XII.Het sneeuwt op de schepen. Heinde en ver is de lucht wit, en zonder ophouden valt de sneeuw immer door in het zwarte water, in hetwelk zij smelt.Het sneeuwt op het land: wit zijn de wegen, ook wit de flauwe schimmen der ontbladerde boomen. Geenerlei gerucht is te hooren, tenzij het verre gelui van Haarlems klokken, die het uur slaan, en van den blijden beiaard, die in de dikke lucht zijn gesmoorde tonen zendt.Luidt niet, klokken; speel uw zachte, eenvoudige deuntjes niet, beiaard: don Frederik nadert, de zoon van den bloedigen hertog. Hij komt op u af, gevolgd van vijf en dertig vendels Spanjaarden, uwe doodvijanden, Haarlem, o stede van vrijheid; twee en twintig vendels Walen, achttien vendels Duitschers, achthonderd peerden, een machtig geschut volgen hem. Hoort gij op de wagens het geknars van het doodend ijzer? Falkonetten, slangen, donderbussen met wijden mond, dat alles is voor u, Haarlem. Luidt niet, klokken; werp uw blijde tonen niet meer in de met sneeuw bezwangerde lucht, lustige beiaard.—Wij, klokken, zullen luiden; ik, beiaard, ik zal zingen en mijn stoute tonen werpen in de met sneeuw bezwangerde lucht. Haarlem is de stad van de dappere harten, de kloekmoedige vrouwen. Van de hoogte heurer torens ziet zij, zonder vrees, de zwarte drommen der beulen, als helsche mieren naderen, met golvende bewegingen: Uilenspiegel, Lamme en honderd Watergeuzen zijn binnen heure muren. Hunne vloot kruist op het meer.—Laat ze komen! zeggen de inwoners; wij zijn maar poorters, visschers, zeelieden en vrouwen. De zoon van den hertog van Alva wil, naar hij zegt, om onze stede binnen te komen, geen andere sleutels dan zijne donderbus. Dat hij, als hij kan, die zwakke poorten opene: daarachter zal hij mannen vinden. Luidt, klokken; werp uw blijde tonen in de met sneeuw bezwangerde lucht, beiaard!... Wij hebben slechts zwakke muren en onze grachten zijn gemaakt naar de oude wijs. Veertien donderbussen braken hare zes en veertigponders naar de Kruispoort. Stelt mannen daar, waar steenen ontbreken. De nacht komt, een ieder werkt, ’t is alsof het kanon zich hier nimmer hooren liet. Naar de Kruispoorthebben zij zeshonderd tachtig bommen geschoten; naar Sint-Janspoort, zeshonderd vijf en zeventig. Die sleutels openen niet, want ziet, daarachter verheft zich een nieuw bolwerk. Luidt, klokken; werp, beiaard, uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Het kanon beschiet, beschiet altoos de muren, steenen springen er af, muurvlakken storten neer. De bres is breed genoeg om eene compagnie in front door te laten. Zij schreeuwen: „Bestorming! doodt! doodt!” Zij wagen de beklimming, zij zijn met tienduizend; laat ze komen over de grachten met hunne bruggen. Onze kanonnen staan gereed. Daar is de kudde, die moet sterven. Groet hen, kanonnen der vrijheid! Zij groeten: de kettingkogels, de stormhoepels, de brandende pikkransen vliegen en fluiten, boren en kappen in het gros der belegeraars, die nederzijgen of in wanorde vluchten. Vijftienhonderd dooden vervullen de grachten. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Komt terug ter bestorming! Zij durven niet. Zij beginnen opnieuw te schieten en te mineeren. Wij ook, wij kennen de kunst van de mijn. Steekt, steekt de wiek aan onder henzelven; loopt, wij krijgen een prachtig vuurwerk te zien. Vierhonderd Spanjolen vliegen in de lucht! Dat is de weg niet naar de eeuwige vlammen. O, wat blijde dans bij het zilveren geluid onzer klokken, bij de lustige muziek van den beiaard!... Ze weten dus niet, dat de prins waakt over ons, dat ons, alle dagen, langs goedbewaakte wegen, sledevrachten koren en buskruit geworden; koren voor ons, buskruit voor hen. Waar zijn hunne zeshonderd Duitschers, die wij doodden en verdronken in ’t Haarlemmermeer? Waar zijn de elf vendels, die wij hun namen, de zes donderbussen en de vijftig ossen? Wij hadden één ringmuur, nu hebben wij er twee. De vrouwen zelven vechten mede, en Kenau Hasselaar voert heure dappere zusteren aan. Komt, beulen, komt in onze straten, de kinderen zullen u de knieën doorsnijden met hunne mesjes. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Maar het geluk is met ons niet. De vloot van de Geuzen wordt verslagen op het meer. Zij zijn verslagen, de troepen, die de Prins van Oranje ons zond. Het vriest, het vriest bitter. Geene hulp meer! Sedert vijf maanden, wederstaan wij met duizend man tegen tienmaal zooveel. Nu moeten wij met de beulen onderhandelen. Maar zal hij van onderhandeling willen hooren, die bloedige hertog, die onzen val heeft gezworen? Laat ons eenuitval wagen met al onze soldaten: misschien banen zij zich een weg door de vijandelijke drommen. Maar de vrouwen staan aan de poorten, uit vrees dat men heur alleen de stede late bewaken. Luidt niet meer, klokken; werp uw blijde tonen in de lucht niet meer, beiaard.... Nu zijn wij in de Zomermaand, het hooi riekt lekker, het koren rijpt in de zonne, de vogelen zingen: vijf maanden lang hadden wij honger; de stede is in rouw; wij zullen allen uit Haarlem trekken, de busschutters aan ’t hoofd om den weg te banen, de vrouwen, de kinderen en de magistraat daarachter, gevolgd door het voetvolk, dat waakt op de bres. Een brief, een brief van den zoon van den bloedigen hertog! Is ’t de dood, dien hij ons meldt? neen, ’t is het leven aan allen, die zijn in de stede. O, onverbeide genade, o leugen wellicht! Zult ge nog zingen, blijde beiaard? Zij komen de stede binnen....Uilenspiegel, Lamme en Nele hadden den dos van de Duitsche soldaten aangetrokken, die met hen, ten getale van zeshonderd, opgesloten waren in het Augustijnerklooster.—Vandaag zullen wij sterven, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En aan zijne borst drukte hij het liefelijke lichaam van Nele, die huiverde van schrik.—Laas! mijne vrouw, nimmermeer zal ik ze zien, zeide Lamme.Maar wellicht redden die kleederen van Duitsche soldaten ons ’t leven?Uilenspiegel schudde het hoofd om te bedieden, dat hij aan geene genade geloofde.—Ik hoor het gerucht van de plundering niet, zeide Lamme.Uilenspiegel antwoordde:—Volgens de overeenkomst, hebben de poorters de plundering en het leven afgekocht, mits de somme van tweehonderd veertigduizend gulden. Binnen twaalf dagen moeten zij honderdduizend gulden in klinkende munte betalen, en de rest drie maanden later. Aan de vrouwen werd bevolen de wijk te nemen in de kerken. Zij gaan ongetwijfeld de slachting beginnen. Hoort gij de galgen en schavotten optimmeren?—Ha! wij zullen sterven! sprak Nele; ik heb honger.—Ja, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel, de zoon van den bloedigen hertog heeft gezeid, dat wij, uitgehongerd zijnde, gedwee naar de strafplaats zullen tiegen.—Ik heb zoo’n honger! sprak Nele.’s Avonds kwamen soldaten, en zij deelden een brood voor zes man uit.—Driehonderd soldaten werden gehangen op de Markt, zeiden zij. Weldra is ’t uwe beurt. Geuzen en galgen hooren immer bijeen.Den volgenden avond, kwamen zij nog met een brood voor zes man.—Vier hoogpoorters, zeiden zij, werden onthalsd. Tweehonderd acht en veertig soldaten werden twee aan twee gebonden en in de zee gesmeten. De krabben zullen vet zijn dees jaar. Gij hebt geen goede tronie, gijlie, sedert den 7n van Hooimaand, dat gij hier zijt. Wat zijn zij slokkers en dronkaards, die inwoners der Nederlanden! wij, Spanjaarden, generen ons met eenige vijgen voor ons avondmaal.—’t Is zeker daarom, antwoordde Uilenspiegel, dat gij overal bij de poorters uw vier eetmalen met vleesch, gevogelte, vla, wijn en confituur eischt; en melk om het lichaam van uwemuchachaste wasschen, en wijn om de pooten uwer peerden te baden?Den 18n van Hooimaand zeide Nele:—Mijne voeten zijn nat; wat is dit?—’t Is bloed, zeide Uilenspiegel.’s Avonds kwamen de soldaten opnieuw met hun brood voor zes man.—Daar waar de koorde niet volstaat, doet het zweerd het werk, zeiden zij. Drijhonderd soldaten en zeven en twintig poorters, die de stede meenden te ontvluchten, wandelen nu in de helle, met hun hoofd onder hunnen arm.’s Anderen daags stroomde het bloed opnieuw in het klooster; de soldaten kwamen geen brood brengen, maar alleenlijk naar de gevangenen kijken en zeggen:—De vijfhonderd Walen, Engelschen en Schotten, die gisteren onthalsd werden, hadden een betere tronie. Dezen hebben honger, gewis; doch wie dan zou sterven van honger, ten ware de Geus?En, inderdaad, allen bleek, mager ontdaan en bibberend van koorts, stonden zij daar lijk spoken.Den 16n van Oogstmaand, om vijf uren’s avonds, kwamen de soldaten lachend binnen en zij gaven hun brood, kaas en bier. Lamme sprak:—Dit is ons doodmaal.Te tien uren kwamen vier vendrigs; de hoplieden deden depoorten van vier kloosters openen en bevalen den gevangenen gevieren achter de pijpen en trommels te gaan, tot aan de plaats, waar men hen zou doen stilstaan. Sommige straten waren rood van ’t bloed; en zij stapten naar ’t Galgeveld.Hier en daar waren de weiden bemorst met plassen bloed; overal was er bloed op de muren gespat. De raven kwamen bij zwermen van alle kanten; de zonne verborg zich in een bed van dampen, de hemel was nog helder, en in het diepste deszelven ontwaakten schuchter de sterren. Eensklaps hoorden zij een hertverscheurend gehuil.De soldaten zeiden:—Die daar schreeuwen, zijn de Geuzen van het fort Fuike, buiten de stad; men laat ze sterven van honger.