VI.Toen was men in de Bloeimaand; de boom der justitie was groen, insgelijks groen waren de banken van graszoden, op dewelke de rechters waren gezeten. Nele werd ter oorkondschap geroepen. Dien dag moest het vonnis uitgesproken worden.En het volk: mannen, vrouwlieden, poorters en arbeiders stonden rond de vierschaar; en de zonne scheen helder.Katelijne en Joost Damman werden voor de vierschaar gebracht; en Damman zag er nog bleeker uit, ter oorzake van de torture, van den dorst en van de slapelooze nachten.Katelijne, die zich op heure waggelende beenen niet rechthouden kon, wees naar de zonne en sprak:—Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt!En met teedere liefde zag zij naar Joost Damman.En deze bekeek heur met haat en verachting.En de heeren en edelen, zijne vrienden, die naar Damme waren ontboden, waren allen als getuigen voor de vierschaar aanwezig.Toen sprak de baljuw:—Nele, de dochter, die heure moeder Katelijne met zooveel genegenheid verdedigt, heeft in den genaaiden zak van den besten rok derzelfde Katelijne een briefje gevonden, geteekend „Hansken”. In de beugeltassche, gevonden op het lijk van Hilbert Rijnvisch, stak een andere brief, aan hem gezonden door Joost Damman, beschuldigde alhier tegenwoordig. Beide brieven heb ik bewaard, opdat gij op het gepaste oogenblik, dat thans aangebroken is, zoudt kunnen oordeelen over de hardnekkigheid van dien man en hem vrijspreken of veroordeelen, naarvolgens wet en gerechtigheid. Hier is het perkament, in de beugeltasch gevonden; ik deed het niet open en weet niet of het leesbaar is of niet.Toen waren de rechters in groote verlegenheid.De baljuw beproefde het bolleken perkament los te maken, doch te vergeefs; en Joost Damman schompermuilde.Toen sprak een schepen:—Laat ons het bolleken in ’t water leggen en vervolgens voor ’t vuur stellen. Als het door een heimelijk middel toegeplakt is, zullen water en vuur het wel losmaken.Het water werd gebracht, de hangman stak een groot houtvuur aan; de blauwe rook steeg recht omhoog in den helderen hemel, tusschen de groene takken van den boom der justitie.—Steek den brief in de kom niet, sprak een schepen, want als hij geschreven is met opgelost ammoniakzout, zullen de letteren verdwijnen.—Neen, zeide een chirurgijn, die daar was, de letteren zullen niet verdwijnen, het water zal enkellijk het bestrijksel, hetwelk dit tooverbolleken toeplakt, weeker maken.Het perkament werd geweekt in het water, en, als het zachter was, werd het geopend.—Nu, zeide de chirurgijn, houdt het nu voor het vuur.—Ja, ja, zeide Nele, houdt het papier voor het vuur; messire chirurgijn is op weg naar de waarheid, want de moordenaar verbleekt, en siddert over heel zijn lichaam.Daarop sprak Joost Damman:—Ik verbleek noch ik sidder, kleine heks uit ’t gemeen, die op den dood van een edelman aast; maar gij zult er niet in slagen: dat papier moet gerot zijn na zestien jaar verblijf in den grond.—Het perkament is geenszins bedorven, zei de schepen, de beugeltasch was met zijde gevoerd; zijde vergaat niet in den grond, en de wormen hebben het perkament niet opgegeten.Het perkament werd voor ’t vuur gebracht.—Heer baljuw, heer baljuw, zeide Nele, hier voor het vuur komen reeds letteren te voorschijn: beveel dat men het schrift leze.De chirurgijn nam het perkament om het te lezen, als messire Joost Damman vlug de hand uitstak om het te grijpen; doch rap als de wind hield Nele zijnen arm tegen, en zij sprak:—Gij zult het niet aanraken, want daar staat uw dood of die van Katelijne geschreven. Bloedt thans uw herte, moordenaar, weet dat het onze reeds vijftien jaar lang bloedt; ’t is vijftien jaar dat Katelijne lijdt, dat heur geest in heur hoofd verbrand werd om uwentwil; ’t is vijftien jaar dat Soetkin stierf ten gevolge der smerten; ’t is vijftien jaar dat wij leven in kommer en ellende, hoewel wij fier het hoofd mogen verheffen. Lees het papier, lees het papier! De rechters zijn God op de wereld, want zij zijn Gerechtigheid. Lees het papier!—Lees het papier! riepen de mannen en vrouwlieden snikkend. Nele is moedig en braaf! Katelijne is geene tooveres.En de griffier las:„Aan Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap, Joost Damman, schildknaap, Heil!... Waarde vriend, verlies uw geld niet meer met kaarten, dobbelsteenen en andere dergelijke kansspelen. Ik zal u zeggen hoe men zeker is altijd geld te winnen: Laat ons duivelen worden, schoone duivelen, bemind door vrouwen en meidekens. De schoone en rijke vrouwlieden zullen wij nemen en de leelijken en armen daar laten; zij hebben heur genoegen maar te betalen. Op die wijze maakte ik in Duitschland, in zes maanden, vijfduizendrijksdaalders. De vrouwen zouden zich uitkleeden voor den man, dien zij liefhebben; vlied de gierige feeksen, die met tegenzin heur pleizier betalen. Wat u betreft, om schoon te wezen en een echte nachtduivel te schijnen, kondig uwe komst aan met ’t gekras van eenen roofvogel, als zij u in het duister willen ontvangen. En om u een gezicht te maken van een echten, verschrikkelijken duivel, wrijf het in met phosphorus, die bij plaatsen schittert als hij nat is. Hij stinkt, maar de vrouwen nemen dat voor den reuk van het solfer der helle. Dood al wie u hindert: ’t zij man, ’t zij vrouw of ’t zij beest.... Binnen kort gaan wij samen bij Katelijne, een schoone, goedhertige loddege; heure dochter, Nele, een kind van mij, als Katelijne mij trouw was, is een lief en beminnelijk meideken; zonder moeite zult gij ze nemen; ik schenk ze u, want ik geef niet om bastaards: men kan ze nooit met zekerheid voor zijn kroost erkennen. Heure moeder gaf mij reeds meer dan drie en twintig karolussen, gansch heure have. Maar zij verbergt eenen schat, die, als ik het goed voorheb, het erfdeel van Klaas is, den ketter, die te Damme levend verbrand werd: zevenhonderd karolussen, waar verbeurdverklaring op rust; doch de goede koning Philippus, die zoovele zijner onderdanen deed verbranden om te erven van hen, kon dien lieven schat in zijne klauwen niet krijgen. Hij zal zwaarder wegen in mijne tassche dan in de zijne; Katelijne zal mij zeggen waar hij is; wij zullen hem deelen. Maar gij moet mij ’t grootste deel laten, omdat ik de aanbrenger ben. Wat de vrouwen betreft, dewelke onze zachtmoedige dienaressen en verliefde slavinnen zullen wezen, die zullen wij naar Duitschland brengen. Daar zullen wij van heur nachtduivelinnetjes maken, en ze laten beslapen door alle rijke poorters en edellieden; wij en haarlieden zullen daar leven van de liefde, betaald met schoone rijksdaalders, panne, zijde, goud, perelen en juweelen; zoo worden wij, buiten weten van onze duivelinnetjes, bemind door de schoonsten onder de schoonen, en doen wij heur steeds voor onze liefde betalen. Al de vrouwen zijn zot en dwaselijk verknocht aan den man, die in haar het liefdevuur doet ontvlammen, hetwelk God onder heuren gordel stak. Katelijne en Nele zullen het nog meer wezen dan iemand, en zullen ons in alles gehoorzamen: behoud uwen voornaam, maar voer nooit den naam van uwen vader Rijnvisch. Neemt de rechter de vrouwen in hechtenis, dadelijk vertrekken wij zonder dat zij ons kennen of kunnen verraden. Help mij, mijne getrouwe. Defortuin lacht de jongelieden toe, zeide Zijne Heilige Majesteit Keizer Karel zaliger, dewelke een meester was in zaken van liefde en van oorlog”.En de griffier hield op met lezen en sprak:—Zoo luidt de brief en hij is geteekend: „Joost Damman, schildknaap”.En het volk riep:—Ter dood, de moordenaar! Ter dood, de tooveraar! In ’t vuur, de schavuit, die de vrouwlieden waanzinnig maakt! Aan de galg, de rabauw!Toen sprak de baljuw:—Zwijg, volk, opdat wij dien man in volle vrijheid kunnen oordeelen.En tot de schepenen zeide hij:—Ik wil u den tweeden brief lezen, dien Nele vond in den zak van Katelijne’s besten rok; hij luidt als volgt:„Geliefde tooveres, ziehier het recept eener zalve, dat de vrouw van Lucifer zelve mij zond: met die zalve zult gij u kunnen begeven in de zonne, de maan en de sterren; kunnen spreken met de sylphen, die aan God de gebeden der menschen overbrengen, en alle steden, dorpen, rivieren, beemden van ’t gansche heelal kunnen bezoeken. Stamp ondereen, bij gelijke deelen, stramonium, solanum somniferum, bilzenkruid, opium, versche henneptoppen, belladonna en datura.... Als gij wilt, zullen wij dezen avond samen naar den sabbat der geesten gaan: maar gij moet mij meerder beminnen en zoo gierig niet zijn, gelijk dien avond, toen gij mij tien gulden weigerdet, onder voorwendsel dat gij ze niet hadt. Ik weet, dat gij eenen schat verbergt en het mij niet wilt bekennen. Bemint gij mij niet meer, mijne liefste?„Uw koude duivel,„Hansken”.—Ter dood, de tooveraar! riep het volk.De baljuw sprak:—Wij moeten de twee schriften vergelijken.Dit werd gedaan, en zij werden eender bevonden.Toen sprak de baljuw tot de aanwezige heeren en edellieden:—Herkent gij den beklaagde voor messire Joost Damman, zoon van den schepene van de keure van Gent?—Ja, zeiden zij.—Kendet gij, sprak hij, messire Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap?Een der edellieden, die Vander Zickele hiet, nam het woord en sprak:—Ik ben van Gent, mijn steen staat op de Hoogpoort; ik ken Willem Rijnvisch, schepene van de keure van Gent. Hij verloor, over een vijftiental jaren, een zoon van drie en twintig jaar, een losbol, een speler, een luierik; maar men vergaf hem zijne gebreken, om den wille van zijn jeugdigen leeftijd. Sedert dien tijd kreeg nooit iemand miede van hem. Ik vraag om het zweerd, den dolk en de beugeltassche van den verslagene te zien.Toen hij die voor zich had, sprak hij:—Op den knop van het hecht van het zweerd en den dolk staan de wapenen van het geslacht Rijnvisch, hetwelk voert, in blauw, drie zilveren visschen. Die zelfde wapenen zie ik op een gouden schild tusschen de maliën der beugeltassche. Welke is die andere dolk?De baljuw sprak:—Die dolk stak in het lichaam van Hilbert Rijnvisch, zoon van Willem.—Daarop herken ik de wapens der Damman’s: in zilver, een roode toren.—Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!De andere edellieden zeiden insgelijks:—Die wapenen herkennen wij voor die van Rijnvisch en van Damman. Zoo helpen ons God en al zijne santen!Toen zei de baljuw:—Gehoord en gelezen de voor de Vierschaar gebrachte getuigenissen en oorkonden, is naar rechte ten genoege gebleken, dat Joost Damman, „gecommitteerd hebbende de crimen van tooverije, doodslag, zotmaking van vrouwlieden, diefte van ’s konings goedingen, wezende de abominabelste zonden die men ter wereld kan bedrijven, schuldig is aancrimen divinae laesae majestatis, geenszins lijdelijk zonder exemplaire pugnitie”.