XIII.

XIII.Daar was Lamme weder vroolijk gestemd. Hij kwam geerne aan land, en joeg toen ossen, schapen en ganzen op, lijk anderen jacht maken op hazen, herten en ortolanen.En hij was niet alleen voor die voedzame jacht. Het deed deugd de jagers te zien terugkomen met Lamme aan hunne spits: het hoornvee trokken zij voort, terwijl zij het gewold en gevederd vee vóór zich dreven en op de punt hunner gaffels kiekens, kapoenen en kalkoenen droegen, niettegenstaande het verbod van den Prins.En toen gastreerde men blijde op de schepen. En Lamme sprak:—De geur der sausen stijgt tot in den hemel, alwaar hij de santen verblijdt, die geerne ons maal kwamen deelen.Terwijl zij in de reede kruisten, kwam eene koopvaardijvloot van Lissabon, welker gezagvoerder niet wist, dat Vlissingen in de macht der Geuzen gevallen was. Men beveelt hem het anker te werpen, de vloot wordt omsingeld. Vive le Geus! Pijpen en trommen bevelen de entering; de kooplieden hebben kanonnen en pieken, bijlen en bussen.Bommen en kogelen regenen op de schepen der Geuzen. Hunne busschutters, verborgen in de schans rondom den grooten mast, vellen, zonder gevaar voor zich zelven, bij elk schot eenen man neer. De kooplieden vallen als vliegen.—Helpt mij, vrienden! zeide Uilenspiegel tot Lamme en Nele. Daar zijn specerijen, juweelen, kostbaarheden, suiker, muskaatnoten, kruidnagelen, gember, realen, dukaten, schoone, blinkende gouden lammeren. Daar zijn meer dan vijfhonderd duizend geldstukken. De Spanjool betaalt de kosten des oorlogs. Laat ons drinken! Zingen wij de misse der Geuzen, dat is het gevecht!En Uilenspiegel en Lamme liepen overal rond lijk leeuwen. Buiten het bereik van de kogels, speelde Nele op de pijp, in de schans. Heel de vloot werd genomen.Als de dooden geteld werden, vond men er duizend langs de zijde der Spanjaards, driehonderd langs den kant van de Geuzen; onder hen bevond zich de kok van de vliebootden Briel.Uilenspiegel vroeg om voor Treslong en de matrozen te spreken,hetwelk Treslong hem geerne toestond. En hij hield hun de volgende rede:—Messire kapitein en gij, maats, wij hebben daar vele specerijen geërfd, en Lamme, onze dikzak, hier tegenwoordig, vond steeds dat de arme doode, die dáár ligt,—God hebbe zijne ziel,—niet ervaren genoeg was in de konsten van zieden en braden. Zoo gij hem als kok wildet aanstellen, zou hij u hemelsche stoverije en goddelijke soezels bereiden.—Wij willen, zeiden Treslong en de anderen; Lamme zal de kok van het schip zijn. Hij zal den grooten pollepel voeren, om de scheepsjongens van zijne sausen te jagen.—Messire kapitein, gezellen en vrienden, sprak Lamme, ik ween van geluk, want die groote onderscheiding verdien ik niet. Doch, vermits gij u tot mijne onweerdigheid wilt richten, neem ik de edele bediening aan van meester in de konsten van zieden en braden op de wakkere vliebootden Briel; doch ik bid u ootmoediglijk mij wel te willen belasten met het opperbevelhebberschap over de keuken, zoodanig dat uw kok—dat ben ik,—bij recht, wet ende macht, een iegelijk kunne beletten eens andermans portie te komen eten.Treslong en de anderen riepen:—Leve Lamme! gij hebt recht, wet ende macht!