—Wij ook, zeide Nele, wij gaan sterven.En zij weende.—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.—Ha! zeide Lamme in ’t Vlaamsch,—de soldaten van het geleide verstonden die mannelijke taal niet,—ha! zeide Lamme, had ik dien bloedigen hertog onder handen en kon ik hem, tot zijne kroenge er van berst, alle die koorden, galgen, pijnbanken, foltertuigen, gewichten en Spaansche leerzen doen eten; kon ik hem doen drinken al het bloed, dat door hem werd vergoten; kon ik, na duizenden folteringen, hem het hert uit de borst rukken en hem dit rot en giftig ingewand rauw doen eten! Dan zou hij voorzeker, van het leven naar den dood tiegend, in de solferkolk vallen, alwaar de duivel het hem zonder ophouden gelieve te doen eten en nog te doen eten. En aldus tot in de eeuwigheid der eeuwigheden!—Amen! zeiden Uilenspiegel en Nele.—Maar ziet gij niets? vroeg zij.—Neen, sprak Uilenspiegel.—In ’t Westen zie ik, zeide zij, zeven mannen en vrouwen in eenen kring gezeten. Een der mannen is gekleed in het purper en draagt een gouden kroon op het hoofd. Hij schijnt de hoofdman der anderen, die allen in lompen en vodden gehuld zijn. In het Oosten zie ik een andere groep van zeven komen: insgelijks aangevoerd door iemand, ook gekleed in het purper, doch zonder kroon op het hoofd. En zij gaan op tegen die van het Westen. En zij vechten tegen hen in de wolken; maar nu zie ik niets meer.—De Zeven, zei Uilenspiegel.—Ik hoor, zeide Nele, omtrent ons in het loover, eene stem, zacht als een ademtocht, neuren:Door den krijg en het vuurDoor de lansen en zwaarden,Zoek;In den dood en het bloedIn de puinen en tranen,Vind.—Anderen dan wij zullen de verlossers van Vlaanderen wezen, antwoordde Uilenspiegel. De nacht is zwart, en ’k zie de Spaansche huurlingen fakkels aansteken. Wij zijn omtrent het Galgeveld. O, mijn zoete vriendinne, waarom zijt gij niet ginder gebleven? Hoort gij niets meer, Nele?—’t Doet, zeide zij, een wapengekletter in het koren. En ziet gij, op de gindsche heuvelen, aan het einde van den wegel, dien wij begaan, den rooden gloed niet van fakkels, die flikkeren op het staal van de wapenen? Ik zie de lichtjes van de wieken der bussen. Slapen onze wachters of zijn zij met blindheid geslagen? Hoort gij dien donderslag? Ziet gij de Spanjolen vallen onder de kogels? Hoort gij: „Vive le Geus!” Met de piek vooruit, stormen zij den wegel op. Langsheen de heuvelen dalen zij beneden met zwaaiende bijlen.... Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen Lamme en Uilenspiegel.—Daar, zei Nele, daar zijn soldaten, die ons wapenen langen. Neem aan, Lamme, neem aan, mijn beminde. Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen al de gevangenen.—De bussen houden niet op met schieten, zeide Nele, de Spanjolen vallen als vliegen, verlicht als ze zijn door den gloed van de toortsen. Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen de wakkere redders.—Vive le Geus! riepen Uilenspiegel en de gevangenen. De Spanjolen zijn omsloten in eenen kring van vuur. Slaat dood! Slaat dood! Geen enkele ontsnappe! Slaat dood! geene genade, geen kwartier! En nu trekken wij, met pak en zak, naar Enkhuizen. Wie heeft de zijden en lakensche kleederen van onze beulen? Wie heeft hunne wapenen?—Allen! Wij allen! riepen zij. Vive le Geus!En, inderdaad, zij trokken naar Enkhuizen, alwaar zij de met hen verloste Duitschers deden blijven, om de stede te bewaken.En Lamme en Nele en Uilenspiegel keerden naar hunne schepen terug. En weer zongen zij op de vrije zee: Vive le Geus!En zij kruisten in de reede van Vlissingen.
XII.Het sneeuwt op de schepen. Heinde en ver is de lucht wit, en zonder ophouden valt de sneeuw immer door in het zwarte water, in hetwelk zij smelt.Het sneeuwt op het land: wit zijn de wegen, ook wit de flauwe schimmen der ontbladerde boomen. Geenerlei gerucht is te hooren, tenzij het verre gelui van Haarlems klokken, die het uur slaan, en van den blijden beiaard, die in de dikke lucht zijn gesmoorde tonen zendt.Luidt niet, klokken; speel uw zachte, eenvoudige deuntjes niet, beiaard: don Frederik nadert, de zoon van den bloedigen hertog. Hij komt op u af, gevolgd van vijf en dertig vendels Spanjaarden, uwe doodvijanden, Haarlem, o stede van vrijheid; twee en twintig vendels Walen, achttien vendels Duitschers, achthonderd peerden, een machtig geschut volgen hem. Hoort gij op de wagens het geknars van het doodend ijzer? Falkonetten, slangen, donderbussen met wijden mond, dat alles is voor u, Haarlem. Luidt niet, klokken; werp uw blijde tonen niet meer in de met sneeuw bezwangerde lucht, lustige beiaard.—Wij, klokken, zullen luiden; ik, beiaard, ik zal zingen en mijn stoute tonen werpen in de met sneeuw bezwangerde lucht. Haarlem is de stad van de dappere harten, de kloekmoedige vrouwen. Van de hoogte heurer torens ziet zij, zonder vrees, de zwarte drommen der beulen, als helsche mieren naderen, met golvende bewegingen: Uilenspiegel, Lamme en honderd Watergeuzen zijn binnen heure muren. Hunne vloot kruist op het meer.—Laat ze komen! zeggen de inwoners; wij zijn maar poorters, visschers, zeelieden en vrouwen. De zoon van den hertog van Alva wil, naar hij zegt, om onze stede binnen te komen, geen andere sleutels dan zijne donderbus. Dat hij, als hij kan, die zwakke poorten opene: daarachter zal hij mannen vinden. Luidt, klokken; werp uw blijde tonen in de met sneeuw bezwangerde lucht, beiaard!... Wij hebben slechts zwakke muren en onze grachten zijn gemaakt naar de oude wijs. Veertien donderbussen braken hare zes en veertigponders naar de Kruispoort. Stelt mannen daar, waar steenen ontbreken. De nacht komt, een ieder werkt, ’t is alsof het kanon zich hier nimmer hooren liet. Naar de Kruispoorthebben zij zeshonderd tachtig bommen geschoten; naar Sint-Janspoort, zeshonderd vijf en zeventig. Die sleutels openen niet, want ziet, daarachter verheft zich een nieuw bolwerk. Luidt, klokken; werp, beiaard, uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Het kanon beschiet, beschiet altoos de muren, steenen springen er af, muurvlakken storten neer. De bres is breed genoeg om eene compagnie in front door te laten. Zij schreeuwen: „Bestorming! doodt! doodt!” Zij wagen de beklimming, zij zijn met tienduizend; laat ze komen over de grachten met hunne bruggen. Onze kanonnen staan gereed. Daar is de kudde, die moet sterven. Groet hen, kanonnen der vrijheid! Zij groeten: de kettingkogels, de stormhoepels, de brandende pikkransen vliegen en fluiten, boren en kappen in het gros der belegeraars, die nederzijgen of in wanorde vluchten. Vijftienhonderd dooden vervullen de grachten. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Komt terug ter bestorming! Zij durven niet. Zij beginnen opnieuw te schieten en te mineeren. Wij ook, wij kennen de kunst van de mijn. Steekt, steekt de wiek aan onder henzelven; loopt, wij krijgen een prachtig vuurwerk te zien. Vierhonderd Spanjolen vliegen in de lucht! Dat is de weg niet naar de eeuwige vlammen. O, wat blijde dans bij het zilveren geluid onzer klokken, bij de lustige muziek van den beiaard!... Ze weten dus niet, dat de prins waakt over ons, dat ons, alle dagen, langs goedbewaakte wegen, sledevrachten koren en buskruit geworden; koren voor ons, buskruit voor hen. Waar zijn hunne zeshonderd Duitschers, die wij doodden en verdronken in ’t Haarlemmermeer? Waar zijn de elf vendels, die wij hun namen, de zes donderbussen en de vijftig ossen? Wij hadden één ringmuur, nu hebben wij er twee. De vrouwen zelven vechten mede, en Kenau Hasselaar voert heure dappere zusteren aan. Komt, beulen, komt in onze straten, de kinderen zullen u de knieën doorsnijden met hunne mesjes. