VII.

VII.De ommegang ging uit, onder een blijde, heldere zon. Uilenspiegel had de twaalf heiligen zoo goed mogelijk opgelapt en zij waggelden op hunne voetstukken tusschen de banieren der gilden; daarachter kwam het standbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, vervolgens de maagdekens, in ’t wit, die lofzangen zongen, dan de boogschutters, eindelijk het dichtst bij den hemel en meer waggelend dan de anderen, Pompilius, die gebogen ging onder de zware kleederen van den heiligen Martinus.Uilenspiegel, die zich voorzien had van krabpoeder, had zelf Pompilius zijn bisschoppelijk kleed helpen aantrekken, zijn handschoenen aangedaan, zijnen staf in zijne hand gestoken en hem geleerd hoe hij de handen moest houden om het volk te zegenen. Ook had hij de priesters helpen kleeden. Den eenen had hij de stool aangedaan, den anderen den pelsmantel, den diakenen het koorhemd. Hij liep gedurig de kerk rond om de plooien van een wambuis of een hooze effen te strijken. Hij bewonderde de scherpe wapenen der gilden en de geduchte bogen der schutters. En elkeen strooide hij een weinig krabpoeder in den hals, in den rug, op den pols. Maar de deken en de vier dragers van den heiligen Martinus kregen het meest. De maagdekens spaarde hij omdat zij zoo lief waren.De processie ging uit de kerk, in prachtige orde, met fladderende banieren en wapperende wimpels. Mannen en vrouwlieden sloegen een kruis als zij voorbijging. En de zonne was heet.De deken werd ’t eerst het poeder gewaar en krabde een weinig achter zijn oor. Allen, priesters, boogschutters, dragers, krabden zich aan den hals, de beenen, de polsen, zonder het nog openlijk te durven; doch de klokluider, die meer uitstond dan de anderen, ter oorzake van de brandende zon, dorst zichniet verroeren, uit vreeze van levend in de olie te worden gekookt. Hij neep zijn neus toe, trok een leelijk gezicht en beefde op zijn waggelende beenen, want telkens dat de dragers zich krabden, liep hij gevaar van te vallen.Maar hij dorst zich niet verroeren, en uit schrik liet hij zijn water maar loopen; en de dragers zeiden:—Groote Sint Maarten, gaat het nu regenen?De priesters zongen een lofzang aan de Heilige Maagd:Si de cœ ... cœ ... lo descenderesO Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.Want hunne stemmen beefden wegens de krieuweling die onuitstaanbaar werd; maar zij krabden zich bedektelijk. Doch de deken en de vier dragers van Sint-Maarten krabden hun vel vaneen. Pompilius hield zich stil op zijn arme beenen, die ’t meest van al jeukten.Maar eensklaps bleven al de boogschutters, diakenen, priesters, deken en dragers staan om zich te krabben. Het poeder beet de voetzolen