V.’s Anderen daags woei de wind uit Brabant: de sneeuw smolt en de meerschen werden overstroomd.En de burgstorm luidde, om de rechters naar de vierschaarte roepen, onder het afdak, om den wille van de vochtigheid der zodenbanken.En het volk stond rond de vierschaar.Joost Damman werd voorgebracht, zonder kluisters, in zijn prachtige kleeren. Katelijne werd insgelijks voorgebracht, doch met de handen van voren gebonden en gekleed in een grijs lijnwaden kleed, hetwelk de dos der gevangenen was.Joost Damman, ondervraagd, bekende dat hij zijn vriend Hilbert gedood had, in tweegevecht, met het zweerd. Als men hem zei, dat hij gedood was met een dolk, antwoordde Joos Damman:—Ik heb hem afgemaakt, omdat hij niet gauw genoeg stierf. Dien moord beken ik gereedelijk, vermits ik sta onder de bescherming der wetten van Vlaanderen, volgens dewelke, na verloop van tien jaar, de moord niet meer vervolgd wordt.De baljuw vroeg hem:—Zijt gij geen tooveraar?—Neen, antwoordde Damman.—Bewijs het, zeide de baljuw.—Ik zal het doen op tijd en stond, zeide Joost Damman, maar nu past het mij niet.Toen werd Katelijne ondervraagd; zij hoorde niet wat men vroeg, doch keek gedurig naar Hans en sprak:—Gij zijt mijn groene heer, schoon als de zon zijt ge. Doe het vuur weg, mijn liefste!Nele kwam toen Katelijne voorspreken en zeide:—Heer baljuw en heeren rechters, meer dan gij weet, kan zij niet bekennen; zij is geene tooveres, doch enkel uitzinnig.Toen sprak de baljuw:—Tooveraar is hij, die door voorbedachtelijk gebruikte duivelsche middelen in iets tracht te slagen. Nu, deze twee, man en vrouw, zijn tooveraars met inzicht en met daad; hij, omdat hij de sabbatszalve gegeven, en zijn gezicht helder als Lucifer gemaakt heeft, ten einde geld en vleeschelijken omgang te bekomen; zij, omdat zij hem aangehangen heeft, hem nemende voor eenen echten duivel, en omdat zij met hem gehanteerd heeft; hij is pleger van hekserij, en zij is zijne baarschuldige. Men mag dus geenerlei ontferming hebben, en ik moet het zeggen, want ik zie dat de schepenen en die van ’t gemeen te goedertieren zijn jegens de vrouw. In der waarheid heeft zij gemoord noch gestolen, noch heeft zij personen of hunlieder beestiaal mishand; ook heeft zij geenerlei zieken met buitengemeene middelen genezen,maar enkellijk met gekende geneeskruiden; doch zij heeft heure dochter willen overleveren aan den duivel, en als deze in heur jeugdigen ouderdom niet met zooveel dapperheid wederstaan had, dan had zij toegegeven aan Hilbert en ware zij, als de tweede beschuldigde, insgelijks tooveres geworden. Dienvolgens vraag ik aan de heeren van de vierschaar of zij niet van oordeel zijn, beiden ter torture te stellen?De schepenen antwoordden niet, daardoor beduidende, dat zij niet van dat oordeel waren, wat Katelijne betrof.Zijne rede vervolgende, zeide toen de baljuw:—Evenals gij, ben ik voor haar vervuld met ontferming en medelijden; maar had die krankzinnige tooveres, die zoo goed den duivel gehoorzaamt, als haar ontuchtige medebeschuldigde het heur had bevolen, het hoofd heurer dochter niet kunnen afhouwen met een kapmes, zooals Katelijne Dura, in Frankrijk, met heur twee dochters deed, op aanzoek van den duivel? Had zij, zoo heur zwarte bruidegom het heur had bevolen, het beestiaal niet kunnen doen sterven; de boter niet kunnen doen keeren in de karnton, door er suiker in te smijten; had zij in lijve niet kunnen tegenwoordig zijn bij alle duivelsvereeringen, heksendansen, verfoeiselen en koppelingen van tooveraars? Had zij geen menschenvleesch kunnen eten, geene kinderen kunnen dooden om er pasteien van te maken en die te verkoopen, gelijk een pasteibakker van Parijs deed; had zij de braaien der gehangenen niet kunnen afsnijden en meedragen om ze rauw op te eten, aldus plegende beide een schromelijken diefstal en eene heiligschennis? En ik vraag aan de vierschaar Katelijne en Joost Damman op de pijnbank te leggen, ten einde te weten of zij beiden geenerlei andere misdrijven hebben gepleegd dan degene, die reeds gekend en onderzocht zijn. Vermits Joost Damman weigert iets meerder te bekennen dan den moord, en Katelijne niet alles gezegd heeft, gebieden ons de wetten des Rijks te handelen naarvolgens mijn voorstel.En de sententie der schepenen luidde, dat de torture twee dagen later, des Vrijdags, zou plaats hebben.En Nele schreeuwde:—Genade, mijne heeren!En het volk schreeuwde met heur, doch te vergeefs.En Katelijne bezag Joost Damman en sprak:—Ik heb Hilbert’s hand, kom ze dezen nacht halen, liefste.En zij werden terug naar het Steen gebracht.Op bevel van de vierschaar, werd den cipier geheeten hun elk twee bewakers te geven, die hen moesten slaan, telkens dat zij zouden willen slapen; maar de twee bewakers van Katelijne lieten heur den nacht slapende doorbrengen, en die van Joost Damman sloegen hem wreedelijk telkens dat hij de oogen look of enkellijk het hoofd vooroverboog.Heel den Woensdag hadden zij honger, alsook den nacht en heel den Donderdag, tot ’s avonds, als men hun vleesch te eten en water te drinken gaf, beide bereid met zout en met salpeter. Dat was het begin der torture. En ’s morgens brachten de serjanten de beide gevangenen, die schreeuwden van dorst, naar de folterkamer.Daar werden zij rechtover elkander gezet en ieder gebonden op eene bank, bekleed met knoopkoorden, die hen schromelijk pijnigden.En ieder moest een glas water drinken, met zout en salpeter er in.Joost Damman kreeg vaak op zijne bank, maar de serjanten sloegen hem wakker.En Katelijne zeide:—Om Gods wil, slaat hem niet, mijne heeren, gij breekt zijn arm lichaam. Hij bedreef maar een enkele misdaad, uit liefde, toen hij Hilbert doodde. Ik heb dorst en gij ook, Hans, mijn beminde! Laat hem eerst drinken! Water! water! mijn lichaam brandt als vuur. Spaar hem, ik zal sterven voor hem! Drinken!Hans zeide tot haar:—Heks die gij zijt. Heeren rechters, smijt heure kroenge in ’t vuur. Ik heb dorst!De griffiers schreven al zijne woorden op.Toen zei de baljuw:—Hebt gij niets te belijden?—Ik heb niets meer te zeggen, antwoordde Joost Damman: Gij weet alles.—Daar hij volherdt in zijn loochenen, zeide de baljuw, zal hij tot verdere en volledige belijdenis op de koordebank blijven zitten en zal hij dorst lijden, en men zal hem beletten te slapen.—Ik zal blijven, zei Joost Damman, en mij vermaken met die tooveres te zien lijden op heure bank. Hoe vindt gij ’t huwelijksbed, nichtje?En zuchtend antwoordde Katelijne:—Koud van armen en warm van hert, Hans, mijn welbeminde. Ik heb dorst, mijn hoofd brandt!—En gij, vrouwe, sprak de baljuw, hebt gij niets meer te zeggen?—Ik hoor, zeide zij, de kar van den Dood en een dof gerammel van beenderen. Ik heb dorst! En Hij leidt mij naar een grooten troon, waar water is, frisch en klaar water; maar dit water is vuur. Hans, mijn vriend, verlos mij van die koorden. Ja, ik ben in het vagevuur en ginder omhoog zie ik Onzen Heer Jezus in het hemelrijk zitten, met zijn allergenadigste moeder, de Maagd Maria. Ho! Heilige Moeder Gods, een droppelken water! Eet die sappige vruchten alleen niet op!—Die vrouw is door wreede uitzinnigheid getroffen, zei een van de schepenen. Men moet ze van de pijnbank verwijderen.—Zij is niet uitzinniger dan ik; zei Joost Damman, ’t is gehuichel en gemaakt spel.En met dreigende stemme, sprak hij tot Katelijne:—Ik zal u zien branden in ’t vuur, u, die zoo goed de uitzinnige speelt.En grijnzend, lachte hij om zijn boosaardige leugen.—Ik heb dorst, zei Katelijne, hebt medelijden, ik heb dorst! Hans mijn welbeminde, geef mij te drinken. Hoe helder is uw gezicht! Laat mij tot hem gaan, heeren rechters!En den mond openspalkend, vervolgde zij, smachtend van dorst:—Ja, ja, nu steken zij vuur in mijne borst, en de duivelen binden mij op dit gruwelijk bed. Hans, neem uw zweerd en dood ze, gij, die zoo machtig zijt. Water! drinken! drinken!—Sterf, tooveres, zeide Joost Damman: gij moest heur eene prop in den mond steken om heur, eene vrouw uit ’t gemeen, te beletten op te komen tegen mij, die van adel ben.Een schepen, vijand des adels, antwoordde op deze rede:—Heer baljuw, het is strijdig met de rechten en costumen van den lande, proppen te steken in den mond van hen, die men ondervraagt, want zij zijn hier om de waarheid te zeggen en gevonnist te worden volgens hunne rede. Proppen zijn maar toegelaten wanneer de beschuldigde, veroordeeld zijnde, van op het schavot tot het volk spreken wil, om het te vermurwen of gisting onder het gemeen te verwekken.—Ik heb dorst, zeide Katelijne, geef mij te drinken, Hans, mijn liefste.—Ha! sprak Joost, gij lijdt, vervloekte heks, eenige schuld van al mijne tormenten; maar in deze folterkamer zult gij nogandere smerten verduren: de keersen, de wipgalg, de stokskens tusschen de vingeren en tusschen de teenen. Men zal u, ganschelijk naakt, schrijlings zetten op den rug eener doodkist, scherp als het lemmer van een mes, en dan zult gij belijden dat gij geene uitzinnige zijt, maar een tooveres, door Satan betaald om den edellieden last aan te doen. Drinken!—Hans, mijn beminde, sprak Katelijne opnieuw, wees niet grammoedig jegens uwe dienares; ik lijd duizenden pijnen voor u, mijn heer en meester! Spaart hem, heeren rechters: geeft hem een vollen beker te drinken, maar laat eenige droppelen over voor mij. Hans, is ’t reeds het uur van den nachtuil?Toen vroeg de baljuw aan Joost Damman:—Welke was de reden van het tweegevecht, waarin Hilbert den dood vond?Joost antwoordde:—Wij vochten om een meideken van Heist, dat wij beiden beminden.—Een meideken van Heist, riep Katelijne, die met geweld van de bank wilde opstaan, gij bedriegt mij dus met eene andere, helsche verrader?... Wist gij dat ik stond te luisteren, achter den dijk, toen gij zegdet dat gij al het geld wildet hebben, hetwelk het geld was van Klaas? ’t Was zeker om het met heur te verteren? Laas! en ik, die mijn bloed had gegeven, als hij er goud had kunnen van maken! En alles voor eene andere! Wees gevloekt!Doch plotseling begon zij te weenen, en zij poogde zich om te keeren op de folterbank:—Neen, Hans, zeg dat gij uwe arme dienares noch zult liefhebben, en de aarde zal ik met mijne vingeren openkrabben; een schat zal ik u vinden; ja, een schat is verborgen; en ik zal zoeken met het hazelaarstakje, hetwelk nederbuigt als het boven metaal wordt gehouden; en ik zal hem vinden en hem u eerlijk brengen; kus mij, liefste, en gij zult rijk wezen; en alle dagen zullen wij kuite drinken; ja, ja, zij, die daar zitten, drinken ook bier, schuimend bier, dat verkwikt! O! mijne heeren, een dropje slechts, ik brand in het vuur! Hans, ik weet waar hazelaars groeien, maar gij moet wachten tot in den voortijd.—Zwijg, ellendige, zei Joost Damman, ik ken u niet. Hilbert hebt gij genomen voor mij: hij is ’t die boven bij u kwam. En, met uw helschen geest, hiet gij hem Hans. Weet dat ik niet Hans heet, maar Joost: wij waren van dezelfde grootte, Hilberten ik; ’t was Hilbert, waarschijnlijk, die de zevenhonderd karolussen nam. Drinken! mijn vader zal honderd gulden betalen voor een kroezeken water; maar die vrouw ken ik niet!—Heer baljuw en heeren rechters, riep Katelijne uit, hij beweert dat hij mij niet kent; maar ik, ik ken hem wel en weet, dat hij op den rug een bruine, harige geboortevlek heeft, groot als een erwt. Ha! gij bemindet een meideken van Heist! Hoeft een oprecht minnaar voor zijn geliefde te blozen? Hans, ben ik niet meer schoon?—Schoon! grijnslachte Damman, gij hebt een gezicht, glad als eene mispel, en een lichaam, slank als eene vim takkebossen: bezie mij die schooister, die beweert een edelman tot minnaar te hebben! Drinken!—Zoo spraakt ge niet, Hans, mijn beminde heer en meester, als ik zestien jaar jonger was.Vervolgens op heur hoofd en heure borst kloppend, sprak zij:—’t Is het vuur, dat daar is, dat mijn hert en mijn gezicht verschroeit: verwijt het mij niet; weet gij nog dat wij veel van zout eten hielden, om beter te kunnen drinken, naar gij zeidet? Nu is al het zout in ons lijf, mijn beminde, en mijnheer de baljuw drinkt wijn. Wij vragen geen wijn: geeft ons water. In de beemde kabbelt het heldere beekje met zijn frisch, lekker water. Neen, dat water kookt, het verbrandt mij! ’t Is water uit de helle!En Katelijne weende en zij sprak:—Nooit deed ik iemand leed, en iedereen smijt mij in ’t vuur. Drinken! de straathonden krijgen water; ik ben een kerstene vrouw, geeft mij te drinken. Nooit deed ik iemand leed! Geeft mij toch te drinken!Toen sprak een schepen:—Die tooveres is alleenlijk uitzinnig wat betreft het vuur, dat brandt in heur hoofd, naar zij zegt, maar voor alle andere dingen is zij het niet, vermits zij met helderen geest ons het lijk van den verslagene hielp ontdekken. Als Joost Damman inderdaad een harige vlek heeft op zijnen rug, is dit merk voldoende om zijne eenzelvigheid te doen vaststellen met den duivel Hans, op denwelken Katelijne verliefd was. Beul, toon ons het merk op den rug.De hangman ontblootte den hals en den schouder, en toonde de bruine, harige vlek.