V.Dagen en nachten bracht Philippus tusschen zijne papieren en perkamenten door. Aan hen vertrouwde hij de gedachten van zijn ongevoelig herte. Daar hij nooit bemind had, maar ook wist dat niemand hem liefhad, wilde hij zelf zijn onmetelijk rijk bestieren, en de droefgeestige Atlas bukte onder den last. Weemoed en bovenmatige arbeid ondermijnden zijn zwak lichaam. Hij had een afschuw van een blij gezicht en daarom een haat tegen onze lachende landen; tegen onze kooplieden, om hunne weelde en hunnen rijkdom; tegen onzen adel, om zijne vrijmoedigheid en het vuur zijner kloeke blijgeestigheid. Hij wist—men had het hem gezegd—dat lang reeds vóór dat kardinaal de Couza, omtrent het jaar 1380, op de misbruiken der Kerk en op de noodzakelijkheid der hervormingen gewezen had, de opstand tegen Paus en de Roomsche Kerk, die zich in onze landen onder verschillende sektevormen geuit had, in de gemoederen borrelde als kokend water in een ketel.Hij geloofde, de koppige, dat zijn wil op de gansche werelddrukken moest als de wil van God; hij wilde, dat onze landen die de gehoorzaamheid ontwend waren, bogen onder het oude juk, zonder eenige hervorming te erlangen. Hij wilde, dat Zijne Heilige Moeder: de Katholieke, Apostolische en Roomsche kerk één, geheel en algemeen, ongewijzigd en onveranderd zou zijn, alléén omdat hij het wilde, en alzoo handelde hij als een onredelijke vrouw. En ’s nachts woelde hij in zijn bed als op een leger van doornen, werd hij onophoudelijk gefolterd door zijne gedachten.—Ja, Heilige Philippus, Heere God, al moest ik van de Nederlanden één kerkhof maken, tot U zullen zij komen, mijn beschermer, tot U, Heiligen des hemelrijks.En hij beproefde te doen wat hij zeide, zich aldus Roomscher toonend dan de Paus en katholieker dan de kerkvergaderingen.En Uilenspiegel en Lamme, en het volk van Vlaanderen en van de Nederlanden, zagen, met angstvolle herten, van verre, in de sombere halle van ’t Escuriaal, die gekroonde spinnekop, met heure lange, ruige pooten, heure geopende grijpers, het net spannen, dat hen vangen moest om het beste van hun bloed te zuigen.Hoewel, onder de regeering van keizer Karel, de pauselijke inquisitie honderd duizend Christenen gedood had: hoewel de goederen dier martelaren in de kisten van keizer en koning gevloeid waren als regen in eene goot, oordeelde Philippus dat dit niet voldoende was, en hij legde den lande de nieuwe bisdommen op en wilde er de Spaansche inquisitie invoeren.En overal lazen de stadsherauten, bij geschal van bazuinen, en geroffel van trommen, de plakkaten af waarbij kond werd gegeven, dat al de ketteren, met den viere zouden sterven als zij hunne dolingen niet afzwoeren, en met de koorde als zij die wel zouden afgaan. Vrouwen en meidekens zouden levend begraven worden, en de beul zou op heure lichamen dansen.En als een vuur zette de wederstand zich door heel het land voort.