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Maar het geluk is met ons niet. De vloot van de Geuzen wordt verslagen op het meer. Zij zijn verslagen, de troepen, die de Prins van Oranje ons zond. Het vriest, het vriest bitter. Geene hulp meer! Sedert vijf maanden, wederstaan wij met duizend man tegen tienmaal zooveel. Nu moeten wij met de beulen onderhandelen. Maar zal hij van onderhandeling willen hooren, die bloedige hertog, die onzen val heeft gezworen? Laat ons eenuitval wagen met al onze soldaten: misschien banen zij zich een weg door de vijandelijke drommen. Maar de vrouwen staan aan de poorten, uit vrees dat men heur alleen de stede late bewaken. Luidt niet meer, klokken; werp uw blijde tonen in de lucht niet meer, beiaard.... Nu zijn wij in de Zomermaand, het hooi riekt lekker, het koren rijpt in de zonne, de vogelen zingen: vijf maanden lang hadden wij honger; de stede is in rouw; wij zullen allen uit Haarlem trekken, de busschutters aan ’t hoofd om den weg te banen, de vrouwen, de kinderen en de magistraat daarachter, gevolgd door het voetvolk, dat waakt op de bres. Een brief, een brief van den zoon van den bloedigen hertog! Is ’t de dood, dien hij ons meldt? neen, ’t is het leven aan allen, die zijn in de stede. O, onverbeide genade, o leugen wellicht! Zult ge nog zingen, blijde beiaard? Zij komen de stede binnen....Uilenspiegel, Lamme en Nele hadden den dos van de Duitsche soldaten aangetrokken, die met hen, ten getale van zeshonderd, opgesloten waren in het Augustijnerklooster.—Vandaag zullen wij sterven, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En aan zijne borst drukte hij het liefelijke lichaam van Nele, die huiverde van schrik.—Laas! mijne vrouw, nimmermeer zal ik ze zien, zeide Lamme.Maar wellicht redden die kleederen van Duitsche soldaten ons ’t leven?Uilenspiegel schudde het hoofd om te bedieden, dat hij aan geene genade geloofde.—Ik hoor het gerucht van de plundering niet, zeide Lamme.Uilenspiegel antwoordde:—Volgens de overeenkomst, hebben de poorters de plundering en het leven afgekocht, mits de somme van tweehonderd veertigduizend gulden. Binnen twaalf dagen moeten zij honderdduizend gulden in klinkende munte betalen, en de rest drie maanden later. Aan de vrouwen werd bevolen de wijk te nemen in de kerken. Zij gaan ongetwijfeld de slachting beginnen. Hoort gij de galgen en schavotten optimmeren?—Ha! wij zullen sterven! sprak Nele; ik heb honger.—Ja, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel, de zoon van den bloedigen hertog heeft gezeid, dat wij, uitgehongerd zijnde, gedwee naar de strafplaats zullen tiegen.—Ik heb zoo’n honger! sprak Nele.’s Avonds kwamen soldaten, en zij deelden een brood voor zes man uit.—Driehonderd soldaten werden gehangen op de Markt, zeiden zij. Weldra is ’t uwe beurt. Geuzen en galgen hooren immer bijeen.Den volgenden avond, kwamen zij nog met een brood voor zes man.—Vier hoogpoorters, zeiden zij, werden onthalsd. Tweehonderd acht en veertig soldaten werden twee aan twee gebonden en in de zee gesmeten. De krabben zullen vet zijn dees jaar. Gij hebt geen goede tronie, gijlie, sedert den 7n van Hooimaand, dat gij hier zijt. Wat zijn zij slokkers en dronkaards, die inwoners der Nederlanden! wij, Spanjaarden, generen ons met eenige vijgen voor ons avondmaal.—’t Is zeker daarom, antwoordde Uilenspiegel, dat gij overal bij de poorters uw vier eetmalen met vleesch, gevogelte, vla, wijn en confituur eischt; en melk om het lichaam van uwemuchachaste wasschen, en wijn om de pooten uwer peerden te baden?Den 18n van Hooimaand zeide Nele:—Mijne voeten zijn nat; wat is dit?—’t Is bloed, zeide Uilenspiegel.’s Avonds kwamen de soldaten opnieuw met hun brood voor zes man.—Daar waar de koorde niet volstaat, doet het zweerd het werk, zeiden zij. Drijhonderd soldaten en zeven en twintig poorters, die de stede meenden te ontvluchten, wandelen nu in de helle, met hun hoofd onder hunnen arm.’s Anderen daags stroomde het bloed opnieuw in het klooster; de soldaten kwamen geen brood brengen, maar alleenlijk naar de gevangenen kijken en zeggen:—De vijfhonderd Walen, Engelschen en Schotten, die gisteren onthalsd werden, hadden een betere tronie. Dezen hebben honger, gewis; doch wie dan zou sterven van honger, ten ware de Geus?En, inderdaad, allen bleek, mager ontdaan en bibberend van koorts, stonden zij daar lijk spoken.Den 16n van Oogstmaand, om vijf uren’s avonds, kwamen de soldaten lachend binnen en zij gaven hun brood, kaas en bier. Lamme sprak:—Dit is ons doodmaal.Te tien uren kwamen vier vendrigs; de hoplieden deden depoorten van vier kloosters openen en bevalen den gevangenen gevieren achter de pijpen en trommels te gaan, tot aan de plaats, waar men hen zou doen stilstaan. Sommige straten waren rood van ’t bloed; en zij stapten naar ’t Galgeveld.Hier en daar waren de weiden bemorst met plassen bloed; overal was er bloed op de muren gespat. De raven kwamen bij zwermen van alle kanten; de zonne verborg zich in een bed van dampen, de hemel was nog helder, en in het diepste deszelven ontwaakten schuchter de sterren. Eensklaps hoorden zij een hertverscheurend gehuil.De soldaten zeiden:—Die daar schreeuwen, zijn de Geuzen van het fort Fuike, buiten de stad; men laat ze sterven van honger.—Wij ook, zeide Nele, wij gaan sterven.En zij weende.—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.—Ha! zeide Lamme in ’t Vlaamsch,—de soldaten van het geleide verstonden die mannelijke taal niet,—ha! zeide Lamme, had ik dien bloedigen hertog onder handen en kon ik hem, tot zijne kroenge er van berst, alle die koorden, galgen, pijnbanken, foltertuigen, gewichten en Spaansche leerzen doen eten; kon ik hem doen drinken al het bloed, dat door hem werd vergoten; kon ik, na duizenden folteringen, hem het hert uit de borst rukken en hem dit rot en giftig ingewand rauw doen eten! Dan zou hij voorzeker, van het leven naar den dood tiegend, in de solferkolk vallen, alwaar de duivel het hem zonder ophouden gelieve te doen eten en nog te doen eten. En aldus tot in de eeuwigheid der eeuwigheden!—Amen! zeiden Uilenspiegel en Nele.—Maar ziet gij niets? vroeg zij.—Neen, sprak Uilenspiegel.—In ’t Westen zie ik, zeide zij, zeven mannen en vrouwen in eenen kring gezeten. Een der mannen is gekleed in het purper en draagt een gouden kroon op het hoofd. Hij schijnt de hoofdman der anderen, die allen in lompen en vodden gehuld zijn. In het Oosten zie ik een andere groep van zeven komen: insgelijks aangevoerd door iemand, ook gekleed in het purper, doch zonder kroon op het hoofd. En zij gaan op tegen die van het Westen. En zij vechten tegen hen in de wolken; maar nu zie ik niets meer.—De Zeven, zei Uilenspiegel.—Ik hoor, zeide Nele, omtrent ons in het loover, eene stem, zacht als een ademtocht, neuren:Door den krijg en het vuurDoor de lansen en zwaarden,Zoek;In den dood en het bloedIn de puinen en tranen,Vind.—Anderen dan wij zullen de verlossers van Vlaanderen wezen, antwoordde Uilenspiegel. De nacht is zwart, en ’k zie de Spaansche huurlingen fakkels aansteken. Wij zijn omtrent het Galgeveld. O, mijn zoete vriendinne, waarom zijt gij niet ginder gebleven? Hoort gij niets meer, Nele?—’t Doet, zeide zij, een wapengekletter in het koren. En ziet gij, op de gindsche heuvelen, aan het einde van den wegel, dien wij begaan, den rooden gloed niet van fakkels, die flikkeren op het staal van de wapenen? Ik zie de lichtjes van de wieken der bussen. Slapen onze wachters of zijn zij met blindheid geslagen? Hoort gij dien donderslag? Ziet gij de Spanjolen vallen onder de kogels? Hoort gij: „Vive le Geus!” Met de piek vooruit, stormen zij den wegel op. Langsheen de heuvelen dalen zij beneden met zwaaiende bijlen.... Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen Lamme en Uilenspiegel.—Daar, zei Nele, daar zijn soldaten, die ons wapenen langen. Neem aan, Lamme, neem aan, mijn beminde. Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen al de gevangenen.—De bussen houden niet op met schieten, zeide Nele, de Spanjolen vallen als vliegen, verlicht als ze zijn door den gloed van de toortsen. Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen de wakkere redders.—Vive le Geus! riepen Uilenspiegel en de gevangenen. De Spanjolen zijn omsloten in eenen kring van vuur. Slaat dood! Slaat dood! Geen enkele ontsnappe! Slaat dood! geene genade, geen kwartier! En nu trekken wij, met pak en zak, naar Enkhuizen. Wie heeft de zijden en lakensche kleederen van onze beulen? Wie heeft hunne wapenen?—Allen! Wij allen! riepen zij. Vive le Geus!En, inderdaad, zij trokken naar Enkhuizen, alwaar zij de met hen verloste Duitschers deden blijven, om de stede te bewaken.En Lamme en Nele en Uilenspiegel keerden naar hunne schepen terug. En weer zongen zij op de vrije zee: Vive le Geus!En zij kruisten in de reede van Vlissingen.