—Ha! sprak Katelijne, hoe wit is uwe huid! zou men niet zeggen dat het de schouderen eener maagd zijn? Wat zijt gij schoon, Hans, mijn beminde! Drinken!Toen stak de hangman een lange naald in het merk, doch er kwam geen bloed uit.En de schepenen zeiden tot elkander:—Dat is een duivel, en hij zal Joost Damman vermoord hebben en zijn aanschijn genomen, om des te veiliger de arme lieden te kunnen bedriegen.En de baljuw en de schepenen schrikten:—Hij is een duivel, en er is een tooverteeken.En Joost Damman sprak:—Gij weet wel dat dit geen tooverteeken is, maar dat er vleezige uitwassen bestaan, in dewelke men mag steken, zonder dat zij bloeden. Heeft Hilbert die tooveres geld ontfutseld,—want tooveres is zij, die belijdt met den duivel te hebben geslapen—zoo deed hij het met de algeheele toestemming van die boerin en werd hij, edelman, om zijne kussen betaald, gelijk zulks telkendage gebeurt met de meidekens van pleizier. Zijn er geene mannen, die, als de loddegen, de vrouwen hunne kracht en hunne schoonheid met geld doen betalen?De schepenen zeiden tot elkaar:—Hoort gij zijn duivelsche, stoutmoedige listen? Zijn harige wrat heeft niet gebloed: moordenaar, duivel en tooveraar, wil hij enkellijk de schuld van het tweegevecht bekennen, om al zijn andere misdaden te schuiven op zijn vriend den duivel, dien hij gedood heeft naar lichaam, maar geenszins naar ziel.... En ziet eens hoe bleek zijn gezicht is.—Aldus verschijnen al de duivelen, rood in de helle, bleek op de wereld, want zij hebben geen levensvuur, dat aan het gezicht zijn natuurlijken blos geeft, en zij zijn assche van binnen.—Om hem rood te krijgen en hem te doen branden, moet men hem terug op het vuur zetten.Toen sprak Katelijne:—Ja, duivel is hij, doch een goede, zoete duivel! En de heilige Joannes, zijn patroon, heeft hem de toelating gegeven de helle te verlaten. Alle dagen bidt hij den Heer Jezus voor hem. Hij moet maar zeven duizend jaar vagevuur meer doen: de Moeder Gods wil het, maar Satan verzet er zich tegen. Doch Maria drijft door wat zij wil. Zult gijlieden u verzetten tegen heuren wil? Als gij hem goed beziet, zult gij merken, dat hij niets meer heeft van zijn duivelschen staat, uitgenomen zijn ijskoud lichaam, en ook zijn gezicht, dat glanst lijk, in de oogstmaand, de branding der zee, als donder op handen is.En Joost Damman sprak:—Zwijg, tooveres, gij doet mij verbranden!Vervolgens zeide hij tot den baljuw en tot de schepenen:—Aanziet mij, ik ben geen duivel; ik heb vleesch en been, bloed en water. Ik drink en eet, verteer en werp uit lijk gijlie; mijn vel is gelijk het uwe en mijn voet insgelijks; beul, trek mijne schoenen uit, want met mijn gebonden voeten kan ik mij niet verroeren.De hangman deed het, niet zonder schrik.—Ziet, zeide Joost, terwijl hij zijn blanke voeten liet zien: zijn dat gespleten klauwen, zijn dat duivelspooten? Wat mijne bleekheid betreft, is niemand uwer zoo bleek als ik ben? Ik zie er meer dan drie onder ulieden. Maar die zondigde was niet ik, doch die leelijke tooveres en heure dochter, de boosaardige aanbrengster. Waar haalde zij het geld, dat zij leende aan Hilbert; van waar kwamen de florijnen, die zij hem gaf? Waren die niet het loon van den duivel, om de onschuldige edellieden aan te klagen en te doen sterven? Het is aan die beide vrouwen dat gij moet vragen, wie den hond in de lochting verworgde, wie den schat uit den put nam en er mee heenging, wellicht om de gestolen karolussen ergens elders te verbergen. Soetkin, de weduwe, kon geen vertrouwen stellen in mij, daar zij mij niet kende, doch wel in haarlieden, bij dewelken zij heel den dag vertoefde. Zij beiden zijn het, die het goed van den keizer hebben gestolen.—Vrouwe, hebt gij niets te zeggen tot uwe verdediging?Katelijne keek naar Joost Damman en zeide met liefde:—’t Is het uur van den nachtuil! Hans, mijn welbeminde, ik heb de hand van Hilbert. Zij zeggen, dat gij de zevenhonderd karolussen zult teruggeven.... Doet het vuur weg, doet het vuur weg! kermde zij vervolgens. Drinken! drinken! mijn hoofd brandt! God en de engelen eten appelsienen in ’t hemelrijk.En zij viel in bezwijming.—Neem ze weg van de pijnbank, beval de baljuw.De hangman en zijne knechts gehoorzaamden. Men zag ze wankelen, met gezwollen voeten, want de beul had de koorden te hard gespannen.—Geef heur te drinken, beval de baljuw.Men gaf heur versch water, hetwelk zij gretig dronk, met den beker tusschen heure tanden, als een hond doet met een been, zonder hem te willen loslaten. Vervolgens gaf men heur nog water, en zij wilde er van dragen aan Joost Damman, maar debeul rukte heur den beker uit de hand. En zij viel slapend ten gronde, als een blok lood.Toen riep Joost Damman met woede:—Ik ook heb dorst en heb vaak. Waarom laat gij heur drinken en slapen?—Zij is eene vrouw, en daarbij zwak en uitzinnig, antwoordde de baljuw.—Heure uitzinnigheid is geveinsd, zeide Joost Damman, zij is eene tooveres. Ik wil drinken, ik wil slapen!En hij sloot de oogen, maar de beulsknechten sloegen hem in het gezicht.—Geef mij een mes, riep hij, dat ik al dien gemeenen boeren en burgers de les spelle: ik ben een edelman en nooit sloeg men mij in het gezicht. Water! laat mij slapen, ik ben onschuldig. Ik ben het niet, die de zevenhonderd karolussen stal: ’t is Hilbert. Drinken! Nooit bedreef ik tooverij of bezwering. Ik ben onschuldig, laat mij gaan. Drinken!Toen vroeg de baljuw:—Hoe bracht gij den tijd door, sedert dat gij Katelijne verliet?—Katelijne ken ik niet en heb ze dus niet verlaten, zeide hij. Gij ondervraagt mij over stukken, die vreemd aan de zaak zijn. Ik moet u niet antwoorden. Drinken! Laat mij slapen! Ik zeg u, dat Hilbert alles gedaan heeft.—Maakt hem los, sprak de baljuw. Brengt hem terug naar het Steen. Maar hij zal drinken noch slapen, totdat hij zijne tooverij en bezwering bekend heeft.En voor Damman was dit een schromelijke foltering. In den kerker schreeuwde hij zoo luide: „Drinken! Drinken!” dat het volk het hoorde, doch zonder mededoogen. En als hij viel van de vaak en zijne bewakers hem in het gezicht sloegen, werd hij woedend als een tijger en riep hij:—Ik ben een edelman en zal u allen dooden, boeren! Ik zal gaan bij den koning, onzen hoofdman. Drinken!Doch hij beleed niets, en men liet hem in het Steen.
V.’s Anderen daags woei de wind uit Brabant: de sneeuw smolt en de meerschen werden overstroomd.En de burgstorm luidde, om de rechters naar de vierschaarte roepen, onder het afdak, om den wille van de vochtigheid der zodenbanken.En het volk stond rond de vierschaar.Joost Damman werd voorgebracht, zonder kluisters, in zijn prachtige kleeren. Katelijne werd insgelijks voorgebracht, doch met de handen van voren gebonden en gekleed in een grijs lijnwaden kleed, hetwelk de dos der gevangenen was.Joost Damman, ondervraagd, bekende dat hij zijn vriend Hilbert gedood had, in tweegevecht, met het zweerd. Als men hem zei, dat hij gedood was met een dolk, antwoordde Joos Damman:—Ik heb hem afgemaakt, omdat hij niet gauw genoeg stierf. Dien moord beken ik gereedelijk, vermits ik sta onder de bescherming der wetten van Vlaanderen, volgens dewelke, na verloop van tien jaar, de moord niet meer vervolgd wordt.De baljuw vroeg hem:—Zijt gij geen tooveraar?—Neen, antwoordde Damman.—Bewijs het, zeide de baljuw.—Ik zal het doen op tijd en stond, zeide Joost Damman, maar nu past het mij niet.Toen werd Katelijne ondervraagd; zij hoorde niet wat men vroeg, doch keek gedurig naar Hans en sprak:—Gij zijt mijn groene heer, schoon als de zon zijt ge. Doe het vuur weg, mijn liefste!Nele kwam toen Katelijne voorspreken en zeide:—Heer baljuw en heeren rechters, meer dan gij weet, kan zij niet bekennen; zij is geene tooveres, doch enkel uitzinnig.Toen sprak de baljuw:—Tooveraar is hij, die door voorbedachtelijk gebruikte duivelsche middelen in iets tracht te slagen. Nu, deze twee, man en vrouw, zijn tooveraars met inzicht en met daad; hij, omdat hij de sabbatszalve gegeven, en zijn gezicht helder als Lucifer gemaakt heeft, ten einde geld en vleeschelijken omgang te bekomen; zij, omdat zij hem aangehangen heeft, hem nemende voor eenen echten duivel, en omdat zij met hem gehanteerd heeft; hij is pleger van hekserij, en zij is zijne baarschuldige. Men mag dus geenerlei ontferming hebben, en ik moet het zeggen, want ik zie dat de schepenen en die van ’t gemeen te goedertieren zijn jegens de vrouw. In der waarheid heeft zij gemoord noch gestolen, noch heeft zij personen of hunlieder beestiaal mishand; ook heeft zij geenerlei zieken met buitengemeene middelen genezen,maar enkellijk met gekende geneeskruiden; doch zij heeft heure dochter willen overleveren aan den duivel, en als deze in heur jeugdigen ouderdom niet met zooveel dapperheid wederstaan had, dan had zij toegegeven aan Hilbert en ware zij, als de tweede beschuldigde, insgelijks tooveres geworden. Dienvolgens vraag ik aan de heeren van de vierschaar of zij niet van oordeel zijn, beiden ter torture te stellen?De schepenen antwoordden niet, daardoor beduidende, dat zij niet van dat oordeel waren, wat Katelijne betrof.Zijne rede vervolgende, zeide toen de baljuw:—Evenals gij, ben ik voor haar vervuld met ontferming en medelijden; maar had die krankzinnige tooveres, die zoo goed den duivel gehoorzaamt, als haar ontuchtige medebeschuldigde het heur had bevolen, het hoofd heurer dochter niet kunnen afhouwen met een kapmes, zooals Katelijne Dura, in Frankrijk, met heur twee dochters deed, op aanzoek van den duivel? Had zij, zoo heur zwarte bruidegom het heur had bevolen, het beestiaal niet kunnen doen sterven; de boter niet kunnen doen keeren in de karnton, door er suiker in te smijten; had zij in lijve niet kunnen tegenwoordig zijn bij alle duivelsvereeringen, heksendansen, verfoeiselen en koppelingen van tooveraars? Had zij geen menschenvleesch kunnen eten, geene kinderen kunnen dooden om er pasteien van te maken en die te verkoopen, gelijk een pasteibakker van Parijs deed; had zij de braaien der gehangenen niet kunnen afsnijden en meedragen om ze rauw op te eten, aldus plegende beide een schromelijken diefstal en eene heiligschennis? En ik vraag aan de vierschaar Katelijne en Joost Damman op de pijnbank te leggen, ten einde te weten of zij beiden geenerlei andere misdrijven hebben gepleegd dan degene, die reeds gekend en onderzocht zijn. Vermits Joost Damman weigert iets meerder te bekennen dan den moord, en Katelijne niet alles gezegd heeft, gebieden ons de wetten des Rijks te handelen naarvolgens mijn voorstel.En de sententie der schepenen luidde, dat de torture twee dagen later, des Vrijdags, zou plaats hebben.En Nele schreeuwde:—Genade, mijne heeren!En het volk schreeuwde met heur, doch te vergeefs.En Katelijne bezag Joost Damman en sprak:—Ik heb Hilbert’s hand, kom ze dezen nacht halen, liefste.En zij werden terug naar het Steen gebracht.Op bevel van de vierschaar, werd den cipier geheeten hun elk twee bewakers te geven, die hen moesten slaan, telkens dat zij zouden willen slapen; maar de twee bewakers van Katelijne lieten heur den nacht slapende doorbrengen, en die van Joost Damman sloegen hem wreedelijk telkens dat hij de oogen look of enkellijk het hoofd vooroverboog.Heel den Woensdag hadden zij honger, alsook den nacht en heel den Donderdag, tot ’s avonds, als men hun vleesch te eten en water te drinken gaf, beide bereid met zout en met salpeter. Dat was het begin der torture. En ’s morgens brachten de serjanten de beide gevangenen, die schreeuwden van dorst, naar de folterkamer.Daar werden zij rechtover elkander gezet en ieder gebonden op eene bank, bekleed met knoopkoorden, die hen schromelijk pijnigden.En ieder moest een glas water drinken, met zout en salpeter er in.Joost Damman kreeg vaak op zijne bank, maar de serjanten sloegen hem wakker.En Katelijne zeide:—Om Gods wil, slaat hem niet, mijne heeren, gij breekt zijn arm lichaam. Hij bedreef maar een enkele misdaad, uit liefde, toen hij Hilbert doodde. Ik heb dorst en gij ook, Hans, mijn beminde! Laat hem eerst drinken! Water! water! mijn lichaam brandt als vuur. Spaar hem, ik zal sterven voor hem! Drinken!Hans zeide tot haar:—Heks die gij zijt. Heeren rechters, smijt heure kroenge in ’t vuur. Ik heb dorst!De griffiers schreven al zijne woorden op.Toen zei de baljuw:—Hebt gij niets te belijden?—Ik heb niets meer te zeggen, antwoordde Joost Damman: Gij weet alles.—Daar hij volherdt in zijn loochenen, zeide de baljuw, zal hij tot verdere en volledige belijdenis op de koordebank blijven zitten en zal hij dorst lijden, en men zal hem beletten te slapen.—Ik zal blijven, zei Joost Damman, en mij vermaken met die tooveres te zien lijden op heure bank. Hoe vindt gij ’t huwelijksbed, nichtje?En zuchtend antwoordde Katelijne:—Koud van armen en warm van hert, Hans, mijn welbeminde. Ik heb dorst, mijn hoofd brandt!