—Dat zegt gij, messire baljuw, hernam Joost, doch bij gebreke aan genoegzame bewijzen, kunt gij mij niet veroordeelen; tooveraar ben ik niet of was ik nooit; enkellijk speelde ik het spel van den duivel. Wat mijn helder gezicht betreft, nu weetgij het middel, dat ik daartoe gebruikte. De zalve, hoewel zij bilzenkruid, een vergiftige plant, bevat, is enkel slaapverwekkend. Als die vrouw, die een ware tooveres is, er van nam, verviel zij in slaapdronkenheid en droomde zij, dat zij naar den sabbat ging en er danste met het gezicht buitenwaarts van de ronde, alsook dat zij eenen duivel aanbad in de gedaante van eenen bok, op een autaar gezeten. Als de rondedans gedaan was, droomde zij, dat zij den duivel ging kussen onder zijnen steert, gelijk de tooveraars doen, tot teeken van onderdanigheid. Als ik, naar zij zegt, koude armen en een frisch lichaam had, is dit een teeken van jeugd en geenszins van tooverij. Frischheid is niet bestand tegen het werk des vleesches. Maar Katelijne nam heure wenschen voor werkelijkheid en aanzag mij dus voor eenen duivel, hoewel ik een mensch ben, gelijk gijlie. Zij alleen is schuldig om mij, voor eenen duivel nemende, in heur bed aanveerd te hebben; aldus zondigde zij met wil en met daad tegen God en tegen den Heiligen Geest. Zij dus is het, maar ik niet, die de misdaad van tooverij beging, die strafbaar is met den viere, als een razende en boosaardige tooveres, die voor uitzinnig wil doorgaan, ten einde heure boosaardigheid te verbergen.Doch Nele riep:—Hoort gij den moordenaar? Als loddegen, als veile deernen, dewelke een schijfje op den arm dragen, dreef hij handel in liefde. Hoort gij hem? om zich te redden, wil hij degene doen verbranden, welke hem alles gaf.—Nele is stout, zeide Katelijne, Hans, mijn liefste, luister naar heur niet.—Neen, vervolgde Nele, gij zijt geen mensch: gij zijt een lafhertige, wreedaardige duivel!En, Katelijne in de armen nemend:—Heeren rechters, riep zij, luistert niet naar dien bleeken booswicht; hij heeft maar éénen wensch: mijne moeder levend te zien verbranden, hoewel zij geen andere misdaad bedreef, dan door God met uitzinnigheid getroffen te worden en de schimmen heurer droomen voor echt te aanzien. Veel reeds heeft zij geleden naar lichaam en geest. Doet ze niet sterven, heeren rechters. Laat de uitzinnige heur treurig leven eindigen in vrede.En Katelijne sprak:—Nele is stout, ge moet ze niet gelooven, Hansken, mijn vriend.En in het volk weenden de vrouwlieden en riepen de mannen:—Genade voor Katelijne!Op belijdenissen, die Joost Damman na nieuwe folteringen deed, brachten de baljuw en de schepenen hunne sententie te zijnen opzichte uit: hij werd veroordeeld om te worden ontadeld en levend verbrand met zacht vuur, totdat de dood er op volgde.’s Anderen daags doorstond hij de doodstraf voor de pui van het Schepenhuis, gedurig roepend:—Doet de tooveres sterven; zij alleen is schuldig. Gevloekt weze God! mijn vader zal de rechters vermoorden!En hij gaf den geest.En het volk zeide:—Hoort hoe hij God vloekt en lastert, hij sterft als een hond.’s Anderen daags brachten de baljuw en de schepenen hun vonnis uit ten opzichte van Katelijne: zij werd veroordeeld om de waterproef te doorstaan, in de Brugsche vaart. Zoo zij boven dreef, zou zij als tooveres worden verbrand; zoo zij zonk en stierf, zou zij beschouwd worden als op kerstene wijze gestorven en als dusdanig op ’t kerkhof begraven.’s Anderen daags werd Katelijne, baarvoets, gekleed met een zwart linnen hemde, en met eene waskeers in heure hand, processiegewijs gebracht tot aan de vaart, langsheen de boomen. Vóór heur gingen, de gebeden der dooden zingend, de deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk, zijne vicarissen, de koster met het kruis; en achter heur, de baljuw van Damme, de schepenen, de griffiers, de serjanten der gemeente, de provoost, de hangman en zijne beide knechts. Op de beide oevers stond een groote menigte vrouwen, die weenden, en mannen, die morden, uit medelijden met Katelijne, dewelke gedwee als een lam zich liet leiden zonder te weten waarheen, en gedurig zei:—Doet het vuur weg, mijn hoofd brandt! Hansken, waar zijt gij?Nele, die te midden van de vrouwen stond, riep:—Ik wil met heur in ’t water worden gesmeten!Maar de vrouwen lieten heur omtrent Katelijne niet komen.Een scherpe wind blies van de zee; een fijne hagel viel uit den loodgrijzen hemel in het water der vaart; eene boot lag daar vastgemeerd; de hangman en zijne knechts namen dezelve in naam Zijner Koninklijke Majesteit. Op hun bevel stapte Katelijne er in: de beul stond recht in de boot en hield Katelijne vast, en, op een teeken van den provoost met de roede der justitie, smeet hij ze in de vaart. Zij spartelde, doch niet lang, en zonk nog roepende:—Hans! Hans! help mij!En het volk zeide:—Die vrouw is geene tooveres.Mannen sprongen in de vaart en trokken Katelijne er uit, dewelke van heurzelve was en stijf als eene doode. Zij werd in eene taveerne gebracht en voor een groot vuur nedergelegd; Nele trok heur nat hemd uit en deed heur een ander aan; toen zij tot zich zelve kwam, zegde zij bibberend en klappertandend:—Hans, geef mij een wollen mantel.En Katelijne kon zich niet verwarmen. En den derden dag stierf zij. En zij werd op ’t kerkhof begraven, in gewijde aarde.En Nele toog henen naar Holland, bij Rosa van Auweghem.
VI.Toen was men in de Bloeimaand; de boom der justitie was groen, insgelijks groen waren de banken van graszoden, op dewelke de rechters waren gezeten. Nele werd ter oorkondschap geroepen. Dien dag moest het vonnis uitgesproken worden.En het volk: mannen, vrouwlieden, poorters en arbeiders stonden rond de vierschaar; en de zonne scheen helder.Katelijne en Joost Damman werden voor de vierschaar gebracht; en Damman zag er nog bleeker uit, ter oorzake van de torture, van den dorst en van de slapelooze nachten.Katelijne, die zich op heure waggelende beenen niet rechthouden kon, wees naar de zonne en sprak:—Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt!En met teedere liefde zag zij naar Joost Damman.En deze bekeek heur met haat en verachting.En de heeren en edelen, zijne vrienden, die naar Damme waren ontboden, waren allen als getuigen voor de vierschaar aanwezig.Toen sprak de baljuw:—Nele, de dochter, die heure moeder Katelijne met zooveel genegenheid verdedigt, heeft in den genaaiden zak van den besten rok derzelfde Katelijne een briefje gevonden, geteekend „Hansken”. In de beugeltassche, gevonden op het lijk van Hilbert Rijnvisch, stak een andere brief, aan hem gezonden door Joost Damman, beschuldigde alhier tegenwoordig. Beide brieven heb ik bewaard, opdat gij op het gepaste oogenblik, dat thans aangebroken is, zoudt kunnen oordeelen over de hardnekkigheid van dien man en hem vrijspreken of veroordeelen, naarvolgens wet en gerechtigheid. Hier is het perkament, in de beugeltasch gevonden; ik deed het niet open en weet niet of het leesbaar is of niet.Toen waren de rechters in groote verlegenheid.De baljuw beproefde het bolleken perkament los te maken, doch te vergeefs; en Joost Damman schompermuilde.Toen sprak een schepen:—Laat ons het bolleken in ’t water leggen en vervolgens voor ’t vuur stellen. Als het door een heimelijk middel toegeplakt is, zullen water en vuur het wel losmaken.Het water werd gebracht, de hangman stak een groot houtvuur aan; de blauwe rook steeg recht omhoog in den helderen hemel, tusschen de groene takken van den boom der justitie.—Steek den brief in de kom niet, sprak een schepen, want als hij geschreven is met opgelost ammoniakzout, zullen de letteren verdwijnen.—Neen, zeide een chirurgijn, die daar was, de letteren zullen niet verdwijnen, het water zal enkellijk het bestrijksel, hetwelk dit tooverbolleken toeplakt, weeker maken.Het perkament werd geweekt in het water, en, als het zachter was, werd het geopend.—Nu, zeide de chirurgijn, houdt het nu voor het vuur.—Ja, ja, zeide Nele, houdt het papier voor het vuur; messire chirurgijn is op weg naar de waarheid, want de moordenaar verbleekt, en siddert over heel zijn lichaam.Daarop sprak Joost Damman:—Ik verbleek noch ik sidder, kleine heks uit ’t gemeen, die op den dood van een edelman aast; maar gij zult er niet in slagen: dat papier moet gerot zijn na zestien jaar verblijf in den grond.—Het perkament is geenszins bedorven, zei de schepen, de beugeltasch was met zijde gevoerd; zijde vergaat niet in den grond, en de wormen hebben het perkament niet opgegeten.Het perkament werd voor ’t vuur gebracht.—Heer baljuw, heer baljuw, zeide Nele, hier voor het vuur komen reeds letteren te voorschijn: beveel dat men het schrift leze.De chirurgijn nam het perkament om het te lezen, als messire Joost Damman vlug de hand uitstak om het te grijpen; doch rap als de wind hield Nele zijnen arm tegen, en zij sprak:—Gij zult het niet aanraken, want daar staat uw dood of die van Katelijne geschreven. Bloedt thans uw herte, moordenaar, weet dat het onze reeds vijftien jaar lang bloedt; ’t is vijftien jaar dat Katelijne lijdt, dat heur geest in heur hoofd verbrand werd om uwentwil; ’t is vijftien jaar dat Soetkin stierf ten gevolge der smerten; ’t is vijftien jaar dat wij leven in kommer en ellende, hoewel wij fier het hoofd mogen verheffen. Lees het papier, lees het papier! De rechters zijn God op de wereld, want zij zijn Gerechtigheid. Lees het papier!