van Pompilius vaneen, doch hij dorst zich niet verroeren uit vrees van te vallen.En de nieuwsgierigen zeiden, dat de heilige Maarten grammoedig rondkeek en een dreigend gezicht naar het arme volk zette.Toen beval de deken, dat de processie zou voortgaan.Weldra echter maakte de loodzware zon de jeukte van de plechtige ruggen en buiken onuitstaanbaar.En toen bleven priesters, boogschutters, diakenen en deken, net als een bende apen eensklaps staan om zich onbeschaamd overal te krabben waar het jeukte.De maagdekens zongen heuren lofzang als engelen en heur frissche stemmetjes stegen liefelijk ten hemel.Allen trokken er trouwens van door zooals zij konden: krabbend, redde de deken ’t heilig sacrament; het geloovige volk droeg de fierters terug in de kerk; de vier dragers van Sint Maarten smeten Pompilius ruwweg ten gronde. En daar nog dorst de arme klokluider zich niet krabben noch roeren, doch hij sloot devotelijk de oogen.Twee jonge knapen wilden hem oprichten, doch daar zij hem te zwaar vonden, stelden zij hem recht tegen den muur en daar begon Pompilius bitter te schreien.Het volk kwam rond hem staan; de vrouwen gingen neusdoekenvan fijn, helder lijnwaad halen, wischten zijn gelaat af om zijne tranen als reliquieën te bewaren, en zeiden tot hem: „Mijnheer de Sant, wat hebt gij het warm!”De klokluider keek hen jammerlijk aan en maakte, zijns ondanks, wegens de krieuweling, met zijn neus de koddigste gebaren.Doch daar de tranen over zijne wangen rolden, spraken de vrouwen:—Groote heilige Maarten, weent gij over de zonden der stede Ieperen? Niet waar, uwe edele neus verroert zich? Wij hebben nochtans de raadgevingen gevolgd van Lodewijk Vives, en den armen van Ieperen zal het aan werk noch aan brood ontbreken. Ho! wat groote tranen! Het zijn kostbare perelen. Onze redding is hier!De mannen spraken:—Wat moeten wij doen, groote heilige Maarten, om uwe droefheid te stillen?Maar het volk riep:—Daar is de koster!Uilenspiegel kwam bij, greep Pompilius vast en droeg hem op den schouder weg, gevolgd door eene menigte geloovigen van beide geslachten.—Laas! zei de arme klokluider hem stille in ’t oor, ik ga bezwijken van de jeukte.—Houd u stijf, antwoordde Uilenspiegel; vergeet niet dat gij een houten heilige zijt.Hij liep op een draf en legde Pompilius neer voor de voeten van den proost, die zich tot bloedens toe aan ’t krabben was.—Klokluider, vroeg de proost, hebt gij u gekrabd lijk wij?—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.—Hebt gij gesproken of u verroerd?—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.—Hewel, sprak de proost, hier zijn uwe vijftien dukaten. Ga u nu krabben; gij hebt het verdiend.