—Doch, zeide hij, nog een nederige bede moet ik u doen: ik ben vet, groot en struisch, diep is mijn buik, diep mijne maag; mijn arme vrouw—God geve ze mij weder—placht mij altijd twee portiën te geven, in stede van eene: verleent mij dezelfde gunste.Treslong, Uilenspiegel en de matrozen zeiden:—Gij krijgt dobbel rantsoen, Lamme.En Lamme, die plotseling weemoedig werd, zeide:—Mijne vrouw, mijn liefste vriendin! als iets vermag mij over onze scheiding te troosten, zal het, bij het uitoefenen mijner bediening, het aandenken wezen aan uw goddelijke keuken in onze halle vol liefde.—Gij moet den eed afleggen, mijn zoon, zei Uilenspiegel. Men brenge den grooten pollepel en den grooten koperen ketel, op dewelken Lamme moet zweren.—Bij God, sprak Lamme, dewelke mij helpe, zweer ik getrouwheid aan Zijn Hoogheid den Prins van Oranje, gezeid den Zwijger, dewelke in naam des konings de provinciën Holland en Zeeland bestiert, getrouwheid aan messire Lumey, admiraal-bevelhebberonzer edele vloot, en aan messire Treslong, schout-bij-nacht en kapitein van het schipden Briel; ik zweer, volgens de costumen en gebruiken der groote koks uit de oudheid en naarvolgens de schoone boeken met platen, die zij over de edele kookkunst nagelaten hebben, zoo goed als mij mogelijk is, de vleezen, kiekens, ganzen, mitsgaders kalkoenen te bereiden, die Fortuna ons zal zenden; ik zweer te zullen voeden: den gezegden messire kapitein Treslong, zijn stuurman, wezende mijn vriend Uilenspiegel, en u allen, bootsman, loods, schieman, maats, soldaten, kanonniers, keldermeester, scheepsmaker, lijfjonker van den kapitein, chirurgijn, hoornblazer, matrozen en wie ook genaamd. Is het gebraad te rauw, heeft het gevogelte geen smakelijk uitzicht; verspreidt de soep een flauwen geur, wat de voorbode is eener slechte spijsvertering; zet de geur van de sausen u niet aan in de keuken te dringen, behoudens mijn oorlof nochtans; maak ik u niet allen blijmoedig en wel te pas, dan zal ik mijn edel ambt nederleggen, mij onbekwaam oordeelende langer in de keuken te tronen. Zoo helpe mij God en zijne santen in deze wereld en ook in de andere!—Leve onze kok, riepen zij, de koning der keuken, de keizer der stoverije. ’s Zondags krijgt hij drij portiën in stede van twee!En Lamme werd kok opden Briel. En terwijl zijn lekkere soep op het vuur stond, ging hij fier, met den pollepel op den schouder, eene handwijl aan de keukendeur staan.En ’s Zondags kreeg hij zijne drij portiën.Als de Geuzen met den vijand handgemeen werden, bleef hij geerne in zijne braderij; doch van tijd tot tijd klom hij naar boven, om eenige malen zijne bus af te vuren, na hetwelk hij schielijk weer naar beneden ging, om op zijne gerechten te passen.Als een trouw kok en een dapper soldaat, werd hij hertelijk bemind door een iegelijk.Maar niemand mocht in zijne keuken komen. Want dan werd hij uiterst grammoedig, en sloeg hij met zijnen pollepel gelijk de duivel op Geeraard.En wederom werd hij geheeten: Lamme de Leeuw.