XII.Het sneeuwt op de schepen. Heinde en ver is de lucht wit, en zonder ophouden valt de sneeuw immer door in het zwarte water, in hetwelk zij smelt.Het sneeuwt op het land: wit zijn de wegen, ook wit de flauwe schimmen der ontbladerde boomen. Geenerlei gerucht is te hooren, tenzij het verre gelui van Haarlems klokken, die het uur slaan, en van den blijden beiaard, die in de dikke lucht zijn gesmoorde tonen zendt.Luidt niet, klokken; speel uw zachte, eenvoudige deuntjes niet, beiaard: don Frederik nadert, de zoon van den bloedigen hertog. Hij komt op u af, gevolgd van vijf en dertig vendels Spanjaarden, uwe doodvijanden, Haarlem, o stede van vrijheid; twee en twintig vendels Walen, achttien vendels Duitschers, achthonderd peerden, een machtig geschut volgen hem. Hoort gij op de wagens het geknars van het doodend ijzer? Falkonetten, slangen, donderbussen met wijden mond, dat alles is voor u, Haarlem. Luidt niet, klokken; werp uw blijde tonen niet meer in de met sneeuw bezwangerde lucht, lustige beiaard.—Wij, klokken, zullen luiden; ik, beiaard, ik zal zingen en mijn stoute tonen werpen in de met sneeuw bezwangerde lucht. Haarlem is de stad van de dappere harten, de kloekmoedige vrouwen. Van de hoogte heurer torens ziet zij, zonder vrees, de zwarte drommen der beulen, als helsche mieren naderen, met golvende bewegingen: Uilenspiegel, Lamme en honderd Watergeuzen zijn binnen heure muren. Hunne vloot kruist op het meer.—Laat ze komen! zeggen de inwoners; wij zijn maar poorters, visschers, zeelieden en vrouwen. De zoon van den hertog van Alva wil, naar hij zegt, om onze stede binnen te komen, geen andere sleutels dan zijne donderbus. Dat hij, als hij kan, die zwakke poorten opene: daarachter zal hij mannen vinden. Luidt, klokken; werp uw blijde tonen in de met sneeuw bezwangerde lucht, beiaard!... Wij hebben slechts zwakke muren en onze grachten zijn gemaakt naar de oude wijs. Veertien donderbussen braken hare zes en veertigponders naar de Kruispoort. Stelt mannen daar, waar steenen ontbreken. De nacht komt, een ieder werkt, ’t is alsof het kanon zich hier nimmer hooren liet. Naar de Kruispoorthebben zij zeshonderd tachtig bommen geschoten; naar Sint-Janspoort, zeshonderd vijf en zeventig. Die sleutels openen niet, want ziet, daarachter verheft zich een nieuw bolwerk. Luidt, klokken; werp, beiaard, uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Het kanon beschiet, beschiet altoos de muren, steenen springen er af, muurvlakken storten neer. De bres is breed genoeg om eene compagnie in front door te laten. Zij schreeuwen: „Bestorming! doodt! doodt!” Zij wagen de beklimming, zij zijn met tienduizend; laat ze komen over de grachten met hunne bruggen. Onze kanonnen staan gereed. Daar is de kudde, die moet sterven. Groet hen, kanonnen der vrijheid! Zij groeten: de kettingkogels, de stormhoepels, de brandende pikkransen vliegen en fluiten, boren en kappen in het gros der belegeraars, die nederzijgen of in wanorde vluchten. Vijftienhonderd dooden vervullen de grachten. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Komt terug ter bestorming! Zij durven niet. Zij beginnen opnieuw te schieten en te mineeren. Wij ook, wij kennen de kunst van de mijn. Steekt, steekt de wiek aan onder henzelven; loopt, wij krijgen een prachtig vuurwerk te zien. Vierhonderd Spanjolen vliegen in de lucht! Dat is de weg niet naar de eeuwige vlammen. O, wat blijde dans bij het zilveren geluid onzer klokken, bij de lustige muziek van den beiaard!... Ze weten dus niet, dat de prins waakt over ons, dat ons, alle dagen, langs goedbewaakte wegen, sledevrachten koren en buskruit geworden; koren voor ons, buskruit voor hen. Waar zijn hunne zeshonderd Duitschers, die wij doodden en verdronken in ’t Haarlemmermeer? Waar zijn de elf vendels, die wij hun namen, de zes donderbussen en de vijftig ossen? Wij hadden één ringmuur, nu hebben wij er twee. De vrouwen zelven vechten mede, en Kenau Hasselaar voert heure dappere zusteren aan. Komt, beulen, komt in onze straten, de kinderen zullen u de knieën doorsnijden met hunne mesjes. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Maar het geluk is met ons niet. De vloot van de Geuzen wordt verslagen op het meer. Zij zijn verslagen, de troepen, die de Prins van Oranje ons zond. Het vriest, het vriest bitter. Geene hulp meer! Sedert vijf maanden, wederstaan wij met duizend man tegen tienmaal zooveel. Nu moeten wij met de beulen onderhandelen. Maar zal hij van onderhandeling willen hooren, die bloedige hertog, die onzen val heeft gezworen? Laat ons eenuitval wagen met al onze soldaten: misschien banen zij zich een weg door de vijandelijke drommen. Maar de vrouwen staan aan de poorten, uit vrees dat men heur alleen de stede late bewaken. Luidt niet meer, klokken; werp uw blijde tonen in de lucht niet meer, beiaard.... Nu zijn wij in de Zomermaand, het hooi riekt lekker, het koren rijpt in de zonne, de vogelen zingen: vijf maanden lang hadden wij honger; de stede is in rouw; wij zullen allen uit Haarlem trekken, de busschutters aan ’t hoofd om den weg te banen, de vrouwen, de kinderen en de magistraat daarachter, gevolgd door het voetvolk, dat waakt op de bres. Een brief, een brief van den zoon van den bloedigen hertog! Is ’t de dood, dien hij ons meldt? neen, ’t is het leven aan allen, die zijn in de stede. O, onverbeide genade, o leugen wellicht! Zult ge nog zingen, blijde beiaard? Zij komen de stede binnen....Uilenspiegel, Lamme en Nele hadden den dos van de Duitsche soldaten aangetrokken, die met hen, ten getale van zeshonderd, opgesloten waren in het Augustijnerklooster.—Vandaag zullen wij sterven, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En aan zijne borst drukte hij het liefelijke lichaam van Nele, die huiverde van schrik.—Laas! mijne vrouw, nimmermeer zal ik ze zien, zeide Lamme.Maar wellicht redden die kleederen van Duitsche soldaten ons ’t leven?Uilenspiegel schudde het hoofd om te bedieden, dat hij aan geene genade geloofde.—Ik hoor het gerucht van de plundering niet, zeide Lamme.Uilenspiegel antwoordde:—Volgens de overeenkomst, hebben de poorters de plundering en het leven afgekocht, mits de somme van tweehonderd veertigduizend gulden. Binnen twaalf dagen moeten zij honderdduizend gulden in klinkende munte betalen, en de rest drie maanden later. Aan de vrouwen werd bevolen de wijk te nemen in de kerken. Zij gaan ongetwijfeld de slachting beginnen. Hoort gij de galgen en schavotten optimmeren?