VII.De ommegang ging uit, onder een blijde, heldere zon. Uilenspiegel had de twaalf heiligen zoo goed mogelijk opgelapt en zij waggelden op hunne voetstukken tusschen de banieren der gilden; daarachter kwam het standbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, vervolgens de maagdekens, in ’t wit, die lofzangen zongen, dan de boogschutters, eindelijk het dichtst bij den hemel en meer waggelend dan de anderen, Pompilius, die gebogen ging onder de zware kleederen van den heiligen Martinus.Uilenspiegel, die zich voorzien had van krabpoeder, had zelf Pompilius zijn bisschoppelijk kleed helpen aantrekken, zijn handschoenen aangedaan, zijnen staf in zijne hand gestoken en hem geleerd hoe hij de handen moest houden om het volk te zegenen. Ook had hij de priesters helpen kleeden. Den eenen had hij de stool aangedaan, den anderen den pelsmantel, den diakenen het koorhemd. Hij liep gedurig de kerk rond om de plooien van een wambuis of een hooze effen te strijken. Hij bewonderde de scherpe wapenen der gilden en de geduchte bogen der schutters. En elkeen strooide hij een weinig krabpoeder in den hals, in den rug, op den pols. Maar de deken en de vier dragers van den heiligen Martinus kregen het meest. De maagdekens spaarde hij omdat zij zoo lief waren.De processie ging uit de kerk, in prachtige orde, met fladderende banieren en wapperende wimpels. Mannen en vrouwlieden sloegen een kruis als zij voorbijging. En de zonne was heet.De deken werd ’t eerst het poeder gewaar en krabde een weinig achter zijn oor. Allen, priesters, boogschutters, dragers, krabden zich aan den hals, de beenen, de polsen, zonder het nog openlijk te durven; doch de klokluider, die meer uitstond dan de anderen, ter oorzake van de brandende zon, dorst zichniet verroeren, uit vreeze van levend in de olie te worden gekookt. Hij neep zijn neus toe, trok een leelijk gezicht en beefde op zijn waggelende beenen, want telkens dat de dragers zich krabden, liep hij gevaar van te vallen.Maar hij dorst zich niet verroeren, en uit schrik liet hij zijn water maar loopen; en de dragers zeiden:—Groote Sint Maarten, gaat het nu regenen?De priesters zongen een lofzang aan de Heilige Maagd:Si de cœ ... cœ ... lo descenderesO Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.Want hunne stemmen beefden wegens de krieuweling die onuitstaanbaar werd; maar zij krabden zich bedektelijk. Doch de deken en de vier dragers van Sint-Maarten krabden hun vel vaneen. Pompilius hield zich stil op zijn arme beenen, die ’t meest van al jeukten.Maar eensklaps bleven al de boogschutters, diakenen, priesters, deken en dragers staan om zich te krabben. Het poeder beet de voetzolen van Pompilius vaneen, doch hij dorst zich niet verroeren uit vrees van te vallen.En de nieuwsgierigen zeiden, dat de heilige Maarten grammoedig rondkeek en een dreigend gezicht naar het arme volk zette.Toen beval de deken, dat de processie zou voortgaan.Weldra echter maakte de loodzware zon de jeukte van de plechtige ruggen en buiken onuitstaanbaar.En toen bleven priesters, boogschutters, diakenen en deken, net als een bende apen eensklaps staan om zich onbeschaamd overal te krabben waar het jeukte.De maagdekens zongen heuren lofzang als engelen en heur frissche stemmetjes stegen liefelijk ten hemel.Allen trokken er trouwens van door zooals zij konden: krabbend, redde de deken ’t heilig sacrament; het geloovige volk droeg de fierters terug in de kerk; de vier dragers van Sint Maarten smeten Pompilius ruwweg ten gronde. En daar nog dorst de arme klokluider zich niet krabben noch roeren, doch hij sloot devotelijk de oogen.Twee jonge knapen wilden hem oprichten, doch daar zij hem te zwaar vonden, stelden zij hem recht tegen den muur en daar begon Pompilius bitter te schreien.Het volk kwam rond hem staan; de vrouwen gingen neusdoekenvan fijn, helder lijnwaad halen, wischten zijn gelaat af om zijne tranen als reliquieën te bewaren, en zeiden tot hem: „Mijnheer de Sant, wat hebt gij het warm!”De klokluider keek hen jammerlijk aan en maakte, zijns ondanks, wegens de krieuweling, met zijn neus de koddigste gebaren.Doch daar de tranen over zijne wangen rolden, spraken de vrouwen:—Groote heilige Maarten, weent gij over de zonden der stede Ieperen? Niet waar, uwe edele neus verroert zich? Wij hebben nochtans de raadgevingen gevolgd van Lodewijk Vives, en den armen van Ieperen zal het aan werk noch aan brood ontbreken. Ho! wat groote tranen! Het zijn kostbare perelen. Onze redding is hier!De mannen spraken:—Wat moeten wij doen, groote heilige Maarten, om uwe droefheid te stillen?Maar het volk riep:—Daar is de koster!Uilenspiegel kwam bij, greep Pompilius vast en droeg hem op den schouder weg, gevolgd door eene menigte geloovigen van beide geslachten.—Laas! zei de arme klokluider hem stille in ’t oor, ik ga bezwijken van de jeukte.—Houd u stijf, antwoordde Uilenspiegel; vergeet niet dat gij een houten heilige zijt.Hij liep op een draf en legde Pompilius neer voor de voeten van den proost, die zich tot bloedens toe aan ’t krabben was.—Klokluider, vroeg de proost, hebt gij u gekrabd lijk wij?—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.—Hebt gij gesproken of u verroerd?—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.—Hewel, sprak de proost, hier zijn uwe vijftien dukaten. Ga u nu krabben; gij hebt het verdiend.