XIII.Daar was Lamme weder vroolijk gestemd. Hij kwam geerne aan land, en joeg toen ossen, schapen en ganzen op, lijk anderen jacht maken op hazen, herten en ortolanen.En hij was niet alleen voor die voedzame jacht. Het deed deugd de jagers te zien terugkomen met Lamme aan hunne spits: het hoornvee trokken zij voort, terwijl zij het gewold en gevederd vee vóór zich dreven en op de punt hunner gaffels kiekens, kapoenen en kalkoenen droegen, niettegenstaande het verbod van den Prins.En toen gastreerde men blijde op de schepen. En Lamme sprak:—De geur der sausen stijgt tot in den hemel, alwaar hij de santen verblijdt, die geerne ons maal kwamen deelen.Terwijl zij in de reede kruisten, kwam eene koopvaardijvloot van Lissabon, welker gezagvoerder niet wist, dat Vlissingen in de macht der Geuzen gevallen was. Men beveelt hem het anker te werpen, de vloot wordt omsingeld. Vive le Geus! Pijpen en trommen bevelen de entering; de kooplieden hebben kanonnen en pieken, bijlen en bussen.Bommen en kogelen regenen op de schepen der Geuzen. Hunne busschutters, verborgen in de schans rondom den grooten mast, vellen, zonder gevaar voor zich zelven, bij elk schot eenen man neer. De kooplieden vallen als vliegen.—Helpt mij, vrienden! zeide Uilenspiegel tot Lamme en Nele. Daar zijn specerijen, juweelen, kostbaarheden, suiker, muskaatnoten, kruidnagelen, gember, realen, dukaten, schoone, blinkende gouden lammeren. Daar zijn meer dan vijfhonderd duizend geldstukken. De Spanjool betaalt de kosten des oorlogs. Laat ons drinken! Zingen wij de misse der Geuzen, dat is het gevecht!En Uilenspiegel en Lamme liepen overal rond lijk leeuwen. Buiten het bereik van de kogels, speelde Nele op de pijp, in de schans. Heel de vloot werd genomen.Als de dooden geteld werden, vond men er duizend langs de zijde der Spanjaards, driehonderd langs den kant van de Geuzen; onder hen bevond zich de kok van de vliebootden Briel.Uilenspiegel vroeg om voor Treslong en de matrozen te spreken,hetwelk Treslong hem geerne toestond. En hij hield hun de volgende rede:—Messire kapitein en gij, maats, wij hebben daar vele specerijen geërfd, en Lamme, onze dikzak, hier tegenwoordig, vond steeds dat de arme doode, die dáár ligt,—God hebbe zijne ziel,—niet ervaren genoeg was in de konsten van zieden en braden. Zoo gij hem als kok wildet aanstellen, zou hij u hemelsche stoverije en goddelijke soezels bereiden.—Wij willen, zeiden Treslong en de anderen; Lamme zal de kok van het schip zijn. Hij zal den grooten pollepel voeren, om de scheepsjongens van zijne sausen te jagen.—Messire kapitein, gezellen en vrienden, sprak Lamme, ik ween van geluk, want die groote onderscheiding verdien ik niet. Doch, vermits gij u tot mijne onweerdigheid wilt richten, neem ik de edele bediening aan van meester in de konsten van zieden en braden op de wakkere vliebootden Briel; doch ik bid u ootmoediglijk mij wel te willen belasten met het opperbevelhebberschap over de keuken, zoodanig dat uw kok—dat ben ik,—bij recht, wet ende macht, een iegelijk kunne beletten eens andermans portie te komen eten.Treslong en de anderen riepen:—Leve Lamme! gij hebt recht, wet ende macht!—Doch, zeide hij, nog een nederige bede moet ik u doen: ik ben vet, groot en struisch, diep is mijn buik, diep mijne maag; mijn arme vrouw—God geve ze mij weder—placht mij altijd twee portiën te geven, in stede van eene: verleent mij dezelfde gunste.Treslong, Uilenspiegel en de matrozen zeiden:—Gij krijgt dobbel rantsoen, Lamme.En Lamme, die plotseling weemoedig werd, zeide:—Mijne vrouw, mijn liefste vriendin! als iets vermag mij over onze scheiding te troosten, zal het, bij het uitoefenen mijner bediening, het aandenken wezen aan uw goddelijke keuken in onze halle vol liefde.—Gij moet den eed afleggen, mijn zoon, zei Uilenspiegel. Men brenge den grooten pollepel en den grooten koperen ketel, op dewelken Lamme moet zweren.—Bij God, sprak Lamme, dewelke mij helpe, zweer ik getrouwheid aan Zijn Hoogheid den Prins van Oranje, gezeid den Zwijger, dewelke in naam des konings de provinciën Holland en Zeeland bestiert, getrouwheid aan messire Lumey, admiraal-bevelhebberonzer edele vloot, en aan messire Treslong, schout-bij-nacht en kapitein van het schipden Briel; ik zweer, volgens de costumen en gebruiken der groote koks uit de oudheid en naarvolgens de schoone boeken met platen, die zij over de edele kookkunst nagelaten hebben, zoo goed als mij mogelijk is, de vleezen, kiekens, ganzen, mitsgaders kalkoenen te bereiden, die Fortuna ons zal zenden; ik zweer te zullen voeden: den gezegden messire kapitein Treslong, zijn stuurman, wezende mijn vriend Uilenspiegel, en u allen, bootsman, loods, schieman, maats, soldaten, kanonniers, keldermeester, scheepsmaker, lijfjonker van den kapitein, chirurgijn, hoornblazer, matrozen en wie ook genaamd. Is het gebraad te rauw, heeft het gevogelte geen smakelijk uitzicht; verspreidt de soep een flauwen geur, wat de voorbode is eener slechte spijsvertering; zet de geur van de sausen u niet aan in de keuken te dringen, behoudens mijn oorlof nochtans; maak ik u niet allen blijmoedig en wel te pas, dan zal ik mijn edel ambt nederleggen, mij onbekwaam oordeelende langer in de keuken te tronen. Zoo helpe mij God en zijne santen in deze wereld en ook in de andere!—Leve onze kok, riepen zij, de koning der keuken, de keizer der stoverije. ’s Zondags krijgt hij drij portiën in stede van twee!En Lamme werd kok opden Briel. En terwijl zijn lekkere soep op het vuur stond, ging hij fier, met den pollepel op den schouder, eene handwijl aan de keukendeur staan.En ’s Zondags kreeg hij zijne drij portiën.Als de Geuzen met den vijand handgemeen werden, bleef hij geerne in zijne braderij; doch van tijd tot tijd klom hij naar boven, om eenige malen zijne bus af te vuren, na hetwelk hij schielijk weer naar beneden ging, om op zijne gerechten te passen.Als een trouw kok en een dapper soldaat, werd hij hertelijk bemind door een iegelijk.Maar niemand mocht in zijne keuken komen. Want dan werd hij uiterst grammoedig, en sloeg hij met zijnen pollepel gelijk de duivel op Geeraard.En wederom werd hij geheeten: Lamme de Leeuw.

