordt om niets te doen?
—’t Is mijn vriend Lamme, antwoordde Uilenspiegel, telkens dat hij warmen wijn drinkt, verbeeldt hij zich, dat hij zijne vrouw gaat terugvinden.
—Ja! sprak Lamme, den beker devotelijk ledigend.
—Waar gaat gij nu? vroeg Brederode.
—Wij gaan, antwoordde Uilenspiegel, op zoek naar de Zeven, die Vlaanderenland moeten verlossen.
—Welke Zeven? vroeg Brederode.
Als ik ze gevonden heb, zal ik u zeggen wie ze zijn, antwoordde Uilenspiegel.
Maar Lamme, dien de wijn vroolijk gemaakt had, vroeg:
—Thijl, als wij eens in de maan naar mijne vrouw gingen zoeken?
—Waar is de ladder? vroeg Uilenspiegel.
In Mei, de groote Bloeimaand, sprak Uilenspiegel tot Lamme:
—Daar is de schoone Bloeimaand, de heldere, blauwe hemel! De takken der boomen zien rood van levenssap, de grond baart welige groeikracht. Dat is het oogenblik om te hangen en te branden voor het geloof. Daar zijn zij, de goede ketterjagers. Wat edele gezichten! Zij hebben het vermogen een iegelijk te straffen, te tuchtigen, af te zetten, aan de wereldlijke rechters over te leveren, en ook hun eigen gevangenis te hebben.—Ha! wat een schoone Bloeimaand!—in hechtenis nemen, in rechte vervolgen zonder vorm van proces, branden, hangen, onthalzen en vrouwen en meidekens voorbarig begraven. De vinken slaan in de boomen. De goede kettermeesters houden de rijken in ’t oog. En de koning zal erven. Gaat, meidekens, gaat dansen in de beemden, bij geschal van pijpen en schalmeien. Ho! de schoone Bloeimaand.
De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel’s borst.
—Laat ons gaan, sprak hij tot Lamme. Gelukkig zij, die het hert hoog en het zweerd gereed houden in de sombere dagen, die op handen zijn.