V.Dagen en nachten bracht Philippus tusschen zijne papieren en perkamenten door. Aan hen vertrouwde hij de gedachten van zijn ongevoelig herte. Daar hij nooit bemind had, maar ook wist dat niemand hem liefhad, wilde hij zelf zijn onmetelijk rijk bestieren, en de droefgeestige Atlas bukte onder den last. Weemoed en bovenmatige arbeid ondermijnden zijn zwak lichaam. Hij had een afschuw van een blij gezicht en daarom een haat tegen onze lachende landen; tegen onze kooplieden, om hunne weelde en hunnen rijkdom; tegen onzen adel, om zijne vrijmoedigheid en het vuur zijner kloeke blijgeestigheid. Hij wist—men had het hem gezegd—dat lang reeds vóór dat kardinaal de Couza, omtrent het jaar 1380, op de misbruiken der Kerk en op de noodzakelijkheid der hervormingen gewezen had, de opstand tegen Paus en de Roomsche Kerk, die zich in onze landen onder verschillende sektevormen geuit had, in de gemoederen borrelde als kokend water in een ketel.Hij geloofde, de koppige, dat zijn wil op de gansche werelddrukken moest als de wil van God; hij wilde, dat onze landen die de gehoorzaamheid ontwend waren, bogen onder het oude juk, zonder eenige hervorming te erlangen. Hij wilde, dat Zijne Heilige Moeder: de Katholieke, Apostolische en Roomsche kerk één, geheel en algemeen, ongewijzigd en onveranderd zou zijn, alléén omdat hij het wilde, en alzoo handelde hij als een onredelijke vrouw. En ’s nachts woelde hij in zijn bed als op een leger van doornen, werd hij onophoudelijk gefolterd door zijne gedachten.—Ja, Heilige Philippus, Heere God, al moest ik van de Nederlanden één kerkhof maken, tot U zullen zij komen, mijn beschermer, tot U, Heiligen des hemelrijks.En hij beproefde te doen wat hij zeide, zich aldus Roomscher toonend dan de Paus en katholieker dan de kerkvergaderingen.En Uilenspiegel en Lamme, en het volk van Vlaanderen en van de Nederlanden, zagen, met angstvolle herten, van verre, in de sombere halle van ’t Escuriaal, die gekroonde spinnekop, met heure lange, ruige pooten, heure geopende grijpers, het net spannen, dat hen vangen moest om het beste van hun bloed te zuigen.Hoewel, onder de regeering van keizer Karel, de pauselijke inquisitie honderd duizend Christenen gedood had: hoewel de goederen dier martelaren in de kisten van keizer en koning gevloeid waren als regen in eene goot, oordeelde Philippus dat dit niet voldoende was, en hij legde den lande de nieuwe bisdommen op en wilde er de Spaansche inquisitie invoeren.En overal lazen de stadsherauten, bij geschal van bazuinen, en geroffel van trommen, de plakkaten af waarbij kond werd gegeven, dat al de ketteren, met den viere zouden sterven als zij hunne dolingen niet afzwoeren, en met de koorde als zij die wel zouden afgaan. Vrouwen en meidekens zouden levend begraven worden, en de beul zou op heure lichamen dansen.En als een vuur zette de wederstand zich door heel het land voort.
V.Dagen en nachten bracht Philippus tusschen zijne papieren en perkamenten door. Aan hen vertrouwde hij de gedachten van zijn ongevoelig herte. Daar hij nooit bemind had, maar ook wist dat niemand hem liefhad, wilde hij zelf zijn onmetelijk rijk bestieren, en de droefgeestige Atlas bukte onder den last. Weemoed en bovenmatige arbeid ondermijnden zijn zwak lichaam. Hij had een afschuw van een blij gezicht en daarom een haat tegen onze lachende landen; tegen onze kooplieden, om hunne weelde en hunnen rijkdom; tegen onzen adel, om zijne vrijmoedigheid en het vuur zijner kloeke blijgeestigheid. Hij wist—men had het hem gezegd—dat lang reeds vóór dat kardinaal de Couza, omtrent het jaar 1380, op de misbruiken der Kerk en op de noodzakelijkheid der hervormingen gewezen had, de opstand tegen Paus en de Roomsche Kerk, die zich in onze landen onder verschillende sektevormen geuit had, in de gemoederen borrelde als kokend water in een ketel.Hij geloofde, de koppige, dat zijn wil op de gansche werelddrukken moest als de wil van God; hij wilde, dat onze landen die de gehoorzaamheid ontwend waren, bogen onder het oude juk, zonder eenige hervorming te erlangen. Hij wilde, dat Zijne Heilige Moeder: de Katholieke, Apostolische en Roomsche kerk één, geheel en algemeen, ongewijzigd en onveranderd zou zijn, alléén omdat hij het wilde, en alzoo handelde hij als een onredelijke vrouw. En ’s nachts woelde hij in zijn bed als op een leger van doornen, werd hij onophoudelijk gefolterd door zijne gedachten.