—En gij, vrouwe, sprak de baljuw, hebt gij niets meer te zeggen?—Ik hoor, zeide zij, de kar van den Dood en een dof gerammel van beenderen. Ik heb dorst! En Hij leidt mij naar een grooten troon, waar water is, frisch en klaar water; maar dit water is vuur. Hans, mijn vriend, verlos mij van die koorden. Ja, ik ben in het vagevuur en ginder omhoog zie ik Onzen Heer Jezus in het hemelrijk zitten, met zijn allergenadigste moeder, de Maagd Maria. Ho! Heilige Moeder Gods, een droppelken water! Eet die sappige vruchten alleen niet op!—Die vrouw is door wreede uitzinnigheid getroffen, zei een van de schepenen. Men moet ze van de pijnbank verwijderen.—Zij is niet uitzinniger dan ik; zei Joost Damman, ’t is gehuichel en gemaakt spel.En met dreigende stemme, sprak hij tot Katelijne:—Ik zal u zien branden in ’t vuur, u, die zoo goed de uitzinnige speelt.En grijnzend, lachte hij om zijn boosaardige leugen.—Ik heb dorst, zei Katelijne, hebt medelijden, ik heb dorst! Hans mijn welbeminde, geef mij te drinken. Hoe helder is uw gezicht! Laat mij tot hem gaan, heeren rechters!En den mond openspalkend, vervolgde zij, smachtend van dorst:—Ja, ja, nu steken zij vuur in mijne borst, en de duivelen binden mij op dit gruwelijk bed. Hans, neem uw zweerd en dood ze, gij, die zoo machtig zijt. Water! drinken! drinken!—Sterf, tooveres, zeide Joost Damman: gij moest heur eene prop in den mond steken om heur, eene vrouw uit ’t gemeen, te beletten op te komen tegen mij, die van adel ben.Een schepen, vijand des adels, antwoordde op deze rede:—Heer baljuw, het is strijdig met de rechten en costumen van den lande, proppen te steken in den mond van hen, die men ondervraagt, want zij zijn hier om de waarheid te zeggen en gevonnist te worden volgens hunne rede. Proppen zijn maar toegelaten wanneer de beschuldigde, veroordeeld zijnde, van op het schavot tot het volk spreken wil, om het te vermurwen of gisting onder het gemeen te verwekken.—Ik heb dorst, zeide Katelijne, geef mij te drinken, Hans, mijn liefste.—Ha! sprak Joost, gij lijdt, vervloekte heks, eenige schuld van al mijne tormenten; maar in deze folterkamer zult gij nogandere smerten verduren: de keersen, de wipgalg, de stokskens tusschen de vingeren en tusschen de teenen. Men zal u, ganschelijk naakt, schrijlings zetten op den rug eener doodkist, scherp als het lemmer van een mes, en dan zult gij belijden dat gij geene uitzinnige zijt, maar een tooveres, door Satan betaald om den edellieden last aan te doen. Drinken!—Hans, mijn beminde, sprak Katelijne opnieuw, wees niet grammoedig jegens uwe dienares; ik lijd duizenden pijnen voor u, mijn heer en meester! Spaart hem, heeren rechters: geeft hem een vollen beker te drinken, maar laat eenige droppelen over voor mij. Hans, is ’t reeds het uur van den nachtuil?Toen vroeg de baljuw aan Joost Damman:—Welke was de reden van het tweegevecht, waarin Hilbert den dood vond?Joost antwoordde:—Wij vochten om een meideken van Heist, dat wij beiden beminden.—Een meideken van Heist, riep Katelijne, die met geweld van de bank wilde opstaan, gij bedriegt mij dus met eene andere, helsche verrader?... Wist gij dat ik stond te luisteren, achter den dijk, toen gij zegdet dat gij al het geld wildet hebben, hetwelk het geld was van Klaas? ’t Was zeker om het met heur te verteren? Laas! en ik, die mijn bloed had gegeven, als hij er goud had kunnen van maken! En alles voor eene andere! Wees gevloekt!Doch plotseling begon zij te weenen, en zij poogde zich om te keeren op de folterbank:—Neen, Hans, zeg dat gij uwe arme dienares noch zult liefhebben, en de aarde zal ik met mijne vingeren openkrabben; een schat zal ik u vinden; ja, een schat is verborgen; en ik zal zoeken met het hazelaarstakje, hetwelk nederbuigt als het boven metaal wordt gehouden; en ik zal hem vinden en hem u eerlijk brengen; kus mij, liefste, en gij zult rijk wezen; en alle dagen zullen wij kuite drinken; ja, ja, zij, die daar zitten, drinken ook bier, schuimend bier, dat verkwikt! O! mijne heeren, een dropje slechts, ik brand in het vuur! Hans, ik weet waar hazelaars groeien, maar gij moet wachten tot in den voortijd.—Zwijg, ellendige, zei Joost Damman, ik ken u niet. Hilbert hebt gij genomen voor mij: hij is ’t die boven bij u kwam. En, met uw helschen geest, hiet gij hem Hans. Weet dat ik niet Hans heet, maar Joost: wij waren van dezelfde grootte, Hilberten ik; ’t was Hilbert, waarschijnlijk, die de zevenhonderd karolussen nam. Drinken! mijn vader zal honderd gulden betalen voor een kroezeken water; maar die vrouw ken ik niet!—Heer baljuw en heeren rechters, riep Katelijne uit, hij beweert dat hij mij niet kent; maar ik, ik ken hem wel en weet, dat hij op den rug een bruine, harige geboortevlek heeft, groot als een erwt. Ha! gij bemindet een meideken van Heist! Hoeft een oprecht minnaar voor zijn geliefde te blozen? Hans, ben ik niet meer schoon?—Schoon! grijnslachte Damman, gij hebt een gezicht, glad als eene mispel, en een lichaam, slank als eene vim takkebossen: bezie mij die schooister, die beweert een edelman tot minnaar te hebben! Drinken!—Zoo spraakt ge niet, Hans, mijn beminde heer en meester, als ik zestien jaar jonger was.Vervolgens op heur hoofd en heure borst kloppend, sprak zij:—’t Is het vuur, dat daar is, dat mijn hert en mijn gezicht verschroeit: verwijt het mij niet; weet gij nog dat wij veel van zout eten hielden, om beter te kunnen drinken, naar gij zeidet? Nu is al het zout in ons lijf, mijn beminde, en mijnheer de baljuw drinkt wijn. Wij vragen geen wijn: geeft ons water. In de beemde kabbelt het heldere beekje met zijn frisch, lekker water. Neen, dat water kookt, het verbrandt mij! ’t Is water uit de helle!En Katelijne weende en zij sprak:—Nooit deed ik iemand leed, en iedereen smijt mij in ’t vuur. Drinken! de straathonden krijgen water; ik ben een kerstene vrouw, geeft mij te drinken. Nooit deed ik iemand leed! Geeft mij toch te drinken!Toen sprak een schepen:—Die tooveres is alleenlijk uitzinnig wat betreft het vuur, dat brandt in heur hoofd, naar zij zegt, maar voor alle andere dingen is zij het niet, vermits zij met helderen geest ons het lijk van den verslagene hielp ontdekken. Als Joost Damman inderdaad een harige vlek heeft op zijnen rug, is dit merk voldoende om zijne eenzelvigheid te doen vaststellen met den duivel Hans, op denwelken Katelijne verliefd was. Beul, toon ons het merk op den rug.De hangman ontblootte den hals en den schouder, en toonde de bruine, harige vlek.—Ha! sprak Katelijne, hoe wit is uwe huid! zou men niet zeggen dat het de schouderen eener maagd zijn? Wat zijt gij schoon, Hans, mijn beminde! Drinken!Toen stak de hangman een lange naald in het merk, doch er kwam geen bloed uit.En de schepenen zeiden tot elkander:—Dat is een duivel, en hij zal Joost Damman vermoord hebben en zijn aanschijn genomen, om des te veiliger de arme lieden te kunnen bedriegen.En de baljuw en de schepenen schrikten:—Hij is een duivel, en er is een tooverteeken.En Joost Damman sprak:—Gij weet wel dat dit geen tooverteeken is, maar dat er vleezige uitwassen bestaan, in dewelke men mag steken, zonder dat zij bloeden. Heeft Hilbert die tooveres geld ontfutseld,—want tooveres is zij, die belijdt met den duivel te hebben geslapen—zoo deed hij het met de algeheele toestemming van die boerin en werd hij, edelman, om zijne kussen betaald, gelijk zulks telkendage gebeurt met de meidekens van pleizier. Zijn er geene mannen, die, als de loddegen, de vrouwen hunne kracht en hunne schoonheid met geld doen betalen?De schepenen zeiden tot elkaar:—Hoort gij zijn duivelsche, stoutmoedige listen? Zijn harige wrat heeft niet gebloed: moordenaar, duivel en tooveraar, wil hij enkellijk de schuld van het tweegevecht bekennen, om al zijn andere misdaden te schuiven op zijn vriend den duivel, dien hij gedood heeft naar lichaam, maar geenszins naar ziel.... En ziet eens hoe bleek zijn gezicht is.—Aldus verschijnen al de duivelen, rood in de helle, bleek op de wereld, want zij hebben geen levensvuur, dat aan het gezicht zijn natuurlijken blos geeft, en zij zijn assche van binnen.—Om hem rood te krijgen en hem te doen branden, moet men hem terug op het vuur zetten.Toen sprak Katelijne:—Ja, duivel is hij, doch een goede, zoete duivel! En de heilige Joannes, zijn patroon, heeft hem de toelating gegeven de helle te verlaten. Alle dagen bidt hij den Heer Jezus voor hem. Hij moet maar zeven duizend jaar vagevuur meer doen: de Moeder Gods wil het, maar Satan verzet er zich tegen. Doch Maria drijft door wat zij wil. Zult gijlieden u verzetten tegen heuren wil? Als gij hem goed beziet, zult gij merken, dat hij niets meer heeft van zijn duivelschen staat, uitgenomen zijn ijskoud lichaam, en ook zijn gezicht, dat glanst lijk, in de oogstmaand, de branding der zee, als donder op handen is.En Joost Damman sprak:—Zwijg, tooveres, gij doet mij verbranden!Vervolgens zeide hij tot den baljuw en tot de schepenen:—Aanziet mij, ik ben geen duivel; ik heb vleesch en been, bloed en water. Ik drink en eet, verteer en werp uit lijk gijlie; mijn vel is gelijk het uwe en mijn voet insgelijks; beul, trek mijne schoenen uit, want met mijn gebonden voeten kan ik mij niet verroeren.De hangman deed het, niet zonder schrik.—Ziet, zeide Joost, terwijl hij zijn blanke voeten liet zien: zijn dat gespleten klauwen, zijn dat duivelspooten? Wat mijne bleekheid betreft, is niemand uwer zoo bleek als ik ben? Ik zie er meer dan drie onder ulieden. Maar die zondigde was niet ik, doch die leelijke tooveres en heure dochter, de boosaardige aanbrengster. Waar haalde zij het geld, dat zij leende aan Hilbert; van waar kwamen de florijnen, die zij hem gaf? Waren die niet het loon van den duivel, om de onschuldige edellieden aan te klagen en te doen sterven? Het is aan die beide vrouwen dat gij moet vragen, wie den hond in de lochting verworgde, wie den schat uit den put nam en er mee heenging, wellicht om de gestolen karolussen ergens elders te verbergen. Soetkin, de weduwe, kon geen vertrouwen stellen in mij, daar zij mij niet kende, doch wel in haarlieden, bij dewelken zij heel den dag vertoefde. Zij beiden zijn het, die het goed van den keizer hebben gestolen.—Vrouwe, hebt gij niets te zeggen tot uwe verdediging?Katelijne keek naar Joost Damman en zeide met liefde:—’t Is het uur van den nachtuil! Hans, mijn welbeminde, ik heb de hand van Hilbert. Zij zeggen, dat gij de zevenhonderd karolussen zult teruggeven.... Doet het vuur weg, doet het vuur weg! kermde zij vervolgens. Drinken! drinken! mijn hoofd brandt! God en de engelen eten appelsienen in ’t hemelrijk.En zij viel in bezwijming.—Neem ze weg van de pijnbank, beval de baljuw.De hangman en zijne knechts gehoorzaamden. Men zag ze wankelen, met gezwollen voeten, want de beul had de koorden te hard gespannen.—Geef heur te drinken, beval de baljuw.Men gaf heur versch water, hetwelk zij gretig dronk, met den beker tusschen heure tanden, als een hond doet met een been, zonder hem te willen loslaten. Vervolgens gaf men heur nog water, en zij wilde er van dragen aan Joost Damman, maar debeul rukte heur den beker uit de hand. En zij viel slapend ten gronde, als een blok lood.Toen riep Joost Damman met woede:—Ik ook heb dorst en heb vaak. Waarom laat gij heur drinken en slapen?—Zij is eene vrouw, en daarbij zwak en uitzinnig, antwoordde de baljuw.—Heure uitzinnigheid is geveinsd, zeide Joost Damman, zij is eene tooveres. Ik wil drinken, ik wil slapen!En hij sloot de oogen, maar de beulsknechten sloegen hem in het gezicht.—Geef mij een mes, riep hij, dat ik al dien gemeenen boeren en burgers de les spelle: ik ben een edelman en nooit sloeg men mij in het gezicht. Water! laat mij slapen, ik ben onschuldig. Ik ben het niet, die de zevenhonderd karolussen stal: ’t is Hilbert. Drinken! Nooit bedreef ik tooverij of bezwering. Ik ben onschuldig, laat mij gaan. Drinken!Toen vroeg de baljuw:—Hoe bracht gij den tijd door, sedert dat gij Katelijne verliet?—Katelijne ken ik niet en heb ze dus niet verlaten, zeide hij. Gij ondervraagt mij over stukken, die vreemd aan de zaak zijn. Ik moet u niet antwoorden. Drinken! Laat mij slapen! Ik zeg u, dat Hilbert alles gedaan heeft.—Maakt hem los, sprak de baljuw. Brengt hem terug naar het Steen. Maar hij zal drinken noch slapen, totdat hij zijne tooverij en bezwering bekend heeft.En voor Damman was dit een schromelijke foltering. In den kerker schreeuwde hij zoo luide: „Drinken! Drinken!” dat het volk het hoorde, doch zonder mededoogen. En als hij viel van de vaak en zijne bewakers hem in het gezicht sloegen, werd hij woedend als een tijger en riep hij:—Ik ben een edelman en zal u allen dooden, boeren! Ik zal gaan bij den koning, onzen hoofdman. Drinken!Doch hij beleed niets, en men liet hem in het Steen.