VII.De ommegang ging uit, onder een blijde, heldere zon. Uilenspiegel had de twaalf heiligen zoo goed mogelijk opgelapt en zij waggelden op hunne voetstukken tusschen de banieren der gilden; daarachter kwam het standbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, vervolgens de maagdekens, in ’t wit, die lofzangen zongen, dan de boogschutters, eindelijk het dichtst bij den hemel en meer waggelend dan de anderen, Pompilius, die gebogen ging onder de zware kleederen van den heiligen Martinus.Uilenspiegel, die zich voorzien had van krabpoeder, had zelf Pompilius zijn bisschoppelijk kleed helpen aantrekken, zijn handschoenen aangedaan, zijnen staf in zijne hand gestoken en hem geleerd hoe hij de handen moest houden om het volk te zegenen. Ook had hij de priesters helpen kleeden. Den eenen had hij de stool aangedaan, den anderen den pelsmantel, den diakenen het koorhemd. Hij liep gedurig de kerk rond om de plooien van een wambuis of een hooze effen te strijken. Hij bewonderde de scherpe wapenen der gilden en de geduchte bogen der schutters. En elkeen strooide hij een weinig krabpoeder in den hals, in den rug, op den pols. Maar de deken en de vier dragers van den heiligen Martinus kregen het meest. De maagdekens spaarde hij omdat zij zoo lief waren.De processie ging uit de kerk, in prachtige orde, met fladderende banieren en wapperende wimpels. Mannen en vrouwlieden sloegen een kruis als zij voorbijging. En de zonne was heet.De deken werd ’t eerst het poeder gewaar en krabde een weinig achter zijn oor. Allen, priesters, boogschutters, dragers, krabden zich aan den hals, de beenen, de polsen, zonder het nog openlijk te durven; doch de klokluider, die meer uitstond dan de anderen, ter oorzake van de brandende zon, dorst zichniet verroeren, uit vreeze van levend in de olie te worden gekookt. Hij neep zijn neus toe, trok een leelijk gezicht en beefde op zijn waggelende beenen, want telkens dat de dragers zich krabden, liep hij gevaar van te vallen.Maar hij dorst zich niet verroeren, en uit schrik liet hij zijn water maar loopen; en de dragers zeiden:—Groote Sint Maarten, gaat het nu regenen?De priesters zongen een lofzang aan de Heilige Maagd:Si de cœ ... cœ ... lo descenderesO Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.Want hunne stemmen beefden wegens de krieuweling die onuitstaanbaar werd; maar zij krabden zich bedektelijk. Doch de deken en de vier dragers van Sint-Maarten krabden hun vel vaneen. Pompilius hield zich stil op zijn arme beenen, die ’t meest van al jeukten.Maar eensklaps bleven al de boogschutters, diakenen, priesters, deken en dragers staan om zich te krabben. Het poeder beet de voetzolen van Pompilius vaneen, doch hij dorst zich niet verroeren uit vrees van te vallen.En de nieuwsgierigen zeiden, dat de heilige Maarten grammoedig rondkeek en een dreigend gezicht naar het arme volk zette.Toen beval de deken, dat de processie zou voortgaan.Weldra echter maakte de loodzware zon de jeukte van de plechtige ruggen en buiken onuitstaanbaar.En toen bleven priesters, boogschutters, diakenen en deken, net als een bende apen eensklaps staan om zich onbeschaamd overal te krabben waar het jeukte.De maagdekens zongen heuren lofzang als engelen en heur frissche stemmetjes stegen liefelijk ten hemel.Allen trokken er trouwens van door zooals zij konden: krabbend, redde de deken ’t heilig sacrament; het geloovige volk droeg de fierters terug in de kerk; de vier dragers van Sint Maarten smeten Pompilius ruwweg ten gronde. En daar nog dorst de arme klokluider zich niet krabben noch roeren, doch hij sloot devotelijk de oogen.Twee jonge knapen wilden hem oprichten, doch daar zij hem te zwaar vonden, stelden zij hem recht tegen den muur en daar begon Pompilius bitter te schreien.Het volk kwam rond hem staan; de vrouwen gingen neusdoekenvan fijn, helder lijnwaad halen, wischten zijn gelaat af om zijne tranen als reliquieën te bewaren, en zeiden tot hem: „Mijnheer de Sant, wat hebt gij het warm!”De klokluider keek hen jammerlijk aan en maakte, zijns ondanks, wegens de krieuweling, met zijn neus de koddigste gebaren.Doch daar de tranen over zijne wangen rolden, spraken de vrouwen:—Groote heilige Maarten, weent gij over de zonden der stede Ieperen? Niet waar, uwe edele neus verroert zich? Wij hebben nochtans de raadgevingen gevolgd van Lodewijk Vives, en den armen van Ieperen zal het aan werk noch aan brood ontbreken. Ho! wat groote tranen! Het zijn kostbare perelen. Onze redding is hier!De mannen spraken:—Wat moeten wij doen, groote heilige Maarten, om uwe droefheid te stillen?Maar het volk riep:—Daar is de koster!Uilenspiegel kwam bij, greep Pompilius vast en droeg hem op den schouder weg, gevolgd door eene menigte geloovigen van beide geslachten.—Laas! zei de arme klokluider hem stille in ’t oor, ik ga bezwijken van de jeukte.—Houd u stijf, antwoordde Uilenspiegel; vergeet niet dat gij een houten heilige zijt.Hij liep op een draf en legde Pompilius neer voor de voeten van den proost, die zich tot bloedens toe aan ’t krabben was.—Klokluider, vroeg de proost, hebt gij u gekrabd lijk wij?—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.—Hebt gij gesproken of u verroerd?—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.—Hewel, sprak de proost, hier zijn uwe vijftien dukaten. Ga u nu krabben; gij hebt het verdiend.