—Ha! wij zullen sterven! sprak Nele; ik heb honger.—Ja, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel, de zoon van den bloedigen hertog heeft gezeid, dat wij, uitgehongerd zijnde, gedwee naar de strafplaats zullen tiegen.—Ik heb zoo’n honger! sprak Nele.’s Avonds kwamen soldaten, en zij deelden een brood voor zes man uit.—Driehonderd soldaten werden gehangen op de Markt, zeiden zij. Weldra is ’t uwe beurt. Geuzen en galgen hooren immer bijeen.Den volgenden avond, kwamen zij nog met een brood voor zes man.—Vier hoogpoorters, zeiden zij, werden onthalsd. Tweehonderd acht en veertig soldaten werden twee aan twee gebonden en in de zee gesmeten. De krabben zullen vet zijn dees jaar. Gij hebt geen goede tronie, gijlie, sedert den 7n van Hooimaand, dat gij hier zijt. Wat zijn zij slokkers en dronkaards, die inwoners der Nederlanden! wij, Spanjaarden, generen ons met eenige vijgen voor ons avondmaal.—’t Is zeker daarom, antwoordde Uilenspiegel, dat gij overal bij de poorters uw vier eetmalen met vleesch, gevogelte, vla, wijn en confituur eischt; en melk om het lichaam van uwemuchachaste wasschen, en wijn om de pooten uwer peerden te baden?Den 18n van Hooimaand zeide Nele:—Mijne voeten zijn nat; wat is dit?—’t Is bloed, zeide Uilenspiegel.’s Avonds kwamen de soldaten opnieuw met hun brood voor zes man.—Daar waar de koorde niet volstaat, doet het zweerd het werk, zeiden zij. Drijhonderd soldaten en zeven en twintig poorters, die de stede meenden te ontvluchten, wandelen nu in de helle, met hun hoofd onder hunnen arm.’s Anderen daags stroomde het bloed opnieuw in het klooster; de soldaten kwamen geen brood brengen, maar alleenlijk naar de gevangenen kijken en zeggen:—De vijfhonderd Walen, Engelschen en Schotten, die gisteren onthalsd werden, hadden een betere tronie. Dezen hebben honger, gewis; doch wie dan zou sterven van honger, ten ware de Geus?En, inderdaad, allen bleek, mager ontdaan en bibberend van koorts, stonden zij daar lijk spoken.Den 16n van Oogstmaand, om vijf uren’s avonds, kwamen de soldaten lachend binnen en zij gaven hun brood, kaas en bier. Lamme sprak:—Dit is ons doodmaal.Te tien uren kwamen vier vendrigs; de hoplieden deden depoorten van vier kloosters openen en bevalen den gevangenen gevieren achter de pijpen en trommels te gaan, tot aan de plaats, waar men hen zou doen stilstaan. Sommige straten waren rood van ’t bloed; en zij stapten naar ’t Galgeveld.Hier en daar waren de weiden bemorst met plassen bloed; overal was er bloed op de muren gespat. De raven kwamen bij zwermen van alle kanten; de zonne verborg zich in een bed van dampen, de hemel was nog helder, en in het diepste deszelven ontwaakten schuchter de sterren. Eensklaps hoorden zij een hertverscheurend gehuil.De soldaten zeiden:—Die daar schreeuwen, zijn de Geuzen van het fort Fuike, buiten de stad; men laat ze sterven van honger.—Wij ook, zeide Nele, wij gaan sterven.En zij weende.—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.—Ha! zeide Lamme in ’t Vlaamsch,—de soldaten van het geleide verstonden die mannelijke taal niet,—ha! zeide Lamme, had ik dien bloedigen hertog onder handen en kon ik hem, tot zijne kroenge er van berst, alle die koorden, galgen, pijnbanken, foltertuigen, gewichten en Spaansche leerzen doen eten; kon ik hem doen drinken al het bloed, dat door hem werd vergoten; kon ik, na duizenden folteringen, hem het hert uit de borst rukken en hem dit rot en giftig ingewand rauw doen eten! Dan zou hij voorzeker, van het leven naar den dood tiegend, in de solferkolk vallen, alwaar de duivel het hem zonder ophouden gelieve te doen eten en nog te doen eten. En aldus tot in de eeuwigheid der eeuwigheden!—Amen! zeiden Uilenspiegel en Nele.—Maar ziet gij niets? vroeg zij.—Neen, sprak Uilenspiegel.—In ’t Westen zie ik, zeide zij, zeven mannen en vrouwen in eenen kring gezeten. Een der mannen is gekleed in het purper en draagt een gouden kroon op het hoofd. Hij schijnt de hoofdman der anderen, die allen in lompen en vodden gehuld zijn. In het Oosten zie ik een andere groep van zeven komen: insgelijks aangevoerd door iemand, ook gekleed in het purper, doch zonder kroon op het hoofd. En zij gaan op tegen die van het Westen. En zij vechten tegen hen in de wolken; maar nu zie ik niets meer.—De Zeven, zei Uilenspiegel.—Ik hoor, zeide Nele, omtrent ons in het loover, eene stem, zacht als een ademtocht, neuren:Door den krijg en het vuurDoor de lansen en zwaarden,Zoek;In den dood en het bloedIn de puinen en tranen,Vind.—Anderen dan wij zullen de verlossers van Vlaanderen wezen, antwoordde Uilenspiegel. De nacht is zwart, en ’k zie de Spaansche huurlingen fakkels aansteken. Wij zijn omtrent het Galgeveld. O, mijn zoete vriendinne, waarom zijt gij niet ginder gebleven? Hoort gij niets meer, Nele?—’t Doet, zeide zij, een wapengekletter in het koren. En ziet gij, op de gindsche heuvelen, aan het einde van den wegel, dien wij begaan, den rooden gloed niet van fakkels, die flikkeren op het staal van de wapenen? Ik zie de lichtjes van de wieken der bussen. Slapen onze wachters of zijn zij met blindheid geslagen? Hoort gij dien donderslag? Ziet gij de Spanjolen vallen onder de kogels? Hoort gij: „Vive le Geus!” Met de piek vooruit, stormen zij den wegel op. Langsheen de heuvelen dalen zij beneden met zwaaiende bijlen.... Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen Lamme en Uilenspiegel.—Daar, zei Nele, daar zijn soldaten, die ons wapenen langen. Neem aan, Lamme, neem aan, mijn beminde. Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen al de gevangenen.—De bussen houden niet op met schieten, zeide Nele, de Spanjolen vallen als vliegen, verlicht als ze zijn door den gloed van de toortsen. Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen de wakkere redders.—Vive le Geus! riepen Uilenspiegel en de gevangenen. De Spanjolen zijn omsloten in eenen kring van vuur. Slaat dood! Slaat dood! Geen enkele ontsnappe! Slaat dood! geene genade, geen kwartier! En nu trekken wij, met pak en zak, naar Enkhuizen. Wie heeft de zijden en lakensche kleederen van onze beulen? Wie heeft hunne wapenen?—Allen! Wij allen! riepen zij. Vive le Geus!En, inderdaad, zij trokken naar Enkhuizen, alwaar zij de met hen verloste Duitschers deden blijven, om de stede te bewaken.En Lamme en Nele en Uilenspiegel keerden naar hunne schepen terug. En weer zongen zij op de vrije zee: Vive le Geus!En zij kruisten in de reede van Vlissingen.
XII.