XIII.Daar was Lamme weder vroolijk gestemd. Hij kwam geerne aan land, en joeg toen ossen, schapen en ganzen op, lijk anderen jacht maken op hazen, herten en ortolanen.En hij was niet alleen voor die voedzame jacht. Het deed deugd de jagers te zien terugkomen met Lamme aan hunne spits: het hoornvee trokken zij voort, terwijl zij het gewold en gevederd vee vóór zich dreven en op de punt hunner gaffels kiekens, kapoenen en kalkoenen droegen, niettegenstaande het verbod van den Prins.En toen gastreerde men blijde op de schepen. En Lamme sprak:—De geur der sausen stijgt tot in den hemel, alwaar hij de santen verblijdt, die geerne ons maal kwamen deelen.Terwijl zij in de reede kruisten, kwam eene koopvaardijvloot van Lissabon, welker gezagvoerder niet wist, dat Vlissingen in de macht der Geuzen gevallen was. Men beveelt hem het anker te werpen, de vloot wordt omsingeld. Vive le Geus! Pijpen en trommen bevelen de entering; de kooplieden hebben kanonnen en pieken, bijlen en bussen.Bommen en kogelen regenen op de schepen der Geuzen. Hunne busschutters, verborgen in de schans rondom den grooten mast, vellen, zonder gevaar voor zich zelven, bij elk schot eenen man neer. De kooplieden vallen als vliegen.—Helpt mij, vrienden! zeide Uilenspiegel tot Lamme en Nele. Daar zijn specerijen, juweelen, kostbaarheden, suiker, muskaatnoten, kruidnagelen, gember, realen, dukaten, schoone, blinkende gouden lammeren. Daar zijn meer dan vijfhonderd duizend geldstukken. De Spanjool betaalt de kosten des oorlogs. Laat ons drinken! Zingen wij de misse der Geuzen, dat is het gevecht!En Uilenspiegel en Lamme liepen overal rond lijk leeuwen. Buiten het bereik van de kogels, speelde Nele op de pijp, in de schans. Heel de vloot werd genomen.Als de dooden geteld werden, vond men er duizend langs de zijde der Spanjaards, driehonderd langs den kant van de Geuzen; onder hen bevond zich de kok van de vliebootden Briel.Uilenspiegel vroeg om voor Treslong en de matrozen te spreken,hetwelk Treslong hem geerne toestond. En hij hield hun de volgende rede:—Messire kapitein en gij, maats, wij hebben daar vele specerijen geërfd, en Lamme, onze dikzak, hier tegenwoordig, vond steeds dat de arme doode, die dáár ligt,—God hebbe zijne ziel,—niet ervaren genoeg was in de konsten van zieden en braden. Zoo gij hem als kok wildet aanstellen, zou hij u hemelsche stoverije en goddelijke soezels bereiden.—Wij willen, zeiden Treslong en de anderen; Lamme zal de kok van het schip zijn. Hij zal den grooten pollepel voeren, om de scheepsjongens van zijne sausen te jagen.—Messire kapitein, gezellen en vrienden, sprak Lamme, ik ween van geluk, want die groote onderscheiding verdien ik niet. Doch, vermits gij u tot mijne onweerdigheid wilt richten, neem ik de edele bediening aan van meester in de konsten van zieden en braden op de wakkere vliebootden Briel; doch ik bid u ootmoediglijk mij wel te willen belasten met het opperbevelhebberschap over de keuken, zoodanig dat uw kok—dat ben ik,—bij recht, wet ende macht, een iegelijk kunne beletten eens andermans portie te komen eten.Treslong en de anderen riepen:—Leve Lamme! gij hebt recht, wet ende macht!—Doch, zeide hij, nog een nederige bede moet ik u doen: ik ben vet, groot en struisch, diep is mijn buik, diep mijne maag; mijn arme vrouw—God geve ze mij weder—placht mij altijd twee portiën te geven, in stede van eene: verleent mij dezelfde gunste.Treslong, Uilenspiegel en de matrozen zeiden:—Gij krijgt dobbel rantsoen, Lamme.En Lamme, die plotseling weemoedig werd, zeide:—Mijne vrouw, mijn liefste vriendin! als iets vermag mij over onze scheiding te troosten, zal het, bij het uitoefenen mijner bediening, het aandenken wezen aan uw goddelijke keuken in onze halle vol liefde.—Gij moet den eed afleggen, mijn zoon, zei Uilenspiegel. Men brenge den grooten pollepel en den grooten koperen ketel, op dewelken Lamme moet zweren.—Bij God, sprak Lamme, dewelke mij helpe, zweer ik getrouwheid aan Zijn Hoogheid den Prins van Oranje, gezeid den Zwijger, dewelke in naam des konings de provinciën Holland en Zeeland bestiert, getrouwheid aan messire Lumey, admiraal-bevelhebberonzer edele vloot, en aan messire Treslong, schout-bij-nacht en kapitein van het schipden Briel; ik zweer, volgens de costumen en gebruiken der groote koks uit de oudheid en naarvolgens de schoone boeken met platen, die zij over de edele kookkunst nagelaten hebben, zoo goed als mij mogelijk is, de vleezen, kiekens, ganzen, mitsgaders kalkoenen te bereiden, die Fortuna ons zal zenden; ik zweer te zullen voeden: den gezegden messire kapitein Treslong, zijn stuurman, wezende mijn vriend Uilenspiegel, en u allen, bootsman, loods, schieman, maats, soldaten, kanonniers, keldermeester, scheepsmaker, lijfjonker van den kapitein, chirurgijn, hoornblazer, matrozen en wie ook genaamd. Is het gebraad te rauw, heeft het gevogelte geen smakelijk uitzicht; verspreidt de soep een flauwen geur, wat de voorbode is eener slechte spijsvertering; zet de geur van de sausen u niet aan in de keuken te dringen, behoudens mijn oorlof nochtans; maak ik u niet allen blijmoedig en wel te pas, dan zal ik mijn edel ambt nederleggen, mij onbekwaam oordeelende langer in de keuken te tronen. Zoo helpe mij God en zijne santen in deze wereld en ook in de andere!—Leve onze kok, riepen zij, de koning der keuken, de keizer der stoverije. ’s Zondags krijgt hij drij portiën in stede van twee!En Lamme werd kok opden Briel. En terwijl zijn lekkere soep op het vuur stond, ging hij fier, met den pollepel op den schouder, eene handwijl aan de keukendeur staan.En ’s Zondags kreeg hij zijne drij portiën.Als de Geuzen met den vijand handgemeen werden, bleef hij geerne in zijne braderij; doch van tijd tot tijd klom hij naar boven, om eenige malen zijne bus af te vuren, na hetwelk hij schielijk weer naar beneden ging, om op zijne gerechten te passen.Als een trouw kok en een dapper soldaat, werd hij hertelijk bemind door een iegelijk.Maar niemand mocht in zijne keuken komen. Want dan werd hij uiterst grammoedig, en sloeg hij met zijnen pollepel gelijk de duivel op Geeraard.En wederom werd hij geheeten: Lamme de Leeuw.