VII.

De ommegang ging uit, onder een blijde, heldere zon. Uilenspiegel had de twaalf heiligen zoo goed mogelijk opgelapt en zij waggelden op hunne voetstukken tusschen de banieren der gilden; daarachter kwam het standbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, vervolgens de maagdekens, in ’t wit, die lofzangen zongen, dan de boogschutters, eindelijk het dichtst bij den hemel en meer waggelend dan de anderen, Pompilius, die gebogen ging onder de zware kleederen van den heiligen Martinus.Uilenspiegel, die zich voorzien had van krabpoeder, had zelf Pompilius zijn bisschoppelijk kleed helpen aantrekken, zijn handschoenen aangedaan, zijnen staf in zijne hand gestoken en hem geleerd hoe hij de handen moest houden om het volk te zegenen. Ook had hij de priesters helpen kleeden. Den eenen had hij de stool aangedaan, den anderen den pelsmantel, den diakenen het koorhemd. Hij liep gedurig de kerk rond om de plooien van een wambuis of een hooze effen te strijken. Hij bewonderde de scherpe wapenen der gilden en de geduchte bogen der schutters. En elkeen strooide hij een weinig krabpoeder in den hals, in den rug, op den pols. Maar de deken en de vier dragers van den heiligen Martinus kregen het meest. De maagdekens spaarde hij omdat zij zoo lief waren.De processie ging uit de kerk, in prachtige orde, met fladderende banieren en wapperende wimpels. Mannen en vrouwlieden sloegen een kruis als zij voorbijging. En de zonne was heet.De deken werd ’t eerst het poeder gewaar en krabde een weinig achter zijn oor. Allen, priesters, boogschutters, dragers, krabden zich aan den hals, de beenen, de polsen, zonder het nog openlijk te durven; doch de klokluider, die meer uitstond dan de anderen, ter oorzake van de brandende zon, dorst zichniet verroeren, uit vreeze van levend in de olie te worden gekookt. Hij neep zijn neus toe, trok een leelijk gezicht en beefde op zijn waggelende beenen, want telkens dat de dragers zich krabden, liep hij gevaar van te vallen.Maar hij dorst zich niet verroeren, en uit schrik liet hij zijn water maar loopen; en de dragers zeiden:—Groote Sint Maarten, gaat het nu regenen?De priesters zongen een lofzang aan de Heilige Maagd:Si de cœ ... cœ ... lo descenderesO Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.Want hunne stemmen beefden wegens de krieuweling die onuitstaanbaar werd; maar zij krabden zich bedektelijk. Doch de deken en de vier dragers van Sint-Maarten krabden hun vel vaneen. Pompilius hield zich stil op zijn arme beenen, die ’t meest van al jeukten.Maar eensklaps bleven al de boogschutters, diakenen, priesters, deken en dragers staan om zich te krabben. Het poeder beet de voetzolen van Pompilius vaneen, doch hij dorst zich niet verroeren uit vrees van te vallen.En de nieuwsgierigen zeiden, dat de heilige Maarten grammoedig rondkeek en een dreigend gezicht naar het arme volk zette.Toen beval de deken, dat de processie zou voortgaan.Weldra echter maakte de loodzware zon de jeukte van de plechtige ruggen en buiken onuitstaanbaar.En toen bleven priesters, boogschutters, diakenen en deken, net als een bende apen eensklaps staan om zich onbeschaamd overal te krabben waar het jeukte.De maagdekens zongen heuren lofzang als engelen en heur frissche stemmetjes stegen liefelijk ten hemel.Allen trokken er trouwens van door zooals zij konden: krabbend, redde de deken ’t heilig sacrament; het geloovige volk droeg de fierters terug in de kerk; de vier dragers van Sint Maarten smeten Pompilius ruwweg ten gronde. En daar nog dorst de arme klokluider zich niet krabben noch roeren, doch hij sloot devotelijk de oogen.Twee jonge knapen wilden hem oprichten, doch daar zij hem te zwaar vonden, stelden zij hem recht tegen den muur en daar begon Pompilius bitter te schreien.Het volk kwam rond hem staan; de vrouwen gingen neusdoekenvan fijn, helder lijnwaad halen, wischten zijn gelaat af om zijne tranen als reliquieën te bewaren, en zeiden tot hem: „Mijnheer de Sant, wat hebt gij het warm!”De klokluider keek hen jammerlijk aan en maakte, zijns ondanks, wegens de krieuweling, met zijn neus de koddigste gebaren.Doch daar de tranen over zijne wangen rolden, spraken de vrouwen:—Groote heilige Maarten, weent gij over de zonden der stede Ieperen? Niet waar, uwe edele neus verroert zich? Wij hebben nochtans de raadgevingen gevolgd van Lodewijk Vives, en den armen van Ieperen zal het aan werk noch aan brood ontbreken. Ho! wat groote tranen! Het zijn kostbare perelen. Onze redding is hier!De mannen spraken:—Wat moeten wij doen, groote heilige Maarten, om uwe droefheid te stillen?Maar het volk riep:—Daar is de koster!Uilenspiegel kwam bij, greep Pompilius vast en droeg hem op den schouder weg, gevolgd door eene menigte geloovigen van beide geslachten.—Laas! zei de arme klokluider hem stille in ’t oor, ik ga bezwijken van de jeukte.—Houd u stijf, antwoordde Uilenspiegel; vergeet niet dat gij een houten heilige zijt.Hij liep op een draf en legde Pompilius neer voor de voeten van den proost, die zich tot bloedens toe aan ’t krabben was.—Klokluider, vroeg de proost, hebt gij u gekrabd lijk wij?—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.—Hebt gij gesproken of u verroerd?—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.—Hewel, sprak de proost, hier zijn uwe vijftien dukaten. Ga u nu krabben; gij hebt het verdiend.