V.’s Anderen daags woei de wind uit Brabant: de sneeuw smolt en de meerschen werden overstroomd.En de burgstorm luidde, om de rechters naar de vierschaarte roepen, onder het afdak, om den wille van de vochtigheid der zodenbanken.En het volk stond rond de vierschaar.Joost Damman werd voorgebracht, zonder kluisters, in zijn prachtige kleeren. Katelijne werd insgelijks voorgebracht, doch met de handen van voren gebonden en gekleed in een grijs lijnwaden kleed, hetwelk de dos der gevangenen was.Joost Damman, ondervraagd, bekende dat hij zijn vriend Hilbert gedood had, in tweegevecht, met het zweerd. Als men hem zei, dat hij gedood was met een dolk, antwoordde Joos Damman:—Ik heb hem afgemaakt, omdat hij niet gauw genoeg stierf. Dien moord beken ik gereedelijk, vermits ik sta onder de bescherming der wetten van Vlaanderen, volgens dewelke, na verloop van tien jaar, de moord niet meer vervolgd wordt.De baljuw vroeg hem:—Zijt gij geen tooveraar?—Neen, antwoordde Damman.—Bewijs het, zeide de baljuw.—Ik zal het doen op tijd en stond, zeide Joost Damman, maar nu past het mij niet.Toen werd Katelijne ondervraagd; zij hoorde niet wat men vroeg, doch keek gedurig naar Hans en sprak:—Gij zijt mijn groene heer, schoon als de zon zijt ge. Doe het vuur weg, mijn liefste!Nele kwam toen Katelijne voorspreken en zeide:—Heer baljuw en heeren rechters, meer dan gij weet, kan zij niet bekennen; zij is geene tooveres, doch enkel uitzinnig.Toen sprak de baljuw:—Tooveraar is hij, die door voorbedachtelijk gebruikte duivelsche middelen in iets tracht te slagen. Nu, deze twee, man en vrouw, zijn tooveraars met inzicht en met daad; hij, omdat hij de sabbatszalve gegeven, en zijn gezicht helder als Lucifer gemaakt heeft, ten einde geld en vleeschelijken omgang te bekomen; zij, omdat zij hem aangehangen heeft, hem nemende voor eenen echten duivel, en omdat zij met hem gehanteerd heeft; hij is pleger van hekserij, en zij is zijne baarschuldige. Men mag dus geenerlei ontferming hebben, en ik moet het zeggen, want ik zie dat de schepenen en die van ’t gemeen te goedertieren zijn jegens de vrouw. In der waarheid heeft zij gemoord noch gestolen, noch heeft zij personen of hunlieder beestiaal mishand; ook heeft zij geenerlei zieken met buitengemeene middelen genezen,maar enkellijk met gekende geneeskruiden; doch zij heeft heure dochter willen overleveren aan den duivel, en als deze in heur jeugdigen ouderdom niet met zooveel dapperheid wederstaan had, dan had zij toegegeven aan Hilbert en ware zij, als de tweede beschuldigde, insgelijks tooveres geworden. Dienvolgens vraag ik aan de heeren van de vierschaar of zij niet van oordeel zijn, beiden ter torture te stellen?De schepenen antwoordden niet, daardoor beduidende, dat zij niet van dat oordeel waren, wat Katelijne betrof.Zijne rede vervolgende, zeide toen de baljuw:—Evenals gij, ben ik voor haar vervuld met ontferming en medelijden; maar had die krankzinnige tooveres, die zoo goed den duivel gehoorzaamt, als haar ontuchtige medebeschuldigde het heur had bevolen, het hoofd heurer dochter niet kunnen afhouwen met een kapmes, zooals Katelijne Dura, in Frankrijk, met heur twee dochters deed, op aanzoek van den duivel? Had zij, zoo heur zwarte bruidegom het heur had bevolen, het beestiaal niet kunnen doen sterven; de boter niet kunnen doen keeren in de karnton, door er suiker in te smijten; had zij in lijve niet kunnen tegenwoordig zijn bij alle duivelsvereeringen, heksendansen, verfoeiselen en koppelingen van tooveraars? Had zij geen menschenvleesch kunnen eten, geene kinderen kunnen dooden om er pasteien van te maken en die te verkoopen, gelijk een pasteibakker van Parijs deed; had zij de braaien der gehangenen niet kunnen afsnijden en meedragen om ze rauw op te eten, aldus plegende beide een schromelijken diefstal en eene heiligschennis? En ik vraag aan de vierschaar Katelijne en Joost Damman op de pijnbank te leggen, ten einde te weten of zij beiden geenerlei andere misdrijven hebben gepleegd dan degene, die reeds gekend en onderzocht zijn. Vermits Joost Damman weigert iets meerder te bekennen dan den moord, en Katelijne niet alles gezegd heeft, gebieden ons de wetten des Rijks te handelen naarvolgens mijn voorstel.En de sententie der schepenen luidde, dat de torture twee dagen later, des Vrijdags, zou plaats hebben.En Nele schreeuwde:—Genade, mijne heeren!En het volk schreeuwde met heur, doch te vergeefs.En Katelijne bezag Joost Damman en sprak:—Ik heb Hilbert’s hand, kom ze dezen nacht halen, liefste.En zij werden terug naar het Steen gebracht.Op bevel van de vierschaar, werd den cipier geheeten hun elk twee bewakers te geven, die hen moesten slaan, telkens dat zij zouden willen slapen; maar de twee bewakers van Katelijne lieten heur den nacht slapende doorbrengen, en die van Joost Damman sloegen hem wreedelijk telkens dat hij de oogen look of enkellijk het hoofd vooroverboog.Heel den Woensdag hadden zij honger, alsook den nacht en heel den Donderdag, tot ’s avonds, als men hun vleesch te eten en water te drinken gaf, beide bereid met zout en met salpeter. Dat was het begin der torture. En ’s morgens brachten de serjanten de beide gevangenen, die schreeuwden van dorst, naar de folterkamer.Daar werden zij rechtover elkander gezet en ieder gebonden op eene bank, bekleed met knoopkoorden, die hen schromelijk pijnigden.En ieder moest een glas water drinken, met zout en salpeter er in.Joost Damman kreeg vaak op zijne bank, maar de serjanten sloegen hem wakker.En Katelijne zeide:—Om Gods wil, slaat hem niet, mijne heeren, gij breekt zijn arm lichaam. Hij bedreef maar een enkele misdaad, uit liefde, toen hij Hilbert doodde. Ik heb dorst en gij ook, Hans, mijn beminde! Laat hem eerst drinken! Water! water! mijn lichaam brandt als vuur. Spaar hem, ik zal sterven voor hem! Drinken!Hans zeide tot haar:—Heks die gij zijt. Heeren rechters, smijt heure kroenge in ’t vuur. Ik heb dorst!De griffiers schreven al zijne woorden op.Toen zei de baljuw:—Hebt gij niets te belijden?—Ik heb niets meer te zeggen, antwoordde Joost Damman: Gij weet alles.—Daar hij volherdt in zijn loochenen, zeide de baljuw, zal hij tot verdere en volledige belijdenis op de koordebank blijven zitten en zal hij dorst lijden, en men zal hem beletten te slapen.—Ik zal blijven, zei Joost Damman, en mij vermaken met die tooveres te zien lijden op heure bank. Hoe vindt gij ’t huwelijksbed, nichtje?En zuchtend antwoordde Katelijne:—Koud van armen en warm van hert, Hans, mijn welbeminde. Ik heb dorst, mijn hoofd brandt!—En gij, vrouwe, sprak de baljuw, hebt gij niets meer te zeggen?—Ik hoor, zeide zij, de kar van den Dood en een dof gerammel van beenderen. Ik heb dorst! En Hij leidt mij naar een grooten troon, waar water is, frisch en klaar water; maar dit water is vuur. Hans, mijn vriend, verlos mij van die koorden. Ja, ik ben in het vagevuur en ginder omhoog zie ik Onzen Heer Jezus in het hemelrijk zitten, met zijn allergenadigste moeder, de Maagd Maria. Ho! Heilige Moeder Gods, een droppelken water! Eet die sappige vruchten alleen niet op!—Die vrouw is door wreede uitzinnigheid getroffen, zei een van de schepenen. Men moet ze van de pijnbank verwijderen.—Zij is niet uitzinniger dan ik; zei Joost Damman, ’t is gehuichel en gemaakt spel.En met dreigende stemme, sprak hij tot Katelijne:—Ik zal u zien branden in ’t vuur, u, die zoo goed de uitzinnige speelt.En grijnzend, lachte hij om zijn boosaardige leugen.—Ik heb dorst, zei Katelijne, hebt medelijden, ik heb dorst! Hans mijn welbeminde, geef mij te drinken. Hoe helder is uw gezicht! Laat mij tot hem gaan, heeren rechters!En den mond openspalkend, vervolgde zij, smachtend van dorst:—Ja, ja, nu steken zij vuur in mijne borst, en de duivelen binden mij op dit gruwelijk bed. Hans, neem uw zweerd en dood ze, gij, die zoo machtig zijt. Water! drinken! drinken!—Sterf, tooveres, zeide Joost Damman: gij moest heur eene prop in den mond steken om heur, eene vrouw uit ’t gemeen, te beletten op te komen tegen mij, die van adel ben.Een schepen, vijand des adels, antwoordde op deze rede:—Heer baljuw, het is strijdig met de rechten en costumen van den lande, proppen te steken in den mond van hen, die men ondervraagt, want zij zijn hier om de waarheid te zeggen en gevonnist te worden volgens hunne rede. Proppen zijn maar toegelaten wanneer de beschuldigde, veroordeeld zijnde, van op het schavot tot het volk spreken wil, om het te vermurwen of gisting onder het gemeen te verwekken.—Ik heb dorst, zeide Katelijne, geef mij te drinken, Hans, mijn liefste.—Ha! sprak Joost, gij lijdt, vervloekte heks, eenige schuld van al mijne tormenten; maar in deze folterkamer zult gij nogandere smerten verduren: de keersen, de wipgalg, de stokskens tusschen de vingeren en tusschen de teenen. Men zal u, ganschelijk naakt, schrijlings zetten op den rug eener doodkist, scherp als het lemmer van een mes, en dan zult gij belijden dat gij geene uitzinnige zijt, maar een tooveres, door Satan betaald om den edellieden last aan te doen. Drinken!—Hans, mijn beminde, sprak Katelijne opnieuw, wees niet grammoedig jegens uwe dienares; ik lijd duizenden pijnen voor u, mijn heer en meester! Spaart hem, heeren rechters: geeft hem een vollen beker te drinken, maar laat eenige droppelen over voor mij. Hans, is ’t reeds het uur van den nachtuil?Toen vroeg de baljuw aan Joost Damman:—Welke was de reden van het tweegevecht, waarin Hilbert den dood vond?Joost antwoordde:—Wij vochten om een meideken van Heist, dat wij beiden beminden.