—Lees het papier! riepen de mannen en vrouwlieden snikkend. Nele is moedig en braaf! Katelijne is geene tooveres.En de griffier las:„Aan Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap, Joost Damman, schildknaap, Heil!... Waarde vriend, verlies uw geld niet meer met kaarten, dobbelsteenen en andere dergelijke kansspelen. Ik zal u zeggen hoe men zeker is altijd geld te winnen: Laat ons duivelen worden, schoone duivelen, bemind door vrouwen en meidekens. De schoone en rijke vrouwlieden zullen wij nemen en de leelijken en armen daar laten; zij hebben heur genoegen maar te betalen. Op die wijze maakte ik in Duitschland, in zes maanden, vijfduizendrijksdaalders. De vrouwen zouden zich uitkleeden voor den man, dien zij liefhebben; vlied de gierige feeksen, die met tegenzin heur pleizier betalen. Wat u betreft, om schoon te wezen en een echte nachtduivel te schijnen, kondig uwe komst aan met ’t gekras van eenen roofvogel, als zij u in het duister willen ontvangen. En om u een gezicht te maken van een echten, verschrikkelijken duivel, wrijf het in met phosphorus, die bij plaatsen schittert als hij nat is. Hij stinkt, maar de vrouwen nemen dat voor den reuk van het solfer der helle. Dood al wie u hindert: ’t zij man, ’t zij vrouw of ’t zij beest.... Binnen kort gaan wij samen bij Katelijne, een schoone, goedhertige loddege; heure dochter, Nele, een kind van mij, als Katelijne mij trouw was, is een lief en beminnelijk meideken; zonder moeite zult gij ze nemen; ik schenk ze u, want ik geef niet om bastaards: men kan ze nooit met zekerheid voor zijn kroost erkennen. Heure moeder gaf mij reeds meer dan drie en twintig karolussen, gansch heure have. Maar zij verbergt eenen schat, die, als ik het goed voorheb, het erfdeel van Klaas is, den ketter, die te Damme levend verbrand werd: zevenhonderd karolussen, waar verbeurdverklaring op rust; doch de goede koning Philippus, die zoovele zijner onderdanen deed verbranden om te erven van hen, kon dien lieven schat in zijne klauwen niet krijgen. Hij zal zwaarder wegen in mijne tassche dan in de zijne; Katelijne zal mij zeggen waar hij is; wij zullen hem deelen. Maar gij moet mij ’t grootste deel laten, omdat ik de aanbrenger ben. Wat de vrouwen betreft, dewelke onze zachtmoedige dienaressen en verliefde slavinnen zullen wezen, die zullen wij naar Duitschland brengen. Daar zullen wij van heur nachtduivelinnetjes maken, en ze laten beslapen door alle rijke poorters en edellieden; wij en haarlieden zullen daar leven van de liefde, betaald met schoone rijksdaalders, panne, zijde, goud, perelen en juweelen; zoo worden wij, buiten weten van onze duivelinnetjes, bemind door de schoonsten onder de schoonen, en doen wij heur steeds voor onze liefde betalen. Al de vrouwen zijn zot en dwaselijk verknocht aan den man, die in haar het liefdevuur doet ontvlammen, hetwelk God onder heuren gordel stak. Katelijne en Nele zullen het nog meer wezen dan iemand, en zullen ons in alles gehoorzamen: behoud uwen voornaam, maar voer nooit den naam van uwen vader Rijnvisch. Neemt de rechter de vrouwen in hechtenis, dadelijk vertrekken wij zonder dat zij ons kennen of kunnen verraden. Help mij, mijne getrouwe. Defortuin lacht de jongelieden toe, zeide Zijne Heilige Majesteit Keizer Karel zaliger, dewelke een meester was in zaken van liefde en van oorlog”.En de griffier hield op met lezen en sprak:—Zoo luidt de brief en hij is geteekend: „Joost Damman, schildknaap”.En het volk riep:—Ter dood, de moordenaar! Ter dood, de tooveraar! In ’t vuur, de schavuit, die de vrouwlieden waanzinnig maakt! Aan de galg, de rabauw!Toen sprak de baljuw:—Zwijg, volk, opdat wij dien man in volle vrijheid kunnen oordeelen.En tot de schepenen zeide hij:—Ik wil u den tweeden brief lezen, dien Nele vond in den zak van Katelijne’s besten rok; hij luidt als volgt:„Geliefde tooveres, ziehier het recept eener zalve, dat de vrouw van Lucifer zelve mij zond: met die zalve zult gij u kunnen begeven in de zonne, de maan en de sterren; kunnen spreken met de sylphen, die aan God de gebeden der menschen overbrengen, en alle steden, dorpen, rivieren, beemden van ’t gansche heelal kunnen bezoeken. Stamp ondereen, bij gelijke deelen, stramonium, solanum somniferum, bilzenkruid, opium, versche henneptoppen, belladonna en datura.... Als gij wilt, zullen wij dezen avond samen naar den sabbat der geesten gaan: maar gij moet mij meerder beminnen en zoo gierig niet zijn, gelijk dien avond, toen gij mij tien gulden weigerdet, onder voorwendsel dat gij ze niet hadt. Ik weet, dat gij eenen schat verbergt en het mij niet wilt bekennen. Bemint gij mij niet meer, mijne liefste?„Uw koude duivel,„Hansken”.—Ter dood, de tooveraar! riep het volk.De baljuw sprak:—Wij moeten de twee schriften vergelijken.Dit werd gedaan, en zij werden eender bevonden.Toen sprak de baljuw tot de aanwezige heeren en edellieden:—Herkent gij den beklaagde voor messire Joost Damman, zoon van den schepene van de keure van Gent?—Ja, zeiden zij.—Kendet gij, sprak hij, messire Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap?Een der edellieden, die Vander Zickele hiet, nam het woord en sprak:—Ik ben van Gent, mijn steen staat op de Hoogpoort; ik ken Willem Rijnvisch, schepene van de keure van Gent. Hij verloor, over een vijftiental jaren, een zoon van drie en twintig jaar, een losbol, een speler, een luierik; maar men vergaf hem zijne gebreken, om den wille van zijn jeugdigen leeftijd. Sedert dien tijd kreeg nooit iemand miede van hem. Ik vraag om het zweerd, den dolk en de beugeltassche van den verslagene te zien.Toen hij die voor zich had, sprak hij:—Op den knop van het hecht van het zweerd en den dolk staan de wapenen van het geslacht Rijnvisch, hetwelk voert, in blauw, drie zilveren visschen. Die zelfde wapenen zie ik op een gouden schild tusschen de maliën der beugeltassche. Welke is die andere dolk?De baljuw sprak:—Die dolk stak in het lichaam van Hilbert Rijnvisch, zoon van Willem.—Daarop herken ik de wapens der Damman’s: in zilver, een roode toren.—Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!De andere edellieden zeiden insgelijks:—Die wapenen herkennen wij voor die van Rijnvisch en van Damman. Zoo helpen ons God en al zijne santen!Toen zei de baljuw:—Gehoord en gelezen de voor de Vierschaar gebrachte getuigenissen en oorkonden, is naar rechte ten genoege gebleken, dat Joost Damman, „gecommitteerd hebbende de crimen van tooverije, doodslag, zotmaking van vrouwlieden, diefte van ’s konings goedingen, wezende de abominabelste zonden die men ter wereld kan bedrijven, schuldig is aancrimen divinae laesae majestatis, geenszins lijdelijk zonder exemplaire pugnitie”.—Dat zegt gij, messire baljuw, hernam Joost, doch bij gebreke aan genoegzame bewijzen, kunt gij mij niet veroordeelen; tooveraar ben ik niet of was ik nooit; enkellijk speelde ik het spel van den duivel. Wat mijn helder gezicht betreft, nu weetgij het middel, dat ik daartoe gebruikte. De zalve, hoewel zij bilzenkruid, een vergiftige plant, bevat, is enkel slaapverwekkend. Als die vrouw, die een ware tooveres is, er van nam, verviel zij in slaapdronkenheid en droomde zij, dat zij naar den sabbat ging en er danste met het gezicht buitenwaarts van de ronde, alsook dat zij eenen duivel aanbad in de gedaante van eenen bok, op een autaar gezeten. Als de rondedans gedaan was, droomde zij, dat zij den duivel ging kussen onder zijnen steert, gelijk de tooveraars doen, tot teeken van onderdanigheid. Als ik, naar zij zegt, koude armen en een frisch lichaam had, is dit een teeken van jeugd en geenszins van tooverij. Frischheid is niet bestand tegen het werk des vleesches. Maar Katelijne nam heure wenschen voor werkelijkheid en aanzag mij dus voor eenen duivel, hoewel ik een mensch ben, gelijk gijlie. Zij alleen is schuldig om mij, voor eenen duivel nemende, in heur bed aanveerd te hebben; aldus zondigde zij met wil en met daad tegen God en tegen den Heiligen Geest. Zij dus is het, maar ik niet, die de misdaad van tooverij beging, die strafbaar is met den viere, als een razende en boosaardige tooveres, die voor uitzinnig wil doorgaan, ten einde heure boosaardigheid te verbergen.Doch Nele riep:—Hoort gij den moordenaar? Als loddegen, als veile deernen, dewelke een schijfje op den arm dragen, dreef hij handel in liefde. Hoort gij hem? om zich te redden, wil hij degene doen verbranden, welke hem alles gaf.—Nele is stout, zeide Katelijne, Hans, mijn liefste, luister naar heur niet.—Neen, vervolgde Nele, gij zijt geen mensch: gij zijt een lafhertige, wreedaardige duivel!En, Katelijne in de armen nemend:—Heeren rechters, riep zij, luistert niet naar dien bleeken booswicht; hij heeft maar éénen wensch: mijne moeder levend te zien verbranden, hoewel zij geen andere misdaad bedreef, dan door God met uitzinnigheid getroffen te worden en de schimmen heurer droomen voor echt te aanzien. Veel reeds heeft zij geleden naar lichaam en geest. Doet ze niet sterven, heeren rechters. Laat de uitzinnige heur treurig leven eindigen in vrede.En Katelijne sprak:—Nele is stout, ge moet ze niet gelooven, Hansken, mijn vriend.En in het volk weenden de vrouwlieden en riepen de mannen:—Genade voor Katelijne!Op belijdenissen, die Joost Damman na nieuwe folteringen deed, brachten de baljuw en de schepenen hunne sententie te zijnen opzichte uit: hij werd veroordeeld om te worden ontadeld en levend verbrand met zacht vuur, totdat de dood er op volgde.’s Anderen daags doorstond hij de doodstraf voor de pui van het Schepenhuis, gedurig roepend:—Doet de tooveres sterven; zij alleen is schuldig. Gevloekt weze God! mijn vader zal de rechters vermoorden!En hij gaf den geest.En het volk zeide:—Hoort hoe hij God vloekt en lastert, hij sterft als een hond.’s Anderen daags brachten de baljuw en de schepenen hun vonnis uit ten opzichte van Katelijne: zij werd veroordeeld om de waterproef te doorstaan, in de Brugsche vaart. Zoo zij boven dreef, zou zij als tooveres worden verbrand; zoo zij zonk en stierf, zou zij beschouwd worden als op kerstene wijze gestorven en als dusdanig op ’t kerkhof begraven.’s Anderen daags werd Katelijne, baarvoets, gekleed met een zwart linnen hemde, en met eene waskeers in heure hand, processiegewijs gebracht tot aan de vaart, langsheen de boomen. Vóór heur gingen, de gebeden der dooden zingend, de deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk, zijne vicarissen, de koster met het kruis; en achter heur, de baljuw van Damme, de schepenen, de griffiers, de serjanten der gemeente, de provoost, de hangman en zijne beide knechts. Op de beide oevers stond een groote menigte vrouwen, die weenden, en mannen, die morden, uit medelijden met Katelijne, dewelke gedwee als een lam zich liet leiden zonder te weten waarheen, en gedurig zei:—Doet het vuur weg, mijn hoofd brandt! Hansken, waar zijt gij?Nele, die te midden van de vrouwen stond, riep:—Ik wil met heur in ’t water worden gesmeten!Maar de vrouwen lieten heur omtrent Katelijne niet komen.Een scherpe wind blies van de zee; een fijne hagel viel uit den loodgrijzen hemel in het water der vaart; eene boot lag daar vastgemeerd; de hangman en zijne knechts namen dezelve in naam Zijner Koninklijke Majesteit. Op hun bevel stapte Katelijne er in: de beul stond recht in de boot en hield Katelijne vast, en, op een teeken van den provoost met de roede der justitie, smeet hij ze in de vaart. Zij spartelde, doch niet lang, en zonk nog roepende:—Hans! Hans! help mij!En het volk zeide:—Die vrouw is geene tooveres.Mannen sprongen in de vaart en trokken Katelijne er uit, dewelke van heurzelve was en stijf als eene doode. Zij werd in eene taveerne gebracht en voor een groot vuur nedergelegd; Nele trok heur nat hemd uit en deed heur een ander aan; toen zij tot zich zelve kwam, zegde zij bibberend en klappertandend:—Hans, geef mij een wollen mantel.En Katelijne kon zich niet verwarmen. En den derden dag stierf zij. En zij werd op ’t kerkhof begraven, in gewijde aarde.En Nele toog henen naar Holland, bij Rosa van Auweghem.