De ommegang ging uit, onder een blijde, heldere zon. Uilenspiegel had de twaalf heiligen zoo goed mogelijk opgelapt en zij waggelden op hunne voetstukken tusschen de banieren der gilden; daarachter kwam het standbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, vervolgens de maagdekens, in ’t wit, die lofzangen zongen, dan de boogschutters, eindelijk het dichtst bij den hemel en meer waggelend dan de anderen, Pompilius, die gebogen ging onder de zware kleederen van den heiligen Martinus.

Uilenspiegel, die zich voorzien had van krabpoeder, had zelf Pompilius zijn bisschoppelijk kleed helpen aantrekken, zijn handschoenen aangedaan, zijnen staf in zijne hand gestoken en hem geleerd hoe hij de handen moest houden om het volk te zegenen. Ook had hij de priesters helpen kleeden. Den eenen had hij de stool aangedaan, den anderen den pelsmantel, den diakenen het koorhemd. Hij liep gedurig de kerk rond om de plooien van een wambuis of een hooze effen te strijken. Hij bewonderde de scherpe wapenen der gilden en de geduchte bogen der schutters. En elkeen strooide hij een weinig krabpoeder in den hals, in den rug, op den pols. Maar de deken en de vier dragers van den heiligen Martinus kregen het meest. De maagdekens spaarde hij omdat zij zoo lief waren.

De processie ging uit de kerk, in prachtige orde, met fladderende banieren en wapperende wimpels. Mannen en vrouwlieden sloegen een kruis als zij voorbijging. En de zonne was heet.