Het sneeuwt op de schepen. Heinde en ver is de lucht wit, en zonder ophouden valt de sneeuw immer door in het zwarte water, in hetwelk zij smelt.Het sneeuwt op het land: wit zijn de wegen, ook wit de flauwe schimmen der ontbladerde boomen. Geenerlei gerucht is te hooren, tenzij het verre gelui van Haarlems klokken, die het uur slaan, en van den blijden beiaard, die in de dikke lucht zijn gesmoorde tonen zendt.Luidt niet, klokken; speel uw zachte, eenvoudige deuntjes niet, beiaard: don Frederik nadert, de zoon van den bloedigen hertog. Hij komt op u af, gevolgd van vijf en dertig vendels Spanjaarden, uwe doodvijanden, Haarlem, o stede van vrijheid; twee en twintig vendels Walen, achttien vendels Duitschers, achthonderd peerden, een machtig geschut volgen hem. Hoort gij op de wagens het geknars van het doodend ijzer? Falkonetten, slangen, donderbussen met wijden mond, dat alles is voor u, Haarlem. Luidt niet, klokken; werp uw blijde tonen niet meer in de met sneeuw bezwangerde lucht, lustige beiaard.—Wij, klokken, zullen luiden; ik, beiaard, ik zal zingen en mijn stoute tonen werpen in de met sneeuw bezwangerde lucht. Haarlem is de stad van de dappere harten, de kloekmoedige vrouwen. Van de hoogte heurer torens ziet zij, zonder vrees, de zwarte drommen der beulen, als helsche mieren naderen, met golvende bewegingen: Uilenspiegel, Lamme en honderd Watergeuzen zijn binnen heure muren. Hunne vloot kruist op het meer.—Laat ze komen! zeggen de inwoners; wij zijn maar poorters, visschers, zeelieden en vrouwen. De zoon van den hertog van Alva wil, naar hij zegt, om onze stede binnen te komen, geen andere sleutels dan zijne donderbus. Dat hij, als hij kan, die zwakke poorten opene: daarachter zal hij mannen vinden. Luidt, klokken; werp uw blijde tonen in de met sneeuw bezwangerde lucht, beiaard!... Wij hebben slechts zwakke muren en onze grachten zijn gemaakt naar de oude wijs. Veertien donderbussen braken hare zes en veertigponders naar de Kruispoort. Stelt mannen daar, waar steenen ontbreken. De nacht komt, een ieder werkt, ’t is alsof het kanon zich hier nimmer hooren liet. Naar de Kruispoorthebben zij zeshonderd tachtig bommen geschoten; naar Sint-Janspoort, zeshonderd vijf en zeventig. Die sleutels openen niet, want ziet, daarachter verheft zich een nieuw bolwerk. Luidt, klokken; werp, beiaard, uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Het kanon beschiet, beschiet altoos de muren, steenen springen er af, muurvlakken storten neer. De bres is breed genoeg om eene compagnie in front door te laten. Zij schreeuwen: „Bestorming! doodt! doodt!” Zij wagen de beklimming, zij zijn met tienduizend; laat ze komen over de grachten met hunne bruggen. Onze kanonnen staan gereed. Daar is de kudde, die moet sterven. Groet hen, kanonnen der vrijheid! Zij groeten: de kettingkogels, de stormhoepels, de brandende pikkransen vliegen en fluiten, boren en kappen in het gros der belegeraars, die nederzijgen of in wanorde vluchten. Vijftienhonderd dooden vervullen de grachten. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Komt terug ter bestorming! Zij durven niet. Zij beginnen opnieuw te schieten en te mineeren. Wij ook, wij kennen de kunst van de mijn. Steekt, steekt de wiek aan onder henzelven; loopt, wij krijgen een prachtig vuurwerk te zien. Vierhonderd Spanjolen vliegen in de lucht! Dat is de weg niet naar de eeuwige vlammen. O, wat blijde dans bij het zilveren geluid onzer klokken, bij de lustige muziek van den beiaard!... Ze weten dus niet, dat de prins waakt over ons, dat ons, alle dagen, langs goedbewaakte wegen, sledevrachten koren en buskruit geworden; koren voor ons, buskruit voor hen. Waar zijn hunne zeshonderd Duitschers, die wij doodden en verdronken in ’t Haarlemmermeer? Waar zijn de elf vendels, die wij hun namen, de zes donderbussen en de vijftig ossen? Wij hadden één ringmuur, nu hebben wij er twee. De vrouwen zelven vechten mede, en Kenau Hasselaar voert heure dappere zusteren aan. Komt, beulen, komt in onze straten, de kinderen zullen u de knieën doorsnijden met hunne mesjes. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!... Maar het geluk is met ons niet. De vloot van de Geuzen wordt verslagen op het meer. Zij zijn verslagen, de troepen, die de Prins van Oranje ons zond. Het vriest, het vriest bitter. Geene hulp meer! Sedert vijf maanden, wederstaan wij met duizend man tegen tienmaal zooveel. Nu moeten wij met de beulen onderhandelen. Maar zal hij van onderhandeling willen hooren, die bloedige hertog, die onzen val heeft gezworen? Laat ons eenuitval wagen met al onze soldaten: misschien banen zij zich een weg door de vijandelijke drommen. Maar de vrouwen staan aan de poorten, uit vrees dat men heur alleen de stede late bewaken. Luidt niet meer, klokken; werp uw blijde tonen in de lucht niet meer, beiaard.... Nu zijn wij in de Zomermaand, het hooi riekt lekker, het koren rijpt in de zonne, de vogelen zingen: vijf maanden lang hadden wij honger; de stede is in rouw; wij zullen allen uit Haarlem trekken, de busschutters aan ’t hoofd om den weg te banen, de vrouwen, de kinderen en de magistraat daarachter, gevolgd door het voetvolk, dat waakt op de bres. Een brief, een brief van den zoon van den bloedigen hertog! Is ’t de dood, dien hij ons meldt? neen, ’t is het leven aan allen, die zijn in de stede. O, onverbeide genade, o leugen wellicht! Zult ge nog zingen, blijde beiaard? Zij komen de stede binnen....Uilenspiegel, Lamme en Nele hadden den dos van de Duitsche soldaten aangetrokken, die met hen, ten getale van zeshonderd, opgesloten waren in het Augustijnerklooster.—Vandaag zullen wij sterven, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En aan zijne borst drukte hij het liefelijke lichaam van Nele, die huiverde van schrik.—Laas! mijne vrouw, nimmermeer zal ik ze zien, zeide Lamme.Maar wellicht redden die kleederen van Duitsche soldaten ons ’t leven?Uilenspiegel schudde het hoofd om te bedieden, dat hij aan geene genade geloofde.—Ik hoor het gerucht van de plundering niet, zeide Lamme.Uilenspiegel antwoordde:—Volgens de overeenkomst, hebben de poorters de plundering en het leven afgekocht, mits de somme van tweehonderd veertigduizend gulden. Binnen twaalf dagen moeten zij honderdduizend gulden in klinkende munte betalen, en de rest drie maanden later. Aan de vrouwen werd bevolen de wijk te nemen in de kerken. Zij gaan ongetwijfeld de slachting beginnen. Hoort gij de galgen en schavotten optimmeren?—Ha! wij zullen sterven! sprak Nele; ik heb honger.—Ja, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel, de zoon van den bloedigen hertog heeft gezeid, dat wij, uitgehongerd zijnde, gedwee naar de strafplaats zullen tiegen.—Ik heb zoo’n honger! sprak Nele.’s Avonds kwamen soldaten, en zij deelden een brood voor zes man uit.—Driehonderd soldaten werden gehangen op de Markt, zeiden zij. Weldra is ’t uwe beurt. Geuzen en galgen hooren immer bijeen.Den volgenden avond, kwamen zij nog met een brood voor zes man.—Vier hoogpoorters, zeiden zij, werden onthalsd. Tweehonderd acht en veertig soldaten werden twee aan twee gebonden en in de zee gesmeten. De krabben zullen vet zijn dees jaar. Gij hebt geen goede tronie, gijlie, sedert den 7n van Hooimaand, dat gij hier zijt. Wat zijn zij slokkers en dronkaards, die inwoners der Nederlanden! wij, Spanjaarden, generen ons met eenige vijgen voor ons avondmaal.—’t Is zeker daarom, antwoordde Uilenspiegel, dat gij overal bij de poorters uw vier eetmalen met vleesch, gevogelte, vla, wijn en confituur eischt; en melk om het lichaam van uwemuchachaste wasschen, en wijn om de pooten uwer peerden te baden?Den 18n van Hooimaand zeide Nele:—Mijne voeten zijn nat; wat is dit?—’t Is bloed, zeide Uilenspiegel.’s Avonds kwamen de soldaten opnieuw met hun brood voor zes man.—Daar waar de koorde niet volstaat, doet het zweerd het werk, zeiden zij. Drijhonderd soldaten en zeven en twintig poorters, die de stede meenden te ontvluchten, wandelen nu in de helle, met hun hoofd onder hunnen arm.’s Anderen daags stroomde het bloed opnieuw in het klooster; de soldaten kwamen geen brood brengen, maar alleenlijk naar de gevangenen kijken en zeggen:—De vijfhonderd Walen, Engelschen en Schotten, die gisteren onthalsd werden, hadden een betere tronie. Dezen hebben honger, gewis; doch wie dan zou sterven van honger, ten ware de Geus?En, inderdaad, allen bleek, mager ontdaan en bibberend van koorts, stonden zij daar lijk spoken.Den 16n van Oogstmaand, om vijf uren’s avonds, kwamen de soldaten lachend binnen en zij gaven hun brood, kaas en bier. Lamme sprak:—Dit is ons doodmaal.Te tien uren kwamen vier vendrigs; de hoplieden deden depoorten van vier kloosters openen en bevalen den gevangenen gevieren achter de pijpen en trommels te gaan, tot aan de plaats, waar men hen zou doen stilstaan. Sommige straten waren rood van ’t bloed; en zij stapten naar ’t Galgeveld.Hier en daar waren de weiden bemorst met plassen bloed; overal was er bloed op de muren gespat. De raven kwamen bij zwermen van alle kanten; de zonne verborg zich in een bed van dampen, de hemel was nog helder, en in het diepste deszelven ontwaakten schuchter de sterren. Eensklaps hoorden zij een hertverscheurend gehuil.De soldaten zeiden:—Die daar schreeuwen, zijn de Geuzen van het fort Fuike, buiten de stad; men laat ze sterven van honger.