XIII.

Daar was Lamme weder vroolijk gestemd. Hij kwam geerne aan land, en joeg toen ossen, schapen en ganzen op, lijk anderen jacht maken op hazen, herten en ortolanen.En hij was niet alleen voor die voedzame jacht. Het deed deugd de jagers te zien terugkomen met Lamme aan hunne spits: het hoornvee trokken zij voort, terwijl zij het gewold en gevederd vee vóór zich dreven en op de punt hunner gaffels kiekens, kapoenen en kalkoenen droegen, niettegenstaande het verbod van den Prins.En toen gastreerde men blijde op de schepen. En Lamme sprak:—De geur der sausen stijgt tot in den hemel, alwaar hij de santen verblijdt, die geerne ons maal kwamen deelen.Terwijl zij in de reede kruisten, kwam eene koopvaardijvloot van Lissabon, welker gezagvoerder niet wist, dat Vlissingen in de macht der Geuzen gevallen was. Men beveelt hem het anker te werpen, de vloot wordt omsingeld. Vive le Geus! Pijpen en trommen bevelen de entering; de kooplieden hebben kanonnen en pieken, bijlen en bussen.Bommen en kogelen regenen op de schepen der Geuzen. Hunne busschutters, verborgen in de schans rondom den grooten mast, vellen, zonder gevaar voor zich zelven, bij elk schot eenen man neer. De kooplieden vallen als vliegen.—Helpt mij, vrienden! zeide Uilenspiegel tot Lamme en Nele. Daar zijn specerijen, juweelen, kostbaarheden, suiker, muskaatnoten, kruidnagelen, gember, realen, dukaten, schoone, blinkende gouden lammeren. Daar zijn meer dan vijfhonderd duizend geldstukken. De Spanjool betaalt de kosten des oorlogs. Laat ons drinken! Zingen wij de misse der Geuzen, dat is het gevecht!En Uilenspiegel en Lamme liepen overal rond lijk leeuwen. Buiten het bereik van de kogels, speelde Nele op de pijp, in de schans. Heel de vloot werd genomen.Als de dooden geteld werden, vond men er duizend langs de zijde der Spanjaards, driehonderd langs den kant van de Geuzen; onder hen bevond zich de kok van de vliebootden Briel.Uilenspiegel vroeg om voor Treslong en de matrozen te spreken,hetwelk Treslong hem geerne toestond. En hij hield hun de volgende rede:—Messire kapitein en gij, maats, wij hebben daar vele specerijen geërfd, en Lamme, onze dikzak, hier tegenwoordig, vond steeds dat de arme doode, die dáár ligt,—God hebbe zijne ziel,—niet ervaren genoeg was in de konsten van zieden en braden. Zoo gij hem als kok wildet aanstellen, zou hij u hemelsche stoverije en goddelijke soezels bereiden.—Wij willen, zeiden Treslong en de anderen; Lamme zal de kok van het schip zijn. Hij zal den grooten pollepel voeren, om de scheepsjongens van zijne sausen te jagen.—Messire kapitein, gezellen en vrienden, sprak Lamme, ik ween van geluk, want die groote onderscheiding verdien ik niet. Doch, vermits gij u tot mijne onweerdigheid wilt richten, neem ik de edele bediening aan van meester in de konsten van zieden en braden op de wakkere vliebootden Briel; doch ik bid u ootmoediglijk mij wel te willen belasten met het opperbevelhebberschap over de keuken, zoodanig dat uw kok—dat ben ik,—bij recht, wet ende macht, een iegelijk kunne beletten eens andermans portie te komen eten.Treslong en de anderen riepen:—Leve Lamme! gij hebt recht, wet ende macht!