XI.Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak tot heur:—Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts azen op Spaansch wild, ’t is te zeggen op hunne twee en twintig bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.Nele sprak:—Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem het tooverpoeder!—Zal ik de Zeven zien, liefste?En zij aten het tooverpoeder.En Nele sloot Uilenspiegel’s oogen, en Uilenspiegel sloot Nele’s oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.Op tronen in ’t midden van den hemel, zaten zeven mannen en vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren onderscheiden konden.De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten, braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal, scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip, met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige, magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten, heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke, opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp, terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw, noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had, de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen, den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren schepter. En allen vochten weldra met elkander.Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee, in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen, wierpen hunne schaduwen op het midden van ’t vuur en vielen neder, als geveldeeiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden en kinderen. Eenigen kapten bijten in ’t ijs en smeten de grijsaards levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels goudstukken—vrucht van de plundering—met hunne handen, waaraan nog bloed kleefde.De met sterren gekroonde zeven riepen: „Genade voor de arme wereld!”En de spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood zwaaide met zijne zeis.—Hoort gij ze? sprak Uilenspiegel; zij zijn de roofvogelen der arme menschen. Zij leven van de kleine vogelen, die de goeden en eenvoudigen zijn.En de met sterren gekroonde Zeven riepen: „Liefde, gerechtigheid, goedertierenheid!”En de zeven spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood sloeg hen met zijne zweep.En het schip vaarde op den vloed en sneed alles in twee: booten, vaartuigen, mannen, vrouwlieden, kinderen. Op de zee weergalmde het gejammer der slachtofferen, die riepen: „Genade!”En het roode schip ging over hen allen heen, terwijl de grijnzende spoken krasten als nachtuilen.En de Dood dronk dit water, hetwelk rood zag. van bloed.En toen het schip in de nevelen verdwenen was, hield het gevecht op en verzwonden de met sterren gekroonde Zeven.En Uilenspiegel en Nele zagen anders niets meer dan den pikzwarten hemel, de holle, bruisende zee, de donkere wolken, die voortgejaagd werden boven het lichtende water en, dichter bij, bleekroode sterren.Het waren de lanteernen van de twee en twintig bodemen der vloot. De zee en de donder lieten een dof gerol hooren.En Uilenspiegel trok zachtjes aan de wacharmklok en riep:—De Spaanjaard! De Spanjaard! Hij stevent op Vlissingen!En de kreet werd herhaald door geheel de Geuzenvloot.En Uilenspiegel zeide tot Nele:—Een grijze tint kleurt de zee en den hemel. De lanteernen flikkeren nog slechts zwak; de ochtendschemering breekt aan, de wind wordt frisscher, de baren werpen heur schuim over ’t dek van de schepen, een felle regen valt, doch eindigt weldra, de zon verrijst in volle gloor en verguldt de toppen der golven: dat is uw glimlach, Nele, frisch als het krieken van den morgen, zacht als de straal van de rijzende zon.De twee en twintig bodemen varen voorbij; op de schepen der Geuzen hoort men trommels en pijpen; Lumey roept: „In name des Prinsen, op jacht!” Ewoud Pietersen Worst, schout-bij-nacht, roept: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!” Op al de schepen: op deJohanna, denZwaan, deAnne-MiedenGeus, hetEedverbond, denEgmond, denHoorn, denWillem de Zwijger, roepen al de kapiteins: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!”—Op jacht! Vive Le Geus! roepen de soldaten en de matrozen.De hulk van Treslong, op dewelke Uilenspiegel diende, enden-Brielgenaamd, van dichtbij gevolgd door deJohanna, denZwaanen denGeus, bemachtigt vier Spaansche bodemen. De Geuzen werpen al wat Spaansch is in ’t water, nemen de Nederlanders gevangen, ledigen de vaartuigen als eierdoppen en laten ze, zonder masten of zeilen, dobberen in de reede. Daarna achtervolgen zij de achttien andere bodemen. De wind waait geweldig uit het gat van Antwerpen, de muur der snelle vaartuigen buigt in het water van den stroom, onder ’t gewicht van de zeilen, die gezwollen staan als de kaken eens monniks bij den wind die waait uit de keuken; de Spaansche bodemen varen snel; de Geuzen achtervolgen ze tot in de reede van Middelburg, onder het vuur van de forten. Daar ontstaat een bloedig gevecht; de Geuzen, met hun enterbijlen in de hand, springen op het dek van de schepen, welke weldra vol liggen met afgekapte armen en beenen, die men, na het gevecht, bij manden in den vloed werpen moet. De forten schieten naar hen; zij lachen er mee, en onder den kreet van: „Vive le Geus”, nemen zij in de Spaansche bodemen, kruit, kanonnen, kogels en koren. Als de vaartuigen geledigd zijn, verbranden zij die; dan varen zij naar Vlissingen, en laten ze walmen en uitbranden in de reede.Van daar zullen zij mannen zenden, die Zeelands en Hollands dijken zullen doorsteken, nieuwe schepen zullen helpen maken,en namelijk de vliebooten van honderd veertig ton, die tot twintig gegoten ijzeren stukken voeren.