—Ja, Heilige Philippus, Heere God, al moest ik van de Nederlanden één kerkhof maken, tot U zullen zij komen, mijn beschermer, tot U, Heiligen des hemelrijks.En hij beproefde te doen wat hij zeide, zich aldus Roomscher toonend dan de Paus en katholieker dan de kerkvergaderingen.En Uilenspiegel en Lamme, en het volk van Vlaanderen en van de Nederlanden, zagen, met angstvolle herten, van verre, in de sombere halle van ’t Escuriaal, die gekroonde spinnekop, met heure lange, ruige pooten, heure geopende grijpers, het net spannen, dat hen vangen moest om het beste van hun bloed te zuigen.Hoewel, onder de regeering van keizer Karel, de pauselijke inquisitie honderd duizend Christenen gedood had: hoewel de goederen dier martelaren in de kisten van keizer en koning gevloeid waren als regen in eene goot, oordeelde Philippus dat dit niet voldoende was, en hij legde den lande de nieuwe bisdommen op en wilde er de Spaansche inquisitie invoeren.En overal lazen de stadsherauten, bij geschal van bazuinen, en geroffel van trommen, de plakkaten af waarbij kond werd gegeven, dat al de ketteren, met den viere zouden sterven als zij hunne dolingen niet afzwoeren, en met de koorde als zij die wel zouden afgaan. Vrouwen en meidekens zouden levend begraven worden, en de beul zou op heure lichamen dansen.En als een vuur zette de wederstand zich door heel het land voort.
V.
Dagen en nachten bracht Philippus tusschen zijne papieren en perkamenten door. Aan hen vertrouwde hij de gedachten van zijn ongevoelig herte. Daar hij nooit bemind had, maar ook wist dat niemand hem liefhad, wilde hij zelf zijn onmetelijk rijk bestieren, en de droefgeestige Atlas bukte onder den last. Weemoed en bovenmatige arbeid ondermijnden zijn zwak lichaam. Hij had een afschuw van een blij gezicht en daarom een haat tegen onze lachende landen; tegen onze kooplieden, om hunne weelde en hunnen rijkdom; tegen onzen adel, om zijne vrijmoedigheid en het vuur zijner kloeke blijgeestigheid. Hij wist—men had het hem gezegd—dat lang reeds vóór dat kardinaal de Couza, omtrent het jaar 1380, op de misbruiken der Kerk en op de noodzakelijkheid der hervormingen gewezen had, de opstand tegen Paus en de Roomsche Kerk, die zich in onze landen onder verschillende sektevormen geuit had, in de gemoederen borrelde als kokend water in een ketel.Hij geloofde, de koppige, dat zijn wil op de gansche werelddrukken moest als de wil van God; hij wilde, dat onze landen die de gehoorzaamheid ontwend waren, bogen onder het oude juk, zonder eenige hervorming te erlangen. Hij wilde, dat Zijne Heilige Moeder: de Katholieke, Apostolische en Roomsche kerk één, geheel en algemeen, ongewijzigd en onveranderd zou zijn, alléén omdat hij het wilde, en alzoo handelde hij als een onredelijke vrouw. En ’s nachts woelde hij in zijn bed als op een leger van doornen, werd hij onophoudelijk gefolterd door zijne gedachten.—Ja, Heilige Philippus, Heere God, al moest ik van de Nederlanden één kerkhof maken, tot U zullen zij komen, mijn beschermer, tot U, Heiligen des hemelrijks.En hij beproefde te doen wat hij zeide, zich aldus Roomscher toonend dan de Paus en katholieker dan de kerkvergaderingen.En Uilenspiegel en Lamme, en het volk van Vlaanderen en van de Nederlanden, zagen, met angstvolle herten, van verre, in de sombere halle van ’t Escuriaal, die gekroonde spinnekop, met heure lange, ruige pooten, heure geopende grijpers, het net spannen, dat hen vangen moest om het beste van hun bloed te zuigen.Hoewel, onder de regeering van keizer Karel, de pauselijke inquisitie honderd duizend Christenen gedood had: hoewel de goederen dier martelaren in de kisten van keizer en koning gevloeid waren als regen in eene goot, oordeelde Philippus dat dit niet voldoende was, en hij legde den lande de nieuwe bisdommen op en wilde er de Spaansche inquisitie invoeren.En overal lazen de stadsherauten, bij geschal van bazuinen, en geroffel van trommen, de plakkaten af waarbij kond werd gegeven, dat al de ketteren, met den viere zouden sterven als zij hunne dolingen niet afzwoeren, en met de koorde als zij die wel zouden afgaan. Vrouwen en meidekens zouden levend begraven worden, en de beul zou op heure lichamen dansen.En als een vuur zette de wederstand zich door heel het land voort.