—Een meideken van Heist, riep Katelijne, die met geweld van de bank wilde opstaan, gij bedriegt mij dus met eene andere, helsche verrader?... Wist gij dat ik stond te luisteren, achter den dijk, toen gij zegdet dat gij al het geld wildet hebben, hetwelk het geld was van Klaas? ’t Was zeker om het met heur te verteren? Laas! en ik, die mijn bloed had gegeven, als hij er goud had kunnen van maken! En alles voor eene andere! Wees gevloekt!Doch plotseling begon zij te weenen, en zij poogde zich om te keeren op de folterbank:—Neen, Hans, zeg dat gij uwe arme dienares noch zult liefhebben, en de aarde zal ik met mijne vingeren openkrabben; een schat zal ik u vinden; ja, een schat is verborgen; en ik zal zoeken met het hazelaarstakje, hetwelk nederbuigt als het boven metaal wordt gehouden; en ik zal hem vinden en hem u eerlijk brengen; kus mij, liefste, en gij zult rijk wezen; en alle dagen zullen wij kuite drinken; ja, ja, zij, die daar zitten, drinken ook bier, schuimend bier, dat verkwikt! O! mijne heeren, een dropje slechts, ik brand in het vuur! Hans, ik weet waar hazelaars groeien, maar gij moet wachten tot in den voortijd.—Zwijg, ellendige, zei Joost Damman, ik ken u niet. Hilbert hebt gij genomen voor mij: hij is ’t die boven bij u kwam. En, met uw helschen geest, hiet gij hem Hans. Weet dat ik niet Hans heet, maar Joost: wij waren van dezelfde grootte, Hilberten ik; ’t was Hilbert, waarschijnlijk, die de zevenhonderd karolussen nam. Drinken! mijn vader zal honderd gulden betalen voor een kroezeken water; maar die vrouw ken ik niet!—Heer baljuw en heeren rechters, riep Katelijne uit, hij beweert dat hij mij niet kent; maar ik, ik ken hem wel en weet, dat hij op den rug een bruine, harige geboortevlek heeft, groot als een erwt. Ha! gij bemindet een meideken van Heist! Hoeft een oprecht minnaar voor zijn geliefde te blozen? Hans, ben ik niet meer schoon?—Schoon! grijnslachte Damman, gij hebt een gezicht, glad als eene mispel, en een lichaam, slank als eene vim takkebossen: bezie mij die schooister, die beweert een edelman tot minnaar te hebben! Drinken!—Zoo spraakt ge niet, Hans, mijn beminde heer en meester, als ik zestien jaar jonger was.Vervolgens op heur hoofd en heure borst kloppend, sprak zij:—’t Is het vuur, dat daar is, dat mijn hert en mijn gezicht verschroeit: verwijt het mij niet; weet gij nog dat wij veel van zout eten hielden, om beter te kunnen drinken, naar gij zeidet? Nu is al het zout in ons lijf, mijn beminde, en mijnheer de baljuw drinkt wijn. Wij vragen geen wijn: geeft ons water. In de beemde kabbelt het heldere beekje met zijn frisch, lekker water. Neen, dat water kookt, het verbrandt mij! ’t Is water uit de helle!En Katelijne weende en zij sprak:—Nooit deed ik iemand leed, en iedereen smijt mij in ’t vuur. Drinken! de straathonden krijgen water; ik ben een kerstene vrouw, geeft mij te drinken. Nooit deed ik iemand leed! Geeft mij toch te drinken!Toen sprak een schepen:—Die tooveres is alleenlijk uitzinnig wat betreft het vuur, dat brandt in heur hoofd, naar zij zegt, maar voor alle andere dingen is zij het niet, vermits zij met helderen geest ons het lijk van den verslagene hielp ontdekken. Als Joost Damman inderdaad een harige vlek heeft op zijnen rug, is dit merk voldoende om zijne eenzelvigheid te doen vaststellen met den duivel Hans, op denwelken Katelijne verliefd was. Beul, toon ons het merk op den rug.De hangman ontblootte den hals en den schouder, en toonde de bruine, harige vlek.—Ha! sprak Katelijne, hoe wit is uwe huid! zou men niet zeggen dat het de schouderen eener maagd zijn? Wat zijt gij schoon, Hans, mijn beminde! Drinken!Toen stak de hangman een lange naald in het merk, doch er kwam geen bloed uit.En de schepenen zeiden tot elkander:—Dat is een duivel, en hij zal Joost Damman vermoord hebben en zijn aanschijn genomen, om des te veiliger de arme lieden te kunnen bedriegen.En de baljuw en de schepenen schrikten:—Hij is een duivel, en er is een tooverteeken.En Joost Damman sprak:—Gij weet wel dat dit geen tooverteeken is, maar dat er vleezige uitwassen bestaan, in dewelke men mag steken, zonder dat zij bloeden. Heeft Hilbert die tooveres geld ontfutseld,—want tooveres is zij, die belijdt met den duivel te hebben geslapen—zoo deed hij het met de algeheele toestemming van die boerin en werd hij, edelman, om zijne kussen betaald, gelijk zulks telkendage gebeurt met de meidekens van pleizier. Zijn er geene mannen, die, als de loddegen, de vrouwen hunne kracht en hunne schoonheid met geld doen betalen?De schepenen zeiden tot elkaar:—Hoort gij zijn duivelsche, stoutmoedige listen? Zijn harige wrat heeft niet gebloed: moordenaar, duivel en tooveraar, wil hij enkellijk de schuld van het tweegevecht bekennen, om al zijn andere misdaden te schuiven op zijn vriend den duivel, dien hij gedood heeft naar lichaam, maar geenszins naar ziel.... En ziet eens hoe bleek zijn gezicht is.—Aldus verschijnen al de duivelen, rood in de helle, bleek op de wereld, want zij hebben geen levensvuur, dat aan het gezicht zijn natuurlijken blos geeft, en zij zijn assche van binnen.—Om hem rood te krijgen en hem te doen branden, moet men hem terug op het vuur zetten.Toen sprak Katelijne:—Ja, duivel is hij, doch een goede, zoete duivel! En de heilige Joannes, zijn patroon, heeft hem de toelating gegeven de helle te verlaten. Alle dagen bidt hij den Heer Jezus voor hem. Hij moet maar zeven duizend jaar vagevuur meer doen: de Moeder Gods wil het, maar Satan verzet er zich tegen. Doch Maria drijft door wat zij wil. Zult gijlieden u verzetten tegen heuren wil? Als gij hem goed beziet, zult gij merken, dat hij niets meer heeft van zijn duivelschen staat, uitgenomen zijn ijskoud lichaam, en ook zijn gezicht, dat glanst lijk, in de oogstmaand, de branding der zee, als donder op handen is.En Joost Damman sprak:—Zwijg, tooveres, gij doet mij verbranden!Vervolgens zeide hij tot den baljuw en tot de schepenen:—Aanziet mij, ik ben geen duivel; ik heb vleesch en been, bloed en water. Ik drink en eet, verteer en werp uit lijk gijlie; mijn vel is gelijk het uwe en mijn voet insgelijks; beul, trek mijne schoenen uit, want met mijn gebonden voeten kan ik mij niet verroeren.De hangman deed het, niet zonder schrik.—Ziet, zeide Joost, terwijl hij zijn blanke voeten liet zien: zijn dat gespleten klauwen, zijn dat duivelspooten? Wat mijne bleekheid betreft, is niemand uwer zoo bleek als ik ben? Ik zie er meer dan drie onder ulieden. Maar die zondigde was niet ik, doch die leelijke tooveres en heure dochter, de boosaardige aanbrengster. Waar haalde zij het geld, dat zij leende aan Hilbert; van waar kwamen de florijnen, die zij hem gaf? Waren die niet het loon van den duivel, om de onschuldige edellieden aan te klagen en te doen sterven? Het is aan die beide vrouwen dat gij moet vragen, wie den hond in de lochting verworgde, wie den schat uit den put nam en er mee heenging, wellicht om de gestolen karolussen ergens elders te verbergen. Soetkin, de weduwe, kon geen vertrouwen stellen in mij, daar zij mij niet kende, doch wel in haarlieden, bij dewelken zij heel den dag vertoefde. Zij beiden zijn het, die het goed van den keizer hebben gestolen.—Vrouwe, hebt gij niets te zeggen tot uwe verdediging?Katelijne keek naar Joost Damman en zeide met liefde:—’t Is het uur van den nachtuil! Hans, mijn welbeminde, ik heb de hand van Hilbert. Zij zeggen, dat gij de zevenhonderd karolussen zult teruggeven.... Doet het vuur weg, doet het vuur weg! kermde zij vervolgens. Drinken! drinken! mijn hoofd brandt! God en de engelen eten appelsienen in ’t hemelrijk.En zij viel in bezwijming.—Neem ze weg van de pijnbank, beval de baljuw.De hangman en zijne knechts gehoorzaamden. Men zag ze wankelen, met gezwollen voeten, want de beul had de koorden te hard gespannen.—Geef heur te drinken, beval de baljuw.Men gaf heur versch water, hetwelk zij gretig dronk, met den beker tusschen heure tanden, als een hond doet met een been, zonder hem te willen loslaten. Vervolgens gaf men heur nog water, en zij wilde er van dragen aan Joost Damman, maar debeul rukte heur den beker uit de hand. En zij viel slapend ten gronde, als een blok lood.Toen riep Joost Damman met woede:—Ik ook heb dorst en heb vaak. Waarom laat gij heur drinken en slapen?—Zij is eene vrouw, en daarbij zwak en uitzinnig, antwoordde de baljuw.—Heure uitzinnigheid is geveinsd, zeide Joost Damman, zij is eene tooveres. Ik wil drinken, ik wil slapen!En hij sloot de oogen, maar de beulsknechten sloegen hem in het gezicht.—Geef mij een mes, riep hij, dat ik al dien gemeenen boeren en burgers de les spelle: ik ben een edelman en nooit sloeg men mij in het gezicht. Water! laat mij slapen, ik ben onschuldig. Ik ben het niet, die de zevenhonderd karolussen stal: ’t is Hilbert. Drinken! Nooit bedreef ik tooverij of bezwering. Ik ben onschuldig, laat mij gaan. Drinken!Toen vroeg de baljuw:—Hoe bracht gij den tijd door, sedert dat gij Katelijne verliet?—Katelijne ken ik niet en heb ze dus niet verlaten, zeide hij. Gij ondervraagt mij over stukken, die vreemd aan de zaak zijn. Ik moet u niet antwoorden. Drinken! Laat mij slapen! Ik zeg u, dat Hilbert alles gedaan heeft.—Maakt hem los, sprak de baljuw. Brengt hem terug naar het Steen. Maar hij zal drinken noch slapen, totdat hij zijne tooverij en bezwering bekend heeft.En voor Damman was dit een schromelijke foltering. In den kerker schreeuwde hij zoo luide: „Drinken! Drinken!” dat het volk het hoorde, doch zonder mededoogen. En als hij viel van de vaak en zijne bewakers hem in het gezicht sloegen, werd hij woedend als een tijger en riep hij:—Ik ben een edelman en zal u allen dooden, boeren! Ik zal gaan bij den koning, onzen hoofdman. Drinken!Doch hij beleed niets, en men liet hem in het Steen.
V.