XI.Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak tot heur:—Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts azen op Spaansch wild, ’t is te zeggen op hunne twee en twintig bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.Nele sprak:—Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem het tooverpoeder!—Zal ik de Zeven zien, liefste?En zij aten het tooverpoeder.En Nele sloot Uilenspiegel’s oogen, en Uilenspiegel sloot Nele’s oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.Op tronen in ’t midden van den hemel, zaten zeven mannen en vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren onderscheiden konden.De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten, braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal, scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip, met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige, magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten, heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke, opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp, terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw, noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had, de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen, den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren schepter. En allen vochten weldra met elkander.Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee, in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen, wierpen hunne schaduwen op het midden van ’t vuur en vielen neder, als geveldeeiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden en kinderen. Eenigen kapten bijten in ’t ijs en smeten de grijsaards levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels goudstukken—vrucht van de plundering—met hunne handen, waaraan nog bloed kleefde.De met sterren gekroonde zeven riepen: „Genade voor de arme wereld!”En de spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood zwaaide met zijne zeis.—Hoort gij ze? sprak Uilenspiegel; zij zijn de roofvogelen der arme menschen. Zij leven van de kleine vogelen, die de goeden en eenvoudigen zijn.En de met sterren gekroonde Zeven riepen: „Liefde, gerechtigheid, goedertierenheid!”En de zeven spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood sloeg hen met zijne zweep.En het schip vaarde op den vloed en sneed alles in twee: booten, vaartuigen, mannen, vrouwlieden, kinderen. Op de zee weergalmde het gejammer der slachtofferen, die riepen: „Genade!”En het roode schip ging over hen allen heen, terwijl de grijnzende spoken krasten als nachtuilen.En de Dood dronk dit water, hetwelk rood zag. van bloed.En toen het schip in de nevelen verdwenen was, hield het gevecht op en verzwonden de met sterren gekroonde Zeven.En Uilenspiegel en Nele zagen anders niets meer dan den pikzwarten hemel, de holle, bruisende zee, de donkere wolken, die voortgejaagd werden boven het lichtende water en, dichter bij, bleekroode sterren.Het waren de lanteernen van de twee en twintig bodemen der vloot. De zee en de donder lieten een dof gerol hooren.En Uilenspiegel trok zachtjes aan de wacharmklok en riep:—De Spaanjaard! De Spanjaard! Hij stevent op Vlissingen!En de kreet werd herhaald door geheel de Geuzenvloot.En Uilenspiegel zeide tot Nele:—Een grijze tint kleurt de zee en den hemel. De lanteernen flikkeren nog slechts zwak; de ochtendschemering breekt aan, de wind wordt frisscher, de baren werpen heur schuim over ’t dek van de schepen, een felle regen valt, doch eindigt weldra, de zon verrijst in volle gloor en verguldt de toppen der golven: dat is uw glimlach, Nele, frisch als het krieken van den morgen, zacht als de straal van de rijzende zon.De twee en twintig bodemen varen voorbij; op de schepen der Geuzen hoort men trommels en pijpen; Lumey roept: „In name des Prinsen, op jacht!” Ewoud Pietersen Worst, schout-bij-nacht, roept: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!” Op al de schepen: op deJohanna, denZwaan, deAnne-MiedenGeus, hetEedverbond, denEgmond, denHoorn, denWillem de Zwijger, roepen al de kapiteins: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!”