Dagen en nachten bracht Philippus tusschen zijne papieren en perkamenten door. Aan hen vertrouwde hij de gedachten van zijn ongevoelig herte. Daar hij nooit bemind had, maar ook wist dat niemand hem liefhad, wilde hij zelf zijn onmetelijk rijk bestieren, en de droefgeestige Atlas bukte onder den last. Weemoed en bovenmatige arbeid ondermijnden zijn zwak lichaam. Hij had een afschuw van een blij gezicht en daarom een haat tegen onze lachende landen; tegen onze kooplieden, om hunne weelde en hunnen rijkdom; tegen onzen adel, om zijne vrijmoedigheid en het vuur zijner kloeke blijgeestigheid. Hij wist—men had het hem gezegd—dat lang reeds vóór dat kardinaal de Couza, omtrent het jaar 1380, op de misbruiken der Kerk en op de noodzakelijkheid der hervormingen gewezen had, de opstand tegen Paus en de Roomsche Kerk, die zich in onze landen onder verschillende sektevormen geuit had, in de gemoederen borrelde als kokend water in een ketel.
Hij geloofde, de koppige, dat zijn wil op de gansche werelddrukken moest als de wil van God; hij wilde, dat onze landen die de gehoorzaamheid ontwend waren, bogen onder het oude juk, zonder eenige hervorming te erlangen. Hij wilde, dat Zijne Heilige Moeder: de Katholieke, Apostolische en Roomsche kerk één, geheel en algemeen, ongewijzigd en onveranderd zou zijn, alléén omdat hij het wilde, en alzoo handelde hij als een onredelijke vrouw. En ’s nachts woelde hij in zijn bed als op een leger van doornen, werd hij onophoudelijk gefolterd door zijne gedachten.
—Ja, Heilige Philippus, Heere God, al moest ik van de Nederlanden één kerkhof maken, tot U zullen zij komen, mijn beschermer, tot U, Heiligen des hemelrijks.
En hij beproefde te doen wat hij zeide, zich aldus Roomscher toonend dan de Paus en katholieker dan de kerkvergaderingen.
En Uilenspiegel en Lamme, en het volk van Vlaanderen en van de Nederlanden, zagen, met angstvolle herten, van verre, in de sombere halle van ’t Escuriaal, die gekroonde spinnekop, met heure lange, ruige pooten, heure geopende grijpers, het net spannen, dat hen vangen moest om het beste van hun bloed te zuigen.
Hoewel, onder de regeering van keizer Karel, de pauselijke inquisitie honderd duizend Christenen gedood had: hoewel de goederen dier martelaren in de kisten van keizer en koning gevloeid waren als regen in eene goot, oordeelde Philippus dat dit niet voldoende was, en hij legde den lande de nieuwe bisdommen op en wilde er de Spaansche inquisitie invoeren.
En overal lazen de stadsherauten, bij geschal van bazuinen, en geroffel van trommen, de plakkaten af waarbij kond werd gegeven, dat al de ketteren, met den viere zouden sterven als zij hunne dolingen niet afzwoeren, en met de koorde als zij die wel zouden afgaan. Vrouwen en meidekens zouden levend begraven worden, en de beul zou op heure lichamen dansen.
En als een vuur zette de wederstand zich door heel het land voort.