—Doch, zeide hij, nog een nederige bede moet ik u doen: ik ben vet, groot en struisch, diep is mijn buik, diep mijne maag; mijn arme vrouw—God geve ze mij weder—placht mij altijd twee portiën te geven, in stede van eene: verleent mij dezelfde gunste.Treslong, Uilenspiegel en de matrozen zeiden:—Gij krijgt dobbel rantsoen, Lamme.En Lamme, die plotseling weemoedig werd, zeide:—Mijne vrouw, mijn liefste vriendin! als iets vermag mij over onze scheiding te troosten, zal het, bij het uitoefenen mijner bediening, het aandenken wezen aan uw goddelijke keuken in onze halle vol liefde.—Gij moet den eed afleggen, mijn zoon, zei Uilenspiegel. Men brenge den grooten pollepel en den grooten koperen ketel, op dewelken Lamme moet zweren.—Bij God, sprak Lamme, dewelke mij helpe, zweer ik getrouwheid aan Zijn Hoogheid den Prins van Oranje, gezeid den Zwijger, dewelke in naam des konings de provinciën Holland en Zeeland bestiert, getrouwheid aan messire Lumey, admiraal-bevelhebberonzer edele vloot, en aan messire Treslong, schout-bij-nacht en kapitein van het schipden Briel; ik zweer, volgens de costumen en gebruiken der groote koks uit de oudheid en naarvolgens de schoone boeken met platen, die zij over de edele kookkunst nagelaten hebben, zoo goed als mij mogelijk is, de vleezen, kiekens, ganzen, mitsgaders kalkoenen te bereiden, die Fortuna ons zal zenden; ik zweer te zullen voeden: den gezegden messire kapitein Treslong, zijn stuurman, wezende mijn vriend Uilenspiegel, en u allen, bootsman, loods, schieman, maats, soldaten, kanonniers, keldermeester, scheepsmaker, lijfjonker van den kapitein, chirurgijn, hoornblazer, matrozen en wie ook genaamd. Is het gebraad te rauw, heeft het gevogelte geen smakelijk uitzicht; verspreidt de soep een flauwen geur, wat de voorbode is eener slechte spijsvertering; zet de geur van de sausen u niet aan in de keuken te dringen, behoudens mijn oorlof nochtans; maak ik u niet allen blijmoedig en wel te pas, dan zal ik mijn edel ambt nederleggen, mij onbekwaam oordeelende langer in de keuken te tronen. Zoo helpe mij God en zijne santen in deze wereld en ook in de andere!—Leve onze kok, riepen zij, de koning der keuken, de keizer der stoverije. ’s Zondags krijgt hij drij portiën in stede van twee!En Lamme werd kok opden Briel. En terwijl zijn lekkere soep op het vuur stond, ging hij fier, met den pollepel op den schouder, eene handwijl aan de keukendeur staan.En ’s Zondags kreeg hij zijne drij portiën.Als de Geuzen met den vijand handgemeen werden, bleef hij geerne in zijne braderij; doch van tijd tot tijd klom hij naar boven, om eenige malen zijne bus af te vuren, na hetwelk hij schielijk weer naar beneden ging, om op zijne gerechten te passen.Als een trouw kok en een dapper soldaat, werd hij hertelijk bemind door een iegelijk.Maar niemand mocht in zijne keuken komen. Want dan werd hij uiterst grammoedig, en sloeg hij met zijnen pollepel gelijk de duivel op Geeraard.En wederom werd hij geheeten: Lamme de Leeuw.