—Op jacht! Vive Le Geus! roepen de soldaten en de matrozen.De hulk van Treslong, op dewelke Uilenspiegel diende, enden-Brielgenaamd, van dichtbij gevolgd door deJohanna, denZwaanen denGeus, bemachtigt vier Spaansche bodemen. De Geuzen werpen al wat Spaansch is in ’t water, nemen de Nederlanders gevangen, ledigen de vaartuigen als eierdoppen en laten ze, zonder masten of zeilen, dobberen in de reede. Daarna achtervolgen zij de achttien andere bodemen. De wind waait geweldig uit het gat van Antwerpen, de muur der snelle vaartuigen buigt in het water van den stroom, onder ’t gewicht van de zeilen, die gezwollen staan als de kaken eens monniks bij den wind die waait uit de keuken; de Spaansche bodemen varen snel; de Geuzen achtervolgen ze tot in de reede van Middelburg, onder het vuur van de forten. Daar ontstaat een bloedig gevecht; de Geuzen, met hun enterbijlen in de hand, springen op het dek van de schepen, welke weldra vol liggen met afgekapte armen en beenen, die men, na het gevecht, bij manden in den vloed werpen moet. De forten schieten naar hen; zij lachen er mee, en onder den kreet van: „Vive le Geus”, nemen zij in de Spaansche bodemen, kruit, kanonnen, kogels en koren. Als de vaartuigen geledigd zijn, verbranden zij die; dan varen zij naar Vlissingen, en laten ze walmen en uitbranden in de reede.Van daar zullen zij mannen zenden, die Zeelands en Hollands dijken zullen doorsteken, nieuwe schepen zullen helpen maken,en namelijk de vliebooten van honderd veertig ton, die tot twintig gegoten ijzeren stukken voeren.
XI.Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak tot heur:—Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts azen op Spaansch wild, ’t is te zeggen op hunne twee en twintig bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.Nele sprak:—Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem het tooverpoeder!—Zal ik de Zeven zien, liefste?En zij aten het tooverpoeder.En Nele sloot Uilenspiegel’s oogen, en Uilenspiegel sloot Nele’s oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.Op tronen in ’t midden van den hemel, zaten zeven mannen en vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren onderscheiden konden.De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten, braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal, scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip, met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige, magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten, heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke, opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp, terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw, noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had, de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen, den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren schepter. En allen vochten weldra met elkander.Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee, in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen, wierpen hunne schaduwen op het midden van ’t vuur en vielen neder, als geveldeeiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden en kinderen. Eenigen kapten bijten in ’t ijs en smeten de grijsaards levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels goudstukken—vrucht van de plundering—met hunne handen, waaraan nog bloed kleefde.De met sterren gekroonde zeven riepen: „Genade voor de arme wereld!”En de spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood zwaaide met zijne zeis.—Hoort gij ze? sprak Uilenspiegel; zij zijn de roofvogelen der arme menschen. Zij leven van de kleine vogelen, die de goeden en eenvoudigen zijn.En de met sterren gekroonde Zeven riepen: „Liefde, gerechtigheid, goedertierenheid!”En de zeven spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood sloeg hen met zijne zweep.En het schip vaarde op den vloed en sneed alles in twee: booten, vaartuigen, mannen, vrouwlieden, kinderen. Op de zee weergalmde het gejammer der slachtofferen, die riepen: „Genade!”En het roode schip ging over hen allen heen, terwijl de grijnzende spoken krasten als nachtuilen.En de Dood dronk dit water, hetwelk rood zag. van bloed.En toen het schip in de nevelen verdwenen was, hield het gevecht op en verzwonden de met sterren gekroonde Zeven.En Uilenspiegel en Nele zagen anders niets meer dan den pikzwarten hemel, de holle, bruisende zee, de donkere wolken, die voortgejaagd werden boven het lichtende water en, dichter bij, bleekroode sterren.Het waren de lanteernen van de twee en twintig bodemen der vloot. De zee en de donder lieten een dof gerol hooren.En Uilenspiegel trok zachtjes aan de wacharmklok en riep:—De Spaanjaard! De Spanjaard! Hij stevent op Vlissingen!En de kreet werd herhaald door geheel de Geuzenvloot.En Uilenspiegel zeide tot Nele:—Een grijze tint kleurt de zee en den hemel. De lanteernen flikkeren nog slechts zwak; de ochtendschemering breekt aan, de wind wordt frisscher, de baren werpen heur schuim over ’t dek van de schepen, een felle regen valt, doch eindigt weldra, de zon verrijst in volle gloor en verguldt de toppen der golven: dat is uw glimlach, Nele, frisch als het krieken van den morgen, zacht als de straal van de rijzende zon.De twee en twintig bodemen varen voorbij; op de schepen der Geuzen hoort men trommels en pijpen; Lumey roept: „In name des Prinsen, op jacht!” Ewoud Pietersen Worst, schout-bij-nacht, roept: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!” Op al de schepen: op deJohanna, denZwaan, deAnne-MiedenGeus, hetEedverbond, denEgmond, denHoorn, denWillem de Zwijger, roepen al de kapiteins: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!”