’s Anderen daags woei de wind uit Brabant: de sneeuw smolt en de meerschen werden overstroomd.En de burgstorm luidde, om de rechters naar de vierschaarte roepen, onder het afdak, om den wille van de vochtigheid der zodenbanken.En het volk stond rond de vierschaar.Joost Damman werd voorgebracht, zonder kluisters, in zijn prachtige kleeren. Katelijne werd insgelijks voorgebracht, doch met de handen van voren gebonden en gekleed in een grijs lijnwaden kleed, hetwelk de dos der gevangenen was.Joost Damman, ondervraagd, bekende dat hij zijn vriend Hilbert gedood had, in tweegevecht, met het zweerd. Als men hem zei, dat hij gedood was met een dolk, antwoordde Joos Damman:—Ik heb hem afgemaakt, omdat hij niet gauw genoeg stierf. Dien moord beken ik gereedelijk, vermits ik sta onder de bescherming der wetten van Vlaanderen, volgens dewelke, na verloop van tien jaar, de moord niet meer vervolgd wordt.De baljuw vroeg hem:—Zijt gij geen tooveraar?—Neen, antwoordde Damman.—Bewijs het, zeide de baljuw.—Ik zal het doen op tijd en stond, zeide Joost Damman, maar nu past het mij niet.Toen werd Katelijne ondervraagd; zij hoorde niet wat men vroeg, doch keek gedurig naar Hans en sprak:—Gij zijt mijn groene heer, schoon als de zon zijt ge. Doe het vuur weg, mijn liefste!Nele kwam toen Katelijne voorspreken en zeide:—Heer baljuw en heeren rechters, meer dan gij weet, kan zij niet bekennen; zij is geene tooveres, doch enkel uitzinnig.Toen sprak de baljuw:—Tooveraar is hij, die door voorbedachtelijk gebruikte duivelsche middelen in iets tracht te slagen. Nu, deze twee, man en vrouw, zijn tooveraars met inzicht en met daad; hij, omdat hij de sabbatszalve gegeven, en zijn gezicht helder als Lucifer gemaakt heeft, ten einde geld en vleeschelijken omgang te bekomen; zij, omdat zij hem aangehangen heeft, hem nemende voor eenen echten duivel, en omdat zij met hem gehanteerd heeft; hij is pleger van hekserij, en zij is zijne baarschuldige. Men mag dus geenerlei ontferming hebben, en ik moet het zeggen, want ik zie dat de schepenen en die van ’t gemeen te goedertieren zijn jegens de vrouw. In der waarheid heeft zij gemoord noch gestolen, noch heeft zij personen of hunlieder beestiaal mishand; ook heeft zij geenerlei zieken met buitengemeene middelen genezen,maar enkellijk met gekende geneeskruiden; doch zij heeft heure dochter willen overleveren aan den duivel, en als deze in heur jeugdigen ouderdom niet met zooveel dapperheid wederstaan had, dan had zij toegegeven aan Hilbert en ware zij, als de tweede beschuldigde, insgelijks tooveres geworden. Dienvolgens vraag ik aan de heeren van de vierschaar of zij niet van oordeel zijn, beiden ter torture te stellen?De schepenen antwoordden niet, daardoor beduidende, dat zij niet van dat oordeel waren, wat Katelijne betrof.Zijne rede vervolgende, zeide toen de baljuw:—Evenals gij, ben ik voor haar vervuld met ontferming en medelijden; maar had die krankzinnige tooveres, die zoo goed den duivel gehoorzaamt, als haar ontuchtige medebeschuldigde het heur had bevolen, het hoofd heurer dochter niet kunnen afhouwen met een kapmes, zooals Katelijne Dura, in Frankrijk, met heur twee dochters deed, op aanzoek van den duivel? Had zij, zoo heur zwarte bruidegom het heur had bevolen, het beestiaal niet kunnen doen sterven; de boter niet kunnen doen keeren in de karnton, door er suiker in te smijten; had zij in lijve niet kunnen tegenwoordig zijn bij alle duivelsvereeringen, heksendansen, verfoeiselen en koppelingen van tooveraars? Had zij geen menschenvleesch kunnen eten, geene kinderen kunnen dooden om er pasteien van te maken en die te verkoopen, gelijk een pasteibakker van Parijs deed; had zij de braaien der gehangenen niet kunnen afsnijden en meedragen om ze rauw op te eten, aldus plegende beide een schromelijken diefstal en eene heiligschennis? En ik vraag aan de vierschaar Katelijne en Joost Damman op de pijnbank te leggen, ten einde te weten of zij beiden geenerlei andere misdrijven hebben gepleegd dan degene, die reeds gekend en onderzocht zijn. Vermits Joost Damman weigert iets meerder te bekennen dan den moord, en Katelijne niet alles gezegd heeft, gebieden ons de wetten des Rijks te handelen naarvolgens mijn voorstel.En de sententie der schepenen luidde, dat de torture twee dagen later, des Vrijdags, zou plaats hebben.En Nele schreeuwde:—Genade, mijne heeren!En het volk schreeuwde met heur, doch te vergeefs.En Katelijne bezag Joost Damman en sprak:—Ik heb Hilbert’s hand, kom ze dezen nacht halen, liefste.En zij werden terug naar het Steen gebracht.Op bevel van de vierschaar, werd den cipier geheeten hun elk twee bewakers te geven, die hen moesten slaan, telkens dat zij zouden willen slapen; maar de twee bewakers van Katelijne lieten heur den nacht slapende doorbrengen, en die van Joost Damman sloegen hem wreedelijk telkens dat hij de oogen look of enkellijk het hoofd vooroverboog.Heel den Woensdag hadden zij honger, alsook den nacht en heel den Donderdag, tot ’s avonds, als men hun vleesch te eten en water te drinken gaf, beide bereid met zout en met salpeter. Dat was het begin der torture. En ’s morgens brachten de serjanten de beide gevangenen, die schreeuwden van dorst, naar de folterkamer.Daar werden zij rechtover elkander gezet en ieder gebonden op eene bank, bekleed met knoopkoorden, die hen schromelijk pijnigden.En ieder moest een glas water drinken, met zout en salpeter er in.Joost Damman kreeg vaak op zijne bank, maar de serjanten sloegen hem wakker.En Katelijne zeide:—Om Gods wil, slaat hem niet, mijne heeren, gij breekt zijn arm lichaam. Hij bedreef maar een enkele misdaad, uit liefde, toen hij Hilbert doodde. Ik heb dorst en gij ook, Hans, mijn beminde! Laat hem eerst drinken! Water! water! mijn lichaam brandt als vuur. Spaar hem, ik zal sterven voor hem! Drinken!Hans zeide tot haar:—Heks die gij zijt. Heeren rechters, smijt heure kroenge in ’t vuur. Ik heb dorst!De griffiers schreven al zijne woorden op.Toen zei de baljuw:—Hebt gij niets te belijden?—Ik heb niets meer te zeggen, antwoordde Joost Damman: Gij weet alles.—Daar hij volherdt in zijn loochenen, zeide de baljuw, zal hij tot verdere en volledige belijdenis op de koordebank blijven zitten en zal hij dorst lijden, en men zal hem beletten te slapen.—Ik zal blijven, zei Joost Damman, en mij vermaken met die tooveres te zien lijden op heure bank. Hoe vindt gij ’t huwelijksbed, nichtje?En zuchtend antwoordde Katelijne:—Koud van armen en warm van hert, Hans, mijn welbeminde. Ik heb dorst, mijn hoofd brandt!—En gij, vrouwe, sprak de baljuw, hebt gij niets meer te zeggen?—Ik hoor, zeide zij, de kar van den Dood en een dof gerammel van beenderen. Ik heb dorst! En Hij leidt mij naar een grooten troon, waar water is, frisch en klaar water; maar dit water is vuur. Hans, mijn vriend, verlos mij van die koorden. Ja, ik ben in het vagevuur en ginder omhoog zie ik Onzen Heer Jezus in het hemelrijk zitten, met zijn allergenadigste moeder, de Maagd Maria. Ho! Heilige Moeder Gods, een droppelken water! Eet die sappige vruchten alleen niet op!—Die vrouw is door wreede uitzinnigheid getroffen, zei een van de schepenen. Men moet ze van de pijnbank verwijderen.—Zij is niet uitzinniger dan ik; zei Joost Damman, ’t is gehuichel en gemaakt spel.En met dreigende stemme, sprak hij tot Katelijne:—Ik zal u zien branden in ’t vuur, u, die zoo goed de uitzinnige speelt.En grijnzend, lachte hij om zijn boosaardige leugen.—Ik heb dorst, zei Katelijne, hebt medelijden, ik heb dorst! Hans mijn welbeminde, geef mij te drinken. Hoe helder is uw gezicht! Laat mij tot hem gaan, heeren rechters!En den mond openspalkend, vervolgde zij, smachtend van dorst:—Ja, ja, nu steken zij vuur in mijne borst, en de duivelen binden mij op dit gruwelijk bed. Hans, neem uw zweerd en dood ze, gij, die zoo machtig zijt. Water! drinken! drinken!—Sterf, tooveres, zeide Joost Damman: gij moest heur eene prop in den mond steken om heur, eene vrouw uit ’t gemeen, te beletten op te komen tegen mij, die van adel ben.Een schepen, vijand des adels, antwoordde op deze rede:—Heer baljuw, het is strijdig met de rechten en costumen van den lande, proppen te steken in den mond van hen, die men ondervraagt, want zij zijn hier om de waarheid te zeggen en gevonnist te worden volgens hunne rede. Proppen zijn maar toegelaten wanneer de beschuldigde, veroordeeld zijnde, van op het schavot tot het volk spreken wil, om het te vermurwen of gisting onder het gemeen te verwekken.—Ik heb dorst, zeide Katelijne, geef mij te drinken, Hans, mijn liefste.—Ha! sprak Joost, gij lijdt, vervloekte heks, eenige schuld van al mijne tormenten; maar in deze folterkamer zult gij nogandere smerten verduren: de keersen, de wipgalg, de stokskens tusschen de vingeren en tusschen de teenen. Men zal u, ganschelijk naakt, schrijlings zetten op den rug eener doodkist, scherp als het lemmer van een mes, en dan zult gij belijden dat gij geene uitzinnige zijt, maar een tooveres, door Satan betaald om den edellieden last aan te doen. Drinken!—Hans, mijn beminde, sprak Katelijne opnieuw, wees niet grammoedig jegens uwe dienares; ik lijd duizenden pijnen voor u, mijn heer en meester! Spaart hem, heeren rechters: geeft hem een vollen beker te drinken, maar laat eenige droppelen over voor mij. Hans, is ’t reeds het uur van den nachtuil?Toen vroeg de baljuw aan Joost Damman:—Welke was de reden van het tweegevecht, waarin Hilbert den dood vond?Joost antwoordde:—Wij vochten om een meideken van Heist, dat wij beiden beminden.—Een meideken van Heist, riep Katelijne, die met geweld van de bank wilde opstaan, gij bedriegt mij dus met eene andere, helsche verrader?... Wist gij dat ik stond te luisteren, achter den dijk, toen gij zegdet dat gij al het geld wildet hebben, hetwelk het geld was van Klaas? ’t Was zeker om het met heur te verteren? Laas! en ik, die mijn bloed had gegeven, als hij er goud had kunnen van maken! En alles voor eene andere! Wees gevloekt!Doch plotseling begon zij te weenen, en zij poogde zich om te keeren op de folterbank:—Neen, Hans, zeg dat gij uwe arme dienares noch zult liefhebben, en de aarde zal ik met mijne vingeren openkrabben; een schat zal ik u vinden; ja, een schat is verborgen; en ik zal zoeken met het hazelaarstakje, hetwelk nederbuigt als het boven metaal wordt gehouden; en ik zal hem vinden en hem u eerlijk brengen; kus mij, liefste, en gij zult rijk wezen; en alle dagen zullen wij kuite drinken; ja, ja, zij, die daar zitten, drinken ook bier, schuimend bier, dat verkwikt! O! mijne heeren, een dropje slechts, ik brand in het vuur! Hans, ik weet waar hazelaars groeien, maar gij moet wachten tot in den voortijd.—Zwijg, ellendige, zei Joost Damman, ik ken u niet. Hilbert hebt gij genomen voor mij: hij is ’t die boven bij u kwam. En, met uw helschen geest, hiet gij hem Hans. Weet dat ik niet Hans heet, maar Joost: wij waren van dezelfde grootte, Hilberten ik; ’t was Hilbert, waarschijnlijk, die de zevenhonderd karolussen nam. Drinken! mijn vader zal honderd gulden betalen voor een kroezeken water; maar die vrouw ken ik niet!—Heer baljuw en heeren rechters, riep Katelijne uit, hij beweert dat hij mij niet kent; maar ik, ik ken hem wel en weet, dat hij op den rug een bruine, harige geboortevlek heeft, groot als een erwt. Ha! gij bemindet een meideken van Heist! Hoeft een oprecht minnaar voor zijn geliefde te blozen? Hans, ben ik niet meer schoon?—Schoon! grijnslachte Damman, gij hebt een gezicht, glad als eene mispel, en een lichaam, slank als eene vim takkebossen: bezie mij die schooister, die beweert een edelman tot minnaar te hebben! Drinken!—Zoo spraakt ge niet, Hans, mijn beminde heer en meester, als ik zestien jaar jonger was.Vervolgens op heur hoofd en heure borst kloppend, sprak zij:—’t Is het vuur, dat daar is, dat mijn hert en mijn gezicht verschroeit: verwijt het mij niet; weet gij nog dat wij veel van zout eten hielden, om beter te kunnen drinken, naar gij zeidet? Nu is al het zout in ons lijf, mijn beminde, en mijnheer de baljuw drinkt wijn. Wij vragen geen wijn: geeft ons water. In de beemde kabbelt het heldere beekje met zijn frisch, lekker water. Neen, dat water kookt, het verbrandt mij! ’t Is water uit de helle!En Katelijne weende en zij sprak:—Nooit deed ik iemand leed, en iedereen smijt mij in ’t vuur. Drinken! de straathonden krijgen water; ik ben een kerstene vrouw, geeft mij te drinken. Nooit deed ik iemand leed! Geeft mij toch te drinken!Toen sprak een schepen:—Die tooveres is alleenlijk uitzinnig wat betreft het vuur, dat brandt in heur hoofd, naar zij zegt, maar voor alle andere dingen is zij het niet, vermits zij met helderen geest ons het lijk van den verslagene hielp ontdekken. Als Joost Damman inderdaad een harige vlek heeft op zijnen rug, is dit merk voldoende om zijne eenzelvigheid te doen vaststellen met den duivel Hans, op denwelken Katelijne verliefd was. Beul, toon ons het merk op den rug.De hangman ontblootte den hals en den schouder, en toonde de bruine, harige vlek.