Daar was Lamme weder vroolijk gestemd. Hij kwam geerne aan land, en joeg toen ossen, schapen en ganzen op, lijk anderen jacht maken op hazen, herten en ortolanen.

En hij was niet alleen voor die voedzame jacht. Het deed deugd de jagers te zien terugkomen met Lamme aan hunne spits: het hoornvee trokken zij voort, terwijl zij het gewold en gevederd vee vóór zich dreven en op de punt hunner gaffels kiekens, kapoenen en kalkoenen droegen, niettegenstaande het verbod van den Prins.

En toen gastreerde men blijde op de schepen. En Lamme sprak:

—De geur der sausen stijgt tot in den hemel, alwaar hij de santen verblijdt, die geerne ons maal kwamen deelen.

Terwijl zij in de reede kruisten, kwam eene koopvaardijvloot van Lissabon, welker gezagvoerder niet wist, dat Vlissingen in de macht der Geuzen gevallen was. Men beveelt hem het anker te werpen, de vloot wordt omsingeld. Vive le Geus! Pijpen en trommen bevelen de entering; de kooplieden hebben kanonnen en pieken, bijlen en bussen.

Bommen en kogelen regenen op de schepen der Geuzen. Hunne busschutters, verborgen in de schans rondom den grooten mast, vellen, zonder gevaar voor zich zelven, bij elk schot eenen man neer. De kooplieden vallen als vliegen.

—Helpt mij, vrienden! zeide Uilenspiegel tot Lamme en Nele. Daar zijn specerijen, juweelen, kostbaarheden, suiker, muskaatnoten, kruidnagelen, gember, realen, dukaten, schoone, blinkende gouden lammeren. Daar zijn meer dan vijfhonderd duizend geldstukken. De Spanjool betaalt de kosten des oorlogs. Laat ons drinken! Zingen wij de misse der Geuzen, dat is het gevecht!

En Uilenspiegel en Lamme liepen overal rond lijk leeuwen. Buiten het bereik van de kogels, speelde Nele op de pijp, in de schans. Heel de vloot werd genomen.

Als de dooden geteld werden, vond men er duizend langs de zijde der Spanjaards, driehonderd langs den kant van de Geuzen; onder hen bevond zich de kok van de vliebootden Briel.

Uilenspiegel vroeg om voor Treslong en de matrozen te spreken,hetwelk Treslong hem geerne toestond. En hij hield hun de volgende rede:

—Messire kapitein en gij, maats, wij hebben daar vele specerijen geërfd, en Lamme, onze dikzak, hier tegenwoordig, vond steeds dat de arme doode, die dáár ligt,—God hebbe zijne ziel,—niet ervaren genoeg was in de konsten van zieden en braden. Zoo gij hem als kok wildet aanstellen, zou hij u hemelsche stoverije en goddelijke soezels bereiden.