—Op jacht! Vive Le Geus! roepen de soldaten en de matrozen.De hulk van Treslong, op dewelke Uilenspiegel diende, enden-Brielgenaamd, van dichtbij gevolgd door deJohanna, denZwaanen denGeus, bemachtigt vier Spaansche bodemen. De Geuzen werpen al wat Spaansch is in ’t water, nemen de Nederlanders gevangen, ledigen de vaartuigen als eierdoppen en laten ze, zonder masten of zeilen, dobberen in de reede. Daarna achtervolgen zij de achttien andere bodemen. De wind waait geweldig uit het gat van Antwerpen, de muur der snelle vaartuigen buigt in het water van den stroom, onder ’t gewicht van de zeilen, die gezwollen staan als de kaken eens monniks bij den wind die waait uit de keuken; de Spaansche bodemen varen snel; de Geuzen achtervolgen ze tot in de reede van Middelburg, onder het vuur van de forten. Daar ontstaat een bloedig gevecht; de Geuzen, met hun enterbijlen in de hand, springen op het dek van de schepen, welke weldra vol liggen met afgekapte armen en beenen, die men, na het gevecht, bij manden in den vloed werpen moet. De forten schieten naar hen; zij lachen er mee, en onder den kreet van: „Vive le Geus”, nemen zij in de Spaansche bodemen, kruit, kanonnen, kogels en koren. Als de vaartuigen geledigd zijn, verbranden zij die; dan varen zij naar Vlissingen, en laten ze walmen en uitbranden in de reede.Van daar zullen zij mannen zenden, die Zeelands en Hollands dijken zullen doorsteken, nieuwe schepen zullen helpen maken,en namelijk de vliebooten van honderd veertig ton, die tot twintig gegoten ijzeren stukken voeren.
XI.
Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak tot heur:—Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts azen op Spaansch wild, ’t is te zeggen op hunne twee en twintig bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.Nele sprak:—Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem het tooverpoeder!—Zal ik de Zeven zien, liefste?En zij aten het tooverpoeder.En Nele sloot Uilenspiegel’s oogen, en Uilenspiegel sloot Nele’s oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.Op tronen in ’t midden van den hemel, zaten zeven mannen en vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren onderscheiden konden.De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten, braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal, scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip, met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige, magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten, heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke, opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp, terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw, noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had, de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen, den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren schepter. En allen vochten weldra met elkander.Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee, in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen, wierpen hunne schaduwen op het midden van ’t vuur en vielen neder, als geveldeeiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden en kinderen. Eenigen kapten bijten in ’t ijs en smeten de grijsaards levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels goudstukken—vrucht van de plundering—met hunne handen, waaraan nog bloed kleefde.De met sterren gekroonde zeven riepen: „Genade voor de arme wereld!”En de spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood zwaaide met zijne zeis.—Hoort gij ze? sprak Uilenspiegel; zij zijn de roofvogelen der arme menschen. Zij leven van de kleine vogelen, die de goeden en eenvoudigen zijn.En de met sterren gekroonde Zeven riepen: „Liefde, gerechtigheid, goedertierenheid!”En de zeven spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood sloeg hen met zijne zweep.En het schip vaarde op den vloed en sneed alles in twee: booten, vaartuigen, mannen, vrouwlieden, kinderen. Op de zee weergalmde het gejammer der slachtofferen, die riepen: „Genade!”En het roode schip ging over hen allen heen, terwijl de grijnzende spoken krasten als nachtuilen.En de Dood dronk dit water, hetwelk rood zag. van bloed.En toen het schip in de nevelen verdwenen was, hield het gevecht op en verzwonden de met sterren gekroonde Zeven.En Uilenspiegel en Nele zagen anders niets meer dan den pikzwarten hemel, de