—Ha! sprak Katelijne, hoe wit is uwe huid! zou men niet zeggen dat het de schouderen eener maagd zijn? Wat zijt gij schoon, Hans, mijn beminde! Drinken!Toen stak de hangman een lange naald in het merk, doch er kwam geen bloed uit.En de schepenen zeiden tot elkander:—Dat is een duivel, en hij zal Joost Damman vermoord hebben en zijn aanschijn genomen, om des te veiliger de arme lieden te kunnen bedriegen.En de baljuw en de schepenen schrikten:—Hij is een duivel, en er is een tooverteeken.En Joost Damman sprak:—Gij weet wel dat dit geen tooverteeken is, maar dat er vleezige uitwassen bestaan, in dewelke men mag steken, zonder dat zij bloeden. Heeft Hilbert die tooveres geld ontfutseld,—want tooveres is zij, die belijdt met den duivel te hebben geslapen—zoo deed hij het met de algeheele toestemming van die boerin en werd hij, edelman, om zijne kussen betaald, gelijk zulks telkendage gebeurt met de meidekens van pleizier. Zijn er geene mannen, die, als de loddegen, de vrouwen hunne kracht en hunne schoonheid met geld doen betalen?De schepenen zeiden tot elkaar:—Hoort gij zijn duivelsche, stoutmoedige listen? Zijn harige wrat heeft niet gebloed: moordenaar, duivel en tooveraar, wil hij enkellijk de schuld van het tweegevecht bekennen, om al zijn andere misdaden te schuiven op zijn vriend den duivel, dien hij gedood heeft naar lichaam, maar geenszins naar ziel.... En ziet eens hoe bleek zijn gezicht is.—Aldus verschijnen al de duivelen, rood in de helle, bleek op de wereld, want zij hebben geen levensvuur, dat aan het gezicht zijn natuurlijken blos geeft, en zij zijn assche van binnen.—Om hem rood te krijgen en hem te doen branden, moet men hem terug op het vuur zetten.Toen sprak Katelijne:—Ja, duivel is hij, doch een goede, zoete duivel! En de heilige Joannes, zijn patroon, heeft hem de toelating gegeven de helle te verlaten. Alle dagen bidt hij den Heer Jezus voor hem. Hij moet maar zeven duizend jaar vagevuur meer doen: de Moeder Gods wil het, maar Satan verzet er zich tegen. Doch Maria drijft door wat zij wil. Zult gijlieden u verzetten tegen heuren wil? Als gij hem goed beziet, zult gij merken, dat hij niets meer heeft van zijn duivelschen staat, uitgenomen zijn ijskoud lichaam, en ook zijn gezicht, dat glanst lijk, in de oogstmaand, de branding der zee, als donder op handen is.En Joost Damman sprak:—Zwijg, tooveres, gij doet mij verbranden!Vervolgens zeide hij tot den baljuw en tot de schepenen:—Aanziet mij, ik ben geen duivel; ik heb vleesch en been, bloed en water. Ik drink en eet, verteer en werp uit lijk gijlie; mijn vel is gelijk het uwe en mijn voet insgelijks; beul, trek mijne schoenen uit, want met mijn gebonden voeten kan ik mij niet verroeren.De hangman deed het, niet zonder schrik.—Ziet, zeide Joost, terwijl hij zijn blanke voeten liet zien: zijn dat gespleten klauwen, zijn dat duivelspooten? Wat mijne bleekheid betreft, is niemand uwer zoo bleek als ik ben? Ik zie er meer dan drie onder ulieden. Maar die zondigde was niet ik, doch die leelijke tooveres en heure dochter, de boosaardige aanbrengster. Waar haalde zij het geld, dat zij leende aan Hilbert; van waar kwamen de florijnen, die zij hem gaf? Waren die niet het loon van den duivel, om de onschuldige edellieden aan te klagen en te doen sterven? Het is aan die beide vrouwen dat gij moet vragen, wie den hond in de lochting verworgde, wie den schat uit den put nam en er mee heenging, wellicht om de gestolen karolussen ergens elders te verbergen. Soetkin, de weduwe, kon geen vertrouwen stellen in mij, daar zij mij niet kende, doch wel in haarlieden, bij dewelken zij heel den dag vertoefde. Zij beiden zijn het, die het goed van den keizer hebben gestolen.—Vrouwe, hebt gij niets te zeggen tot uwe verdediging?Katelijne keek naar Joost Damman en zeide met liefde:—’t Is het uur van den nachtuil! Hans, mijn welbeminde, ik heb de hand van Hilbert. Zij zeggen, dat gij de zevenhonderd karolussen zult teruggeven.... Doet het vuur weg, doet het vuur weg! kermde zij vervolgens. Drinken! drinken! mijn hoofd brandt! God en de engelen eten appelsienen in ’t hemelrijk.En zij viel in bezwijming.—Neem ze weg van de pijnbank, beval de baljuw.De hangman en zijne knechts gehoorzaamden. Men zag ze wankelen, met gezwollen voeten, want de beul had de koorden te hard gespannen.—Geef heur te drinken, beval de baljuw.Men gaf heur versch water, hetwelk zij gretig dronk, met den beker tusschen heure tanden, als een hond doet met een been, zonder hem te willen loslaten. Vervolgens gaf men heur nog water, en zij wilde er van dragen aan Joost Damman, maar debeul rukte heur den beker uit de hand. En zij viel slapend ten gronde, als een blok lood.Toen riep Joost Damman met woede:—Ik ook heb dorst en heb vaak. Waarom laat gij heur drinken en slapen?—Zij is eene vrouw, en daarbij zwak en uitzinnig, antwoordde de baljuw.—Heure uitzinnigheid is geveinsd, zeide Joost Damman, zij is eene tooveres. Ik wil drinken, ik wil slapen!En hij sloot de oogen, maar de beulsknechten sloegen hem in het gezicht.—Geef mij een mes, riep hij, dat ik al dien gemeenen boeren en burgers de les spelle: ik ben een edelman en nooit sloeg men mij in het gezicht. Water! laat mij slapen, ik ben onschuldig. Ik ben het niet, die de zevenhonderd karolussen stal: ’t is Hilbert. Drinken! Nooit bedreef ik tooverij of bezwering. Ik ben onschuldig, laat mij gaan. Drinken!Toen vroeg de baljuw:—Hoe bracht gij den tijd door, sedert dat gij Katelijne verliet?—Katelijne ken ik niet en heb ze dus niet verlaten, zeide hij. Gij ondervraagt mij over stukken, die vreemd aan de zaak zijn. Ik moet u niet antwoorden. Drinken! Laat mij slapen! Ik zeg u, dat Hilbert alles gedaan heeft.—Maakt hem los, sprak de baljuw. Brengt hem terug naar het Steen. Maar hij zal drinken noch slapen, totdat hij zijne tooverij en bezwering bekend heeft.En voor Damman was dit een schromelijke foltering. In den kerker schreeuwde hij zoo luide: „Drinken! Drinken!” dat het volk het hoorde, doch zonder mededoogen. En als hij viel van de vaak en zijne bewakers hem in het gezicht sloegen, werd hij woedend als een tijger en riep hij:—Ik ben een edelman en zal u allen dooden, boeren! Ik zal gaan bij den koning, onzen hoofdman. Drinken!Doch hij beleed niets, en men liet hem in het Steen.
’s Anderen daags woei de wind uit Brabant: de sneeuw smolt en de meerschen werden overstroomd.
En de burgstorm luidde, om de rechters naar de vierschaarte roepen, onder het afdak, om den wille van de vochtigheid der zodenbanken.
En het volk stond rond de vierschaar.
Joost Damman werd voorgebracht, zonder kluisters, in zijn prachtige kleeren. Katelijne werd insgelijks voorgebracht, doch met de handen van voren gebonden en gekleed in een grijs lijnwaden kleed, hetwelk de dos der gevangenen was.
Joost Damman, ondervraagd, bekende dat hij zijn vriend Hilbert gedood had, in tweegevecht, met het zweerd. Als men hem zei, dat hij gedood was met een dolk, antwoordde Joos Damman:
—Ik heb hem afgemaakt, omdat hij niet gauw genoeg stierf. Dien moord beken ik gereedelijk, vermits ik sta onder de bescherming der wetten van Vlaanderen, volgens dewelke, na verloop van tien jaar, de moord niet meer vervolgd wordt.
De baljuw vroeg hem:
—Zijt gij geen tooveraar?
—Neen, antwoordde Damman.
—Bewijs het, zeide de baljuw.
—Ik zal het doen op tijd en stond, zeide Joost Damman, maar nu past het mij niet.
Toen werd Katelijne ondervraagd; zij hoorde niet wat men vroeg, doch keek gedurig naar Hans en sprak:
—Gij zijt mijn groene heer, schoon als de zon zijt ge. Doe het vuur weg, mijn liefste!
Nele kwam toen Katelijne voorspreken en zeide:
—Heer baljuw en heeren rechters, meer dan gij weet, kan zij niet bekennen; zij is geene tooveres, doch enkel uitzinnig.
Toen sprak de baljuw:
—Tooveraar is hij, die door voorbedachtelijk gebruikte duivelsche middelen in iets tracht te slagen. Nu, deze twee, man en vrouw, zijn tooveraars met inzicht en met daad; hij, omdat hij de sabbatszalve gegeven, en zijn gezicht helder als Lucifer gemaakt heeft, ten einde geld en vleeschelijken omgang te bekomen; zij, omdat zij hem aangehangen heeft, hem nemende voor eenen echten duivel, en omdat zij met hem gehanteerd heeft; hij is pleger van hekserij, en zij is zijne baarschuldige. Men mag dus geenerlei ontferming hebben, en ik moet het zeggen, want ik zie dat de schepenen en die van ’t gemeen te goedertieren zijn jegens de vrouw. In der waarheid heeft zij gemoord noch gestolen, noch heeft zij personen of hunlieder beestiaal mishand; ook heeft zij geenerlei zieken met buitengemeene middelen genezen,maar enkellijk met gekende geneeskruiden; doch zij heeft heure dochter willen overleveren aan den duivel, en als deze in heur jeugdigen ouderdom niet met zooveel dapperheid wederstaan had, dan had zij toegegeven aan Hilbert en ware zij, als de tweede beschuldigde, insgelijks tooveres geworden. Dienvolgens vraag ik aan de heeren van de vierschaar of zij niet van oordeel zijn, beiden ter torture te stellen?
De schepenen antwoordden niet, daardoor beduidende, dat zij niet van dat oordeel waren, wat Katelijne betrof.
Zijne rede vervolgende, zeide toen de baljuw:
—Evenals gij, ben ik voor haar vervuld met ontferming en medelijden; maar had die krankzinnige tooveres, die zoo goed den duivel gehoorzaamt, als haar ontuchtige medebeschuldigde het heur had bevolen, het hoofd heurer dochter niet kunnen afhouwen met een kapmes, zooals Katelijne Dura, in Frankrijk, met heur twee dochters deed, op aanzoek van den duivel? Had zij, zoo heur zwarte bruidegom het heur had bevolen, het beestiaal niet kunnen doen sterven; de boter niet kunnen doen keeren in de karnton, door er suiker in te smijten; had zij in lijve niet kunnen tegenwoordig zijn bij alle duivelsvereeringen, heksendansen, verfoeiselen en koppelingen van tooveraars? Had zij geen menschenvleesch kunnen eten, geene kinderen kunnen dooden om er pasteien van te maken en die te verkoopen, gelijk een pasteibakker van Parijs deed; had zij de braaien der gehangenen niet kunnen afsnijden en meedragen om ze rauw op te eten, aldus plegende beide een schromelijken diefstal en eene heiligschennis? En ik vraag aan de vierschaar Katelijne en Joost Damman op de pijnbank te leggen, ten einde te weten of zij beiden geenerlei andere misdrijven hebben gepleegd dan degene, die reeds gekend en onderzocht zijn. Vermits Joost Damman weigert iets meerder te bekennen dan den moord, en Katelijne niet alles gezegd heeft, gebieden ons de wetten des Rijks te handelen naarvolgens mijn voorstel.
En de sententie der schepenen luidde, dat de torture twee dagen later, des Vrijdags, zou plaats hebben.
En Nele schreeuwde:
—Genade, mijne heeren!
En het volk schreeuwde met heur, doch te vergeefs.
En Katelijne bezag Joost Damman en sprak:
—Ik heb Hilbert’s hand, kom ze dezen nacht halen, liefste.
En zij werden terug naar het Steen gebracht.
Op bevel van de vierschaar, werd den cipier geheeten hun elk twee bewakers te geven, die hen moesten slaan, telkens dat zij zouden willen slapen; maar de twee bewakers van Katelijne lieten heur den nacht slapende doorbrengen, en die van Joost Damman sloegen hem wreedelijk telkens dat hij de oogen look of enkellijk het hoofd vooroverboog.
Heel den Woensdag hadden zij honger, alsook den nacht en heel den Donderdag, tot ’s avonds, als men hun vleesch te eten en water te drinken gaf, beide bereid met zout en met salpeter. Dat was het begin der torture. En ’s morgens brachten de serjanten de beide gevangenen, die schreeuwden van dorst, naar de folterkamer.
Daar werden zij rechtover elkander gezet en ieder gebonden op eene bank, bekleed met knoopkoorden, die hen schromelijk pijnigden.
En ieder moest een glas water drinken, met zout en salpeter er in.
Joost Damman kreeg vaak op zijne bank, maar de serjanten sloegen hem wakker.
En Katelijne zeide:
—Om Gods wil, slaat hem niet, mijne heeren, gij breekt zijn arm lichaam. Hij bedreef maar een enkele misdaad, uit liefde, toen hij Hilbert doodde. Ik heb dorst en gij ook, Hans, mijn beminde! Laat hem eerst drinken! Water! water! mijn lichaam brandt als vuur. Spaar hem, ik zal sterven voor hem! Drinken!
Hans zeide tot haar:
—Heks die gij zijt. Heeren rechters, smijt heure kroenge in ’t vuur. Ik heb dorst!
De griffiers schreven al zijne woorden op.
Toen zei de baljuw:
—Hebt gij niets te belijden?
—Ik heb niets meer te zeggen, antwoordde Joost Damman: Gij weet alles.
—Daar hij volherdt in zijn loochenen, zeide de baljuw, zal hij tot verdere en volledige belijdenis op de koordebank blijven zitten en zal hij dorst lijden, en men zal hem beletten te slapen.
—Ik zal blijven, zei Joost Damman, en mij vermaken met die tooveres te zien lijden op heure bank. Hoe vindt gij ’t huwelijksbed, nichtje?
En zuchtend antwoordde Katelijne:
—Koud van armen en warm van hert, Hans, mijn welbeminde. Ik heb dorst, mijn hoofd brandt!
—En gij, vrouwe, sprak de baljuw, hebt gij niets meer te zeggen?
—Ik hoor, zeide zij, de kar van den Dood en een dof gerammel van beenderen. Ik heb dorst! En Hij leidt mij naar een grooten troon, waar water is, frisch en klaar water; maar dit water is vuur. Hans, mijn vriend, verlos mij van die koorden. Ja, ik ben in het vagevuur en ginder omhoog zie ik Onzen Heer Jezus in het hemelrijk zitten, met zijn allergenadigste moeder, de Maagd Maria. Ho! Heilige Moeder Gods, een droppelken water! Eet die sappige vruchten alleen niet op!
—Die vrouw is door wreede uitzinnigheid getroffen, zei een van de schepenen. Men moet ze van de pijnbank verwijderen.
—Zij is niet uitzinniger dan ik; zei Joost Damman, ’t is gehuichel en gemaakt spel.
En met dreigende stemme, sprak hij tot Katelijne:
—Ik zal u zien branden in ’t vuur, u, die zoo goed de uitzinnige speelt.
