VI.

VI.Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van ’t paleis.Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om den koning te bewegen, de plakkaten op ’t stuk der religie, alsmede de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij, puinhoopen en algemeene ellende.En dat verzoekschrift werdHet Eedverbondgeheeten.Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de armoede dier edele eedgenooten:—Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de Spaansche edellieden.Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden zij er eere in te stellen „geuzen” geheeten en genaamd te worden, voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen, saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: „Den koning getrouw tot den bedelzak”. En op hunne hoeden en mutsen droegen zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.

VI.Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van ’t paleis.Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om den koning te bewegen, de plakkaten op ’t stuk der religie, alsmede de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij, puinhoopen en algemeene ellende.En dat verzoekschrift werdHet Eedverbondgeheeten.Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de armoede dier edele eedgenooten:—Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de Spaansche edellieden.Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden zij er eere in te stellen „geuzen” geheeten en genaamd te worden, voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen, saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: „Den koning getrouw tot den bedelzak”. En op hunne hoeden en mutsen droegen zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.

VI.Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van ’t paleis.Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om den koning te bewegen, de plakkaten op ’t stuk der religie, alsmede de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij, puinhoopen en algemeene ellende.En dat verzoekschrift werdHet Eedverbondgeheeten.Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de armoede dier edele eedgenooten:—Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de Spaansche edellieden.Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden zij er eere in te stellen „geuzen” geheeten en genaamd te worden, voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen, saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: „Den koning getrouw tot den bedelzak”. En op hunne hoeden en mutsen droegen zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.

VI.

Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van ’t paleis.Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om den koning te bewegen, de plakkaten op ’t stuk der religie, alsmede de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij, puinhoopen en algemeene ellende.En dat verzoekschrift werdHet Eedverbondgeheeten.Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de armoede dier edele eedgenooten:—Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de Spaansche edellieden.Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden zij er eere in te stellen „geuzen” geheeten en genaamd te worden, voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen, saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: „Den koning getrouw tot den bedelzak”. En op hunne hoeden en mutsen droegen zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.

Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van ’t paleis.

Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om den koning te bewegen, de plakkaten op ’t stuk der religie, alsmede de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij, puinhoopen en algemeene ellende.

En dat verzoekschrift werdHet Eedverbondgeheeten.

Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de armoede dier edele eedgenooten:

—Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!

Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de Spaansche edellieden.

Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden zij er eere in te stellen „geuzen” geheeten en genaamd te worden, voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.

Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen, saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: „Den koning getrouw tot den bedelzak”. En op hunne hoeden en mutsen droegen zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.

Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.


Back to IndexNext