holle, bruisende zee, de donkere wolken, die voortgejaagd werden boven het lichtende water en, dichter bij, bleekroode sterren.Het waren de lanteernen van de twee en twintig bodemen der vloot. De zee en de donder lieten een dof gerol hooren.En Uilenspiegel trok zachtjes aan de wacharmklok en riep:—De Spaanjaard! De Spanjaard! Hij stevent op Vlissingen!En de kreet werd herhaald door geheel de Geuzenvloot.En Uilenspiegel zeide tot Nele:—Een grijze tint kleurt de zee en den hemel. De lanteernen flikkeren nog slechts zwak; de ochtendschemering breekt aan, de wind wordt frisscher, de baren werpen heur schuim over ’t dek van de schepen, een felle regen valt, doch eindigt weldra, de zon verrijst in volle gloor en verguldt de toppen der golven: dat is uw glimlach, Nele, frisch als het krieken van den morgen, zacht als de straal van de rijzende zon.De twee en twintig bodemen varen voorbij; op de schepen der Geuzen hoort men trommels en pijpen; Lumey roept: „In name des Prinsen, op jacht!” Ewoud Pietersen Worst, schout-bij-nacht, roept: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!” Op al de schepen: op deJohanna, denZwaan, deAnne-MiedenGeus, hetEedverbond, denEgmond, denHoorn, denWillem de Zwijger, roepen al de kapiteins: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!”—Op jacht! Vive Le Geus! roepen de soldaten en de matrozen.De hulk van Treslong, op dewelke Uilenspiegel diende, enden-Brielgenaamd, van dichtbij gevolgd door deJohanna, denZwaanen denGeus, bemachtigt vier Spaansche bodemen. De Geuzen werpen al wat Spaansch is in ’t water, nemen de Nederlanders gevangen, ledigen de vaartuigen als eierdoppen en laten ze, zonder masten of zeilen, dobberen in de reede. Daarna achtervolgen zij de achttien andere bodemen. De wind waait geweldig uit het gat van Antwerpen, de muur der snelle vaartuigen buigt in het water van den stroom, onder ’t gewicht van de zeilen, die gezwollen staan als de kaken eens monniks bij den wind die waait uit de keuken; de Spaansche bodemen varen snel; de Geuzen achtervolgen ze tot in de reede van Middelburg, onder het vuur van de forten. Daar ontstaat een bloedig gevecht; de Geuzen, met hun enterbijlen in de hand, springen op het dek van de schepen, welke weldra vol liggen met afgekapte armen en beenen, die men, na het gevecht, bij manden in den vloed werpen moet. De forten schieten naar hen; zij lachen er mee, en onder den kreet van: „Vive le Geus”, nemen zij in de Spaansche bodemen, kruit, kanonnen, kogels en koren. Als de vaartuigen geledigd zijn, verbranden zij die; dan varen zij naar Vlissingen, en laten ze walmen en uitbranden in de reede.Van daar zullen zij mannen zenden, die Zeelands en Hollands dijken zullen doorsteken, nieuwe schepen zullen helpen maken,en namelijk de vliebooten van honderd veertig ton, die tot twintig gegoten ijzeren stukken voeren.
Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak tot heur:
—Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts azen op Spaansch wild, ’t is te zeggen op hunne twee en twintig bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.
Nele sprak:
—Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem het tooverpoeder!
—Zal ik de Zeven zien, liefste?
En zij aten het tooverpoeder.
En Nele sloot Uilenspiegel’s oogen, en Uilenspiegel sloot Nele’s oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.
Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.
Op tronen in ’t midden van den hemel, zaten zeven mannen en vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren onderscheiden konden.
De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten, braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal, scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip, met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige, magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten, heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke, opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp, terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw, noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had, de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen, den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren schepter. En allen vochten weldra met elkander.
Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee, in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen, wierpen hunne schaduwen op het midden van ’t vuur en vielen neder, als geveldeeiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden en kinderen. Eenigen kapten bijten in ’t ijs en smeten de grijsaards levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels goudstukken—vrucht van de plundering—met hunne handen, waaraan nog bloed kleefde.