VI.Toen was men in de Bloeimaand; de boom der justitie was groen, insgelijks groen waren de banken van graszoden, op dewelke de rechters waren gezeten. Nele werd ter oorkondschap geroepen. Dien dag moest het vonnis uitgesproken worden.En het volk: mannen, vrouwlieden, poorters en arbeiders stonden rond de vierschaar; en de zonne scheen helder.Katelijne en Joost Damman werden voor de vierschaar gebracht; en Damman zag er nog bleeker uit, ter oorzake van de torture, van den dorst en van de slapelooze nachten.Katelijne, die zich op heure waggelende beenen niet rechthouden kon, wees naar de zonne en sprak:—Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt!En met teedere liefde zag zij naar Joost Damman.En deze bekeek heur met haat en verachting.En de heeren en edelen, zijne vrienden, die naar Damme waren ontboden, waren allen als getuigen voor de vierschaar aanwezig.Toen sprak de baljuw:—Nele, de dochter, die heure moeder Katelijne met zooveel genegenheid verdedigt, heeft in den genaaiden zak van den besten rok derzelfde Katelijne een briefje gevonden, geteekend „Hansken”. In de beugeltassche, gevonden op het lijk van Hilbert Rijnvisch, stak een andere brief, aan hem gezonden door Joost Damman, beschuldigde alhier tegenwoordig. Beide brieven heb ik bewaard, opdat gij op het gepaste oogenblik, dat thans aangebroken is, zoudt kunnen oordeelen over de hardnekkigheid van dien man en hem vrijspreken of veroordeelen, naarvolgens wet en gerechtigheid. Hier is het perkament, in de beugeltasch gevonden; ik deed het niet open en weet niet of het leesbaar is of niet.Toen waren de rechters in groote verlegenheid.De baljuw beproefde het bolleken perkament los te maken, doch te vergeefs; en Joost Damman schompermuilde.Toen sprak een schepen:—Laat ons het bolleken in ’t water leggen en vervolgens voor ’t vuur stellen. Als het door een heimelijk middel toegeplakt is, zullen water en vuur het wel losmaken.Het water werd gebracht, de hangman stak een groot houtvuur aan; de blauwe rook steeg recht omhoog in den helderen hemel, tusschen de groene takken van den boom der justitie.—Steek den brief in de kom niet, sprak een schepen, want als hij geschreven is met opgelost ammoniakzout, zullen de letteren verdwijnen.—Neen, zeide een chirurgijn, die daar was, de letteren zullen niet verdwijnen, het water zal enkellijk het bestrijksel, hetwelk dit tooverbolleken toeplakt, weeker maken.Het perkament werd geweekt in het water, en, als het zachter was, werd het geopend.—Nu, zeide de chirurgijn, houdt het nu voor het vuur.—Ja, ja, zeide Nele, houdt het papier voor het vuur; messire chirurgijn is op weg naar de waarheid, want de moordenaar verbleekt, en siddert over heel zijn lichaam.Daarop sprak Joost Damman:—Ik verbleek noch ik sidder, kleine heks uit ’t gemeen, die op den dood van een edelman aast; maar gij zult er niet in slagen: dat papier moet gerot zijn na zestien jaar verblijf in den grond.—Het perkament is geenszins bedorven, zei de schepen, de beugeltasch was met zijde gevoerd; zijde vergaat niet in den grond, en de wormen hebben het perkament niet opgegeten.Het perkament werd voor ’t vuur gebracht.—Heer baljuw, heer baljuw, zeide Nele, hier voor het vuur komen reeds letteren te voorschijn: beveel dat men het schrift leze.De chirurgijn nam het perkament om het te lezen, als messire Joost Damman vlug de hand uitstak om het te grijpen; doch rap als de wind hield Nele zijnen arm tegen, en zij sprak:—Gij zult het niet aanraken, want daar staat uw dood of die van Katelijne geschreven. Bloedt thans uw herte, moordenaar, weet dat het onze reeds vijftien jaar lang bloedt; ’t is vijftien jaar dat Katelijne lijdt, dat heur geest in heur hoofd verbrand werd om uwentwil; ’t is vijftien jaar dat Soetkin stierf ten gevolge der smerten; ’t is vijftien jaar dat wij leven in kommer en ellende, hoewel wij fier het hoofd mogen verheffen. Lees het papier, lees het papier! De rechters zijn God op de wereld, want zij zijn Gerechtigheid. Lees het papier!—Lees het papier! riepen de mannen en vrouwlieden snikkend. Nele is moedig en braaf! Katelijne is geene tooveres.En de griffier las:„Aan Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap, Joost Damman, schildknaap, Heil!... Waarde vriend, verlies uw geld niet meer met kaarten, dobbelsteenen en andere dergelijke kansspelen. Ik zal u zeggen hoe men zeker is altijd geld te winnen: Laat ons duivelen worden, schoone duivelen, bemind door vrouwen en meidekens. De schoone en rijke vrouwlieden zullen wij nemen en de leelijken en armen daar laten; zij hebben heur genoegen maar te betalen. Op die wijze maakte ik in Duitschland, in zes maanden, vijfduizendrijksdaalders. De vrouwen zouden zich uitkleeden voor den man, dien zij liefhebben; vlied de gierige feeksen, die met tegenzin heur pleizier betalen. Wat u betreft, om schoon te wezen en een echte nachtduivel te schijnen, kondig uwe komst aan met ’t gekras van eenen roofvogel, als zij u in het duister willen ontvangen. En om u een gezicht te maken van een echten, verschrikkelijken duivel, wrijf het in met phosphorus, die bij plaatsen schittert als hij nat is. Hij stinkt, maar de vrouwen nemen dat voor den reuk van het solfer der helle. Dood al wie u hindert: ’t zij man, ’t zij vrouw of ’t zij beest.... Binnen kort gaan wij samen bij Katelijne, een schoone, goedhertige loddege; heure dochter, Nele, een kind van mij, als Katelijne mij trouw was, is een lief en beminnelijk meideken; zonder moeite zult gij ze nemen; ik schenk ze u, want ik geef niet om bastaards: men kan ze nooit met zekerheid voor zijn kroost erkennen. Heure moeder gaf mij reeds meer dan drie en twintig karolussen, gansch heure have. Maar zij verbergt eenen schat, die, als ik het goed voorheb, het erfdeel van Klaas is, den ketter, die te Damme levend verbrand werd: zevenhonderd karolussen, waar verbeurdverklaring op rust; doch de goede koning Philippus, die zoovele zijner onderdanen deed verbranden om te erven van hen, kon dien lieven schat in zijne klauwen niet krijgen. Hij zal zwaarder wegen in mijne tassche dan in de zijne; Katelijne zal mij zeggen waar hij is; wij zullen hem deelen. Maar gij moet mij ’t grootste deel laten, omdat ik de aanbrenger ben. Wat de vrouwen betreft, dewelke onze zachtmoedige dienaressen en verliefde slavinnen zullen wezen, die zullen wij naar Duitschland brengen. Daar zullen wij van heur nachtduivelinnetjes maken, en ze laten beslapen door alle rijke poorters en edellieden; wij en haarlieden zullen daar leven van de liefde, betaald met schoone rijksdaalders, panne, zijde, goud, perelen en juweelen; zoo worden wij, buiten weten van onze duivelinnetjes, bemind door de schoonsten onder de schoonen, en doen wij heur steeds voor onze liefde betalen. Al de vrouwen zijn zot en dwaselijk verknocht aan den man, die in haar het liefdevuur doet ontvlammen, hetwelk God onder heuren gordel stak. Katelijne en Nele zullen het nog meer wezen dan iemand, en zullen ons in alles gehoorzamen: behoud uwen voornaam, maar voer nooit den naam van uwen vader Rijnvisch. Neemt de rechter de vrouwen in hechtenis, dadelijk vertrekken wij zonder dat zij ons kennen of kunnen verraden. Help mij, mijne getrouwe. Defortuin lacht de jongelieden toe, zeide Zijne Heilige Majesteit Keizer Karel zaliger, dewelke een meester was in zaken van liefde en van oorlog”.En de griffier hield op met lezen en sprak:—Zoo luidt de brief en hij is geteekend: „Joost Damman, schildknaap”.En het volk riep:—Ter dood, de moordenaar! Ter dood, de tooveraar! In ’t vuur, de schavuit, die de vrouwlieden waanzinnig maakt! Aan de galg, de rabauw!Toen sprak de baljuw:—Zwijg, volk, opdat wij dien man in volle vrijheid kunnen oordeelen.En tot de schepenen zeide hij:—Ik wil u den tweeden brief lezen, dien Nele vond in den zak van Katelijne’s besten rok; hij luidt als volgt:„Geliefde tooveres, ziehier het recept eener zalve, dat de vrouw van Lucifer zelve mij zond: met die zalve zult gij u kunnen begeven in de zonne, de maan en de sterren; kunnen spreken met de sylphen, die aan God de gebeden der menschen overbrengen, en alle steden, dorpen, rivieren, beemden van ’t gansche heelal kunnen bezoeken. Stamp ondereen, bij gelijke deelen, stramonium, solanum somniferum, bilzenkruid, opium, versche henneptoppen, belladonna en datura.... Als gij wilt, zullen wij dezen avond samen naar den sabbat der geesten gaan: maar gij moet mij meerder beminnen en zoo gierig niet zijn, gelijk dien avond, toen gij mij tien gulden weigerdet, onder voorwendsel dat gij ze niet hadt. Ik weet, dat gij eenen schat verbergt en het mij niet wilt bekennen. Bemint gij mij niet meer, mijne liefste?