—Wij ook, zeide Nele, wij gaan sterven.En zij weende.—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.—Ha! zeide Lamme in ’t Vlaamsch,—de soldaten van het geleide verstonden die mannelijke taal niet,—ha! zeide Lamme, had ik dien bloedigen hertog onder handen en kon ik hem, tot zijne kroenge er van berst, alle die koorden, galgen, pijnbanken, foltertuigen, gewichten en Spaansche leerzen doen eten; kon ik hem doen drinken al het bloed, dat door hem werd vergoten; kon ik, na duizenden folteringen, hem het hert uit de borst rukken en hem dit rot en giftig ingewand rauw doen eten! Dan zou hij voorzeker, van het leven naar den dood tiegend, in de solferkolk vallen, alwaar de duivel het hem zonder ophouden gelieve te doen eten en nog te doen eten. En aldus tot in de eeuwigheid der eeuwigheden!—Amen! zeiden Uilenspiegel en Nele.—Maar ziet gij niets? vroeg zij.—Neen, sprak Uilenspiegel.—In ’t Westen zie ik, zeide zij, zeven mannen en vrouwen in eenen kring gezeten. Een der mannen is gekleed in het purper en draagt een gouden kroon op het hoofd. Hij schijnt de hoofdman der anderen, die allen in lompen en vodden gehuld zijn. In het Oosten zie ik een andere groep van zeven komen: insgelijks aangevoerd door iemand, ook gekleed in het purper, doch zonder kroon op het hoofd. En zij gaan op tegen die van het Westen. En zij vechten tegen hen in de wolken; maar nu zie ik niets meer.—De Zeven, zei Uilenspiegel.—Ik hoor, zeide Nele, omtrent ons in het loover, eene stem, zacht als een ademtocht, neuren:Door den krijg en het vuurDoor de lansen en zwaarden,Zoek;In den dood en het bloedIn de puinen en tranen,Vind.—Anderen dan wij zullen de verlossers van Vlaanderen wezen, antwoordde Uilenspiegel. De nacht is zwart, en ’k zie de Spaansche huurlingen fakkels aansteken. Wij zijn omtrent het Galgeveld. O, mijn zoete vriendinne, waarom zijt gij niet ginder gebleven? Hoort gij niets meer, Nele?—’t Doet, zeide zij, een wapengekletter in het koren. En ziet gij, op de gindsche heuvelen, aan het einde van den wegel, dien wij begaan, den rooden gloed niet van fakkels, die flikkeren op het staal van de wapenen? Ik zie de lichtjes van de wieken der bussen. Slapen onze wachters of zijn zij met blindheid geslagen? Hoort gij dien donderslag? Ziet gij de Spanjolen vallen onder de kogels? Hoort gij: „Vive le Geus!” Met de piek vooruit, stormen zij den wegel op. Langsheen de heuvelen dalen zij beneden met zwaaiende bijlen.... Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen Lamme en Uilenspiegel.—Daar, zei Nele, daar zijn soldaten, die ons wapenen langen. Neem aan, Lamme, neem aan, mijn beminde. Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen al de gevangenen.—De bussen houden niet op met schieten, zeide Nele, de Spanjolen vallen als vliegen, verlicht als ze zijn door den gloed van de toortsen. Vive le Geus!—Vive le Geus! riepen de wakkere redders.—Vive le Geus! riepen Uilenspiegel en de gevangenen. De Spanjolen zijn omsloten in eenen kring van vuur. Slaat dood! Slaat dood! Geen enkele ontsnappe! Slaat dood! geene genade, geen kwartier! En nu trekken wij, met pak en zak, naar Enkhuizen. Wie heeft de zijden en lakensche kleederen van onze beulen? Wie heeft hunne wapenen?—Allen! Wij allen! riepen zij. Vive le Geus!En, inderdaad, zij trokken naar Enkhuizen, alwaar zij de met hen verloste Duitschers deden blijven, om de stede te bewaken.En Lamme en Nele en Uilenspiegel keerden naar hunne schepen terug. En weer zongen zij op de vrije zee: Vive le Geus!En zij kruisten in de reede van Vlissingen.
Het sneeuwt op de schepen. Heinde en ver is de lucht wit, en zonder ophouden valt de sneeuw immer door in het zwarte water, in hetwelk zij smelt.
Het sneeuwt op het land: wit zijn de wegen, ook wit de flauwe schimmen der ontbladerde boomen. Geenerlei gerucht is te hooren, tenzij het verre gelui van Haarlems klokken, die het uur slaan, en van den blijden beiaard, die in de dikke lucht zijn gesmoorde tonen zendt.
Luidt niet, klokken; speel uw zachte, eenvoudige deuntjes niet, beiaard: don Frederik nadert, de zoon van den bloedigen hertog. Hij komt op u af, gevolgd van vijf en dertig vendels Spanjaarden, uwe doodvijanden, Haarlem, o stede van vrijheid; twee en twintig vendels Walen, achttien vendels Duitschers, achthonderd peerden, een machtig geschut volgen hem. Hoort gij op de wagens het geknars van het doodend ijzer? Falkonetten, slangen, donderbussen met wijden mond, dat alles is voor u, Haarlem. Luidt niet, klokken; werp uw blijde tonen niet meer in de met sneeuw bezwangerde lucht, lustige beiaard.
—Wij, klokken, zullen luiden; ik, beiaard, ik zal zingen en mijn stoute tonen werpen in de met sneeuw bezwangerde lucht. Haarlem is de stad van de dappere harten, de kloekmoedige vrouwen. Van de hoogte heurer torens ziet zij, zonder vrees, de zwarte drommen der beulen, als helsche mieren naderen, met golvende bewegingen: Uilenspiegel, Lamme en honderd Watergeuzen zijn binnen heure muren. Hunne vloot kruist op het meer.
—Laat ze komen! zeggen de inwoners; wij zijn maar poorters, visschers, zeelieden en vrouwen. De zoon van den hertog van Alva wil, naar hij zegt, om onze stede binnen te komen, geen andere sleutels dan zijne donderbus. Dat hij, als hij kan, die zwakke poorten opene: daarachter zal hij mannen vinden. Luidt, klokken; werp uw blijde tonen in de met sneeuw bezwangerde lucht, beiaard!
... Wij hebben slechts zwakke muren en onze grachten zijn gemaakt naar de oude wijs. Veertien donderbussen braken hare zes en veertigponders naar de Kruispoort. Stelt mannen daar, waar steenen ontbreken. De nacht komt, een ieder werkt, ’t is alsof het kanon zich hier nimmer hooren liet. Naar de Kruispoorthebben zij zeshonderd tachtig bommen geschoten; naar Sint-Janspoort, zeshonderd vijf en zeventig. Die sleutels openen niet, want ziet, daarachter verheft zich een nieuw bolwerk. Luidt, klokken; werp, beiaard, uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!
... Het kanon beschiet, beschiet altoos de muren, steenen springen er af, muurvlakken storten neer. De bres is breed genoeg om eene compagnie in front door te laten. Zij schreeuwen: „Bestorming! doodt! doodt!” Zij wagen de beklimming, zij zijn met tienduizend; laat ze komen over de grachten met hunne bruggen. Onze kanonnen staan gereed. Daar is de kudde, die moet sterven. Groet hen, kanonnen der vrijheid! Zij groeten: de kettingkogels, de stormhoepels, de brandende pikkransen vliegen en fluiten, boren en kappen in het gros der belegeraars, die nederzijgen of in wanorde vluchten. Vijftienhonderd dooden vervullen de grachten. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!
... Komt terug ter bestorming! Zij durven niet. Zij beginnen opnieuw te schieten en te mineeren. Wij ook, wij kennen de kunst van de mijn. Steekt, steekt de wiek aan onder henzelven; loopt, wij krijgen een prachtig vuurwerk te zien. Vierhonderd Spanjolen vliegen in de lucht! Dat is de weg niet naar de eeuwige vlammen. O, wat blijde dans bij het zilveren geluid onzer klokken, bij de lustige muziek van den beiaard!
... Ze weten dus niet, dat de prins waakt over ons, dat ons, alle dagen, langs goedbewaakte wegen, sledevrachten koren en buskruit geworden; koren voor ons, buskruit voor hen. Waar zijn hunne zeshonderd Duitschers, die wij doodden en verdronken in ’t Haarlemmermeer? Waar zijn de elf vendels, die wij hun namen, de zes donderbussen en de vijftig ossen? Wij hadden één ringmuur, nu hebben wij er twee. De vrouwen zelven vechten mede, en Kenau Hasselaar voert heure dappere zusteren aan. Komt, beulen, komt in onze straten, de kinderen zullen u de knieën doorsnijden met hunne mesjes. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!
... Maar het geluk is met ons niet. De vloot van de Geuzen wordt verslagen op het meer. Zij zijn verslagen, de troepen, die de Prins van Oranje ons zond. Het vriest, het vriest bitter. Geene hulp meer! Sedert vijf maanden, wederstaan wij met duizend man tegen tienmaal zooveel. Nu moeten wij met de beulen onderhandelen. Maar zal hij van onderhandeling willen hooren, die bloedige hertog, die onzen val heeft gezworen? Laat ons eenuitval wagen met al onze soldaten: misschien banen zij zich een weg door de vijandelijke drommen. Maar de vrouwen staan aan de poorten, uit vrees dat men heur alleen de stede late bewaken. Luidt niet meer, klokken; werp uw blijde tonen in de lucht niet meer, beiaard.
... Nu zijn wij in de Zomermaand, het hooi riekt lekker, het koren rijpt in de zonne, de vogelen zingen: vijf maanden lang hadden wij honger; de stede is in rouw; wij zullen allen uit Haarlem trekken, de busschutters aan ’t hoofd om den weg te banen, de vrouwen, de kinderen en de magistraat daarachter, gevolgd door het voetvolk, dat waakt op de bres. Een brief, een brief van den zoon van den bloedigen hertog! Is ’t de dood, dien hij ons meldt? neen, ’t is het leven aan allen, die zijn in de stede. O, onverbeide genade, o leugen wellicht! Zult ge nog zingen, blijde beiaard? Zij komen de stede binnen....