De met sterren gekroonde zeven riepen: „Genade voor de arme wereld!”
En de spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood zwaaide met zijne zeis.
—Hoort gij ze? sprak Uilenspiegel; zij zijn de roofvogelen der arme menschen. Zij leven van de kleine vogelen, die de goeden en eenvoudigen zijn.
En de met sterren gekroonde Zeven riepen: „Liefde, gerechtigheid, goedertierenheid!”
En de zeven spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood sloeg hen met zijne zweep.
En het schip vaarde op den vloed en sneed alles in twee: booten, vaartuigen, mannen, vrouwlieden, kinderen. Op de zee weergalmde het gejammer der slachtofferen, die riepen: „Genade!”
En het roode schip ging over hen allen heen, terwijl de grijnzende spoken krasten als nachtuilen.
En de Dood dronk dit water, hetwelk rood zag. van bloed.
En toen het schip in de nevelen verdwenen was, hield het gevecht op en verzwonden de met sterren gekroonde Zeven.
En Uilenspiegel en Nele zagen anders niets meer dan den pikzwarten hemel, de holle, bruisende zee, de donkere wolken, die voortgejaagd werden boven het lichtende water en, dichter bij, bleekroode sterren.
Het waren de lanteernen van de twee en twintig bodemen der vloot. De zee en de donder lieten een dof gerol hooren.
En Uilenspiegel trok zachtjes aan de wacharmklok en riep:—De Spaanjaard! De Spanjaard! Hij stevent op Vlissingen!
En de kreet werd herhaald door geheel de Geuzenvloot.
En Uilenspiegel zeide tot Nele:
—Een grijze tint kleurt de zee en den hemel. De lanteernen flikkeren nog slechts zwak; de ochtendschemering breekt aan, de wind wordt frisscher, de baren werpen heur schuim over ’t dek van de schepen, een felle regen valt, doch eindigt weldra, de zon verrijst in volle gloor en verguldt de toppen der golven: dat is uw glimlach, Nele, frisch als het krieken van den morgen, zacht als de straal van de rijzende zon.
De twee en twintig bodemen varen voorbij; op de schepen der Geuzen hoort men trommels en pijpen; Lumey roept: „In name des Prinsen, op jacht!” Ewoud Pietersen Worst, schout-bij-nacht, roept: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!” Op al de schepen: op deJohanna, denZwaan, deAnne-MiedenGeus, hetEedverbond, denEgmond, denHoorn, denWillem de Zwijger, roepen al de kapiteins: „In name van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op jacht!”
—Op jacht! Vive Le Geus! roepen de soldaten en de matrozen.
De hulk van Treslong, op dewelke Uilenspiegel diende, enden-Brielgenaamd, van dichtbij gevolgd door deJohanna, denZwaanen denGeus, bemachtigt vier Spaansche bodemen. De Geuzen werpen al wat Spaansch is in ’t water, nemen de Nederlanders gevangen, ledigen de vaartuigen als eierdoppen en laten ze, zonder masten of zeilen, dobberen in de reede. Daarna achtervolgen zij de achttien andere bodemen. De wind waait geweldig uit het gat van Antwerpen, de muur der snelle vaartuigen buigt in het water van den stroom, onder ’t gewicht van de zeilen, die gezwollen staan als de kaken eens monniks bij den wind die waait uit de keuken; de Spaansche bodemen varen snel; de Geuzen achtervolgen ze tot in de reede van Middelburg, onder het vuur van de forten. Daar ontstaat een bloedig gevecht; de Geuzen, met hun enterbijlen in de hand, springen op het dek van de schepen, welke weldra vol liggen met afgekapte armen en beenen, die men, na het gevecht, bij manden in den vloed werpen moet. De forten schieten naar hen; zij lachen er mee, en onder den kreet van: „Vive le Geus”, nemen zij in de Spaansche bodemen, kruit, kanonnen, kogels en koren. Als de vaartuigen geledigd zijn, verbranden zij die; dan varen zij naar Vlissingen, en laten ze walmen en uitbranden in de reede.
Van daar zullen zij mannen zenden, die Zeelands en Hollands dijken zullen doorsteken, nieuwe schepen zullen helpen maken,en namelijk de vliebooten van honderd veertig ton, die tot twintig gegoten ijzeren stukken voeren.