„Uw koude duivel,„Hansken”.—Ter dood, de tooveraar! riep het volk.De baljuw sprak:—Wij moeten de twee schriften vergelijken.Dit werd gedaan, en zij werden eender bevonden.Toen sprak de baljuw tot de aanwezige heeren en edellieden:—Herkent gij den beklaagde voor messire Joost Damman, zoon van den schepene van de keure van Gent?—Ja, zeiden zij.—Kendet gij, sprak hij, messire Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap?Een der edellieden, die Vander Zickele hiet, nam het woord en sprak:—Ik ben van Gent, mijn steen staat op de Hoogpoort; ik ken Willem Rijnvisch, schepene van de keure van Gent. Hij verloor, over een vijftiental jaren, een zoon van drie en twintig jaar, een losbol, een speler, een luierik; maar men vergaf hem zijne gebreken, om den wille van zijn jeugdigen leeftijd. Sedert dien tijd kreeg nooit iemand miede van hem. Ik vraag om het zweerd, den dolk en de beugeltassche van den verslagene te zien.Toen hij die voor zich had, sprak hij:—Op den knop van het hecht van het zweerd en den dolk staan de wapenen van het geslacht Rijnvisch, hetwelk voert, in blauw, drie zilveren visschen. Die zelfde wapenen zie ik op een gouden schild tusschen de maliën der beugeltassche. Welke is die andere dolk?De baljuw sprak:—Die dolk stak in het lichaam van Hilbert Rijnvisch, zoon van Willem.—Daarop herken ik de wapens der Damman’s: in zilver, een roode toren.—Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!De andere edellieden zeiden insgelijks:—Die wapenen herkennen wij voor die van Rijnvisch en van Damman. Zoo helpen ons God en al zijne santen!Toen zei de baljuw:—Gehoord en gelezen de voor de Vierschaar gebrachte getuigenissen en oorkonden, is naar rechte ten genoege gebleken, dat Joost Damman, „gecommitteerd hebbende de crimen van tooverije, doodslag, zotmaking van vrouwlieden, diefte van ’s konings goedingen, wezende de abominabelste zonden die men ter wereld kan bedrijven, schuldig is aancrimen divinae laesae majestatis, geenszins lijdelijk zonder exemplaire pugnitie”.—Dat zegt gij, messire baljuw, hernam Joost, doch bij gebreke aan genoegzame bewijzen, kunt gij mij niet veroordeelen; tooveraar ben ik niet of was ik nooit; enkellijk speelde ik het spel van den duivel. Wat mijn helder gezicht betreft, nu weetgij het middel, dat ik daartoe gebruikte. De zalve, hoewel zij bilzenkruid, een vergiftige plant, bevat, is enkel slaapverwekkend. Als die vrouw, die een ware tooveres is, er van nam, verviel zij in slaapdronkenheid en droomde zij, dat zij naar den sabbat ging en er danste met het gezicht buitenwaarts van de ronde, alsook dat zij eenen duivel aanbad in de gedaante van eenen bok, op een autaar gezeten. Als de rondedans gedaan was, droomde zij, dat zij den duivel ging kussen onder zijnen steert, gelijk de tooveraars doen, tot teeken van onderdanigheid. Als ik, naar zij zegt, koude armen en een frisch lichaam had, is dit een teeken van jeugd en geenszins van tooverij. Frischheid is niet bestand tegen het werk des vleesches. Maar Katelijne nam heure wenschen voor werkelijkheid en aanzag mij dus voor eenen duivel, hoewel ik een mensch ben, gelijk gijlie. Zij alleen is schuldig om mij, voor eenen duivel nemende, in heur bed aanveerd te hebben; aldus zondigde zij met wil en met daad tegen God en tegen den Heiligen Geest. Zij dus is het, maar ik niet, die de misdaad van tooverij beging, die strafbaar is met den viere, als een razende en boosaardige tooveres, die voor uitzinnig wil doorgaan, ten einde heure boosaardigheid te verbergen.Doch Nele riep:—Hoort gij den moordenaar? Als loddegen, als veile deernen, dewelke een schijfje op den arm dragen, dreef hij handel in liefde. Hoort gij hem? om zich te redden, wil hij degene doen verbranden, welke hem alles gaf.—Nele is stout, zeide Katelijne, Hans, mijn liefste, luister naar heur niet.—Neen, vervolgde Nele, gij zijt geen mensch: gij zijt een lafhertige, wreedaardige duivel!En, Katelijne in de armen nemend:—Heeren rechters, riep zij, luistert niet naar dien bleeken booswicht; hij heeft maar éénen wensch: mijne moeder levend te zien verbranden, hoewel zij geen andere misdaad bedreef, dan door God met uitzinnigheid getroffen te worden en de schimmen heurer droomen voor echt te aanzien. Veel reeds heeft zij geleden naar lichaam en geest. Doet ze niet sterven, heeren rechters. Laat de uitzinnige heur treurig leven eindigen in vrede.En Katelijne sprak:—Nele is stout, ge moet ze niet gelooven, Hansken, mijn vriend.En in het volk weenden de vrouwlieden en riepen de mannen:—Genade voor Katelijne!Op belijdenissen, die Joost Damman na nieuwe folteringen deed, brachten de baljuw en de schepenen hunne sententie te zijnen opzichte uit: hij werd veroordeeld om te worden ontadeld en levend verbrand met zacht vuur, totdat de dood er op volgde.’s Anderen daags doorstond hij de doodstraf voor de pui van het Schepenhuis, gedurig roepend:—Doet de tooveres sterven; zij alleen is schuldig. Gevloekt weze God! mijn vader zal de rechters vermoorden!En hij gaf den geest.En het volk zeide:—Hoort hoe hij God vloekt en lastert, hij sterft als een hond.’s Anderen daags brachten de baljuw en de schepenen hun vonnis uit ten opzichte van Katelijne: zij werd veroordeeld om de waterproef te doorstaan, in de Brugsche vaart. Zoo zij boven dreef, zou zij als tooveres worden verbrand; zoo zij zonk en stierf, zou zij beschouwd worden als op kerstene wijze gestorven en als dusdanig op ’t kerkhof begraven.’s Anderen daags werd Katelijne, baarvoets, gekleed met een zwart linnen hemde, en met eene waskeers in heure hand, processiegewijs gebracht tot aan de vaart, langsheen de boomen. Vóór heur gingen, de gebeden der dooden zingend, de deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk, zijne vicarissen, de koster met het kruis; en achter heur, de baljuw van Damme, de schepenen, de griffiers, de serjanten der gemeente, de provoost, de hangman en zijne beide knechts. Op de beide oevers stond een groote menigte vrouwen, die weenden, en mannen, die morden, uit medelijden met Katelijne, dewelke gedwee als een lam zich liet leiden zonder te weten waarheen, en gedurig zei:—Doet het vuur weg, mijn hoofd brandt! Hansken, waar zijt gij?Nele, die te midden van de vrouwen stond, riep:—Ik wil met heur in ’t water worden gesmeten!Maar de vrouwen lieten heur omtrent Katelijne niet komen.Een scherpe wind blies van de zee; een fijne hagel viel uit den loodgrijzen hemel in het water der vaart; eene boot lag daar vastgemeerd; de hangman en zijne knechts namen dezelve in naam Zijner Koninklijke Majesteit. Op hun bevel stapte Katelijne er in: de beul stond recht in de boot en hield Katelijne vast, en, op een teeken van den provoost met de roede der justitie, smeet hij ze in de vaart. Zij spartelde, doch niet lang, en zonk nog roepende:—Hans! Hans! help mij!En het volk zeide:—Die vrouw is geene tooveres.Mannen sprongen in de vaart en trokken Katelijne er uit, dewelke van heurzelve was en stijf als eene doode. Zij werd in eene taveerne gebracht en voor een groot vuur nedergelegd; Nele trok heur nat hemd uit en deed heur een ander aan; toen zij tot zich zelve kwam, zegde zij bibberend en klappertandend:—Hans, geef mij een wollen mantel.En Katelijne kon zich niet verwarmen. En den derden dag stierf zij. En zij werd op ’t kerkhof begraven, in gewijde aarde.En Nele toog henen naar Holland, bij Rosa van Auweghem.
VI.