De deken werd ’t eerst het poeder gewaar en krabde een weinig achter zijn oor. Allen, priesters, boogschutters, dragers, krabden zich aan den hals, de beenen, de polsen, zonder het nog openlijk te durven; doch de klokluider, die meer uitstond dan de anderen, ter oorzake van de brandende zon, dorst zichniet verroeren, uit vreeze van levend in de olie te worden gekookt. Hij neep zijn neus toe, trok een leelijk gezicht en beefde op zijn waggelende beenen, want telkens dat de dragers zich krabden, liep hij gevaar van te vallen.

Maar hij dorst zich niet verroeren, en uit schrik liet hij zijn water maar loopen; en de dragers zeiden:

—Groote Sint Maarten, gaat het nu regenen?

De priesters zongen een lofzang aan de Heilige Maagd:

Si de cœ ... cœ ... lo descenderesO Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.

Si de cœ ... cœ ... lo descenderes

O Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.

Want hunne stemmen beefden wegens de krieuweling die onuitstaanbaar werd; maar zij krabden zich bedektelijk. Doch de deken en de vier dragers van Sint-Maarten krabden hun vel vaneen. Pompilius hield zich stil op zijn arme beenen, die ’t meest van al jeukten.

Maar eensklaps bleven al de boogschutters, diakenen, priesters, deken en dragers staan om zich te krabben. Het poeder beet de voetzolen van Pompilius vaneen, doch hij dorst zich niet verroeren uit vrees van te vallen.

En de nieuwsgierigen zeiden, dat de heilige Maarten grammoedig rondkeek en een dreigend gezicht naar het arme volk zette.

Toen beval de deken, dat de processie zou voortgaan.

Weldra echter maakte de loodzware zon de jeukte van de plechtige ruggen en buiken onuitstaanbaar.

En toen bleven priesters, boogschutters, diakenen en deken, net als een bende apen eensklaps staan om zich onbeschaamd overal te krabben waar het jeukte.

De maagdekens zongen heuren lofzang als engelen en heur frissche stemmetjes stegen liefelijk ten hemel.

Allen trokken er trouwens van door zooals zij konden: krabbend, redde de deken ’t heilig sacrament; het geloovige volk droeg de fierters terug in de kerk; de vier dragers van Sint Maarten smeten Pompilius ruwweg ten gronde. En daar nog dorst de arme klokluider zich niet krabben noch roeren, doch hij sloot devotelijk de oogen.

Twee jonge knapen wilden hem oprichten, doch daar zij hem te zwaar vonden, stelden zij hem recht tegen den muur en daar begon Pompilius bitter te schreien.

Het volk kwam rond hem staan; de vrouwen gingen neusdoekenvan fijn, helder lijnwaad halen, wischten zijn gelaat af om zijne tranen als reliquieën te bewaren, en zeiden tot hem: „Mijnheer de Sant, wat hebt gij het warm!”

De klokluider keek hen jammerlijk aan en maakte, zijns ondanks, wegens de krieuweling, met zijn neus de koddigste gebaren.

Doch daar de tranen over zijne wangen rolden, spraken de vrouwen:

—Groote heilige Maarten, weent gij over de zonden der stede Ieperen? Niet waar, uwe edele neus verroert zich? Wij hebben nochtans de raadgevingen gevolgd van Lodewijk Vives, en den armen van Ieperen zal het aan werk noch aan brood ontbreken. Ho! wat groote tranen! Het zijn kostbare perelen. Onze redding is hier!

De mannen spraken:

—Wat moeten wij doen, groote heilige Maarten, om uwe droefheid te stillen?

Maar het volk riep:

—Daar is de koster!

Uilenspiegel kwam bij, greep Pompilius vast en droeg hem op den schouder weg, gevolgd door eene menigte geloovigen van beide geslachten.

—Laas! zei de arme klokluider hem stille in ’t oor, ik ga bezwijken van de jeukte.

—Houd u stijf, antwoordde Uilenspiegel; vergeet niet dat gij een houten heilige zijt.

Hij liep op een draf en legde Pompilius neer voor de voeten van den proost, die zich tot bloedens toe aan ’t krabben was.

—Klokluider, vroeg de proost, hebt gij u gekrabd lijk wij?

—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.

—Hebt gij gesproken of u verroerd?

—Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.

—Hewel, sprak de proost, hier zijn uwe vijftien dukaten. Ga u nu krabben; gij hebt het verdiend.


Back to IndexNext