En grijnzend, lachte hij om zijn boosaardige leugen.
—Ik heb dorst, zei Katelijne, hebt medelijden, ik heb dorst! Hans mijn welbeminde, geef mij te drinken. Hoe helder is uw gezicht! Laat mij tot hem gaan, heeren rechters!
En den mond openspalkend, vervolgde zij, smachtend van dorst:
—Ja, ja, nu steken zij vuur in mijne borst, en de duivelen binden mij op dit gruwelijk bed. Hans, neem uw zweerd en dood ze, gij, die zoo machtig zijt. Water! drinken! drinken!
—Sterf, tooveres, zeide Joost Damman: gij moest heur eene prop in den mond steken om heur, eene vrouw uit ’t gemeen, te beletten op te komen tegen mij, die van adel ben.
Een schepen, vijand des adels, antwoordde op deze rede:
—Heer baljuw, het is strijdig met de rechten en costumen van den lande, proppen te steken in den mond van hen, die men ondervraagt, want zij zijn hier om de waarheid te zeggen en gevonnist te worden volgens hunne rede. Proppen zijn maar toegelaten wanneer de beschuldigde, veroordeeld zijnde, van op het schavot tot het volk spreken wil, om het te vermurwen of gisting onder het gemeen te verwekken.
—Ik heb dorst, zeide Katelijne, geef mij te drinken, Hans, mijn liefste.
—Ha! sprak Joost, gij lijdt, vervloekte heks, eenige schuld van al mijne tormenten; maar in deze folterkamer zult gij nogandere smerten verduren: de keersen, de wipgalg, de stokskens tusschen de vingeren en tusschen de teenen. Men zal u, ganschelijk naakt, schrijlings zetten op den rug eener doodkist, scherp als het lemmer van een mes, en dan zult gij belijden dat gij geene uitzinnige zijt, maar een tooveres, door Satan betaald om den edellieden last aan te doen. Drinken!
—Hans, mijn beminde, sprak Katelijne opnieuw, wees niet grammoedig jegens uwe dienares; ik lijd duizenden pijnen voor u, mijn heer en meester! Spaart hem, heeren rechters: geeft hem een vollen beker te drinken, maar laat eenige droppelen over voor mij. Hans, is ’t reeds het uur van den nachtuil?
Toen vroeg de baljuw aan Joost Damman:
—Welke was de reden van het tweegevecht, waarin Hilbert den dood vond?
Joost antwoordde:
—Wij vochten om een meideken van Heist, dat wij beiden beminden.
—Een meideken van Heist, riep Katelijne, die met geweld van de bank wilde opstaan, gij bedriegt mij dus met eene andere, helsche verrader?... Wist gij dat ik stond te luisteren, achter den dijk, toen gij zegdet dat gij al het geld wildet hebben, hetwelk het geld was van Klaas? ’t Was zeker om het met heur te verteren? Laas! en ik, die mijn bloed had gegeven, als hij er goud had kunnen van maken! En alles voor eene andere! Wees gevloekt!
Doch plotseling begon zij te weenen, en zij poogde zich om te keeren op de folterbank:
—Neen, Hans, zeg dat gij uwe arme dienares noch zult liefhebben, en de aarde zal ik met mijne vingeren openkrabben; een schat zal ik u vinden; ja, een schat is verborgen; en ik zal zoeken met het hazelaarstakje, hetwelk nederbuigt als het boven metaal wordt gehouden; en ik zal hem vinden en hem u eerlijk brengen; kus mij, liefste, en gij zult rijk wezen; en alle dagen zullen wij kuite drinken; ja, ja, zij, die daar zitten, drinken ook bier, schuimend bier, dat verkwikt! O! mijne heeren, een dropje slechts, ik brand in het vuur! Hans, ik weet waar hazelaars groeien, maar gij moet wachten tot in den voortijd.
—Zwijg, ellendige, zei Joost Damman, ik ken u niet. Hilbert hebt gij genomen voor mij: hij is ’t die boven bij u kwam. En, met uw helschen geest, hiet gij hem Hans. Weet dat ik niet Hans heet, maar Joost: wij waren van dezelfde grootte, Hilberten ik; ’t was Hilbert, waarschijnlijk, die de zevenhonderd karolussen nam. Drinken! mijn vader zal honderd gulden betalen voor een kroezeken water; maar die vrouw ken ik niet!
—Heer baljuw en heeren rechters, riep Katelijne uit, hij beweert dat hij mij niet kent; maar ik, ik ken hem wel en weet, dat hij op den rug een bruine, harige geboortevlek heeft, groot als een erwt. Ha! gij bemindet een meideken van Heist! Hoeft een oprecht minnaar voor zijn geliefde te blozen? Hans, ben ik niet meer schoon?
—Schoon! grijnslachte Damman, gij hebt een gezicht, glad als eene mispel, en een lichaam, slank als eene vim takkebossen: bezie mij die schooister, die beweert een edelman tot minnaar te hebben! Drinken!
—Zoo spraakt ge niet, Hans, mijn beminde heer en meester, als ik zestien jaar jonger was.
Vervolgens op heur hoofd en heure borst kloppend, sprak zij:
—’t Is het vuur, dat daar is, dat mijn hert en mijn gezicht verschroeit: verwijt het mij niet; weet gij nog dat wij veel van zout eten hielden, om beter te kunnen drinken, naar gij zeidet? Nu is al het zout in ons lijf, mijn beminde, en mijnheer de baljuw drinkt wijn. Wij vragen geen wijn: geeft ons water. In de beemde kabbelt het heldere beekje met zijn frisch, lekker water. Neen, dat water kookt, het verbrandt mij! ’t Is water uit de helle!
En Katelijne weende en zij sprak:
—Nooit deed ik iemand leed, en iedereen smijt mij in ’t vuur. Drinken! de straathonden krijgen water; ik ben een kerstene vrouw, geeft mij te drinken. Nooit deed ik iemand leed! Geeft mij toch te drinken!
Toen sprak een schepen:
—Die tooveres is alleenlijk uitzinnig wat betreft het vuur, dat brandt in heur hoofd, naar zij zegt, maar voor alle andere dingen is zij het niet, vermits zij met helderen geest ons het lijk van den verslagene hielp ontdekken. Als Joost Damman inderdaad een harige vlek heeft op zijnen rug, is dit merk voldoende om zijne eenzelvigheid te doen vaststellen met den duivel Hans, op denwelken Katelijne verliefd was. Beul, toon ons het merk op den rug.
De hangman ontblootte den hals en den schouder, en toonde de bruine, harige vlek.
—Ha! sprak Katelijne, hoe wit is uwe huid! zou men niet zeggen dat het de schouderen eener maagd zijn? Wat zijt gij schoon, Hans, mijn beminde! Drinken!
Toen stak de hangman een lange naald in het merk, doch er kwam geen bloed uit.
En de schepenen zeiden tot elkander:
—Dat is een duivel, en hij zal Joost Damman vermoord hebben en zijn aanschijn genomen, om des te veiliger de arme lieden te kunnen bedriegen.
En de baljuw en de schepenen schrikten:
—Hij is een duivel, en er is een tooverteeken.
En Joost Damman sprak:
—Gij weet wel dat dit geen tooverteeken is, maar dat er vleezige uitwassen bestaan, in dewelke men mag steken, zonder dat zij bloeden. Heeft Hilbert die tooveres geld ontfutseld,—want tooveres is zij, die belijdt met den duivel te hebben geslapen—zoo deed hij het met de algeheele toestemming van die boerin en werd hij, edelman, om zijne kussen betaald, gelijk zulks telkendage gebeurt met de meidekens van pleizier. Zijn er geene mannen, die, als de loddegen, de vrouwen hunne kracht en hunne schoonheid met geld doen betalen?
De schepenen zeiden tot elkaar:
—Hoort gij zijn duivelsche, stoutmoedige listen? Zijn harige wrat heeft niet gebloed: moordenaar, duivel en tooveraar, wil hij enkellijk de schuld van het tweegevecht bekennen, om al zijn andere misdaden te schuiven op zijn vriend den duivel, dien hij gedood heeft naar lichaam, maar geenszins naar ziel.... En ziet eens hoe bleek zijn gezicht is.—Aldus verschijnen al de duivelen, rood in de helle, bleek op de wereld, want zij hebben geen levensvuur, dat aan het gezicht zijn natuurlijken blos geeft, en zij zijn assche van binnen.—Om hem rood te krijgen en hem te doen branden, moet men hem terug op het vuur zetten.
Toen sprak Katelijne:
—Ja, duivel is hij, doch een goede, zoete duivel! En de heilige Joannes, zijn patroon, heeft hem de toelating gegeven de helle te verlaten. Alle dagen bidt hij den Heer Jezus voor hem. Hij moet maar zeven duizend jaar vagevuur meer doen: de Moeder Gods wil het, maar Satan verzet er zich tegen. Doch Maria drijft door wat zij wil. Zult gijlieden u verzetten tegen heuren wil? Als gij hem goed beziet, zult gij merken, dat hij niets meer heeft van zijn duivelschen staat, uitgenomen zijn ijskoud lichaam, en ook zijn gezicht, dat glanst lijk, in de oogstmaand, de branding der zee, als donder op handen is.
En Joost Damman sprak:
—Zwijg, tooveres, gij doet mij verbranden!
Vervolgens zeide hij tot den baljuw en tot de schepenen:
—Aanziet mij, ik ben geen duivel; ik heb vleesch en been, bloed en water. Ik drink en eet, verteer en werp uit lijk gijlie; mijn vel is gelijk het uwe en mijn voet insgelijks; beul, trek mijne schoenen uit, want met mijn gebonden voeten kan ik mij niet verroeren.
De hangman deed het, niet zonder schrik.
—Ziet, zeide Joost, terwijl hij zijn blanke voeten liet zien: zijn dat gespleten klauwen, zijn dat duivelspooten? Wat mijne bleekheid betreft, is niemand uwer zoo bleek als ik ben? Ik zie er meer dan drie onder ulieden. Maar die zondigde was niet ik, doch die leelijke tooveres en heure dochter, de boosaardige aanbrengster. Waar haalde zij het geld, dat zij leende aan Hilbert; van waar kwamen de florijnen, die zij hem gaf? Waren die niet het loon van den duivel, om de onschuldige edellieden aan te klagen en te doen sterven? Het is aan die beide vrouwen dat gij moet vragen, wie den hond in de lochting verworgde, wie den schat uit den put nam en er mee heenging, wellicht om de gestolen karolussen ergens elders te verbergen. Soetkin, de weduwe, kon geen vertrouwen stellen in mij, daar zij mij niet kende, doch wel in haarlieden, bij dewelken zij heel den dag vertoefde. Zij beiden zijn het, die het goed van den keizer hebben gestolen.
—Vrouwe, hebt gij niets te zeggen tot uwe verdediging?
Katelijne keek naar Joost Damman en zeide met liefde:
—’t Is het uur van den nachtuil! Hans, mijn welbeminde, ik heb de hand van Hilbert. Zij zeggen, dat gij de zevenhonderd karolussen zult teruggeven.
... Doet het vuur weg, doet het vuur weg! kermde zij vervolgens. Drinken! drinken! mijn hoofd brandt! God en de engelen eten appelsienen in ’t hemelrijk.
En zij viel in bezwijming.
—Neem ze weg van de pijnbank, beval de baljuw.
De hangman en zijne knechts gehoorzaamden. Men zag ze wankelen, met gezwollen voeten, want de beul had de koorden te hard gespannen.
—Geef heur te drinken, beval de baljuw.
Men gaf heur versch water, hetwelk zij gretig dronk, met den beker tusschen heure tanden, als een hond doet met een been, zonder hem te willen loslaten. Vervolgens gaf men heur nog water, en zij wilde er van dragen aan Joost Damman, maar debeul rukte heur den beker uit de hand. En zij viel slapend ten gronde, als een blok lood.
Toen riep Joost Damman met woede:
—Ik ook heb dorst en heb vaak. Waarom laat gij heur drinken en slapen?
—Zij is eene vrouw, en daarbij zwak en uitzinnig, antwoordde de baljuw.
—Heure uitzinnigheid is geveinsd, zeide Joost Damman, zij is eene tooveres. Ik wil drinken, ik wil slapen!
En hij sloot de oogen, maar de beulsknechten sloegen hem in het gezicht.
—Geef mij een mes, riep hij, dat ik al dien gemeenen boeren en burgers de les spelle: ik ben een edelman en nooit sloeg men mij in het gezicht. Water! laat mij slapen, ik ben onschuldig. Ik ben het niet, die de zevenhonderd karolussen stal: ’t is Hilbert. Drinken! Nooit bedreef ik tooverij of bezwering. Ik ben onschuldig, laat mij gaan. Drinken!
Toen vroeg de baljuw:
—Hoe bracht gij den tijd door, sedert dat gij Katelijne verliet?
—Katelijne ken ik niet en heb ze dus niet verlaten, zeide hij. Gij ondervraagt mij over stukken, die vreemd aan de zaak zijn. Ik moet u niet antwoorden. Drinken! Laat mij slapen! Ik zeg u, dat Hilbert alles gedaan heeft.
—Maakt hem los, sprak de baljuw. Brengt hem terug naar het Steen. Maar hij zal drinken noch slapen, totdat hij zijne tooverij en bezwering bekend heeft.
En voor Damman was dit een schromelijke foltering. In den kerker schreeuwde hij zoo luide: „Drinken! Drinken!” dat het volk het hoorde, doch zonder mededoogen. En als hij viel van de vaak en zijne bewakers hem in het gezicht sloegen, werd hij woedend als een tijger en riep hij:
—Ik ben een edelman en zal u allen dooden, boeren! Ik zal gaan bij den koning, onzen hoofdman. Drinken!
Doch hij beleed niets, en men liet hem in het Steen.