Toen was men in de Bloeimaand; de boom der justitie was groen, insgelijks groen waren de banken van graszoden, op dewelke de rechters waren gezeten. Nele werd ter oorkondschap geroepen. Dien dag moest het vonnis uitgesproken worden.En het volk: mannen, vrouwlieden, poorters en arbeiders stonden rond de vierschaar; en de zonne scheen helder.Katelijne en Joost Damman werden voor de vierschaar gebracht; en Damman zag er nog bleeker uit, ter oorzake van de torture, van den dorst en van de slapelooze nachten.Katelijne, die zich op heure waggelende beenen niet rechthouden kon, wees naar de zonne en sprak:—Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt!En met teedere liefde zag zij naar Joost Damman.En deze bekeek heur met haat en verachting.En de heeren en edelen, zijne vrienden, die naar Damme waren ontboden, waren allen als getuigen voor de vierschaar aanwezig.Toen sprak de baljuw:—Nele, de dochter, die heure moeder Katelijne met zooveel genegenheid verdedigt, heeft in den genaaiden zak van den besten rok derzelfde Katelijne een briefje gevonden, geteekend „Hansken”. In de beugeltassche, gevonden op het lijk van Hilbert Rijnvisch, stak een andere brief, aan hem gezonden door Joost Damman, beschuldigde alhier tegenwoordig. Beide brieven heb ik bewaard, opdat gij op het gepaste oogenblik, dat thans aangebroken is, zoudt kunnen oordeelen over de hardnekkigheid van dien man en hem vrijspreken of veroordeelen, naarvolgens wet en gerechtigheid. Hier is het perkament, in de beugeltasch gevonden; ik deed het niet open en weet niet of het leesbaar is of niet.Toen waren de rechters in groote verlegenheid.De baljuw beproefde het bolleken perkament los te maken, doch te vergeefs; en Joost Damman schompermuilde.Toen sprak een schepen:—Laat ons het bolleken in ’t water leggen en vervolgens voor ’t vuur stellen. Als het door een heimelijk middel toegeplakt is, zullen water en vuur het wel losmaken.Het water werd gebracht, de hangman stak een groot houtvuur aan; de blauwe rook steeg recht omhoog in den helderen hemel, tusschen de groene takken van den boom der justitie.—Steek den brief in de kom niet, sprak een schepen, want als hij geschreven is met opgelost ammoniakzout, zullen de letteren verdwijnen.—Neen, zeide een chirurgijn, die daar was, de letteren zullen niet verdwijnen, het water zal enkellijk het bestrijksel, hetwelk dit tooverbolleken toeplakt, weeker maken.Het perkament werd geweekt in het water, en, als het zachter was, werd het geopend.—Nu, zeide de chirurgijn, houdt het nu voor het vuur.—Ja, ja, zeide Nele, houdt het papier voor het vuur; messire chirurgijn is op weg naar de waarheid, want de moordenaar verbleekt, en siddert over heel zijn lichaam.Daarop sprak Joost Damman:—Ik verbleek noch ik sidder, kleine heks uit ’t gemeen, die op den dood van een edelman aast; maar gij zult er niet in slagen: dat papier moet gerot zijn na zestien jaar verblijf in den grond.—Het perkament is geenszins bedorven, zei de schepen, de beugeltasch was met zijde gevoerd; zijde vergaat niet in den grond, en de wormen hebben het perkament niet opgegeten.Het perkament werd voor ’t vuur gebracht.—Heer baljuw, heer baljuw, zeide Nele, hier voor het vuur komen reeds letteren te voorschijn: beveel dat men het schrift leze.De chirurgijn nam het perkament om het te lezen, als messire Joost Damman vlug de hand uitstak om het te grijpen; doch rap als de wind hield Nele zijnen arm tegen, en zij sprak:—Gij zult het niet aanraken, want daar staat uw dood of die van Katelijne geschreven. Bloedt thans uw herte, moordenaar, weet dat het onze reeds vijftien jaar lang bloedt; ’t is vijftien jaar dat Katelijne lijdt, dat heur geest in heur hoofd verbrand werd om uwentwil; ’t is vijftien jaar dat Soetkin stierf ten gevolge der smerten; ’t is vijftien jaar dat wij leven in kommer en ellende, hoewel wij fier het hoofd mogen verheffen. Lees het papier, lees het papier! De rechters zijn God op de wereld, want zij zijn Gerechtigheid. Lees het papier!—Lees het papier! riepen de mannen en vrouwlieden snikkend. Nele is moedig en braaf! Katelijne is geene tooveres.En de griffier las:„Aan Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap, Joost Damman, schildknaap, Heil!... Waarde vriend, verlies uw geld niet meer met kaarten, dobbelsteenen en andere dergelijke kansspelen. Ik zal u zeggen hoe men zeker is altijd geld te winnen: Laat ons duivelen worden, schoone duivelen, bemind door vrouwen en meidekens. De schoone en rijke vrouwlieden zullen wij nemen en de leelijken en armen daar laten; zij hebben heur genoegen maar te betalen. Op die wijze maakte ik in Duitschland, in zes maanden, vijfduizendrijksdaalders. De vrouwen zouden zich uitkleeden voor den man, dien zij liefhebben; vlied de gierige feeksen, die met tegenzin heur pleizier betalen. Wat u betreft, om schoon te wezen en een echte nachtduivel te schijnen, kondig uwe komst aan met ’t gekras van eenen roofvogel, als zij u in het duister willen ontvangen. En om u een gezicht te maken van een echten, verschrikkelijken duivel, wrijf het in met phosphorus, die bij plaatsen schittert als hij nat is. Hij stinkt, maar de vrouwen nemen dat voor den reuk van het solfer der helle. Dood al wie u hindert: ’t zij man, ’t zij vrouw of ’t zij beest.... Binnen kort gaan wij samen bij Katelijne, een schoone, goedhertige loddege; heure dochter, Nele, een kind van mij, als Katelijne mij trouw was, is een lief en beminnelijk meideken; zonder moeite zult gij ze nemen; ik schenk ze u, want ik geef niet om bastaards: men kan ze nooit met zekerheid voor zijn kroost erkennen. Heure moeder gaf mij reeds meer dan drie en twintig karolussen, gansch heure have. Maar zij verbergt eenen schat, die, als ik het goed voorheb, het erfdeel van Klaas is, den ketter, die te Damme levend verbrand werd: zevenhonderd karolussen, waar verbeurdverklaring op rust; doch de goede koning Philippus, die zoovele zijner onderdanen deed verbranden om te erven van hen, kon dien lieven schat in zijne klauwen niet krijgen. Hij zal zwaarder wegen in mijne tassche dan in de zijne; Katelijne zal mij zeggen waar hij is; wij zullen hem deelen. Maar gij moet mij ’t grootste deel laten, omdat ik de aanbrenger ben. Wat de vrouwen betreft, dewelke onze zachtmoedige dienaressen en verliefde slavinnen zullen wezen, die zullen wij naar Duitschland brengen. Daar zullen wij van heur nachtduivelinnetjes maken, en ze laten beslapen door alle rijke poorters en edellieden; wij en haarlieden zullen daar leven van de liefde, betaald met schoone rijksdaalders, panne, zijde, goud, perelen en juweelen; zoo worden wij, buiten weten van onze duivelinnetjes, bemind door de schoonsten onder de schoonen, en doen wij heur steeds voor onze liefde betalen. Al de vrouwen zijn zot en dwaselijk verknocht aan den man, die in haar het liefdevuur doet ontvlammen, hetwelk God onder heuren gordel stak. Katelijne en Nele zullen het nog meer wezen dan iemand, en zullen ons in alles gehoorzamen: behoud uwen voornaam, maar voer nooit den naam van uwen vader Rijnvisch. Neemt de rechter de vrouwen in hechtenis, dadelijk vertrekken wij zonder dat zij ons kennen of kunnen verraden. Help mij, mijne getrouwe. Defortuin lacht de jongelieden toe, zeide Zijne Heilige Majesteit Keizer Karel zaliger, dewelke een meester was in zaken van liefde en van oorlog”.En de griffier hield op met lezen en sprak:—Zoo luidt de brief en hij is geteekend: „Joost Damman, schildknaap”.En het volk riep:—Ter dood, de moordenaar! Ter dood, de tooveraar! In ’t vuur, de schavuit, die de vrouwlieden waanzinnig maakt! Aan de galg, de rabauw!Toen sprak de baljuw:—Zwijg, volk, opdat wij dien man in volle vrijheid kunnen oordeelen.En tot de schepenen zeide hij:—Ik wil u den tweeden brief lezen, dien Nele vond in den zak van Katelijne’s besten rok; hij luidt als volgt:„Geliefde tooveres, ziehier het recept eener zalve, dat de vrouw van Lucifer zelve mij zond: met die zalve zult gij u kunnen begeven in de zonne, de maan en de sterren; kunnen spreken met de sylphen, die aan God de gebeden der menschen overbrengen, en alle steden, dorpen, rivieren, beemden van ’t gansche heelal kunnen bezoeken. Stamp ondereen, bij gelijke deelen, stramonium, solanum somniferum, bilzenkruid, opium, versche henneptoppen, belladonna en datura.... Als gij wilt, zullen wij dezen avond samen naar den sabbat der geesten gaan: maar gij moet mij meerder beminnen en zoo gierig niet zijn, gelijk dien avond, toen gij mij tien gulden weigerdet, onder voorwendsel dat gij ze niet hadt. Ik weet, dat gij eenen schat verbergt en het mij niet wilt bekennen. Bemint gij mij niet meer, mijne liefste?„Uw koude duivel,„Hansken”.—Ter dood, de tooveraar! riep het volk.De baljuw sprak:—Wij moeten de twee schriften vergelijken.Dit werd gedaan, en zij werden eender bevonden.Toen sprak de baljuw tot de aanwezige heeren en edellieden:—Herkent gij den beklaagde voor messire Joost Damman, zoon van den schepene van de keure van Gent?—Ja, zeiden zij.—Kendet gij, sprak hij, messire Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap?Een der edellieden, die Vander Zickele hiet, nam het woord en sprak:—Ik ben van Gent, mijn steen staat op de Hoogpoort; ik ken Willem Rijnvisch, schepene van de keure van Gent. Hij verloor, over een vijftiental jaren, een zoon van drie en twintig jaar, een losbol, een speler, een luierik; maar men vergaf hem zijne gebreken, om den wille van zijn jeugdigen leeftijd. Sedert dien tijd kreeg nooit iemand miede van hem. Ik vraag om het zweerd, den dolk en de beugeltassche van den verslagene te zien.Toen hij die voor zich had, sprak hij:—Op den knop van het hecht van het zweerd en den dolk staan de wapenen van het geslacht Rijnvisch, hetwelk voert, in blauw, drie zilveren visschen. Die zelfde wapenen zie ik op een gouden schild tusschen de maliën der beugeltassche. Welke is die andere dolk?De baljuw sprak:—Die dolk stak in het lichaam van Hilbert Rijnvisch, zoon van Willem.—Daarop herken ik de wapens der Damman’s: in zilver, een roode toren.—Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!De andere edellieden zeiden insgelijks:—Die wapenen herkennen wij voor die van Rijnvisch en van Damman. Zoo helpen ons God en al zijne santen!Toen zei de baljuw:—Gehoord en gelezen de voor de Vierschaar gebrachte getuigenissen en oorkonden, is naar rechte ten genoege gebleken, dat Joost Damman, „gecommitteerd hebbende de crimen van tooverije, doodslag, zotmaking van vrouwlieden, diefte van ’s konings goedingen, wezende de abominabelste zonden die men ter wereld kan bedrijven, schuldig is aancrimen divinae laesae majestatis, geenszins lijdelijk zonder exemplaire pugnitie”.