Uilenspiegel, Lamme en Nele hadden den dos van de Duitsche soldaten aangetrokken, die met hen, ten getale van zeshonderd, opgesloten waren in het Augustijnerklooster.
—Vandaag zullen wij sterven, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En aan zijne borst drukte hij het liefelijke lichaam van Nele, die huiverde van schrik.
—Laas! mijne vrouw, nimmermeer zal ik ze zien, zeide Lamme.
Maar wellicht redden die kleederen van Duitsche soldaten ons ’t leven?
Uilenspiegel schudde het hoofd om te bedieden, dat hij aan geene genade geloofde.
—Ik hoor het gerucht van de plundering niet, zeide Lamme.
Uilenspiegel antwoordde:
—Volgens de overeenkomst, hebben de poorters de plundering en het leven afgekocht, mits de somme van tweehonderd veertigduizend gulden. Binnen twaalf dagen moeten zij honderdduizend gulden in klinkende munte betalen, en de rest drie maanden later. Aan de vrouwen werd bevolen de wijk te nemen in de kerken. Zij gaan ongetwijfeld de slachting beginnen. Hoort gij de galgen en schavotten optimmeren?
—Ha! wij zullen sterven! sprak Nele; ik heb honger.
—Ja, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel, de zoon van den bloedigen hertog heeft gezeid, dat wij, uitgehongerd zijnde, gedwee naar de strafplaats zullen tiegen.
—Ik heb zoo’n honger! sprak Nele.
’s Avonds kwamen soldaten, en zij deelden een brood voor zes man uit.
—Driehonderd soldaten werden gehangen op de Markt, zeiden zij. Weldra is ’t uwe beurt. Geuzen en galgen hooren immer bijeen.
Den volgenden avond, kwamen zij nog met een brood voor zes man.
—Vier hoogpoorters, zeiden zij, werden onthalsd. Tweehonderd acht en veertig soldaten werden twee aan twee gebonden en in de zee gesmeten. De krabben zullen vet zijn dees jaar. Gij hebt geen goede tronie, gijlie, sedert den 7n van Hooimaand, dat gij hier zijt. Wat zijn zij slokkers en dronkaards, die inwoners der Nederlanden! wij, Spanjaarden, generen ons met eenige vijgen voor ons avondmaal.
—’t Is zeker daarom, antwoordde Uilenspiegel, dat gij overal bij de poorters uw vier eetmalen met vleesch, gevogelte, vla, wijn en confituur eischt; en melk om het lichaam van uwemuchachaste wasschen, en wijn om de pooten uwer peerden te baden?
Den 18n van Hooimaand zeide Nele:
—Mijne voeten zijn nat; wat is dit?
—’t Is bloed, zeide Uilenspiegel.
’s Avonds kwamen de soldaten opnieuw met hun brood voor zes man.
—Daar waar de koorde niet volstaat, doet het zweerd het werk, zeiden zij. Drijhonderd soldaten en zeven en twintig poorters, die de stede meenden te ontvluchten, wandelen nu in de helle, met hun hoofd onder hunnen arm.
’s Anderen daags stroomde het bloed opnieuw in het klooster; de soldaten kwamen geen brood brengen, maar alleenlijk naar de gevangenen kijken en zeggen:
—De vijfhonderd Walen, Engelschen en Schotten, die gisteren onthalsd werden, hadden een betere tronie. Dezen hebben honger, gewis; doch wie dan zou sterven van honger, ten ware de Geus?
En, inderdaad, allen bleek, mager ontdaan en bibberend van koorts, stonden zij daar lijk spoken.
Den 16n van Oogstmaand, om vijf uren’s avonds, kwamen de soldaten lachend binnen en zij gaven hun brood, kaas en bier. Lamme sprak:
—Dit is ons doodmaal.
Te tien uren kwamen vier vendrigs; de hoplieden deden depoorten van vier kloosters openen en bevalen den gevangenen gevieren achter de pijpen en trommels te gaan, tot aan de plaats, waar men hen zou doen stilstaan. Sommige straten waren rood van ’t bloed; en zij stapten naar ’t Galgeveld.
Hier en daar waren de weiden bemorst met plassen bloed; overal was er bloed op de muren gespat. De raven kwamen bij zwermen van alle kanten; de zonne verborg zich in een bed van dampen, de hemel was nog helder, en in het diepste deszelven ontwaakten schuchter de sterren. Eensklaps hoorden zij een hertverscheurend gehuil.
De soldaten zeiden:
—Die daar schreeuwen, zijn de Geuzen van het fort Fuike, buiten de stad; men laat ze sterven van honger.
—Wij ook, zeide Nele, wij gaan sterven.
En zij weende.
—De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.
—Ha! zeide Lamme in ’t Vlaamsch,—de soldaten van het geleide verstonden die mannelijke taal niet,—ha! zeide Lamme, had ik dien bloedigen hertog onder handen en kon ik hem, tot zijne kroenge er van berst, alle die koorden, galgen, pijnbanken, foltertuigen, gewichten en Spaansche leerzen doen eten; kon ik hem doen drinken al het bloed, dat door hem werd vergoten; kon ik, na duizenden folteringen, hem het hert uit de borst rukken en hem dit rot en giftig ingewand rauw doen eten! Dan zou hij voorzeker, van het leven naar den dood tiegend, in de solferkolk vallen, alwaar de duivel het hem zonder ophouden gelieve te doen eten en nog te doen eten. En aldus tot in de eeuwigheid der eeuwigheden!
—Amen! zeiden Uilenspiegel en Nele.
—Maar ziet gij niets? vroeg zij.
—Neen, sprak Uilenspiegel.
—In ’t Westen zie ik, zeide zij, zeven mannen en vrouwen in eenen kring gezeten. Een der mannen is gekleed in het purper en draagt een gouden kroon op het hoofd. Hij schijnt de hoofdman der anderen, die allen in lompen en vodden gehuld zijn. In het Oosten zie ik een andere groep van zeven komen: insgelijks aangevoerd door iemand, ook gekleed in het purper, doch zonder kroon op het hoofd. En zij gaan op tegen die van het Westen. En zij vechten tegen hen in de wolken; maar nu zie ik niets meer.
—De Zeven, zei Uilenspiegel.
—Ik hoor, zeide Nele, omtrent ons in het loover, eene stem, zacht als een ademtocht, neuren:
Door den krijg en het vuurDoor de lansen en zwaarden,Zoek;In den dood en het bloedIn de puinen en tranen,Vind.
Door den krijg en het vuur
Door de lansen en zwaarden,
Zoek;
In den dood en het bloed
In de puinen en tranen,
Vind.
—Anderen dan wij zullen de verlossers van Vlaanderen wezen, antwoordde Uilenspiegel. De nacht is zwart, en ’k zie de Spaansche huurlingen fakkels aansteken. Wij zijn omtrent het Galgeveld. O, mijn zoete vriendinne, waarom zijt gij niet ginder gebleven? Hoort gij niets meer, Nele?
—’t Doet, zeide zij, een wapengekletter in het koren. En ziet gij, op de gindsche heuvelen, aan het einde van den wegel, dien wij begaan, den rooden gloed niet van fakkels, die flikkeren op het staal van de wapenen? Ik zie de lichtjes van de wieken der bussen. Slapen onze wachters of zijn zij met blindheid geslagen? Hoort gij dien donderslag? Ziet gij de Spanjolen vallen onder de kogels? Hoort gij: „Vive le Geus!” Met de piek vooruit, stormen zij den wegel op. Langsheen de heuvelen dalen zij beneden met zwaaiende bijlen.... Vive le Geus!
—Vive le Geus! riepen Lamme en Uilenspiegel.
—Daar, zei Nele, daar zijn soldaten, die ons wapenen langen. Neem aan, Lamme, neem aan, mijn beminde. Vive le Geus!
—Vive le Geus! riepen al de gevangenen.
—De bussen houden niet op met schieten, zeide Nele, de Spanjolen vallen als vliegen, verlicht als ze zijn door den gloed van de toortsen. Vive le Geus!
—Vive le Geus! riepen de wakkere redders.
—Vive le Geus! riepen Uilenspiegel en de gevangenen. De Spanjolen zijn omsloten in eenen kring van vuur. Slaat dood! Slaat dood! Geen enkele ontsnappe! Slaat dood! geene genade, geen kwartier! En nu trekken wij, met pak en zak, naar Enkhuizen. Wie heeft de zijden en lakensche kleederen van onze beulen? Wie heeft hunne wapenen?
—Allen! Wij allen! riepen zij. Vive le Geus!
En, inderdaad, zij trokken naar Enkhuizen, alwaar zij de met hen verloste Duitschers deden blijven, om de stede te bewaken.
En Lamme en Nele en Uilenspiegel keerden naar hunne schepen terug. En weer zongen zij op de vrije zee: Vive le Geus!
En zij kruisten in de reede van Vlissingen.