—Wij willen, zeiden Treslong en de anderen; Lamme zal de kok van het schip zijn. Hij zal den grooten pollepel voeren, om de scheepsjongens van zijne sausen te jagen.

—Messire kapitein, gezellen en vrienden, sprak Lamme, ik ween van geluk, want die groote onderscheiding verdien ik niet. Doch, vermits gij u tot mijne onweerdigheid wilt richten, neem ik de edele bediening aan van meester in de konsten van zieden en braden op de wakkere vliebootden Briel; doch ik bid u ootmoediglijk mij wel te willen belasten met het opperbevelhebberschap over de keuken, zoodanig dat uw kok—dat ben ik,—bij recht, wet ende macht, een iegelijk kunne beletten eens andermans portie te komen eten.

Treslong en de anderen riepen:

—Leve Lamme! gij hebt recht, wet ende macht!

—Doch, zeide hij, nog een nederige bede moet ik u doen: ik ben vet, groot en struisch, diep is mijn buik, diep mijne maag; mijn arme vrouw—God geve ze mij weder—placht mij altijd twee portiën te geven, in stede van eene: verleent mij dezelfde gunste.

Treslong, Uilenspiegel en de matrozen zeiden:

—Gij krijgt dobbel rantsoen, Lamme.

En Lamme, die plotseling weemoedig werd, zeide:

—Mijne vrouw, mijn liefste vriendin! als iets vermag mij over onze scheiding te troosten, zal het, bij het uitoefenen mijner bediening, het aandenken wezen aan uw goddelijke keuken in onze halle vol liefde.

—Gij moet den eed afleggen, mijn zoon, zei Uilenspiegel. Men brenge den grooten pollepel en den grooten koperen ketel, op dewelken Lamme moet zweren.

—Bij God, sprak Lamme, dewelke mij helpe, zweer ik getrouwheid aan Zijn Hoogheid den Prins van Oranje, gezeid den Zwijger, dewelke in naam des konings de provinciën Holland en Zeeland bestiert, getrouwheid aan messire Lumey, admiraal-bevelhebberonzer edele vloot, en aan messire Treslong, schout-bij-nacht en kapitein van het schipden Briel; ik zweer, volgens de costumen en gebruiken der groote koks uit de oudheid en naarvolgens de schoone boeken met platen, die zij over de edele kookkunst nagelaten hebben, zoo goed als mij mogelijk is, de vleezen, kiekens, ganzen, mitsgaders kalkoenen te bereiden, die Fortuna ons zal zenden; ik zweer te zullen voeden: den gezegden messire kapitein Treslong, zijn stuurman, wezende mijn vriend Uilenspiegel, en u allen, bootsman, loods, schieman, maats, soldaten, kanonniers, keldermeester, scheepsmaker, lijfjonker van den kapitein, chirurgijn, hoornblazer, matrozen en wie ook genaamd. Is het gebraad te rauw, heeft het gevogelte geen smakelijk uitzicht; verspreidt de soep een flauwen geur, wat de voorbode is eener slechte spijsvertering; zet de geur van de sausen u niet aan in de keuken te dringen, behoudens mijn oorlof nochtans; maak ik u niet allen blijmoedig en wel te pas, dan zal ik mijn edel ambt nederleggen, mij onbekwaam oordeelende langer in de keuken te tronen. Zoo helpe mij God en zijne santen in deze wereld en ook in de andere!

—Leve onze kok, riepen zij, de koning der keuken, de keizer der stoverije. ’s Zondags krijgt hij drij portiën in stede van twee!

En Lamme werd kok opden Briel. En terwijl zijn lekkere soep op het vuur stond, ging hij fier, met den pollepel op den schouder, eene handwijl aan de keukendeur staan.

En ’s Zondags kreeg hij zijne drij portiën.

Als de Geuzen met den vijand handgemeen werden, bleef hij geerne in zijne braderij; doch van tijd tot tijd klom hij naar boven, om eenige malen zijne bus af te vuren, na hetwelk hij schielijk weer naar beneden ging, om op zijne gerechten te passen.

Als een trouw kok en een dapper soldaat, werd hij hertelijk bemind door een iegelijk.

Maar niemand mocht in zijne keuken komen. Want dan werd hij uiterst grammoedig, en sloeg hij met zijnen pollepel gelijk de duivel op Geeraard.

En wederom werd hij geheeten: Lamme de Leeuw.


Back to IndexNext