—Dat zegt gij, messire baljuw, hernam Joost, doch bij gebreke aan genoegzame bewijzen, kunt gij mij niet veroordeelen; tooveraar ben ik niet of was ik nooit; enkellijk speelde ik het spel van den duivel. Wat mijn helder gezicht betreft, nu weetgij het middel, dat ik daartoe gebruikte. De zalve, hoewel zij bilzenkruid, een vergiftige plant, bevat, is enkel slaapverwekkend. Als die vrouw, die een ware tooveres is, er van nam, verviel zij in slaapdronkenheid en droomde zij, dat zij naar den sabbat ging en er danste met het gezicht buitenwaarts van de ronde, alsook dat zij eenen duivel aanbad in de gedaante van eenen bok, op een autaar gezeten. Als de rondedans gedaan was, droomde zij, dat zij den duivel ging kussen onder zijnen steert, gelijk de tooveraars doen, tot teeken van onderdanigheid. Als ik, naar zij zegt, koude armen en een frisch lichaam had, is dit een teeken van jeugd en geenszins van tooverij. Frischheid is niet bestand tegen het werk des vleesches. Maar Katelijne nam heure wenschen voor werkelijkheid en aanzag mij dus voor eenen duivel, hoewel ik een mensch ben, gelijk gijlie. Zij alleen is schuldig om mij, voor eenen duivel nemende, in heur bed aanveerd te hebben; aldus zondigde zij met wil en met daad tegen God en tegen den Heiligen Geest. Zij dus is het, maar ik niet, die de misdaad van tooverij beging, die strafbaar is met den viere, als een razende en boosaardige tooveres, die voor uitzinnig wil doorgaan, ten einde heure boosaardigheid te verbergen.Doch Nele riep:—Hoort gij den moordenaar? Als loddegen, als veile deernen, dewelke een schijfje op den arm dragen, dreef hij handel in liefde. Hoort gij hem? om zich te redden, wil hij degene doen verbranden, welke hem alles gaf.—Nele is stout, zeide Katelijne, Hans, mijn liefste, luister naar heur niet.—Neen, vervolgde Nele, gij zijt geen mensch: gij zijt een lafhertige, wreedaardige duivel!En, Katelijne in de armen nemend:—Heeren rechters, riep zij, luistert niet naar dien bleeken booswicht; hij heeft maar éénen wensch: mijne moeder levend te zien verbranden, hoewel zij geen andere misdaad bedreef, dan door God met uitzinnigheid getroffen te worden en de schimmen heurer droomen voor echt te aanzien. Veel reeds heeft zij geleden naar lichaam en geest. Doet ze niet sterven, heeren rechters. Laat de uitzinnige heur treurig leven eindigen in vrede.En Katelijne sprak:—Nele is stout, ge moet ze niet gelooven, Hansken, mijn vriend.En in het volk weenden de vrouwlieden en riepen de mannen:—Genade voor Katelijne!Op belijdenissen, die Joost Damman na nieuwe folteringen deed, brachten de baljuw en de schepenen hunne sententie te zijnen opzichte uit: hij werd veroordeeld om te worden ontadeld en levend verbrand met zacht vuur, totdat de dood er op volgde.’s Anderen daags doorstond hij de doodstraf voor de pui van het Schepenhuis, gedurig roepend:—Doet de tooveres sterven; zij alleen is schuldig. Gevloekt weze God! mijn vader zal de rechters vermoorden!En hij gaf den geest.En het volk zeide:—Hoort hoe hij God vloekt en lastert, hij sterft als een hond.’s Anderen daags brachten de baljuw en de schepenen hun vonnis uit ten opzichte van Katelijne: zij werd veroordeeld om de waterproef te doorstaan, in de Brugsche vaart. Zoo zij boven dreef, zou zij als tooveres worden verbrand; zoo zij zonk en stierf, zou zij beschouwd worden als op kerstene wijze gestorven en als dusdanig op ’t kerkhof begraven.’s Anderen daags werd Katelijne, baarvoets, gekleed met een zwart linnen hemde, en met eene waskeers in heure hand, processiegewijs gebracht tot aan de vaart, langsheen de boomen. Vóór heur gingen, de gebeden der dooden zingend, de deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk, zijne vicarissen, de koster met het kruis; en achter heur, de baljuw van Damme, de schepenen, de griffiers, de serjanten der gemeente, de provoost, de hangman en zijne beide knechts. Op de beide oevers stond een groote menigte vrouwen, die weenden, en mannen, die morden, uit medelijden met Katelijne, dewelke gedwee als een lam zich liet leiden zonder te weten waarheen, en gedurig zei:—Doet het vuur weg, mijn hoofd brandt! Hansken, waar zijt gij?Nele, die te midden van de vrouwen stond, riep:—Ik wil met heur in ’t water worden gesmeten!Maar de vrouwen lieten heur omtrent Katelijne niet komen.Een scherpe wind blies van de zee; een fijne hagel viel uit den loodgrijzen hemel in het water der vaart; eene boot lag daar vastgemeerd; de hangman en zijne knechts namen dezelve in naam Zijner Koninklijke Majesteit. Op hun bevel stapte Katelijne er in: de beul stond recht in de boot en hield Katelijne vast, en, op een teeken van den provoost met de roede der justitie, smeet hij ze in de vaart. Zij spartelde, doch niet lang, en zonk nog roepende:—Hans! Hans! help mij!En het volk zeide:—Die vrouw is geene tooveres.Mannen sprongen in de vaart en trokken Katelijne er uit, dewelke van heurzelve was en stijf als eene doode. Zij werd in eene taveerne gebracht en voor een groot vuur nedergelegd; Nele trok heur nat hemd uit en deed heur een ander aan; toen zij tot zich zelve kwam, zegde zij bibberend en klappertandend:—Hans, geef mij een wollen mantel.En Katelijne kon zich niet verwarmen. En den derden dag stierf zij. En zij werd op ’t kerkhof begraven, in gewijde aarde.En Nele toog henen naar Holland, bij Rosa van Auweghem.
Toen was men in de Bloeimaand; de boom der justitie was groen, insgelijks groen waren de banken van graszoden, op dewelke de rechters waren gezeten. Nele werd ter oorkondschap geroepen. Dien dag moest het vonnis uitgesproken worden.
En het volk: mannen, vrouwlieden, poorters en arbeiders stonden rond de vierschaar; en de zonne scheen helder.
Katelijne en Joost Damman werden voor de vierschaar gebracht; en Damman zag er nog bleeker uit, ter oorzake van de torture, van den dorst en van de slapelooze nachten.
Katelijne, die zich op heure waggelende beenen niet rechthouden kon, wees naar de zonne en sprak:
—Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt!
En met teedere liefde zag zij naar Joost Damman.
En deze bekeek heur met haat en verachting.
En de heeren en edelen, zijne vrienden, die naar Damme waren ontboden, waren allen als getuigen voor de vierschaar aanwezig.
Toen sprak de baljuw:
—Nele, de dochter, die heure moeder Katelijne met zooveel genegenheid verdedigt, heeft in den genaaiden zak van den besten rok derzelfde Katelijne een briefje gevonden, geteekend „Hansken”. In de beugeltassche, gevonden op het lijk van Hilbert Rijnvisch, stak een andere brief, aan hem gezonden door Joost Damman, beschuldigde alhier tegenwoordig. Beide brieven heb ik bewaard, opdat gij op het gepaste oogenblik, dat thans aangebroken is, zoudt kunnen oordeelen over de hardnekkigheid van dien man en hem vrijspreken of veroordeelen, naarvolgens wet en gerechtigheid. Hier is het perkament, in de beugeltasch gevonden; ik deed het niet open en weet niet of het leesbaar is of niet.
Toen waren de rechters in groote verlegenheid.
De baljuw beproefde het bolleken perkament los te maken, doch te vergeefs; en Joost Damman schompermuilde.
Toen sprak een schepen:
—Laat ons het bolleken in ’t water leggen en vervolgens voor ’t vuur stellen. Als het door een heimelijk middel toegeplakt is, zullen water en vuur het wel losmaken.
Het water werd gebracht, de hangman stak een groot houtvuur aan; de blauwe rook steeg recht omhoog in den helderen hemel, tusschen de groene takken van den boom der justitie.
—Steek den brief in de kom niet, sprak een schepen, want als hij geschreven is met opgelost ammoniakzout, zullen de letteren verdwijnen.
—Neen, zeide een chirurgijn, die daar was, de letteren zullen niet verdwijnen, het water zal enkellijk het bestrijksel, hetwelk dit tooverbolleken toeplakt, weeker maken.
Het perkament werd geweekt in het water, en, als het zachter was, werd het geopend.
—Nu, zeide de chirurgijn, houdt het nu voor het vuur.
—Ja, ja, zeide Nele, houdt het papier voor het vuur; messire chirurgijn is op weg naar de waarheid, want de moordenaar verbleekt, en siddert over heel zijn lichaam.
Daarop sprak Joost Damman:
—Ik verbleek noch ik sidder, kleine heks uit ’t gemeen, die op den dood van een edelman aast; maar gij zult er niet in slagen: dat papier moet gerot zijn na zestien jaar verblijf in den grond.
—Het perkament is geenszins bedorven, zei de schepen, de beugeltasch was met zijde gevoerd; zijde vergaat niet in den grond, en de wormen hebben het perkament niet opgegeten.
Het perkament werd voor ’t vuur gebracht.
—Heer baljuw, heer baljuw, zeide Nele, hier voor het vuur komen reeds letteren te voorschijn: beveel dat men het schrift leze.
De chirurgijn nam het perkament om het te lezen, als messire Joost Damman vlug de hand uitstak om het te grijpen; doch rap als de wind hield Nele zijnen arm tegen, en zij sprak:
—Gij zult het niet aanraken, want daar staat uw dood of die van Katelijne geschreven. Bloedt thans uw herte, moordenaar, weet dat het onze reeds vijftien jaar lang bloedt; ’t is vijftien jaar dat Katelijne lijdt, dat heur geest in heur hoofd verbrand werd om uwentwil; ’t is vijftien jaar dat Soetkin stierf ten gevolge der smerten; ’t is vijftien jaar dat wij leven in kommer en ellende, hoewel wij fier het hoofd mogen verheffen. Lees het papier, lees het papier! De rechters zijn God op de wereld, want zij zijn Gerechtigheid. Lees het papier!
—Lees het papier! riepen de mannen en vrouwlieden snikkend. Nele is moedig en braaf! Katelijne is geene tooveres.
En de griffier las:
„Aan Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap, Joost Damman, schildknaap, Heil!
... Waarde vriend, verlies uw geld niet meer met kaarten, dobbelsteenen en andere dergelijke kansspelen. Ik zal u zeggen hoe men zeker is altijd geld te winnen: Laat ons duivelen worden, schoone duivelen, bemind door vrouwen en meidekens. De schoone en rijke vrouwlieden zullen wij nemen en de leelijken en armen daar laten; zij hebben heur genoegen maar te betalen. Op die wijze maakte ik in Duitschland, in zes maanden, vijfduizendrijksdaalders. De vrouwen zouden zich uitkleeden voor den man, dien zij liefhebben; vlied de gierige feeksen, die met tegenzin heur pleizier betalen. Wat u betreft, om schoon te wezen en een echte nachtduivel te schijnen, kondig uwe komst aan met ’t gekras van eenen roofvogel, als zij u in het duister willen ontvangen. En om u een gezicht te maken van een echten, verschrikkelijken duivel, wrijf het in met phosphorus, die bij plaatsen schittert als hij nat is. Hij stinkt, maar de vrouwen nemen dat voor den reuk van het solfer der helle. Dood al wie u hindert: ’t zij man, ’t zij vrouw of ’t zij beest.
... Binnen kort gaan wij samen bij Katelijne, een schoone, goedhertige loddege; heure dochter, Nele, een kind van mij, als Katelijne mij trouw was, is een lief en beminnelijk meideken; zonder moeite zult gij ze nemen; ik schenk ze u, want ik geef niet om bastaards: men kan ze nooit met zekerheid voor zijn kroost erkennen. Heure moeder gaf mij reeds meer dan drie en twintig karolussen, gansch heure have. Maar zij verbergt eenen schat, die, als ik het goed voorheb, het erfdeel van Klaas is, den ketter, die te Damme levend verbrand werd: zevenhonderd karolussen, waar verbeurdverklaring op rust; doch de goede koning Philippus, die zoovele zijner onderdanen deed verbranden om te erven van hen, kon dien lieven schat in zijne klauwen niet krijgen. Hij zal zwaarder wegen in mijne tassche dan in de zijne; Katelijne zal mij zeggen waar hij is; wij zullen hem deelen. Maar gij moet mij ’t grootste deel laten, omdat ik de aanbrenger ben. Wat de vrouwen betreft, dewelke onze zachtmoedige dienaressen en verliefde slavinnen zullen wezen, die zullen wij naar Duitschland brengen. Daar zullen wij van heur nachtduivelinnetjes maken, en ze laten beslapen door alle rijke poorters en edellieden; wij en haarlieden zullen daar leven van de liefde, betaald met schoone rijksdaalders, panne, zijde, goud, perelen en juweelen; zoo worden wij, buiten weten van onze duivelinnetjes, bemind door de schoonsten onder de schoonen, en doen wij heur steeds voor onze liefde betalen. Al de vrouwen zijn zot en dwaselijk verknocht aan den man, die in haar het liefdevuur doet ontvlammen, hetwelk God onder heuren gordel stak. Katelijne en Nele zullen het nog meer wezen dan iemand, en zullen ons in alles gehoorzamen: behoud uwen voornaam, maar voer nooit den naam van uwen vader Rijnvisch. Neemt de rechter de vrouwen in hechtenis, dadelijk vertrekken wij zonder dat zij ons kennen of kunnen verraden. Help mij, mijne getrouwe. Defortuin lacht de jongelieden toe, zeide Zijne Heilige Majesteit Keizer Karel zaliger, dewelke een meester was in zaken van liefde en van oorlog”.
En de griffier hield op met lezen en sprak:
—Zoo luidt de brief en hij is geteekend: „Joost Damman, schildknaap”.
En het volk riep:
—Ter dood, de moordenaar! Ter dood, de tooveraar! In ’t vuur, de schavuit, die de vrouwlieden waanzinnig maakt! Aan de galg, de rabauw!
Toen sprak de baljuw:
—Zwijg, volk, opdat wij dien man in volle vrijheid kunnen oordeelen.
En tot de schepenen zeide hij:
—Ik wil u den tweeden brief lezen, dien Nele vond in den zak van Katelijne’s besten rok; hij luidt als volgt:
„Geliefde tooveres, ziehier het recept eener zalve, dat de vrouw van Lucifer zelve mij zond: met die zalve zult gij u kunnen begeven in de zonne, de maan en de sterren; kunnen spreken met de sylphen, die aan God de gebeden der menschen overbrengen, en alle steden, dorpen, rivieren, beemden van ’t gansche heelal kunnen bezoeken. Stamp ondereen, bij gelijke deelen, stramonium, solanum somniferum, bilzenkruid, opium, versche henneptoppen, belladonna en datura.
... Als gij wilt, zullen wij dezen avond samen naar den sabbat der geesten gaan: maar gij moet mij meerder beminnen en zoo gierig niet zijn, gelijk dien avond, toen gij mij tien gulden weigerdet, onder voorwendsel dat gij ze niet hadt. Ik weet, dat gij eenen schat verbergt en het mij niet wilt bekennen. Bemint gij mij niet meer, mijne liefste?
„Uw koude duivel,
„Hansken”.
—Ter dood, de tooveraar! riep het volk.
De baljuw sprak:
—Wij moeten de twee schriften vergelijken.
Dit werd gedaan, en zij werden eender bevonden.
Toen sprak de baljuw tot de aanwezige heeren en edellieden:
—Herkent gij den beklaagde voor messire Joost Damman, zoon van den schepene van de keure van Gent?
—Ja, zeiden zij.
—Kendet gij, sprak hij, messire Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap?
Een der edellieden, die Vander Zickele hiet, nam het woord en sprak:
—Ik ben van Gent, mijn steen staat op de Hoogpoort; ik ken Willem Rijnvisch, schepene van de keure van Gent. Hij verloor, over een vijftiental jaren, een zoon van drie en twintig jaar, een losbol, een speler, een luierik; maar men vergaf hem zijne gebreken, om den wille van zijn jeugdigen leeftijd. Sedert dien tijd kreeg nooit iemand miede van hem. Ik vraag om het zweerd, den dolk en de beugeltassche van den verslagene te zien.
Toen hij die voor zich had, sprak hij:
—Op den knop van het hecht van het zweerd en den dolk staan de wapenen van het geslacht Rijnvisch, hetwelk voert, in blauw, drie zilveren visschen. Die zelfde wapenen zie ik op een gouden schild tusschen de maliën der beugeltassche. Welke is die andere dolk?
De baljuw sprak:
—Die dolk stak in het lichaam van Hilbert Rijnvisch, zoon van Willem.
—Daarop herken ik de wapens der Damman’s: in zilver, een roode toren.
—Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!
De andere edellieden zeiden insgelijks:
—Die wapenen herkennen wij voor die van Rijnvisch en van Damman. Zoo helpen ons God en al zijne santen!
Toen zei de baljuw:
—Gehoord en gelezen de voor de Vierschaar gebrachte getuigenissen en oorkonden, is naar rechte ten genoege gebleken, dat Joost Damman, „gecommitteerd hebbende de crimen van tooverije, doodslag, zotmaking van vrouwlieden, diefte van ’s konings goedingen, wezende de abominabelste zonden die men ter wereld kan bedrijven, schuldig is aancrimen divinae laesae majestatis, geenszins lijdelijk zonder exemplaire pugnitie”.
—Dat zegt gij, messire baljuw, hernam Joost, doch bij gebreke aan genoegzame bewijzen, kunt gij mij niet veroordeelen; tooveraar ben ik niet of was ik nooit; enkellijk speelde ik het spel van den duivel. Wat mijn helder gezicht betreft, nu weetgij het middel, dat ik daartoe gebruikte. De zalve, hoewel zij bilzenkruid, een vergiftige plant, bevat, is enkel slaapverwekkend. Als die vrouw, die een ware tooveres is, er van nam, verviel zij in slaapdronkenheid en droomde zij, dat zij naar den sabbat ging en er danste met het gezicht buitenwaarts van de ronde, alsook dat zij eenen duivel aanbad in de gedaante van eenen bok, op een autaar gezeten. Als de rondedans gedaan was, droomde zij, dat zij den duivel ging kussen onder zijnen steert, gelijk de tooveraars doen, tot teeken van onderdanigheid. Als ik, naar zij zegt, koude armen en een frisch lichaam had, is dit een teeken van jeugd en geenszins van tooverij. Frischheid is niet bestand tegen het werk des vleesches. Maar Katelijne nam heure wenschen voor werkelijkheid en aanzag mij dus voor eenen duivel, hoewel ik een mensch ben, gelijk gijlie. Zij alleen is schuldig om mij, voor eenen duivel nemende, in heur bed aanveerd te hebben; aldus zondigde zij met wil en met daad tegen God en tegen den Heiligen Geest. Zij dus is het, maar ik niet, die de misdaad van tooverij beging, die strafbaar is met den viere, als een razende en boosaardige tooveres, die voor uitzinnig wil doorgaan, ten einde heure boosaardigheid te verbergen.
Doch Nele riep:
—Hoort gij den moordenaar? Als loddegen, als veile deernen, dewelke een schijfje op den arm dragen, dreef hij handel in liefde. Hoort gij hem? om zich te redden, wil hij degene doen verbranden, welke hem alles gaf.
—Nele is stout, zeide Katelijne, Hans, mijn liefste, luister naar heur niet.
—Neen, vervolgde Nele, gij zijt geen mensch: gij zijt een lafhertige, wreedaardige duivel!
En, Katelijne in de armen nemend:
—Heeren rechters, riep zij, luistert niet naar dien bleeken booswicht; hij heeft maar éénen wensch: mijne moeder levend te zien verbranden, hoewel zij geen andere misdaad bedreef, dan door God met uitzinnigheid getroffen te worden en de schimmen heurer droomen voor echt te aanzien. Veel reeds heeft zij geleden naar lichaam en geest. Doet ze niet sterven, heeren rechters. Laat de uitzinnige heur treurig leven eindigen in vrede.
En Katelijne sprak:
—Nele is stout, ge moet ze niet gelooven, Hansken, mijn vriend.
En in het volk weenden de vrouwlieden en riepen de mannen:
—Genade voor Katelijne!
Op belijdenissen, die Joost Damman na nieuwe folteringen deed, brachten de baljuw en de schepenen hunne sententie te zijnen opzichte uit: hij werd veroordeeld om te worden ontadeld en levend verbrand met zacht vuur, totdat de dood er op volgde.
’s Anderen daags doorstond hij de doodstraf voor de pui van het Schepenhuis, gedurig roepend:
—Doet de tooveres sterven; zij alleen is schuldig. Gevloekt weze God! mijn vader zal de rechters vermoorden!
En hij gaf den geest.
En het volk zeide:
—Hoort hoe hij God vloekt en lastert, hij sterft als een hond.
’s Anderen daags brachten de baljuw en de schepenen hun vonnis uit ten opzichte van Katelijne: zij werd veroordeeld om de waterproef te doorstaan, in de Brugsche vaart. Zoo zij boven dreef, zou zij als tooveres worden verbrand; zoo zij zonk en stierf, zou zij beschouwd worden als op kerstene wijze gestorven en als dusdanig op ’t kerkhof begraven.
’s Anderen daags werd Katelijne, baarvoets, gekleed met een zwart linnen hemde, en met eene waskeers in heure hand, processiegewijs gebracht tot aan de vaart, langsheen de boomen. Vóór heur gingen, de gebeden der dooden zingend, de deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk, zijne vicarissen, de koster met het kruis; en achter heur, de baljuw van Damme, de schepenen, de griffiers, de serjanten der gemeente, de provoost, de hangman en zijne beide knechts. Op de beide oevers stond een groote menigte vrouwen, die weenden, en mannen, die morden, uit medelijden met Katelijne, dewelke gedwee als een lam zich liet leiden zonder te weten waarheen, en gedurig zei:
—Doet het vuur weg, mijn hoofd brandt! Hansken, waar zijt gij?
Nele, die te midden van de vrouwen stond, riep:
—Ik wil met heur in ’t water worden gesmeten!
Maar de vrouwen lieten heur omtrent Katelijne niet komen.
Een scherpe wind blies van de zee; een fijne hagel viel uit den loodgrijzen hemel in het water der vaart; eene boot lag daar vastgemeerd; de hangman en zijne knechts namen dezelve in naam Zijner Koninklijke Majesteit. Op hun bevel stapte Katelijne er in: de beul stond recht in de boot en hield Katelijne vast, en, op een teeken van den provoost met de roede der justitie, smeet hij ze in de vaart. Zij spartelde, doch niet lang, en zonk nog roepende:
—Hans! Hans! help mij!
En het volk zeide:
—Die vrouw is geene tooveres.
Mannen sprongen in de vaart en trokken Katelijne er uit, dewelke van heurzelve was en stijf als eene doode. Zij werd in eene taveerne gebracht en voor een groot vuur nedergelegd; Nele trok heur nat hemd uit en deed heur een ander aan; toen zij tot zich zelve kwam, zegde zij bibberend en klappertandend:
—Hans, geef mij een wollen mantel.
En Katelijne kon zich niet verwarmen. En den derden dag stierf zij. En zij werd op ’t kerkhof begraven, in gewijde aarde.
En Nele toog henen naar Holland, bij Rosa van Auweghem.